-A +A

afbetaling opeisbaar hypothecair krediet

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

De beslagrechter kan geen afbetalingen toestaan.

Afbetalingen kunnen enkel bekomen worden door de rechter of de beroepsrechter die over de vordering van de schuldeiser uitspraak verleent, op vraag van de schuldenaar in toepassing van artikel 1244 BW.

Afbetalingen kunnen ook in der minne toegestaan worden door de schuldeiser, de hiertoe gemachtigde gerechtsdeurwaarder of advocaat van de schuldeiser, voor of na een vonnis is tussengekomen. Een absoluut recht op afbetalingen bestaat er niet. In sommige domeinen van het recht zoals in het consumentenkrediet en het hypothecair krediet zijn er bijzondere regels mbt de verzoeken tot afbetaling.

De vroegere wetgeving op de hypothecaire kredietverlening werd sinds 29/04/2014 opgenomen in het WER (wetboek van economisch recht)
Deze wetgeving zal uitwerking hebben vanaf 1 december 2016. 



Voor een rechtstreekse link naar de relevante bepalingen in het WER klik hier

Voor een rechtstreekse link naar het integrale zeer omvangrijke WER klik hier

Het recht tot afbetaling van een schuld.

Er bestaat geen absoluut recht tot gemak van betaling.

De betalingstermijn wordt afgesproken tussen schuldeiser en schuldenaar waarbij de overeenkomst de partijen tot wet strekt. In onderling overleg met de schuldeiser kan deze gemak van betaling toestaan maar de schuldeiser, noch de gerechtsdeurwaarder bij een eventuele uitvoering is verplicht in te stemmen met het betalingsgemak.

Om commerciële redenen en soms om een onvermogen te vermijden zal een schuldeiser instemmen met gespreide betalingen. De schuldenaar kan een beroep doen op de rechter om het recht te bekomen tot gespreide betalingen en dit op grond van 1244 B.W. Hierbij dient de schuldenaar te bewijzen dat hij “ongelukkig en ter goeder trouw is”.

Ongelukkig betekent dat de schuldenaar door omstandigheden buiten zijn wil om na het sluiten van het contract of het aangaan van de verbintenis in financiële moeilijkheden is geraakt waarbij de schuldenaar hiervan de bewijslast draagt.

Ter goeder trouw betekent dat de schuldenaar in elk geval reeds betaalt wat hij kan betalen en het contract niet heeft afgesloten wetende dat hij niet in staat ging zijn om op de vervaldag te betalen. Wanneer de rechter overtuigd wordt van dit “ongeluk” en “goede trouw” kan deze een “gematigd” uitstel tot betaling verlenen.

Met de term “gematigd” heeft de wetgever bedoeld dat de schuldeiser niet kan verplicht worden om bankier te spelen en dus een betalingstermijn op zeer lange termijn te moeten ondergaan. Maar de rechter houdt rekening met alle factoren om deze gematigdheid in te vullen. In de regel zal afhankelijk van de schuld, een betalingstermijn van 6 maanden tot maximum 12 maanden voor de schuldenaar een haalbare kaart zijn.

Een schuldeiser die geconfronteerd wordt met een vraag tot afbetaling doet er goed aan om uitdrukkelijk te vermelden onder welke voorwaarden de afbetaling kan geschieden. Hierbij kan er een intrest bedongen worden (voor zover deze nog niet bedongen werd) tot 10 à 12 % en een schadevergoeding van 10 % met een minimum van 40 euro voor de bijkomende kosten verbonden aan de afbetaling.

Het is bovendien meer dan nuttig om de uiterste betalingsdata zeer expliciet te vermelden waarbij dan hieraan wordt toegevoegd dat bij gebreke aan 1 stipte betaling het volledige bedrag opeens opeisbaar wordt.

Een afbetalingsplan hoeft niet opgesteld te worden met vaste bedragen per maand. Deze bedragen kunnen aangepast worden aan de mogelijkheden van de debiteur.

Het is voor een schuldeiser nuttig om bij de eerste afbetaling het loutere bedrag van de BTW te eisen waarbij dan op de overschrijving als mededeling wordt vermeld “BTW op factuur … (nr. en datum)”. Dit is evenzeer nuttig voor een schuldenaar gezien deze aldus de schuldeiser gunstig stemt en zijn goede trouw bewijst.

De betaling van de volledige BTW van de factuur impliceert ook de volledige aanvaarding van de factuur waardoor er geen betwisting meer mogelijk is over de factuur zelf. Indien er daadwerkelijk geen betwisting bestaat heeft ook de schuldenaar hierbij belang omdat deze hiermee de goede trouw bewijst eerder dan zinloze betwistingen te voeren waardoor hij in de procedure het recht op afbetalingen zou kunnen verliezen.

Zelfs in geval van betwisting heeft een schuldenaar belang bij afbetalingen onder voorbehoud om aldus, indien de betwisting ongegrond wordt verklaard alsnog afbetalingstermijnen te bekomen.

Vaak wordt door de schuldeiser de fout gemaakt om de laatste termijn vrij klein te houden. Het is nuttiger om desnoods de laatste betalingstermijn een maand later te stellen maar waarbij de laatste afbetaling nog steeds een substantieel bedrag is, waarbij het voldoende zinvol is om een procedure in te stellen voor dit saldo. Zo niet, riskeert de schuldeiser dat de debiteur er op speculeert dat u voor een klein saldo niet naar de rechtbank stapt.

Alvorens een schuldeiser een afbetaling toestaat, doet deze er goed aan om de debiteur meerdere inlichtingen te vragen. Dit kan eventueel gebeuren door een invulformulier zoals wij er een aanbieden op onze site (zie modellen). Aldus beschikt de schuldeiser in geval van wanbetaling over de nodige inlichtingen om eventueel beslag te leggen. Indien de schuldeiser met de debiteur een afbetalingsplan overeenkomt, is het belangrijk dat deze afbetalingsregeling een uitdrukkelijke schuldbekentenis inhoudt, waardoor later de invordering van de factuur voor de rechtbank op een zeer eenvoudige manier kan gebeuren en dit zelfs op de eerste zitting, dan wel de mogelijkheid verschaft tot het leggen van bewarend beslag.

Ook de schuldenaar heeft hierbij belang omdat deze aldus zijn goede trouw bewijst. In een procedure maken verweerders vaak de fout om alle pijlen op het verweer te richten, waarbij zij onvoldoende rekening houden met de afwijzing van hun verweer en aldus vergeten om in ondergeschikte orde aan de rechtbank afbetalingstermijnen te vragen.

Eens er een vonnis is geveld en de verweerder veroordeeld tot betaling, zonder dat deze afbetalingen vroeg en bekwam, kan er enkel nog beroep worden aangetekend, louter om afbetalingen te bekomen. Eens de termijn van beroep verstreken (in de regel 1 maand na de betekening) geen rechter meer die nog afbetalingen kan toestaan.

Rechtspraak: 

Burgerlijke Rechtbank te Gent, Beslagrechter – 30 oktober 2012, RW 2014-2015, 1147

Samenvatting

Art. 59, § 1, tweede lid Wet Hypothecair Krediet bepaalt dat elke aanvraag tot het verkrijgen van betalingsfaciliteiten door de kredietnemer, de borg en, in voorkomend geval, de steller van een persoonlijke zekerheid, wordt gericht aan de beslagrechter. Deze bepaling kent geen autonoom bestaan, zodat art. 1333 e.v. Ger.W. en art. 1244, tweede lid BW onverkort van toepassing blijven. Dit betekent concreet dat iedere aanvraag tot het verkrijgen van betalingsuitstel moet gebeuren bij dagvaarding binnen vijftien dagen na de betekening van het bevel.

In art. 59 Wet Hypothecair Krediet mag geen alternatieve rechtsingang worden gezien als zou, naar aanleiding van een poging tot minnelijke schikking, met toepassing van art. 732-733 Ger.W., uitstel van betaling kunnen worden verkregen (E. Dirix en K. Broeckx, Beslag in APR, Mechelen, Kluwer, 2010, p. 54-55, nr. 78 en p. 531, nr. 864).

Tekst vonnis

K. t/ NV R.B.

...

II. Litigieuze tenuitvoerlegging

Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 1 augustus 2012 laat de verweerster,

– in uitvoering van een hypothecaire woningkredietakte van 12 februari 2010,

– wegens de wanbetaling van de eiseres,

– na vergeefse pogingen tot minnelijke schikking met toepassing van art. 59 Wet Hypothecair Krediet ter terechtzittingen van de beslagrechter op 8 mei 2012 en 19 juni 2012,

– na de opzegging van het krediet op 5 juli 2012 en zodoende de integrale opeisbaarstelling ervan,

– na de betekening van een bevel tot betalen voorafgaandelijk aan uitvoerend beslag op onroerend goed (art. 1564 Ger.W.) op 10 juli 2012,

ten laste van de eiseres overgaan tot uitvoerend beslag op onroerend goed en meer precies op een woning te (...), met navolgende overschrijving in het register van de hypotheekbewaarder.

III. Vorderingen

1. Bij dagvaarding van 17 augustus 2012 en nadien bij conclusie verzet de eiseres zich tegen deze tenuitvoerlegging. Zij beoogt in essentie respijttermijnen in de zin van art. 1244, tweede lid BW.

2. De verweerster neemt conclusie tot afwijzing van deze vordering.

...

Bij wijze van tegenvordering beoogt zij bovendien een schadevergoeding ten bedrage van 2.500 euro wegens het beweerdelijk tergende en roekeloze karakter van het geding.

IV. Beoordeling

1. De oorzaak van voormelde executie staat buiten kijf. De eiseres betwist de schuldvordering van de verweerster als zodanig niet.

2. Krachtens art. 1334 Ger.W. kan de beslagrechter, wanneer de tenuitvoerlegging plaatsheeft op basis van een andere authentieke akte dan een vonnis (zoals in casu de authentieke woningkredietakte van 12 februari 2010), uitstel van betaling toestaan.

3. Een dergelijk verzoek moet op straffe van verval worden gedaan binnen vijftien dagen te rekenen van het bevel of, indien er geen reden was tot bevel, van de betekening van de eerste akte van beslag.

Het voormelde verzoek (bij dagvaarding van 17 augustus 2012) is te laat ingediend, namelijk meer dan vijftien dagen na de betekening van het bevel tot betalen op 10 juli 2012.

In zoverre het verzoek kan worden beschouwd als een proceshandeling in de zin van art. 48 e.v. Ger.W., kan de eiseres zich bezwaarlijk beroepen op art. 50, tweede lid Ger.W. Deze laatste bepaling betreft de verlenging van de termijn van hoger beroep of verzet wegens de gerechtelijke vakantie. Zij geldt enkel voor de daarin bepaalde termijnen van verzet en hoger beroep, namelijk die bedoeld in art. 1048, 1051 en 1253quater, c en d Ger.W. Art. 50, tweede lid Ger.W. kan dan ook geen toepassing vinden in andere aangelegenheden, zoals in beslagzaken (D. Lindemans en D. Scheers, “Art. 50 Ger.W.” in Comm.Ger. 2012, p. 5, nr. 10).

Art. 59, § 1, tweede lid Wet Hypothecair Krediet bepaalt dat elke aanvraag tot het verkrijgen van betalingsfaciliteiten door de kredietnemer, de borg en, in voorkomend geval, de steller van een persoonlijke zekerheid, wordt gericht aan de beslagrechter. Deze bepaling kent geen autonoom bestaan, zodat art. 1333 e.v. Ger.W. en art. 1244, tweede lid BW onverkort van toepassing blijven. Dit betekent concreet dat iedere aanvraag tot het verkrijgen van betalingsuitstel moet gebeuren bij dagvaarding binnen vijftien dagen na de betekening van het bevel.

In art. 59 Wet Hypothecair Krediet mag geen alternatieve rechtsingang worden gezien als zou, naar aanleiding van een poging tot minnelijke schikking, met toepassing van art. 732-733 Ger.W., uitstel van betaling kunnen worden verkregen (E. Dirix en K. Broeckx, Beslag in APR, Mechelen, Kluwer, 2010, p. 54-55, nr. 78 en p. 531, nr. 864).

4. Ten overvloede beklemtoont de beslagrechter de door de wetgever in art. 1334 Ger.W. juncto art. 1244, tweede lid BW bedoelde “grote omzichtigheid” die hij aan de dag moet leggen.

Zoals de verweerster terecht aanvoert, kan de eiseres in de gegeven omstandigheden nog allerminst doorgaan als “ongelukkig en te goeder trouw”.

Zoals de verweerster aanvoert, heeft de eiseres reeds verschillende kansen gekregen om mede via het ocmw te Gent (middels budgetbegeleiding) de bedoelde achterstand in te lopen. Hoewel via het ocmw extra betalingen werden verricht, werd systematisch nagelaten de normale mensualiteiten te voldoen. Anders dan afgesproken, verscheen de eiseres evenmin op de terechtzittingen van de beslagrechter in raadkamer op 8 mei 2012 en 19 juni 2012 in het raam van art. 59 Wet Hypothecair Krediet. Op die manier heeft de eiseres de haar verleende kansen verkeken en zijn de afspraken vervallen.

De eiseres moet inzien dat het haar hoe dan ook, los van het aangevoerde schadegeval aan haar woning en de daardoor veroorzaakte reparatiewerken, toekwam om dienstige medewerking te verlenen en al het mogelijke in het werk te stellen om haar afspraken na te leven. De verweerster was en is kennelijk nalatig. Dat zij met haar drie kinderen gebeurlijk tijdelijk bij haar vader moest intrekken en bijgevolg niet steeds alle briefwisseling ontving, verschoont haar niet. Een overmachtsituatie is niet aan de orde; rechtsmisbruik van de verweerster evenmin. Dat de verweerster er alle belang bij had om het krediet verder te laten lopen, is niet juist. Dit belang van de verweerster verdween in geval van wanbetaling van de eiseres. Dat de eiseres met haar lening beter af is dan op de private huurmarkt, is natuurlijk niet de zaak van de verweerster. De verweerster heeft principieel recht op de nakoming van haar schuldvordering op de eiseres, ook al komt haar financiële situatie benard over (E. Dirix en K. Broeckx, Beslag in APR, Mechelen, Kluwer, 2010, p. 31-32, nrs. 43-44).

5. De eiseres weet beter; minstens moe(s)t zij beter weten. Het verzet is louter dilatoir en getuigt van kennelijk onredelijk procesgedrag, minstens van een lichtzinnigheid waarvan elke normale, redelijke en behoedzame persoon zich zou hebben onthouden.

De schade die de verweerster hierdoor hoe dan ook lijdt, kan, bij gebrek aan andere berekeningsmethoden, ex aequo et bono worden begroot op 125 euro.

De tegenvordering kan in die mate slagen.

 

Wetgeving: 

uittreksel uit het gerechtelijk wetboek:

HOOFDSTUK XIV.

Uitstel van betaling. 

Art. 1333. In de gevallen waarin de rechtbanken uitstel kunnen verlenen voor het ten uitvoer leggen van hun beslissingen, doen zij dit in het vonnis zelf dat uitspraak doet over het geschil dat voor hen aanhangig is. Voor de tenuitvoerlegging van vonnissen en arresten kan geen uitstel worden verleend na de uitspraak.

Art. 1334. Wanneer de tenuitvoerlegging of het beslag plaatshebben krachtens een andere authentieke akte dan een vonnis, moet de aanvraag tot het verkrijgen van uitstel bedoeld in artikel 1244 van het Burgerlijk Wetboek, op straffe van verval gedaan worden binnen vijftien dagen te rekenen van het bevel of, indien er geen reden tot bevel was, van de betekening van de eerste akte van beslag aan de schuldenaar.

Art. 1335. Vrijwillige of gedwongen onderbreking van de vervolgingen door de schuldeiser gedurende een hoofdvordering tot het verkrijgen van uitstel van betaling brengt voor hem geen verval teweeg; hij zal bij het hervatten van die vervolgingen beschikken over een nieuwe termijn, gelijk aan de gehele termijn waarover hij aanvankelijk beschikte vóor de vervolgingen.

Art. 1336. Tegen de beslissing waarbij een aanvraag om uitstel van betaling wordt afgewezen, kan de schuldenaar geen verzet doen; hoger beroep wordt op een bepaalde dag ingesteld voor de rechter in hoger beroep, zoals voorgeschreven is in artikel 1063. Deze doet uitspraak binnen twee maanden.

Art. 1337. De schuldenaar kan geen uitstel van betaling verkrijgen of het hem verleende uitstel kan hem niet ten goede komen, indien zijn goederen op verzoek van andere schuldeisers verkocht worden, indien hij zich in staat van faillissement of in staat van kennelijk onvermogen bevindt, indien hij voortvluchtig is, indien hij de zekerheid waartoe hij gehouden was jegens zijn schuldeiser, niet heeft gesteld of ze verminderd heeft.

HOOFDSTUK XIVbis.

Toestaan van betalingsfaciliteiten inzake consumentenkrediet.

Art. 1337bis. De vordering tot het verkrijgen van betalingsfaciliteiten, bedoeld bij artikel 38 van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet, kan worden ingesteld voor de vrederechter, bij verzoekschrift neergelegd ter griffie of bij ter post aangetekende brief aan de griffier, behoudens wanneer een vordering betreffende de kredietovereenkomst zoals bedoeld door hoger vernoemde wet bij de rechter ten gronde aanhangig werd gemaakt.

Deze rechtspleging kan slechts ingeleid worden nadat de schuldeiser geweigerd heeft de betalingsfaciliteiten toe te staan aan de schuldenaar welke deze laatste aangevraagd heeft bij een ter post aangetekende brief met de vermelding van de redenen ervan. Na afloop van een termijn van één maand die een aanvang neemt op de datum van afgifte van de ter post aangetekende brief bedoeld in het vorig lid wordt het stilzwijgen van de schuldeiser beschouwd als een beslissing tot weigering.

Art. 1337ter.

§ 1. (Het verzoekschrift vermeldt :) 1°) de dag, de maand en het jaar; 2°) de naam, de voornaam, het beroep en de woonplaats van de verzoeker en, desgevallend, de naam, voornaam, woonplaats, en hoedanigheid van zijn wettelijke vertegenwoordigers; 3°) de naam, de voornaam en de woonplaats, of bij gebreke van een woonplaats, de verblijfplaats van de persoon tegen wie de vordering wordt ingesteld of, indien de vordering tegen een rechtspersoon wordt ingesteld, de maatschappelijke of administratieve zetel; 4°) het onderwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering; 5°) de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat.

§ 2. Het verzoekschrift moet eveneens de vermelding bevatten dat geen vordering betreffende de overeenkomst waarop de gevraagde betalingsfaciliteiten betrekking hebben, aanhangig werd gemaakt bij de rechter ten gronde. (Bij het verzoekschrift wordt een afschrift van de kredietovereenkomst gevoegd.) § 3. Van het verzoekschrift worden zoveel exemplaren neergelegd als er partijen in het geding zijn.

Art. 1337quater. Als de vermeldingen en bijlagen bedoeld in artikel 1337ter onvolledig zijn, vraagt de rechter binnen acht dagen aan de verzoeker om zijn verzoekschrift aan te vullen.

Art. 1337quinquies. Nadat het verzoekschrift op de (rol) is ingeschreven, roept de griffier de partijen bij gerechtsbrief op om te verschijnen op de terechtzitting die door de rechter is bepaald. Een afschrift van het verzoekschrift en van de stukken ter staving worden gevoegd bij de oproeping van de andere partijen dan de verzoeker. Is de kredietgever niet een van de opgeroepen partijen, dan kan hij derdenverzet doen.

Art. 1337sexies. Wanneer het toestaan van betalingsfaciliteiten een verhoging van de kosten van de kredietovereenkomst met zich brengt, bepaalt de rechter het deel dat ten laste valt van de verzoeker.

Art. 1337septies. Het voordeel van de betalingsfaciliteiten vervalt indien de verzoeker de opgelegde termijnen en de betalingswijzen niet naleeft.

Art. 1337octies. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande hoger beroep en zonder borgstelling. De griffier zendt een voor eensluidend verklaard afschrift van ieder vonnis waarbij betalingsfaciliteiten werden toegestaan of geweigerd aan de Nationale Bank van België.

Uittreksel uit het burgerlijk wetboek

Art. 1244. De schuldenaar kan de schuldeiser niet verplichten betaling te ontvangen van een gedeelte van een schuld, al is die schuld ook deelbaar. Maar de rechter kan, niettegenstaande ieder andersluidend beding, met inachtneming van de toestand der partijen, gebruik makend van deze bevoegdheid met grote omzichtigheid en daarbij rekening houdend met de termijnen die de schuldenaar reeds heeft genoten, gematigd uitstel verlenen voor de betaling en de vervolgingen doen schorsen, ook wanneer de schuld blijkt uit een andere authentieke akte dan een vonnis.

Uittreksel uit de wet op het consumentenkrediet

Onderafdeling 7. - Toestaan van betalingsfaciliteiten.

Art. 38.

§ 1. (De vrederechter kan) de betalingsfaciliteiten, die hij bepaalt, toestaan aan de consument wiens financiële toestand is verslechterd. Wanneer het toestaan van betalingsfaciliteiten de kosten van de kredietovereenkomst verhoogt, bepaalt de vrederechter het deel dat door de consument moet worden gedragen. (De rechter kan aan de consument uitstel of herschikking van betaling van de schulden bedoeld in artikel 27bis, §§ 1 en 2, toekennen, zelfs wanneer de kredietgever een clausule als bedoeld in artikel 29 toepast of de toepassing ervan eist.)

§ 2. In afwijking van de artikelen 2032, 4°, en 2039 van het Burgerlijk Wetboek, moet de borg, en, desgevallend, elke steller van een [1 ...]1 zekerheid, zich houden aan het door de vrederechter aan de consument toegestane betalingsfaciliteitenplan.

§ 3. Wanneer de borg en, desgevallend, de steller van een [1 ...]1 zekerheid, door de schuldeiser in betaling worden aangesproken, kunnen zij de vrederechter om het toestaan van betalingsfaciliteiten verzoeken, volgens dezelfde voorwaarden en modaliteiten als bepaald door de artikelen 1337bis tot 1337octies van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot het toestaan van betalingsfaciliteiten aan de consument

Uittreksel uit de set op het hypothecair krediet

Art. 59.

§ 1. Elke tenuitvoerlegging of beslag dat plaats heeft krachtens een vonnis of een andere authentieke akte, moet in het kader van deze wet, op straffe van nietigheid, worden voorafgegaan door een poging tot minnelijke schikking, die op het zittingsblad wordt aangetekend, voor de beslagrechter.

Elke aanvraag tot het verkrijgen van betalingsfaciliteiten door de kredietnemer, de borg en in voorkomend geval, de steller van een persoonlijke zekerheid, wordt gericht aan de beslagrechter. De artikelen 732 en 733 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing. In afwijking van de artikelen 2032, 4°, en 2039 van het Burgerlijk Wetboek, moet de borg en, in voorkomend geval, elke steller van een persoonlijke zekerheid, zich houden aan het door de beslagrechter aan de kredietnemer toegestane betalingsfaciliteitenplan. 

§ 2. <wijzigingsbepaling van artikel 569 van het Gerechtelijk Wetboek : 1967-10-10/03>

§ 3. <wijzigingsbepaling van artikel 629 van het Gerechtelijk Wetboek : 1967-10-10/03>

 

Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: zo, 11/05/2014 - 14:08
Laatst aangepast op: za, 28/05/2016 - 15:33

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.