-A +A

accesorium sequitur principale

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

uittreksel uit het burgerlijk wetboek:

Art. 565. Wanneer het recht van natrekking twee roerende zaken betreft, die aan twee verschillende eigenaars toebehoren, is dat recht geheel onderworpen aan de beginselen van de natuurlijke billijkheid.
De volgende regels dienen de rechter tot voorbeeld, om hem in staat te stellen in de niet voorziene gevallen volgens de bijzondere omstandigheden te beslissen.

Art. 566. Wanneer twee aan verschillende eigenaars toebehorende zaken, derwijze verenigd dat zij een geheel uitmaken, toch gescheiden kunnen worden, zodat de ene zonder de andere kan bestaan, behoort het geheel toe aan de eigenaar van de zaak die het voornaamste gedeelte uitmaakt, onder verplichting om aan de andere eigenaar de waarde van de zaak die met de eerste verenigd is, te betalen.

Art. 567. Als het voornaamste gedeelte wordt beschouwd dat gedeelte waarmee het andere enkel tot gebruik, versiering of aanvulling verenigd is.

Art. 568. Wanneer echter de verenigde zaak veel kostbaarder is dan de hoofdzaak en wanneer zij buiten weten van de eigenaar is gebruikt, kan deze vorderen dat de verenigde zaak wordt afgescheiden om hem teruggegeven te worden, zelfs indien enige beschadiging van de zaak waarmee zij verenigd is, daarvan het gevolg zou kunnen zijn.

De regel dat de bijzaak de hoofdzaak volgt vindt ook toepassing in het fiscaal recht, zowel mbt de BTW als mbt de directe belastingen.

Art. 569. Indien van twee zaken die verenigd zijn om een geheel te vormen, de ene niet voor de bijzaak van de andere kan worden gehouden, wordt die welke in waarde, of, indien beider waarde ongeveer gelijk is, in omvang de voornaamste is, als de hoofdzaak beschouwd.

Art. 570. Indien een ambachtsman of enig ander persoon, om een zaak van een nieuwe soort te vervaardigen, een hem niet toebehorende stof heeft gebruikt, hetzij deze haar eerste vorm kan herkrijgen of niet, heeft hij die eigenaar was van de stof, het recht de daaruit vervaardigde zaak op te eisen, mits hij de waarde van het arbeidsloon vergoedt.

Art. 571. Indien echter de arbeid van zoveel belang was dat hij de waarde van de gebruikte stof ver overtreft, wordt de arbeid als de hoofdzaak beschouwd, en heeft de arbeider het recht de bewerkte zaak voor zich te behouden, mits hij de prijs van de stof aan de eigenaar vergoedt.

Art. 572. Wanneer iemand, om een zaak van een nieuwe soort te vervaardigen, gedeeltelijk een hem toebehorende stof en gedeeltelijk een hem niet toebehorende stof heeft gebruikt, zonder dat een van beide stoffen geheel vernietigd is, doch derwijze dat zij niet zonder bezwaar kunnen worden gescheiden, is de zaak aan beide eigenaars gemeen : voor de ene, naar evenredigheid van de stof die hem toebehoorde, en voor de andere, naar evenredigheid zowel van de stof die hem toebehoorde als van de waarde van zijn arbeid.

Art. 573. Wanneer een zaak vervaardigd is door vermenging van verscheidene aan verschillende eigenaars toebehorende stoffen, waarvan echter geen enkele als de hoofdstof kan worden beschouwd, kan hij buiten wiens weten de stoffen vermengd werden, daarvan de verdeling vorderen, indien zij gescheiden kunnen worden.
Indien de stoffen niet meer zonder bezwaar gescheiden kunnen worden, verkrijgen de eigenaars gemeenschappelijk de eigendom van de zaak, naar evenredigheid van de hoeveelheid, de hoedanigheid en de waarde van de stoffen die aan ieder van hen toebehoorden.

Art. 574. Indien de aan een van de eigenaars toebehorende stof die van de andere in hoeveelheid en prijs ver overtreft, kan de eigenaar van de kostbaarder stof de uit de vermenging ontstane zaak opeisen, mits hij aan de andere de waarde van zijn stof vergoedt.

Art. 575. Wanneer de zaak gemeen blijft aan de eigenaars van de stoffen waaruit zij vervaardigd is, moet zij tot hun gemeen voordeel geveild worden.

Art. 576. In alle gevallen waarin de eigenaar wiens stof, buiten zijn weten, tot het vervaardigen van een zaak van een andere soort is gebruikt, de eigendom kan opeisen van die zaak, heeft hij de keus om, ofwel de teruggave van zijn stof, dezelfde in aard, hoeveelheid, gewicht, maat en hoedanigheid, ofwel de waarde daarvan, te vorderen.

Art. 577. Hij die stoffen heeft gebruikt die aan anderen toebehoren en buiten hun weten, kan ook, indien daartoe reden is, tot schadevergoeding veroordeeld worden, onverminderd de strafvervolging, indien het geval daartoe aanleiding geeft.

Franse term: 
l'accessoire suit le principale
Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: do, 20/01/2011 - 20:20
Laatst aangepast op: do, 20/01/2011 - 20:57

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.