-A +A

Aanvullende werking van de goede trouw

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

De aanvullende werking van de goede trouw maakt de inhoud uit van de regel van artikel 1135 B.W: "Overeenkomsten verbinden niet aileen tot hetgeen daarin uitdrukkelijk bepaald is, maar ook tot alle gevolgen die door de billijkheid, het gebruik of de wet aan de verbintenis, volgens de aard ervan, worden toegekend". Dit begisel komt neer op de verplichting van de uitvoering te goeder trouw, waarbij het woord "billijkheid" staat voor goede trouw (BAERT, F. De goede trouw bij de uitvoering van overeenkomsten", R. W.,1956-57, 500 en 494, voetnoot 34). De uitvoering van een overeenkomst te goeder trouw uitvoeren impliceert de uitvoering van hetgeen expliciet of impliciet werd overeengekomen, naast het uitvoeren van alle verbintenissen nakomen die redelijkerwijze
worden geacht inherent te zijn aan de overeenkomst.

zie ook FAGNART, J.L., "L'execution de bonne foi des conventions: un principe en expansion", noot onder Cass., 19 september 1983, R.C.J.B., 1986, 290-308.

Aanvullende verplichtingen inherent aan de aanvullende werking van de goede trouw (artikel 1135 B.W.)

• de loyauteitsplicht, die het verbod inhoudt de medecontractant te misleiden over de omvang van zijn verbintenissen en ook iedere
gedraging verbiedt die de medecontractant zou beletten zijn normale voordeel te halen uit de overeenkomst;
• de verplichting tot gematigdheid;
• de plicht tot samenwerking.

A. Van Oevelen voegt hieraan de verplichting toe tot samenwerking die hij ontleedt als volgt: 
• voor de benadeelde partij de schade te beperken,
• de verplichting de uitvoering van de overeenkomst te vergemakkelijken of alleszins niet te verzwaren voor de medecontractant,
• het verbod handelingen te stellen die de andere partij zouden beletten normaal voordeel te halen uit de overeenkomst.
(Van Oevelen A, De zogenaamde “subjectieve” goede trouw in het Belgische materiële privaatrecht (in het bijzonder in de materies die het notariaat aanbelangen), TPR 1990, 1093 - klik hier  -).

 

Rechtspraak:
 
• Hof van Cassatie, 1e Kamer – 5 juni 2014, RW 2014-2015, 1543

Art. 1134, derde lid BW bepaalt dat de overeenkomsten te goeder trouw ten uitvoer moeten worden gebracht.

Deze bepaling bevat een gedragsnorm, op grond waarvan de rechter de overeenkomst tussen de partijen vermag aan te vullen met bijkomende verplichtingen die voortvloeien uit dit vereiste van de goede trouw.

Art. 1135 BW bepaalt bovendien dat overeenkomsten niet alleen verbinden tot hetgeen daarin uitdrukkelijk bepaald is, maar ook tot alle gevolgen die door de billijkheid, het gebruik of de wet aan de verbintenis, volgens de aard ervan, worden toegekend.

In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de aanvullende werking van de goede trouw haar wettelijke grondslag niet vindt in art. 1134, derde lid BW, maar uitsluitend in art. 1135 BW, faalt het naar recht.

 

Rechtspraak: 

Vredegerecht, Gent, 06/06/2016, JAARGANG 2017 - 2018 (81), PAGINA 231

Het beginsel van de uitvoering te goeder trouw van overeenkomsten brengt voor iedere contractpartij de verplichting mee om de wijziging van haar woonplaats aan de wederpartij mee te delen.

Nuttige tips: 

• De objectieve goede trouw is de goede trouw waarvan sprake in artikel 1134, derde lid, B. W., inhoudende dat overeenkomsten te
goeder trouw dienen uitgevoerd. Deze goede trouw veronderstelt de naleving van een gedragsnorm, inhoudende de norm van objectief behoorlijk handelen, bij de uitoefening van hun contractuele rechten en plichten met inachtnerning van de eisen van redelijkheid en billijkheid.

Deze objectieve goede trouw is de handeling zoals deze mag verondersteld worden van de normale, zorgvuldige, zorgzame, eerlijke en redelijke contractspartijen, geplaatst in dezelfde concrete omstandigheden.

• De subjectieve goede trouw bestaat uit de kennis die men heeft of behoort te hebben van een bepaald feit, een recht of een rechtstoestand, dan wel de veronderstelling dat de burger juist geen kennis, heeft, kan hebben of behoorde te hebben van bepaald feit, recht of rechtstoestand.

In de regel wordt de subjectieve goede trouw negatief geformuleerd in de zin van het subjectieve niet weten of niet
kennen en ook niet behoorde te weten of te kennen.

De subjectieve kwade trouw wordt dan het weten of kennis hebben van een bepaald feit, van een recht of van een rechtstoestand, dan wel het niet effectief weten, daar waar het rechtssubject had moeten weten.

Voor het belang van het onderscheid en verdere ontleding zie TPR 1990, 1083
 
1093 De zogenaamde “subjectieve” goede trouw in het Belgische materiële privaatrecht (in het bijzonder in de materies die het notariaat aanbelangen - klik hier -)
Van Oevelen A.
DE ZGN. "SUBJECTIEVE" GOEDE TROUW IN HET BELGISCHE MATERIELE PRIVAATRECHT (IN HET BIJZONDER IN DE MATERIES DIE HET NOTARIAAT AANBELANGEN)
Inhoudstafel
I. ,Objectieve" en ,subjectieve" goede trouw - Plan van de uiteenzetting (nrs.1-5)
A. De begrippen ,objectieve" en ,subjectieve" goede trouw (nrs. 1-3)
B. Het verband tussen de ,objectieve" en de ,subjectieve" goede trouw (nr. 4)
C. Plan van de verdere uiteenzetting (nr. 5)
II. Inventaris van de wetsbepalingen en de leerstukken in het privaatrecht waarin aan de zgn. ,subjectieve" goede trouw rechtsgevolgen worden verbonden (nrs.6-32)
A. Inleiding (nr. 6)
B. Personen- en familierecht (nrs. 7-9)
C. Zakenrecht (nrs. 10-11)
D. Algemeen verbintenissen- en overeenkomstenrecht (nrs. 12-17)
E. Bijzondere overeenkomsten (nrs. 18-21)
F. Zakelijke zekerheden (nr. 22)
G. Huwelijksvermogensrecht (nr. 23)
H. Erfrecht (nr. 24)
I. Wisselrecht (nr. 25)
J. Vennootschapsrecht (nrs. 26-29)
K. Verzekeringsrecht (nrs. 30-31)
L. Faillissementsrecht (nr. 32)
III. Op welk ogenblik en tot wanneer dient de zgn. ,subjectieve" goede trouw te bestaan? - De rechtspositie van de onderverkrijger (nrs. 33-41)
A. Op welk ogenblik en tot wanneer dient de zgn. ,subjectieve" goede trouw te bestaan? (nrs. 33-35)
B. De rechtspositie van de onderverkrijger (nrs. 36-41)
IV. Nadere uitwerking van de principiele gelijkstelling van het , , behoren te weten'' met het werkelijke weten (nrs. 42-51)
A. Toepassingsgebied en uitzonderingen (nrs. 43-46)
B. J uridische grondslag van de principiele gelijkstelling van het , , behoren te weten'' met het werkelijke weten (nr. 47)
C. Beoordelingscriterium om uit te maken of er sprake kan zijn van een ,behoren te weten" (nrs. 48-49)
D. ,Behoren te weten" en onderzoeksplicht (nrs. 50-51)
V. Ret bewijs van de zgn. ,subjectieve" goede trouw (nrs. 52-54)
A. De bewijslast (nr. 53)
B. De bewijsmiddelen (nr. 54)
VI. De invloed van wettelijk voorgeschreven publicatiemaatregelen op de zgn. ,subjectieve" goede trouw (nrs. 55-58)
VII. Besluit (nrs. 59-61)
Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: zo, 24/05/2015 - 10:47
Laatst aangepast op: ma, 02/10/2017 - 17:19

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.