-A +A

Aansprakelijkheid voor aangestelden

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

De band van ondergeschiktheid die het begrip aangestelde veronderstelt, bestaat zodra een persoon zijn gezag of toezicht in feite voor eigen rekening kan uitoefenen op de daden van een derde.

Uittreksel uit het Burgerlijk wetboek

art 1384 derde lid:

Men is aansprakelijk niet alleen voor de schade welke men veroorzaakt door zijn eigen daad maar ook voor die welke veroorzaakt wordt door de daad van personen voor wie men moet instaan, of van zaken die men onder zijn bewaring heeft.

(Aldus zijn aansprakelijk):

De meesters en zij die anderen aanstellen, voor de schade door hun dienstboden en aangestelden veroorzaakt in de bediening waartoe zij hen gebezigd hebben.

• Hof van Cassatie, 1e Kamer – 20 juni 2008, RW 2010-2011, 1053

abstract: De aansteller is aansprakelijk voor schade die zijn aangestelde aan derden toebrengt maar de schade die door de aangestelde aan zijn aansteller wordt berokkend, is geen aan een derde veroorzaakte schade.

uittreksel uit het arrest

NV A.B. t/ NV E.L.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, dat op 19 mei 2005 in laatste aanleg is gewezen door de Politierechtbank te Luik.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste onderdeel

Het in art. 1384, derde lid, BW vastgelegde vermoeden van aansprakelijkheid bestaat enkel ten voordele van derden die schade hebben geleden, veroorzaakt door de aangestelde van de aansteller. De schade die aan laatstgenoemde berokkend wordt door zijn aangestelde, is geen aan een derde veroorzaakte schade.

Een partij bij een overeenkomst kan evenmin een derde zijn ten aanzien van die overeenkomst.

Het bestreden vonnis dat beslist dat de verweerster die burgerrechtelijk aansprakelijk is voor haar aangestelde, een door de fout van die aangestelde benadeelde derde is, op grond dat zij een derde is ten aanzien van het met de eiseres gesloten verzekeringscontract dat de burgerrechtelijke aansprakelijkheid dekt waartoe het motorrijtuig dat bestuurd werd door de aangestelde die het ongeval heeft veroorzaakt, aanleiding kon geven, schendt de artikelen 1134, eerste lid, 1165 en 1384, derde lid, BW.

Het onderdeel is gegrond.

...

• Hof van Cassatie, 1e Kamer – 21 maart 2013, RW 2014-2015, 789

samenvatting

Krachtens art. 1384, derde lid BW zijn de meesters en degenen die anderen aanstellen, aansprakelijk voor de schade door hun dienstboden en aangestelden veroorzaakt in de bediening waartoe zij hen gebezigd hebben.

De onrechtmatige daad, ook de opzettelijke, moet weliswaar passen in het raam van de bediening van de aangestelde; het is evenwel voldoende dat die daad werd gesteld tijdens de bediening en dat zij, ook onrechtstreeks of occasioneel, daarop betrekking heeft; indien die daad voortvloeit uit een misbruik van de bediening, wordt de aansteller slechts van zijn aansprakelijkheid vrijgesteld, voor zover zijn aangestelde zonder toestemming buiten de grenzen van zijn bediening heeft gehandeld en voor een doel buiten zijn eigen bevoegdheid heeft gehandeld.

Wanneer de onrechtmatige daad die voortvloeit uit een misbruik van de bediening, gesteld wordt tijdens de bediening en, zelfs onrechtstreeks of occasioneel, daarop betrekking heeft, moet de aansteller burgerrechtelijk instaan voor de fout van zijn aangestelde.

De fout van de benadeelde persoon, die erin bestaat dat hij wist of behoorde te weten dat de aangestelde misbruik maakte van zijn bediening, is niet voldoende om de aansprakelijkheid van de aansteller uit te sluiten.

tekst arrest

AR nr. C.11.0476.F

P.D.B. e.a. t/ BVBA B.C.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Bergen van 17 december 2010.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

...

Krachtens art. 1384, derde lid BW zijn de meesters en degenen die anderen aanstellen, aansprakelijk voor de schade door hun dienstboden en aangestelden veroorzaakt in de bediening waartoe zij hen gebezigd hebben.

De onrechtmatige daad, ook de opzettelijke, moet weliswaar passen in het raam van de bediening van de aangestelde; het is evenwel voldoende dat die daad werd gesteld tijdens de bediening en dat zij, ook onrechtstreeks of occasioneel, daarop betrekking heeft; indien die daad voortvloeit uit een misbruik van de bediening, wordt de aansteller slechts van zijn aansprakelijkheid vrijgesteld, voor zover zijn aangestelde zonder toestemming buiten de grenzen van zijn bediening heeft gehandeld en voor een doel buiten zijn eigen bevoegdheid heeft gehandeld.

Wanneer de onrechtmatige daad die voortvloeit uit een misbruik van de bediening, gesteld wordt tijdens de bediening en, zelfs onrechtstreeks of occasioneel, daarop betrekking heeft, moet de aansteller burgerrechtelijk instaan voor de fout van zijn aangestelde.

De fout van de benadeelde persoon, die erin bestaat dat hij wist of behoorde te weten dat de aangestelde misbruik maakte van zijn bediening, is niet voldoende om de aansprakelijkheid van de aansteller uit te sluiten.

Uit de redenen van het beroepen vonnis die het arrest overneemt, alsook uit zijn eigen redenen, blijkt dat de eerste twee eisers “al jaren klant zijn bij de [verweerster] [...] via het kantoor te G. [...] dat geleid wordt door de heer [...] F.”, dat de eisers “door toedoen van de heer F. beleggingen hebben verricht”, dat de verweerster “uiteenzet dat zij, in de loop van november 2007, [...] [de eisers] heeft gemeld dat zij de werkelijkheid van de bewuste beleggingen betwistte en dat zij zich niet gebonden achtte door verbintenissen die de, intussen overleden, heer F. was aangegaan” en dat, “[de eisers] een rechtsvordering [tegen de verweerster] hebben ingesteld, omdat zij weigerde hen te vergoeden”.

Uit de feiten die het arrest vermeldt, leidt het af, enerzijds, dat “het misbruik van de bediening door [...] F. [...] niet op ernstige gronden [kan] worden betwist” en dat “de fouten van de aangestelde van [de verweerster], tijdens zijn bediening, [...] daarmee in verband [staan], zodat zijn aansteller daarvoor op grond van art. 1384, derde lid BW aansprakelijk kan worden gesteld, ook al zijn ze het gevolg van een misbruik van bediening”, en, anderzijds, dat “de beweringen van de [eisers] dat zij te goeder trouw gedacht hebben dat zij hun spaargeld bij [de verweerster] belegden, weinig waarschijnlijk lijken”, dat “zij redelijkerwijs niet hebben kunnen geloven dat dit het geval was”, dat “zij wisten dat S.F. misbruik van zijn bediening maakte door hun dergelijke beleggingen voor te stellen” en dat “[zij] niet onwetend [konden] zijn van het feit dat S.F. zijn bediening misbruikte en, bijgevolg, dat de litigieuze beleggingen onregelmatig waren”.

Blijkens die vermeldingen oordeelt het arrest, enerzijds, dat de onrechtmatige daden van de aangestelde van de verweerster niet buiten de grenzen van zijn bediening zijn gesteld, en anderzijds, dat de eisers wisten dat die onrechtmatige daden voortvloeiden uit het misbruik door die aangestelde van zijn bediening tijdens die bediening en dat ze, zelfs onrechtstreeks of occasioneel, daarop betrekking hebben.

Het arrest dat eerst overweegt dat “het beroep tegen de aansteller slechts door getroffenen die te goeder trouw zijn, kan worden ingesteld, wat onderstelt dat hun foutieve inschatting van de bevoegdheid van de aangestelde met wie zij gehandeld hebben, gewettigd moet zijn”, en dat “art. 1384, derde lid BW [...] slechts [geldt] ten aanzien van derden die te goeder trouw zijn”, en beslist dat “[de] vordering [van de eisers] [...] dus niet [kan] worden aangenomen op grond van art. 1384, derde lid BW, omdat gewettigde dwaling betreffende de omvang van de bevoegdheid van die aangestelde, in hun hoofde is uitgesloten”, schendt die wettelijke bepaling.

Het middel is gegrond.

• Cassatie 30/09/2015, AR P.14.0474.F, juridat

Samenvatting

De band van ondergeschiktheid die het begrip aangestelde in de zin van art. 1384, derde lid BW onderstelt, bestaat zodra een persoon zijn gezag of toezicht in feite voor eigen rekening kan uitoefenen op de daden van een derde. 

Als schade wordt veroorzaakt door de samenlopende fouten van het slachtoffer en de aansprakelijke voor het schadegeval, kan de aansprakelijke in de regel jegens het slachtoffer niet worden veroordeeld tot de volledige vergoeding van de schade.

Het algemeen rechtsbeginsel «Fraus omnia corrumpit», verbiedt bedrog of oneerlijkheid aan te wenden om schade te berokkenen of winst te behalen.

Dit rechtsbeginsel luit echter uit dat de dader van een opzettelijk misdrijf dat zijn burgerrechtelijke aansprakelijkheid tot gevolg heeft, aanspraak kan maken op een vermindering van de aan het slachtoffer van dat misdrijf verschuldigde vergoedingen wegens de onvoorzichtigheden of nalatigheden die dat slachtoffer zou hebben begaan.

Art. 1384, derde lid BW voorziet in een onweerlegbaar vermoeden van aansprakelijkheid ten laste van de aansteller voor de schade die door de fout van de aangestelde veroorzaakt werd in de bediening waartoe de aansteller hem gebezigd heeft.

De aansteller van de dader van een opzettelijk misdrijf kan bijgevolg geen aanspraak maken op een vermindering van de door de dader van het opzettelijk misdrijf verschuldigde vergoedingen.

Tekst arrest

Nr. P.14.0474.F
I. MAQUET EN ZONEN, BVBA,
II. C. M.,
III. J. T.,
IV. MÉDART EN ZONEN bvba,
V. C. A.,
VI. SHANKS LIEGE-LUXEMBOURG nv,
Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,
VII. ROYAL & SUN ALLIANCE INSURANCE, vennootschap naar Engels recht,
Mr. Paul Lefèbvre, advocaat bij het Hof van Cassatie,
VIII. VIVIUM nv,
cassatieberoepen tegen
ARCELOR MITTAL BELGIUM nv,

II. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, correctionele kamer, van 6 februari 2014.

III. BESLISSING VAN HET HOF

A. Cassatieberoep van Maquet en Zonen bvba:

Middel

Tweede onderdeel

Het middel dat schending aanvoert van artikel 1384, derde lid, Burgerlijk Wet-boek en de artikelen 1, 2 en 3 Arbeidsovereenkomstenwet, verwijt het arrest ge-oordeeld te hebben dat de eiseres de hoedanigheid had van aansteller van de be-klaagde B., haar aangestelde. Het voert aan dat, aangezien de rechters in hoger beroep vastgesteld hebben dat de vennootschap Shanks Liège-Luxembourg instruc-ties gaf aan de voornoemde aangestelde in verband met de bestemming van de levering, zij hadden moeten aannemen dat de eiseres zelf in feite geen gezag of toe-zicht uitoefende op de daden van haar aangestelde en dat zij niet beschouwd kon worden als zijn aansteller.

De band van ondergeschiktheid die het begrip aangestelde veronderstelt, bestaat zodra een persoon zijn gezag of toezicht in feite voor eigen rekening kan uitoefenen op de daden van een derde.

De rechter beoordeelt onaantastbaar de feiten waaruit hij het bestaan van een band van ondergeschiktheid afleidt. Het Hof gaat enkel na of hij die beslissing wettig heeft kunnen afleiden uit zijn vaststellingen.

Het arrest oordeelt dat de vennootschap Shanks Liège-Luxemburg het vervoer van staalafval dat aan de verweerster toebehoorde, heeft toevertrouwd aan de eiseres, dat de eiseres haar aangestelde heeft belast met het besturen van één van haar vrachtwagens om de overeenkomst uit te voeren en dat zij die aangestelde niet ter beschikking heeft gesteld van die vennootschap maar dat zij haar eigen overeen-komst heeft uitgevoerd door hem tot dat doel tewerk te stellen.

Het hof van beroep heeft uit die vermeldingen wettig kunnen afleiden dat de eise-res de hoedanigheid van aansteller van E. B. had en dat de loutere omstandigheid dat de voornoemde vennootschap aan E. B. instructies gaf met betrekking tot de bestemming van de levering, niet betekende dat zij zijn aansteller zou geworden zijn voor de uitvoering van zijn prestaties als chauffeur.

Het middel kan niet worden aangenomen.
(...)

C. Cassatieberoep van J. T.:

Eerste middel

Het middel dat miskenning aanvoert van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, verwijt het arrest de eiser te veroordelen in zijn hoedanig-heid van burgerrechtelijk aansprakelijke voor zijn aangestelde D., ten aanzien van wie de feiten van de telastlegging diefstal, die geherkwalificeerd werden tot oplichting, bewezen verklaard werden, zonder dat hij zich heeft kunnen verdedigen met betrekking tot die nieuwe kwalificatie.

Nadat zij de feiten van de telastlegging diefstal van staalafval ten nadele van de verweerster onderzocht hadden, hebben de appelrechters geoordeeld dat die feiten als oplichting gekwalificeerd moesten worden omdat de beklaagden een bedrieglijke constructie hadden opgezet die de medebeklaagden toeliet om door middel van valse wegingen niet-geleverd staalafval te factureren en door de verweerster te doen betalen.

Het arrest stelt vast dat de kwalificatie van oplichting, die ten laste gelegd wordt van de beklaagde A. J., het onderwerp was van een debat op tegenspraak in aanwezigheid van de beklaagden waarop dat misdrijf betrekking had. Aangezien R. D. T., gedaagde op burgerlijk gebied, vervolgd werd voor die feiten, geldt die overweging ook voor hem en, bijgevolg, voor de burgerrechtelijk aansprakelijke persoon.

Aldus hebben de appelrechters hun beslissing naar recht verantwoord.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

Het middel dat schending aanvoert van de artikelen 1382, 1383 en 1384, derde lid, Burgerlijk Wetboek en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit, verwijt het arrest de eiser te veroordelen tot het vergoeden van de schade van de verweerster zonder te onderzoeken of de gevorderde schade niet ook veroorzaakt werd door haar eigen fout, door te oordelen dat de al dan niet ge-gronde beweringen dat de verweerster een fout beging, geen invloed hebben op de aansprakelijkheid van de eiser in zijn hoedanigheid van aansteller.

De eiser voert aan dat het ingeroepen algemeen rechtsbeginsel niet uitsluit dat de partij die burgerrechtelijk aansprakelijk is voor de dader van een opzettelijk misdrijf en die zelf niet de dader is van een opzettelijk misdrijf, aanspraak kan maken op een vermindering van de aan het slachtoffer verschuldigde vergoedingen wegens de onvoorzichtigheden of nalatigheden die dat slachtoffer zou hebben be-gaan.

Wanneer schade veroorzaakt wordt door de samenlopende fouten van het slacht-offer en de beklaagde kan laatstgenoemde, in de regel, jegens het slachtoffer niet worden veroordeeld tot de volledige vergoeding van de schade. Het algemene rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit, dat verbiedt bedrog of oneerlijkheid aan te wenden om schade te berokkenen of winst te behalen, sluit echter uit dat de dader van een opzettelijk misdrijf dat zijn burgerrechtelijke aansprakelijkheid in het gedrang brengt, aanspraak kan maken op een vermindering van de aan het slachtof-fer van dat misdrijf verschuldigde vergoedingen wegens de onvoorzichtigheden of nalatigheden die dat slachtoffer zou hebben begaan.

Artikel 1384, derde lid, Burgerlijk Wetboek voorziet in een onweerlegbaar ver-moeden van aansprakelijkheid ten laste van de aansteller voor de schade die door de fout van de aangestelde veroorzaakt werd in de bediening waartoe de aan-steller hem gebezigd heeft.

De aansteller van de dader van een opzettelijk misdrijf kan bijgevolg geen aan-spraak maken op een vermindering van de voornoemde vergoedingen.

Het middel faalt naar recht.
(...)

Dictum
Het Hof,
Verleent akte van de afstand van het cassatieberoep van de vennootschap naar Engels recht Royal & Sun Alliance Insurance.
Verwerpt de overige cassatieberoepen.
Veroordeelt elke eiser tot de kosten van zijn cassatieberoep.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, en in openbare terechtzitting van 30 september 2015 uitgesproken

Rechtsleer: 

• Revue Générale de Droit Civil Belge [RGDC] DERVAL, Thomas; Note 'L'application du principe Fraus omnia corrumpit en matière aquilienne' 2016, n° 10, p. 548-558.

• Revue Générale des Assurances et des Responsabilités [RGAR] DALCQ, Christine; Note 'Une nouvelle application du principe fraus omnia corrumpit' 2016, n° 4, p. 15287(1)-15287(3).

• Journal des tribunaux [JT] LENAERTS, Annekatrien; Observations 'L'influence de la faute intentionnelle du préposé sur le partage de responsabilités entre le commettant et la victime négligente: application par répercussion du principe fraus omnia corrumpit?' 2015, n° 6626, p. 844-847.

• N. Jeger, “Kritische bedenkingen bij de aansprakelijkheid van de aansteller in geval van misbruik van functie van de aangestelde: een stand van zaken na de cassatiearresten van 26 oktober 1989, 4 november 1993 en 11 maart 1994”, RW 1996-97, 180-183.

Rechtspraak: 

Brussel, 8 mei 1985, J.T., 1986, 252, met noot A.C. Van Gysel, R.G.A.R., 1985, 10993.[een ziekenhuis werd als aansteller, aansprakelijk gesteld voor de verkrachting van een patiënte door een aangestelde-verpleger].

• Cass., 9 februari 1982, Arr. Cass., 1981-82, 741, Pas., 1982, I, 716 [de aansteller werd aansprakelijk gesteld voor de schade veroorzaakt door een diefstal, die mogelijk was gemaakt doordat de aangestelde de inlichtingen van een vertrouwelijk telex-bericht, gericht aan de aansteller, had doorgespeeld aan een derde].

• Cass., 10 februari 1958, Arr. Verbr., 1958, 400, Pas., I, 635, J.T., 1958, 493, met noot, R.W., 1959-60, 598 [De aansteller-hotelhouder werd aansprakelijk gesteld toen zijn aangestelde-nachtwaker, die belast was met het toezicht op de door de klanten geparkeerde wagens, zich tijdens zijn werkuren meester maakt van een van deze wagens door middel van een Yale-sleutel (hem ter beschikking geteld door zijn werkgever) en, vergezeld van een vriend, in de buurt van Middelkerke een verkeersongeval veroorzaakt. Het Hof van Cassatie besliste dat het ongeval «plaatsgreep tijdens de duur van de bediening (...) en (...) in verband (was) met zijn bediening]

• Cass., 28 februari 1978, Arr. Cass., 1978, 761, dit arrest verwerpt de voorziening tegen Gent, 4 oktober 1977, R.W., 1978-79, 609, met noot.[de aansteller-werkgever aansprakelijk gesteld voor de brand, veroorzaakt door zijn aangestelde, die, in opdracht van zijn werkgever, timmerwerk uitvoert in een winkel, en daar, kort na de middagonderbreking, een lucifer wegwerpt].

• Cass., 25 oktober 1977, Arr. Cass., 1978, 258, Pas., 1978, I, 244 [de aansteller aansprakelijk gesteld voor het ongeval, door zijn aangestelde veroorzaakt, die met de wagen van de aansteller naar de technische controle gaat tijdens de uitoefening van zijn functie, maar een ongeval veroorzaakt wanneer hij, om 21.30u. en in dronken toestand, terugkeert naar huis].

Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: do, 17/02/2011 - 17:53
Laatst aangepast op: di, 19/09/2017 - 13:39

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.