-A +A

IPR en het statuut van de personen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

23 SEPTEMBER 2004
Circulaire betreffende de aspecten van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht die betrekking hebben op het personeelstatuut

A. Inleiding

De wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 27 juli 2004.
Voor de eerste keer worden aldus in een enkele tekst de bepalingen bijeengebracht die, in burgerlijke zaken en in handelszaken, in verband met een door het internationaal recht beheerste privaatrechtelijke situatie

- de bevoegdheid bepalen van de Belgische overheden om kennis ervan te nemen;
- het toepasselijke nationaal recht aanwijzen;
- de voorwaarden bepalen waaronder een buitenlandse rechterlijke beslissing of een buitenlandse authentieke akte in België gevolgen kan hebben.

Deze circulaire strekt ertoe de ambtenaren van de burgerlijke stand voor te lichten over de draagwijdte van de bepalingen die zij mogelijkerwijs moeten toepassen in de uitoefening van hun ambt.

Allereerst wordt ingegaan op de inwerkingtreding, daarna komen de relevante onderwerpen aan bod. Daarbij wordt uitgegaan van de volgorde van behandeling in het Wetboek.

Ingevolge de termijn van inwerkingtreding van de wet was vooralsnog geen volledige en gecoördineerde bijwerking van de vorige circulaires mogelijk.

Algemeen genomen blijven, behoudens preciezere aanwijzingen in sommige hoofdstukken, de bepalingen van de vorige circulaires van toepassing voorzover zij niet onverenigbaar zijn met deze circulaire. In een latere fase zal nauwkeuriger worden bepaald welke passages van die circulaires relevant blijven, alsook hoe die passages en deze circulaire moeten worden gecoördineerd teneinde de toepasbaarheid en de leesbaarheid ervan te vergroten.

Uiteraard laat de toepassing van deze circulaire de bevoegdheid van de hoven en rechtbanken onverlet.

B. Inwerkingtreding

Naar luid van artikel 140 treedt de wet van 16 juli 2004 in werking op 1 oktober 2004.

Een belangrijke uitzondering heeft betrekking op de adoptie. In het wetboek wordt immers rekening gehouden met de hervorming van de adoptie uitgewerkt in de wet van 24 april 2003 tot hervorming van de adoptie en de wet van 13 maart 2003 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek wat de adoptie betreft.

De inwerkingtreding van de bepalingen van het Wetboek die de adoptie betreffen, is dan ook uitgesteld tot de inwerkingtreding van de hervorming van de adoptie. Bedoeld worden enerzijds de bepalingen die op specifieke wijze betrekking hebben op de adoptie, te weten hoofdstuk V, afdeling 2 (artikelen 66 tot 72), en de artikelen 131 en 139, 5° en 12°, en anderzijds het gehele Hoofdstuk I, dat niet van toepassing zal zijn op de adoptie zolang de hervorming ervan niet in werking is getreden.

In artikel 140 is tevens bepaald dat zolang de hervorming van de adoptie niet in werking is getreden, artikel 15 van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 635, 636 en 638 van het Gerechtelijk Wetboek in verband met de territoriale bevoegdheid van de hoven en rechtbanken van toepassing blijven op de adoptie. Het Wetboek voorziet immers in de opheffing ervan.

Tot aan de hervorming van de adoptie blijven alle relevante bepalingen van het Burgerlijk Wetboek en van het Gerechtelijk Wetboek dan ook toepasselijk.

Wanneer de wetten van 24 april 2003 en 13 maart 2003 in werking treden, zult u een circulaire ontvangen die speciaal gewijd is aan de adoptie.

Hoewel het juridisch gesproken niet om een aangelegenheid met betrekking tot de inwerkingtreding van de wet gaat, vestig ik nu reeds uw aandacht op het belangrijke hoofdstuk over het overgangsrecht, dat op het einde van deze circulaire wordt besproken.

C. Verhouding tot de Europese en internationale instrumenten

Dit Wetboek regelt naar luid van artikel 2 ervan voor internationale gevallen de bevoegdheid van de Belgische rechters, de aanwijzing van het toepasselijk recht en de voorwaarden voor de uitwerking in België van buitenlandse rechterlijke beslissingen en authentieke akten in burgerlijke zaken en in handelszaken, zulks "onder voorbehoud van de toepassing van internationale verdragen, van het recht van de Europese Unie of van bepalingen in bijzondere wetten".

Deze bepaling is niet nieuw maar herhaalt slechts welbekende beginselen, te weten enerzijds de voorrang van de internationale rechtsinstrumenten op het nationale recht en anderzijds de toepassing van het adagium "lex specialis generalibus derogat" (de afwijkende bijzondere wet heeft voorrang op de algemene wetten).

Daaruit vloeit voort dat de bepalingen van het Wetboek niet van toepassing zijn indien sprake is van een Internationaal Verdrag waarbij België partij is, een geldend rechtsinstrument van de Europese Unie of een bijzondere wet waarin wordt afgeweken van sommige bepalingen van het Wetboek.

Zo hebben het Verdrag van Den Haag van 5 oktober 1961 waarin het vereiste van legalisatie van buitenlandse openbare akten wordt afgeschaft en de vele multilaterale of bilaterale verdragen waarin bepalingen zijn opgenomen op grond waarvan geen legalisatie is vereist, voorrang op artikel 30, § 1, naar luid waarvan "een buitenlandse rechterlijke beslissing of authentieke akte moet worden gelegaliseerd om in België (...) te worden voorgelegd".

Op dezelfde wijze heeft verordening (EG) nr. 1347/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid voor gemeenschappelijke kinderen tussen lidstaten van de Europese Unie voorrang op de toepassing van de relevante bepalingen van het Wetboek.

Met betrekking tot het recht van de Europese Unie moet worden opgemerkt dat dit in artikel 2 vermelde begrip op zo ruim mogelijke wijze moet worden begrepen, daaronder begrepen het EG-Verdrag, het afgeleid recht (voornamelijk de verordeningen) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Bij de bespreking van artikel 38 in verband met het recht toepasselijk op de verandering van naam of voornamen wordt een relevant voorbeeld uit de rechtspraak van het Hof gegeven.

Het geval van de bijzondere wet waarin wordt afgeweken van de algemene wettelijke bepalingen ten slotte heeft voornamelijk betrekking op de in artikel 20 bedoelde context (voorrangsregels), die later wordt besproken.

Het is niet uitgesloten dat deze bepaling omtrent de in bijzondere wetten opgenomen uitzonderingen in de toekomst in andere omstandigheden wordt toegepast. Het is de bedoeling ervoor te zorgen dat het Wetboek van internationaal privaatrecht coherent blijft in het perspectief van de toekomstige wetgevende ontwikkelingen die zich eventueel vertalen in andere teksten, door de nodige aanpassingen erin aan te brengen. Het zou evenwel kunnen gebeuren dat voor specifieke aangelegenheden bepalingen van internationaal privaatrecht worden opgenomen in bijzondere wetten (bijvoorbeeld in het kader van de omzetting van een richtlijn van de Europese Unie) zonder dat tegelijkertijd wordt voorzien in de vereiste aanpassing van het Wetboek. In een dergelijk geval moet de bijzondere wet steeds voorrang hebben op de door het wetboek gevormde algemene wet.

Er moet evenwel worden opgemerkt dat dergelijke situaties normaal gezien weinig zullen voorkomen in het personenrecht.

D. Nationaliteit

In artikel 3 is bepaald dat de vaststelling of een natuurlijke persoon de nationaliteit van een Staat heeft, wordt beheerst door het recht van de betrokken Staat. Dit gegeven is niet nieuw, maar bevestigt de oplossing van het Verdrag van 's-Gravenhage van 12 april 1930, nopens zekere vragen betreffende wetsconflicten inzake nationaliteit, bekrachtigd bij de wet van 20 januari 1939 (Belgisch Staatsblad van 13 augustus 1939) en breidt de werkingssfeer ervan uit naar de Staten die geen partij zijn bij dit verdrag.

Naar luid van artikel 3 hebben de verwijzingen in het Wetboek naar de nationaliteit van een natuurlijke persoon die twee of meer nationaliteiten heeft overigens betrekking op :
- de Belgische nationaliteit, indien zij één van die nationaliteiten is. Deze oplossing strookt eveneens met het bepaalde in het verdrag van 12 april 1930. Er wordt beoogd op onweerlegbare wijze vast te stellen dat een Belg die een andere nationaliteit bezit, door de Belgische overheden steeds als Belg wordt beschouwd;
- de nationaliteit van de Staat waarmee die persoon de nauwste banden heeft in de andere gevallen. Er moet in dat geval rekening worden gehouden met alle feitelijke omstandigheden en inzonderheid met de gewone verblijfplaats. Indien op grond van dergelijke criteria niet kan worden bepaald welke nationaliteit de meest effectieve is, moet de ambtenaar van de burgerlijke stand verwijzen naar de door de persoon gemaakte keuze (bijvoorbeeld ingeval een persoon met verschillende nationaliteiten zich heeft laten inschrijven in het bevolkingsregister onder één van die nationaliteiten).
Ten slotte is in het artikel bepaald dat de verwijzing naar de nationaliteit moet worden vervangen door een verwijzing naar de gewone verblijfplaats indien de persoon staatloos is of de vluchtelingenstatus heeft of indien zijn nationaliteit onmogelijk kan worden vastgesteld.

E. Woonplaats en gewone verblijfplaats

Met betrekking tot natuurlijke personen zijn in artikel 4 de begrippen woonplaats en verblijfplaats als volgt omschreven :
- de woonplaats is "de plaats waar een natuurlijke persoon volgens de bevolkingsregisters, de vreemdelingenregisters of het wachtregister in België zijn hoofdverblijf heeft";
- de gewone verblijfplaats is "de plaats waar een natuurlijke persoon zich hoofdzakelijk heeft gevestigd, zelfs bij afwezigheid van registratie en onafhankelijk van een verblijfs- of vestigingsvergunning; om deze plaats te bepalen, wordt met name rekening gehouden met omstandigheden van persoonlijke of professionele aard die duurzame banden met die plaats aantonen of wijzen op de wil om die banden te scheppen".

Deze definities behoeven de volgende opmerkingen :

1. Naar luid van artikel 4 zelf worden de definities gegeven "voor de toepassing van deze wet". Zij zijn dan ook uitsluitend opgesteld met het oog op het internationaal privaatrecht.

2. De verwijzing naar "woonplaats" in het Wetboek wordt uitsluitend aangewend in bepalingen waarin regels worden vastgesteld ter bepaling van de internationale bevoegdheid van de Belgische rechters. Het was derhalve niet meer dan logisch om de definitie te baseren op die van artikel 36 van het Gerechtelijk Wetboek.

De in het Wetboek gegeven definitie van de woonplaats heeft geen enkel gevolg voor de definitie in artikel 102 van het Burgerlijk Wetboek. De twee begrippen moeten dan ook op autonome wijze blijven worden toegepast.

Bij wijze van voorbeeld kan artikel 128 van het wetboek worden aangehaald, op grond waarvan in het Burgerlijk Wetboek een nieuw artikel 48 wordt opgenomen (zie bespreking infra) waarin wordt verwezen naar het begrip woonplaats. Vermits het gaat om het Burgerlijk Wetboek wordt erop gewezen dat deze verwijzing moet worden begrepen in de zin van artikel 102.

3. Het begrip "gewone verblijfplaats" is ontleend aan de definitie die de Raad van Europa voorstelt in zijn Resolutie (72) 1 van 18 januari 1972 betreffende de eenmaking van de juridische begrippen "woonplaats" en "verblijfplaats".

In dit Wetboek wordt dit criterium toegepast in de artikelen 35 (recht toepasselijk inzake ouderlijk gezag, voogdij en bescherming van onbekwamen), 44 (bevoegdheid van de Belgische overheden om het huwelijk te voltrekken), 46 (recht toepasselijk op de totstandkoming van het huwelijk), 57 (buitenlandse ontbinding van het huwelijk gegrond op de wil van de man), 59 (internationale bevoegdheid inzake de relatie van samenleven), 62 (recht toepasselijk op de afstamming) en 65 (bevoegdheid om de erkenning te ontvangen).

In alle gevallen moet steeds worden beoordeeld of de betrokken persoon een gewone verblijfplaats in een bepaalde Staat heeft (België of een andere Staat) en moeten op grond daarvan conclusies worden getrokken voor wat betreft de bepaling van het toepasselijk recht of de internationale bevoegdheid van de Belgische rechters of de Belgische ambtenaren van de burgerlijke stand. In één enkel geval, dat van artikel 57, is sprake van toepassing van het begrip gewone verblijfplaats bij de erkenning van buitenlandse akten (in casu akten van verstoting).

Op grond van de feitelijke omstandigheden moet worden bepaald of een persoon al dan niet een "gewone verblijfplaats" heeft. De criteria die in aanmerking moeten worden genomen, zijn, zoals aangegeven in de memorie van toelichting, een concentratie van belangen van de persoon, samen met een zekere verblijfsduur of een intentie tot stabiele vestiging. In dat opzicht kan de vraag worden gesteld of de gewone verblijfplaats in de zin van het Wetboek en de woonplaats in de zin van het Burgerlijk Wetboek samenvallen aangezien in dit laatste geval de feitelijke elementen en de intentionele elementen traditioneel steeds doorslaggevend zijn geweest. In de meeste gevallen zal dat ook zo zijn. In de memorie van toelichting wordt evenwel terecht verwezen naar het geval van een persoon die in België woont terwijl hij nochtans formeel in het buitenland is gedomicilieerd. Een voorbeeld is het geval van een vreemdeling die op het ogenblik dat hij in België wil trouwen een bewijs van domicilie in het buitenland voorlegt. Die persoon kan voor de toepassing van dit wetboek goed en wel worden beschouwd als iemand met gewone verblijfplaats in België, waardoor de Belgische overheden bevoegd zijn om het huwelijk te voltrekken.

F. Toepasselijke bepalingen in geval van conflictenrecht

De artikelen 15 tot 21 bevatten een aantal bepalingen die algemeen van toepassing zijn wanneer moet worden bepaald welk recht toepasselijk is in geval van conflictenrecht.

Artikel 15 in verband met de toepassing van buitenlands recht is vooral bestemd voor de rechter, maar moet indien nodig ook door de ambtenaar van de burgerlijke stand worden toegepast. Het bevestigt de huidige rechtspraktijk. In het bijzonder moet de aandacht worden gevestigd op de regel naar luid waarvan "het buitenlands recht wordt toegepast volgens de in het buitenland gevolgde interpretatie".

Artikel 16 verdient bijzondere aandacht en bepaalt dat "in de zin van deze wet en behoudens bijzondere bepalingen onder het recht van een Staat de rechtsregels van die Staat [worden] verstaan met uitsluiting van de regels van het internationaal privaatrecht". Aldus wordt gebroken met de techniek van de herverwijzing die in België tot op heden door de feitenrechters traditioneel werd toegepast.

Concreet betekent zulks dat indien overeenkomstig een bepaling van het Wetboek op grond van het criterium van het nationaal recht bijvoorbeeld het Deens recht toepasselijk is, het Deense materieel recht moet worden toegepast, zelfs indien krachtens het Deense internationaal privaatrecht, bijvoorbeeld op grond van het criterium van het recht van de woonplaats, het recht van een andere Staat zou moeten worden toegepast.

De enige uitzonderingen in het wetboek op de afschaffing van de techniek van de herverwijzing zijn drie bijzondere gevallen (de artikelen 34, 78 en 110), waarvan alleen het eerste mogelijkerwijs van belang is voor de ambtenaren van de burgerlijke stand.

In artikel 34, § 1, tweede lid, is immers bepaald dat de bekwaamheid, die normaal wordt beheerst door het nationaal recht van de persoon, evenwel wordt "beheerst door het Belgisch recht indien het buitenlands recht tot de toepassing van dit recht leidt". Ik verwijs in verband met dit punt naar de bespreking van artikel 34 infra.

Artikel 17 heeft betrekking op de gevallen waarin de verwijzingsregel verwijst naar het recht van een Staat die uit verscheidene entiteiten met verschillende rechtsstelsels is samengesteld. Dit artikel, dat gegrond is op oplossingen goedgekeurd in de Verdragen van de Conferentie van Den Haag inzake internationaal privaatrecht, kan moeten worden toegepast in geval van een federaal stelsel, zoals dat van de Verenigde Staten, of in geval van een godsdienstig stelsel, dat bijvoorbeeld gebaseerd is op de toepassing van de koran of van het canonieke recht.

Uit artikel 17 volgt dat :

- wanneer het gaat om een aanknopingsfactor van territoriale aard (bijvoorbeeld de gewone verblijfplaats) en het buitenlands recht berust op een territoriale grondslag (zoals het recht van de Verenigde Staten), het recht van de Staat waarin de gewone verblijfplaats is gelegen, rechtstreeks moet worden toegepast;

- wanneer het aanknopingspunt de nationaliteit is, de interne conflictregels van de Staat van de nationaliteit moeten worden toegepast om te bepalen welk deelstatelijk recht toepasselijk is. Indien in een federale Staat X het personeel statuut dus afhangt van de wetgeving van de deelstaten, is het toepasselijk recht dat van de deelstaat aangewezen door de interne conflictregel van die Staat X, die naar gelang van het geval gegrond kan zijn op het criterium van de woonplaats, van de geboorteplaats, van de plaats van herkomst,... Bij ontstentenis van interne conflictregels is het toepasselijk recht dat van de deelstaat waarmee die persoon de nauwste banden heeft;

- wanneer de toepassing van de conflictregel van het Wetboek tot gevolg heeft dat wordt verwezen naar het recht van een Staat die verscheidene rechtsstelsels bezit die toepasselijk zijn op verschillende categorieën van personen (bijvoorbeeld moslims en niet-moslims, personen van die of die etnische afkomst,...), blijft het principe hetzelfde en moeten de interne regels van de aldus aangewezen Staat worden toegepast om te bepalen welk van de in die Staat van kracht zijnde rechtsstelsels toepasselijk is. Bij ontstentenis van dergelijke regels is het toepasselijk recht dat van het stelsel waarmee de betrokken rechtsverhouding de nauwste banden heeft.

Naar luid van artikel 18, dat betrekking heeft op wetsontduiking, wordt "voor de bepaling van het toepasselijk recht in een aangelegenheid waarin partijen niet vrij over hun rechten kunnen beschikken, (...) geen rekening gehouden met feiten en handelingen gesteld met het enkele doel te ontsnappen aan de toepassing van het door deze wet aangewezen recht".

Er moet worden opgemerkt dat deze bepaling slechts handelt over aangelegenheden "waarin partijen niet vrij over hun rechten kunnen beschikken". Het personeel statuut behoort uiteraard tot deze aangelegenheden.

In de praktijk zou deze mogelijkheid om af te zien van het toepasselijk recht niettemin uitzonderlijk moeten blijven aangezien een intentioneel element is vereist (het enkele doel te ontsnappen aan de toepassing van het door het wetboek aangewezen recht), dat uiteraard moet kunnen worden aangetoond.

Krachtens artikel 19 wordt in het internationaal privaatrecht de uitzonderingsclausule ingevoerd. Het betreft een begrip dat in dit recht tot op heden onbekend was. Op grond van deze aan sommige recente buitenlandse wetten omtrent het internationaal privaatrecht ontleende uitzonderingsclausule kan worden afgezien van de toepassing van het toepasselijke recht dat normaal gezien is aangewezen door het wetboek wanneer blijkt dat wegens omstandigheden de situatie slechts een zeer zwakke band heeft met de Staat waarvan het recht is aangewezen, maar wel zeer nauw verbonden is met een andere Staat. In een dergelijk geval wordt het recht van deze andere Staat toegepast.

De uitzonderingsclausule strekt hoofdzakelijk tot matiging van een te strikte toepassing van een verwijzingsregel. Volgens de memorie van toelichting kan de clausule de rechter helpen een billijke oplossing te geven aan moeilijkheden die voortvloeien uit een gebrek aan coördinatie tussen de verschillende nationale stelsels.

Naar luid van paragraaf 2 kan zij niet ertoe leiden dat wordt afgezien van een recht dat specifiek is aangewezen via een laddersysteem dat erop is gericht het recht aan te wijzen dat, gelet op de inhoud ervan, beantwoordt aan de verwachtingen van de wetgever (zoals inzonderheid het geval is in de artikelen 35, 62, § 1, tweede lid, en 64).

Uit de restrictieve bewoordingen van deze bepaling blijkt het streven van de wetgever om voor deze bepaling te voorzien in de zeer uitzonderlijke toepassing ervan. De behoefte aan de verdere handhaving van de grootst mogelijke rechtszekerheid en de beoordelingsbevoegdheid die de toepassing van de uitzonderingsclausule vereist, onderstellen normaal gezien dat het de rechter is die de clausule kan toepassen.

Artikel 20 in verband met de voorrangsregels is ontleend aan artikel 7 van het Verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst. Het strekt ertoe de toepassing mogelijk te maken van de dwingende bepalingen of bepalingen van openbare orde van Belgisch recht die erop gericht zijn, krachtens de wet of wegens hun kennelijke strekking, een internationale situatie te regelen ongeacht het door de verwijzingsregels aangewezen recht. Dergelijke regels zijn zeldzaam. Met betrekking tot het personenrecht kunnen nauwelijks voorbeelden worden gevonden. In de memorie van toelichting is sprake van het voorbeeld van de regelgeving betreffende het dragen van een naam (te weten het decreet van 6 fructidor jaar II), maar zelfs dat geval kan in sommige situaties niet strikt worden toegepast (bijvoorbeeld wanneer de naam die voorkomt in de akte van geboorte wordt gewijzigd krachtens de wet, zoals in het geval van een erkenning of van een adoptie in het buitenland of nog zoals het geval was in Zaïre, schijnt het nauwelijks raadzaam het verbod om een andere naam te dragen dan die in de akte van geboorte te beschouwen als een voorrangsregel).

De vertrouwdheid met de toepassing van de openbare orde-exceptie geregeld in artikel 21 is groter. Naar luid van dit artikel wordt "de toepassing van een bepaling uit het door deze wet aangewezen buitenlands recht (...) geweigerd voor zover zij tot een resultaat zou leiden dat kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde". Daaraan wordt toegevoegd dat "bij de beoordeling van deze onverenigbaarheid inzonderheid rekening [wordt] gehouden met de mate waarin het geval met de Belgische rechtsorde is verbonden en met de ernst van de gevolgen die de toepassing van dat buitenlands recht zou meebrengen".

Deze bepaling verandert niets aan de huidige situatie en zou dan ook geen moeilijkheden mogen opleveren.

De notie « openbare orde » is evolutief en leent zich bijgevolg niet tot een nauwkeurige omschrijving ervan. Er moet alleen op worden gewezen dat zij voldoende restrictief moet worden toegepast. Enerzijds gaat het hier immers om de strijdigheid met de internationale openbare orde, een begrip dat in de rechtspraak slechts zeer beperkt wordt aanvaard, anderzijds is in het wetboek zelf bepaald dat sprake moet zijn van een bepaling die tot een resultaat zou leiden dat kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde.

Als voorbeeld dat binnen het toepassingsgebied van deze bepaling valt, kan worden verwezen naar het geval van buitenlandse bepalingen op grond waarvan een polygaam huwelijk kan worden aangegaan. Het resultaat van het aangaan van een dergelijk huwelijk kan worden beschouwd als kennelijk onverenigbaar met de internationale openbare orde van België, hetgeen zeker verbiedt dat een Belgische overheid kan overgaan tot het sluiten van een dergelijk huwelijk of de rechtsgeldigheid ervan kan erkennen. Zulks belet niet dat andere gevolgen van een polygaam huwelijk, bijvoorbeeld de toekenning van schadevergoeding wegens het nadeel geleden door de echtgenote van een polygame man, zouden kunnen worden geacht niet in strijd te zijn met de Belgische internationale openbare orde.

Evenzo is reeds geoordeeld dat een buitenlandse wet waarin iedere vorm van vaststelling van buitenhuwelijkse afstamming van vaderszijde wordt geweigerd, strijdig was met de Belgische internationale openbare orde.

Verder zou een buitenlandse wetgeving die bepaalde huwelijken om religieuze redenen verbiedt eveneens als strijdig met de internationale openbare orde kunnen worden beschouwd.

Ingeval een bepaling van buitenlands recht aldus niet wordt toegepast wegens strijdigheid met de openbare orde, moet een andere relevante bepaling van datzelfde recht of, indien nodig, van Belgisch recht worden toegepast.

G. Uitwerking van buitenlandse rechterlijke beslissingen en authentieke akten

G.1. In de artikelen 22 tot 31 wordt ingegaan op de uitwerking van buitenlandse rechterlijke beslissingen en authentieke akten. Met betrekking tot het personeel statuut moet tevens gewag worden gemaakt van artikel 39, betreffende de bepaling en de wijziging van de naam of voornamen, en artikel 57, dat handelt over de verstoting, dewelke afzonderlijk worden besproken.

De erkenning door de ambtenaren van de burgerlijke stand van buitenlandse beslissingen betreffende de staat van personen wordt thans behandeld in een circulaire van 30 april 1984 (Belgisch Staatsblad van 30 mei 1984). Laatstgenoemde circulaire wordt gedeeltelijk vervangen door deze circulaire.

G.2. De in het Wetboek uitgewerkte regeling inzake erkenning van rechterlijke beslissingen doet geen afbreuk aan de huidige regeling inzake erkenning van rechtswege ontwikkeld door de rechtspraak inzake staat en bekwaamheid en breidt deze regeling zelfs uit tot de andere aangelegenheden van het burgerlijk recht. Zulks betekent dat een in het buitenland regelmatig tot stand gekomen beslissing in België gevolg sorteert zonder enige uitvoerbaarverklaring, uitgezonderd wanneer het zou gaan om uitvoeringshandelingen op de goederen of dwangmaatregelen tegen de persoon (Cass. 29 maart 1973, Pas.1973, I, 725).

Met het oog op de erkenning moet de buitenlandse beslissing voldoen aan een reeks voorwaarden opgesomd in artikel 25.

Overeenkomstig artikel 24 moet de partij die een beroep doet op de erkenning van de buitenlandse beslissing de volgende stukken overleggen :

1° een uitgifte van de beslissing die volgens het recht van de Staat waar zij is gewezen, voldoet aan de voorwaarden nodig voor de echtheid ervan;

2° in geval van een verstekbeslissing, het origineel of een voor eensluidend verklaard afschrift van het document waaruit blijkt dat het stuk dat het geding heeft ingeleid of een gelijkwaardig stuk volgens het recht van de Staat waar de beslissing is gewezen aan de niet verschenen partij is betekend of ter kennis gebracht;

3° enig document op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de beslissing, volgens het recht van de Staat waar zij is gewezen, uitvoerbaar is en betekend of ter kennis gebracht is.

Tenslotte moet rekening worden gehouden met artikel 30 waarin is bepaald dat een buitenlandse rechterlijke beslissing moet worden gelegaliseerd om in België geheel of bij uittreksel, in origineel of bij afschrift, te worden voorgelegd. Deze bepaling geldt conform hetgeen werd gesteld in de bespreking van artikel 2, i.e. onverminderd de toepassing van de talrijke bilaterale en multilaterale overeenkomsten naar luid waarvan geen legalisatie is vereist.

Dit vereiste stelt onbetwistbaar vast dat de legalisatie van de uitgifte moet worden geëist.

Met betrekking tot de erkenning van buitenlandse rechterlijke beslissingen moet tevens worden opgemerkt dat de persoon die een door de ambtenaar van de burgerlijke stand genomen beslissing tot erkenning of tot weigering van erkenning wenst te betwisten, zoals thans het geval is, beroep kan instellen bij de rechtbank van eerste aanleg. De rechtspleging is voortaan wel die van het eenzijdig verzoekschrift (artikelen 1025 tot 1034 van het Gerechtelijk Wetboek).

Het wetboek verleent bovendien elke persoon die een belang heeft (en, in zaken die de staat van personen betreffen, eveneens het openbaar ministerie) het recht te doen vaststellen dat de beslissing al dan niet, geheel of gedeeltelijk, moet worden erkend (artikel 22, § 2), zulks los van enig geschil.

G.3. De erkenning van buitenlandse authentieke akten wordt beheerst door artikel 27 waarin is bepaald dat een dergelijke akte "in België door alle overheden [wordt] erkend zonder dat een beroep moet worden gedaan op enige procedure indien haar rechtsgeldigheid wordt vastgesteld overeenkomstig het krachtens deze wet toepasselijke recht, en meer bepaald met inachtneming van de artikelen 18 en 21".

Deze bepaling moet worden toegepast voor talrijke akten die aan de ambtenaar van de burgerlijke stand worden voorgelegd (akten van huwelijk, van erkenning, van verandering van naam,...).

Om een dergelijke akte te kunnen erkennen, moeten verscheidene voorwaarden zijn vervuld :

1° de rechtsgeldigheid van de akte moet worden vastgesteld overeenkomstig het krachtens dit wetboek toepasselijk recht.

Om na te gaan of de akte rechtsgeldig is, moeten de in het wetboek omschreven verwijzingsregels dus worden toegepast. Zo moet in geval van een huwelijk, overeenkomstig artikel 46, voor elke echtgenoot worden nagegaan of de akte rechtsgeldig is krachtens het recht van de Staat waarvan hij bij de voltrekking van het huwelijk de nationaliteit heeft (bijvoorbeeld voor de leeftijdsvoorwaarden, de huwelijksbeletselen,...);

2° naar luid van het Wetboek moeten in dit verband meer bepaald de artikelen 18 en 21 in verband met respectievelijk wetsontduiking en de openbare orde in acht worden genomen.

Er werd reeds gesteld dat de toepassing van artikel 18 in beginsel veeleer uitzonderlijk moest blijven omdat een intentioneel element is vereist dat moet kunnen worden bewezen. De bepaling moet evenwel mogelijk worden toegepast in het geval waarin een persoon die in België verblijft, in een ander land een akte van huwelijkssluiting of van erkenning heeft laten opmaken die hij niet zou hebben kunnen verkrijgen overeenkomstig het recht dat volgens dit wetboek normaal toepasselijk was. Deze situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen indien een persoon om te ontsnappen aan de toepassing van zijn nationaal recht op grond waarvan een dergelijk huwelijk niet kan worden gesloten, naar een Staat zou gaan waarin het recht van de plaats van de huwelijkssluiting wordt toegepast, in de veronderstelling dat dit recht voordeliger is. Er moet evenwel worden opgemerkt dat in een dergelijk geval de toepassing van het criterium van wetsontduiking het in 1° genoemde criterium zou bekrachtigen;

3° de akte moet voldoen aan de voorwaarden die volgens het recht van de Staat waar zij is opgesteld, nodig zijn voor haar echtheid;

4° artikel 24 (waarin is bepaald welke stukken moeten worden overgelegd met het oog op de erkenning van een buitenlandse rechterlijke beslissing) is "voorzover nodig" van toepassing. In het geval van een authentieke akte moet gewoonlijk worden verzocht om de overlegging van een uitgifte. Deze uitgifte moet onder dezelfde voorwaarden worden gelegaliseerd als de uitgifte van een buitenlandse rechterlijke beslissing (zie supra ).

Er moet tevens op worden gewezen dat het vereiste van legalisatie onder dezelfde voorwaarden geldt als voor buitenlandse rechterlijke beslissingen.

De persoon die de weigering tot erkenning van de authentieke akte door de ambtenaar van de burgerlijke stand betwist, kan beroep instellen bij de rechtbank van eerste aanleg. Dit beroep moet eveneens, in tegenstelling tot hetgeen thans is voorzien in het Gerechtelijk Wetboek, worden uitgeoefend bij eenzijdig verzoekschrift.

G.4. Het Wetboek bevat in zijn artikel 28 een bepaling met betrekking tot de authentieke bewijskracht van buitenlandse authentieke akten hetwelk grotendeels een bevestiging is van artikel 47 van het Burgerlijk Wetboek, dat overigens opgeheven werd.

G.5. Ter aanvulling van de bepalingen inzake de erkenning bevat het wetboek bepalingen in verband met de vermelding en overschrijving van buitenlandse rechterlijke beslissingen en authentieke akten inzake staat en bekwaamheid.

Artikel 31 beoogt niet de gevallen te bepalen waarin een buitenlandse authentieke akte of rechterlijke beslissing kan of moet worden vermeld of overgeschreven in een register maar wel de voorwaarden te preciseren waaronder deze, naar gelang van het geval, kunnen worden vermeld op de kant van een akte van de burgerlijke stand of worden overgeschreven in een register van de burgerlijke stand of als basis dienen voor de inschrijving in een bevolkingsregister, een vreemdelingenregister of een wachtregister.

De ambtenaar van de burgerlijke stand moet voor hij overgaat tot de vermelding, de overschrijving of de inschrijving, onderzoeken of is voldaan aan de voorwaarden in de artikelen 24 en 25, in het geval van rechterlijke beslissingen, en in artikel 27, § 1, in het geval van authentieke akten, zoals hierboven uiteengezet.

De bewaarder van de akte of van het register is belast met dat onderzoek. Bij ernstige twijfel bij de beoordeling van die voorwaarden kan hij de akte of de beslissing voor advies overzenden aan het openbaar ministerie dat, indien nodig, aanvullend onderzoek verricht.

De wetgever heeft duidelijk aangegeven dat de twijfel "ernstig" moet zijn. Zulks stond niet vermeld in de tekst van het aanvankelijk ingediende wetsvoorstel.

De onderliggende gedachte van deze toevoeging is dat het Parlement wenst te voorkomen dat misbruik wordt gemaakt van deze procedure waardoor de parketten zouden worden overbelast met gevallen waarin de ambtenaar van de burgerlijke stand normaal zelf zonder overzending een beslissing zou moeten nemen.

Bovendien kan de ambtenaar van de burgerlijke stand steeds een beroep doen op de richtlijnen met algemene draagwijdte van de Minister van Justitie.

Artikel 31 bevestigt immers de gebruikmaking van administratieve circulaires inzake burgerlijke stand, voornamelijk met het oog op de eenvormige toepassing van de voorwaarden die de vermelding, de overschrijving of de inschrijving beheersen.

In geval van weigering door de ambtenaar van de burgerlijke stand om over te gaan tot een vermelding of tot een overschrijving, kan de betrokken persoon beroep instellen bij de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waarin het register wordt gehouden, eveneens overeenkomstig de rechtspleging bij eenzijdig verzoekschrift.

G.6. De aandacht moet nog worden gevestigd op de overschrijving van buitenlandse akten van de burgerlijke stand die betrekking hebben op Belgen.

In artikel 128 van het wetboek, op grond waarvan een nieuw artikel 48 in het Burgerlijk Wetboek wordt ingevoegd, is immers bepaald dat :
« Iedere Belg, of zijn wettelijke vertegenwoordiger, kan verzoeken dat een in een vreemd land opgemaakte akte van de burgerlijke stand die op hem betrekking heeft, wordt overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente van zijn woonplaats of van zijn eerste vestiging bij de terugkeer op het grondgebied van het Rijk. Van deze overschrijving wordt melding gemaakt op de kant van de lopende registers, volgens de dagtekening van het feit waarop de akte betrekking heeft.

Bij gebreke van een woonplaats of verblijfplaats in België, kan de overschrijving van een in het eerste lid bedoelde akte gebeuren in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente van de laatste woonplaats in België van betrokkene of van een van zijn ascendenten, of van de gemeente van zijn geboorteplaats, of bij gebreke hiervan, in de registers van de burgerlijke stand van Brussel. »

Deze bepaling hangt samen met de opheffing van artikel 171 van het Burgerlijk Wetboek. Zij verleent een onbetwistbare wettelijke grondslag aan de in de circulaire van 10 februari 1939 vervatte handelwijze op grond waarvan de overschrijving in België van in het buitenland opgemaakte akten niet kon worden geweigerd, zelfs bij ontstentenis van een wettelijke grondslag.

De bepaling omvat alle akten en heeft zowel betrekking op Belgen die zijn teruggekeerd naar het grondgebied van het Rijk, als op zij die nog in het buitenland verblijven. Met betrekking tot de akten van huwelijk moet worden opgemerkt dat in tegenstelling tot artikel 171 dat in een verplichting voorzag, deze bepaling slechts in een mogelijkheid voorziet. Wel kende artikel 171 geen enkele sanctie, wat tot een enigszins willekeurige toepassing ervan leidde.

Tenslotte wordt nog erop gewezen dat ook de procureur des Konings kan verzoeken dat een in een vreemd land opgemaakte akte van de burgerlijke stand betreffende een Belg wordt overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Ingevolge het nieuwe artikel 48 van het Burgerlijk Wetboek en deze circulaire is de circulaire van 10 februari 1939 niet langer van toepassing.

H. Staat en bekwaamheid van natuurlijke personen

Krachtens artikel 34 van het Wetboek worden "behalve in aangelegenheden waar deze wet anders bepaalt, (...) de staat en de bekwaamheid van een persoon beheerst door het recht van de Staat waarvan hij de nationaliteit heeft".

Deze aanvullende regel huldigt slechts met betrekking tot de staat en de bekwaamheid van natuurlijke personen het nationaliteitsbeginsel dat reeds in artikel

3 van het Burgerlijk Wetboek was opgenomen. Hij wordt evenwel gematigd door middel van een beperkte toepassing van de techniek van de herverwijzing in die zin dat de bekwaamheid wordt beheerst door het Belgisch recht indien het buitenlands recht tot de toepassing van dit recht leidt. Deze situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen in het geval van een Deens onderdaan die in België is gedomicilieerd. Het Deense internationaal privaatrecht waarin terzake de woonplaats als aanknopingsfactor wordt genomen, verwijst dus naar het Belgisch recht, dat dan zou moeten worden toegepast.

Gelet op het residuair karakter van artikel 34, zal deze toepassing van het renvoi bijgevolg dienen te geschieden binnen een zeer nauwe marge en kan bijgevolg niet worden toegepast op situaties dewelke in het Burgerlijk Wetboek een specifieke behandeling krijgen (bijvoorbeeld het geval van artikel 35).

De tekst voorziet tevens erin dat de verworven bekwaamheid niet verloren gaat ten gevolge van een nationaliteitsverandering. Zo zou een persoon die krachtens zijn nationaal recht op zestienjarige leeftijd meerderjarig is geworden, niet zijn bekwaamheid verliezen indien hij Belg wordt voor hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

Ten slotte is in de tekst bepaald dat "onbekwaamheden betreffende een bepaalde rechtsverhouding worden beheerst door het recht toepasselijk op die verhouding". Overeenkomstig deze bepaling wordt de vraag omtrent het bestaan van de persoon wanneer dit een voorwaarde is voor de toepassing van voorschriften die een bepaalde rechtsverhouding regelen, niet beantwoord op grond van het nationaal recht maar door het recht die die bepaalde rechtsverhouding beheerst. Zo wordt in geval van afstamming niet op grond van het nationaal recht maar wel van het recht toepasselijk op de afstamming bepaald of ten aanzien van een verwekt kind een erkenning van vaderschap kan worden verricht.

I. Ouderlijk gezag en bescherming van onbekwamen

In artikel 35 is bepaald dat het ouderlijk gezag, de voogdij en de vaststelling van de onbekwaamheid van een volwassene worden beheerst door het recht van de Staat waarin deze persoon (de onbekwame) zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip van de feiten die aanleiding geven tot de bepaling van het ouderlijk gezag, tot het openvallen van de voogdij of tot de goedkeuring van beschermingsmaatregelen.

De uitoefening van het ouderlijk gezag of van de voogdij wordt beheerst door het recht van de Staat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip waarop die uitoefening wordt aangevoerd.

Deze bepaling wijkt af van de huidige oplossing aangezien de uitoefening van het ouderlijk gezag, van de voogdij en van de bescherming van de volwassen onbekwame tot op heden uit hoofde van artikel 3 van het Burgerlijk Wetboek werd beheerst door het nationaal recht van de onbekwame.

Een ander belangrijk gevolg van artikel 35 heeft betrekking op de voorafgaande kwestie van het ouderlijk gezag bij de toepassing van het Wetboek van de Belgische nationaliteit. Wanneer in het Wetboek van de Belgische nationaliteit wordt verwezen naar een voorwaarde tot uitoefening van het ouderlijk gezag, moet overeenkomstig artikel 35 het terzake toepasselijk recht worden vastgesteld. Indien het kind zijn gewone verblijfplaats in het buitenland heeft op het tijdstip waarop de kwestie zich voordoet (met andere woorden op het ogenblik, naargelang het geval, van de vrijwillige verkrijging, de herkrijging of het verlies van de nationaliteit door de ouder), moet het buitenlands recht worden toegepast om te bepalen of sprake is van uitoefening van het ouderlijk gezag (zie op dit punt ook de commentaar bij artikel 62).

J. Naam en voornamen

Artikel 36, tweede lid, op grond waarvan de Belgische overheden bevoegd zijn om kennis te nemen van vorderingen tot verandering van de naam of de voornamen van een persoon indien deze bij de instelling van de vordering Belg is, bevestigt de traditionele oplossing naar luid waarvan de door de wet van 15 mei 1987 betreffende de namen en voornamen beheerste procedure slechts openstaat voor Belgische onderdanen.

Voor het overige wordt in de in het wetboek aan de naam en voornamen gewijde afdeling hoofdzakelijk de bestaande situatie weergegeven. Er moet evenwel worden gewezen op een van de zeldzame gevallen waarin, overeenkomstig artikel 2 dat het beginsel van voorrang van het internationaal recht en van het recht van de Europese Unie bevestigt, rekening moet worden gehouden met een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.

Bij arrest van 2 oktober 2003 (zaak Garcia Avello vs. België) heeft het Hof naar recht gesteld dat : "de artikelen 12 EG en 17 EG aldus [moeten] worden uitgelegd, dat zij zich ertegen verzetten dat in omstandigheden als die van het hoofdgeding de overheid van een lidstaat weigert een gunstig gevolg te geven aan een verzoek om naamsverandering met betrekking tot minderjarige kinderen die in die Staat verblijven en de dubbele nationaliteit, die van die Staat en die van een tweede lidstaat, bezitten, wanneer dat verzoek tot doel heeft dat die kinderen de naam kunnen dragen die zij zouden dragen op grond van het recht en de gebruiken van de tweede lidstaat".

Waar nodig zijn in het wetboek de lessen getrokken uit het arrest Garcia Avello, dat uitsluitend betrekking heeft op administratieve naamsveranderingen.

Derhalve zijn voortaan de onderstaande beginselen inzake naam en voornamen van toepassing :

1. het arrest Garcia Avello heeft geen invloed op de vraag naar het recht dat toepasselijk is op de vaststelling van de naam en de voornamen, die zoals thans het geval is, beheerst blijft door het recht van de Staat waarvan die persoon de nationaliteit heeft;

2. de vrijwillige of uit de wet voortvloeiende verandering van naam of voornamen van een persoon wordt beheerst door het recht van de Staat waarvan die persoon op het tijdstip van de verandering de nationaliteit heeft.

Er moet worden opgemerkt dat de gevolgen voor de naam van een verandering van staat worden beheerst door het recht toepasselijk op de bepaling van de naam en niet door het recht toepasselijk op de betrokken verhouding van staat. Zo worden de gevolgen van het huwelijk voor de naam beheerst door het recht toepasselijk op de naam en niet door het recht toepasselijk op de gevolgen van het huwelijk.

De uit de wet voortvloeiende verandering van naam zou het gevolg kunnen zijn van het huwelijk, van een adoptie of van een erkenning. De regel laat het thans geldende beginsel onverlet.

De rechtspraak Garcia Avello moet worden toegepast in geval van vrijwillige verandering van naam van een persoon die zowel de Belgische nationaliteit als die van een andere lidstaat van de Europese Unie bezit. Krachtens die rechtspraak heeft de betrokken persoon dan het recht via een administratieve naamsverandering de naam te verkrijgen die hij zou dragen op grond van het recht en de gebruiken van de tweede lidstaat. Zulks zou evenwel van geen invloed mogen zijn op de werkzaamheden van de ambtenaren van de burgerlijke stand aangezien vrijwillige naamsveranderingen bij koninklijk besluit worden toegekend.

3. In artikel 38, tweede lid, is bepaald dat wanneer het recht van de Staat waarvan één van de echtgenoten de nationaliteit heeft, hem toestaat om ter gelegenheid van het huwelijk een naam te kiezen, de ambtenaar van de burgerlijke stand deze naam in de akte van huwelijk vermeldt. Deze bepaling moet in acht worden genomen hoewel artikel 76 van het Burgerlijk Wetboek op dit punt niet is aangevuld.

Er moet worden opgemerkt dat alleen de echtgenoot van wie het nationaal recht hem toelaat om een naam te kiezen, zich daarop kan beroepen. Zo kan een Duitser die met een Belgische huwt, de naam van de echtgenote kiezen onder de voorwaarden omschreven in het Duits recht. De Belgische echtgenote daarentegen kan de naam van haar echtgenoot niet kiezen. Deze distributieve toepassing is soepeler dan een aanknoping van cumulatieve aard op grond waarvan een keuze alleen mogelijk zou zijn geweest ingeval elk relevant recht deze mogelijkheid zou hebben gekend.

4. Met betrekking tot de erkenning van rechterlijke of administratieve beslissingen betreffende de vaststelling of de verandering van naam of voornamen, worden krachtens artikel 39 dergelijke beslissingen niet erkend indien, naast de algemene erkenningsvoorwaarden in artikel 25 (zie supra )

1° het gaat om een vrijwillige verandering met betrekking tot een persoon die op het tijdstip van de verandering Belg was, tenzij de verkregen naam overeenstemt met de regels betreffende de vaststelling van de naam van toepassing in de lidstaat van de Europese Unie waarvan de persoon eveneens de nationaliteit bezit.

Zulks strookt met de logica van het arrest Garcia Avello. Indien de Spaanse overheden dus een naamsverandering toekennen aan een persoon die in België is geboren en de dubbele (Belgisch-Spaanse) nationaliteit bezit, waardoor hij de naam verkrijgt die hij zou hebben verkregen overeenkomstig het Spaans recht indien hij in dat land was geboren, moet die naamsverandering worden erkend. Zulks geldt niet ingeval het gaat om een naamsverandering die niet aan dergelijke criteria beantwoordt (bijvoorbeeld de Belgisch-Spaanse heer Martin wordt de heer Dupont);

2° de vaststelling van de naam of voornamen niet overeenstemt met het Belgisch recht indien deze persoon Belg was op het tijdstip van de vaststelling.
In dit verband moet worden gedacht aan het geval waarin een Belgisch kind bij zijn geboorte een naam krijgt die niet overeenstemt met het Belgisch recht in een Staat die als aanknopingsfactor de woonplaats in aanmerking neemt of die als aanknopingsfactor de nationaliteit in aanmerking neemt, wanneer het kind, naast de Belgische nationaliteit, tevens de nationaliteit van die Staat bezit. Er moet evenwel worden opgemerkt dat indien het gaat om een persoon die zowel de Belgische nationaliteit als die van een andere lid-Staat van de Unie heeft, deze persoon ervan in kennis moet worden gesteld dat hij een naamsverandering kan verkrijgen overeenkomstig de rechtspraak Garcia Avello;

3° in de andere gevallen, deze vaststelling of deze verandering niet erkend wordt in de Staat waarvan deze persoon de nationaliteit bezit.

Dit laatste geval heeft hypothetisch gezien slechts betrekking op personen die de Belgische nationaliteit niet bezitten. De naam die hen ofwel bij de geboorte, ofwel door latere verandering wordt toegekend in een Staat X, wordt niet erkend indien de Staat waarvan zij de nationaliteit bezitten deze niet erkent.

K. Huwelijk

In artikel 44 in verband met de bevoegdheid van de Belgische overheden om het huwelijk te voltrekken is bepaald dat "het huwelijk in België [kan] worden voltrokken indien een van de toekomstige echtgenoten bij de voltrekking Belg is, zijn woonplaats of sinds meer dan drie maanden zijn gewone verblijfplaats in België heeft".

Deze bepaling heeft een dubbele doelstelling. Zij strekt ertoe enerzijds de criteria inzake de internationale bevoegdheid van de Belgische overheden duidelijk vast te stellen en anderzijds, door te voorzien in een minimumtermijn van meer dan drie maanden met betrekking tot de gewone verblijfplaats, huwelijkstoerisme te voorkomen, inzonderheid in geval van toepassing van artikel 46, tweede lid, in verband met het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht.

De persoon die zich beroept op het gegeven dat hij sinds meer dan drie maanden zijn gewone verblijfplaats in België heeft, moet zulks met alle mogelijke bewijsmiddelen aantonen (vliegtuigticket, kwitantie van huurgelden, bewijs van administratieve formaliteiten bij de overheden, etc.). In geval van twijfel moet de ambtenaar van de burgerlijke stand een beslissing nemen. In dit verband moet worden herinnerd aan hetgeen reeds werd gesteld in de omzendbrief van 17 december 1999 inzake de wet van 4 mei 1999 tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende het huwelijk, te weten dat "er dient op te worden gewezen dat het recht op huwelijk wordt gegarandeerd door artikel 12 van het Europees Verdrag voor de Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955, B.S., 19 augustus 1955) en artikel 23 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten. Dit recht is niet verbonden aan de verblijfstoestand van de betrokken partijen. Hieruit volgt dat de ambtenaar van de burgerlijke stand de opmaak van de akte van aangifte en de voltrekking van het huwelijk niet kan weigeren op grond van het loutere feit dat een vreemdeling illegaal in het Rijk verblijft".

Artikel 44 van het Wetboek blijft coherent ten aanzien van artikel 63 van het Burgerlijk Wetboek. Het eerste bepaalt de internationale bevoegdheid, het tweede de regels inzake interne bevoegdheid. Zo is ingeval de bevoegdheid van de ambtenaar van de burgerlijke stand zou worden bepaald uit hoofde van artikel 44 van het Wetboek van internationaal privaatrecht, via het criterium van de gewone verblijfplaats in België sinds meer dan drie maanden van één of beide toekomstige echtgenoten, de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand om het huwelijk te voltrekken, die van de actuele verblijfplaats in de zin van artikel 63 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 129 van het wetboek vult op nuttige wijze artikel 64 van het Burgerlijk Wetboek zo aan dat bij de aangifte van het huwelijk in voorkomend geval een bewijs van de gewone verblijfplaats in België sinds meer dan drie maanden moet worden gevoegd.

Artikel 46 houdt verband met de grondvereisten van het huwelijk.

In het eerste lid wordt de traditioneel in België toegepaste regel overgenomen naar luid waarvan "de voorwaarden voor de geldigheid van het huwelijk voor elke echtgenoot [worden] beheerst door het recht van de Staat waarvan hij bij de voltrekking van het huwelijk de nationaliteit heeft".

In het tweede lid wordt op dat beginsel een belangrijke uitzondering gemaakt door te stellen dat "een bepaling van het door het eerste lid toepasselijk verklaard recht, die het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht verbiedt, niet van toepassing [is] indien een van de personen de nationaliteit bezit van een Staat waarvan het recht een dergelijk huwelijk toestaat of op het grondgebied van een dergelijke Staat zijn gewone verblijfplaats heeft".

Concreet volgt uit de combinatie van de artikelen 44 en 46 dat in België het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht steeds kan worden voltrokken mits één van de toekomstige echtgenoten Belg is of zijn gewone verblijfplaats in België heeft sinds meer dan drie maanden.

Artikel 46, tweede lid, stelt buiten toepassing het derde en vierde lid, evenals de punten A, 2.1, derde en vierde lid, en C, vierde en vijfde lid, van de circulaire van 23 januari 2004 tot vervanging van de circulaire van 8 mei 2003 betreffende de wet van 13 februari 2003 tot openstelling van het huwelijk voor personen van hetzelfde geslacht en tot wijziging van een aantal bepalingen van het Burgerlijk Wetboek (Belgisch Staatsblad van 27 januari 2004).

Artikel 47 heeft betrekking op de vormvereisten voor de voltrekking van het huwelijk. Het bevestigt tevens de toepassing van de traditionele regel naar luid waarvan de vormvereisten worden beheerst door het recht van de Staat op het grondgebied waarvan het huwelijk voltrokken wordt.

Ten slotte moet de aandacht worden gevestigd op de wijziging van artikel 76 van het Burgerlijk Wetboek waarin de inhoud van de akte van huwelijk wordt bepaald. Er is reeds aangegeven dat wanneer het recht van de Staat waarvan één van de echtgenoten de nationaliteit heeft, hem toestaat om ter gelegenheid van het huwelijk een naam te kiezen, de ambtenaar van de burgerlijke stand deze naam in de akte van huwelijk moest vermelden (artikel 38, tweede lid). Artikel 130 van het wetboek vult artikel 76, 10°, van het Burgerlijk Wetboek aan door te voorzien in de vermelding, in internationale gevallen, van de "eventuele keuze door de echtgenoten gedaan van het nationaal recht dat op hun huwelijksvermogen van toepassing is". Artikel 49 van het Wetboek van internationaal privaatrecht verleent de echtgenoten immers de mogelijkheid een dergelijke keuze te maken, met inachtneming van bepaalde criteria.

L. Echtscheiding, scheiding van tafel en bed en verstoting

De echtscheiding en de scheiding van tafel en bed behoeven nauwelijks commentaar aangezien de erkenning ervan wordt beheerst door de hierboven besproken regels met algemene draagwijdte.

Bij de erkenning van de verstoting daarentegen moet worden stilgestaan.

Artikel 57, dat van toepassing is op alle vormen van verstoting, moet restrictief worden toegepast; de instelling van de verstoting wordt door de wetgever geacht vreemd te zijn aan ons rechtsdenken en aan het beginsel van gelijkheid tussen man en vrouw.

Het in artikel 57 vervatte beginsel is dan ook dat van de niet-erkenning, waarop wel een uitzondering bestaat. Deze uitzondering bestaat in de inachtneming van bepaalde voorwaarden die op cumulatieve wijze moeten worden toegepast en moeten worden nagegaan door de overheid ten aanzien waarvan de erkenning wordt ingeroepen.

Het betreft de volgende cumulatieve voorwaarden :

1° de akte is gehomologeerd door een rechter in de Staat waarin zij is opgemaakt;

2° geen van de echtgenoten had op het tijdstip van de homologatie de nationaliteit van een Staat waarvan het recht die vorm van huwelijksontbinding niet kent.

Derhalve vindt geen erkenning van de verstoting plaats tussen echtgenoten van wie ten minste één van de twee Belg is of een onderdaan van een Staat die een dergelijke rechtsinstelling niet kent. Er moet worden opgemerkt dat indien deze echtgenoot de dubbele nationaliteit heeft, bijvoorbeeld de Belgische en de Marokkaanse, of de Franse en de Marokkaanse, de in artikel 3 vervatte regel moet worden toegepast (zie supra );

3° geen van de echtgenoten had op het tijdstip van de homologatie zijn gewone verblijfplaats in een Staat waarvan het recht die vorm van huwelijksontbinding niet kent.

Daaruit volgt dat niet wordt erkend de verstoting binnen een echtpaar waarvan één van de echtgenoten in België of in een andere Staat verblijft (bijvoorbeeld Frankrijk) die een dergelijke rechtsinstelling niet kent. In dat verband doet het weinig terzake of die Staat al dan niet de verstoting erkent;

4° de vrouw heeft de ontbinding van het huwelijk op ondubbelzinnige wijze en zonder enige dwang aanvaard.

Deze voorwaarde kan gemakkelijk worden nagegaan wanneer de vrouw zich beroept op de verstoting. Indien de man zich beroept op de erkenning van de verstoting, die zich mogelijkerwijs jaren geleden voordeed en betrekking kan hebben op een echtgenote die niet in België verblijft, zou het kunnen dat het bewijs moeilijk kan worden geleverd. De echtgenoot moet in ieder geval worden verzocht enig bewijsmiddel dat in aanmerking kan worden genomen, te verstrekken en, voorzover mogelijk, opgave te doen van de verblijfplaats van de echtgenote tegen wie hij optreedt;

5° tegen de erkenning geldt geen enkele weigeringsgrond als bedoeld in artikel 25.

In dit verband moet eraan worden herinnerd dat één van die weigeringsgronden de kennelijke onverenigbaarheid met de openbare orde is. Gelet op de rechtspraak van het Hof van Cassatie terzake (Cass., 3e kamer, 29 april 2002) en op de wettelijke regeling die voortaan geldt voor de erkenning van de verstoting, zou deze weigeringsgrond, onder voorbehoud van de beoordeling van de hoven en rechtbanken, niet mogen interfereren met artikel 57, § 2, door in zekere zin de mogelijke gevallen van erkenning teniet te doen.

Als besluit moet worden vastgesteld dat de gevallen waarin een verstoting kan worden erkend, in de toekomst zeldzaam zouden moeten zijn en voornamelijk betrekking zouden moeten hebben op gevallen waarin de verstoting is verkregen in een buitenlandse Staat tussen onderdanen van die Staat (of nog tussen onderdanen van verschillende Staten die de instelling van de verstoting kennen) die aldaar, althans ten tijde van de verstoting, het centrum van hun belangen hadden.

Gelet op het voorgaande zijn de passages in verband met de toelaatbaarheid van de verstoting in de omzendbrief van 27 juni 1978 betreffende sommige problemen inzake vreemdelingen (Belgisch Staatsblad van 1 juli 1978), gewijzigd door de circulaires van 13 maart 1980 (Belgisch Staatsblad van 18 maart 1980) en 27 april 1994 (Belgisch Staatsblad van 19 mei 1994) niet langer van toepassing.

M. De relatie van samenleven

De artikelen 58 tot en met 60 (hoofdstuk IV) betreffen de relatie van samenleven. Het Wetboek heeft niet alleen betrekking op de wettelijke samenwoning, zoals bedoeld in de Belgische wet (art. 1475 tot 1479 van het Burgerlijk Wetboek) maar ook op alle relaties van samenleven tussen personen van een verschillend of van hetzelfde geslacht, die in toepassing van een buitenlandse wet formeel werden geregistreerd door een openbare overheid, ongeacht of ze al dan niet gevolgen hebben voor de staat van de persoon.

M.1. Artikel 58 geeft een definitie van de relatie van samenleven : "Het begrip "relatie van samenwonen" in deze wet betekent een toestand van samenleven die registratie bij een openbare overheid vraagt en tussen de samenwonende personen geen band schept die evenwaardig is aan het huwelijk."

Er dient te worden opgemerkt dat, volgens de voorbereidende werkzaamheden, elke juridische verhouding van samenleven, die een band schept die gelijkwaardig is aan het huwelijk, wat ook de benaming mag zijn die hieraan wordt gegeven, voor de toepassing van de bepalingen van het Wetboek, onderworpen wordt aan de regels inzake het huwelijk, inzonderheid hoofdstuk III (art. 42 e.v. - zie hoger : punt K ).

Relaties van samenleven die niet zulke gelijkwaardige band scheppen vallen onder de toepassing van dit hoofdstuk.

Het ontstaan van nieuwe samenlevingsrelaties is eerder recent en dus nog moeilijk te analyseren. De materie is in volle evolutie. Bovendien neemt de instelling van wetgever tot wetgever andere vormen aan; de diverse instellingen zijn niet zo maar uitwisselbaar en het is niet steeds eenvoudig om de precieze draagwijdte van een buitenlands rechtsinstituut te kennen. Bovendien is de juridische invulling van deze instituten ook binnen elke betrokken rechtsorde ongetwijfeld nog in volle evolutie.

Het gelijkstellen van een relatie van samenleven met het huwelijk heeft belangrijke gevolgen wat betreft de erkenning ervan en het recht dat erop toepasselijk is, inzonderheid op het ontstaan ervan, de gevolgen voor de persoon en het vermogen en de voorwaarden voor en wijze van de beëindiging (zie hierna onder artikel 60). Er moet zoveel mogelijk over worden gewaakt de relatie geen gevolgen toe te kennen die niet door de vreemde wetgever zijn bedoeld (en die door hem ook niet zullen worden erkend) en die ook door belanghebbenden zelf bij het aangaan van de relatie niet zijn gewild.

Mijn diensten onderzoeken thans of er vormen van geregistreerd partnerschap bestaan waarvan eventueel mag worden aangenomen dat zij tussen de samenwonende personen een band scheppen die evenwaardig is aan het huwelijk Een aanvullende circulaire zal U zo spoedig mogelijk worden toegezonden.

M.2. Artikel 59 regelt de internationale bevoegdheid van de Belgische rechterlijke en administratieve overheden inzake de relatie van samenleven, zoals gedefinieerd in artikel 58.

De registratie van het sluiten van een relatie van samenleven kan in België alleen dan worden gedaan ingeval de partijen op het ogenblik van het sluiten een gemeenschappelijke gewone verblijfplaats hebben in België (tweede lid van het artikel). De bepaling sluit aan bij de bepalingen van de wet van 23 november 1998 tot invoering van de wettelijke samenwoning (artikelen 1475 e.v. van het Burgerlijk Wetboek). De Belgische administratieve overheid, inzonderheid de ambtenaar van de burgerlijke stand, is enkel bevoegd om een verklaring van wettelijke samenwoning in de zin van die wet te ontvangen. Overeenkomstig artikel 1476 B.W. wordt de verklaring van wettelijke samenwoning overhandigd aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeenschappelijke woonplaats. Het hier gebruikte begrip woonplaats heeft betrekking op de woonplaats in de zin van artikel 102 van het Burgerlijk Wetboek, dat wil zeggen de plaats waar de persoon zijn hoofdverblijf heeft. De in het tweede lid van artikel 59 gebruikte woorden « gemeenschappelijke gewone verblijfplaats » sluiten hierbij aan (zie hoger : artikel 4, punt E ).

De registratie van de beëindiging van de relatie van samenleven kan in België alleen dan worden gedaan als het sluiten van de relatie in België is geregistreerd (derde lid). De ambtenaar van de burgerlijke stand is dus enkel bevoegd om een in België overeenkomstig de Belgische wet aangegane wettelijke samenwoning te beëindigen en dit uitsluitend overeenkomstig artikel 1476, § 2, B.W. De sluiting en de beëindiging van de wettelijke samenwoning gebeuren, volgens het Belgisch materieel recht, aan de hand van formaliteiten die concreet enkel in België kunnen plaatsvinden; zij kunnen dan ook niet door een buitenlandse overheid worden verricht (cfr. ook artikel 60).

Er moet evenwel worden onderstreept dat, in tegenstelling tot administratieve overheden de rechterlijke overheid over een volheid van bevoegdheid beschikt, zodat deze, met inachtneming van de bepalingen van het Wetboek, elke vordering omtrent een samenlevingsrelatie kan beoordelen. Derhalve wordt voorzien in de bevoegdheid van de Belgische rechter (eerste lid, dat verwijst naar artikel 42). Zo voorzien bepaalde Staten erin dat de rechter een eind kan maken aan de relatie van samenleven. Ingeval de Belgische rechter de beëindiging van een buitenlandse relatie van samenleven uitspreekt, met inachtneming van artikel 42 en artikel 60, zal de betrokken buitenlandse Staat dit vonnis vervolgens al dan niet erkennen volgens zijn eigen erkenningsregels.

M.3. Artikel 60 regelt het recht dat toepasselijk is op de relatie van samenleven.

« De relatie van samenleven wordt beheerst door het recht van de Staat op wiens grondgebied zij voor het eerst is geregistreerd. Dit recht bepaalt inzonderheid de voorwaarden van de vaststelling van de relatie, de gevolgen van de relatie voor de goederen van de partijen, alsmede de oorzaken en de voorwaarden inzake de beëindiging. »

Zowel het ontstaan van de relatie, de gevolgen voor de persoon en het vermogen als de voorwaarden voor de beëindiging ervan worden aan één enkele wet onderworpen. Op die wijze wordt voorkomen dat de onderscheiden aspecten van de relatie worden beheerst door verschillende wetten, gegrond op uiteenlopende opvattingen inzake de instelling. Gelet op de dispariteit van de wetgevingen in het licht van de rechtsvergelijking heeft de wetgever gekozen voor een verwijzing naar het recht van de registratie, want die oplossing is een waarborg voor een coherente aanknoping van bedoelde relatie en de rechtszekerheid.

Enkel het derde lid brengt enige nuance aan inzake de enkele aanknoping van de instelling, zulks met betrekking tot de vermogensrechtelijke gevolgen ten aanzien van derden, waar een parallel wordt gemaakt met de regels die voor het huwelijk gelden.

De wettelijke samenwoning, ingevoerd bij de wet van 23 november 1998, wordt dus volledig beheerst door het Belgische recht. Het is nuttig eraan te herinneren dat die wet voor twee personen die in België een gemeenschappelijke woonplaats hebben het recht opent om een wettelijke samenwoning aan te gaan, ongeacht hun nationaliteit, mits ze bekwaam zijn om rechtshandelingen te stellen.

Ook de in het buitenland aangegane relatie van samenleven sluit van het begin tot het einde aan bij één enkel rechtsstelsel, namelijk dit van de plaats waar de relatie werd aangegaan. De partners blijven onderworpen aan die wet. Als de partners de relatie willen beëindigen, moeten zij volgens de regels van dat land uiteengaan en dat zal betekenen dat zij in dat land de procedures moeten volgen of de afmelding moeten registreren.

M.4. Het artikel is voor de ambtenaar van de burgerlijke stand inzonderheid van belang voor wat betreft de erkenning van in het buitenland tot stand gekomen relaties van samenleven.

In het buitenland aangegane relaties van samenleven worden in België erkend indien de rechtsgeldigheid is vastgesteld overeenkomstig het krachtens het Wetboek toepasselijke recht en meer bepaald met inachtneming van de artikelen 18 en 21 (wetsontduiking en openbare orde) (art. 31, § 1, en 27, § 1, - zie supra onder G ). Vermits het recht toepasselijk op de relatie van samenleven dit is van de Staat waar de relatie werd aangegaan zullen in beginsel alle relaties, die aan de definitie van artikel 58 beantwoorden, worden erkend.

Wat betreft de erkenning van buitenlandse akten of rechterlijke beslissingen van beëindiging van de relatie, deze zullen worden erkend onder dezelfde voorwaarden als die welke de buitenlandse beslissingen in het algemeen beheersen (art. 22 e.v. - punt G )

M.5. Een belangrijk onderscheid tussen de diverse instellingen bestaat in het al dan niet toekennen door de wetgever van gevolgen voor de staat van de persoon. Voor de ambtenaar van de burgerlijke stand is het in het bijzonder van belang te weten of de relatie een beletsel vormt voor een huwelijk. Zoals de Belgische wettelijke samenwoning vormen de Franse pacte civil de solidarité (PACS) en de verschillende vormen van samenleving, ingevoerd in diverse Spaanse provincies, alsook, volgens de informatie die wij hebben verkregen van de Duitse overheden, het Duits partnerschap, geen beletsel om te huwen.

Dit geldt ook voor het Luxemburgs partnerschap dat onlangs werd ingevoerd bij de wet van 9 juli 2004, die inwerking zal treden op 1 november 2004. De partnerschappen ingesteld in de diverse Scandinavische landen (Denemarken, Finland, IJsland, Noorwegen en Zweden) en het Nederlands geregistreerd partnerschap daarentegen houden een onmogelijkheid in om te huwen zolang het partnerschap niet is ontbonden.

M.6. Tot slot wordt, voorzover nodig, erop gewezen dat in het buitenland aangegane relaties van samenleven die als evenwaardig aan een huwelijk worden beschouwd, in België zullen worden erkend onder dezelfde voorwaarden als in het buitenland aangegane huwelijken (toepassing van de artikelen 27 en 46 - zie hoger onder G en K )

N. Afstamming

N.1. Recht toepasselijk op de afstamming

Artikel 62 in verband met het recht toepasselijk op de afstamming breekt met de traditionele oplossing die erin bestond de afstamming van kinderen, wanneer deze niet van rechtswege voortvloeide uit de wet, afhankelijk te stellen van het nationaal recht van de Staat waarvan het kind de nationaliteit bezit. Wanneer zij wel van rechtswege voortvloeide uit de wet (bijvoorbeeld door toepassing van het vermoeden van vaderschap), was zij afhankelijk van het nationaal recht van elk van de ouders die individueel belang hadden bij de vaststelling van de afstamming.

Het eerste toepassingsgeval mondde vaak uit in een vicieuze cirkel aangezien het nationaal recht van het kind vaak afhing van diens afstamming en deze net afhing van dat nationale recht.

In het Wetboek is geopteerd voor één enkele oplossing door als aanknopingsfactor het nationaal recht van de ouder in aanmerking te nemen. Naar luid van artikel 62 worden de vaststelling en de betwisting van het vaderschap of moederschap van een persoon dan ook beheerst door het recht van de Staat waarvan die persoon de nationaliteit heeft bij de geboorte van het kind of, indien de vaststelling het resultaat is van een vrijwillige handeling (bijvoorbeeld een erkenning), bij het verrichten van die handeling.

Het tweede lid vult de bepaling aan voor wat betreft het eventuele vereiste en de voorwaarden voor de toestemming van het kind. Indien de afstammingswet (te weten het nationaal recht van de ouder) voorziet in het vereiste van een dergelijke toestemming, moet deze wet worden toegepast. Zo de afstammingswet niet voorziet in een dergelijke toestemming, moet het recht van de gewone verblijfplaats van het kind worden toegepast.

Stel bijvoorbeeld dat een Belg een veertienjarig kind dat zijn gewone verblijfplaats in Frankrijk heeft, wenst te erkennen. In een dergelijk geval is het Belgisch recht toepasselijk op de vaststelling van de afstamming. Aangezien het Belgisch recht niet voorziet in de toestemming van een kind dat de leeftijd van vijftien jaar niet heeft bereikt, moet op grond van het Frans recht worden bepaald of de toestemming van het kind al dan niet noodzakelijk is.

Een ander belangrijk gevolg van artikel 62 heeft betrekking op de voorafgaande kwestie van de afstamming bij de toepassing van het Wetboek van de Belgische nationaliteit. Wanneer de Belgische nationaliteit afhangt van het bestaan van een afstammingsband, moet het terzake toepasselijk recht overeenkomstig artikel 62 worden vastgesteld. Derhalve moet het nationaal recht van de ouder op het tijdstip van de geboorte of van de akte van erkenning worden toegepast om te bepalen of een dergelijke band bestaat. De woorden « naar Belgisch recht » voorkomend in het derde lid, en het vierde lid van het eerste punt van de circulaire van 6 augustus 1984 betreffende het Wetboek van de Belgische nationaliteit (Belgisch Staatsblad van 14 augustus 1984), ingevoegd door de circulaire van 30 juli 1985 (Belgisch Staatsblad van 1 augustus 1985), zijn niet langer van toepassing.
In artikel 62, § 2, wordt het geval behandeld waarin een afstammingsband volgens het recht toepasselijk uit hoofde van dit Wetboek rechtsgeldig is vastgesteld ten aanzien van meerdere personen van hetzelfde geslacht. Zulks is mogelijk indien die personen een verschillende nationaliteit bezitten en dus op de vaststelling van de afstammingsband verschillende nationale wetten worden toegepast.

In geval van conflict tussen een van rechtswege uit de wet voortvloeiende afstamming (bijvoorbeeld bij vermoeden van vaderschap) en een uit een akte van erkenning voortvloeiende afstamming wordt op grond van het recht van de Staat waaruit de afstamming van rechtswege voortvloeit, bepaald welk gevolg die erkenning voor de van rechtswege vastgestelde afstamming heeft.

In geval van conflict tussen meerdere afstammingen die van rechtswege uit de wet voortvloeien (bijvoorbeeld tussen een vermoeden van vaderschap ten aanzien van de eerste echtgenoot op grond van zijn nationaal recht en een vermoeden van vaderschap ten gunste van de tweede echtgenoot uit hoofde van het zijne), is in het Wetboek bepaald dat tussen de aangewezen rechtsstelsels het recht wordt toegepast van de Staat waarmee het geval de nauwste banden heeft. Een dergelijk geval moet uitzonderlijk blijven.

In geval van conflict tussen meerdere afstammingen die voortvloeien uit opeenvolgende, volgens het nationaal recht van de erkenner rechtsgeldig vastgestelde erkenningen, wordt op grond van het op de eerste erkenning toepasselijke nationaal recht de gevolgen van een latere erkenning voor de eerste bepaald.

Als besluit moet worden opgemerkt dat het wetboek in artikel 64 nog een bepaling bevat omtrent het recht toepasselijk op de vormvereisten van de erkenning. De akte van erkenning wordt opgesteld aan de hand van het recht dat op de afstamming van toepassing is of aan de hand van het recht op het grondgebied waarvan de akte van erkenning is opgesteld. Uiteraard moet indien de akte in België wordt opgesteld, het Belgisch recht worden toegepast.

N.2 Bevoegdheid om de erkenning te ontvangen
In artikel 65 zijn de gevallen omschreven waarin een akte van erkenning in België kan worden opgesteld, te weten :

1° de persoon die de erkenning verricht, is Belg of heeft zijn woonplaats of gewone verblijfplaats in België bij het opstellen van de akte;
2° het kind is in België geboren; of
3° het kind heeft zijn gewone verblijfplaats in België bij het opstellen van de akte.

O. Overgangsbepalingen

De overgangsbepalingen staan vermeld in de artikelen 126 en 127. De overgangsbepalingen die van belang zijn voor de ambtenaren van de burgerlijke stand worden hierna vermeld.

O.1. Internationale bevoegdheid

- De artikelen inzake de internationale bevoegdheid van overheden zijn van toepassing op akten opgesteld na de inwerkingtreding van deze wet.

Worden hier bedoeld de artikelen 36, tweede lid, 44, 59 en 65.

Alleen artikel 44 wijzigt de huidige situatie. In dit verband wordt eraan herinnerd dat krachtens deze bepaling het huwelijk in België kan worden voltrokken indien één van de toekomstige echtgenoten bij de voltrekking Belg is, zijn woonplaats in België heeft of sinds meer dan drie maanden zijn gewone verblijfplaats in België heeft.

In artikel 64 van het Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd door artikel 129 van het wetboek, is overigens bepaald dat het huwelijksdossier in voorkomend geval een bewijs van de gewone verblijfplaats sinds meer dan drie maanden moet bevatten.

Hoewel die bepalingen normaal gezien slechts betrekking zullen hebben op zeer uitzonderlijke gevallen, bestaat de mogelijkheid dat een aangifte van huwelijk met betrekking tot een toekomstige echtgenoot die zich niet kan beroepen op de Belgische nationaliteit of een woonplaats in België, voor 1 oktober 2004 werd aanvaard zonder dat werd verzocht om dat bewijs van de gewone verblijfplaats in België sinds meer dan drie maanden. In een dergelijk geval - dat zoals reeds gesteld zeer uitzonderlijk zal zijn - moet de ambtenaar van de burgerlijke stand nagaan of de voorwaarden voor zijn internationale bevoegdheid op de datum van de huwelijksvoltrekking vervuld zijn. In voorkomend geval worden de toekomstige echtgenoten gecontacteerd teneinde voor de voltrekking een datum te bepalen die de mogelijkheid biedt de wettelijke voorschriften in acht te nemen.

O.2. Erkenning

- De artikelen betreffende de uitwerking van buitenlandse rechterlijke beslissingen en authentieke akten zijn van toepassing op de beslissingen en akten die na de inwerkingtreding van deze wet tot stand zijn gekomen.

Een beslissing of akte die voor de inwerkingtreding van deze wet tot stand is gekomen, kan echter gevolgen hebben in België indien zij aan de voorwaarden van deze wet voldoet.

Inzonderheid de artikelen 23 tot 25, 27 en 31 zijn dus van toepassing op buitenlandse rechterlijke beslissingen en authentieke akten die na 1 oktober 2004 tot stand zijn gekomen. In geval van buitenlandse rechterlijke beslissingen of buitenlandse authentieke akten van voor 1 oktober 2004 moet een onderscheid worden gemaakt :

- indien zij beantwoorden aan de vereisten van de nieuwe wet, kunnen zij worden erkend. Het geval dat wordt bedoeld is dat van een beslissing of een akte die op grond van de oude wet niet had kunnen worden erkend, maar op grond van de nieuwe wel. In dat geval is erkenning mogelijk. Als voorbeeld kan gewag worden gemaakt van het geval van een akte van verandering van naam in het buitenland waarbij aan een Belgisch onderdaan een naam wordt toegekend die overeenstemt met de regels betreffende de vaststelling van de naam van toepassing in de lidstaat van de Europese Unie waarvan de persoon eveneens de nationaliteit bezit (artikel 39, 1°);

- indien daarentegen de voorwaarden van het wetboek strikter zijn dan die van de oude wet, kunnen zij worden erkend onder de voorwaarden van de oude wet. Zulks geldt inzonderheid voor de akten van verstoting van voor 1 oktober 2004, die kunnen worden erkend onder de voorwaarden die golden tot de inwerkingtreding van het wetboek, zoals nader toegelicht in de rechtspraak. De ambtenaren van de burgerlijke stand moeten tevens voor dergelijke akten een beroep doen op de circulaires die tot op heden van kracht zijn.

- In afwijking van het voorgaande, kan een huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht vanaf 1 juni 2003 gevolgen hebben in België, indien het huwelijk voldoet aan de voorwaarden van deze wet.

Een in het buitenland gesloten huwelijk waarbij een persoon is betrokken van wie het personeel statuut het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht verbiedt, kan dus worden erkend in België vanaf de datum van het huwelijk, zonder dat de erkenning evenwel kan terugwerken tot vóór 1 juni 2003.

Zo moet een in Nederland gesloten huwelijk tussen een Nederlander en een Belg tussen 1 april 2001 (datum van inwerkingtreding van de Nederlandse wet van 21 december 2000) en 1 juni 2003 (datum van inwerkingtreding van de Belgische wet van 13 februari 2003) in België worden erkend vanaf 1 juni 2003.

0.3. Conflictenrecht

- De wet bepaalt het recht dat van toepassing is op de rechtshandelingen en rechtsfeiten die zich voordoen na de inwerkingtreding ervan en, behoudens niet relevante uitzonderingen inzake persoonlijk statuut, op de gevolgen die na de inwerkingtreding ervan voortvloeien uit een rechtshandeling die of een rechtsfeit dat voor de inwerkingtreding ervan heeft plaatsgevonden.
In verband met wetsconflicten huldigt het Wetboek het beginsel van de onmiddellijke toepassing van de nieuwe bepalingen op toekomstige handelingen en feiten, alsook op de toekomstige gevolgen van vroegere handelingen en feiten.

Daaruit volgt dat in geval van een voor 1 oktober 2004 geboren kind en een aangifte van geboorte na 1 oktober 2004, op de vaststelling van de afstamming de oude wet moet worden toegepast (te weten in beginsel het nationaal recht van het kind).

- Artikel 46, tweede lid, is van toepassing op het huwelijk dat is aangegaan vanaf 1 juni 2003.

Aldus huldigt het Wetboek de rechtsgeldigheid a posteriori van de in België sedert 1 juni 2003 voltrokken huwelijken tussen personen van hetzelfde geslacht door een bepaling van buitenlands recht die een dergelijk huwelijk verbiedt, buiten beschouwing te laten.

- De artikelen 62 tot 64 zijn van toepassing op vorderingen ingesteld na de inwerkingtreding van de wet. Zij hebben evenwel geen invloed op een voor die dag geldig vastgestelde afstammingsband.

De nieuwe regels inzake conflictenrecht zijn dus van toepassing op de na 1 oktober 2004 ingestelde rechtsvorderingen in verband met de vaststelling en de betwisting van vaderschap en van moederschap. Zij kunnen evenwel niet een afstammingsband ter discussie stellen die voor die datum rechtsgeldig zou zijn vastgesteld op grond van de oude wet. Indien derhalve een buitenhuwelijkse afstamming rechtsgeldig werd vastgesteld voor de inwerkingtreding van de wet op grond van het nationaal recht van het kind, kan deze afstamming na 1 oktober 2004 niet ter discussie worden gesteld op grond van het nationaal recht van de verwekker van het kind.

P. Opgeheven bepalingen

De aandacht wordt nogmaals gevestigd op de opheffing van de artikelen 3, 15, 47, 170, 170ter en 171 van het Burgerlijk Wetboek die ingevolge de goedkeuring van het Wetboek van internationaal privaatrecht zinloos zijn geworden.

De Minister van Justitie,
Mevr. L. ONKELINX

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:14
Laatst aangepast op: vr, 14/07/2017 - 10:41

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.