-A +A

interpretatieve wet

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

De wet die betreffende een punt waar de rechtsregel onzeker of betwist is, een oplossing geeft die door de rechtspraak had kunnen worden aangenomen, is een interpretatieve wet. Een interpretatieve wet kan de geïnterpreteerde wet evenwel onmogelijk wijzigen, opheffen of aanvullen. Ze kan tevens niet aan een begrip met een algemene draagwijdte een verschillende betekenis geven naar gelang van de materie waarin het wordt toegepast.

Wanneer een nieuwe wet aan een begrip een verschillende betekenis geeft van een begrip omschreven in een oude wet maakt deze nieuwe wet geen interpretatieve wetsbepaling (Cassatie 17 januari 2008).

Het behoort tot het wezen van een interpretatieve wet dat zij terugwerkt tot op de datum van inwerkingtreding van de wetsbepalingen die zij interpreteert. Een interpretatieve wet is immers een wet die aan een wetsbepaling de betekenis geeft die zij, volgens de wetgever, reeds bij de aanneming ervan zou moeten hebben gekregen.

De principiële niet-retroactiviteit van wetten is een waarborg ter voorkoming van rechtsonzekerheid. Die waarborg vereist dat de inhoud van het recht voorzienbaar en toegankelijk is, zodat eenieder in redelijke mate de gevolgen van een bepaalde handeling kan voorzien op het tijdstip dat die handeling wordt verricht. Die waarborg zou niet kunnen worden omzeild door het enkele feit dat een wet met terugwerkende kracht als een interpretatieve wet zou worden voorgesteld. Het Grondwettelijk Hof zou zich dus niet ervan kunnen ontslaan te onderzoeken of een als interpretatief gekwalificeerde wet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Onder voorbehoud van de in het strafrecht van toepassing zijnde regels en van de eerbied voor de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissingen, is de terugwerkende kracht die het gevolg is van een interpretatieve wetsbepaling gerechtvaardigd in zoverre de geïnterpreteerde bepaling vanaf haar oorsprong redelijkerwijze niet anders kon worden begrepen dan is aangegeven in de interpretatieve bepaling.

Wanneer dit niet het geval is, is de zogenoemde interpretatieve bepaling in werkelijkheid een zuiver retroactieve bepaling en kan de terugwerkende kracht ervan enkel worden verantwoord wanneer wordt voldaan aan de voorwaarden waaraan de geldigheid van een dergelijke bepaling is onderworpen.

Een interpretatieve wettelijke bepaling [is] gerechtvaardigd in zoverre de geïnterpreteerde bepaling vanaf haar oorsprong redelijkerwijze niet anders kon worden begrepen dan is aangegeven in de interpretatieve bepaling.

De wetgever kan, via een interpretatieve bepaling, de toepassingsvoorwaarden van een wetsbepaling preciseren.
Wanneer een interpretatieve bepaling aan de geïnterpreteerde bepaling de betekenis verleent die ze geacht wordt te hebben gehad van bij het ontstaan, kan die interpretatie echter niet leiden tot het creëren van een onderscheid in de betekenis van de bepaling naar gelang van de toepassingsfeer ervan.

De terugwerkende kracht van wetsbepalingen, die van die aard is dat zij rechtsonzekerheid in het leven kan roepen, kan enkel worden verantwoord wanneer zij onontbeerlijk is voor de goede werking of de continuïteit van de openbare dienst.
Indien bovendien blijkt dat de terugwerkende kracht van de wetskrachtige norm tot gevolg heeft dat de afloop van een of meer gerechtelijke procedures in een welbepaalde zin wordt beïnvloed of dat rechtscolleges verhinderd worden zich uit te spreken, vergt de aard van het in het geding zijnde beginsel dat uitzonderlijke omstandigheden of dwingende motieven van algemeen belang een verantwoording bieden voor dat optreden van de wetgever, dat ten nadele van een categorie van burgers inbreuk maakt op de jurisdictionele waarborgen die aan allen worden geboden.

zie ook: ARBITRAGEHOF arrest nr. 177/2005 van 7 december 2005

Wanneer een wetsbepaling onduidelijk is en op velerlei wijzen kan worden uitgelegd, kan de federale wetgever een interpretatieve wet uitvaardigen die tot doel heeft aan deze bepaling een eenduidige en algemeen geldende uitlegging te geven. 

Art. 84 van de Grondwet: “Alleen de wet kan een authentieke uitlegging van de wetten geven”.

O
ok de decreetgever kan een authentieke uitlegging van de decreten geven. Art. 133 van de Grondwet stelt: “Alleen het decreet kan een authentieke uitlegging van de decreten geven”.

Aangezien dit artikel voorkomt in een afdeling van de Grondwet over de bevoegdheden van de gemeenschappen, blijft de vraag of de gewestwetgever een authentieke uitlegging kan geven aan gewestelijke rechtsregels die hij uitvaardigt een strijdvraag. De Raad van State heeft besloten dat “bij de Grondwet aan de ordonnantiegever geen enkele bevoegdheid is verleend om van de ordonnanties een authentieke uitlegging te geven (...)”, arrest nr. 75.710 van 10 september 1998.

Het beroep op een interpretatieve wet of op een interpretatief decreet moet worden beperkt tot uitzonderlijke gevallen, zoals een onvoorziene ommekeer in de rechtspraak die ingaat tegen rechtmatige verwachtingen.

Rechtsleer: W. VERRIJDT, “De interpretatieve wet: retroactiviteit en rechtszekerheid”, T.B.P. 2007, 259-280.

In zijn arrest nr. 102/2006 van 21 juni 2006 heeft het Grondwettelijk Hof het volgende beslist:

“Het behoort tot het wezen van een interpretatieve wet dat, onder voorbehoud van het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel, zij terugwerkt tot op de datum van inwerkingtreding van de wetsbepalingen die zij interpreteert.

Een interpretatieve wet is immers een wet die aan een wetsbepaling de betekenis geeft die de wetgever bij de aanneming ervan heeft willen geven en die zij redelijkerwijze kon krijgen.

Een interpretatieve wet vermag evenwel geen afbreuk te doen aan in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissingen.

De waarborg van de niet-retroactiviteit van de wetten zou niet kunnen worden omzeild door het enkele feit dat een wet met terugwerkende kracht als een interpretatieve wet zou worden voorgesteld.”

Uit dit arrest leidt de Raad van State af:

a) opdat de wet of het decreet interpretatief kan worden beschouwd, moet de geïnterpreteerde bepaling een betekenis geven die zij oorspronkelijk redelijkerwijze kon krijgen;

b) wanneer aan een bepaling van een wet of van een decreet een betekenis wil geven worden die zij oorspronkelijk redelijkerwijze niet kon hebben, wordt geen interpretatieve wet of interpretatief decreet opgesteld, maar veeleer een wijzigingswet of -decreet;

c) Een wijzigingswet of -decreet met terugwerkende kracht voor onder het mom van een interpretatieve wet of een interpretatief decreet is uit den boze.

Wetten en decreten die deze beginselen niet in acht nemen, of die niet voldoen aan de vereisten inzake de toelaatbaarheid van terugwerkende kracht, lopen het risico te worden vernietigd of ongrondwettig te worden verklaard door het Grondwettelijk Hof wegens schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.





 

Nog dit: 

Cassatie 07/04/2016, juridat

Samenvatting

Een interpretatieve wet is een wet die betreffende een punt waar de rechtsregel onzeker of betwist is een oplossing geeft die door de rechtspraak had kunnen worden aangenomen; wanneer een interpretatieve wet de draagwijdte van een wetsbepaling verduidelijkt, belet dit niet dat de rechter vaststelt dat een concrete toestand ook voor de interpretatieve wet reeds met zekerheid onder het toepassingsgebied van de geïnterpreteerde wet viel.

Artikel 22 van het decreet van 19 december 2008 waarbij aan artikel 253, vierde lid, WIB92 een zin werd toegevoegd ter precisering van de leasingsovereenkomsten die krachtens deze bepaling voor vrijstelling van onroerende voorheffing in aanmerking komen, is een interpretatieve wet zoals blijkt uit de parlementaire voorbereiding van dat decreet.

Tekst arrest

Nr. F.14.0097.N
ALTERIS nv, met zetel te 1000 Brussel, Muntcentrum 1,
eiseres,

tegen
VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, in de per-soon van de minister-president, met kabinet te 1000 Brussel, Martelaarsplein 19, voor wie optreedt de Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimte-lijke Ordening en Sport, met kantoor te 1030 Schaarbeek, Koning Albert II-laan 19,
verweerder,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 11 februari 2014.

II. CASSATIEMIDDEL
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Artikel 253, eerste lid, WIB92, zoals van toepassing in het Vlaams Gewest, bepaalt dat het kadastraal inkomen van de daarin opgesomde onroerende goederen wordt vrijgesteld van de onroerende voorheffing.

Artikel 253, vierde lid, WIB92, zoals ingevoegd door artikel 90 van het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994, bepaalde, in de versie voor de wijziging ervan bij decreet van 19 december 2008 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2009, dat de in het eerste lid onder 1°, 1°bis, 2° en 3°, bedoelde vrijstelling evenzeer wordt verleend wanneer het betreffend onroerend goed het voorwerp uitmaakt van een financie-ring door middel van financiële leasing of huurkoop met uitgestelde eigendoms-overdracht voor de duur van de overeenkomst.

Bij artikel 22 van het voormelde decreet van 19 december 2008 werd aan artikel 253, vierde lid, WIB92 de volgende zin toegevoegd: "Onder deze overeenkomsten worden zowel de leasingovereenkomsten zoals omschreven in artikel 44, § 3, 2), b, van het Btw-Wetboek, als de leasingovereenkomsten die beantwoorden aan de omschrijving opgenomen in de uitvoeringsbesluiten van het Wetboek van Ven-nootschappen, begrepen."

Artikel 96 van dit decreet bepaalt dat artikel 22 uitwerking heeft vanaf 1 januari 2008.

2. Uit de parlementaire voorbereiding van het decreet van 19 december 2008 blijkt dat de decreetgever met de toevoeging van de voormelde zin heeft willen verduidelijken dat de vrijstelling van onroerende voorheffing geldt zowel wanneer het onroerend goed het voorwerp uitmaakt van een financiële leasing zoals bedoeld in het Btw-wetboek, als wanneer de overeenkomst beantwoordt aan de om-schrijving van een dergelijke overeenkomst in het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van Vennootschappen, welke ruime interpretatie volgens die-zelfde parlementaire voorbereiding volledig in lijn ligt met de visie van de decreetgever bij de invoering van het vierde lid van artikel 253 WIB92 bij decreet van 22 december 1993.

Artikel 22 van het decreet van 19 december 2008 is dan ook een interpretatieve wet, namelijk een wet die betreffende een punt waar de rechtsregel onzeker of betwist is, een oplossing geeft die door de rechtspraak had kunnen worden aange-nomen.

Artikel 96 van het decreet van 19 december 2008, dat bepaalt dat artikel 22 uit-werking heeft vanaf 1 januari 2008, ontneemt aan artikel 22 niet zijn aard van interpretatieve wetsbepaling.

3. Het onderdeel dat gesteund is op de rechtsopvatting dat artikel 22 van het decreet van 19 december 2008 artikel 253, vierde lid, WIB92 met terugwerkende kracht heeft gewijzigd, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

4. Een interpretatieve wet is een wet die betreffende een punt waar de rechts-regel onzeker of betwist is een oplossing geeft die door de rechtspraak had kunnen worden aangenomen.

Wanneer een interpretatieve wet de draagwijdte van een wetsbepaling verduide-lijkt, belet dit niet dat de rechter vaststelt dat een concrete toestand ook voor de interpretatieve wet reeds met zekerheid onder het toepassingsgebied van de geïnterpreteerde wet viel.

5. Het onderdeel dat aanvoert dat de toevoeging aan het vierde lid van artikel 253 WIB92 van een interpretatieve bepaling uitwijst dat de uitkomst van een eventueel bezwaar tegen de aanslag in de onroerende voorheffing onder gelding van de vroegere tekst onzeker was, dat de appelrechters bijgevolg niet naar recht konden beslissen dat het bezwaar tot vrijstelling van de onroerende voorheffing zou hebben geleid en hun beslissing dat een interpretatieve wet geen nieuw feit is dat een ambtshalve ontheffing toelaat bijgevolg evenmin naar recht verantwoord is, kan niet worden aangenomen.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiseres op 207,61 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer,in openba-re rechtszitting van 7 april 2016 uitgesproken


VOORZIENING IN CASSATIE

VOOR: De naamloze vennootschap ALTERIS, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Muntcentrum 1, met onderne-mingsnummer 0474.218.449,
Eiseres in cassatie,

TEGEN: Het VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Rege-ring in de persoon van de Vlaamse Minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport, met kantoor te 1210 Brussel, Koning Albert II-laan 19,

Verweerder in cassatie,

 

Aan de Heren Eerste Voorzitter en Voorzitter van het Hof van Cassatie,
Aan de Dames en Heren raadsheren in het Hof van Cassatie,
Hooggeachte Dames en Heren,

Eiseres dient cassatieberoep in tegen het arrest door het hof van beroep te Gent (fiscale vijfde kamer) uitgesproken op 11 februari 2014 (A.R. 2012/AR/2701).

 

De feiten en rechtspleging kunnen als volgt worden samengevat.

De naamloze vennootschap De Post (nu ‘bpost') heeft als eigenaar een recht van opstal toegekend aan eiseres op twee terreinen met het oog op de oprichting van postsorteercentra. Eiseres heeft als opstalhouder postsorteercentra opgericht te Gent (Wondelgem - kadastrale legger 44074/10015) en te Antwerpen (kadastrale legger 11816/01174) en heeft deze aan De Post ter beschikking gesteld door middel van twee leasingovereenkomsten.

Als opstalhouder van deze terreinen kreeg eiseres twee aanslagen in de onroerende voorheffing voor het aanslagjaar 2008 voor een cumulatief bedrag van EUR 236.944,07.

Eiseres heeft deze aanslagen effectief betaald.

Op 18 december 2009 heeft eiseres een verzoek tot ontheffing van ambtswege (art. 376 WIB 1992) van beide aanslagen ingediend.

Dit verzoek was gebaseerd op artikel 253 WIB 1992, zoals van toepassing in het Vlaams Gewest, dat retroactief met ingang van 1 januari 2008 werd gewijzigd door artikel 22 van het decreet van 19 december 2008 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2009.

Eiseres voerde aan dat een wet die retroactief in werking treedt een nieuw feit uitmaakt in de zin van artikel 376 WIB 1992. Daarnaast voerde zij de onduidelijkheid van (oud) artikel 253 WIB 1992 aan. Noch in het WIB noch in de parlementaire voorbereiding werd immers verduidelijkt aan welke voorwaarden een leasing moest voldoen om een vrijstelling van onroerende voorheffing te kunnen genieten krachtens (oud) artikel 253 WIB 1992.

Bij beslissingen van 17 augustus 2010 werd de ontheffing van ambtswege geweigerd omdat er geen sprake zou zijn van een materiële vergissing, dubbele belasting of afdoende bevonden nieuwe bescheiden of feiten. De beslissingen bevatten geen verdere motivering.
Eiseres maakte de zaak daarop bij verzoekschrift van 16 november 2010 bij de rechter aanhangig.

Bij vonnis van 30 mei 2012 heeft de rechtbank van eerste Aanleg te Gent deze vordering ontvankelijk en gegrond verklaard.

De rechtbank oordeelde dat de interventie van een bevoegde fiscale overheid om een door haar gecreëerde juridische onduidelijkheid in haar regelgeving weg te werken door middel van de creatie van nieuwe regelgeving als een nieuw feit in de zin van artikel 376, § 1 WIB 1992 kan beschouwd worden.

Het hof van beroep te Gent verklaart op hoger beroep van verweerder de vordering van eiseres ontvankelijk maar ongegrond, hervormt bijgevolg het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg en veroordeelt eiseres in de gedingkosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en in hoger beroep begroot op 5500 EUR.

Tegen dit arrest voert eiseres één cassatiemiddel aan.

MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden wetsbepalingen:

- Artikel 133 van de Grondwet,

- De artikelen 253 en 376 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, gecoördineerd bij Koninklijk besluit van 10 april 1992 en bekrachtigd bij wet van 12 juni 1992 (hierna WIB 1992) in de versie van toepassing voor het Vlaams Gewest op het litigieuze aanslagjaar 2008,

- Artikel 7 van het Gerechtelijk Wetboek,

- De artikelen 90 en 109 van het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994 (hierna het decreet van 22 december 1993),

- De artikelen 22 en 96 van het decreet van 19 december 2008 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2009 (hierna het decreet van 19 december 2008),

Aangevochten beslissing:

Het hof van beroep verklaart het hoger beroep van verweerder ontvankelijk en gegrond, vernietigt het bestreden vonnis behoudens waar het de vordering van eiseres ontvankelijk verklaart en opnieuw recht doend verklaart het de vordering van eiseres ongegrond, op basis van de volgende overwegingen:

 

 

"3.3 Het recht op ambtshalve ontheffing

3.3.1 Artikel 376 WIB92 voorziet inzake de onroerende voorheffing voor het Vlaamse Gewest de mogelijkheid tot ambtshalve ontheffing onder andere in paragraaf 1 en dit in de volgende bewoordingen (met eigen onderstreping door het hof):

‘§1. De directeur der belastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar verleent ambtshalve ontheffing van de overbelastingen die voortvloeien uit materiële vergissingen, uit dubbele belasting, alsmede van die welke zouden blijken uit afdoende bevonden nieuwe bescheiden of feiten waarvan het laattijdig overleggen of inroepen door de belastingschuldige wordt verantwoord door gewettigde redenen en op voorwaarde dat:

1° die overbelastingen door de administratie werden vastgesteld of door de belastingschuldige of door zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevoerd, aan de administratie werden bekendgemaakt binnen drie jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin de belasting is gevestigd;

2° de aanslag niet reeds het voorwerp is geweest van een bezwaarschrift, dat aanleiding heeft gegeven tot een definitieve beslissing nopens de grond'.

3.3.2. De geïntimeerde voert als ‘nieuw feit' in de zin van artikel 376, §1 WIB92 de wijziging van artikel 253 WIB92 door artikel 22 van het decreet van 19 december 2008 aan, dat met name een aanvulling inlaste in het tweede lid van dat artikel.

De geïntimeerde beroept zich op een vrijstelling van onroerende voorheffing op grond van artikel 253, 1ste lid, 3° WIB92 dat met betrekking tot de onroerende voorheffing voor het Vlaamse Gewest als volgt luidt:

Van de onroerende voorheffing wordt het kadastraal inkomen vrijgesteld:

(...)

3° van onroerende goederen die de aard van nationale domeingoederen hebben, op zichzelf niets opbrengen en voor een openbare dienst of voor een dienst van algemeen nut worden gebruikt; de vrijstelling is van de drie voorwaarden samen afhankelijk.

(...)

Tot wijziging door het genoemde decreet van 19 december 2008 luidde het tweede lid van artikel 253 WIB92 als volgt:

‘De onder 1°, 1°bis, 2° en 3° bedoelde vrijstelling wordt evenzeer verleend wanneer het betreffend onroerend goed het voorwerp uitmaakt van een financiering door middel van financiële leasing of huurkoop met uitgestelde eigendomsoverdracht voor de duur van de overeenkomst.

Artikel 22 van het decreet van 19 december 2008 heeft dat tweede lid met de volgende zin aangevuld:

Onder deze overeenkomsten worden zowel de leasingovereenkomsten zoals omschreven in artikel 44, §3, 2), b, van het BTW-Wetboek, als de leasingovereenkomsten die beantwoorden aan de omschrijving opgenomen in de uitvoeringsbesluiten van het Wetboek van Vennootschappen, begrepen.

3.3.3. De geïntimeerde, daarin nochtans gevolgd door de eerste rechter ziet in die tussenkomst van de decreetgever ten onrechte een ‘nieuw feit' dat haar recht zou verlenen op ambtshalve ontheffing.

Ambtshalve ontheffing is een uitzonderingsmaatregel. Zij ondervangt gevallen waarin het de belastingplichtige redelijkerwijze niet mogelijk was om binnen de normale bezwaartermijn bezwaar in te dienen (en op die manier ontheffing te bekomen), onder andere omdat pas nadien bepaalde documenten of feiten opduiken. Dat is hier niet het geval.

De betreffende toevoeging van de tweede zin aan het tweede lid in artikel 253 WIB92 houdt immers een verduidelijking in van wat onder ‘financiering door middel van financiële leasing of huurkoop met uitgestelde eigendomsoverdracht voor de duur van de overeenkomst' moet worden verstaan.

Om hier van de ambtshalve ontheffing gebruik te kunnen maken, wil dat dan ook zeggen dat de geïntimeerde moet aantonen dat zij op basis van de wettekst van artikel 253, 2de lid WIB92 zoals hij bestond in de periode waarin de bezwaartermijn nog liep (respectievelijk tot vrijdag 8 augustus 2008 en woensdag 3 september 2008) geen recht op vrijstelling van de onroerende voorheffing voor het aanslagjaar 2008 kon inroepen.

Terecht stelt de appelante dat dit niet het geval is. Anders dan wat de geïntimeerde beweert, sluit de omschrijving in de eerste zin van het tweede lid van artikel 253 WIB92 (waartoe dat tweede lid vóór de aanvulling bij decreet van 19 december 2008 beperkt was), de vrijstelling van onroerende voorheffing ingeval van operationele leasing niet uit. Naast financiële leasing is ook ‘huurkoop met uitgestelde eigendomsoverdracht voor de duur van de overeenkomst' voorzien. Het betreft een algemene, ruime omschrijving die de operationele leasing zoals omschreven in de door de geïntimeerde met de Post nv gesloten overeenkomsten, insluit.

Zelfs wanneer moet aangenomen worden dat de bepaling niet overliep van duidelijkheid, dan blijkt dat ze bij de aanvulling door artikel 22 van het decreet van 19 december 2008 ongewijzigd bleef staan; de aanvulling legt uit hoe die bepaling moet worden begrepen, wat op zich impliceert dat ze zowel de definiëring uit artikel 44, §3, 2) WBTW als deze uit de uitvoeringsbesluiten van het Wetboek van Vennootschappen omvatte en dus zowel op financiële als operationele leasing betrekking had.

De geïntimeerde kon dus als lessor op basis van de toen geldende tekst binnen de normale bezwaartermijn bezwaar indienen om vrijstelling van de onroerende voorheffing te vragen.
Artikel 22 van het decreet van 19 december 2008 was dus geen nieuw feit. De stelling van de geïntimeerde gaat uit van een scenario waarin de wettelijke regeling retroactief ‘gewijzigd' wordt, of waarin het Grondwettelijk Hof een wettekst ongrondwettelijk verklaart. Geen van deze scenario's doen zich hier voor.

De decreetgever is tussengekomen om de wettekst te verduidelijken (zie Verslag Commissie algemeen beleid, financiën en begroting, Gedr.St. Vl.Parl. 2008-2009, 1894/9, p.6: Er zijn in de wetgeving immers twee omschrijvingen van het begrip financiële leasing terug te vinden: één definitie is terug te vinden in de boekhoudwetgeving en één definitie wordt gegeven door de btw-wetgeving. Beide definities blijken subtiele verschillen te vertonen. Om verwarring te vermijden tussen de in subtiele details verschillende definities van leasing in de boekhoud- en de btw-wetgeving, wil de Vlaamse Regering met de voorliggende bepaling duidelijk maken dat het voor het behoud van de vrijstelling van de onroerende voorheffing geen belang heeft aan welke van de twee definities de financiële leasing beantwoordt). In het ontwerp van decreet zelf (Gedr.St. Vl.Parl. 2008-2009, 1894/1, p.8) is zelfs uitdrukkelijk vermeld dat het gaat om een precieze interpretatie te geven aan artikel 253, 2de lid WIB92. Er staat zelfs letterlijk: Deze ruime interpretatie ligt volledig in lijn met de visie van de decreetgever bij invoering van het tweede lid van artikel 253 met ingang van 1 januari 1994. De toevoeging aan het tweede lid van artikel 253 WIB92 is dus een interpretatieve wetsbepaling die slechts de tot dan toe bestaande tekst bevestigt.

Dat een wettekst onduidelijk is, belet niet dat de belastingplichtige er beroep kan op doen. Daarvoor was de betreffende tussenkomst van de decreetgever niet nodig.

Het gaat hier ook niet om het ‘vrijwaren van rechten door bezwaar in te dienen', hetzij in afwachting van een retroactieve wetswijziging (wat overigens nogal theoretisch is), hetzij om een ongrondwettelijkheid te kunnen aankaarten. Hier had het bezwaar op basis van de voorliggende wet tot vrijstelling van de onroerende voorheffing geleid.

Een verduidelijkende (interpretatieve) wet is geen nieuw feit in de zin van artikel 376 WIB92.
De oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde is dan ook ongegrond".
Grieven:

Eerste onderdeel: schending van artikel 133 van de Grondwet, van de artikelen 253 en 376 WIB 1992, van artikel 7 van het Gerechtelijk Wetboek, van de artikelen 90 en 109 van het decreet van 22 december 1993 en van de artikelen 22 en 96 van het decreet van 19 december 2008.

1. Volgens artikel 251 WIB 1992 is de onroerende voorheffing verschuldigd door de eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker van de belastbare goederen, volgens de regels bepaald door de Koning.

2. Artikel 253, eerste lid WIB 1992 biedt de (mogelijkheid tot) vrijstelling van het kadastraal inkomen van onroerende voorheffing.

Artikel 253, tweede lid WIB 1992, ingevoegd door artikel 90 van het decreet van 22 december 1993, luidt als volgt:

"De onder 1°, 1°bis, 2° en 3° bedoelde vrijstelling wordt evenzeer verleend wanneer het betreffend onroerend goed het voorwerp uitmaakt van een financiering door middel van financiële leasing of huurkoop met uitgestelde eigendomsoverdracht voor de duur van de overeenkomst."

Deze bepaling is op 1 januari 1994 in werking getreden, overeenkomstig artikel 109 van het decreet van 22 december 1993.

3. Door artikel 22 van het decreet van 19 december 2008 werd aan artikel 253 WIB 1992 na de zin "De onder 1°, 1°bis, 2° en 3°, bedoelde vrijstelling wordt evenzeer verleend wanneer het betreffend onroerend goed het voorwerp uitmaakt van een financiering door middel van financiële leasing of huurkoop met uitgestelde eigendomsoverdracht voor de duur van de overeenkomst" de volgende zin toegevoegd:

"Onder deze overeenkomsten worden zowel de leasingovereenkomsten zoals omschreven in artikel 44, § 3, 2), b, van het BTW-Wetboek, als de leasingovereenkomsten die beantwoorden aan de omschrijving opgenomen in de uitvoeringsbesluiten van het Wetboek van Vennootschappen, begrepen."

 

Overeenkomstig artikel 96 van het decreet van 19 december 2008 heeft artikel 22 uitwerking met ingang van 1 januari 2008.

4. Te dezen verwerpt het hof van beroep met hervorming van de beslissing van de eerste rechter het verzoek van eiseres tot ambtshalve ontheffing van de overbelasting die volgt uit een nieuw feit in de zin van art. 376, § 1 WIB 1992.

Volgens het hof van beroep doet het door eiseres uiteengezette scenario van een wettelijke regeling die retroactief gewijzigd wordt zich hier niet voor.

De decreetgever is naar het oordeel van het hof van beroep met artikel 22 van het decreet van 19 december 2008 slechts tussengekomen om de wettekst te verduidelijken door een toevoeging aan het tweede lid van artikel 253 WIB 1992 die moet worden beschouwd als een interpretatieve wetsbepaling die slechts de tot dan toe bestaande tekst bevestigt.

Zulke interpretatieve wet levert volgens het hof van beroep geen nieuw feit op in de zin van artikel 376 WIB 1992 (cf. folio 42066, laatste alinea en folio 42067, eerste tot vierde alinea van het arrest).

5. Volgens artikel 133 van de Grondwet kan alleen het decreet een authentieke uitlegging van de decreten geven.

Volgens artikel 7 van het Gerechtelijk Wetboek zijn de rechters gehouden zich naar de uitleggingswetten te gedragen in alle zaken waarin het rechtspunt niet definitief berecht is op het tijdstip waarop die wetten bindend worden.

Een interpretatieve wet of interpretatief decreet is een wet of een decreet waarin bepalingen van een vroegere wet of decreet worden uitgelegd omdat er onduidelijkheid bestaat over de juiste draagwijdte van de uit te leggen bepalingen.

Het behoort tot het wezen van een interpretatieve wet dat zij terugwerkt tot op de datum van inwerkingtreding van de wetsbepaling die hij interpreteert. Een interpretatieve wet is immers een wet die aan een wetsbepaling de betekenis geeft die hij, volgens de wetgever, van bij de aanneming ervan zou moeten hebben gekregen.

 

 

6. Aangezien de toevoeging door artikel 22 van het decreet van 19 december 2008 aan artikel 253 WIB 1992 slechts uitwerking kreeg met ingang van 1 januari 2008 en niet met ingang van 1 januari 1994, datum van inwerkingtreding van het tweede lid van artikel 253 WIB 1992 dat het beoogt te verduidelijken, verantwoordt het hof van beroep niet naar recht zijn beslissing dat hier sprake is van een interpretatieve bepaling en niet, zoals aangevoerd door eiseres, van een retroactieve wijziging van de wettelijke regeling.

De beslissing dat hier geen nieuw feit in de zin van artikel 376 WIB 1992 voorligt is dan ook niet naar recht verantwoord (schending van artikel 133 van de Grondwet, van de artikelen 253 en 376 WIB 1992, van artikel 7 van het Gerechtelijk Wetboek, van de artikelen 90 en 109 van het decreet van 22 december 1993 en van de artikelen 22 en 96 van het decreet van 19 december 2008).

Tweede onderdeel: schending van artikel 133 van de Grondwet, van de artikelen 253 en 376 WIB 1992, van artikel 7 van het Gerechtelijk Wetboek en van artikel 22 van het decreet van 19 december 2008.

7. Overeenkomstig artikel 376, § 1 WIB 1992 wordt ambtshalve ontheffing verleend van de overbelastingen die voortvloeien uit nieuwe feiten waarvan het laattijdig overleggen of inroepen door de belastingplichtige wordt verantwoord door gewettigde redenen.

Nieuwe feiten zijn feiten die een bewijs kunnen opleveren dat voordien niet is geleverd en die de belastingplichtige niet kon overleggen of aanvoeren voordat de termijnen van bezwaar of beroep waren verstreken.

8. Het hof van beroep verwerpt het verzoek van eiseres tot ambtshalve ontheffing van de overbelasting op grond van een nieuw feit in de zin van art. 376, § 1 WIB 1992.

Artikel 22 van het decreet van 19 december 2008 dat aan het tweede lid van artikel 253 WIB 1992 een zin toevoegt houdt volgens het hof van beroep slechts een verduidelijking in van wat onder financiering door middel van financiële leasing of huurkoop met uitgestelde eigendomsoverdracht voor de duur van de overeenkomst moet worden verstaan (folio 42066, eerste alinea).

 

 

De toevoeging aan het tweede lid van artikel 253 WIB 1992 is een interpretatieve wetsbepaling die slechts de tot dan toe bestaande tekst bevestigt. Hier had het bezwaar volgens het hof op basis van de voorliggende wet tot vrijstelling van de onroerende voorheffing geleid (cf. folio 42067, eerste en derde alinea).

9. Interpretatief in de zin van artikel 133 van de Grondwet is het decreet dat betreffende een punt waar de rechtsregel onzeker of betwist is, een oplossing geeft die door de rechtspraak had kunnen worden aangenomen. Het vervangt een rechtsonzekere toestand door een rechtszekere toestand, reden waarom dit interpretatief decreet vanaf de bekendmaking de rechter verplicht om de aan de geïnterpreteerde bepaling gegeven interpretatie toe te passen in alle gedingen waarvan het rechtspunt nog niet definitief is (art. 7 Ger. W.).

Het interpretatief decreet stelt een einde aan een toestand van rechtsonzekerheid.

10. Aangezien de toevoeging door artikel 22 van het decreet van 19 december 2008 aan artikel 253 WIB 1992 gebeurde om aan de heersende verwarring over de invulling van het begrip ‘financiële leasing' een einde te maken en de rechtszekerheid te herstellen (cf. toelichting door minister van financiën Van Mechelen bij art. 17 van het ontwerp van decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2009, Parl.St. Vl.Parl. 2008-09, nr. 1894/6, 6), verantwoordt het hof van beroep niet naar recht zijn beslissing dat het bezwaar op basis van de vigerende tekst van artikel 253 WIB 1992 hier ‘tot vrijstelling van de onroerende voorheffing had geleid'.

De toevoeging aan het tweede lid van artikel 253 WIB 1992 van een interpretatieve bepaling wijst integendeel uit dat de uitkomst van zulk bezwaar op basis van de vigerende tekst van artikel 253 WIB 1992 onzeker was.

Het besluit van het hof van beroep dat een interpretatieve wet geen nieuw feit oplevert dat ambtshalve ontheffing verantwoordt is dan ook niet naar recht verantwoord (schending van artikel 133 van de Grondwet, van de artikelen 253 en 376 WIB 1992, van artikel 7 van het Gerechtelijk Wetboek en van artikel 22 van het decreet van 19 december 2008).

 

 

 

Toelichting

Bij het eerste onderdeel:

Een interpretatieve wet moet uitwerking hebben vanaf de inwerkingtreding van de uitgelegde wet, dat is een wezenskenmerk van de interpretatieve wet (cf. GwH 7 december 2005, nr. 177/2005, overw. B.12.1 en B.12.4; Cass. 28 februari 2000, Arr.Cass. 2000, nr. 145; verder P. POPELIER, Toepassing van de wet in de tijd, in APR, Antwerpen, Kluwer, 1999, 100, nr. 155; W. VERRIJDT, "De interpretatieve wet: retroactiviteit en rechtszekerheid", TBP 2007, (259) 272, nr. 18).

Bij het tweede onderdeel:

Aan een interpretatieve wet of interpretatief decreet ligt rechtsonzekerheid ten grondslag.

De opvatting van het hof van beroep dat het bezwaar op basis van de vigerende tekst van artikel 253 WIB 1992 tot vrijstelling van onroerende voorheffing had geleid miskent die premisse (cf. Cass. 26 september 2005, Arr.Cass. 2005, (1731) 1739; Cass. 4 november 1996, Arr.Cass. 1996, 981 en 986; P. POPELIER, Toepassing van de wet in de tijd, in APR, Antwerpen, Kluwer, 1999, 99, nr. 152; W. VERRIJDT, "De interpretatieve wet: retroactiviteit en rechtszekerheid", TBP 2007, (259) 269).

BIJ DEZE BESCHOUWINGEN,

Besluiten ondergetekenden voor eiseres, dat het u, Hooggeachte Dames en Heren, behage, het bestreden arrest te vernietigen, de zaak en partijen te verwijzen naar een ander hof van beroep, over de kosten uitspraak te doen als naar recht.

Brussel, 6 juni 2014


F.14.0097.N
Conclusie van advocaat-generaal Thijs:

1. Als opstalhouder van twee terreinen die zij aan De Post ter beschikking stelde door middel van twee leasingovereenkomsten, kreeg eiseres twee aanslagen in de onroerende voorheffing voor het aanslagjaar 2008 voor een cumulatief bedrag van 236.944,07 euro , welke zij betaalde.

Op 18 december 2009 diende eiseres een verzoek in tot ontheffing van ambtswege van beide aanslagen op grond van art. 376 van het WIB92.

Dit verzoek was gebaseerd op artikel 253 WIB92, zoals van toepassing in het Vlaams Gewest, dat retroactief met ingang van 1 januari 2008 werd gewijzigd door artikel 22 van het decreet van 19 december 2008 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2009.

Eiseres voerde aan dat een wet die retroactief in werking treedt een nieuw feit uitmaakt in de zin van artikel 376 WIB92. Daarnaast voerde zij de onduidelijkheid van (oud) artikel 253 WIB92 aan. Noch in het WIB noch in de parlementaire voorbereiding werd immers verduidelijkt aan welke voorwaarden een leasing moest voldoen om een vrijstelling van onroerende voorheffing te kunnen genieten krachtens (oud) artikel 253 WIB92.

Bij beslissingen van 17 augustus 2010 werd de ontheffing van ambtswege geweigerd omdat er geen sprake zou zijn van een materiële vergissing, dubbele belasting of afdoende bevonden nieuwe bescheiden of feiten.

Bij vonnis van 30 mei 2012 heeft de rechtbank van eerste Aanleg te Gent het fiscaal verhaal van eiseres tegen deze beslissingen ontvankelijk en gegrond verklaard.

De rechtbank oordeelde dat de interventie van een bevoegde fiscale overheid om een door haar gecreëerde juridische onduidelijkheid in haar regelgeving weg te werken door middel van de creatie van nieuwe regelgeving als een nieuw feit in de zin van artikel 376, § 1 WIB92 kan beschouwd worden.

Het hof van beroep te Gent hervormde op hoger beroep van verweerder het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg en stelde eiseres in het ongelijk met veroordeling tot de gedingkosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en in hoger beroep.

2. In het eerste onderdeel van het enig middel komt eiseres op tegen de beslissing dat de toevoeging door artikel 22 van het decreet van 19 december 2008 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2009 aan artikel 253 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 een interpretatieve bepaling betreft, aangezien die toevoeging slechts uitwerking kreeg met ingang van 1 januari 2008, en niet met ingang van 1 januari 1994(1).

3. Artikel 253, eerste lid, WIB92, zoals van toepassing in het Vlaams Gewest, bepaalt dat het kadastraal inkomen van de in dat artikel opgesomde onroerende goederen worden vrijgesteld van de onroerende voorheffing.

Artikel 253, vierde lid, WIB92, zoals ingevoegd door artikel 90 van het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994, bepaalde dat de in het eerste lid onder 1°, 1°bis, 2° en 3°, bedoelde vrijstelling evenzeer wordt verleend wanneer het betreffend onroerend goed het voorwerp uitmaakt van een financiering door middel van financiële leasing of huurkoop met uitgestelde eigendomsoverdracht voor de duur van de overeenkomst.

Bij artikel 22 van het decreet van 19 december 2008 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2009, werd aan artikel 253, vierde lid, WIB92 de volgende zin toegevoegd:

"Onder deze overeenkomsten worden zowel de leasingovereenkomsten zoals omschreven in artikel 44, §3, 2), b, van het Btw-Wetboek, als de leasingovereenkomsten die beantwoorden aan de omschrijving opgenomen in de uitvoeringsbesluiten van het Wetboek van Vennootschappen, begrepen."

Artikel 22 trad in werking vanaf 1 januari 2008 overeenkomstig artikel 96 van het decreet.

4. In de memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2009 werd erop gewezen dat het begrip financiële leasing noch in het WIB 1992, noch in de parlementaire voorbereiding bij het decreet van 22 december 1993 expliciet werd gedefinieerd, alsook op het feit dat zowel het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van Vennootschappen als het BTW-Wetboek een definitie bevatten van financiële leasing. Omdat die beide omschrijvingen niet geheel gelijkluidend zijn, kon onduidelijkheid rijzen over de precieze interpretatie van de bij artikel 253, tweede lid, van het WIB 1992 bedoelde overeenkomsten, zodat de decreetgever ervoor gekozen heeft duidelijkheid te brengen:

"De hierbij voorgestelde aanvulling op het tweede lid van artikel 253 beoogt duidelijkheid: de vrijstelling wordt toegekend zowel wanneer het betreffend onroerend goed het voorwerp uitmaakt van de financiële leasing conform de btw-wetgeving, als wanneer de overeenkomst beantwoordt aan de omschrijving uit het btw-wetboek."

De decreetgever heeft voor de toekomst de onzekerheid willen wegnemen door uitdrukkelijk aan te geven dat de vrijstelling wordt toegekend zowel wanneer het betreffend onroerend goed het voorwerp uitmaakt van de financiële leasing conform de btw-wetgeving, als wanneer de overeenkomst beantwoordt aan de omschrijving uit het btw-wetboek.

De memorie van toelichting preciseert bovendien dat "deze ruime interpretatie volledig in lijn ligt met de visie van de decreetgever bij invoering van het tweede lid van artikel 253 met ingang van 1 januari 1994."(2)

Ook in het verslag namens de Commissie voor Algemeen Beleid, Financiën en Begroting wordt expliciet gesteld dat het gaat om een verduidelijking van het begrip financiële leasing(3).

"Artikel 17 verduidelijkt het begrip financiële leasing. Sinds het decreet van 1993 behouden goederen die in het Vlaams Gewest van onroerende voorheffing vrijgesteld zijn, bijvoorbeeld wanneer het om zogenaamde domeingoederen gaat, hun vrijstelling ook al maken ze het voorwerp uit van financiering door financiële leasing of huurkoop met uitgestelde eigendomsoverdracht.

Het begrip financiële leasing is een begrip dat tot verwarring aanleiding zou kunnen geven, zo blijkt uit enkele praktische toepassingsgevallen.

Er zijn in de wetgeving immers twee omschrijvingen van het begrip financiële leasing terug te vinden: één definitie is terug te vinden in de boekhoudwetgeving en één definitie wordt gegeven door de btw-wetgeving. Beide definities blijken subtiele verschillen te vertonen.

Om verwarring te vermijden tussen de in subtiele details verschillende definities van leasing in de boekhoud- en de btw-wetgeving, wil de Vlaamse Regering met de voorliggende bepaling duidelijk maken dat het voor het behoud van de vrijstelling van de onroerende voorheffing geen belang heeft aan welke van de twee definities de financiële leasing beantwoordt. Hiermee wordt duidelijkheid gecreëerd voor een aantal situaties, vooral pps-constructies (publiek-private samenwerking). De zekerheid over de fiscale vrijstelling kan immers een cruciale factor zijn voor het slagen van deze constructies."

5. Een interpretatieve wet is een wet die betreffende een punt waar de rechtsregel onzeker of betwist is een oplossing geeft die door de rechtspraak had kunnen worden aangenomen(4).

Zoals verweerder stelt in de memorie van antwoord, kan er op basis van de parlementaire stukken dan ook geen twijfel over bestaan dat de aanvulling van het vierde lid van artikel 253 van het WIB92 door artikel 22 van het decreet van 19 december 2008 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2009 een interpretatieve bepaling is.

6. De loutere omstandigheid dat de decreetgever bij artikel 96 van het decreet van 19 december 2008 artikel 22 in werking heeft laten treden met ingang van 1 januari 2008, doet aan het voorafgaande en aan de aard van de bepaling m.i. geen afbreuk, ook al had een dergelijke bepaling geen enkele zin.

De uitleggingswet vormt immers één geheel met de uitgelegde wet, die geacht wordt de interpretatieve draagkracht te hebben sinds haar inwerkingtreding, voor zover er in een geschil niet definitief over werd beslist.

Het onderdeel, dat ervan uitgaat dat artikel 22 van het decreet van 19 december 2008 geen interpretatieve bepaling is maar artikel 253, vierde lid, WIB92 met terugwerkende kracht heeft gewijzigd, berust op een onjuiste rechtsopvatting en faalt dienvolgens naar recht.

7. In het tweede onderdeel komt eiseres op tegen de beslissing van het hof van beroep dat een interpretatieve wet geen nieuw feit oplevert dat ambtshalve ontheffing verantwoordt(5).

De eiseres voert daarbij aan dat, aangezien de toevoeging door artikel 22 van het decreet van 19 december 2008 aan artikel 253 van het WIB 1992 gebeurde om aan de heersende verwarring over de invulling van het begrip "financiële leasing" een einde te maken en de rechtszekerheid te herstellen, het hof van beroep zijn beslissing niet naar recht verantwoordt dat het bezwaar op basis van de vigerende tekst van artikel 253 van het WIB 1992 tot vrijstelling van de onroerende voorheffing had geleid.

8. Wanneer een interpretatieve wet de draagwijdte van een wetsbepaling verduidelijkt, belet dit niet dat de rechter vaststelt dat een concrete feitelijke situatie ook vóór de interpretatieve wet reeds met zekerheid onder het toepassingsgebied van de geïnterpreteerde wet viel.

Dit is precies wat het hof van beroep heeft gedaan, waar het nagaat of zij in het concrete voorliggende geval, op basis van de wettekst van artikel 253 van het WIB92 vóór diens aanvulling bij het decreet van 19 december 2008, vrijstelling van de voorheffing kon vragen.

Het hof van beroep oordeelt op dit punt dat er geen twijfel over bestaat dat de operationele leasing zoals omschreven in de door de eiseres met de nv De Post gesloten overeenkomst ook vóór de inwerkingtreding van het interpretatieve decreet als een financiële leasing of huurkoop met uitgestelde eigendomsoverdracht voor de duur van de overeenkomst zou zijn beschouwd, zodat tot een vrijstelling van de onroerende voorheffing zou zijn beslist.

Het tweede onderdeel kan dan ook niet worden aangenomen.

Besluit: VERWERPING.
______________________
(1) Voorziening, 9de blad, bovenaan.
(2) Memorie van toelichting, Parl. St., stuk 1894 (2008-2009) - nr. 1, p. 8, tekstmarkering toegevoegd.
(3) Parl. St., stuk 1894 (2008-2009) - nr. 6, p. 6, tekstmarkering toegevoegd.
(4) Cass. 17 februari 2000, AR F.96.0090.N, AC 2000, nr. 134; Cass. 4 november 1996, AR C.93.0235.N, AC 1996, nr. 483; Cass. 6 september 2012, F.11.0134.F, AC 2012, nr. 451.
(5) Voorziening, 10de blad, onderaan.
 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:14
Laatst aangepast op: zo, 07/05/2017 - 11:53

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.