-A +A

Instellen van een vordering die niet onderbouwd is met dienstige stukken recht op maximum rechtsplegingsvergoeding

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg Burgerlijke rechtbank
Plaats van uitspraak: Dendermonde
Datum van de uitspraak: 
din, 26/07/2016

Het innemen van standpunten op omstandige wijze uiteengezet onderbouwd met dienstige stukken maakt het bewijs uit dat er niet onredelijk werd geprocedeerd. Dat deze argumenten en stukken de rechtbank niet overtuigd hebben, is een ander debat.In dit geval kan er geen verhoogde of een maximumrechtsplegingsvergoeding worden toegekend, laat staan een vordering worden toegekend wegens tergend en roekeloos geding

Het innemen van standpunten die dan wel vaag en onsamenhangend zijn en niet of onvoldoende  onderbouwd met dienstige stukken.is een kennelijk onredelijke wijze van procesvoering die aldus een maximumrechtsplegingsvergoeding kan wettigen.

Het “kennelijk onredelijk karakter” waarvan sprake in art. 1022 Ger.W. kan dus geen betrekking hebben op het feit van de procesvoering – waarvoor immers de schadevergoedingsaanspraak op grond van tergend en roekeloos geding openstaat – maar wel en enkel op de wijze van de procesvoering. Het is immers de wijze van procesvoering die bijzondere – onredelijke – kosten van verdediging – voorwerp van de vordering op grond van art. 1022 Ger.W. – doet ontstaan (of niet).

uittreksel uit het gerechtelijk wetboek:

 

Art. 1022. De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.

Na het advies te hebben ingewonnen van de Orde van Vlaamse Balies en van de Ordre des barreaux francophones et germanophone, stelt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de basis-, minimum- en maximumbedragen vast van de rechtsplegingsvergoeding, onder meer in functie van de aard van de zaak en van de belangrijkheid van het geschil.

Op verzoek van een van de partijen, dat in voorkomend geval wordt gedaan na ondervraging door de rechter, kan deze bij een met bijzondere redenen omklede beslissing ofwel de vergoeding verminderen, ofwel die verhogen, zonder de door de Koning bepaalde maximum- en minimumbedragen te overschrijden. Bij zijn beoordeling houdt de rechter rekening met : <W 2008-12-22/39, art. 2, 101; Inwerkingtreding : 22-01-2009>
- de financiële draagkracht van de verliezende partij, om het bedrag van de vergoeding te verminderen;
- de complexiteit van de zaak;
- de contractueel bepaalde vergoedingen voor de in het gelijk gestelde partij;
- het kennelijk onredelijk karakter van de situatie.

Indien de in het ongelijk gestelde partij van de tweedelijns juridische bijstand geniet, wordt de rechtsplegingsvergoeding vastgelegd op het door de Koning vastgestelde minimum, tenzij in geval van een kennelijk onredelijke situatie. De rechter motiveert in het bijzonder zijn beslissing op dat punt.

Wanneer meerdere partijen de rechtsplegingsvergoeding ten laste van dezelfde in het ongelijk gestelde partij genieten, bedraagt het bedrag ervan maximum het dubbel van de maximale rechtsplegingsvergoeding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen aanspraak kan maken. Ze wordt door de rechter tussen de partijen verdeeld.

Geen partij kan boven het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding worden aangesproken tot betaling van een vergoeding voor de tussenkomst van de advocaat van een andere partij.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
1666
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

T.K. t/ O.A.

III. Gronden van het vonnis

...

III.2. Gegrondheid van de vorderingen

...

De vordering van eiseres is ongegrond.

3.6. Dat de vordering van eiseres is “uitgedoofd”, is de enige juridische realiteit die de rechtbank in deze kan vaststellen.

3.7. De rechtbank verwerpt eveneens de vordering van verweerder tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding.

Het is niet omdat een vordering ongegrond is, dat zij tergend en roekeloos is.

Indien verweerder meent dat de vordering tergend en roekeloos is, dient hij dit bijzonder aan te tonen. Het gaat niet op zonder meer te stellen dat een ongegronde vordering “eerrovend” zou zijn, nu het eenieders recht is zijn (vermeende) recht door een rechtbank te laten beoordelen. Verweerder dient de bijzondere intentie die de tergende en roekeloze vordering kenmerkt aan te tonen en een onderliggend geschil tussen eiseres en haar vader – dat niet wordt aangetoond – doet misschien tot een roekeloos karakter van de vordering besluiten, maar niet onmiddellijk tot een tergend karakter ervan.

Het al dan niet tergende of roekeloze karakter van de procedure kan trouwens niet los gezien worden van de eventuele fout van de advocaat zijn cliënt af te dekken in de afwikkeling van een procedure.

Indien de rechtbank moet oordelen dat een vordering tergend en roekeloos is, dient de rechtbank in wezen – en onderliggend – te oordelen dat het advies van de betrokken advocaat – de zaak toch op te starten dan wel op de welbepaalde manier voort te zetten – verkeerd was, zelfs van die aard dat een normaal en voorzichtig persoon – a fortiori een specialist, zoals een advocaat – nooit deze zaak zou hebben gevoerd, toch niet op die manier.

De raadsman van eiseres is evenwel geen partij in het geding, zodat te haren aanzien expliciet noch impliciet uitspraken kunnen worden gedaan. Haar adviezen aan haar cliënte vallen bovendien op het eerste gezicht onder het beroepsgeheim, alleszins zijn zij niet aan de rechtbank voorgelegd.

Het zou nogal gemakkelijk zijn de gevolgen van positieve adviezen af te schuiven op de cliënt onder dekking van het beroepsgeheim en dus de cliënt financieel te laten opdraaien voor fouten in de adviesverlening. Het is – omgekeerd – strijdig met de mensenrechten een advocaat op impliciete wijze een fout in zijn adviesverlening aan te wrijven zonder dat hij zich hieromtrent zou kunnen verdedigen.

...

VI. Gerechtskosten

...

6.2. Eiseres is verliezende partij en dient dus de kosten van de procedure te dragen. In de mate deze door verweerder werden opgelopen, dient zij deze te vergoeden.

Dat ook verweerder werd afgewezen van zijn vordering, is van ondergeschikt belang: zijn vordering is immers de vordering wegens tergend en roekeloos geding, die geen zelfstandige vordering, maar slechts een gevolgtrekking van de excepties ten gronde uitmaakt.

6.3. Verweerder vordert toepassing van de verhoging van de rechtsplegingsvergoeding zoals bepaald in art. 1022 Ger.W. en beroept zich hierbij op het “kennelijk onredelijk karakter van de zaak”. Hij laat gelden dat het gebrek aan ernst van eiseres hem te betrekken bij een geschil dat zij in wezen met haar vader heeft, beantwoordt aan dit criterium.

De rechtbank oordeelt dat indien de wetgever de bedoeling zou hebben met het “kennelijk onredelijk karakter van de situatie” een bestraffende werking te verlenen aan de bepaling van de rechtsplegingsvergoeding in haar omvang, de wetgever twee sancties tegelijk hanteert voor tergende en roekeloze procesvoering. Verweerder laat de twee sanctiemechanismen ook tegelijk gelden en schakelt de toekenningsvoorwaarden voor de beide sanctiemechanismen ook uitdrukkelijk gelijk.

De rechtbank ziet evenwel niet in hoe de schade die een partij lijdt uit onbehoorlijke procesvoering twee keer aanleiding zou kunnen geven tot een vergoedingsaanspraak. Het “kennelijk onredelijk karakter” waarvan sprake in art. 1022 Ger.W. kan dus geen betrekking hebben op het feit van de procesvoering – waarvoor immers de schadevergoedingsaanspraak op grond van tergend en roekeloos geding openstaat – maar wel en enkel op de wijze van de procesvoering. Het is immers de wijze van procesvoering die bijzondere – onredelijke – kosten van verdediging – voorwerp van de vordering op grond van art. 1022 Ger.W. – doet ontstaan (of niet).

De rechtbank oordeelt dat eiseres op geen enkele wijze op kennelijk onredelijke wijze geprocedeerd heeft, want zij heeft haar standpunten op omstandige wijze uiteengezet en onderbouwd met dienstige stukken. Dat deze argumenten en stukken de rechtbank niet overtuigd hebben, is een ander debat.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 12/06/2017 - 17:13
Laatst aangepast op: ma, 12/06/2017 - 17:16

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.