-A +A

Informanten als bijzondere opsporingsmethode, rechtsleer, rechtspraak en commentaar

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Onderafdeling 5. - <Ingevoegd bij W 2003-01-06/34, art. 4; Inwerkingtreding : 22-05-2003> Informantenwerking.

Art. 47decies. <Ingevoegd bij W 2003-01-06/34, art. 4; Inwerkingtreding : 22-05-2003>

§ 1. Informantenwerking in de zin van dit wetboek is het onderhouden van regelmatige contacten door een politieambtenaar met een persoon, informant genoemd, waarvan vermoed wordt dat hij nauwe banden heeft met één of meerdere personen, waarvan er ernstige aanwijzingen zijn dat ze strafbare feiten plegen of zouden plegen, en die de politieambtenaar hierover, al dan niet gevraagd, inlichtingen en gegevens verstrekt. Deze politieambtenaar wordt contactambtenaar genoemd.

§ 2. Binnen de directie, die deel uitmaakt van de algemene directie van de gerechtelijke politie van de federale politie en die belast is met de opdracht bedoeld in artikel 102, 5°, van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst gestructureerd op twee niveaus, wordt een officier belast met het nationaal beheer van de informantenwerking binnen de geïntegreerde politiedienst gestructureerd op twee niveaus. Deze officier, nationale informantenbeheerder genoemd, kan zich bij de uitvoering van zijn opdracht laten bijstaan door één of meerdere officieren van gerechtelijke politie.
Hij ziet toe op de naleving van de in of krachtens dit artikel geldende regelgeving.
De nationale informantenbeheerder handelt onder het gezag van de federale procureur.

§ 3. Binnen elke gedeconcentreerde gerechtelijke (directie), bedoeld in artikel 105 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst gestructureerd op twee niveaus, wordt een officier, lokale informantenbeheerder genoemd, belast met het arrondissementeel beheer van de informantenwerking binnen de gedeconcentreerde gerechtelijke (directie) en de lokale politiekorpsen van het arrondissement. <W 2006-06-20/34, art. 49, 047; Inwerkingtreding : 01-03-2007>
Hij oefent daartoe onder meer een permanente controle uit over de betrouwbaarheid van de informanten en ziet toe op de naleving van de in of krachtens dit artikel geldende regelgeving en de goede werking van de contactambtenaren.
De lokale informantenbeheerder handelt onder het gezag van de procureur des Konings.
In elk lokaal politiekorps, waarbinnen aan informantenwerking wordt gedaan, wordt een officier aangewezen, die de lokale informantenbeheerder in zijn opdracht bijstaat.

§ 4. De Koning bepaalt, op voordracht van de Minister van Justitie en na advies van het College van procureurs-generaal en van de federale procureur, de werkingsregels van de nationale en lokale informantenbeheerders en van de contactambtenaren, met inachtneming van een permanente controle over de betrouwbaarheid van de informanten, van de afscherming van de identiteit van de informanten en van de vrijwaring van de fysieke, psychische en morele integriteit van de contactambtenaren.

§ 5. De lokale informantenbeheerder brengt de procureur des Konings op diens verzoek en minstens driemaandelijks algemeen verslag uit over de informantenwerking binnen de gedeconcentreerde gerechtelijke (directie) en de lokale politiekorpsen van het arrondissement. <W 2006-06-20/34, art. 49, 047; Inwerkingtreding : 01-03-2007>
De nationale informantenbeheerder brengt de federale procureur op diens verzoek en minstens driemaandelijks algemeen verslag uit over de informantenwerking binnen de geïntegreerde politiedienst gestructureerd op twee niveaus.

§ 6. In afwijking van artikel 28ter, § 2, laatste zin, brengt de lokale informantenbeheerder, indien de informantenwerking ernstige aanwijzingen over gepleegde of nog te plegen strafbare feiten aan het licht brengt, hierover onverwijld en schriftelijk aan de procureur des Konings nauwgezet, volledig en waarheidsgetrouw verslag uit.
De procureur des Konings kan tevens, indien daartoe grond bestaat, de lokale informantenbeheerder bij schriftelijke beslissing verbieden verder te werken op bepaalde informatie geboden door een informant.
De procureur des Konings bewaart deze vertrouwelijke verslagen in een afzonderlijk dossier. Hij heeft als enige toegang tot dit dossier, onverminderd het inzagerecht van de onderzoeksrechter bedoeld in artikel 56bis. De inhoud van dit dossier valt onder het beroepsgeheim.
Hij beslist of, in functie van het belang van de aangebrachte informatie en met inachtneming van de veiligheid van de informant, hiervan proces-verbaal wordt opgesteld. Indien dit proces-verbaal betrekking heeft op een lopend opsporingsonderzoek of gerechtelijk onderzoek, staat de procureur des Konings in voor de voeging ervan bij dit strafdossier.

§ 7. Wanneer een informant nauwe banden heeft met één of meerdere personen, waarvan er ernstige aanwijzingen zijn dat ze strafbare feiten plegen of zouden plegen die een misdrijf uitmaken of zouden uitmaken zoals bedoeld in de artikelen 137 tot 141, zoals bedoeld in de artikelen 324bis en 324ter of zoals bedoeld in artikelen 136bis, 136ter, 136quater, 136sexies, 136septies van het Strafwetboek of zoals bedoeld in artikel 90ter, § 2, 4°, 7°, 7°bis, 7°ter, 8°, 11°, 14°, 16° en 17°, op voorwaarde dat deze laatste misdrijven bedoeld in artikel 90ter, § 2, gepleegd zijn of zouden gepleegd worden in het kader van een criminele organisatie zoals bedoeld in artikel 324bis van het Strafwetboek, kan de procureur des Konings deze informant toelaten misdrijven te plegen die strikt noodzakelijk zijn om zijn informatiepositie te behouden.
Die misdrijven moeten noodzakelijkerwijze evenredig zijn met het belang om de informatiepositie van de informant te behouden en mogen in geen geval rechtstreekse en ernstige schendingen van de fysieke integriteit van personen inhouden.
De lokale informantenbeheerder, bedoeld in § 3, eerste lid, brengt de strafbare feiten die de informant voornemens is te plegen schriftelijk en voorafgaandelijk ter kennis van de procureur des Konings. De procureur des Konings vermeldt in een afzonderlijke en schriftelijke beslissing de misdrijven die door de informant kunnen worden gepleegd, en die niet zwaarder mogen zijn dan die welke hij voornemens was te plegen. Deze beslissing wordt in het dossier bedoeld in § 6, derde lid, bewaard.
De magistraat die met inachtneming van dit artikel een informant toelating verleent misdrijven te plegen, blijft vrij van straf.) <W 2005-12-27/34, art. 13, 2°, 046; Inwerkingtreding : 30-12-2005>
(NOTA : bij arrest nr 105/2007 van 19-07-2007 (B.St. 13-08-2007, p. 42941-42954), heeft het Grondwettelijk Hof artikel 47decies, § 7, vernietigd)

Onderafdeling 6. - <Ingevoegd bij W 2003-01-06/34, art. 4; Inwerkingtreding : 22-05-2003> Wettigheidscontrole

Art. 47undecies. <W 2005-12-27/34, art. 14, 046; ED : 30-12-2005> Ten minste om de drie maanden zendt de procureur des Konings alle dossiers, waarin hij toepassing heeft gemaakt van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie en waarin hij besloten heeft niet tot vervolging over te gaan, over aan de procureur-generaal teneinde deze in staat te stellen een controle uit te voeren op de wettigheid van de gebruikte methoden.
De procureur-generaal maakt verslag op van deze controle. Dit verslag handelt tevens over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden in het kader van de uitvoering van straffen of vrijheidsberovende maatregelen in zijn rechtsgebied. Het verslag wordt overgezonden aan het college van procureurs-generaal, dat de globale evaluatie en de statistische gegevens met betrekking tot deze verslagen opneemt in zijn jaarverslag, bedoeld in artikel 143bis, § 7, van het Gerechtelijk Wetboek.
De federale procureur maakt in zijn jaarverslag, bedoeld in artikel 346, § 2, 2°, van hetzelfde Wetboek, de globale evaluatie en de statistische gegevens bekend van de dossiers waarin hij toepassing heeft gemaakt van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie en waarin hij besloten heeft niet tot vervolging over te gaan. Dit verslag handelt tevens over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden in het kader van de uitvoering van straffen of vrijheidsberovende maatregelen voor federale strafdossiers.
Het college van procureurs-generaal voert een controle uit over alle dossiers waarin de informantenwerking overeenkomstig artikel 47decies, § 7, werd toegepast. Daartoe wordt door de procureur des Koning via de territoriale bevoegde procureur-generaal, of rechtstreeks door de federale procureur een omstandig verslag aan de voorzitter van het college van procureurs-generaal overgezonden. Dit verslag wordt overgezonden zodra de toepassing van deze bijzondere opsporingsmethode werd beëindigd. Het college van procureurs-generaal maakt verslag op van deze controle en neemt de globale evaluatie en de statistische gegevens daaromtrent op in zijn jaarverslag, bedoeld in artikel 143bis, § 7, van het Gerechtelijk Wetboek.
(NOTA : bij arrest nr 105/2007 van 19-07-2007 (B.St. 13-08-2007, p. 42941-42954), heeft het Grondwettelijk Hof artikel 47undecies, tweede lid, tweede zin en derde lid, tweede zin, vernietigd)

Rechtspraak van het gerechtelijk Hof:

uittreksel uit een arrest van het grondwettelijk hof 19 juli 2007

De toestemming aan informanten om misdrijven te plegen (art. 13, 2o, Sv.)

B.8.1. Een informant is een persoon van wie wordt verondersteld dat hij nauwe relaties onderhoudt met één of meer personen van wie er ernstige aanwijzingen zijn dat ze misdrijven plegen of zouden plegen, en die de politieambtenaar, al dan niet gevraagd, inlichtingen en gegevens verstrekt (art. 47decies, § 1, Sv.).

Bij de totstandkoming van de wet van 6 januari 2003 had de wetgever uitgesloten dat een operatie van infiltratie kon worden toevertrouwd aan personen die geen daartoe opgeleide en speciaal getrainde politieambtenaren zijn. Hij had geoordeeld dat «het handelen met een burgerinfiltrant, zeker met een criminele burgerinfiltrant (wat doorgaans het geval is), (...) immers een erg hoge risicograad heeft, aangezien deze persoon moeilijk controleerbaar is en vaak opereert met een zogenaamde «dubbele agenda» of gedreven wordt door persoonlijke belangen» (Parl. St. Kamer, 2001-2002, DOC 50-1688/001, p. 34).

B.8.2. De bestreden wet «hanteert nog steeds deze logica, maar wil tegelijkertijd een bredere invulling geven aan het werken met informanten, teneinde tegemoet te komen aan een nood die zich op het terrein in hoge mate laat voelen en aldus een belangrijke lacune in de strijd tegen het terrorisme en de georganiseerde criminaliteit op te vullen». De wetgever heeft geoordeeld dat «na de aanslagen in New York, Madrid en Londen, (...) het wenselijk was de strijd tegen het terrorisme te verstevigen door de gerechtelijke autoriteiten toe te staan onderzoeksmiddelen te gebruiken die meer aangepast zijn aan de complexiteit van dit criminele fenomeen». De bestreden maatregel werd in het bijzonder verantwoord met volgende argumenten: «De praktijk toont immers aan dat in een aantal belangrijke en hoogdrempelige onderzoeken inzake terrorisme en georganiseerde criminaliteit de procureur des Konings meer dan eens wordt geconfronteerd met de vraag of een informant die reeds «op actieve wijze» informatie over een bepaald crimineel milieu of dadergroepering inwint, eveneens kan worden toegelaten onder welbepaalde omstandigheden deel te nemen aan het crimineel handelen binnen dit milieu of deze dadergroepering. Deze vraag raakt in het bijzonder de moeilijke afweging voor de magistraat tussen, enerzijds, het behoud van een soms unieke informatiepositie in een bepaald crimineel milieu door de informant strafbare daden van mededaderschap of medeplichtigheid te laten stellen en, anderzijds, het verlies van deze informatiepositie door er een zeer strikte interpretatie van het werken met informanten op na te houden. Of anders gesteld, de vraag naar de doelmatigheid van de opsporing: wat mag een informant – die veelal uit het criminele milieu afkomstig is of daar dicht tegenaan zit – doen om zich in die positie te kunnen handhaven? Bijvoorbeeld de informant die in een terrorismezaak door de terroristische groep verzocht wordt het appartement te huren van waaruit een aanslag zal worden voorbereid. Of die mee een voorverkenning van het doelwit dient uit te voeren. Of die tijdelijk de valse reispassen en identiteitsdocumenten voor deze terroristische groep dient bij te houden. Dit vormt een inbreuk op art. 140, § 1, Sw. Dit kan worden beschouwd als daden van mededaderschap zoals bedoeld in art. 66 Sw. En wat met de informant die nauwe banden heeft met leden van een criminele organisatie en die de politiedienst meldt dat hij vermoedelijk door deze organisatie in het bezit zal worden gesteld van een uiterst gevaarlijk wapen of een nieuw soort drugs die op de markt zullen komen? In elk van de hierboven opgesomde gevallen is de realiteit op vandaag dat de procureur des Konings eigenlijk zou dienen te oordelen dat deze handelingen niet stroken met de definitie van informantenwerking sensu stricto, zoals bedoeld in artikel 47decies, § 1 Sv., en dat derhalve de informant zijn informatiepositie moet opgeven, met als gevolg dat de terroristische aanslag of gewapende overval die verder gepland en voorbereid en later wellicht ook uitgevoerd zal worden, zal kunnen plaatshebben buiten elk politioneel medeweten en «controle» om. In deze gevallen neemt de procureur des Konings op dit ogenblik doorgaans zijn verantwoordelijkheid op en laat hij de openbare veiligheid en het algemeen maatschappelijk belang bij het nemen van zijn beslissing primeren. Het hoeft echter weinig betoog dat dit erg zware beslissingen zijn. Het wetsontwerp beoogt de magistraat het juridisch kader en de rechtszekerheid te bieden waarop hij recht heeft bij het nemen van dergelijke beslissingen in de context van de strijd tegen het terrorisme of de georganiseerde criminaliteit. Aldus creëert het wetsontwerp voor de procureur des Konings de mogelijkheid een informant onder strenge omstandigheden strafbare feiten te laten plegen» (Parl. St. Kamer, 2005- 2006, DOC 51-2055/001, p. 33 tot 35).

B.8.3. Volgens de verzoekende partijen schendt de bestreden maatregel art. 10, 11, 12, 14 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met art. 3, 6 en 8 van het E.V.R.M., met art. 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het E.V.R.M., met art. 7, 14, 15 en 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met art. 142 van de Grondwet, met art. 8 en 9 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 en met het beginsel van het gezag van gewijsde.

Zij betwisten zowel de wettigheid van de doelstelling, als de evenredigheid van de bestreden maatregel en voeren aan dat art. 10 en 11 van de Grondwet zijn geschonden doordat de informant zich – in tegenstelling tot de infiltrant-politieambtenaar en de burgerlijke deskundige – niet kan beroepen op een strafuitsluitende verschoningsgrond.

Ten slotte vragen zij de vernietiging van art. 47undecies, vierde lid, Sv., vervangen bij art. 14 van de bestreden wet, en van art. 22, 23, 24 en 25 van dezelfde wet, in zoverre ten aanzien van de nieuwe informantenwerking niet wordt voorzien in enige controle door een onafhankelijke en onpartijdige rechter.

B.8.4. Volgens de voormelde parlementaire voorbereiding heeft de praktijk aangetoond dat voor sommige types van criminaliteit de noodzaak om de «informatiepositie» van de informant te behouden hem in staat moest stellen bepaalde misdrijven te plegen. In dat verband dient rekening te worden gehouden met het feit dat de beoogde criminaliteit zeer vaak internationale criminaliteit is en dat de gerechtelijke en politiële overheden vaak ertoe zullen worden gebracht samen te werken met de overheden van landen die, op een of andere wijze, de noodzaak voor de informanten om misdrijven te plegen teneinde hun informatiepositie te behouden, in aanmerking hebben genomen. Het staat het Hof te onderzoeken of de aangewende middelen om aan die noodzaak het hoofd te bieden, verband houden met de nagestreefde doelstelling en of ze daarmee evenredig zijn.

De bekommernis om een wettelijk kader te geven aan een praktijk die door de evolutie van de zware misdaad noodzakelijk werd gemaakt, is van dien aard dat zij bijdraagt tot de legaliteitsvereisten van het strafrecht en van de strafprocedure.

B.8.5. Ofschoon bij wijze van uitzondering kan worden aanvaard dat de wetgever magistraten belast met de opsporing en de vervolging van bepaalde categorieën van misdrijven in staat stelt de informanten die een cruciale hulp zouden kunnen zijn bij hun taak, toe te staan misdrijven te plegen om het succes van het onderzoek dat zij voeren, te waarborgen, dient hij evenwel art. 12 van de Grondwet, dat vereist dat de strafrechtpleging voorspelbaar is, in acht te nemen. De magistraten moeten op zeer precieze wijze weten welke de misdrijven zijn waarvoor zij een informant toestemming kunnen geven ze te plegen. Dit vereiste is hier des te dwingender daar het voor een gerechtelijke overheid erop neerkomt een persoon die niet is beëdigd, noch door de openbare overheid met een opdracht is belast, toe te laten een misdrijf te plegen dat tot gevolg kan hebben dat de grondrechten van derden worden geschonden.

B.8.6. Wat de misdrijven betreft die de informant zelf zou mogen plegen, zou de wetgever, in beginsel, daarvan een limitatieve opsomming moeten geven. Er kan echter worden aangenomen dat «er (...) duidelijk niet gewerkt kan worden met een limitatieve lijst van misdrijven die de informant, met toelating van de procureur des Konings, zou mogen plegen, omdat de terroristische of criminele organisatie dan zeer snel de proef op de som zou nemen door, bij het minste vermoeden, de informant bepaalde misdrijven die niet op de lijst staan, te laten plegen» (ibid., p. 36).

De wetgever kan dus enkel optreden door criteria te bepalen, maar die moeten zeer precies zijn teneinde te vermijden dat de toestemming verder gaat dan datgene wat strikt noodzakelijk is om de nagestreefde doelstelling te bereiken.

B.8.7. Allereerst is vereist dat de toestemming om misdrijven te plegen enkel wordt gegeven met het oog op het behoud van de informatiepositie van de informant, en de strafbare feiten die de informant pleegt, moeten absoluut noodzakelijk zijn voor het behoud van deze positie (art. 47decies, § 7, eerste lid, in fine, Sv.).

B.8.8. Bovendien moeten deze misdrijven «noodzakelijkerwijze evenredig zijn met het belang om de informatiepositie te behouden».

B.8.9. Daarnaast moet een schriftelijke procedure worden nageleefd: de strafbare feiten die de informant toegelaten wordt te plegen, moeten schriftelijk en voorafgaandelijk aan de procureur des Konings ter kennis worden gebracht door de lokale informantenbeheerder, bedoeld in art. 47decies, § 3, eerste lid, Sv. De procureur des Konings vermeldt de misdrijven die door de informant kunnen worden gepleegd in een afzonderlijke en schriftelijke beslissing. Hij mag daarbij geen misdrijven vermelden die zwaarder zijn dan die welke hem voorafgaandelijk ter kennis zijn gebracht door de lokale informantenbeheerder.

De beslissing van de procureur des Konings wordt in het vertrouwelijk dossier bedoeld in art. 47decies, § 6, derde lid, Sv. bewaard.

B.8.10. Dergelijke criteria en een dergelijke procedure zijn van die aard dat ze vermijden dat het gebruik dat van de bestreden bepaling zal worden gemaakt, de grenzen overschrijdt van wat noodzakelijk is om de nagestreefde doelstelling te bereiken.

B.8.11. Die grenzen worden daarentegen overschreden in zoverre enkel misdrijven verboden zijn die een «rechtstreekse en ernstige» schending van de fysieke integriteit van personen zouden inhouden.

Hoewel kan worden aangenomen dat de informant, als hoofddader, misdrijven pleegt of dat hij, op de wijzen bepaald in de art. 66 en 67 Sw., deelneemt aan misdrijven die zouden kunnen worden gepleegd door personen met wie hij in verbinding staat, kan, om de in B.8.1 uiteengezette redenen, niet worden aangenomen dat personen die noch politieambtenaren, noch burgerlijke deskundigen zijn en die nauwe banden onderhouden met het criminele milieu, de voorafgaande toestemming zouden kunnen krijgen om zelf afbreuk te doen aan de fysieke integriteit van personen.

B.8.12. Bijgevolg schendt art. 47decies, § 7, tweede lid, Sv. art. 10, 11 en 12 van de Grondwet.

B.8.13. Tot slot is vereist dat de informant «nauwe banden heeft met één of meer personen, waarvan er ernstige aanwijzingen zijn dat ze strafbare feiten plegen of zouden plegen die een misdrijf uitmaken of zouden uitmaken zoals bedoeld in de artikelen 137 tot 141, zoals bedoeld in de artikelen 324bis en 324ter of zoals bedoeld in artikelen 136bis, 136ter, 136quater, 136sexies, 136septies Sw. of zoals bedoeld in artikel 90ter, § 2, 4o, 7o, 7o bis, 7o ter, 8o, 11o, 14o, 16o en 17o, op voorwaarde dat deze laatste misdrijven bedoeld in artikel 90ter, § 2, gepleegd zijn of zouden gepleegd worden in het kader van een criminele organisatie zoals bedoeld in artikel 324bis van het Strafwetboek» (art. 47decies, § 7, eerste lid, Sv.).

B.8.14. Deze bepaling geeft op voldoende precieze wijze aan in welke omstandigheden de bestreden maatregel kan worden aangewend doordat zij verwijst naar bepalingen die betrekking hebben op terroristische misdrijven, ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht alsmede ernstige misdrijven «gepleegd (...) in het kader van een criminele organisatie zoals bedoeld in artikel 324bis van het Strafwetboek». De wetgever is binnen de grenzen gebleven van zijn doelstelling die erin bestaat met uitzonderlijke maatregelen het terrorisme en de georganiseerde criminaliteit te bestrijden. Door de strafbare feiten die zouden kunnen worden gepleegd door personen met wie de informant nauwe banden heeft, beperkend op te sommen, voldoet de bestreden bepaling overigens aan het vereiste van voorzienbaarheid dat in B.8.5 in herinnering is gebracht.

B.8.15. Hetzelfde geldt voor de verwijzing naar art. 324ter Sw. Deze bepaling vermeldt de strafbare handelingen of wijzen die een criminele organisatie aanwendt alsmede de voorwaarden van strafbare betrokkenheid bij een dergelijke organisatie (§ 1); zij preciseert onder welke voorwaarden de persoon strafbaar is die deelneemt aan de voorbereiding of de uitvoering van enige geoorloofde activiteit ervan (§ 2), alsmede de persoon die deelneemt «aan het nemen van welke beslissing dan ook in het raam van de activiteiten van de criminele organisatie» (§ 3). In elk geval preciseert de bepaling de straf die op het erin beschreven misdrijf van toepassing is.

B.8.16. Door op een algemene manier te verwijzen naar de strafbare feiten die een misdrijf zouden vormen «in de zin van artikel 324bis» Sw., eigent de bestreden bepaling zich daarentegen een onvoldoende afgebakend toepassingsgebied toe.

Art. 324bis Sw. bepaalt: «Met criminele organisatie wordt bedoeld iedere gestructureerde vereniging van meer dan twee personen die duurt in de tijd, met als oogmerk het in onderling overleg plegen van misdaden en wanbedrijven die strafbaar zijn met gevangenisstraf van drie jaar of een zwaardere straf, om direct of indirect vermogensvoordelen te verkrijgen».

B.8.17. De verwijzing naar een bepaling waarvan het toepassingsgebied zo ruim is, voldoet niet aan de vereisten die in B.8.5 in herinnering zijn gebracht. Bovendien ontneemt zij aan de bestreden maatregel het uitzonderlijk karakter ervan. Tot slot maakt zij de opsomming nutteloos, die is vervat in art. 47decies, § 7, eerste lid, Sv. van sommige van de misdrijven bedoeld in art. 90ter, § 2, Sv., waarvan wordt gepreciseerd dat zij «in het kader van een criminele organisatie zoals bedoeld in artikel 324bis» zijn gepleegd of zullen worden gepleegd.

B.8.18. Art. 47decies, § 7, eerste lid, Sv. schendt art. 10, 11 en 12 van de Grondwet in zoverre het op een algemene manier verwijst naar strafbare feiten die een misdrijf zouden uitmaken in de zin van art. 324bis Sw.

B.8.19. Wat de ontstentenis van een strafuitsluitende verschoningsgrond betreft, kan worden aangenomen dat de wetgever een grotere voorzichtigheid aan de dag legt ten aanzien van de informant, die wordt verondersteld nauwe relaties te hebben met het criminele milieu, dan ten aanzien van politieambtenaren en burgerinfiltranten zonder banden met dat milieu. De kans kan immers groter worden geacht dat hij de grenzen van de toelating overschrijdt, door de misdrijven ook te plegen met een ander doel dan het behoud van zijn informatiepositie of door het vereiste van evenredigheid niet na te leven.

Maar, doordat de maatregel niet aangeeft welk gevolg de toestemming kan hebben voor de strafrechtelijke situatie van de informant, terwijl wordt bepaald dat de magistraat die toestemming verleent vrij blijft van straf (art. 47decies, § 7, vierde lid, Sv.) en dat de politieambtenaren die misdrijven plegen met de toestemming van de procureur des Konings vrij blijven van straf (art. 47quinquies, § 2, Sv.), voldoet hij niet aan de eisen van art. 10 en 11 van de Grondwet.

B.8.20. In zoverre dat artikel ten slotte de toetsing van de aanwending van art. 47decies, § 7, Sv. niet toevertrouwt aan een onafhankelijke en onpartijdige rechter, schendt het art. 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met art. 6 van het E.V.R.M. Het vertrouwelijk dossier bevat voortaan, wat de informanten betreft, elementen die een draagwijdte hebben die analoog is met die in verband met de infiltratie, wat voordien niet het geval was, zoals het Hof had opgemerkt in B.27.2 van zijn arrest nr. 202/2004. Dat dossier moet dus, wat die elementen betreft, het voorwerp uitmaken van een toetsing door een onafhankelijke en onpartijdige rechter.

B.8.21. De middelen zijn gegrond in de hiervoor aangegeven mate.

B.8.22. Art. 47decies, § 7, Sv. moet worden vernietigd.

B.8.23. Het staat aan de wetgever, indien hij van mening is dat hij een bepaling moet overnemen met hetzelfde onderwerp als de vernietigde bepaling:

– de informant niet toe te staan zelf de fysieke integriteit van personen te schenden (B.8.11);

– niet op algemene wijze te verwijzen naar de strafbare feiten die een misdrijf uitmaken of zouden uitmaken als bedoeld in art. 324bis Sw. (B.8.18);

– het gevolg te preciseren dat de aan de informant verleende toestemming voor de strafrechtelijke situatie van laatstgenoemde kan hebben (B.8.19);

– ervoor te zorgen dat de elementen die, in verband met de aan de informant verleende toestemming, bij het afzonderlijke dossier zijn gevoegd, bedoeld in art.

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:14
Laatst aangepast op: di, 08/08/2017 - 15:35

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.