-A +A

Indicatieve tabel

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Opgelet nieuwe versie indicatieve tabel 2012 klik hier 

indicatieve tabel 2016 klik hier

De Vlaamse Orde stelt de indicatieve tabel beschikbaar op har website:

pdfIndicatieve tabel 2012 8.1.2013 *.pdf

 

 

Versie 2008 (inmiddels de vijfde versie)
NJW 189 van 22/10 2008, 711 en T. Pol. sept. 2008, 3, 121

voor de vorige versie van de indicatieve tabel , de versie 2004: klik hier

voor de Franstalige versie van de indicatieve tabel: klik hier

Rechtsleer indicatieve, tabel 2004 zie NJW bijlage bij nummer 72 • 19 mei 2004 en ;
T.Vred. december 2005, 537 met kritische noot van Guy Meyns

W. Peters in Advocatenpraktijk, B.R. 14

Overzicht Rechtspraak Onrechtmatige daad: Schade en schadeloosstelling (1993-2006) TPR 2007, 933 

J. Bogaert Het praktisch beheer van een dossier met letselschade in "Advocatenpraktijk

Geert JOCQUÉ, De nieuwe indicatieve tabel kritisch bekeken in RW 2008-2009, lees deze bijdrage met paswoord van RW

 

VOORWOORD

Deze herziening van de indicatieve tabel anno 2004 is opnieuw het werk van een team bestaande uit leden komende vanuit diverse middens die om schade en schadevergoeding bekommerd zijn. Leden van de werkgroep maken deel uit van de organisatie Ouders van verongelukte kinderen, de advocatuur, de verzekeringsmaatschappijen, de hoven van Beroep, de politierechtbanken en rechtbanken van eerste aanleg. De meeste van hen zijn door hun beroepsorganisaties gemandateerd.

De eindredactie bleef evenwel in handen van magistraten als waarborg van onafhankelijkheid tegen het primeren van economische belangen.

Beide organisaties, het Nationaal Verbond van Magistraten van Eerste Aanleg en het Koninklijk Verbond van Vrede -en Politierechters, wensen bij deze de werkgroep te bedanken voor de twee jaren dat hij aan deze actualisatie heeft besteed.

De tabel is geenszins het wondermiddel bij schadebepalingen maar is slechts een middel om partijen bij hun onderhandelingen en de magistraten bij hun beoordeling te helpen knopen door te hakken. Zoals een aandachtige lezer zal merken, biedt de tabel slechts een houvast in die zaken waar er geen andere dan forfaitaire begroting van schade mogelijk is. De tabel vergt een kritische houding vanwege al zijn gebruikers. De tabel moet iedereen kritisch houden en een permanente aansporing zijn voor allen om zich te vervolmaken in de materie van de vergoeding van schade.

Alles verandert, dus ook de inzichten in schade en de wijzen van vergoeden. De rechtsleer en de rechtspraak volgen deze evolutie langzamer dan de werkgroepen en zijn meer bestemd voor professionelen.. Deze tabel wil op systematische wijze de uit de praktijk gekende knelpunten een oplossing geven, met aandacht voor een zo menselijk mogelijke aanpak van de materie.

D. Van Trimpont, voorzitter Koninklijk verbond van vrede- en politierechters

Chr. Denoyelle, voorzitter Nationaal verbond van magistraten eerste aanleg

 Indicatieve tabel

Versie 2008

 I. Kosten en uitgaven

 

A. Voertuigschade - gebruiksderving - BTW  (meer info over voertuigschade: klik hier)

 

1. Vergoeding wegens gebruiksderving:

 

Voertuig

Vergoeding/dag

fiets

€ 5,-

bromfiets (< 50 cc)

€ 6,50

moto

> 50 cc

> 450 cc

 

€ 9,-

€ 15,-

aanhangwagen personenwagen

< 500 kg

> 500 kg

 

€ 10,-

€ 15,-

personenwagen (ook voor professioneel gebruik en leasing)

€ 20,-

stationwagen

€ 25,-

mobilhome

€ 50,-

taxi grote maatschappijen

€ 46,-

taxi zelfstandige uitbater

€ 59,50

huurwagen (exclusief leasing)

€ 46,-

lichte vrachtwagen

< 2 ton netto laadvermogen

> 2 ton netto laadvermogen

 

€ 37,50

€ 37,50 + € 7,50 per ton

vrachtwagen

< 3 ton netto laadvermogen

> 3 ton netto laadvermogen

 

€ 46,-

€ 46,- + € 10,- per ton

eigenaar van één vrachtwagen

€ 62,-

tankwagen

< 3,5 ton netto laadvermogen

> 3,5 ton netto laadvermogen

 

€ 112,-

€ 112,- + € 10,- per ton

kraanwagen

€ 149,-

Betonwagen

€ 174,-

landbouwtractor

€ 37,50,-

trekker van oplegger (163 pk)

€ 112,-

oplegger vrachtwagen

€ 87,-

ziekenwagen

€ 87,-

kampeeraanhangwagen/caravan

€ 24,-

autobus

< 50 plaatsen

≥ 50 plaatsen

> 60 plaatsen

> 70 plaatsen

> 80 plaatsen

 

€ 45,-

€ 89,50

€ 112,-

€ 136,50

€ 174,-

autocar

< 31 zitplaatsen

≥ 31 zitplaatsen

> 38 zitplaatsen

> 44 zitplaatsen

> 50 zitplaatsen

 

€ 45,-

€ 89,50

€ 112,-

€ 136,50

€ 174,-

 

2. Bij de huur van een vervangvoertuig kan als besparing voor het niet gebruiken van het eigen voertuig worden toegekend voor een bedrag gelijk aan 10 % van de huurfactuur worden aangerekend.

 

2.Bis Bij gebreke aan concreet bewijs kan wegens waardevermindering na herstelling  in welbepaalde omstandigheden  een forfaitaire vergoeding van 10 % op de waarde van het nieuwe voertuig ,dat zwaar beschadigd werd toegekend worden.

3. Gebruiksderving van een voertuig

3.1. Wachtdagen

Als het voertuig niet buiten gebruik is wordt l dag toegekend.

 Indien het voertuig echter buiten gebruik is ,wordt het aantal te vergoeden dagen bepaald vanaf de dag van het ongeval tot de dag van de eerste expertisevergadering.

 3.2 Hersteldagen

Het aantal dagen nodig voor de herstelling.

 3.3 Vervangdagen

Vergoeding voor het bewezen aantal dagen of forfaitair 15 dagen

 4. B.T.W

In geval van totaal verlies heeft de niet BTW –plichtige schadelijder recht op de BTW ongeacht of hij de hem toekomende schadevergoeding al dan niet gebruikt voor de vervanging van het vernielde voertuig dan wel voor de vervanging door een tweedehandswagen waarop bij de aankoop geen BTW verschuldigd is of slechts de BTW op het verschil tussen de verkoop- en inkoopprijs van de garagist.

De BTW moet worden vergoed tegen het tarief dat van kracht is op het ogenblik van de vervanging van het voertuig. Indien het voertuig van een niet BTW-plichtige bij een ongeval wordt beschadigd heeft de schadelijder recht op de BTW op de reparatiekosten ongeacht of hij al dan niet de herstelling laat uitvoeren.

 B.Verplaatsingskosten – administratieve kosten

 5. Een forfaitaire tegemoetkoming van € 62,- tot € 125,- in administratie - , correspondentie - en telefoonkosten kan toegekend worden.

 

6. Voor verplaatsingskosten indien forfaitair berekend, ongeacht het type van voertuig, is € 0,30 per kilometer aanvaardbaar.

 

 C .Kledij en bagage

 

7. Als de schade vaststaat maar de omvang niet exact kan bewezen worden, wordt ex aequo et bono € 375,- voorgesteld voor de gehele kledij rekening houdende met de vetustiteit.

 

D. Medische kosten na consolidatie

 

8. Om voor vergoeding in aanmerking te komen, moeten deze kosten het gevolg zijn van het bewezen verklaarde  schadeverwekkende feit en medisch gerechtvaardigd zijn. De deskundige moet in deze optiek aandacht besteden aan de mogelijke medische uitgaven na consolidatie.

 

9. De vergoeding van de medische kosten en prothesen (bijvoorbeeld tandprothesen en rolstoelen) die slechts in de toekomst zullen worden verstrekt en aangeschaft, kan worden toegekend via kapitalisatie, door nominale vervangingen, vergoeding ex aequo et bono of via een reserve voor de toekomst.

 

 

 

II. Tijdelijke arbeidsongeschiktheid/ invaliditeit

 A. Materiële schade

 1. Inkomensverlies

 10. Het inkomensverlies moet steeds in concreto worden bewezen.

In aanmerking te nemen: het nettoloon tenzij aangetoond wordt dat op de toe te kennen vergoeding gelijkwaardige fiscale en sociale lasten rusten als deze die het inkomen bezwaren. Als het nettoloon als basis gebruikt wordt, kunnen reserves worden toegekend voor de fiscale en sociale lasten op voorwaarde dat dit gevraagd wordt. De schadevergoeding strekt ertoe steeds hetzelfde nettoloon te verkrijgen als vóór het ontstaan van de schade.

2. Meerinspanningen

11. Meerinspanningen die niet concreet begrootbaar zijn, worden vergoed tegen € 20 per dag a rato van 100 % arbeidsongeschiktheid vanaf het hernemen van de professionele activiteit.

3. Economische waarde huishoudelijke arbeid  

12. Als het niet of gedeeltelijk kunnen verrichten van huishoudelijke arbeid, het gevolg is van een schadeverwekkend feit  en een behoefte aan hulp in het huishouden doet ontstaan, kan deze schade concreet worden begroot en vergoed, door de kostprijs van de noodzakelijk erkende hulp integraal te vergoeden.

 13. Als deze schade, meerinspanningen inbegrepen, alhoewel zij vaststaat, niet concreet kan worden begroot bij gebrek aan valabele bewijzen en concrete elementen, wordt een forfaitaire vergoeding voor het verlies van de economische waarde van de huishoudelijke arbeid toegekend, mits de schadelijder  concrete elementen aanbrengt die het bestaan van  deze schade minstens aannemelijk maken. Volgende vergoedingen worden voorgesteld:

a) zonder kinderlast: € 17,50 per dag;

b) met kinderlast: € 25,- per dag voor één kind, te verhogen met € 5,- per bijkomend kind ten laste van het globaal huishouden zolang hij gerechtigd is op kinderbijslag.

Het betreft een vergoeding per huishouden en niet per individu. De vergoeding wordt aangepast in functie van de bijdrage die elke partner in het huishouden levert. Bij gebrek aan concrete gegevens wordt de bijdrage gesplitst als volgt: ten beloop van 65 % voor de bijdrage door de vrouw en 35 % voor de bijdrage door de man.

B. Morele schade

 14 . De deskundige begroot het quantum doloris op een schaal van 1 tot 7 als volgt:

       1/7: minieme pijn

       2/7: zeer lichte pijn

       3/7: lichte pijn

       4/7: middelmatige pijn

       5/7: ernstige pijn

       6/7: zeer ernstige pijn

       7/7: uitzonderlijke ernstige pijn.

Hij houdt er rekening mee dat de fysische smarten van niveau 1 tot 3 vervat dienen te zitten in de graden van arbeidsongeschiktheid en/of invaliditeit.

De morele schade omvat de normale pijn en smarten, en  alle courante ongemakken als gevolg van de vastgestelde letsels evenals hun impact op persoonlijke activiteiten in tuin, sport, hobby en het pretium doloris tot de graad van 3 op een schaal van 7. Deze morele schade kan als volgt vergoed worden:

 - € 31,- per gewone dag hospitalisatie;

- € 25,- per dag zonder hospitalisatie bij 100 % ongeschiktheid.

Deze vergoeding bevat de voorzienbare fysieke smarten inherent verbonden met de aangetaste fysieke integriteit en waarvan de gevolgen vergelijkbaar zijn voor ieder individu.

Indien het pretium doloris niet in het hoger vermeld forfait begrepen is omwille van het feit dat het afzonderlijk wordt begroot door een medische expertise, dan worden volgende bedragen per dag toegekend vanaf de schaal 4:

Schaal

Met hospitalisatie

Zonder hospitalisatie

4/7

31 € + 10 €

25 € + 10 €

5/7

31 € + 12,50 €

25 € + 12,50 €

6/7

31 € + 15 €

25 € + 15 €

7/7

31 € + 17,50 €

25 € + 17,50 €

zie ook: morele schade bij bewustzijnsverlies 

 

C. Verlies schooljaar

 zie ook: verlies van een schooljaar

15. Wanneer bewezen wordt dat het slachtoffer ingevolge de onrechtmatige daad een schooljaar heeft verloren, moet ook deze schade worden vergoed. Deze schade bestaat uit een materiële schade, een morele schade en een financieel verlies naar de toekomst toe.

 Eerst en vooral is er de schade bestaande uit de kosten van het verloren schooljaar. Het verlies van een schooljaar gaat bovendien gepaard met specifieke morele schade wegens het verlies van bijzondere schoolactiviteiten en de frustratie van de leerling/student als ‘zittenblijver’ te worden beschouwd.

16. Wanneer er een vergoeding ex aequo et bono wordt toegekend, kan deze als volgt begroot worden.

 1.Materiële schade

 

Schadepost

Vergoeding

lager onderwijs

€ 390,-

middelbaar onderwijs (ASO-TSO-BSO)

€ 1.000,-

hoger onderwijs

         - op kot

         - thuis

 

€ 4.300,-

€ 2.500,-

universiteit

          - op kot

          - thuis

 

€ 4.000,-

€ 2000,-

 

2.Morele schade

 17. Voor alle onderwijstypes: € 3.750.

3. Achterstand in de loopbaan

 

18. Het verlies van een schooljaar kan een schade aan  de toekomstige beroepsactiviteit of loopbaan teweegbrengen. Indien de achterstand in de loopbaan wordt bewezen, bestaat de schade uit de actuele waarde van het eerste jaar beroepsinkomen.

 III. Blijvende arbeidsongeschiktheid / invaliditeit

 A.Wijzen van vergoeding van de materiële schade

 1. Geïndexeerde rente

 19. De geïndexeerde rente is de meest volledige vorm van schadevergoeding wanneer een slachtoffer een permanent periodiek verlies aan inkomen heeft. Deze  vorm van vergoeding houdt in dat het slachtoffer in de toekomst en gedurende de volledige periode waarin de  vergoedbare nood bestaat een herzienbaar , eventueel geïndexeerd, bedrag ontvangt. Het voordeel van deze vergoeding voor het slachtoffer is zeker dat de ontvangen vergoeding dichter aansluit bij zijn economische toestand en precies de realiteit van de hulphoevendheid volgt,anders dan bij kapitalisatie waar steeds rekening gehouden wordt met de kans op tussentijds overlijden zodat het risico bestaat dat het kapitaal reeds opgebruikt is terwijl het slachtoffer nog leeft en hulpbehoevend is.

Door het toekennen van dergelijke rente ( maandelijks of jaarlijks) kan het slachtoffer tegen zich zelf ( of tegen zijn naasten) beschermd worden. Het voordeel voor de debiteur ( verzekeraar) is dat hij niet langer betaalt dan nodig.   

2. Kapitalisatie – splitsingsmethode

20. De kapitalisatie is een manier van berekenen van de toekomstige schade.

21. Het is de omzetting in een kapitaal van al de (jaarlijkse of maandelijkse te vervallen) renten over de (vermoedelijke) periode waarover de vergoeding verschuldigd is.

De rechter moet zich stellen op het ogenblik van zijn uitspraak. Er moet een duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen de tot dan geleden schade en de schade die voortloopt na de uitspraak. Enkel de vergoeding van deze laatste schade kan door kapitalisatie berekend worden.

Het in aanmerking te nemen basisloon (te bewijzen aan de hand van stukken) is het loon van de laatste periode voorafgaand aan de uitspraak. Als basisloon bij inkomensverlies wordt het nettoloon genomen, met het voorzien van een reserve voor de fiscale en sociale lasten op de vergoeding.

22. De te hanteren kapitalisatiecoëfficiënt wordt bepaald in functie van de gegevens op het ogenblik van de uitspraak, niet van de consolidatiedatum of een andere voorgaande datum. Rekening moet worden gehouden met de wettelijke pensioenleeftijd .

 

23. Bij het berekenen van vergoedingen voor toekomstige schade begeeft men zich op onzeker terrein waarbij zowel de – vermoedelijke – levensduur van het slachtoffer, de veronderstelde toekomstige intrest en de muntontwaarding assumpties zijn die ertoe leiden dat het resultaat veelal fout zou kunnen zijn.

Indien de schadelijder deze vorm van vergoeding wenst, moet het kapitaal zo berekend worden dat het slachtoffer niet geconfronteerd wordt met een uitputting van zijn vergoeding vooraleer de vergoedbare periode verstreken is. De logica gebiedt te opteren voor tabellen met dezelfde periodiciteit als de vervallen schade: voor inkomensverlies zijn dat de tabellen met maandelijkse uitkeringen.

2.1     Intrestvoet

24. Steunende op de formule van kapitalisatie (de rentevoet is gelijk aan de reële rentevoet verminderd eerst met de roerende voorheffing en dan met de inflatie) en op het feit dat rentepeilen voor de toekomst des te moeilijker voorspelbaar zijn nu  ze over de waargenomen periode sterk hebben gefluctueerd, neemt de werkgroep aan dat voor 2008-2012 kapitaliseren aan een rentevoet van 2 % verantwoord is.

25. Wanneer de termijn waarover de rente moet worden betaald, relatief lang is, dienen de opbrengsten van de meest veilige beleggingsmethoden in aanmerking te worden genomen. Deze hebben traditioneel het laagste nettorendement. Omdat ook rekening moet gehouden worden met een  hogere inflatie in 2008  dan 3,9 % en de nog bestaande roerende voorheffing van 15 % op een renteopbrengst van OLO’s (10 jaar) van gemiddeld 4,9 %,  lijkt het  verantwoord nog 2 % als rentevoet voor kapitalisatie te hanteren.

26. Bedoeling van de kapitalisatie is dat, mits belegging van het ontvangen kapitaal aan de voor de berekening gebruikte rentevoet, het slachtoffer in staat is om jaarlijks/maandelijks, over de volledige voor vergoeding in aanmerking komende periode, het bedrag van de periodieke rente te kunnen opnemen.

Hoe hoger de in aanmerking genomen rentevoet, hoe lager de vergoeding.

2.2 Sterftetafels

27. Gebruik steeds de meest recente overleving - of sterftetafels. De laatste gepubliceerde tafels zijn die van 2006. De laatste recente tafels worden gepubliceerd door de FOD economie, KMO, Middenstand en energie.

Aandacht dient besteed te worden aan het gebruik van berekeningswijzen van schadevergoeding uitgestrekt in de tijd waarbij rekening gehouden wordt met de constante verlenging van de levensduur van de Belgische bevolking.

3.Vergoeding per punt

28. Deze vergoeding betreft een derde wijze van vergoeding wanner het niet mogelijk is voorgaande methodes te gebruiken De begroting van de schade gebeurt aan de hand van een forfaitair bedrag gekoppeld aan een bepaald barema .Zie verder onder punt C.

 

B.Verschillende vormen van schade.

 

1. Inkomensverlies

29. Het basisloon moet in concreto worden begroot. Aan jonge slachtoffers die nog geen of een gering loon verdienen, moet speciale aandacht worden besteed

In aanmerking te nemen: het nettoloon, tenzij aangetoond wordt dat de gelijkwaardige fiscale en sociale lasten de toe te kennen vergoeding te zwaar belasten. Als het nettoloon als basis gebruikt wordt, kunnen reserves worden toegekend voor de hogergenoemde fiscale en sociale lasten indien dit gevraagd wordt. . De winstderving (lucrum cessans) wordt vergoed.

30. Het inkomen kan verhoogd worden als toekomstige loonsverhogingen los van de indexering kunnen aangetoond worden.Bij gebreke aan mathematisch controleerbare gegevens wordt voor de mogelijke toekomstige loonsverhogingen  het verhogingspercentage berekend aan de hand van volgende formule:

resterend aantal actieve arbeidsjaren x verwacht groeipercentage per jaar                                                           2

lees: (resterend aantal actieve arbeidsjaren x verwacht groeipercentage per jaar) gedeeld door 2

Het te verwachten groeipercentage moet door het slachtoffer concreet worden bewezen, bijvoorbeeld aan de hand van het binnen het bedrijf of sector van zijn tewerkstelling geldende evolutie van de  looncategorie  van het slachtoffer. De huidig verwachte groei bedraagt per arbeidscategorie van 1 % voor arbeiders tot 2 % per jaar voor bedienden.Met de munterosie werd reeds rekening gehouden bij het bepalen van de reële rentevoet.

Bij gebrek aan concrete bewijzen kan een forfait toegepast worden tussen 0 en 10 %, rekening houdend met de leeftijd van het slachtoffer en de sector waarin de arbeid gepresteerd wordt.

 

2. Huishoudelijke schade

31. De hoger vermelde cijfers voor de perioden van tijdelijke arbeidsongeschiktheid/invaliditeit kunnen gebruikt worden voor een kapitalisatie indien deze schade permanent is. (zie hoger de nummers 12 en 13 )

 3. Hulp van derden

32 De noodzaak aan hulp van derden, buiten het huishouden, en de omvang van de te verstrekken hulp moeten steeds in concreto worden vastgesteld. Wanneer de hulp wordt uitgedrukt per tijdseenheid, wordt een bedrag per uur vastgesteld, in overeenstemming met de vereiste kwalificatie van de hulpverlener.

Voor de wijze van vergoeden gelden dezelfde regels als voor het toekomstige inkomensverlies.

impact van nieuw huwelijk op de schadevergoeding wegens het verlies van de economische waarde van de huisvrouw of huisman

 

4. Postprofessionele schade

33. Postprofessionele schade is het verlies opgelopen door de gehele of gedeeltelijke ongeschiktheid tot het verrichten van arbeidstaken die niet behoren tot de huishoudelijke arbeid en die een economische waarde hebben na het afsluiten van de beroepsloopbaan.

Daaronder vallen niet: de inkomsten uit toegelaten arbeid voor gepensioneerden, indien zij vervat zijn in de vergoeding voor de blijvende arbeidsongeschiktheid.

5. Morele schade

zie ook verder punt 41 en 49

6. Seksuele schade

34. Deze schade is als zeer specifieke schade te vergoeden afzonderlijk  van de overige schadeposten. Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen enerzijds de schade door verlies aan seksueel leven (bijvoorbeeld impotentie, anorgasmie, aantasting van libido en gevoelloosheid) en anderzijds het verlies van zekerheid op nageslacht, waaronder steriliteit valt te catalogeren.

35. De kosten verbonden aan de  noodzaak van bijvoorbeeld een keizersnede of kunstmatige inseminatie worden vergoed. Zowel de materiële schade (ondermeer de aankoop van medicatie, medisch materiaal, medische ingrepen…) als de uit de noodzakelijke ingrepen spruitende  morele schade moeten vergoed worden.

35.bis De partner die bij weerkaatsing schade heeft  kan om vergoeding ervan verzoeken

schade bij weerkaatsing zien lijden doet lijden

7. Esthetische schade

36.Deze schade heeft niets te maken met de economische schade die voortvloeit uit esthetische ontsiering. De (arts)deskundige baseert zich op de gebruikelijke schaal van 1 tot 7 (schaal van Julin). De rechter moet rekening houden met de plaats van de ontsiering, het geslacht, de leeftijd en de activiteiten van het slachtoffer. Met activiteiten worden bedoeld niet alleen de professionele activiteiten maar ook de sociale activiteiten zoals deelname aan een toneelkring, muziekgroep  die een mens confronteren met anderen.

37. Daar de rechter hier moet appreciëren, is het noodzakelijk een gedetailleerd advies van de deskundige te ontvangen. Het is aan te bevelen dat de artsdeskundige, naast de gebruikelijke quotering van 1 tot 7, een gedetailleerde beschrijving geeft van de schade, indien mogelijk ondersteund door foto’s, onverminderd de mogelijkheid om de schade van het slachtoffer op de zitting de visu vast te stellen.

rechtspraak: esthetische schade

Wijze van vergoeden:

 

8. Genoegenschade

 

38. Indien niet vervat in de morele schade kan deze vergoeding worden voorbehouden voor uitzonderlijke gevallen waarin het slachtoffer als gevolg van het bewezen schadeverwekkende feit een vooraf beoefende sport of hobby moet stopzetten of drastisch verminderd ziet..

9. Schade door weerkaatsing

39. Dit is de schade die de verwanten lijden door het aanzien van het leed en de pijn van het slachtoffer. Het moet gaan om uitzonderlijke pijnen .

Er wordt een vergoeding toegekend wanneer het slachtoffer in levensgevaar of coma verkeert, zodat de toestand uiterst zorgwekkend is. Ook de situatie waarin naastbestaanden verkeren die dagelijks en langdurend geconfronteerd worden met een ernstige blijvende psychische, fysieke of mentale aftakeling van het slachtoffer geeft recht op deze vergoeding. Deze vergoeding wordt toegekend vanaf het moment dat de familieband niet meer normaal kan worden beleefd.

C. vergoeding per punt

40.  Er moet rekening worden gehouden met de impact van de letsels op de totaliteit van de activiteiten van het slachtoffer.

De basis van appreciatie is de leeftijd van het slachtoffer op de datum van de consolidatie.

De schadevergoeding zoals voorzien onder nummer 41 kan  via kapitalisatie  berekend worden indien het percentage invaliditeit of ongeschiktheid van het slachtoffer gelijk of hoger is dan 15%.  Bij een lager percentage kan er tevens gekapitaliseerd worden als er zekerheid bestaat dat deze letsels een belangrijke en onafwendbare vermindering van het arbeidsvermogen op lange termijn met zich meebrengen.

 Bij ongeschiktheden lager dan  15 % kunnen de hierna voorgestelde bedragen worden toegepast, rekening houdend met de ernst, de impact en de graad van de restletsels.

 1.materiele/morele schade vermengd

 

41.Tabel

leeftijd

vergoeding per punt

< 15 jaar

2200 € 

< 25 jaar

2062 €

< 30 jaar

1925 €

< 35 jaar

1925 €

< 40 jaar

1787 €

< 45 jaar

1650 €

< 50 jaar

1512 €

< 55 jaar

1375 €

< 60 jaar

1237 €

< 65 jaar

962 €

< 70 jaar

825 €

< 75 jaar

687 €

< 80 jaar

550 €

< 85 jaar

412 €

> 85 jaar

275 €

 2. Zuivere morele schade

42. Bij blijvende ongeschiktheid wanneer de materiële schade niet forfaitair begroot werd, wordt de morele schade bepaald op basis van de helft van de bedragen vermeld in bovenstaande tabel.

43. In de gevallen van blijvende invaliditeit, dit is zonder meerinspanning in het huishouden en professioneel leven, wordt als morele schade de helft van de bedragen uit bovenstaande tabel in aanmerking genomen.

 

IV.Overlijden

A.Begrafeniskosten

44. De begrafeniskosten maken een last van de nalatenschap uit. De feitenrechter kan echter soeverein vaststellen wie de schade door de uitvaartkosten effectief heeft geleden.

45. De begrafeniskosten zelf, mits voorlegging van de nodige bewijsstukken, worden  aanvaard doch er wordt rekening gehouden met de status van de overledene en diens nabestaanden.

Buitensporige uitgaven worden herleid.

Bij vergoeding van grafkelders, grafzerken, grafmonumenten en concessies wordt eventueel rekening gehouden met het aantal voorziene plaatsen.

46. Er  moet  rekening mee gehouden worden dat deze uitgaven meestal vervroegde betalingen zijn:

- indien de waarschijnlijke overlevingsduur van degene die de schade draagt korter is dan deze van het slachtoffer, zou deze schadelijder de kosten nooit hebben moeten maken zodat hij recht heeft op integrale vergoeding  (bijvoorbeeld de ouder voor zijn kind).

- indien de waarschijnlijke overlevingsduur van het slachtoffer minder lang is dan deze van de rechthebbende,zou deze laatste in ieder geval de begrafeniskosten hebben moeten dragen en bestaat de schade enkel in de vervroegde uitgave ervan. Met andere woorden  de schade bestaat uit het verschil tussen de huidige uitgave en de constante waarde van het bedrag dat normaal uitgegeven zou zijn op de vermoedelijke toekomstige datum van het overlijden, gesteld dat er geen ongeval is gebeurd. De berekening zal worden gebaseerd op de recentste sterftetabellen.

berekening vroegtijdige betaling begrafeniskosten tabel Schryvers

rechtspraak:

• Corr. Dendermonde 07/02/2006, RW 2006-2007, 1203:

"...Welnu, de schadevergoeding in geval van vervroegde uitgave bestaat uit het verschil tussen de werkelijke begrafeniskosten en de contante waarden van die kosten betaalbaar na een periode die overeenstemt met de statistische levensverwachting van de overledene (Schuermans e.a., «Overzicht van rechtspraak. Onrechtmatige daad, schade en schadeloosstelling», T.P.R. 1994, p. 1130). Ter zake dient te worden opgemerkt dat enkel indien de aanspraakgerechtigde de getroffene in normale omstandigheden overleefd zou hebben, de begrafeniskosten verdisconteerd kunnen worden. Dit onderstelt dus dat de aanspraakgerechtigde volgens de sterftetabellen langer in leven zou blijven dan de getroffene en dus diens uitvaartkosten ooit ten laste zou dienen te nemen.

Aangezien de levensverwachting slechts een gemiddelde is van het totaal aantal jaren die een groep individuen van een bepaalde leeftijd nog zal leven en niets meer is dan theoretische voorspellingen, kan in casu na vergelijking, gelet op het minieme verschil inzake levensverwachtingen (zelfs na consultatie van de meest recente sterftetafels), niet met menselijke zekerheid worden gesteld dat de heer M.P. zijn echtgenote zou hebben overleefd.

Aangezien er onzekerheid bestaat over de waarschijnlijke overlevingsduur van de weduwnaar ten opzichte van het slachtoffer en er hoe dan ook onzekerheid bestaat over de mate waarin de uitvaartkosten voor de burgerlijke partijen M.G. en M.B. over een termijn van meer dan twintig jaar (cf. sterftetafels tussen 2003 van de Belgische mannen) de successie zal belasten, dient niet te worden overgegaan tot verdiscontering van de uitvaartkosten. De rechtbank onderschrijft ter zake het standpunt van J. Schryvers met betrekking tot de casus dat indien het overlijden tientallen jaren vóór het gemiddelde tijdstip van de natuurlijke dood plaatsheeft, het raadzaam voorkomt niet over te gaan tot verdiscontering en de werkelijke uitgave als schade te aanvaarden, met toereiking van de compensatoire interest vanaf de datum van het overlijden (zie Schryvers, J., «Begroting uitvaartkosten», T.A.V.W. 2003, 142). De uitvaartkosten bedragen derhalve in totaal 5.708,89 euro..."

 

 

B. Schade ex haerede

47. Indien het slachtoffer zich bewust was van zijn nakend overlijden, kan hiervoor als vergoeding voor morele schade aan de rechthebbende  een forfaitair bedrag van 75 euro per dag toegekend worden.

Zo het slachtoffer bij bewustzijn was, maar zich geen rekenschap kon geven van het nakend overlijden is de gewone morele schade zoals bij tijdelijke ongeschiktheid te vergoeden .

Als het slachtoffer in de periode na het ongeval en vóór het overlijden niet bij bewustzijn is geweest, is er geen vergoedbare schade ex haerede.

Deze schade mag niet verward worden met de schade door weerkaatsing noch met de gereflecteerde schade. Het is een schade van de nalatenschap.

C. Morele schade van de nabestaanden

48. Deze (delicate) menselijke schade heeft betrekking op de  affectieve band met de overledene. De voorgestelde bedragen mogen onderling niet vergeleken worden, moeten niet automatisch toegekend worden en kunnen verhoogd of verminderd worden rekening houdend met speciale en concrete omstandigheden.

 49. Tabel

  De lijst van schadelijders is niet limitatief.

 

Slachtoffer

Vergoeding

echtgenoot/echtgenote

€ 12.500,-

samenwonende levenspartner (duurzame relatie met samenwoning vereist)

€ 12.500,-

verloofde

€ 5.000,-

feitelijk gescheiden partner

€ 3.750,-

ouder inwonend

€ 7.500,-

ouder niet inwonend

€ 3.750,-

kind inwonend per ouder

€ 12.500,-

kind zelfstandig wonend per ouder

€ 5.000,-

ongeboren kind (miskraam)

€ 2.500,-

broer/zus inwonend

€ 2.500,-

broer/zus niet inwonend

€ 1.500,-

stiefvader/stiefmoeder inwonend

€ 5.000,-

stiefvader/stiefmoeder niet inwonend

€ 2.500,-

stiefzoon/stiefdochter inwonend

€ 5.000,-

stiefzoon/stiefdochter niet inwonend

€ 2.500,-

grootouder inwonend

€ 2.500,-

grootouder niet inwonend

€ 1.250,-

kleinkind inwonend

€ 2.500,-

kleinkind niet inwonend

€ 1.250,-

schoonouder inwonend

€ 1.750,-

schoonouder niet inwonend

€ 1.150,-

schoonkind inwonend

€ 1.750,-

schoonkind niet inwonend

€ 1.150,-

 

Noot: vergelijk Rechtspraak: : Antwerpen 10 februari 1998, T.A.V.W. 1999, 50.

Morele schade ingevolge het overlijden van een echtgenoot-vader: echtgenote: 350.000 F; dochtertje (8 jaar): 300.000 F.
Morele schade ingevolge het overlijden van een zoon-broer-kleinkind: inwonende ouders: 300.000 F: samenwonende oudere broer: 100.000 F; grootmoeder: 60.000 F.

 

 D. Economische schade bij overlijden

50. Hoewel de dood geen schade meer oplevert voor de overledene zelf,is het overlijden de gebeurtenis bij uitstek die aanleiding geeft tot schade voor de nabestaanden .. Dit is zeker het geval voor de nabestaanden die voordeel haalden uit het beroepsinkomen van de overledene. Zij kunnen slechts aanspraak maken op dat deel van het inkomen waaruit ze persoonlijk voordeel genoten. Het is dan ook belangrijk te weten welke uitgaven het gezin niet meer zal doen voor de kostwinner zelf.

Het aandeel van de persoonlijke uitgaven van de kostwinner in het gezinsbudget  is niet steeds exact te berekenen, zeker wanneer het slachtoffer met andere gezinsleden woonde. De aftrek voor de eigen onderhoudskosten kan dan ook  in een aantal gevallen forfaitair gebeuren bij gebreke aan gegevens van een andere aard.

Bij de begroting van het aandeel voor het eigen onderhoud moet ondermeer l rekening gehouden worden met de leeftijd van de echtgeno(o)t(e) en de kinderen, de vaststelling dat het  om een eenverdienergezin dan wel om tweeverdienergezin gaat, het inkomenspeil, de levensstandaard van het gezin, het beroep van de overledene, de vraag of het echtpaar een gemeenschappelijk vermogen zou opbouwen, hypothecaire lasten.

51. Bij gebrek aan actualisering van schalen voor de berekening van het eigen aandeel in de gezinsuitgaven kan volgende formule als vuistregel gehanteerd worden:

 

gezinsinkomen 100 %

___________________________________   

totaal aantal gezinsleden vóór overlijden + 1

 

52. Bij het vaststellen van het aantal gezinsleden kan rekening gehouden worden met het feit dat de kinderen op een bepaalde leeftijd het ouderlijke huis verlaten, waardoor het eigen aandeel van de overledene zal vergroten. Men kan dus voor de toekomst in verschillende periodes met onderscheiden percentages voorzien. Bij gebreke aan andere criteria wordt  het verlaten van de ouderlijke woonst aanvaard op de leeftijd van 25 jaar .

Noot van de webmaster: Rechtspraak:

• Corr. Dendermonde 07/02/2006, RW 2006-2007, 1208:

"...Het slachtoffer, wijlen mevrouw H.A., en haar echtgenoot genoten beiden een pensioen op het ogenblik van de feiten. Ter zake worden diverse stukken voorgebracht. Door de vrijwillig tussenkomende partij NV K.V. wordt het inkomstenverlies als zodanig niet op een ernstige wijze betwist. Enkel wordt aangevoerd dat de aftrek voor het eigen onderhoud dient te worden geraamd op 40 à 50% in plaats van 30%.

Bij overlijden wordt door de rechthebbende slechts schade geleden in de mate waarin hij wordt beroofd van het gedeelte van de inkomsten waaruit hij persoonlijk voordeel haalde. Er dient te worden benadrukt dat deze aftrek staat voor het deel van de inkomsten die het slachtoffer voor de eigen behoeften en niet voor het gezin besteedde en die dus uitgaven dekken die de nabestaande door het wegvallen van het slachtoffer niet meer zal moeten doen. Hierbij dient weliswaar abstractie te worden gemaakt van de vaste kosten en lasten, zoals verzekeringen, verwarming, elektriciteit, telefoon, herstelling van de woning e.d., die nagenoeg onveranderlijk blijven rusten op de nabestaande. Daarentegen dient wél in aanmerking te worden genomen het wegvallen van een deel van de kosten die werden uitgegeven aan voedsel, telefoon e.d. ten behoeve van het slachtoffer.

Tevens dient bij de raming van de eigen onderhoudskosten rekening te worden gehouden met het inkomensniveau van de beide echtgenoten. Om de vergoeding te bepalen die aan de overlevende echtgenoot van het slachtoffer van een dodelijk ongeval verschuldigd is, en om meer bepaald het bedrag te bepalen dat die echtgenoot persoonlijk ten goede kwam toen zijn echtgenote nog leefde en dat hij wegens haar overlijden heeft verloren, dienen de persoonlijke onderhoudskosten van het slachtoffer in mindering te worden gebracht van het geheel van de gezinsinkomsten (zie Cass. 6 november 2002, R.W. 2005-06, 23; De Verz. 2003, 808; De Temmerman, B., «Recente cassatierechtspraak inzake schade en schadevergoeding (2001-2003)», R.G.A.R. 2003, nr. 13.772, randnummer 17).

In de rechtspraak wordt doorgaans voor een gezin zonder (inwonende) kinderen een aftrek gehanteerd tussen de 30 à 50%, wat forfaitaire percentages zijn die weinig of geen rekening houden met de werkelijke situatie van het gezin. Omdat het voor partijen nagenoeg onmogelijk is juiste gegevens te verschaffen over het aandeel van de persoonlijke onderhoudskosten in het geheel van de gezinsuitgaven, baseert de rechtbank zich op het «Huishoudbudgetonderzoek», uitgevoerd door het N.I.S. (http://www.statbel.fgov.be), waarbij, rekening houdende met onder meer het inkomensniveau van het gezin of de levensstandaard, het aantal professioneel actieve gezinsleden, de financiële lasten van het gezin, een meer realistische en nauwkeuriger berekening van de eigen onderhoudskosten mogelijk is, temeer daar eveneens een onderscheid wordt gemaakt tussen de voormelde permanente onkosten en de persoonlijke onderhoudskosten (zie Schryvers, J., «Een meer realistische berekening van de eigen onderhoudskosten?», T.A.V.W. 2000, 109). Uit de voormelde studie is gebleken dat vooral in de hogere inkomenscategorieën verhoudingsgewijs het aandeel van de gezinsuitgaven (consumptie) op het totale inkomen vermindert naargelang het inkomen stijgt. In het laatste geval kan meer gespaard worden. In acht genomen de voormelde statistieken kunnen de kosten van het persoonlijk onderhoud van wijlen de echtgenote van burgerlijke partij op 30% van de gezamenlijke gezinsinkomsten worden geraamd".

verlies van inkomsten uit zwartwerk is geen vergoedbare schade

• Hof van Cassatie, 2e Kamer – 23 maart 2005, RW 2008-2009, 143

Ook wanneer de eigen schade van de weduwe niet het gedeelte omvat dat de overledene voor zijn persoonlijk onderhoud bestemde, dan kan die schade het gedeelte omvatten dat de vooroverleden echtgenoot besteedde aan het onderhoud en de opvoeding van de minderjarige kinderen die de weduwe uit haar huwelijk met hem heeft. Daaruit volgt dat de appelrechters art. 1382 en 1383 B.W. niet schenden wanneer zij van de verloren inkomsten slechts dat gedeelte aftrekken dat de overledene voorbehield voor zijn persoonlijk onderhoud en niet het gedeelte dat hij, zonder het ongeval, aan de opvoeding en het onderhoud van zijn minderjarige kinderen had kunnen blijven besteden.

B.M.-F. t/ B.N.

I. Bestreden beslissing

De cassatieberoepen zijn gericht tegen een vonnis, dat op 20 oktober 2004 door de Correctionele Rechtbank te Aarlen in hoger beroep is gewezen.

...

IV. Beslissing van het Hof

...

B. Over het cassatieberoep van N. B.

Overwegende dat verweerster M.-F. B., handelend in eigen naam en niet in de hoedanigheid van bestuurder van de goederen van haar minderjarige kinderen, van eiseres N. B. herstel eiste van de materiële schade die zij heeft geleden ten gevolge van een verkeersongeval op de weg van of naar het werk dat de dood van haar echtgenoot heeft veroorzaakt;

Dat zij herstel vorderde van de eigen schade die voortvloeit uit het verlies van het gedeelte van de inkomsten van haar overleden echtgenoot waaruit zij voordeel haalde;

Overwegende dat eiseres het bestreden vonnis verwijt dat het van de inkomsten van haar echtgenoot niet het gedeelte aftrekt dat deze bestemde voor het onderhoud en de opvoeding van de kinderen; dat, volgens haar, de weduwe van het slachtoffer niet van dit laatste gedeelte genoot, zodat zij hiervan in eigen naam geen herstel kon vragen;

Maar overwegende dat, ook wanneer de eigen schade van de weduwe niet het gedeelte omvat dat de overledene voor zijn persoonlijk onderhoud bestemde, die schade daarentegen, in strijd met wat het middel aanvoert, het gedeelte kan omvatten dat de vooroverleden echtgenoot besteedde aan het onderhoud en de opvoeding van de minderjarige kinderen die de weduwe uit haar huwelijk met hem heeft;

Dat immers de noodzaak voor een overlevende echtgenoot om voortaan alleen de geldelijke last van onderhoud en opvoeding te dragen, voor hem een eigen schade kan zijn;

Overwegende dat de appelrechters bijgevolg art. 1382 en 1383 B.W. niet schenden wanneer zij van de verloren inkomsten slechts dat gedeelte aftrekken dat de overledene voorbehield voor zijn persoonlijk onderhoud en niet het gedeelte dat hij, zonder het ongeval, aan de opvoeding en het onderhoud van de kinderen had kunnen blijven besteden;

Dat het middel niet kan worden aangenomen.

Rechtsleer: A. Van Oevelen, G. Jocqué, C. Persyn en B. De Temmerman, «Overzicht van rechtspraak. Onrechtmatige daad: schade en schadeloosstelling (1993-2006)», T.P.R. 2007, (933), p. 1065- 1067, nr. 29.2.a.
 

 V. Intrest en provisie

A. Vergoedende intrest

53. Als vergoeding van het uitstel van betaling of de vertraging van het herstel, vóór de uitspraak van het vonnis, wordt ter compensatie een intrest toegekend op de hoofdsom en de provisie. 

1. Op de hoofdsom

54. De vergoedende of compensatoire rente is een element van de schade en is bestemd om de schade te herstellen die  tot stand gekomen is door een vertraging in de betaling van de verschuldigde vergoedingen . De rechter begroot het percentage in concreto. De verantwoordelijke voor de schade of zijn verzekeraar dienen de voorschotten in de kortste termijn te voldoen. Langs zijn kant heeft  het slachtoffer, die ook zijn schade dient te beperken, de verplichting  zo vlug als mogelijk zijn schadebewijzen en eisen te laten kennen.

55. Wanneer de vertraging in de afhandeling van de regeling te wijten is aan de fout of de nalatigheid van het slachtoffer heeft dit laatste geen recht meer op de vergoedende intrest voor de duur van die periode  van de fout of de nalatigheid.

56. De aanvangsdatum voor de berekening van de verschuldigde vergoedende intrest kan als volgt bepaald worden:

- voor kosten of schade die zich gespreid voordoen over een bepaalde periode voorafgaand aan het vonnis: indien niet exact berekenbaar, vanaf de gemiddelde datum, zijnde de datum waarop de helft van het totale bedrag van de schadevergoeding, voor dat onderdeel, bereikt wordt;

- bij materiële schade: vanaf de datum van het ongeval;

- bij verlies van een schooljaar: vanaf het einde van het verloren schooljaar;

- voor de schade ex haerede: vanaf de gemiddelde datum tussen het ongeval en het overlijden;

- voor de blijvende esthetische schade, pretium voluptatis: vanaf de datum van het ongeval;

- voor de vergoeding van de blijvende arbeidsongeschiktheid-invaliditeit:

 

a. bij kapitalisatie: op het voor de toekomst als vergoeding gekapitaliseerde bedrag  kan geen vergoedende intrest toegekend worden;

Op de schadevergoeding tussen de consolidatie en de uitspraak wordt vanaf de gemiddelde datum op het nominale bedrag intrest toegekend.

 

b.bij forfait: wanneer de schade in haar geheel wordt begroot op het ogenblik van de consolidatie: vanaf deze datum.

 

2. Op de provisies

 

57. Logischerwijze wordt op de provisie dezelfde rente toegekend als de vergoedende rente die aan het slachtoffer toegekend wordt.

 B. Moratoire rente

 58. De moratoire rente vergoedt de periode van niet-betaling van de schadevergoeding na het vonnis en beloopt steeds de wettelijke intrestvoet.

 Zowel de compensatoire vergoedende rente als de moratoire rente zijn een vorm van gerechtelijke rente.

 beperking van de interest wanneer vertraging door fout van de schuldeiser

59.

VI. Opdracht medische expertise

1. Procedure

Nadat de partijen conform het artikel 972 §1 van het Gerechtelijk Wetboek uitdrukkelijk hebben afgezien van het houden van een installatievergadering, stelt de rechtbank als gerechtsdeskundige aan:  

 …, dokter in de geneeskunde of arts , met de volgende opdracht:

1.1 Oproepingen

 

De deskundige zal binnen de 8 dagen na de betekening van zijn opdracht

- bij een ter post aangetekende brief de betrokken partijen, … en …

- bij gewone brief:

de advocaten, zijnde respectievelijk

voor  …, Meester …

voor  …, Meester …

 

en de raadsgeneesheren van elk van de betrokken partijen, zijnde 

voor …, dokter …

voor …, dokter …

 

oproepen.

 

En zal tevens de rechtbank hiervan bij gewone brief in kennis stellen,

 

Met vermelding van de plaats, de dag en het uur van de eerste vergadering, die noodzakelijk dient plaats te hebben binnen de twee maanden nadat de opdracht hem officieel ter kennis werd gebracht.

 

1.2. Omschrijving van de opdracht

 

De aangestelde deskundige

 

- zal de partijen, hun advocaten en raadsgeneesheren horen,

 

- zal kennis nemen van de dossiers en de medische stukken die reeds in het bezit zijn van de partijen, dewelke hem zullen medegedeeld worden uiterlijk binnen de 8 dagen vóór de eerste vergadering,

 

- zal (bij het begin  van zijn verslag) de volledige identiteit van het slachtoffer vermelden en diens burgerlijke stand, diens persoonlijke en familiale situatie, diens schoolse opleiding, diens vroegere en huidig beroep, diens medische antecedenten, alsook de ter kennis gebrachte  hobby’s vermelden,

 

- zal  aan de hand van een gedetailleerde ondervraging en een grondig klinisch onderzoek, eventueel aangevuld door specifieke gespecialiseerde onderzoeken op nauwkeurige wijze de vastgestelde letsels en stoornissen, hun evolutie, de ondergane behandelingen, de eventuele verwikkelingen en de geuite klachten beschrijven, alsook bepalen in welke mate deze toe te schrijven zijn aan het ongeval.

 

2. Voorafbestaande toestand

 

In het geval er zou worden aangetoond dat het slachtoffer is of was getroffen door een fysische aandoening of een ziekte waarvan klaarblijkelijk kan gezegd worden dat deze losstaat van het ongeval, zal de deskundige vaststellen of en in welke mate deze  voorafbestaande toestand door het ongeval werd gewijzigd of er de gevolgen van heeft gewijzigd.

 

3. Tijdelijke schade

 

 

3.1. Hulp

 

De deskundige zal bepalen of prothesen, orthesen, technische hulpmiddelen, aanpassingen aan het woning (hierin begrepen de domotica) of het voertuig van aard zijn geweest het privé leven, het huishouden in de brede zin van het woord of het professionele leven van het slachtoffer te vergemakkelijken.

 

In bevestigend geval zal hij de kostprijs hiervan bepalen.

 

De deskundige zal tevens bepalen of, gedurende deze tijdelijke periodes, de toestand van het slachtoffer de hulp van  derde, al dan niet van professionele aard, noodzakelijk maakte.

 

In bevestigend geval zal hij de aard en de tijdsduur ervan bepalen, hierbij rekening houdende met de bestaande en beschikbare hulpmiddelen.

 

Er zal bij de evaluatie van de verschillende graden van ongeschiktheid met deze onderscheiden vormen van hulp rekening gehouden worden.

 

3.2. Tijdelijke persoonlijke ongeschiktheid

 

De deskundige zal op  een schaal van 0 tot 100 de graad van  tijdelijke, volledige en gedeeltelijke ongeschiktheid vaststellen die deze aantasting van de fysieke en/of psychische integriteit op het dagelijkse leven van het slachtoffer met zich meebrengt. Een onderscheid zal gemaakt worden tussen de periodes van hospitalisatie en de andere periodes van de eventuele huishoudelijke en economische ongeschiktheden die op een aparte wijze zullen beoordeeld worden (zie 3.3 en 3.4 hierna).

 

3.3. Tijdelijke huishoudelijke ongeschiktheid

 

De deskundige zal de eventuele tijdelijke, volledige en gedeeltelijke repercussies van deze aantasting van de fysieke en/of psychische integriteit op de huishoudelijke activiteiten van het slachtoffer vaststellen door deze te bepalen en te begroten op een schaal van 0 tot 100.

 

3.4. Tijdelijke economische ongeschiktheid

 

De deskundige zal de eventuele tijdelijke, volledige en gedeeltelijke repercussies van deze aantasting van de fysieke en/of psychische integriteit op de voorbije en huidige beroepsactiviteit van het slachtoffer vaststellen door deze te bepalen en te begroten op een schaal van 0 tot 100. (Zodoende zal de deskundige o.a. rekening houden met de eventueel beschreven meerinspanningen al dan niet geleverd door het slachtoffer in geval van gedeeltelijke of gehele werkhervatting.)

 

3.5. Bijzondere schadeposten

 

Voor zover zij vóór de consolidatie een specifiek fysiek, psychisch of sociaal belang vertonen en voor zover zij niet in aanmerking gekomen zijn bij de vaststelling van de verschillende graden van tijdelijke ongeschiktheid, zal de deskundige nagaan of er specifieke schadeposten (inzake de esthetische schade, de seksuele schade en de genoegenschade) bestaan en zal hij de aard ervan bepalen en beschrijven.

 

De deskundige zal tevens bepalen of het gepast voorkomt specifieke fysieke pijnen die niet werden opgenomen in de persoonlijke ongeschiktheidpercentages, te weerhouden, en in bevestigend geval zal hij deze pijnen in de tijd beschrijven en begroten volgens een zevendelige schaal.

 

4. Blijvende schade

 

4.1. Consolidatie - letseltabel

 

De deskundige zal een omstandig advies geven m.b.t. de datum van genezing of de consolidatie van de letsels; hij zal nauwkeurig de blijvende sequelen alsook de aanhoudende klachten beschrijven en tevens bepalen in welke mate deze aantastingen van de fysieke en/of psychische integriteit toe te schrijven zijn aan het ongeval.

 

4.2. Hulp

 

De deskundige zal bepalen of na de consolidatiedatum van de letsels, prothesen, orthesen, technische hulpmiddelen, aanpassingen aan  de woning (hierin begrepen de domotica) of het voertuig van aard zijn of zullen zijn het persoonlijk leven, het huishouden in de brede zin van het woord of het professionele leven van het slachtoffer te vergemakkelijken.

Hij zal er de kostprijs van bepalen, alsook de frequenties van de vernieuwingen en het onderhoud.

 

In bevestigend geval zal hij er rekening mee houden bij de vaststelling van de verschillende graden van blijvende ongeschiktheid.

 

De deskundige zal bepalen of het slachtoffer na de datum van consolidatie van de letsels beroep moet of zal moeten doen op de hulp van derden en zal er de aard, de vakbekwaamheid en er de tijdsduur van bepalen, hierbij rekening houdende met de bestaande en beschikbare hulpmiddelen.

 

In bevestigend geval zal de deskundige er rekening mee houden bij de vaststelling van de verschillende graden van blijvende ongeschiktheid.

 

4.3. Blijvende  ongeschiktheid

 

De deskundige zal onder de rubriek “ ongeschiktheid” bepalen:

 

Of en in welke mate (volgens een schaal van 0 tot 100) de aan het ongeval te wijten  blijvende sequelen een repercussie hebben op het dagelijkse leven van het slachtoffer, en dit onafhankelijk van de eventuele huishoudelijke en economische ongeschiktheden die op een aparte wijze zullen worden beoordeeld (zie 4.4 en 4.5 hierna).

 

4.4. Blijvende huishoudelijke ongeschiktheid

 

De deskundige zal onder de rubriek “huishoudelijke ongeschiktheid” bepalen :

 

Of en in welke mate (volgens een schaal van 0 tot 100) de aan het ongeval te wijten blijvende sequelen een repercussie hebben op de huishoudelijke ongeschiktheid van het slachtoffer.

 

4.5. Economische ongeschiktheid

 

De deskundige zal onder de rubriek “economische ongeschiktheid” bepalen ,indien nodig beroep doende op een ergoloog.:

 

Of en in welke mate (volgens een schaal van 0 tot 100) de aan het ongeval te wijten blijvende sequelen op een blijvende wijze een aantasting van de werkgeschiktheid van het slachtoffer zullen uitmaken, hierbij vooral rekening houdende met zijn eerdere beroepsactiviteiten, zijn huidig beroep en de andere winstgevende activiteiten die hij redelijkerwijze nog kan uitoefenen in functie van zijn daadwerkelijke aanpassingsmogelijkheden in overeenstemming met zijn leeftijd, zijn opleiding en zijn eerdere beroepsoriëntering. Hij zal in geval van gedeeltelijke of gehele werkhervatting rekening houden met de eventueel al dan niet geleverde  meerinspanningen.

 

4.6. Bijzondere schadeposten

 

De deskundige zal, voor zover bij de bepaling van de verschillende graden van blijvende ongeschiktheid er geen rekening mee gehouden werd, onder de rubriek “bijzondere schadeposten” bepalen:

 

Of en in welke mate de aan het ongeval toe te schrijven blijvende sequelen voor het slachtoffer hebben geleid tot:

 

- Esthetische schade

In bevestigend geval zal hij op grond van de door hem aangegeven criteria deze blijvende esthetische schade beschrijven en bepalen volgens een schaal van 1 tot 7.

Voor zover er correctieve behandelingen mogelijk zijn, zal hij het risico et de kostprijs van deze eventuele ingreep of ingrepen, de periodes van ongeschiktheid als gevolg hiervan, en in voorkomend geval de achteraf overblijvende schade bepalen.

 

- Seksuele schade

In bevestigend geval zal hij op nauwkeurige wijze de verschillende aspecten van deze schade beschrijven.

 

-Genoegenschade.

In bevestigend geval zal hij nauwkeurig de verschillende aspecten van de schade bepalen die de sociale, culturele of sportieve activiteiten van het slachtoffer heeft aangetast, voor zover het slachtoffer heeft aangegeven dat deze activiteiten voor het ongeval intens beleefd werden.

.

 

- Buitengewone blijvende fysieke pijnen die niet geïntegreerd werden bij de graden van blijvende persoonlijke ongeschiktheid. 

In bevestigend geval zal hij deze fysieke pijnen beschrijven en zal hij de eventuele medicaties en behandelingen die het mogelijk maken de belangrijkheid ervan te milderen   nader bepalen.

 

4.7. Reserves

 

De deskundige zal, rekening houdende met het sequellair bilan, vaststellen of reserves moeten voorzien worden, en zal in dit geval in de mate van het mogelijke, het voorwerp en de duur ervan nader omschrijven.

 

4.8. Medische verzorging en kosten na consolidatie

 

De deskundige zal, rekening houdende met het sequellair bilan, vaststellen of bestendige medische verzorging en kosten dienen te worden voorzien en zal in dit geval de aard en de frequentie ervan bepalen.

 

5. Voor - en eindverslag

 

De deskundige zal de Rechtbank op een globale wijze opheldering verschaffen over de toestand van het slachtoffer m.b.t. de schadelijke gevolgen van het ongeval, zij het voor of na de consolidatie.

 

De deskundige zal aan partijen een voorlopig advies overmaken, waarbij hen de mogelijkheid wordt geboden hun opmerkingen te maken binnen de strikt vastgestelde termijn (art. 976 van het Gerechtelijk Wetboek).

 

Zowel in het voor - als eindverslag zal de deskundige antwoorden op alle geformuleerde pertinente opmerkingen, zelfs indien deze binnen de gestelde termijn verwoord werden als nota’s van relevante feiten.

 

De deskundige zal pogen de partijen te verzoenen (art. 977 van het Gerechtelijk Wetboek).

 

Indien het dossier aanvullende taken of onderzoeken vereist waardoor de deskundige het verslag niet kan inleveren binnen de oorspronkelijk vastgestelde termijn of indien de consolidatie blijkbaar in de verre toekomst te situeren is, zal de deskundige voor het verstrijken van de termijn van zes maanden, hetzij op …, een tussentijds verslag opstellen en zal hij conform het artikel 974 van het Gerechtelijk Wetboek een gemotiveerd verzoek richten tot de rechter om de verlenging van de termijn te bekomen.

 

De deskundige zal binnen de … maanden, hetzij uiterlijk op ..., zijn eindverslag onder ede ter griffie van deze Rechtbank neerleggen.

 

De deskundige zal zijn opdracht vervullen onder toezicht van de rechter, die te allen tijde ambtshalve of op verzoek van de partijen de werkzaamheden kan bijwonen (artikel 973, §1, van het Gerechtelijk Wetboek). De partijen en de deskundige kunnen zich te allen tijde bij gewone brief, met vermelding van de redenen, tot de rechter wenden (artikel 973, §2, van het Gerechtelijk Wetboek).

 

6. Voorschotten en erelonen

7. Afstand van de expertise en hoger beroep

 

De partij die afstand doet van de expertise zal de deskundige, de rechtbank alsook de andere partijen hiervan binnen de maand na huidig vonnis schriftelijk op de hoogte dienen te stellen, waarbij de reeds door de deskundige gemaakte kosten ten laste vallen van de partij die afstand doet.

 

De partij die tegen dit vonnis hoger beroep aantekent moet binnen de 8 dagen na zijn beslissing de deskundige, de Rechtbank, alsook de andere partijen hiervan schriftelijk in kennis stellen.

 

VII . Slotbeschouwingen

 

A. Principes van schadeloosstelling van menselijke schade

 

60. Alvorens op de schadebegroting en het schadeherstel in te kunnen gaan, moet worden bepaald wat als schade in aanmerking komt. Schade is het negatieve verschil tussen twee toestanden, namelijk de toestand waarin het slachtoffer zich ingevolge de onrechtmatige daad bevindt en de toestand waarin hij zich bij ontstentenis van de onrechtmatige daad zou hebben bevonden. Schade gaat gepaard met verlies, nadeel, en aantasting van waarden. Alvorens de schade te begroten moet de aard van de aangetaste waarden, soort per soort, nauwkeurig worden bepaald.

 

Schade vertoont bovendien een tijdsdimensie en een ruimtelijke of sociale dimensie, die samen met de waardedimensie, de schadeomvang bepalen.

 

De tijdsdimensie impliceert dat wordt onderzocht hoe het negatief verschil tussen beide in aanmerking te nemen toestanden vanaf het ontstaan ervan is geëvolueerd en hoe het zich vanaf de rechterlijke uitspraak nog verder zal ontwikkelen. Zowel de toestand van het slachtoffer na het ongeval, als de toestand waarin hij zich bij ontstentenis daarvan zou hebben bevonden, moeten met andere woorden op een zich ontwikkelende tijdsas worden uitgezet. Hoe langer het negatief verschil bestaat, hoe belangrijker de schade is.

 

De ruimtelijke of sociale dimensie van de schade verwijst naar het feit dat schade dikwijls met weerkaatsing op andere rechtssubjecten gepaard gaat. Uit de vaststelling dat veel weerkaatsingschade wordt berokkend, kan, bij wijze van vermoeden, worden afgeleid dat de initiële schade belangrijk was.

Het negatief verschil tussen de twee in aanmerking genomen toestanden heeft steeds betrekking op een bepaalde, aangetaste waarde. Zo kan er sprake zijn van schade aan de fysieke integriteit, schade aan het arbeidsinkomen, pijn en aantasting van gevoelens, zaakschade, verlies van koopkracht, verlies van intrest, enz.

 

61. Schade opgevat als het negatieve verschil tussen de twee in aanmerking genomen toestanden komt evenwel slechts voor herstel of vergoeding in aanmerking als hij zeker, persoonlijk en rechtmatig is. Wordt de vereiste van zekerheid op de spits gedreven, dan bestaat het risico dat heel wat schade wordt miskend.

Vooral in zijn tijd - en ruimtelijke dimensie zijn tal van onzekerheidsfactoren aan te treffen, die nooit helemaal kunnen worden vermeden.

 

Daarom wordt terecht aangenomen dat geen absolute, doch slechts een rechterlijke zekerheid vereist is. De rechter moet, op basis van de hem voorgelegde feiten, kunnen aannemen dat het bestaan en de omvang van de schade voldoende waarschijnlijk is om als zeker te kunnen worden aangemerkt. Eenmaal de feitenrechter tot het besluit is gekomen dat een bepaalde schade zeker is, moet niet meer in aanmerking worden genomen dat de schade steeds, in min of meerdere mate, een abstractie van de werkelijkheid is.

 

62. De schade moet steeds in concreto worden begroot, zelfs bij een vergoeding ex aequo et bono, zodat het slachtoffer, voor zoveel als mogelijk, teruggeplaatst wordt in de toestand waarin hij zich zou hebben bevonden indien er geen ongeval gebeurd zou zijn. Die werkwijze moet – althans in rechte – toelaten het slachtoffer terug te plaatsen in de toestand waarin hij zich, met betrekking tot de aangetaste waarde, bevond vóór het ongeval. Eenmaal de schade van het slachtoffer is hersteld of vergoed, staat in rechte vast dat de aansprakelijke zijn schuld heeft betaald.

 

Het negatieve verschil tussen de twee in aanmerking te nemen toestanden moet bij voorrang en voor zover mogelijk, worden hersteld in de eigenlijke betekenis van het woord. Het herstel (in natura) brengt de schadelijder werkelijk terug in de toestand waarin hij zonder de onrechtmatige daad zou hebben verkeerd. De kosten van het herstel moeten door de aansprakelijke worden gedragen. Uiteraard moet het slachtoffer wel het initiatief nemen om een aldus omschreven schadeloosstelling te verkrijgen. Indien het herstel in eigenlijke zin (in natura) niet gevorderd wordt of onmogelijk is, moet de schade door middel van een vergoeding worden gecompenseerd.

 

63. Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen de reeds geleden schade (tussen het ogenblik van het ongeval en dat van de uitspraak) en de toekomstige schade. Reeds geleden schade is niet meer voor herstel in natura vatbaar en moet derhalve worden vergoed. Toekomstige schade is moeilijker te begroten omdat het bestaan en de omvang van de waardeaantasting minder makkelijk is vast te stellen.

 

B. Indeling van menselijke schade

 

1. Soorten menselijke schade

 

64. Schade aan de persoon van de mens gaat gepaard met de belangrijkste waardeaantasting. Onderscheid moet worden gemaakt tussen, enerzijds, de gezondheidsschade en, anderzijds, het verlies van arbeidsinkomen of de aantasting van het economisch potentieel ingevolge arbeidsongeschiktheid.

 

Onder gezondheidsschade is de aantasting van de volgende waarden te rangschikken: de fysieke integriteit, de psychische integriteit, de zelfredzaamheid in het dagelijks leven, de pijn, de gevoelens... De omvang van die schade is niet rechtstreeks in geld becijferbaar. Sommige van die waardeverliezen kunnen door onder andere geneeskundige behandeling en verzorging, materiële hulpmiddelen en hulp van derden geheel of gedeeltelijk worden opgevangen en hersteld. Wanneer dit onmogelijk is, moet een compenserende vergoeding worden toegekend (vergoeding van morele schade).

 

Het verlies van arbeidsinkomen is rechtstreeks in geld becijferbaar: het is het verschil tussen het inkomen dat het slachtoffer zou hebben verdiend zonder de onrechtmatige daad en het inkomen dat hij na de onrechtmatige daad kan verdienen. Omdat het verlies van arbeidsinkomen op lange termijn moeilijk concreet is vast te stellen zal men zich vaak moeten beperken tot een schatting van het verlies aan economisch potentieel.

 

Het werkelijke herstel (in natura) van de gezondheidsschade (met betrekking tot de fysieke en psychische integriteit) kan het verlies van arbeidsinkomen beïnvloeden. Indien het herstel in natura van die gezondheidsschade succesvol verloopt, zal zulks meestal het verlies van arbeidsinkomen en derhalve de schade uit arbeidsongeschiktheid kunnen beperken.

 

Is herstel niet mogelijk, dan zal het verlies van arbeidsinkomen in principe de maat van de compenserende vergoeding zijn.

 

2. Indeling van het schadeveld volgens de tijdsdimensie

 

65. Per schadesoort en binnen elke schadesoort moet – zoals meermaals herhaald – een onderscheid worden gemaakt tussen verleden en toekomstige schade.

 

Verleden schade (deze wordt geleden tussen het ogenblik van het ongeval en dat van de uitspraak) is meestal met grote zekerheid vast te stellen en te begroten. De kaarten liggen anders ten aanzien van toekomstige schade. Daar is sprake van enige ‘onzekerheid’, wat nochtans ontoereikend is om hem als onvoldoende waarschijnlijk, dan wel als rechterlijk onzeker van de hand te wijzen.

 

Door een beroep te doen op actuariaatskennis, op geïndexeerde renten en op andere technieken kan de reeds vastgestelde en geraamde toekomstige schade accurater worden vergoed.

Wordt daarover getwijfeld, dan kan een reserve worden voorbehouden voor de toekomst, zodat de toestand van het slachtoffer na verloop van tijd zal kunnen worden herbekeken.

 

De gebruiker van deze indicatieve tabel wordt uitgenodigd zich steeds te beraden over de schade en de schadeloosstelling, en zich kritisch op te stellen ten opzichte van voornoemde tabel.

Bijkomende noten van de webmaster:
Verlies van een echtgenoot:

• Wanneer het slachtoffer overlijdt ingevolge een onrechtmatige daad, bestaat de schade die zijn overlevende echtgenoot lijdt, onder meer, in het derven van de inkomsten van de overleden echtgenoot die hem persoonlijk ten goede kwamen; het is daarbij onverschillig of die inkomsten voortvloeiden uit een beroepsactiviteit, dan wel bestonden uit een rustpensioen. Cass. (1e k.) AR C.05.0299.N, 16 maart 2006 (O.L. / Fidea) http://www.cass.be  (19 april 2006).

• De eigen schade van de weduwe van een slachtoffer van een dodelijk ongeval kan het gedeelte van de inkomsten van de vooroverleden echtgenoot omvatten die deze besteedde aan onderhoud en opvoeding van de minderjarige kinderen die de weduwe uit haar huwelijk met hem heeft. (art. 1382, 1383 B.W.). Cass. (2e k.) AR P.04.1554.F, 23 maart 2005 (B.M.-F. / B.N., M.; B.N. / B.M.-F.) http://www.cass.be  (8 april 2005).
 

• Feitelijke scheiding. Criteria bij de begroting van de materiële schade bij het overlijden van echtgenote na feitelijke scheiding. Verlies van recht op hulp volgens oud art. 212 en 218 (nieuw art. 213 en 221) B.W., Cass. 26 oktober 1976, De Verz. 1977, 633; , J.T. 1977, 266; , Rev. not. b. 1977, 368.

• Kort huwelijk, 2° huwelijk en voorafbestaande slechte gezondheid: zie Luik 6 oktober 1986, De Verz. 1987, 187, noot PEVERNAGIE, W. De echtgenote van het overleden slachtoffer heeft slechts recht op een vergoeding van 75.000 fr. voor morele schade als blijkt dat zij slechts vier jaar met het slachtoffer is gehuwd geweest en dat beiden tevoren met een andere partner gehuwd waren. Bovendien is het belangrijk te weten dat het slachtoffer voor het ongeval reeds zwaar ziek was.
Voor de materiële schade van de weduwe van het slachtoffer kan de kapitalisatiemethode niet worden toegepast, o.m. omdat de slechte gezondheidstoestand van het slachtoffer voor het ongeval niet toelaat te bepalen hoelang zijn levensduur normaal zou zijn geweest. Ex aequo et bono wordt uit dien hoofde 750.000 fr. toegekend.

• Gent 29 juni 1993, T.A.V.W. 1997, 152, noot J.S.
Raming van de vergoeding van de schade t.g.v. een dodelijke val van een zelfstandige handelaar van 56 jaar bij het leveren van brandstof: Materieel: beroepsinkomsten rekening houdend met de fiscale documenten; aftrek eigen onderhoud 35%; kapitalisatie zekere annuïteiten - jaarlijks - 5% - tot 65 jaar; zonder splitsingsmethode.
Moreel: echtgenote: 200.000 F. Zoon - niet-inwonend, wel medewerkend in de zaak: 100.000 F.; andere zonen niet-inwonend: 75.000 F.

 

Noot verlies van een samenwonende partner


Wanneer de partners niet gehuwd zijn moet nagegaan worden of de wil om een stabiele verhouding aan te gaan bij de beide partners aanwezig was, m.a.w. of bij overlijden van één van de partners het bewijs van de zekerheid van de schade geleverd is.
Ingeval van gehuwd samenleven geldt voor het bewijs van het bestaan van materiële schade door het overlijden als het ware een vermoeden van duurzaamheid van de relatie terwijl ingeval van ongehuwd samenleven een omgekeerd vermoeden geldt, hetgeen zijn weerslag heeft op de bewijslast: een ongehuwde partner moet de toereikende stabiliteit van de relatie bewijzen; bij een huwelijk rust de bewijslast op degene die de aanspraak van de echtgenoot betwist.De omstandigheid dat de duurzaamheid van de relatie niet voldoende bewezen is om aanspraak te kunnen maken op een vergoeding van materiële schade neemt niet weg dat de morele schade wegens het wegvallen van de partner moet vergoed worden. Corr. Oudenaarde 11 april 2003, T.A.V.W. 2003, afl. 4, 313.
 

Rechtspraak esthetische schade Rb. Bergen (1e k.) 11 februari 2004, R.G.A.R. 2006, afl. 8, nr. 14160 en 14162.


De tijdelijke en degressieve esthetische schade die zich uitstrekt over 7 jaar wordt geraamd op 0,40 EUR per dag en per punt, terwijl de resterende blijvende esthetische schade na chirurgische ingrepen, en die toegekend werd aan 3/7 kan worden geraamd op 3.500 EUR, rekening houdend met de leeftijd van het slachtoffer (58 jaar).

Pol Huy, 6 juni 2006, T. Pol 2007, 160: zwangerschapsonderbreking De diende uitgevoerd te worden ten gevolge van talrijke radiografie in in de nasleep van een ongeval om het risico op een misvorming van een ongeboren kind te vermijden: schadevergoeding van 5.000 €,

morele schade bij bewustzijnsverlies

Bewijslast van de schade:

Principieel heeft de schadelijder van de schade. maar hoe dient gehandeld wanneer de schadebegroting moeilijk in specifieke cijfers kan geschieden. In deze gevallen dient de rechter de schade ex aequo et bono, dus naar billijkheid te ramen.

• Zie Cassatie 15 JANUARI 2008 P.07.1247.N/4

"Op het tot de burgerlijke rechtsvorderingen beperkte hoger beroep van de verweerder, zegt het arrest dat de verweerder de tegen hem wegens diefstal ingestelde burgerlijke rechtsvorderingen betwist “omdat de waardering van dit verlies niet gesteund is op deskundige vaststellingen”. (arrest pagina 13, randnummer 3).

Het arrest oordeelt voorts dat de vorderingen van de eisers niet gegrond zijn vermits geen van hen het bedrag van de wegens verlies van vee geleden materiële schade bewijst en desbetreffend geen stuk neerlegt of enkel een eigen waardering van het gestolen vee geeft.

3. De appelrechters nemen aldus aan dat de eisers materiële schade lijden ten gevolge van de wederrechtelijke daad van de verweerder. De rechters wijzen niettemin de vorderingen tot vergoeding van die schade af op de enige grond dat de eisers de gevorderde bedragen niet bewijzen.

4. In zoverre de in artikel 1382 Burgerlijk Wetboek bedoelde fout en schade vaststaan maar het door de benadeelde als vergoeding daarvoor gevorderde bedrag formeel niet rechtstreeks en onmiddellijk uit stukken blijkt, staat het de rechter de geldwaarde ervan te ramen door begroting van een met die schade overeenstemmend bedrag.
De beslissingen waarbij de burgerlijke rechtsvorderingen niet gegrond worden verklaard in zoverre die betrekking hebben op verlies van vee, zijn niet naar recht verantwoord.
Het arrest schendt artikel 1382 Burgerlijk Wetboek".

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:13
Laatst aangepast op: ma, 05/02/2018 - 19:52

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.