-A +A

Identificatie van de overtreder door de nummerplaat

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

rechtspraak: zie terzake  de uitspraak van het arbitragehof 11 januari 2007 tijdschrift van de politierechters juli 2007 bladzijde 61. Zie wet van 19 mei 2010 «houdende oprichting van de Kruispuntbank van de voertuigen»,

 

rechtsgeleerde: D. Van Trimpont, en het bewijs ervan tegendeel en het vermoeden van schuld in hoofde van de titularissen van de nummerplaat, in " snelheid en sturen onder invloed" Die Keure 2007, pagina 158

 

uittreksel uit Wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer.

TITEL V: Strafvordering en burgerlijke rechtsvordering

HOOFDSTUK IVbis: Identificatie van de overtreder

Artikel 67bis

Wanneer een overtreding van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten is begaan met een motorvoertuig, ingeschreven op naam van een natuurlijke persoon, en de bestuurder bij de vaststelling van de overtreding niet geïdentificeerd werd, wordt vermoed dat deze is begaan door de titularis van de nummerplaat van het voertuig. Het vermoeden van schuld kan worden weerlegd met elk middel.

Artikel 67ter

Wanneer een overtreding van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten is begaan met een motorvoertuig, ingeschreven op naam van een rechtspersoon, zijn de natuurlijke personen die de rechtspersoon in rechte vertegenwoordigen ertoe gehouden de identiteit van de bestuurder op het ogenblik van de feiten mee te delen of, indien zij die niet kennen, de identiteit van de persoon die het voertuig onder zich heeft.

De mededeling moet gebeuren binnen een termijn van 15 dagen te rekenen vanaf de datum waarop de vraag om inlichtingen gevoegd bij het afschrift van het proces-verbaal werd verstuurd.

Indien de persoon die het voertuig onder zich heeft niet de bestuurder was op het ogenblik van de feiten moet hij eveneens, op de wijze hierboven vermeld, de identiteit van de bestuurder meedelen.

De natuurlijke personen die de rechtspersoon in rechte vertegenwoordigen als titularis van de nummerplaat of als houder van het voertuig, zijn ertoe gehouden de nodige maatregelen te nemen om aan deze verplichting te voldoen.

Rechtspraak

• Cassatie 13/12/2016, AR P.16.0682.N, NJW 2017, 114, met noot Sofie Royer, Identificatie Houder Kentekenplaat

Samenvatting 

Het gegeven dat het tot de opdracht van de politie behoort om overtredingen op de verkeersreglementen op te sporen en vast te stellen, heeft niet tot gevolg dat de politie voor de identificatie van de houder van een kentekenplaat via de Dienst Inschrijving Voertuigen zonder machtiging van het Sectoraal comité toegang heeft tot de persoonsgegevens van de Kruispuntbank Voertuigen.

Tekst arrest

Nr. P.16.0682.N
I S,
beklaagde,
eiser,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Nederlandstalige correctionele rechtbank te Brussel van 11 mei 2016.
De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 18 van de wet van 19 mei 2010 houdende oprichting van de kruispuntbank van de voertuigen (hierna: Wet Kruispuntbank Voertuigen): het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de politie bij het vervullen van de opdrachten die haar overeenkomstig artikel 8 Wetboek van Strafvordering, de artikelen 1 en 15 Wet Politieambt, artikel 62 Wegverkeerswet en artikel 3 Wegverkeersreglement zijn toevertrouwd, voor de identificatie van de houder van een kentekenplaat via de Dienst Inschrijving Voertuigen een beroep kan doen op de gegevens opgenomen in de Kruispuntbank van de voertuigen (hierna Kruispuntbank Voertuigen) zonder te beschikken over een machtiging van het Sectoraal comité voor de federale overheid van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (hierna het Sectoraal comité); het bestreden vonnis oordeelt eveneens ten onrechte dat de identificatie van de houder van de nummerplaat van een voertuig geen vrijgave inhoudt van persoonsgegevens.

2. Overeenkomstig artikel 8 Wet Kruispuntbank Voertuigen wordt het repertorium van de voertuigen zoals bepaald in de artikelen 6, 7, 8 en 9 van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen bijgehouden door de Kruispuntbank Voertuigen. Dat repertorium vermeldt onder meer het nummer van de kentekenplaat van het voertuig en de persoonsgegevens betreffende de tenaamgestelde van het kentekenbewijs.

3. Volgens artikel 7, eerste en tweede lid, Wet Kruispuntbank Voertuigen worden de geregistreerde voertuigen geïdentificeerd door een uniek identificatienummer en gaat de registratie gepaard met onder meer opgave van de gegevens vermeld in het gelijkvormigheidsattest of in het certificaat van overeenstemming met het voertuig en van de identificatiegegevens van de natuurlijke of rechtspersoon, eigenaar van het voertuig.

4. Artikel 2, 10°, Wet Kruispuntbank Voertuigen definieert een persoonsgegeven als iedere informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon.

5. De identificatiegegevens van de eigenaar en de tenaamgestelde die een natuurlijke persoon is, samen met het nummer van de kentekenplaat, zijn dergelijke persoonsgegevens.

6. Artikel 18, § 1, Wet Kruispuntbank Voertuigen bepaalt dat een machtiging van het Sectoraal comité vereist is voor elke toegang tot de gegevens van de Kruispuntbank Voertuigen, andere dan de gegevens vermeld in het gelijkvormigheidsattest of certificaat van overeenstemming.

7. Het gegeven dat het tot de opdracht van de politie behoort om overtredingen op de verkeersreglementen op te sporen en vast te stellen, heeft niet tot gevolg dat de politie voor de identificatie van de houder van een kentekenplaat via de Dienst Inschrijving Voertuigen zonder machtiging van het Sectoraal comité toegang heeft tot de persoonsgegevens van de Kruispuntbank Voertuigen.

Het bestreden vonnis dat anders oordeelt, is niet naar recht verantwoord.

Het middel is in zoverre gegrond.

Overige grieven

8. De overige grieven die niet kunnen leiden tot cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden vonnis.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis.
Houdt de beslissing over de kosten aan en laat die beslissing over aan de verwijzingsrechter.
Verwijst de zaak naar de correctionele rechtbank te Leuven, rechtszitting houdend in hoger beroep.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer op de openbare rechtszitting van 13 december 2016.

• uittreksel uit het arrest van het arbitragehof van 11 januari 2007:

B.7.1. Artikel 67bis, ingevoegd bij de wet van 4 augustus 1996 in de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 16 maart 1968, bepaalt :

« Wanneer een overtreding van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten is begaan met een motorvoertuig, ingeschreven op naam van een natuurlijke persoon, en de bestuurder bij de vaststelling van de overtreding niet geïdentificeerd werd, wordt vermoed dat deze is begaan door de titularis van de nummerplaat van het voertuig. Het vermoeden van schuld kan worden weerlegd met elk [rechts]middel ».

Wat de in het geding zijnde wet een « vermoeden van schuld » noemt, betreft een verlichting van de bewijslast die rust op het openbaar ministerie.

Dat wettelijk vermoeden van toerekenbaarheid is weerlegbaar, vermits het het bewijs van het tegendeel « met elk rechtsmiddel » mogelijk maakt, zodat het Hof in het arrest nr. 27/2000 van 21 maart 2000 heeft geoordeeld dat het « geen onverantwoorde inbreuk [maakt] op het vermoeden van onschuld waarvan artikel 6.2 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens de uitdrukking is » (B.4).

B.7.2. Artikel 67ter van dezelfde wetten voorziet, zoals in herinnering is gebracht in B.2, in geval van verkeersovertreding begaan met een voertuig dat is ingeschreven op naam van een rechtspersoon, in een verplichting tot mededeling van de identiteit van de bestuurder of van de persoon die het voertuig onder zich heeft, waarbij de niet-inachtneming van die verplichting wordt bestraft bij het voormelde artikel 29ter.

Zoals is gepreciseerd in de parlementaire voorbereiding, houdt artikel 29ter « dus geen boete [in] voor de begane verkeersovertreding, maar wel voor het niet meedelen van de identiteit van de bestuurder » (Parl. St., Kamer, 1995-1996, nr. 577/7, pp. 20-21).

Het in het geding zijnde artikel 67ter strekt aldus ertoe de identificatie mogelijk te maken van de daders van verkeersovertredingen zonder echter te voorzien in een bijzondere regel van toerekenbaarheid van die overtredingen in geval van niet-nakoming - ook al wordt die strafrechtelijk bestraft met toepassing van artikel 5 van het Strafwetboek - van de verplichting tot mededeling.

B.7.3. Met zijn prejudiciële vraag werpt de verwijzende rechter de kwestie op van de grondwettigheid van artikel 67ter, in zoverre het niet voorziet in een vermoeden van toerekenbaarheid dat analoog is met datgene waarin artikel 67bis voorziet.

B.8. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 4 augustus 1996, waarbij de artikelen 67bis en 67ter zijn ingevoegd in de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, blijkt dat de wetgever, maatregelen heeft willen nemen met oog op een actieve aanpak van de verkeersonveiligheid. Hij heeft, uit zorg voor preventie, het onbemand verbaliseren juridisch-technisch mogelijk willen maken aangezien de pakkans de bestuurders aanzet tot inachtneming van de verkeersregels. Hij heeft eveneens een controletechniek willen invoeren die minder inzet van menselijke middelen met zich meebrengt (Parl. St., Kamer, 1995-1996, nr. 577/1, pp. 1 en 2; nr. 577/7, p. 4).

B.9.1. Ofschoon de wetgever op wettige wijze vermag aan te nemen dat, zoals het Hof heeft beslist in het arrest nr. 27/2000 van 21 maart 2000, wanneer een overtreding is begaan met een motorvoertuig ingeschreven op naam van een natuurlijke persoon, « de dader van die overtreding normalerwijze de persoon is die het voertuig op zijn naam heeft laten inschrijven » (B.4), kan die vaststelling evenwel niet worden toegepast op het geval van een verkeersovertreding die werd begaan met een voertuig dat is ingeschreven op naam van een rechtspersoon.

De kenmerken zelf van de rechtspersoon staan immers eraan in de weg dat een vermoeden kan worden ingesteld in verband met de identiteit van de dader van de overtreding.

Het is overigens om reden van die onmogelijkheid om een rechtstreeks verband vast te stellen tussen
het voertuig waarmee de overtreding is begaan, wanneer dat voertuig is ingeschreven op naam van een rechtspersoon, en de dader van de overtreding - natuurlijke persoon of rechtspersoon - dat artikel 67ter in een verplichting tot mededeling voorziet.

B.9.2. Het zou bovendien kennelijk strijdig zijn met de in artikel 67ter nagestreefde doelstelling dat de niet-inachtneming van de in die bepaling voorgeschreven verplichting tot mededeling de toepassing teweegbrengt van een « vermoeden van schuld » ten laste van één van de in artikel 67ter bedoelde natuurlijke personen of van de rechtspersoon, vermits een dergelijk vermoeden in sommige gevallen precies ertoe zou kunnen aanzetten de in de in het geding zijnde bepaling bedoelde verplichting tot mededeling te schenden.

B.9.3. Bovendien heeft, in tegenstelling tot wat de verwijzende rechter veronderstelt, de ontstentenis van een wettelijk vermoeden van toerekenbaarheid in de in het geding zijnde bepaling niet tot gevolg dat wordt verhinderd dat de verkeersovertredingen en het vluchtmisdrijf ten laste worden gelegd van een natuurlijke persoon of een rechtspersoon, maar die tenlastelegging zal dienen te gebeuren door de rechter volgens de regels van het gemeen recht.

B.10. De verschillende regels van toerekenbaarheid van de verkeersovertredingen wanneer deze zijn begaan door een natuurlijke persoon of een rechtspersoon houden verband met de aard van de persoon welke die overtredingen heeft begaan. Zij berusten op een objectief en relevant criterium en zijn evenredig met de nagestreefde doelstelling. Het daaruit volgende verschil in behandeling tussen de slachtoffers van een verkeersongeval is niet onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.11. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,
het Hof
zegt voor recht :
Artikel 67ter van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 16 maart 1968, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.
Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 11 januari 2007.

• Uittreksel uit het arrest van het Hof van Cassatie, 29/11/2011 RW 2011-2012, 1598, met noot C. De Roy onder dit arrest in het RW

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Middel van de eiser I

1. Het middel voert schending aan van onder meer art. 62bis Wegverkeerswet: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat het louter manueel omplooien van een nummerplaat geen uitrusting of enig ander middel is als bedoeld bij art. 62bis Wegverkeerswet waardoor de vaststelling van overtredingen van die wet bemoeilijkt of verhinderd wordt, daar die wetsbepaling enkel een externe uitrusting of een extern hulpmiddel beoogt; de vermelde wetsbepaling beoogt niet alleen externe uitrustingen of middelen maar ook elk ander middel, daarin begrepen het manipuleren van de nummerplaat.

Het middel verzoekt het Hof de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: “Schendt art. 62bis Wegverkeerswet de artikelen 10 en 11 Grondwet, in die zin geïnterpreteerd dat het enkel van toepassing is bij het gebruik van een extern hulpmiddel, doordat het een niet te verantwoorden verschil in behandeling in het leven roept tussen, enerzijds, de bestuurders die een externe uitrusting of extern hulpmiddel gebruiken om aan de gevolgen van een controle door automatisch werkende toestellen te ontsnappen, en, anderzijds, de bestuurders die een kentekenplaat manipuleren en/of plooien, zonder gebruik van een externe uitrusting of een extern hulpmiddel, teneinde eveneens aan de gevolgen van een controle door automatisch werkende toestellen te ontsnappen?”

2. Art. 62bis Wegverkeerswet bepaalt: “Onverminderd de bepalingen van de wet van 30 juli 1979 betreffende de radioberichtgeving is het verboden elke uitrusting die of elk ander middel dat de vaststelling van overtredingen van deze wet en van de reglementen betreffende de politie over het wegverkeer, bemoeilijkt of verhindert of automatisch werkende toestellen bedoeld in artikel 62 opspoort, bij zich te hebben”.

3. Met het verbod “elke uitrusting (...) of elk ander middel (...)” bij zich te hebben om de vaststelling van de overtredingen van de Wegverkeerswet en van de reglementen betreffende de politie over het wegverkeer te verhinderen of te bemoeilijken, beoogt art. 62bis Wegverkeerswet een allesomvattend verbod. Die wetsbepaling geeft immers geen definitie van de begrippen “elke uitrusting” en “elk ander middel”, zodat die in hun gewone betekenis moeten worden verstaan, dit is al hetgeen gebruikt wordt om een doel te bereiken, hier om de vaststelling van overtredingen van de Wegverkeerswet en de reglementen betreffende de politie over het wegverkeer te verhinderen of te bemoeilijken. Het plooien van een nummerplaat en van de beugel waarop deze bevestigd is opdat zij niet zou kunnen worden gelezen door bevoegde ambtenaren of automatisch werkende toestellen, zodat die vaststelling onmogelijk wordt, kan een dergelijk middel zijn dat de bestuurder van het voertuig waarop zij is aangebracht, bij zich heeft. Het bestreden vonnis dat anders oordeelt, is niet naar recht verantwoord.

Het middel is in zoverre gegrond.

4. Gelet op de hierna uit te spreken vernietiging, hoeft de prejudiciële vraag niet te worden gesteld.

...

• Hof van Cassatie 2e Kamer – 25 januari 2012, RW 2013-2014, 1655

samenvatting

Wanneer een overtreding van de Wegverkeerswet is begaan met een motorvoertuig dat op naam van een rechtspersoon is ingeschreven, kan het politieverhoor van de persoon die dat voertuig onder zich heeft, in de loop waarvan hem de vraag was gesteld wie op de dag van de feiten het voertuig bestuurde, overeenstemmen met de vraag om inlichtingen, gevoegd bij het toegezonden afschrift van het proces-verbaal. Indien die persoon niet de bestuurder was op het ogenblik van de feiten, moet hij de identiteit van de bestuurder meedelen binnen een termijn van vijftien dagen na dat verhoor.

Het misdrijf bepaald in art. 67ter Wegverkeerswet wordt geacht voltrokken te zijn wanneer de overtreder niet geïdentificeerd is, zodat de plaats van het misdrijf de plaats is waar de in deze wetsbepaling voorgeschreven mededeling in ontvangst moet worden genomen.

tekst arrest

AR nr. P.11.0856.F

Vennootschap naar Luxemburgs recht BVBA A.E.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis in hoger beroep van de Correctionele Rechtbank te Dinant van 7 maart 2011.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

Nadat was vastgesteld dat de eiseres een snelheidsovertreding had begaan met een aan haar toebehorend voertuig, wordt zij vervolgd wegens overtreding van art. 67ter Wegverkeerswet. Zij verwijt de appelrechters dat zij de telastlegging bewezen verklaren, ofschoon het vonnis vermeldt dat de zaakvoerder had geantwoord dat hij het voertuig onder zich had, zonder mee te delen wie de bestuurder was op het ogenblik van de overtreding.

Krachtens het derde lid van die bepaling, moet, indien de persoon die het voertuig onder zich heeft niet de bestuurder was op het ogenblik van de feiten, die persoon eveneens de identiteit van de bestuurder meedelen.

De rechtbank die de eiseres op grond van de voormelde overweging veroordeelt, omkleedt haar beslissing regelmatig met redenen en verantwoordt haar naar recht.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

De eiseres voert aan dat haar geen enkele specifieke vraag om inlichtingen werd gesteld en haar geen termijn van antwoord werd opgelegd, overeenkomstig de voormelde bepaling.

Het vonnis stelt evenwel vast dat het verhoor van de zaakvoerder door de politie van het Groothertogdom Luxemburg, waarbij hem was gevraagd wie op de dag van de feiten het voertuig bestuurde, overeenstemt met de vraag om inlichtingen gevoegd bij het toegezonden afschrift van het proces-verbaal, zoals datzelfde artikel bepaalt.

Het stelt daarnaast ook vast dat de identiteit van die bestuurder niet werd meegedeeld binnen de termijn van vijftien dagen na dat verhoor.

Met die overwegingen omkleedt de rechtbank haar beslissing regelmatig met redenen en verantwoordt haar naar recht.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

...

Vierde middel

De drie onderdelen samen

De eiseres voert aan dat het strafbare feit in het Groothertogdom Luxemburg werd gepleegd.

Dit feit wordt evenwel geacht voltrokken te zijn wanneer de overtreder niet geïdentificeerd is, zodat de plaats van het strafbare feit de plaats is waar de mededeling, als bepaald in het voormelde art. 67ter Wegverkeerswet, dient te worden ontvangen.

Het vonnis stelt vast dat de procureur des Konings te Dinant, naar aanleiding van een snelheidsovertreding die in zijn arrondissement is begaan en die wordt toegeschreven aan een voertuig van de eiseres, de persoon heeft doen verhoren die het voertuig onder zich heeft, in het land waar diens zetel is gevestigd.

De correctionele rechtbank heeft daaruit afgeleid dat de identiteit van de bestuurder aan de Belgische overheden diende te worden meegedeeld, zodat het strafbaar geachte feit op het grondgebied van het Rijk werd gepleegd.

Met die overwegingen omkleden de appelrechters hun beslissing om zich territoriaal bevoegd te verklaren regelmatig met redenen en verantwoorden haar naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

NOOT onder dit arrest in het RW 2013-20144, 1655, P. Bois, De strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen en wegverkeer: de vraag om inlichtingen en de verplichting tot het nemen van de nodige maatregelen bepaald in art. 67ter Wegverkeerswet

I. Inhoud van art. 67ter Wegverkeerswet
II. Doel van art. 67ter Wegverkeerswet
III. Vraag (om inlichtingen) aan een rechtspersoon
IV. Schriftelijke of mondelinge vraag om inlichtingen
V. Wettelijk vermoeden van schuld
• F. Verbruggen en R. Verstraeten, Strafrecht & strafprocesrecht voor bachelors, Deel 1, Antwerpen, Maklu, 2013, 59;
• A. De Nauw, Inleiding tot het algemeen strafrecht, Brugge, die Keure, 2010, 47-4
• C. Van Den Wyngaert, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Antwerpen, Maklu, 2011, 703).
• J. Vande Lanotte en Y. Haeck, Handboek EVRM, Deel 2, Artikelsgewijze Commentaar, Volume 1, Antwerpen, Intersentia, 2004, 557-558
VI. De onmogelijkheid om de vraag om inlichtingen te beantwoorden
• Cass. 12 juni 2011, Arr.Cass. 2001, 1144;
• Cass. 22 mei 2002, Arr.Cass. 2002, 1340;
• Cass. 11 juni 2013, P.12.1362.N).
• Cass. 22 mei 2002, Arr.Cass. 2002, 1340
• Cass. 12 juni 2001, Arr.Cass. 2001, 1144
VII. Plaats van het misdrijf
• Cass. 22 april 2008, RW 2008-09, 1383, noot P. Arnou;
• Cass. 27 april 2010, Pas. 2010, 1283, Arr.Cass. 2010, 1193
• P. Arnou, “De plaats waar de identiteit moet worden meegedeeld van de bestuurder die een overtreding heeft begaan met een motorvoertuig dat toebehoort aan een rechtspersoon” (noot onder Cass. 22 april 2008), RW 2008-09, 1384-1385). 

• Cassatie 13 december 2016, RW 2017-2018, 467, Nieuw Juridisch Weekblad [NJW] ROYER, Sofie; Noot 'Identificatie houder kentekenplaat' 2017, nr. 356, p. 114-116.

samenvatting:

Het gegeven dat het tot de opdracht van de politie behoort om overtredingen op de verkeersreglementen op te sporen en vast te stellen, heeft niet tot gevolg dat de politie voor de identificatie van de houder van een kentekenplaat via de Dienst Inschrijving Voertuigen zonder machtiging van het Sectoraal comité toegang heeft tot de persoonsgegevens van de Kruispuntbank Voertuigen.

tekst arrest

Nr. P.16.0682.N
I S,
beklaagde,
eiser,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Nederlandstalige correctionele rechtbank te Brussel van 11 mei 2016.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 18 van de wet van 19 mei 2010 houdende oprichting van de kruispuntbank van de voertuigen (hierna: Wet Kruispuntbank Voertuigen): het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de politie bij het vervullen van de opdrachten die haar overeenkomstig artikel 8 Wetboek van Strafvordering, de artikelen 1 en 15 Wet Politieambt, artikel 62 Wegverkeerswet en artikel 3 Wegverkeersreglement zijn toevertrouwd, voor de identificatie van de houder van een kentekenplaat via de Dienst Inschrijving Voertuigen een beroep kan doen op de gegevens opgenomen in de Kruispuntbank van de voertuigen (hierna Kruispuntbank Voertuigen) zonder te beschikken over een machtiging van het Sectoraal comité voor de federale overheid van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (hierna het Sectoraal comité); het bestreden vonnis oordeelt eveneens ten onrechte dat de identificatie van de houder van de nummerplaat van een voertuig geen vrijgave inhoudt van persoonsgegevens.

2. Overeenkomstig artikel 8 Wet Kruispuntbank Voertuigen wordt het repertorium van de voertuigen zoals bepaald in de artikelen 6, 7, 8 en 9 van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen bijgehouden door de Kruispuntbank Voertuigen. Dat repertorium vermeldt onder meer het nummer van de kentekenplaat van het voertuig en de persoonsgegevens betreffende de tenaamgestelde van het kentekenbewijs.

3. Volgens artikel 7, eerste en tweede lid, Wet Kruispuntbank Voertuigen worden de geregistreerde voertuigen geïdentificeerd door een uniek identificatienummer en gaat de registratie gepaard met onder meer opgave van de gegevens vermeld in het gelijkvormigheidsattest of in het certificaat van overeenstemming met het voertuig en van de identificatiegegevens van de natuurlijke of rechtspersoon, eigenaar van het voertuig.

4. Artikel 2, 10°, Wet Kruispuntbank Voertuigen definieert een persoonsgegeven als iedere informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon.

5. De identificatiegegevens van de eigenaar en de tenaamgestelde die een natuurlijke persoon is, samen met het nummer van de kentekenplaat, zijn dergelijke persoonsgegevens.

6. Artikel 18, § 1, Wet Kruispuntbank Voertuigen bepaalt dat een machtiging van het Sectoraal comité vereist is voor elke toegang tot de gegevens van de Kruispuntbank Voertuigen, andere dan de gegevens vermeld in het gelijkvormigheidsattest of certificaat van overeenstemming.

7. Het gegeven dat het tot de opdracht van de politie behoort om overtredingen op de verkeersreglementen op te sporen en vast te stellen, heeft niet tot gevolg dat de politie voor de identificatie van de houder van een kentekenplaat via de Dienst Inschrijving Voertuigen zonder machtiging van het Sectoraal comité toegang heeft tot de persoonsgegevens van de Kruispuntbank Voertuigen.

Het bestreden vonnis dat anders oordeelt, is niet naar recht verantwoord.

Het middel is in zoverre gegrond.

Overige grieven

8. De overige grieven die niet kunnen leiden tot cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden vonnis.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis.
Houdt de beslissing over de kosten aan en laat die beslissing over aan de verwijzingsrechter.
Verwijst de zaak naar de correctionele rechtbank te Leuven, rechtszitting houdend in hoger beroep.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, en op de openbare rechtszitting van 13 december 2016 uitgesproken

Cassatie 15/03/2016, AR P.14.1608.N, juridat

samenvatting

Artikel 67ter, tweede lid, Wegverkeerswet dat strafbaar stelt, in de omstandigheden bedoeld in het eerste lid, het niet-mededelen binnen een termijn van 15 dagen, te rekenen vanaf de datum waarop de vraag om inlichtingen gevoegd bij het afschrift van het proces-verbaal werd verstuurd, van de identiteit van de bestuurder op het ogenblik van de feiten of van de persoon die het voertuig onder zich heeft, beoogt diegene die schuldig wordt geacht aan een inbreuk op de Wegverkeerswet en zijn uitvoeringsbesluiten te kunnen vervolgen, wat veronderstelt dat de identiteitsgegevens voldoende nauwkeurig zijn. Tekst arrest

tekst arrest

Nr. P.14.1608.N
SB WORLDWIDE TRADE nv, met zetel te 2970 Schilde, Turnhoutsebaan 381,
beklaagde,
eiseres,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis (nr. 4039) in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 25 september 2014.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Bur-gerlijk Wetboek en artikel 67ter Wegverkeerswet, alsmede miskenning van de motiveringsverplichting, de verplichting conclusies te beantwoorden en de be-wijskracht van diverse processen-verbaal.

2. Het middel preciseert in geen van zijn onderdelen welk voor de appelrech-ters aangevoerd verweer het bestreden vonnis niet beantwoordt.

In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.

Eerste onderdeel

3. Het onderdeel voert aan dat het bestreden vonnis onwettig oordeelt dat de eiseres onvoldoende met stukken aantoont wie de overtreder was en uit de verklaring van de bestuurder op het ogenblik der feiten ten onrechte afleidt dat de ge-boortedatum en adres van de bestuurder foutief was; aldus voegt het bestreden vonnis voorwaarden toe aan artikel 67ter, vierde lid, Wegverkeerswet; de eigenaar van het voertuig moet enkel de identiteit van de bestuurder meedelen; door te oor-delen dat de eiseres nalatig is geweest en ze zich bovendien gehouden heeft aan haar verplichtingen bepaald in artikel 67ter, vierde lid, Wegverkeerswet door van elke bestuurder de stukken te houden waardoor zij de nodige maatregelen heeft genomen om aan de bepalingen van artikel 67ter Wegverkeerswet te kunnen vol-doen, is het bestreden vonnis tegenstrijdig, minstens dubbelzinnig gemotiveerd; de rechter hoeft niet aan te geven welke maatregelen de verantwoordelijke van de rechtspersoon had dienen te ondernemen; het openbaar ministerie vervolgt niet de bestuurders, maar wel de eiseres zoals in 52 andere zaken.

4. In zoverre gericht tegen het optreden van het openbaar ministerie is het on-derdeel niet gericht tegen het bestreden vonnis en is het bijgevolg niet ontvankelijk.

5. Het bestreden vonnis geeft geen uitlegging van de verklaring van de be-stuurder van het voertuig en kan bijgevolg de bewijskracht ervan niet miskennen.
In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

6. Met het oordeel dat de eiseres nalatig is geweest, oordeelt het bestreden vonnis niet dat de eiseres verzuimd heeft de nodige maatregelen te nemen om aan haar verplichtingen te voldoen, als bedoeld in artikel 67ter, vierde lid, Wegver-keerswet, maar wel dat zij nagelaten heeft te voldoen aan haar meldingsplicht zoals bedoeld in het eerste lid van dat artikel.

In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat het bestreden vonnis de eiseres schuldig verklaart op grond van artikel 67ter, vierde lid, Wegverkeerswet, berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist het feitelijke grondslag.

7. Het onderdeel preciseert niet in welke lezing het bestreden vonnis wettig en in welke andere lezing het onwettig is.
In zoverre het onderdeel dubbelzinnigheid in de motivering aanvoert, is het on-duidelijk, mitsdien niet ontvankelijk.

8. Het feit dat de rechter anders oordeelt dan hetgeen een partij aanvoert, levert geen tegenstrijdigheid in de motivering op.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

9. Artikel 67ter, tweede lid, Wegverkeerswet stelt strafbaar in de omstandig-heden bedoeld in het eerste lid, het niet-mededelen binnen een termijn van 15 dagen, te rekenen vanaf de datum waarop de vraag om inlichtingen gevoegd bij het afschrift van het proces-verbaal werd verstuurd, van de identiteit van de bestuurder op het ogenblik van de feiten of van de persoon die het voertuig onder zich heeft.

Die wetsbepaling beoogt diegene die schuldig wordt geacht aan een inbreuk op de Wegverkeerswet en zijn uitvoeringsbesluiten te kunnen vervolgen. Dit veronderstelt dat de identiteitsgegevens voldoende nauwkeurig zijn,

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

10. Met het oordeel dat de eiseres onvoldoende met stukken aantoont wie de overtreder was, voegt het bestreden vonnis geen voorwaarde toe aan artikel 67ter Wegverkeerswet, maar is de beslissing dat de eiseres schuldig is aan het misdrijf bepaald in het eerste en het tweede lid van dat wetsartikel, regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord.

11. Voor het overige komt het onderdeel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de rechter of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

12. Het onderdeel voert aan dat het bestreden vonnis ten onrechte oordeelt dat de eiseres nalatig is geweest omdat ze de gegevens van de bestuurder van het voertuig niet heeft overgemaakt aan het openbaar ministerie; het doel van artikel 67ter Wegverkeerswet bestaat erin te vermijden dat de bestuurder van het voertuig niet zou kunnen worden vervolgd en uit een stuk van het strafdossier blijkt dat het openbaar ministerie de gegevens van de huurder heeft ontvangen, zodat de bestuurder van het voertuig kon worden vervolgd.

13. Het onderdeel komt volledig op tegen de beoordeling van de feiten door het bestreden vonnis of verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft.

Het onderdeel is niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

14. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 67,71 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, en op de openbare rechtszitting van 15 maart 2016 uitgesproken 

Nog dit: 

Politie mag niet zonder machtiging van sectorieel comité inlichtingen nemen bij het DIV ter indetificatie van de houder van een nummerplaat

Cass. 13/12/2016, RABG 2017/7, 589 en Nieuw Juridisch Weekblad [NJW] ROYER, Sofie; Noot 'Identificatie houder kentekenplaat' 2017, nr. 356, p. 114-116.

Samenvatting:

Het repertorium kruispuntbank voertuigen vermeldt onder meer het nummer van de kentekenplaat van het voertuig en de persoonsgegevens betreffende de tenaamgestelde van het kentekenbewijs.

De identificatiegegevens van de eigenaar en de tenaamgestelde die een natuurlijke persoon is, samen met het nummer van de kentekenplaat, zijn persoonsgegevens. Om toegang tot deze gegevens te bekomenis een machtiging van het sectoraal comité vereist..

Het gegeven dat het tot de opdracht van de politie behoort om overtredingen op de verkeersreglementen op te sporen en vast te stellen, heeft niet tot gevolg dat de politie voor de identificatie van de houder van een kentekenplaat via de Dienst Inschrijving Voertuigen zonder machtiging van het sectoraal comité toegang heeft tot de persoonsgegevens van de Kruispuntbank voertuigen.

Tekst arrest

(... / ... - Rolnr.: P.16.0786.N)

(Advocaat: Mr. K. Stas)

I. Rechtspleging voor het Hof
Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis in hoger beroep van de Nederlandstalige correctionele rechtbank te Brussel van 20 april 2016.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Alain Winants heeft geconcludeerd.

II. Beslissing van het Hof
Beoordeling
Eerste middel
1. Het middel voert schending aan van artikel 18 van de wet van 19 mei 2010 houdende oprichting van de Kruispuntbank van de voertuigen (hierna: wet Kruispuntbank voertuigen): het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de politie bij het vervullen van de opdrachten die haar overeenkomstig artikel 8 Wetboek van Strafvordering, de artikelen 1 en 15 wet politieambt, artikel 62 wegverkeerswet en artikel 3 wegverkeersreglement zijn toevertrouwd, voor de identificatie van de houder van een kentekenplaat via de Dienst Inschrijving Voertuigen een beroep kan doen op de gegevens opgenomen in de Kruispuntbank van de voertuigen (hierna Kruispuntbank voertuigen) zonder te beschikken over een machtiging van het sectoraal comité voor de federale overheid van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (hierna het sectoraal comité); het bestreden vonnis oordeelt eveneens ten onrechte dat de identificatie van de houder van de nummerplaat van een voertuig geen vrijgave inhoudt van persoonsgegevens.

2. Overeenkomstig artikel 8 wet Kruispuntbank voertuigen wordt het repertorium van de voertuigen zoals bepaald in de artikelen 6, 7, 8 en 9 van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen bijgehouden door de Kruispuntbank voertuigen. Dat repertorium vermeldt onder meer het nummer van de kentekenplaat van het voertuig en de persoonsgegevens betreffende de tenaamgestelde van het kentekenbewijs.

3. Volgens artikel 7, eerste en tweede lid wet Kruispuntbank voertuigen worden de geregistreerde voertuigen geïdentificeerd door een uniek identificatienummer en gaat de registratie gepaard met onder meer opgave van de gegevens vermeld in het gelijkvormigheidsattest of in het certificaat van overeenstemming met het voertuig en van de identificatiegegevens van de natuurlijke of rechtspersoon, eigenaar van het voertuig.

4. Artikel 2, 10° wet Kruispuntbank voertuigen definieert een persoonsgegeven als iedere informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon.

5. De identificatiegegevens van de eigenaar en de tenaamgestelde die een natuurlijke persoon is, samen met het nummer van de kentekenplaat, zijn dergelijke persoonsgegevens.

6. Artikel 18, § 1 wet Kruispuntbank voertuigen bepaalt dat een machtiging van het sectoraal comité vereist is voor elke toegang tot de gegevens van de Kruispuntbank voertuigen, andere dan de gegevens vermeld in het gelijkvormigheidsattest of certificaat van overeenstemming.

7. Het gegeven dat het tot de opdracht van de politie behoort om overtredingen op de verkeersreglementen op te sporen en vast te stellen, heeft niet tot gevolg dat de politie voor de identificatie van de houder van een kentekenplaat via de Dienst Inschrijving Voertuigen zonder machtiging van het sectoraal comité toegang heeft tot de persoonsgegevens van de Kruispuntbank voertuigen.

Het bestreden vonnis dat anders oordeelt, is niet naar recht verantwoord.

Het middel is in zoverre gegrond.

Overige grieven
8. De overige grieven die niet kunnen leiden tot cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis.

Houdt de beslissing over de kosten aan en laat die beslissing over aan de verwijzingsrechter.

Verwijst de zaak naar de Nederlandstalige correctionele rechtbank te Leuven, rechtszitting houdend in hoger beroep.

Rechtsleer

De Roy, C., « Het Hof van Cassatie en het gebruik van de Kruispuntbank voertuigen bij de vaststelling en afhandeling van verkeersinbreuken: puntjes op de “i” en/of een storm in een glas water? », R.A.B.G., 2017/7, p. 591-593

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:15
Laatst aangepast op: di, 05/12/2017 - 07:27

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.