-A +A

hoofddoek neutraliteit gemeenschapsonderwijs godsdienstleraars arrest Raad van State 02/07/2009

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Raad van State
Datum van de uitspraak: 
don, 02/07/2009
A.R.: 
195.044
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2009-2010
Pagina: 
997
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Raad van State 12e Kamer – 2 juli 2009

Samenvatting:

Een verbod opgelegd door de raad van bestuur van een scholengroep in een schoolreglement tot het dragen van kledij die een religieuze overtuiging uitdrukt of de indruk daartoe wekt, gaat uit van een daartoe onbevoegde overheid.

Scholengroepen en de aparte scholen zijn niet bevoegd om een afzonderlijke of eigen invulling te geven van het grondwettelijk neutraliteitsbeginsel.

Een dergelijk verbod betreft niet slechts een uitvoeringsmodaliteit van het neutraliteitsbeginsel. Het gaat hier integendeel om een wezenlijke invulling van een opvatting over het in de Grondwet vastgelegde principe van neutraliteit van het gemeenschapsonderwijs, die bij art. 33, § 1, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs exclusief toekomt aan de Raad voor het Gemeenschapsonderwijs.

Voor een godsdienstleerkracht, die tewerkgesteld is in een school van het gemeenschapsonderwijs, is het niet zo evident dat een hoofddoekverbod, dat alleszins nergens expliciet is uitgeschreven in de neutraliteitsverklaring, daarin toch noodzakelijk besloten zou moeten liggen, en wel zo evident dat het zonder nadere explicitering in alle omstandigheden en in alle scholen van het gemeenschapsonderwijs zou gelden.

tekst van het arrest:

Feitelijke gegevens van de zaak

1.1. Verzoekster wordt in het schooljaar 2005-2006 tijdelijk aangesteld als leermeester godsdienst – islamitische godsdienst in de basisschool ‘t Beekje te Etterbeek (10 uur) en in de basisschool de Wimpel te Elsene (6 uur); beide scholen behoren tot de scholengroep 8 van het Gemeenschapsonderwijs.

1.2. Het schoolreglement van de beide basisscholen verbiedt op het hele domein van de school kledij, tekens of symbolen te dragen waarmee zichtbaar een religieuze of levensbeschouwelijke aanhorigheid of overtuiging wordt uitgedrukt of die de indruk daartoe wekken. Luidens het desbetreffende schoolreglement «geldt dit verbod voor de leerlingen, de leerkrachten (met uitzondering van de godsdienstleerkrachten die binnen hun klaslokaal hun religieuze symbolen mogen dragen) en voor stagiair-leerkrachten». Deze bepaling is in de schoolreglementen met ingang van 1 september 2005 opgenomen, ingevolge een beslissing van 1 maart 2005 van de raad van bestuur van de scholengroep. (...).

1.3. Verzoekster gedraagt zich in geen van beide scholen naar dat verbod. De directeur van de basisschool ‘t Beekje ontslaat verzoekster (...) om dringende redenen; (....) ook de directeur van de basisschool de Wimpel (ontslaat) verzoekster om dringende redenen. De ontslagen worden gemotiveerd door verzoeksters weigering om de hoofddoek af te nemen buiten de lessen islamitische godsdienst, wat een gebrek aan respect voor de in het openbaar onderwijs vereiste neutraliteit uitmaakt, door de niet-naleving van het pedagogisch project van de school, (...).

De grond van de zaak

...

10. De beslissing tot het ontslag om dringende redenen is (...) wezenlijk gebaseerd op de herhaalde weigering van verzoekster haar hoofddoek buiten haar lesopdracht af te nemen (...).

Derhalve moet de Raad van State vaststellen dat een beoordeling in concreto van het kwestieuze hoofddoekverbod achterwege is gebleven en dat het ontslag bijgevolg is gebaseerd op de niet-naleving van een algemeen principieel verbod op het dragen van de hoofddoek buiten de godsdienstles, welk verbod werd opgelegd door de raad van bestuur van de scholengroep 8 met de schoolreglementen van de beide basisscholen.

11. De Vlaamse Gemeenschap heeft met toepassing van art. 24, § 2, van de Grondwet, bij het bijzonder decreet van 14 juli 1998 een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid opgericht onder de benaming «het Gemeenschapsonderwijs». Die instelling met rechtspersoonlijkheid heeft blijkens art. 5, § 1, van het bijzonder decreet drie «bestuursniveaus»: het «lokale niveau», het «meso-niveau: de scholengroepen» en het «centrale niveau». De «scholengroepen» en de «Raad van het Gemeenschapsonderwijs» – een bestuursorgaan van het centrale niveau – zijn luidens art. 4, § 1, van het bijzonder decreet met uitsluiting van ieder ander orgaan de «inrichtende macht» van het in het bijzonder decreet bedoelde gemeenschapsonderwijs, binnen de bevoegdheden die door en krachtens het bijzonder decreet worden toegekend.

Art. 33, § 1, van het bijzonder decreet verleent aan de Raad van het Gemeenschapsonderwijs de bevoegdheid om invulling te geven aan het grondwettelijk neutraliteitsbeginsel door het opstellen van de neutraliteitsverklaring. De neutraliteit die de overheid op filosofisch, ideologisch en godsdienstig vlak moet betrachten, betreft een wezenlijk aspect van de organisatie van het gemeenschapsonderwijs. De bevoegdheid tot omschrijving ervan wordt door het bijzonder decreet uitdrukkelijk toegewezen aan de Raad van het Gemeenschapsonderwijs, en dus niet aan de afzonderlijke raden van bestuur van de scholengroepen, noch aan een schooldirectie.

12. Verwerende partij betoogt evenwel dat het in het schoolreglement opgenomen verbod voor leerkrachten tot het dragen van opvallende religieuze symbolen rechtstreeks voortvloeit uit de neutraliteitsverklaring en dat te dezen de raad van bestuur van scholengroep 8 dit enkel heeft «veruitwendigd». Het algemeen en principieel verbod om religieuze kledij te dragen opgenomen in het schoolreglement, is dan enkel een «invulling» van de neutraliteitsverklaring in het gemeenschapsonderwijs.

13. In de neutraliteitsverklaring wordt gepreciseerd dat «de vrijheid van uitdrukking en het persoonlijk engagement (...) inherent deel uitmaken van het pedagogisch project van het gemeenschapsonderwijs en (...) alleen worden beperkt door de inhoud van deze neutraliteitsverklaring». Enkel de neutraliteitsverklaring kan derhalve een beperking opleggen aan de «vrijheid van uitdrukking». Omdat verwerende partij juist aanvoert dat het verbod tot het dragen van een hoofddoek «rechtstreeks» voortvloeit uit de neutraliteitsverklaring, betreft de centrale discussie in dit middel bijgevolg de vraag of een dergelijk verbod moet worden gelezen in de neutraliteitsverklaring.

Anders dan verwerende partij evenwel beweert, kan niet worden aangenomen dat het evident moet zijn voor een godsdienstleerkracht, die tewerkgesteld is in een school van het gemeenschapsonderwijs, dat een verbod om buiten haar klaslokaal de hoofddoek te dragen, dat alleszins nergens expliciet is uitgeschreven in de hiervoor geciteerde neutraliteitsverklaring, daarin toch noodzakelijk besloten zou moeten liggen, en wel zó evident dat het zonder nadere explicitering in alle omstandigheden en in alle scholen van het gemeenschapsonderwijs zou gelden.

Verwerende partij erkent overigens dat ten tijde van de bestreden beslissing een dergelijk verbod niet in alle scholengroepen van het gemeenschapsonderwijs werd opgelegd.

De Raad van State kan verwerende partij dan ook niet bijvallen in haar stelling dat de Raad van het Gemeenschapsonderwijs bij het opstellen van de hiervoor aangehaalde neutraliteitsverklaring een algemene regel heeft uitgevaardigd van een dergelijke helderheid en toegankelijkheid, dat verzoekster met kennis van zaken door de ondertekening ervan kon en moest weten dat zij zich buiten haar klaslokaal van het dragen van een hoofddoek moest onthouden. Zoals de neutraliteitsverklaring thans is opgesteld, kan een godsdienstleerkracht er evengoed in lezen dat ze het dragen van de hoofddoek door die godsdienstleerkracht zou zien als een element van «interne verscheidenheid (...) van zijn begeleidingsgroepen», waardoor het gemeenschapsonderwijs op «(...) spontane, natuurlijke wijze het wederzijds begrip tussen mensen met verschillende levensbeschouwelijke en maatschappelijke visies bevordert», dat de «geest van de leerlingen en cursisten ontvankelijk maakt voor de veelzijdigheid en verscheidenheid van waarden in de samenleving», waarbij «degenen die betrokken zijn bij de ontwikkelingsbegeleiding, de problemen in verband met de filosofische, ideologische en godsdienstige overtuigingen van de mens niet uit de weg gaan», en als een «gelegenheid (...) om de leerlingen en cursisten de (...) waarden bij te brengen die een pluralistische beschaving in het algemeen kenmerken», waaronder de «eerbied voor minderheden», het «respect voor het pluralistisch waardenpatroon» en de «actieve verdraagzaamheid».

14. De neutraliteitsverklaring bepaalt daarnaast specifiek ten aanzien van het persoonlijk engagement van onder meer leerkrachten dat «indien de (...) onderwijssituatie daartoe aanleiding geeft, (...) zij vrij hun persoonlijk engagement kunnen doen kennen, maar op bedachtzame wijze, wat betekent dat zij zich zeker onthouden van elke vorm van indoctrinatie en/of proselitisme. Alle uitdrukkingen of overwegingen die voor andersdenkenden kwetsend kunnen overkomen, worden vermeden».

Te dezen verwijten de directeurs van de basisscholen ‘t Beekje en De Wimpel in de brieven ter kennisgeving van de dringende redenen aan verzoekster geen daden van proselitisme, kwetsend gedrag of indoctrinatie. Dit betekent volgens verwerende partij echter niet dat andere uitdrukkingen, houdingen, gedrag of kleding altijd toegestaan zijn, aangezien, ten eerste, het dragen van de hoofddoek niets te maken heeft met het op bedachtzame wijze kunnen doen kennen van een persoonlijk engagement, maar wel met de persoonlijke aanhorigheid van de betrokken leerkracht, die op permanente wijze (namelijk door altijd een hoofddoek te dragen) deze aanhorigheid wenst uit te drukken, en, ten tweede, het doen kennen van een persoonlijk engagement bovendien enkel mogelijk is indien de onderwijssituatie daartoe aanleiding geeft.

De stelling van verwerende partij dat de hoofddoek niet «altijd toelaatbaar» is, kan best worden aangenomen. Maar zij heeft er nu eenmaal voor geopteerd het hoofddoekverbod in te voeren op algemene wijze, waarmee zij er dus van uitgaat dat het dragen van een religieus symbool, tenzij in het leslokaal, door de godsdienstleerkracht altijd ontoelaatbaar is, nooit als veruitwendiging van een persoonlijk engagement begrepen mag worden en in de onderwijssituatie niet aanvaardbaar is.

Overigens heeft voornoemde passage uit de neutraliteitsverklaring betrekking op het doen kennen door de leerkracht van zijn persoonlijk engagement in gesprekken en discussies, wat verwerende partij trouwens zelf aangeeft in haar memorie van antwoord. Hieruit kan niet zomaar a contrario worden afgeleid dat het dragen van een hoofddoek die op permanente wijze wordt gedragen, niet kan worden beschouwd als een uitdrukking van persoonlijk engagement die de leerkracht kan «doen kennen (...) indien de onderwijssituatie daartoe aanleiding geeft». Te dezen verbiedt de school aan verzoekster trouwens enkel het dragen van haar hoofddoek buiten de lessen islamitische godsdienst, waarvoor ze is aangesteld als godsdienstleerkracht, dus bijvoorbeeld op de speelplaats, in de gangen en in de lokalen voor de leerkrachten. Uit het aanwezig zijn op voormelde plaatsen buiten de context van haar lesopdracht kan echter niet spontaan worden afgeleid dat daar geen «opvoedings- of onderwijssituatie» kan zijn die aanleiding kan geven tot het op bedachtzame wijze doen kennen van haar persoonlijk engagement door middel van het dragen van de hoofddoek.

De verwerende partij brengt geen enkel element aan waaruit zou blijken waarom verzoekster, door zich door het dragen van haar hoofddoek buiten haar lesuren als geloofsbelijdster te manifesteren, haar persoonlijk engagement op godsdienstig vlak niet bedachtzaam zou hebben doen kennen. Dat aanbrengen is te dezen niet gebeurd, behalve dat de brieven ter kennisgeving van de dringende redenen en de bestreden beslissing aangeven dat verzoeksters gedrag «opzichtig», «expliciet» en «permanent» is. Deze kenmerken vermogen op zich echter noch onbedachtzaamheid, noch kwetsend gedrag of indoctrinatie aan te tonen. Door het dragen van de hoofddoek tijdens de lessen islamitische godsdienst wel toe te laten, erkent het schoolreglement dat zulks met inachtneming van de neutraliteitsverklaring wel een bedachtzame wijze is van het doen kennen van verzoeksters persoonlijk engagement. Verwerende partij wijst geen enkel overtuigend gegeven aan waardoor dit plots niet meer het geval zou zijn zodra diezelfde lerares islamitische godsdienst zich buiten haar leslokaal met de hoofddoek zou tonen.

16. Uit al het bovenstaande volgt dat de bewering van verwerende partij dat verzoekster louter door het dragen van de hoofddoek de door haar ondertekende neutraliteitsverklaring schendt, niet wordt bijgevallen. Wat de stelling betreft dat «het feit dat het opstellen van de neutraliteitsverklaring de bevoegdheid is van de Raad van het Gemeenschapsonderwijs (...), een raad van bestuur of een schooldirectie er niet van kan weerhouden om eventueel te beslissen om bepaalde uitvoeringsmodaliteiten op te leggen om het neutraliteitsbeginsel in de praktijk te brengen», kan niet worden aangenomen dat het invoeren door een raad van bestuur of een schooldirectie van een algemeen verbod voor godsdienstleerkrachten om kledij te dragen met een zichtbare religieuze of levensbeschouwelijke connotatie, slechts een uitvoeringsmodaliteit van het neutraliteitsbeginsel zou betreffen.

Integendeel, het gaat hier om een wezenlijke invulling van en opvatting over het in de Grondwet vastgelegde principe van neutraliteit van het gemeenschapsonderwijs, die, zoals hiervoor reeds werd vastgesteld, bij art. 33, § 1, van het bijzonder decreet enkel is opgedragen aan de Raad van het Gemeenschapsonderwijs.

Het besproken middelonderdeel is dan ook gegrond.

...

Noot: 

De raad voor het gemeenschapsonderwijs besliste in september 2009 tot een algemeen hoofdoekenverbod in het gemeenschapsonderwijs. Zie:

http://www.elfri.be/hoofddoek-verboden-raad-gemeenschapsonderwijs

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 07/02/2010 - 19:54
Laatst aangepast op: zo, 07/02/2010 - 21:05

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.