-A +A

hoger beroep en verzet in jeugdzaken

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

 

Geen mogelijkheid tot verzet (in burgerlijke zaken onderworpen aan de jeugdrechtbank)

Overeenkomstig artikel 58 van de wet van 8 april ligt in 165 zijn vonnissen gewezen in aangelegenheden bedoeld in titel twee hoofdstuk twee (de burgerlijke bepalingen betreffende de minderjarige) niet vatbaar voor verzet.

De wetgever heeft de procedure voor alle Jeugdrechtbank een zo eenvoudig en zo soepel mogelijk willen maken door vertragende rechtsgedingen te voorkomen. Het ontbreken van een mogelijkheid om verzet aan te tekenen wordt gecompenseerd door de ruime onderzoeksbevoegdheid van de jeugdrechter. (Luik, jeugdkamer, één februari 2001, J.dr.jeun., 2001, aflevering 206,37 met de noot Mouffe,F.)

De termijn van beroep loop vanaf de kennisgeving en niet vanaf de betekening.

 

Het hoger beroep tegen de uitspraak van een vonnis van de Jeugdrechtbank dient ingesteld binnen een maand na de uitspraak . De termijn voor hoger beroep in jeugdzaken loopt vanaf de overhandiging van het afschrift of vanaf de dag dat de betrokkene bij gerechtsbrief kennis heeft gekregen van de kennisgeving. Sinds recente wetswijziging geldt deze regel evenwel niet meer in burgerlijke zaken en loopt ook hier de termijn vanaf de  betekening.

uittreksel uit de wet op de jeugdbescherming:

artikel 58: De beslissingen van de jeugdrechtbank gewezen in de aangelegenheden bedoeld in titel II, hoofdstukken III en IV zijn, binnen de wettelijke termijnen, vatbaar voor hoger beroep door het openbaar ministerie en voor verzet en hoger beroep door alle andere in het geding betrokken partijen [onverminderd de bepalingen van de artikelen 52, [52quater, negende lid]157, en 53 derde lid.]158

 

 

De vonnissen gewezen in de aangelegenheden bedoeld in titel II, hoofdstuk II, zijn niet vatbaar voor verzet. Hoger beroep wordt bij verzoekschrift ingesteld ter griffie van het hof van beroep, binnen een maand na de uitspraak. [...] De griffier van de jeugdkamer roept voor die kamer de partijen op die opgeroepen waren voor de jeugdrechtbank; hij voegt bij de oproeping voor de andere partijen dan de verzoeker, een gelijkluidend afschrift van het verzoekschrift.

 

 

 

Gerelateerd
5
Average: 5 (1 vote)
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:13
Laatst aangepast op: wo, 11/05/2016 - 14:54

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.