-A +A

Hoger beroep

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

 

Rechtsleer: K. Broeckx, Het recht op hoger beroep en het beginsel van de dubbele aanleg in het civiele geding, Antwerpen, Maklu, 1995

Krachtens art. 1050, eerste lid, Ger. W. kan in alle zaken hoger beroep worden ingesteld zodra het vonnis is uitgesproken, zelfs al is dit een beslissing alvorens recht te doen of een verstekvonnis, behoudens de bij wet gestelde uitzonderingen.Wettelijke uitzonderingen op deze regel moeten strikt worden uitgelegd.

Klik hier voor update hoger beroep strafzaken Potpourri II

Beroep kan ingesteld bij verschillende rechtbanken afhankelijk van de aard van het geschil, dus ook afhankelijk van de rechtbank die de eerste aanleg behandelde:

de politierechtbank is de beroepsinstantie voor gemeentelijke administratieve sancties  de rechtbank van eerste aanleg behandelt het hoger beroep tegen uitspraken die in eerste aanleg gedaan zijn door het vredegerecht of de politierechtbank  de vijf hoven van beroep behandelen het hoger beroep tegen vonnissen die in eerste aanleg geveld zijn door de rechtbank van eerste aanleg of de rechtbank van koophandel  bij vonnissen in burgerlijke zaken is dat een burgerlijke kamer van het hof van beroep  bij vonnissen in strafzaken (van de correctionele rechtbank) is dat een correctionele kamer van het hof van beroep  bij vonnissen in jeugdzaken (van de jeugdrechtbank) is dat een jeugdkamer van het hof van beroep  de vijf arbeidshoven behandelen het hoger beroep tegen vonnissen van de arbeidsrechtbank  in bestuurszaken is er vaak een bezwaarprocedure voorzien, mogelijk gevolgd door een (cassatie)beroep bij de Raad van State  in belastingzaken is er vaak eerst een bezwaarprocedure voorzien, mogelijk gevolgd door een eerste aanleg (bij de rechtbank van eerste aanleg) en een beroep (bij het hof van beroep).

Beroep is mogelijk in zowat alle zaken, behalve bij financieel onbelangrijke geschillen. Dit zijn geschillen waarvan de uiteindelijke waarde onder de 1240 euro ligt die in eerste aanleg uitgesproken zijn door de vrederechter of onder de 1860 euro ligt voor zaken uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg en de rechtbank voor koophandel. Voor zulke zaken staat echter wel altijd Cassatieberoep open.

In het civiel recht kan een van de partijen, of beide partijen hoger beroep instellen. Het hoger beroep dat als eerste wordt ingesteld heet principaal appel. Wanneer de andere partij daarop ook hoger beroep instelt tegen dezelfde uitspraak, heet dat beroep incidenteel appel.

Ingevolge art. 812, tweede lid, Ger. W. kan de tussenkomst tot het verkrijgen van een veroordeling niet voor de eerste maal plaatsvinden in hoger beroep (zie: Cass. 9 maart 1972, Arr. Cass. 1972, 650; Cass. 24 november 1972, Arr. Cass. 1973, 298; Cass. 21 oktober 1977, Arr. Cass. 1978, 243; Cass. 21 januari 1983, R.W. 1982-83, 2546; Cass. 3 oktober 1983, R.W. 1983-84, 2126, met noot; Cass. 26 oktober 1987, R.W. 1987-88, 1431; Cass. 11 januari 2001, Arr. Cass. 2001, 60; zie ook: zie Hof van Beroep te Antwerpen, 2e Kamer bis – 10 mei 2007, R.W. 2007-2008,1158, met NOOT van Mosselmans Geen nieuwe procesverhouding in hoger beroep 

Dit verbod tot tussenkomst slaat zowel op de (vrijwillige dan wel gedwongen) agressieve tussenkomst (hiermee wordt bedoeld de tussenkomst tot het verkrijgen van een veroordeling) en op de tussenvordering waarbij tussen reeds in het geding zijnde partijen een (nieuwe) procesverhouding wordt gecreëerd (M. Castermans, Gerechtelijk privaatrecht – Algemene beginselen, bevoegdheid en burgerlijke rechtspleging, Gent, Academia Press, 2004, p. 461, nr. 861; B. Deconinck, Incidentele vorderingen in hoger beroep: nieuwe eis – tegeneis – addenda, R.W. 1986-87, p. 443, nr. 13 en J. Laenens, noot onder Brussel 26 november 1981, R.W. 1981-82, 2177). S. Mosselmans, Tussenvorderingen in het civiele geding, in A.P.R., Mechelen, Kluwer, 2007, p. 23-24, nrs. 34-35).

Het toelaten van de tussenvordering die voor het eerst in hoger beroep wordt gesteld schendt het beginsel van de dubbele aanleg evenals het recht van verdediging.

Maar deze verbodsbepaling geldt niet ten aanzien van de ambtshalve tussenkomst van het openbaar ministerie op grond van art. 138 Ger. Wetboek.

Aangezien dit verbod zoals ingeschreven in art. 812 Ger. Wetboek, de openbare orde niet raakt, noch een bepaling van dwingend recht uitmaakt, mag de rechter dit verbod niet ambtshalve inroepen en dient het bezwaar tegen een tussenvordering, tussenkomst of uitbreiding van een vordering voor het eerst in hoger beroep gesteld, opgeworpen worden door één van de partijen, tenware de in tussenkomst opgeroepen derde verstek laat. In dit geval mag de rechter in graad van beroep toch ambtshalve de tussenkomst ontoelaatbaar verklaren.

Voorbeeld:

In graad van beroep kan een schuldenaar niet voor het eerst een vordering in vrijwaring stellen.

Dezelfde regel geldt overigens ook voor de uitbreiding van de vordering (art. 807 Ger. Wetboek) die niet voor het eerst in graad van beroep kan gesteld? zie: Cass. 29 november 2002, Pas. 2002, I, 2297; Cass. 29 november 2002, Pas. 2002, I, 2301, R.W. 2002-03, 1299, met noot S. Mosselmans; Cass. 11 februari 2005, R.A.B.G. 2007, 263, R.W. 2004-05, 1619, met noot S. Mosselmans; Cass. 1 juni 2007, inzake A.R. nr. C.05.0444.N; S. Mosselmans, «De aanpassing van de vordering in de zin van art. 807 Ger. W.», in Goed procesrecht – Goed procederen, XXIXste Postuniversitaire cyclus Willy Delva 2002-03, Mechelen, Kluwer, 2004, p. 331-332, nr. 50; zie ook: G. Closset-Marchal, «Demande principale et demande incidente: Dépendance ou autonomie?», in Storme, M. en Taelman, P. (red.), Het proces in meervoud – Le procès au pluriel, Diegem, Kluwer, 1997, p. 48, nr. 40; G. Closset-Marchal en J. van Compernolle, o.c., R.C.J.B. 1997, p. 546, nr. 62; A. Fettweis, Manuel de procédure civile, Luik, Faculté de Droit de Liège, 1987, p. 92, nr. 77).

De regel die de uitbreiding van de vordering in hoger beroep verbiedt dient evenwel genuanceerd te worden. volgens de bepalingen van artikel 807 en 1042 van het gerechtelijk wetboek kan de oorspronkelijke eisen ook in hoger beroep zijn oorspronkelijke vordering uitbreiden of wijzigen, indien het voorwerp van de uitgebreide of gewijzigde vordering gesteund is op feiten of handelingen die in de gedingsinleidende akte  werden aangevoerd. (Zie cassatie 1 juni 2007, RABG 2008/11, 666).

Een akte van hoger beroep dient op straffe van nietigheid de uiteenzetting van de grieven te bevatten. Dit impliceert dat de appellant duidelijk maakt waarom en in welke mate hij zich gegriefd voelt door de bestreden beslissing. De grieven dienen dermate duidelijk geformuleerd te worden zodat de de geïntimeerde zijn conclusies kan voorbereiden en zodat de rechter een graad van beroep de draagwijdte van het hoger beroep kan nagaan. Maar deze vereiste verhindert niet dat de appellant in de loop van het hoger beroep bijkomende grieven tot staving van zijn oorspronkelijke vordering aanvoert. (Zie cassatie 1 juni 2007, RABG 2008/11, 666 met noot Sidney Berneman,  over nieuwe grieven, en nieuwe middelen en nieuwe vorderingen in hoger beroep: what's in a name?)

Tegen ieder vonnis kan hoger beroep worden ingesteld, tenzij de wet anders bepaalt. Maar indien de wet bepaalt dat er geen hoger beroep mogelijk is bestaat hiertegen geen verhaal en schendt dit gebrek aan hoger beroep niet de rechten van verdediging, noch een (onbestaand) algemeen rechtsbeginsel dat een recht verschaft op dubbele aanleg of de fundamentele mensenrechten. Noch de Grondwet, noch het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens waarborgen immers een dubbele aanleg.

Vonnissen van de arbeidsrechtbank zijn steeds vatbaar voor hoger beroep, ongeacht het bedrag van de vordering. In tegenstelling tot de vrederechter, de politierechtbank, de rechtbank van eerste aanleg en de rechtbank van koophandel oordeelt de arbeidsrechtbank dus nooit in laatste aanleg, wanneer het bedrag van de vordering een bepaalde grens niet overschrijdt. Een zodanige grens wordt immers sociaal onrechtvaardig geacht.

Maar dit betekent niet dat alle beslissingen van de arbeidsrechtbank vatbaar zijn voor hoger beroep. Er zijn een aantal sociale wetten die bepalen dat bepaalde vonnissen van de arbeidsrechtbank niet vatbaar voor hoger beroep.
Deze uitzonderingen vindt men vooral terug in geschillen waar collectieve arbeidsbelangen op het spel staan. Voor deze geschillen waarborgt de gerechtelijke procedure een snelle beslechting ten gronde met het oog op het bewaren van de sociale vrede.

Rechtspraak:

• Hof van Cassatie 3e Kamer – 2 mei 2005, RW 2006-2007, 1237

Het voorschrift van art. 1057, 7°, Ger. W. legt aan de appellant de verplichting op om zijn bezwaren tegen de bestreden beslissing op heldere en duidelijke wijze te vermelden, zodat de geïntimeerde in staat wordt gesteld zijn verweer voor te bereiden en de appelrechter de draagwijdte ervan na te gaan. Die verplichting houdt echter niet in dat ook de middelen tot staving van de grieven worden vermeld.

• Hof van Cassatie, 1e Kamer – 27 mei 2011, RW 2011-2012, 1767

A.R. nrs. C.10.0197.N en C.10.0205.N

NV C.L. en NV Van O.L. t/ B.V.R. e.a.

I. Rechtspleging voor het Hof

De cassatieberoepen zijn gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Gent van 18 september 2009.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Samenvoeging

1. De cassatieberoepen in de zaken C.10.0197.N en C.10.0205.N zijn gericht tegen hetzelfde arrest. Zij dienen te worden samengevoegd.

Zaak C.10.0197.N

2. De wettelijke regels inzake de ontvankelijkheid van het hoger beroep in burgerlijke zaken raken de openbare orde.

Krachtens art. 1050, eerste lid Ger.W. kan in alle zaken hoger beroep worden ingesteld zodra het vonnis is uitgesproken, zelfs al is dit een beslissing alvorens recht te doen of een verstekvonnis.

Krachtens art. 1054 Ger.W. kan de gedaagde te allen tijde incidenteel beroep instellen tegen alle partijen die in het geding zijn voor de rechter in hoger beroep, zelfs indien hij het vonnis zonder voorbehoud heeft betekend of er vóór de betekening in berust heeft.

Art. 1056, 4o Ger.W. bepaalt dat het hoger beroep wordt ingesteld bij conclusie, ten aanzien van iedere partij die bij het geding aanwezig of vertegenwoordigd is.

3. Uit deze bepalingen in hun onderlinge samenhang gelezen volgt dat het hof van beroep ambtshalve de ontvankelijkheid van de hogere beroepen dient te onderzoeken en met name of het als incidenteel beroep gekwalificeerde hoger beroep niet ontvankelijk is als navolgend hoofdberoep.

4. Betreffende de vrijwaringsvorderingen van B.V.R. tegen de eiseres en de tweede en derde verweersters stellen de appelrechters vast:

– laatstvermelde partijen concluderen “middels (al dan niet impliciet) incidenteel (hoger) beroep tot de niet-ontvankelijkheid van de door V.R.B. geformuleerde vrijwaringsvorderingen wegens

– hetzij het verstrijken van de korte termijn van art. 1648 BW;

– hetzij de verjaring op grond van art. 12, § 2 van de wet van 25 februari 1991 betreffende de aansprakelijkheid voor producten met gebreken”;

– deze vorderingen werden evenwel bij het niet-bestreden tussenvonnis van 6 februari 2004 ontvankelijk verklaard.

Zij oordelen dat de aldus geformuleerde incidentele beroepen gericht zijn tegen het tussenvonnis van 6 februari 2004 en niet ontvankelijk zijn, omdat het incidenteel beroep als verbonden aan het hoofdberoep slechts kan worden gericht tegen het vonnis dat het voorwerp van het hoofdberoep uitmaakt. Zij besluiten dat het derhalve niet mogelijk is het incidenteel beroep te richten tegen een tussenvonnis, wanneer, zoals te dezen, het hoofdberoep enkel tegen het eindvonnis is ingesteld.

5. Door aldus te oordelen, zonder na te gaan of het door hen als incidenteel beroep gekwalificeerde hoger beroep niet ontvankelijk was als hoofdberoep tegen het tussenvonnis, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Zaak C.10.0205.N

6. Gelet op de beslissing met betrekking tot de zaak C.10.0197.N, is het eerste middel om dezelfde reden gegrond....
 

uittreksel uit het gerechtelijk wetboek

BOEK III _ RECHTSMIDDELEN.
EERSTE TITEL. _ Algemene bepalingen.

Art. 1042. Voor zover de bepalingen van dit boek er niet van afwijken zijn de regels van het geding toepasselijk op de rechtsmiddelen.

Art. 1043. De partijen kunnen de rechter verzoeken akte te nemen van de overeenkomst die zij gesloten hebben ter oplossing van het geschil dat bij hem regelmatig aanhangig is gemaakt.

Tegen dit vonnis staat voor de gedingvoerende partijen geen voorziening open, tenzij de overeenkomst niet wettelijk is tot stand gekomen en behoudens de wijzen van uitlegging en van verbetering, bepaald in de artikelen 793 tot 801, indien daartoe grond bestaat.

Art. 1044. Berusten in een beslissing is afstand doen van de rechtsmiddelen die een partij tegen alle of sommige punten van die beslissing kan aanwenden of reeds heeft aangewend.

Voorwaardelijke berusting heeft alleen dan gevolg, indien zij door de tegenpartij is aanvaard.

Art. 1045. De berusting kan uitdrukkelijk of stilzwijgend zijn.

De uitdrukkelijke berusting geschiedt bij eenvoudige akte, ondertekend door de partij of haar bijzondere gemachtigde.

De stilzwijgende berusting kan alleen worden afgeleid uit bepaalde en met elkaar overeenstemmende akten of feiten waaruit blijkt dat de partij het vaste voornemen heeft haar instemming te betuigen met de beslissing.

Art. 1046. Beslissingen of maatregelen van inwendige aard, zoals bepaling van de rechtsdag, uitstel, weglating van de rol en doorhaling, alsmede vonnissen waarbij wordt bevolen dat partijen in persoon moeten verschijnen, zijn niet vatbaar voor verzet of hoger beroep.

TITEL II. _ Verzet.

Art. 1047. Tegen ieder verstekvonnis kan verzet worden gedaan, onverminderd de bij de wet bepaalde uitzonderingen.

Het verzet wordt betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot, dat dagvaarding inhoudt om te verschijnen voor de rechter die het verstekvonnis heeft gewezen.

Met instemming van de partijen kan hun vrijwillige verschijning die formaliteiten vervangen.

De akte van verzet bevat, op straffe van nietigheid, de middelen van de eiser in verzet.
(Het verzet kan door de partij, haar raadsman of de voor de partij optredende gerechtsdeurwaarder worden ingeschreven in een register dat daartoe gehouden wordt ter griffie van het gerecht dat de beslissing heeft gewezen. De inschrijving omvat de namen van de partijen en hun raadslieden alsook de datum van de beslissing en van het verzet.) <W 24-6-1970, art. 16>

Art. 1048. (De termijn om verzet aan te tekenen is één maand te rekenen vanaf de betekening van het vonnis of de kennisgeving ervan overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid.) <W 1993-01-12/34, art. 21, 021;
Inwerkingtreding : 1993-03-01>

Heeft de niet verschenen partij geen woon- of verblijfplaats of geen gekozen woonplaats in België, dan wordt de termijn van verzet verlengd overeenkomstig artikel 55.

Art. 1049. Wanneer de eiser in verzet een tweede maal verstek laat gaan, is een nieuw verzet niet meer ontvankelijk.

TITEL III. _ Hoger beroep.

HOOFDSTUK I. _ Algemene bepalingen.

Art. 1050. In alle zaken kan hoger beroep worden ingesteld zodra het vonnis is uitgesproken, zelfs al is dit een beslissing alvorens recht te doen of een verstekvonnis.
(Tegen een beslissing inzake bevoegdheid kan slechts hoger beroep worden ingesteld samen met het hoger beroep tegen het eindvonnis.) <W 1992-08-03/31, art. 42, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

Art. 1051. (De termijn om hoger beroep aan te tekenen is één maand, te rekenen vanaf de betekening van het vonnis op de kennisgeving overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid.) <W 1993-01-12/34, art. 22, 1°, 021; Inwerkingtreding : 1993-03-01>

Deze termijn loopt eveneens vanaf de dag van die betekening ten aanzien van de partij die het vonnis heeft doen betekenen.

Heeft een van de partijen aan wie of op wier verzoek het vonnis is betekend, geen woon- of verblijfplaats of geen gekozen woonplaats in België, dan wordt de termijn van hoger beroep verlengd overeenkomstig artikel 55.
(Het zelfde geldt wanneer één van de partijen aan wie het vonnis ter kennis is gebracht overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid, in België geen woon- of verblijfplaats of geen gekozen woonplaats heeft.) <W 1993-01-12/34, art. 22, 2°, 021; Inwerkingtreding : 1993-03-01>

Art. 1052. Onverminderd het vorderingsrecht van het openbaar ministerie, zoals het geregeld is door dit Wetboek of door bijzondere wetten, kunnen de procureur-generaal en de arbeidsauditeur hoger beroep aantekenen tegen beslissingen van de arbeidsrechtbanken, in aangelegenheden als bedoeld in de artikelen 578, 7° , 580, 581, (582, 1° en 2° , en 583.) <W 30-6-1971, art. 27>

Ten aanzien van het openbaar ministerie loopt de termijn zodra het vonnis is uitgesproken.

De kennisgeving van het vonnis aan het openbaar ministerie geschiedt door de griffier binnen acht dagen na de uitspraak, met dien verstande dat niet-vervulling van die formaliteit de termijn van hoger beroep ongewijzigd laat.

Art. 1053. Wanneer het geschil onsplitsbaar is, moet hoger beroep gericht worden tegen alle partijen wier belang in strijd is met dat van de eiser in hoger beroep.

Deze moet bovendien de andere niet in het beroep komende, niet in beroep gedagvaarde of niet opgeroepen partijen binnen de gewone termijnen van hoger beroep en ten laatste voor de sluiting van de debatten in de zaak betrekken.

Bij niet-inachtneming van de in dit artikel gestelde regels wordt het hoger beroep niet toegelaten.
De beslissing kan worden tegengeworpen aan alle in de zaak betrokken partijen.

Art. 1054. De gedaagde in hoger beroep kan te allen tijde incidenteel beroep instellen tegen alle partijen die in het geding zijn voor de rechter in hoger beroep, zelfs indien hij het vonnis zonder voorbehoud heeft betekend of er vó6r de betekening in berust heeft.

Het incidenteel beroep kan echter niet worden toegelaten wanneer het hoofdberoep nietig of laattijdig wordt verklaard.

Art. 1055. Tegen ieder vonnis alvorens recht te doen (of tegen ieder vonnis inzake bevoegdheid,) zelfs al is het zonder voorbehoud ten uitvoer gelegd, kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd als tegen het eindvonnis. <W 1992-08-03/31, art. 43, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

Art. 1056. Het hoger beroep wordt ingesteld :
1° bij akte van een gerechtsdeurwaarder die aan de tegenpartij wordt betekend.
(Lid 2 opgeheven) <W 1999-03-22/55, art. 2, 047; Inwerkingtreding : 05-10-1999>
2° bij een verzoekschrift dat, in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn, ingediend wordt op de griffie van het gerecht in hoger beroep en door de griffier aan de gedaagde partij en, in voorkomend geval, aan haar advokaat bij gerechtsbrief ter kennis gebracht uiterlijk de eerste werkdag nadat het is ingediend;
3° (bij ter post aangetekende brief die aan de griffie wordt gezonden, wanneer de wet deze wijze van voorziening uitdrukkelijk voorschrijft, alsmede in de materies bedoeld bij de artikelen 580, 2° , 3° , 6° , 7° , 8° , 9° , (10° en 11°), 581, 2° , 582, 1° en 2° , en 583) <W 30-6-1971, art. 28> <W 20-6-1975, art. 13> <W 22-12-1977, art. 166>
bij conclusie, ten aanzien van iedere partij die bij het geding aanwezig of vertegenwoordigd is.

Art. 1057. Met uitzondering van het geval waarin het hoger beroep bij conclusie wordt ingesteld, vermeldt de akte van hoger beroep, op straffe van nietigheid :
1° de dag, de maand en het jaar;
2° de naam, de voornaam, het beroep en de woonplaats van de eiser in hoger beroep;
3° de naam, de voornaam en de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats, de verblijfplaats van de gedaagde in hoger beroep;
4° de beslissing waartegen in hoger beroep wordt gekomen;
5° de rechter in hoger beroep;
6° de plaats waar de gedaagde in hoger beroep akte moet laten nemen van zijn verklaring van verschijning;
7° (de uiteenzetting van de grieven;
8° de plaats, de dag en het uur van verschijning, tenzij hoger beroep is ingesteld bij aangetekend schrijven, in welk geval de griffier de partijen oproept om te verschijnen op de zitting die de rechter bepaalt.) <W 1992-08-03/31, art. 44, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
De akte vermeldt eventueel ook de naam van de advocaat van de eiser in hoger beroep. <W 1-2-1977, enig artikel>

Art. 1058. Indien het hoger beroep niet in die vorm is ingesteld, kan de rechter in hoger beroep bevelen dat het aan de niet verschenen gedaagde partij wordt betekend bij gerechtsdeurwaardersakte.

Art. 1059. De zaak wordt ingeschreven op de algemene rol, zoals bepaald is in artikel 716.
Voor het overige wordt gehandeld zoals bepaald is in artikel 723.
(Het hoger beroep kan door de partij, haar raadsman of de voor de partij optredende gerechtsdeurwaarder worden ingeschreven in een register dat daartoe gehouden wordt ter griffie van het gerecht dat de beslissing heeft gewezen. De inschrijving omvat de namen van de partijen en hun raadslieden alsook de datum van de beslissing en van het hoger beroep.) <W 24-6-1970, art. 17>

Art. 1060. <W 1992-08-03/31, art. 45, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1993> De akte van hoger beroep heeft geen gevolg indien de eiser de zaak niet op de rol heeft laten inschrijven vóór de datum van verschijning die in de akte is vermeld.

Art. 1061. <W 1992-08-03/31, art. 46, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1993> De verklaring van verschijning van de gedaagde in hoger beroep geschiedt op de zitting, onverminderd de toepassing van artikel 729.

Art. 1062. <W 1992-08-03/31, art. 47, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1993> De gewone termijn van verschijning in hoger beroep voor hen die hun woonplaats of verblijfplaats in België hebben, is vijftien dagen.

Hetzelfde geldt :
1° wanneer de akte van hoger beroep in België aan de gekozen woonplaats wordt betekend of ter kennis gebracht;
2° wanneer de persoon aan wie van de akte van hoger beroep kennis wordt gegeven of aan wie de akte moet worden betekend, geen bekende woon- of verblijfplaats heeft in België of in het buitenland;
3° wanneer de akte bestemd voor een persoon die in België geen woon- of verblijfplaats heeft, aan die persoon wordt betekend in België.

In de andere gevallen wordt de termijn verlengd zoals bepaald in artikel 55.

Art. 1063. (opgeheven) <W 1992-08-03/31, art. 48, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
9° met verlof van de rechter in hoger beroep om, naar vereiste van omstandigheden, tegen een bepaalde dag te dagvaarden, indien het vonnis uitvoerbaar is niettegenstaande hoger beroep.

Art. 1064. <W 1992-08-03/31, art. 49, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Onverminderd de toepassing van de regels van het geding :
heeft de gedaagde in hoger beroep een maand om zijn conclusie te nemen na de inleiding van de zaak;
heeft de eiser in hoger beroep een maand om te antwoorden;
beschikt de gedaagde in hoger beroep over vijftien dagen voor zijn wederantwoord.

Art. 1065. De verzoeken tot bepaling van de rechtsdag worden ter griffie ingediend.

Art. 1066. <W 1992-08-03/31, art. 50, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1993> De zaken waarvoor slechts korte debatten nodig zijn, worden aangehouden en bepleit op de inleidingszitting, of anders binnen ten hoogste drie maanden en, zo nodig, op een namiddagzitting.

Behoudens akkoord van partijen, geldt hetzelfde :

1° in geval van voorziening tegen iedere beslissing van de voorzitter in kort geding of op verzoekschrift;
2° wanneer de bestreden beslissing een beslissing alvorens recht te doen of een voorlopige maatregel inhoudt;
3° wanneer de beslissing een uitstel van betaling toestaat of weigert;
4° in alle zaken betreffende bezwarende beslagen of middelen tot tenuitvoerlegging;
5° inzake faillissement, wanneer het bestreden vonnis uitspraak doet over de faillietverklaring of over de datum van staking van betaling, alsmede inzake akkoord;
6° ingeval wordt opgekomen tegen een beslissing waarvan de voorlopige tenuitvoerlegging zonder borgstelling of kantonnement is toegestaan.

Art. 1067. De regels betreffende verstekvonnis en verzet zijn in hoger beroep van toepassing.

HOOFDSTUK II. _ Devolutieve kracht van het hoger beroep en recht om de zaak aan zich te trekken.

Art. 1068. Hoger beroep tegen een eindvonnis of tegen een vonnis alvorens recht te doen maakt het geschil zelf aanhangig bij de rechter in hoger beroep.

Deze verwijst de zaak alleen dan naar de eerste rechter, indien hij, zelfs gedeeltelijk, een in het aangevochten vonnis bevolen onderzoeksmaatregel bevestigt.

Art. 1069. (opgeheven) <W 1992-08-03/31, art. 51, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

Art. 1070. (De rechtbank van eerste aanleg, en, in voorkomend geval, de rechtbank van koophandel) die zitting houdt in tweede aanleg, beslist over de zaak zelf en daartegen staat hoger beroep open indien het geschil tot haar bevoegdheid behoorde. <W 24-6-1970, art. 19>

Art. 1071. Indien de partijen of een van hen geen conclusie hebben genomen over de zaak zelf voor de eerste rechter of voor de rechter in hoger beroep, verwijst deze de zaak naar een latere zitting, waar over de zaak zelf conclusie zal worden genomen en beslist.

Art. 1072. De rechter in hoger beroep houdt, wanneer daartoe grond bestaat, zijn eindbeslissing aan totdat de maatregelen zijn uitgevoerd, die de eerste rechter of hij zelf heeft bevolen alvorens recht te doen.

Behoudens de uitzondering bepaald in artikel 1068, tweede lid, staat de uitvoering van die maatregelen aan de eerste rechter of aan de rechter in hoger beroep, naar gelang deze laatste beslist.

Art. 1072bis. <Ingevoegd bij W 1992-08-03/31, art. 52, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Wanneer de rechter in hoger beroep het hoofdberoep afwijst, doet hij in dezelfde beslissing uitspraak over de eventueel gevorderde schadevergoeding wegens tergend of roekeloos hoger beroep.

Indien daarenboven een geldboete wegens tergend of roekeloos hoofdberoep verantwoord kan zijn, wordt bij dezelfde beslissing een rechtsdag bepaald op nabije datum waarop alleen dit punt zal worden behandeld. De griffier roept bij gerechtsbrief de partijen op om te verschijnen op de rechtsdag.

De geldboete bedraagt 5 000 frank tot 100 000 frank. De Koning mag het minimum- en maximumbedrag om de vijf jaar aanpassen aan de kosten van het levensonderhoud.

De geldboete wordt geïnd door de Administratie der Registratie en Domeinen met aanwending van alle middelen van recht.


Hoger beroep in het strafrecht

uittreksels uit het gerechtelijk wetboek

§ III. - HOGER BEROEP VAN POLITIEVONNISSEN.

Art. 172. <W 31-05-1955> Tegen de vonnissen gewezen door de politierechtbanken staat in alle gevallen hoger beroep open.
Het beroep wordt ingesteld, behandeld en gewezen in dezelfde vorm als het beroep tegen de correctionele vonnissen.
De termijn, bij artikel 174 van het Wetboek van Strafvordering gesteld, gaat in op de dag van de uitspraak van het vonnis, of van de betekening indien het vonnis bij verstek gewezen is.

Art. 173. Het hoger beroep schorst de tenuitvoerlegging.
(De vonnissen over de strafvordering, buiten die van veroordeling, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging, alsook de vonnissen over de burgerlijke rechtsvordering kunnen echter bij een speciaal gemotiveerde beslissing uitvoerbaar verklaard worden bij voorraad niettegenstaande hoger beroep.) <KB 258 24-03-1936, art. 3, § 1>

Art. 174. <W 31-05-1955, art. 1> Het hoger beroep van de vonnissen, door de politierechtbank gewezen, wordt voor de correctionele rechtbank gebracht.

Het wordt ingesteld binnen dezelfde termijnen, onder dezelfde voorwaarden en in dezelfde vorm als het hoger beroep van de vonnissen door de correctionele rechtbank gewezen.

Art. 175. Wanneer de procureur des Konings of een van de partijen het in hoger beroep vordert, kunnen de getuigen opnieuw worden gehoord en kunnen zelfs andere getuigen gehoord worden.

Art. 176. De bepalingen van de voorgaande artikelen betreffende de wettelijke vorm van het onderzoek, de aard van de bewijzen, de vorm, de authenticiteit en de ondertekening van het eindvonnis, de veroordeling in de kosten, alsook de straffen in die artikelen bepaald, gelden eveneens voor de vonnissen in hoger beroep gewezen door de correctionele rechtbanken.

Art. 177. Het openbaar ministerie en de partijen kunnen, indien daartoe grond bestaat, zich in cassatie voorzien tegen de vonnissen gewezen (...) door de correctionele rechtbank in hoger beroep van politievonnissen. <W 10-07-1967, art. 1, 91°>
De voorziening wordt ingesteld in de vorm en binnen de termijnen die zullen worden voorgeschreven.

HOGER BEROEP TEGEN VONNISSEN VAN DE CORRECTIONELE RECHTBANK

Art. 199. Tegen de vonnissen gewezen in correctionele zaken staat hoger beroep open.

Art. 200. <W 01-05-1849, art. 6> Het hoger beroep van de vonnissen gewezen door de correctionele rechtbanken wordt gebracht voor het hof van beroep van het rechtsgebied.

Art. 201. (Opgeheven) <W 10-07-1967, art. 1, 106°>

Art. 202. <W 01-05-1849, art. 7> Het recht om hoger beroep in te stellen tegen de vonnissen gewezen door de politierechtbanken en de correctionele rechtbanken behoort :
1° Aan de beklaagde en aan de burgerrechtelijk aansprakelijke partij;
2° Aan de burgerlijke partij, alleen wat haar burgerlijke belangen betreft;
3° Aan het bosbeheer;
4° Aan het openbaar ministerie bij het hof (...) die over het beroep uitspraak moet doen; <W 1994-07-11/33, art. 11, 007; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
5° (naar gelang van het geval aan de procureur des Konings of aan de arbeidsauditeur.) <W 1994-07-11/33, art. 12, 007; Inwerkingtreding : 01-01-1995>

Art. 203. <W 31-05-1955, art. 2> § 1. Behoudens de uitzondering van artikel 205 hierna, vervalt het recht van hoger beroep, indien de verklaring van hoger beroep niet gedaan is op de griffie van de rechtbank die het vonnis heeft gewezen, uiterlijk (vijftien) dagen na de dag van die uitspraak en indien het vonnis bij verstek is gewezen, uiterlijk (vijftien) dagen na de dag van de betekening ervan aan de veroordeelde partij of aan haar woonplaats. <W 15-06-1981, art. 1>

§ 2. Is het hoger beroep tegen de burgerlijke partij gericht, dan beschikt deze over een bijkomende termijn van vijf dagen om hoger beroep in te stellen tegen de beklaagden en de burgerrechtelijk aansprakelijke personen die zij in de zaak wil doen blijven, onverminderd haar recht incidenteel beroep in te stellen overeenkomstig § 4.

§ 3. Gedurende die termijnen en gedurende de rechtspleging in hoger beroep wordt de tenuitvoerlegging van het vonnis geschorst. De vonnissen over de strafvordering, buiten die van veroordeling, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging, alsook de vonnissen over de burgerlijke rechtsvordering kunnen echter bij een speciaal gemotiveerde beslissing uitvoerbaar verklaard worden bij voorraad niettegenstaande hoger beroep.

§ 4. In alle gevallen waarin de burgerlijke rechtsvordering gebracht wordt voor de rechter in hoger beroep, kan de gedaagde bij een op de terechtzitting genomen conclusie incidenteel beroep instellen zolang de debatten in hoger beroep niet gesloten zijn.

Art. 203bis. <W 16-02-1961, art. 4> De beklaagde, de burgerrechtelijk aansprakelijke partij en de burgerlijke partij kunnen hoger beroep instellen, hetzij in persoon, hetzij (...) door een advocaat (...). <W 20-12-1974, art. 3 en 4>

Art. 204. Het verzoekschrift dat de middelen van beroep inhoudt, kan binnen dezelfde termijn op dezelfde griffie ingediend worden; het wordt ondertekend door de eiser in beroep of door een pleitbezorger, of door een ander bijzonder gemachtigde.

In dit laatste geval wordt de volmacht bij het verzoekschrift gevoegd.

Dit verzoekschrift kan ook rechtstreeks worden ingediend op de griffie van de rechtbank waarvoor het hoger beroep wordt gebracht.

Art. 205. <W 15-06-1981, art. 2> Het openbaar ministerie bij het hof of de rechtbank die van het beroep kennis moet nemen, moet, op straffe van verval, binnen vijfentwintig dagen te rekenen van de uitspraak van het vonnis, zijn beroep betekenen, hetzij aan de beklaagde, hetzij aan de voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijke partij. Het exploot bevat dagvaarding binnen zestig dagen te rekenen van hetzelfde tijdstip (of binnen vijfenveertig dagen te rekenen van de uitspraak van het vonnis in het kader van de procedure van onmiddellijke verschijning bedoeld in artikel 216quinquies). <W 2000-03-28/31, art. 4, 014; Inwerkingtreding : 2000-04-30>

Art. 206. (Opgeheven) <W 10-07-1967, art. 1, 109°>

Art. 207. Het verzoekschrift, indien het op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg is ingediend, en de stukken worden door de procureur des Konings aan de griffie van het hof (...) waarvoor het beroep gebracht zal worden, gezonden binnen vierentwintig uren na de verklaring op de griffie of na de afgifte van de betekening van het beroep. <W 10-07-1967, art. 1, 110°>

Hij tegen wie het vonnis is gewezen, wordt, indien hij zich in hechtenis bevindt, binnen dezelfde termijn en op bevel van de procureur des Konings overgebracht naar het huis van arrest van de plaats waar de zetel van het hof (...) dat over het beroep uitspraak zal doen. <W 10-07-1967, art. 1, 110°>

Art. 208. <W 27-02-1956, art. 3> Tegen de arresten, in hoger beroep bij verstek gewezen, kan in verzet worden gekomen in dezelfde vorm en binnen dezelfde termijnen als tegen de verstekvonnissen van de correctionele rechtbanken.

Het verzet brengt van rechtswege dagvaarding mee tegen de eerstkomende terechtzitting na het verstrijken van een termijn van (vijftien) dagen, of van drie dagen indien de eiser in verzet zich in hechtenis bevindt. <W 15-06-1981, art. 1>

Het wordt als ongedaan beschouwd indien de eiser in verzet (of zijn advocaat) niet verschijnt, en het arrest, op het verzet gewezen, kan door de partij die verzet heeft gedaan, alleen worden bestreden voor het Hof van Cassatie. <W 2003-02-12/35, art. 12, 021; Inwerkingtreding : 07-04-2003>

Art. 209. Over het hoger beroep wordt binnen een maand uitspraak gedaan ter terechtzitting, (...). <W 1990-12-28/31, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 08-01-1991>

Art. 209bis. <Ingevoegd bij W 2000-03-28/31, art. 5; Inwerkingtreding : 2000-04-30> In de gevallen bedoeld in artikel 216quinquies, wordt het hoger beroep ingesteld binnen de termijn en in de vorm bepaald in de artikelen 203 en 205.

Onverminderd artikel 205, wordt de zaak vastgesteld binnen vijftien dagen na het verstrijken van de termijn gesteld voor de beklaagde in artikel 203, § 1.

De termijn van dagvaarding voor het Hof bedraagt twee dagen.

Het Hof kan de zaak eenmaal of meermaals uitstellen op voorwaarde dat het deze uiterlijk vijftien dagen na de inleidingszitting in beraad neemt.

Het Hof doet uitspraak binnen vijf dagen nadat de zaak in beraad is genomen.

Wanneer het Hof van oordeel is dat de complexiteit van de zaak aanvullend onderzoek vereist, kan het Hof het dossier bij een met redenen omklede beslissing toezenden aan de procureur-generaal.

Art. 210. (Voordat de rechters) hun gevoelen uiten, worden de beklaagde, onverschillig of hij vrijgesproken dan wel veroordeeld is, de voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijke personen, de burgerlijke partij (, of hun advocaat) en de procureur-generaal gehoord (over de nauwkeurig bepaalde grieven die tegen het vonnis worden ingebracht, en zulks in de door de rechter te bepalen volgorde. De beklaagde (of zijn advocaat) heeft, indien hij het vraagt, altijd het laatste woord.) <W 1990-12-28/31, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 08-01-1991> <KB 258 24-03-1936, art. 4> <W 2003-02-12/35, art. 13, 021; Inwerkingtreding : 07-04-2003>

Art. 211. De bepalingen van de voorgaande artikelen betreffende de wettelijke vormen van het onderzoek, de aard van de bewijzen, de vorm, de authenticiteit en de ondertekening van het eindvonnis in eerste aanleg, de veroordeling in de kosten, alsook de straffen in die artikelen bepaald, gelden eveneens voor de vonnissen in hoge beroep gewezen.

Art. 211bis. <W 10-10-1967, art. 149> Is er een vrijsprekend vonnis of een beschikking tot buitenvervolgingstelling, dan kan het gerecht in hoger beroep geen veroordeling of verwijzing uitspreken dan met eenparige stemmen van zijn leden. Dezelfde eenstemmigheid is vereist voor het gerecht in hoger beroep om tegen beklaagde uitgesproken straffen te kunnen verzwaren. Dit geldt eveneens inzake voorlopige hechtenis om een voor de beklaagde gunstige beschikking te kunnen wijzigen.

Art. 212. Indien het vonnis wordt teniet gedaan omdat het feit door geen enkele wet wordt beschouwd als wanbedrijf of overtreding, ontslaat het hof (...) de beklaagde van rechtsvervolging en beslist in voorkomend geval over de schadevergoeding te zijnen behoeve. <W 10-07-1967, art. 1, 112°>

Art. 213. Indien het vonnis wordt teniet gedaan, omdat het feit slechts een overtreding oplevert, en indien (de openbare of de burgerlijke partij) de verwijzing niet hebben gevraagd, spreekt het hof (...) de straf uit en beslist in voorkomend geval eveneens over de schadevergoeding. <W 10-07-1967, art. 1, 113°>

Art. 214. Indien het vonnis wordt teniet gedaan, omdat het misdrijf strafbaar is met een criminele straf, verleent het hof (...), zo daartoe grond bestaat, een bevel tot bewaring of zelfs een bevel tot aanhouding, en verwijst de beklaagde naar de bevoegde openbare ambtenaar, die echter een andere zal zijn dan degene die het vonnis heeft gewezen of het onderzoek heeft gedaan. <W 10-07-1967, art. 1, 114°>

Art. 215. Indien het vonnis wordt teniet gedaan wegens schending of niet hersteld verzuim van vormen, door de wet voorgeschreven op straffe van nietigheid, beslist het hof (...) mede over de zaak zelf. <W 10-07-1967, art. 1, 112°>

Art. 216. De burgerlijke partij, de beklaagde, de openbare partij, de voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijke personen kunnen zich tegen het vonnis in cassatie voorzien.

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:15
Laatst aangepast op: wo, 11/05/2016 - 14:49

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.