-A +A

hoedanigheid om een rechtsvordering in te stellen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Krachtens art. 17 Ger. W. kan de rechtsvordering niet worden toegelaten indien de eiser geen hoedanigheid heeft om ze in te dienen.

Het begrip hoedanigheid wordt algemeen gedefinieerd als «de bevoegdheid krachtens welke iemand een rechtsvordering uitoefent».

De persoon die over deze bevoegdheid beschikt, is de titularis van het gevorderde subjectieve recht (deze heeft vanzelfsprekend een persoonlijk en rechtstreeks belang om te handelen).

Een andere persoon dan de titularis van het recht kan ook een rechtsvordering instellen op voorwaarde dat hij de hoedanigheid ertoe heeft (vordering ingesteld door de voogd, door de curator van een faillissement, …).

Heeft de vereiste hoedanigheid, de houder van het subjectief recht waarvan de erkenning in rechte wordt gevorderd, tenzij verlies van de beschikkingsbevoegdheid over het aangevoerde recht (Fettweis, A., o.c., nr. 36; Storme, M.-E., «Procesrechtelijke knelpunten bij de geldendmaking van rechten uit aansprakelijkheid voor de burgerlijke rechter, in het bijzonder, belang, hoedanigheid en rechtsopvolging», in Recht halen uit aansprakelijkheid, P.U.C., Willy Delva, 1992-1993, Gent, Mys & Breesch, 1994, nr. 13, inzonderheid voetnoot 56; Van Compernolle, J. en Closset-Marchal, G., o.c., R.C.J.B. 1997, nr. 33).

Wanneer een eiser de uitvoering in rechte vordert van een overeenkomst die hij (terecht of ten onrechte) meent te hebben gesloten met een verweerder  getuigt de eiser van de nodige hoedanigheid in de zin van art. 17 Ger. W.

Het bestaan of ontbreken van de vereiste hoedanigheid kan namelijk niet afhankelijk worden gesteld van of getoetst worden aan het al dan niet bestaan of gegrond zijn van het recht waarvan men de erkenning of de naleving vordert. De procespartij die beweert houder te zijn van een subjectief recht, heeft hoedanigheid om de vordering in te stellen, ook al wordt dit recht betwist. Het onderzoek naar het bestaan of de draagwijdte van het subjectief recht dat wordt ingeroepen, betreft niet de ontvankelijkheid maar de gegrondheid van de vordering (Cass. 2 april 2004, beschikbaar op www.cass.be).

zie Kh. Brussel 16 augustus 2005, RW 2007-2008, 1460

Het adagium « Nul ne plaide par procureur » sluit evenwel uit dat om het even wie kan handelen in naam van de titularis van het recht, zelfs wanneer hij een belang heeft.

hoedanigheid en een betwiste vordering

Een procespartij die beweert houder te zijn van een subjectief recht heeft belang en hoedanigheid om een vordering in rechte in te stellen, elfs indien dit subjectief rechter wordt betwist. De vraag of het aangevoerde subjectieve recht bestaat en de draagwijdte van dit subjectief recht, betreft de grond van de vordering en niet de ontvankelijkheid. Zie die arresten van cassatie en van 28 september 2007 en 16 november 2007.

Rechtspraak:

• Hof van Beroep Antwerpen, 09/12/2015, RW 2017-2018, 1057

Samenvatting

Art. 17 Ger.W. bepaalt dat de rechtsvordering niet kan worden toegelaten indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen.

Art. 18, eerste lid Ger.W. bepaalt dat het belang een reeds verkregen en dadelijk belang moet zijn.

Krachtens art. 18, tweede lid Ger.W. kan de rechtsvordering worden toegelaten indien zij, zelfs tot verkrijging van een verklaring van recht, is ingesteld om de schending van een ernstig bedreigd recht te voorkomen.

4.3. Het belang, waarvan sprake is voormelde wetsartikelen, wordt beoordeeld vanuit het oogpunt van het tijdstip waarop de vordering wordt ingesteld.

Het belang moet echter gedurende het gehele geding voorhanden blijven, ook tijdens de procedure in hoger beroep. Valt het belang in de loop van het geding weg, dan moet de rechter vaststellen dat de vordering zonder voorwerp is geworden (zie ook: Cass. 29 mei 2015, C.13.0615.N, vgl. ook met: Cass. 24 april 2003, AR C.00.0567.F-C.01.0004.F, Arr.Cass. 2003, nr. 261, conclusie advocaat-generaal X. De Riemaecker).

Het belang wordt geconditioneerd door het voorwerp van de vordering, d.i. het doel van de processuele actie, de reden waarom een partij de rechter adieert.

Hoewel een gebrek aan belang of hoedanigheid in de regel leidt tot de niet-toelaatbaarheid van de vordering, is het juister te stellen dat, in het specifieke geval dat deze toelaatbaarheidsvereiste slechts in de loop van het geding wegvalt (zoals ook hier het geval is), de rechter moet vaststellen dat de vordering zonder voorwerp is geworden (K. Wagner, Burgerlijk procesrecht in hoofdlijnen, Antwerpen, Maklu, 2014, p. 268, nr. 277; R. De Corte, «Hoe autonoom is het procesrecht? Studie van enkele raakvlakken tussen materieel recht en gerechtelijk recht» in M. Storme (ed.), Procesrecht vandaag, Antwerpen, Kluwer Rechtswetenschappen, 1980, p. 14, nr. 34 en p. 24, nr. 48).

Tekst arrest

M. en J. t/ Ambtenaar van de burgerlijke stand te Sint-Truiden...

4.2. Art. 17 Ger.W. bepaalt dat de rechtsvordering niet kan worden toegelaten indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen.

Art. 18, eerste lid Ger.W. bepaalt dat het belang een reeds verkregen en dadelijk belang moet zijn.

Krachtens art. 18, tweede lid Ger.W. kan de rechtsvordering worden toegelaten indien zij, zelfs tot verkrijging van een verklaring van recht, is ingesteld om de schending van een ernstig bedreigd recht te voorkomen.

4.3. Het belang, waarvan sprake is voormelde wetsartikelen, wordt beoordeeld vanuit het oogpunt van het tijdstip waarop de vordering wordt ingesteld.

Het belang moet echter gedurende het gehele geding voorhanden blijven, ook tijdens de procedure in hoger beroep. Valt het belang in de loop van het geding weg, dan moet de rechter vaststellen dat de vordering zonder voorwerp is geworden (zie ook: Cass. 29 mei 2015, C.13.0615.N, vgl. ook met: Cass. 24 april 2003, AR C.00.0567.F-C.01.0004.F, Arr.Cass. 2003, nr. 261, conclusie advocaat-generaal X. De Riemaecker).

Het belang wordt geconditioneerd door het voorwerp van de vordering, d.i. het doel van de processuele actie, de reden waarom een partij de rechter adieert.

Het voorwerp van de vordering van huidige appellanten bestaat uit de vernietiging van de weigeringsbeslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand tot voltrekking/sluiting van het huwelijk. Het betreft de vordering bedoeld in art. 167 BW, namelijk het beroep tegen de weigering door de ambtenaar van de burgerlijke stand om het huwelijk te voltrekken.

De nietigverklaring van deze weigeringsbeslissing is thans zinledig, aangezien appellanten naar buitenlands recht zijn gehuwd.

Hoewel een gebrek aan belang of hoedanigheid in de regel leidt tot de niet-toelaatbaarheid van de vordering, is het juister te stellen dat, in het specifieke geval dat deze toelaatbaarheidsvereiste slechts in de loop van het geding wegvalt (zoals ook hier het geval is), de rechter moet vaststellen dat de vordering zonder voorwerp is geworden (K. Wagner, Burgerlijk procesrecht in hoofdlijnen, Antwerpen, Maklu, 2014, p. 268, nr. 277; R. De Corte, «Hoe autonoom is het procesrecht? Studie van enkele raakvlakken tussen materieel recht en gerechtelijk recht» in M. Storme (ed.), Procesrecht vandaag, Antwerpen, Kluwer Rechtswetenschappen, 1980, p. 14, nr. 34 en p. 24, nr. 48).

Bijgevolg is de vordering van appellanten zonder voorwerp geworden.

4.4. Op het mondeling geformuleerde verzoek van appellanten om toch reeds uitspraak te doen over de oprechte huwelijksintenties van appellanten, kan niet worden ingegaan.

De vordering van appellanten is zonder voorwerp geworden wegens het wegvallen van het belang; op deze zonder voorwerp geworden vordering kunnen zij geen vordering tot een declaratoir van rechten enten. Dat appellanten belang zouden hebben bij een dergelijke «verklaring van recht», doet hieraan geen afbreuk; de voorgenomen procedure tot erkenning van hun (buitenlandse) huwelijk is wezenlijk verschillend van onderhavige procedure en dit veronderstelt eerst dat de administratieve fase (o.a. de aanvraag tot erkenning bij de ambtenaar van de burgerlijke stand) is uitgeput.

In de mate dat het een nieuwe vordering betreft, zij niet alleen opgemerkt dat het gaat om een louter mondelinge vordering (die niet voorkomt in de conclusies, bedoeld in art. 748bis Ger.W.), maar dient ook gewezen te worden op het voorschrift van art. 568 Ger.W., luidens welk (nieuwe) vorderingen niet rechtstreeks voor het hof van beroep kunnen worden gesteld....
 

Nog dit: 

• Hof van Cassatie, 3e Kamer – 9 januari 2017, RW 2016-2017, 1500

Samenvatting

Uit art. 14, vierde lid KBO-Wet (huidig art. III.26, § 2 in fine WER) volgt dat de niet-ontvankelijkheid van de vordering van een onderneming die is ingeschreven in de KBO, maar die niet is gebaseerd op een activiteit waarvoor deze op de datum van de inleiding is ingeschreven of die niet valt onder het maatschappelijk doel, gedekt is indien zij niet vóór elke andere exceptie of verweermiddel wordt ingeroepen. De rechter dient deze bepaling ambtshalve toe te passen.

Tekst arrest

AR nr. C.16.0135.N

M.P. t/ P.P.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Gent van 5 februari 2016.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Krachtens art. 14, eerste lid van de wet van 16 januari 2003 “tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen” (hierna: “KBO-wet”), vermeldt elk op verzoek van een handels- of ambachtsonderneming betekend deurwaardersexploot steeds het ondernemingsnummer.

Krachtens art. 14, vierde lid KBO-wet, is de vordering onontvankelijk indien de handels- of ambachtsonderneming wel in deze hoedanigheid is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, maar haar vordering gebaseerd is op een activiteit waarvoor de onderneming op de datum van de inleiding van de vordering niet is ingeschreven of die niet valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de onderneming op deze datum is ingeschreven. De onontvankelijkheid is evenwel gedekt, indien zij niet voor elke andere exceptie of verweermiddel wordt ingeroepen.

2. Uit die bepalingen volgt dat de niet-ontvankelijkheid van de vordering van een handels- of ambachtsonderneming die is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen maar die niet gebaseerd is op een activiteit waarvoor de onderneming op de datum van de inleiding is ingeschreven of die niet valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de onderneming op deze datum is ingeschreven, gedekt is indien zij niet vóór elke andere exceptie of verweermiddel wordt ingeroepen.

3. De rechter is ertoe gehouden om, mits hij het recht van verdediging eerbiedigt, de rechtsnorm te bepalen die van toepassing is op de bij hem ingestelde rechtsvordering en die norm toe te passen. De loutere afwezigheid van verweer tegen de ingeroepen niet-ontvankelijkheid, ontslaat hem daarvan niet.

4. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de verweerster voor de eerste rechter niet heeft besloten tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering van de eiseres.

5. De appelrechters die vaststellen dat de eiseres zich niet beroept op de laatste zin van art. 14, vierde lid KBO-Wet en oordelen dat zij deze bepaling niet ambtshalve dienen toe te passen, verantwoorden hun beslissing dat de vordering van de eiseres niet ontvankelijk is, niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Tweede onderdeel

6. De rechter is ertoe gehouden het geschil te beslechten overeenkomstig de daarop toepasselijke rechtsregels. Hij moet de juridische aard van de door partijen aangevoerde feiten en handelingen onderzoeken en mag, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven, de door hen aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen, op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, dat hij zich enkel baseert op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, dat hij het voorwerp van de vordering niet wijzigt en dat hij daarbij het recht van verdediging van de partijen niet miskent.

7. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de verweerster zich heeft beroepen op de door de appelrechters onder 2.2.2. van hun arrest vermelde rechtsregels op grond waarvan zij beslissen dat:

– de eiseres, aangezien zij geen inschrijving heeft in de Kruispuntbank voor Ondernemingen voor de gefactureerde werken, evenmin kan laten gelden dat zij voldoet aan de van openbare orde gestelde vereisten inzake ondernemersvaardigheden teneinde op rechtmatige en ontvankelijke wijze haar gefactureerde aanspraken ter zake te kunnen laten gelden tegen de verweerster;

– hoe dan ook geen dekking mogelijk is van de niet-ontvankelijkheid van de vordering, gelet op het handelen tegen de openbare orde.

8. De appelrechters die aldus de vordering van de eiseres mede op deze gronden niet ontvankelijk verklaren, zonder deze aan tegenspraak te onderwerpen, miskennen het recht van verdediging.

Het onderdeel is gegrond.

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:14
Laatst aangepast op: za, 24/02/2018 - 17:18

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.