-A +A

Hoedanigheid en inschrijving in de kruispuntbank

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Wanneer een handelaar geen inschrijving heeft in de kruispuntbank voor de activiteit waarvoor hij van sommen vordert kan de vordering worden laten afgewezen bij gebrek aan hoedanigheid.

Inlichtingen over de vorderende firma kan ingewonnen via bepaalde sites op het web, maar zeker ook via de ondernemingsloketten.

Evenzeer kunnen ondernemingen zonder ondernemingsnummer en a fortiori zwartwerkers zonder inschrijving geen vordering tot betaling instellen.

zie art. 14 van de wet van 16 JANUARI 2003. - Wet tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen Publicatie in Belgisch Staatsblad: 2003-02-05

" Art. 14. Elk op verzoek van een handels- of ambachtsonderneming betekend deurwaardersexploot vermeldt steeds net ondernemingsnummer.

Bij gebreke aan vermelding van het ondernemingsemmer op het deurwaardersexploot, verleent de rechtbank uitstel aan de handels- of ambachtsonderneming om haar inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen op de datum van het inleiden van de vordering te bewijzen.

Indien de handels- of ambachtsonderneming haar inschrijving in deze hoedanigheid in de Kruispuntbank van Ondernemingen op de datum van het inleiden van haar vordering niet bewijst binnen de door de rechtbank gestelde termijn of indien blijkt dat de onderneming niet ingeschreven is in de Kruispuntbank van Ondernemingen, verklaart de rechtbank de vordering van ambtswege onontvankelijk.

Indien de handels- of ambachtsonderneming wel in deze hoedanigheid is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, maar haar vordering gebaseerd is op een activiteit waarvoor de onderneming op de datum van de inleiding van de vordering niet is ingeschreven of die niet valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de onderneming op deze datum is ingeschreven, is de vordering van die onderneming eveneens onontvankelijk. De onontvankelijkheid is evenwel gedekt, indien de onontvankelijkheid niet voor elke andere exceptie of verweermiddel wordt ingeroepen.

voor de volledige tekst van deze wet: klik:hier: Wet tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen.

Rechtsleer: de bijzondere ontvankelijkheidssanctie wegens niet-inschrijving in het handelsregister van een handelsvennootschap en of niet vermelding van het handelsregister in de inleidende dagvaarding. Zie B. Tilleman in Proceshandelingen van en tegen vennootschappen, p. 230.

Rechtspraak:

•• rb Kh. Hasselt, 6 maart 2007, rechtskundig weekblad 2007-2008, 286:

Geen inschrijving in het handelsregister lees kruispuntbank ondernemingen: geen toelaatbare vordering, mits de exceptie in limine litis wordt opgeroepen:

1. Voor de levering van een gevelreinigingsproduct en een dichtingsmiddel reikte geïntimeerde aan appellante op 20 december 2000 een factuur uit voor een bedrag van 284,06 euro.

Bij brief van 6 februari 2001 maande geïntimeerde appellante aan om over te gaan tot betaling van de factuur.
Hierop reageerde appellante bij brief van 8 februari 2001 met de bewering dat zij geen weet had van een nog openstaande factuur. Op 12 februari 2001 stuurde geïntimeerde (opnieuw?) de factuur van 20 december 2000 aan appellante. Daar betaling uitbleef, ging geïntimeerde over tot dagvaarding van appellante.

2. Voor de eerste rechter voerde appellante in haar eerste conclusie aan dat de vordering van geïntimeerde niet ontvankelijk was, daar deze laatste niet was ingeschreven in het handelsregister te Beringen, zijnde de plaats waar geïntimeerde zijn activiteiten ontplooide (geïntimeerde was wel ingeschreven in het handelsregister te Veurne).

In haar tweede conclusie argumenteerde appellante voor de eerste rechter dat geïntimeerde niet was ingeschreven in het handelsregister voor de activiteiten die aan de grondslag van de eis lagen, namelijk de verkoop van reinigingsproducten en dichtingsmiddelen.

Voorts wierp appellante op dat de factuur nietig was, daar de factuur het nummer waaronder geïntimeerde in het handelsregister was ingeschreven niet vermeldde. Tevens voerde appellante aan dat zij de gefactureerde goederen nooit had besteld en ontvangen.

Geïntimeerde weerlegde de argumenten van appellante als volgt:

De omstandigheid dat er geen inschrijving werd genomen in het handelsregister van het rechtsgebied van de Rechtbank van Koophandel te Hasselt, zijnde het rechtsgebied waarin geïntimeerde zijn activiteiten uitoefent, wordt niet met sancties beteugeld. Enkel het volledig ontbreken van een inschrijving in het handelsregister wordt bestraft.

Dit laatste is niet het geval, omdat er een inschrijving is in het handelsregister te Veurne.
Geïntimeerde is in het handelsregister ingeschreven voor de activiteit «gevelreiniging». De door geïntimeerde gedane verkoop is onlosmakelijk verbonden met de activiteit van gevelreiniging, zodat een bijkomende inschrijving hiervoor niet nodig is.

Het niet vermelden op de factuur van het nummer waaronder geïntimeerde is ingeschreven in het handelsregister wordt weliswaar bestraft met een geldboete, maar brengt niet de nietigheid van de factuur mee.

Appellante heeft de gefactureerde goederen wel degelijk besteld en ontvangen, wat wordt bewezen door een door haar zaakvoerder ondertekende leveringsbon.

Appellante betwistte de echtheid van de handtekening, aangebracht op de leveringsbon. Zij legde klacht neer tegen geïntimeerde wegens onder meer valsheid in geschrifte en gebruik van valse stukken.

In het raam van het gevoerde strafonderzoek werd een schriftonderzoek gehouden. De schriftdeskundige kwam tot het besluit dat er geen elementen in de betwiste handtekening aanwezig waren die ondubbelzinnig wezen in de richting van een vervalsing. De deskundige was van oordeel dat de betwiste handtekening echt was, zonder zich hierover met absolute zekerheid te kunnen uitspreken.

De klacht werd geseponeerd bij gebrek aan voldoende gegevens.
Bij vonnis van 14 juli 2006 oordeelde de eerste rechter:

De vordering is ontvankelijk, daar geïntimeerde in het handelsregister is ingeschreven. Bovendien moet geïntimeerde niet zijn ingeschreven voor de verkoop van de producten, zoals gefactureerd aan appellante, daar deze verkoop onlosmakelijk verbonden is met de activiteit «gevelreiniging», waarvoor geïntimeerde is ingeschreven.

Het ontbreken van het nummer op de factuur waaronder geïntimeerde in het handelsregister is ingeschreven, brengt de nietigheid van de factuur niet mee.

De factuur werd niet tijdig geprotesteerd. Bovendien is het protest ongegrond, omdat uit het gevoerde strafonderzoek blijkt dat de zaakvoerder van appellante de afleveringsbon, waarop de gefactureerde goederen voorkomen, heeft afgetekend.

De eerste rechter veroordeelde appellante tot betaling van het bedrag van 284,06 euro, vermeerderd met de interest en de kosten.
...
3. Appellante heeft tegen het vonnis van 14 juli 2006 beroep aangetekend, onder herhaling van haar voor de eerste rechter naar voren gebrachte argumenten.
...
4. In eerste instantie werpt appellante in beroep op dat geïntimeerde niet was ingeschreven in het handelsregister voor de verkoop van producten en dus de vordering niet ontvankelijk had moeten worden verklaard.

Art. 42 van de wet op het handelsregister bepaalt dat elke eis die zijn grond vindt in een handelswerkzaamheid waarvoor de verzoeker niet is ingeschreven bij het instellen van de eis, niet ontvankelijk is. De niet- ontvankelijkheid is gedekt indien zij niet vóór iedere andere exceptie of verweermiddel wordt ingeroepen.

Appellante heeft voornoemde exceptie van niet- ontvankelijkheid voor de eerste rechter slechts ingeroepen in haar tweede conclusie, na onder andere in haar eerste conclusie een verweer ten gronde te hebben gevoerd. Appellante kan zich dan ook niet meer beroepen op het feit dat geïntimeerde niet is ingeschreven in het handelsregister voor de activiteit die slaat op de verkoop van producten.

5. Appellante heeft voor de eerste rechter in haar eerste conclusie en voor elke andere exceptie of verweer de afwezigheid van een inschrijving in het handelsregister te Hasselt opgeworpen.

Een natuurlijke persoon of rechtspersoon die enige handelswerkzaamheid uitoefent in het rechtsgebied van een rechtbank van koophandel, moet melding maken van het nummer van de inschrijving in het handelsregister van dat rechtsgebied. Bij gebrek aan een dergelijke inschrijving dient de vordering onontvankelijk te worden verklaard (R.v.St. 25 juni 1996, R.W. 1996-97, 190, met noot W. Lambrechts).

Geïntimeerde betwist niet dat zij niet is ingeschreven in het handelsregister te Hasselt.
De vordering van geïntimeerde kan dan ook niet worden toegelaten.

Het door appellante ingestelde beroep is voor wat de door geïntimeerde ingestelde vordering betreft dan ook gegrond.

Wettelijke bepalingen:

art. 97, eerste lid, 4 Handelspraktijkenwet 1991 in gewijzigde vorm overgenomen in art. 4, 1° van de wet van 6 april 2010 met betrekking tot de regeling van bepaalde procedures in het kader van de Wet Marktpraktijken (“de uitoefening van een activiteit met miskenning van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen”).

• Hof van Cassatie, 1e Kamer – 27 mei 2011, RW 2012-2013, 819 met noot 

AR nr. C.10.0106.N

BVBA B. t/ BVBA G.-S.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 28 oktober 2009....

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling
...

8. Krachtens art. 97, eerste lid, 4 Handelspraktijkenwet 1991 zoals te dezen van toepassing, stelt de voorzitter van de rechtbank van koophandel eveneens het bestaan vast en beveelt hij eveneens de staking van de uitoefening van een andere handelsactiviteit dan die welke bij het handelsregister werd aangegeven.

Krachtens art. 98, § 2 van dezelfde wet wordt de vordering gegrond op art. 97 ingesteld op verzoek van de minister die voor de betrokken aangelegenheid bevoegd is, onverminderd de eventuele toepassing van de artikelen 94/3 en 95 op de daarin bedoelde daden.

9. Uit deze bepalingen volgt dat de voorzitter van de rechtbank van koophandel enkel op verzoek van de minister die voor de betrokken aangelegenheid bevoegd is, het bestaan kan vaststellen en de staking kan bevelen van de inbreuk bepaald in art. 97, eerste lid, 4 van de voormelde wet, behalve indien de hierbij aangevoerde feiten mede onder de toepassing vallen van de artikelen 94/3 en 95 van dezelfde wet.

10. De appelrechter die oordeelt dat de door de verweerster ingestelde vordering tot staking reeds gegrond is op basis van de enkele inbreuk op art. 97, eerste lid, 4 Handelspraktijkenwet 1991, zodat de overige door de verweerster ontwikkelde middelen niet dienen te worden onderzocht en aldus te kennen geeft dat de verweerster als belanghebbende gerechtigd was een vordering tot staking in te stellen op grond van art. 97, eerste lid, 4, alleen, schendt de hierboven vermelde wettelijke bepalingen.

Het middel is gegrond. 

Nog dit: 

• Hof van Cassatie, 3e Kamer – 9 januari 2017, RW 2016-2017, 1500
Samenvatting

Uit art. 14, vierde lid KBO-Wet (huidig art. III.26, § 2 in fine WER) volgt dat de niet-ontvankelijkheid van de vordering van een onderneming die is ingeschreven in de KBO, maar die niet is gebaseerd op een activiteit waarvoor deze op de datum van de inleiding is ingeschreven of die niet valt onder het maatschappelijk doel, gedekt is indien zij niet vóór elke andere exceptie of verweermiddel wordt ingeroepen. De rechter dient deze bepaling ambtshalve toe te passen.

Tekst arrest

AR nr. C.16.0135.N

M.P. t/ P.P.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Gent van 5 februari 2016.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Krachtens art. 14, eerste lid van de wet van 16 januari 2003 “tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen” (hierna: “KBO-wet”), vermeldt elk op verzoek van een handels- of ambachtsonderneming betekend deurwaardersexploot steeds het ondernemingsnummer.

Krachtens art. 14, vierde lid KBO-wet, is de vordering onontvankelijk indien de handels- of ambachtsonderneming wel in deze hoedanigheid is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, maar haar vordering gebaseerd is op een activiteit waarvoor de onderneming op de datum van de inleiding van de vordering niet is ingeschreven of die niet valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de onderneming op deze datum is ingeschreven. De onontvankelijkheid is evenwel gedekt, indien zij niet voor elke andere exceptie of verweermiddel wordt ingeroepen.

2. Uit die bepalingen volgt dat de niet-ontvankelijkheid van de vordering van een handels- of ambachtsonderneming die is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen maar die niet gebaseerd is op een activiteit waarvoor de onderneming op de datum van de inleiding is ingeschreven of die niet valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de onderneming op deze datum is ingeschreven, gedekt is indien zij niet vóór elke andere exceptie of verweermiddel wordt ingeroepen.

3. De rechter is ertoe gehouden om, mits hij het recht van verdediging eerbiedigt, de rechtsnorm te bepalen die van toepassing is op de bij hem ingestelde rechtsvordering en die norm toe te passen. De loutere afwezigheid van verweer tegen de ingeroepen niet-ontvankelijkheid, ontslaat hem daarvan niet.

4. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de verweerster voor de eerste rechter niet heeft besloten tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering van de eiseres.

5. De appelrechters die vaststellen dat de eiseres zich niet beroept op de laatste zin van art. 14, vierde lid KBO-Wet en oordelen dat zij deze bepaling niet ambtshalve dienen toe te passen, verantwoorden hun beslissing dat de vordering van de eiseres niet ontvankelijk is, niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Tweede onderdeel

6. De rechter is ertoe gehouden het geschil te beslechten overeenkomstig de daarop toepasselijke rechtsregels. Hij moet de juridische aard van de door partijen aangevoerde feiten en handelingen onderzoeken en mag, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven, de door hen aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen, op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, dat hij zich enkel baseert op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, dat hij het voorwerp van de vordering niet wijzigt en dat hij daarbij het recht van verdediging van de partijen niet miskent.

7. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de verweerster zich heeft beroepen op de door de appelrechters onder 2.2.2. van hun arrest vermelde rechtsregels op grond waarvan zij beslissen dat:

– de eiseres, aangezien zij geen inschrijving heeft in de Kruispuntbank voor Ondernemingen voor de gefactureerde werken, evenmin kan laten gelden dat zij voldoet aan de van openbare orde gestelde vereisten inzake ondernemersvaardigheden teneinde op rechtmatige en ontvankelijke wijze haar gefactureerde aanspraken ter zake te kunnen laten gelden tegen de verweerster;

– hoe dan ook geen dekking mogelijk is van de niet-ontvankelijkheid van de vordering, gelet op het handelen tegen de openbare orde.

8. De appelrechters die aldus de vordering van de eiseres mede op deze gronden niet ontvankelijk verklaren, zonder deze aan tegenspraak te onderwerpen, miskennen het recht van verdediging.

Het onderdeel is gegrond.

 

Rechtspraak:

• Grondwettelijk Hof 14/12/2016, RW 20116-2017, 1219

Samenvatting
Het vereiste dat de ingestelde vordering, wil zij ontvankelijk zijn, moet zijn gebaseerd op een activiteit waarvoor de onderneming op de datum van de inleiding van de vordering is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen of op een activiteit die valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de onderneming op die datum is ingeschreven, gaat terug op de algemene doelstelling die aan de wet van 3 juli 1956 op het handelsregister ten grondslag ligt. Met die wetgeving beoogde de wetgever immers het zwartwerk te bestraffen van diegenen die een handelswerkzaamheid uitoefenen zonder de juridische, sociale en fiscale gevolgen ervan te dragen, en de maatregel strekte ertoe die handelaars de toegang tot de rechtszaal te ontzeggen (Hand. Senaat 1955-56, zitting van 29 november 1956, p. 47, Pasin., 1956, 519-520). Aldus droeg die maatregel bij tot het bestrijden van de oneerlijke concurrentie.
Die zorg blijft gelden voor vorderingen die gebaseerd zijn op een andere activiteit dan die waarvoor de onderneming op de datum van inleiding van de vordering is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, ook al kan de Kruispuntbank van Ondernemingen zijn taken in dat geval reeds naar behoren uitvoeren (art. III.15 WER).
Het in het geding zijnde vereiste is niet onevenredig. De onontvankelijkheid van de vordering wordt immers gedekt indien de exceptie niet in limine litis wordt opgeworpen (art. III.26, § 2 WER)..

Tekst arrest
Arrest nr. 160/2016
Onderwerp van de prejudiciële vraag
Bij vonnis van 23 oktober 2015 (...) heeft de Nederlandstalige Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld: “Schendt art. III.26, § 2 WER artt. 10 en 11 Gw., gelezen in samenhang met art. 6, § 1 EVRM, doordat het de onderneming die een vordering baseert op een activiteit waarvoor zij op de datum van de inleiding niet is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, de sanctie oplegt van de niet-ontvankelijkheid van de vordering, zonder mogelijkheid tot regularisatie tijdens het geding, wat een onevenredig zware sanctie lijkt te zijn rekening houdend met het doel van de maatregel ?”
...
B.1. De aan het Hof voorgelegde prejudiciële vraag heeft betrekking op de verenigbaarheid van art. III.26, § 2 WER met artt. 10 en 11 Gw., gelezen in samenhang met art. 6.1 EVRM, doordat het de onderneming die een rechtsvordering baseert op een activiteit waarvoor zij op de datum van de inleiding niet is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, de sanctie oplegt van niet-ontvankelijkheid van de vordering, zonder mogelijkheid tot regularisatie tijdens het geding, “wat een onevenredig zware sanctie lijkt te zijn rekening houdend met het doel van de maatregel”. Derhalve wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of de in het geding zijnde bepaling een verschil in behandeling instelt, doordat aan een partij de uitoefening van een grondrecht, namelijk het recht op toegang tot de rechter, wordt ontzegd, terwijl dat grondrecht voor elke andere burger wordt gewaarborgd.
B.2. Art. III.26 WER bepaalt :
Ҥ 1. Elk op verzoek van een handels- of ambachtsonderneming betekend deurwaardersexploot vermeldt steeds het ondernemingsnummer.
“Bij gebreke aan vermelding van het ondernemingsnummer op het deurwaardersexploot, verleent de rechtbank uitstel aan de handels- of ambachtsonderneming om haar inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen op de datum van het inleiden van de vordering te bewijzen.
“Indien de handels- of ambachtsonderneming haar inschrijving in deze hoedanigheid in de Kruispuntbank van Ondernemingen op de datum van het inleiden van haar vordering niet bewijst binnen de door de rechtbank gestelde termijn of indien blijkt dat de onderneming niet ingeschreven is in de Kruispuntbank van Ondernemingen, verklaart de rechtbank van ambtswege de vordering van de handels- of ambachtsonderneming onontvankelijk.
“§ 2. Indien de handels- of ambachtsonderneming wel in deze hoedanigheid is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, maar haar hoofdvordering, tegenvordering of vordering tot tussenkomst, ingediend bij verzoekschrift, bij conclusie of deurwaardersexploot, gebaseerd is op een activiteit waarvoor de onderneming op de datum van de inleiding van die vordering niet is ingeschreven of die niet valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de onderneming op deze datum is ingeschreven, is de vordering van die onderneming onontvankelijk. De onontvankelijkheid is evenwel gedekt, indien ze niet voor elke andere exceptie of verweermiddel wordt ingeroepen.”
B.3. De in art. III.26 WER omschreven sancties vinden hun oorsprong in art. 14 van de wet van 16 januari 2003 “tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen” en betreffen “een herformulering van de artikelen 41 en 42 van het KB van 20 juli 1964 betreffende het handelsregister en de artikelen 28 en 29 van de wet van 18 maart 1965 op het ambachtsregister” (Parl. St. Kamer 2002-2003, DOC 50-2058/001, p. 23).
Art. 42 van de bij KB van 20 juli 1964 gecoördineerde wetten betreffende het handelsregister, dat zelf teruggrijpt naar art. 37 van de wet van 3 juli 1956 op het handelsregister (Belgisch Staatsblad 25 juli 1956), bepaalde, vóór het met ingang van 1 juli 2003 (art. 3, § 1 van het KB van 15 mei 2003, Belgisch Staatsblad 19 mei 2003, tweede editie) werd opgeheven bij art. 72, 2o van de voormelde wet van 16 januari 2003:
“Onontvankelijk is elke hoofdeis, tegeneis of eis tot tussenkomst welke zijn grond vindt in een handelswerkzaamheid waarvoor de verzoeker niet ingeschreven was bij het instellen van de vordering.
“De niet-ontvankelijkheid is gedekt indien zij niet vóór iedere andere exceptie of verweermiddel wordt voorgesteld.”
B.4.1. Het recht op toegang tot de rechter, dat een onderdeel is van het recht op een eerlijk proces, kan worden onderworpen aan ontvankelijkheidsvoorwaarden.

Die voorwaarden mogen er echter niet toe leiden dat het recht op zodanige wijze wordt beperkt dat de kern ervan wordt aangetast. Dit zou het geval zijn wanneer de beperkingen geen wettig doel nastreven of indien er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel. De verenigbaarheid van die beperkingen met het recht op toegang tot een rechterlijke instantie hangt af van de bijzonderheden van de in het geding zijnde procedure en wordt beoordeeld in het licht van het proces in zijn geheel (EHRM 24 februari 2009, L’Erablière t/ België, § 36; 29 maart 2011, RTBF t/ België, § 69).

B.4.2. Meer in het bijzonder zijn de regels betreffende de vormvoorschriften gericht op een goede rechtsbedeling en het weren van de risico’s van rechtsonzekerheid. Die regels mogen de rechtzoekenden echter niet verhinderen hun rechten te doen vrijwaren.
Bovendien “dienen de rechtbanken, door de procedureregels toe te passen, zowel een overdreven formalisme dat afbreuk zou doen aan het eerlijke karakter van de procedure, als een buitensporige soepelheid die zou leiden tot het afschaffen van de bij de wet vastgestelde procedurele vereisten, te vermijden” (EHRM 25 mei 2004, Kadlec en anderen t/ Tsjechische Republiek, § 26; EHRM 26 juli 2007, Walchli t/ Frankrijk, § 29). “Het recht op toegang tot een rechter wordt immers aangetast wanneer de reglementering ervan niet langer de doelstellingen van de rechtszekerheid en de behoorlijke rechtsbedeling dient en een soort van hinderpaal vormt die de rechtzoekende verhindert zijn geschil ten gronde door het bevoegde rechtscollege beslecht te zien” (EHRM 13 januari 2011, Evaggelou t/ Griekenland, § 19; EHRM 24 mei 2011, Sabri Gunes t/ Turkije, § 58).
B.5. Het in het geding zijnde verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk de al dan niet volledige inschrijving van de onderneming of vestigingseenheid in de Kruispuntbank van Ondernemingen.
B.6.1. Het vereiste dat de ingestelde vordering, wil zij ontvankelijk zijn, moet zijn gebaseerd op een activiteit waarvoor de onderneming op de datum van de inleiding van de vordering is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen of op een activiteit die valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de onderneming op die datum is ingeschreven, gaat terug op de algemene doelstelling die aan de wet van 3 juli 1956 op het handelsregister ten grondslag ligt. Met die wetgeving beoogde de wetgever immers het zwartwerk te bestraffen van diegenen die een handelswerkzaamheid uitoefenen zonder de juridische, sociale en fiscale gevolgen ervan te dragen, en de maatregel strekte ertoe die handelaars de toegang tot de rechtszaal te ontzeggen (Hand. Senaat 1955-56, zitting van 29 november 1956, p. 47, Pasin., 1956, 519-520). Aldus droeg die maatregel bij tot het bestrijden van de oneerlijke concurrentie.
B.6.2. Die zorg blijft gelden voor vorderingen die gebaseerd zijn op een andere activiteit dan die waarvoor de onderneming op de datum van inleiding van de vordering is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, ook al kan de Kruispuntbank van Ondernemingen zijn taken in dat geval reeds naar behoren uitvoeren (art. III.15 WER).
B.6.3. Het in het geding zijnde vereiste is niet onevenredig. De onontvankelijkheid van de vordering wordt immers gedekt indien de exceptie niet in limine litis wordt opgeworpen (art. III.26, § 2 WER).
B.7. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Rechtsleer:
• W. Cloet, “De exceptie van onontvankelijkheid in geval van onvolledige inschrijving in de Kruispuntbank der Ondernemingen”, TBH 2012, 686-694;
• B. Smekens, “De sancties van onontvankelijkheid in art. III.26 Wetboek van Economisch Recht. Kritische evaluatie met rechtspraakanalyse”, P&B 2014, 83-102.

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:16
Laatst aangepast op: zo, 14/05/2017 - 15:06

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.