-A +A

Hoedanigheid

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Hoedanigheid kan worden omschreven als de rechtstitel krachtens dewelke een persoon in rechte optreedt; hoedanigheid is m.a.w. de rechtsband die bestaat tussen de persoon die in rechte optreedt en het voorwerp van de eis. Deze eis is het subjectief recht dat wordt aangevoerd.

Hoedanigheid is de macht in hoofde van de betrokken procespartij om een bepaald vorderingsrecht uit te oefenen.

De rechtsvordering kan niet worden toegelaten indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen (art. 17, Ger.W).

De hoedanigheid is de bevoegdheid krachtens dewelke een persoon de rechtsvordering instelt (A. FETTWEIS, op.cit., p. 48). De persoon die over deze bevoegdheid beschikt, is de titularis van het gevorderde subjectieve recht (deze heeft vanzelfsprekend een persoonlijk en rechtstreeks belang om te handelen).

Een andere persoon dan de titularis van het recht kan ook een rechtsvordering instellen op voorwaarde dat hij de hoedanigheid ertoe heeft.

Het adagium « Nul ne plaide par procureur » sluit evenwel uit dat om het even wie kan handelen in naam van de titularis van het recht.

VOORBEELD ( uit het beslagrecht)
De enige persoon die de hoedanigheid bezit om de goederen overeenkomstig art. 1514, Ger.W te onttrekken, is de derde die beweert eigenaar te zijn van alle of
van een gedeelte van de inbeslaggenomen goederen (G. de LEVAL., "Aspects actuels du droit des saisies", J.T., 1980, p. 635, nr. 47, met verwijzing naar Beslagr. Luik, 26 maart 1980, A.R. nr. 35931/78; Beslagr. Luik, 25 april 1980, A.R. nr. 42056/80). De revindicerende partij kan bijgevolg niet inroepen dat bepaalde inbeslaggenomen goederen aan een derde toebehoren en zijn vordering zal op dit vlak onontvankelijk worden verklaard (zie nrs. 335 e.v.).

 

Nog dit: 

• Hof van Cassatie, 3e Kamer – 9 januari 2017, RW 2016-2017, 1500

Samenvatting
Uit art. 14, vierde lid KBO-Wet (huidig art. III.26, § 2 in fine WER) volgt dat de niet-ontvankelijkheid van de vordering van een onderneming die is ingeschreven in de KBO, maar die niet is gebaseerd op een activiteit waarvoor deze op de datum van de inleiding is ingeschreven of die niet valt onder het maatschappelijk doel, gedekt is indien zij niet vóór elke andere exceptie of verweermiddel wordt ingeroepen. De rechter dient deze bepaling ambtshalve toe te passen.

Tekst arrest
AR nr. C.16.0135.N

M.P. t/ P.P.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Gent van 5 februari 2016.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Krachtens art. 14, eerste lid van de wet van 16 januari 2003 “tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen” (hierna: “KBO-wet”), vermeldt elk op verzoek van een handels- of ambachtsonderneming betekend deurwaardersexploot steeds het ondernemingsnummer.

Krachtens art. 14, vierde lid KBO-wet, is de vordering onontvankelijk indien de handels- of ambachtsonderneming wel in deze hoedanigheid is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, maar haar vordering gebaseerd is op een activiteit waarvoor de onderneming op de datum van de inleiding van de vordering niet is ingeschreven of die niet valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de onderneming op deze datum is ingeschreven. De onontvankelijkheid is evenwel gedekt, indien zij niet voor elke andere exceptie of verweermiddel wordt ingeroepen.

2. Uit die bepalingen volgt dat de niet-ontvankelijkheid van de vordering van een handels- of ambachtsonderneming die is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen maar die niet gebaseerd is op een activiteit waarvoor de onderneming op de datum van de inleiding is ingeschreven of die niet valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de onderneming op deze datum is ingeschreven, gedekt is indien zij niet vóór elke andere exceptie of verweermiddel wordt ingeroepen.

3. De rechter is ertoe gehouden om, mits hij het recht van verdediging eerbiedigt, de rechtsnorm te bepalen die van toepassing is op de bij hem ingestelde rechtsvordering en die norm toe te passen. De loutere afwezigheid van verweer tegen de ingeroepen niet-ontvankelijkheid, ontslaat hem daarvan niet.

4. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de verweerster voor de eerste rechter niet heeft besloten tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering van de eiseres.

5. De appelrechters die vaststellen dat de eiseres zich niet beroept op de laatste zin van art. 14, vierde lid KBO-Wet en oordelen dat zij deze bepaling niet ambtshalve dienen toe te passen, verantwoorden hun beslissing dat de vordering van de eiseres niet ontvankelijk is, niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Tweede onderdeel

6. De rechter is ertoe gehouden het geschil te beslechten overeenkomstig de daarop toepasselijke rechtsregels. Hij moet de juridische aard van de door partijen aangevoerde feiten en handelingen onderzoeken en mag, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven, de door hen aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen, op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, dat hij zich enkel baseert op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, dat hij het voorwerp van de vordering niet wijzigt en dat hij daarbij het recht van verdediging van de partijen niet miskent.

7. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de verweerster zich heeft beroepen op de door de appelrechters onder 2.2.2. van hun arrest vermelde rechtsregels op grond waarvan zij beslissen dat:

– de eiseres, aangezien zij geen inschrijving heeft in de Kruispuntbank voor Ondernemingen voor de gefactureerde werken, evenmin kan laten gelden dat zij voldoet aan de van openbare orde gestelde vereisten inzake ondernemersvaardigheden teneinde op rechtmatige en ontvankelijke wijze haar gefactureerde aanspraken ter zake te kunnen laten gelden tegen de verweerster;

– hoe dan ook geen dekking mogelijk is van de niet-ontvankelijkheid van de vordering, gelet op het handelen tegen de openbare orde.

8. De appelrechters die aldus de vordering van de eiseres mede op deze gronden niet ontvankelijk verklaren, zonder deze aan tegenspraak te onderwerpen, miskennen het recht van verdediging.

Het onderdeel is gegrond.Luidens artikel 17 Gerechtelijk Wetboek kan de rechtsvordering niet worden aangenomen indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen.

De procespartij die beweert houder te zijn van een subjectief recht, heeft, ook al wordt dat recht betwist, het vereiste belang opdat zijn vordering ontvankelijk kan worden verklaard.

Het onderzoek van het bestaan en de omvang van het subjectief recht dat die partij aanvoert, houdt geen verband met de ontvankelijkheid maar met de gegrondheid van de vordering.

Cass. 23/02/2012, Juridat

Nuttige tips: 
GwH 160/2016, 14 december 2016, juridat

Samenvatting
Artikel III.26, § 2, van het Wetboek van economisch recht schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Tekst arrest
Het Grondwettelijk Hof,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 23 oktober 2015 in zake de bvba « Algemene Verbouwingswerken LUBO » tegen Eli Verhasselt, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 19 november 2015, heeft de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld :
« Schendt artikel III.26, § 2, van het Wetboek van Economisch Recht de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, samengelezen met artikel 6, § 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat het de onderneming die een vordering baseert op een activiteit waarvoor zij op de datum van de inleiding niet is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, sanctioneert met de niet-ontvankelijkheid van de vordering, zonder mogelijkheid tot regularisatie tijdens het geding, hetgeen een onevenredig zware sanctie lijkt te zijn rekening houdend met het doel van de maatregel ? ».
(...)

III. In rechte
(...)

B.1. De aan het Hof voorgelegde prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid van artikel III.26, § 2, van het Wetboek van economisch recht met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat het de onderneming die een rechtsvordering baseert op een activiteit waarvoor zij op datum van de inleiding niet is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, de sanctie oplegt van niet-ontvankelijkheid van de vordering, zonder mogelijkheid tot regularisatie tijdens het geding, « hetgeen een onevenredig zware sanctie lijkt te zijn rekening houdend met het doel van de maatregel ».

Derhalve wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of de in het geding zijnde bepaling een verschil in behandeling instelt, doordat aan een partij de uitoefening van een grondrecht, te weten het recht op toegang tot de rechter, wordt ontzegd, terwijl dat grondrecht voor elke andere burger wordt gewaarborgd.

B.2. Artikel III.26 van het Wetboek van economisch recht bepaalt :

« § 1. Elk op verzoek van een handels- of ambachtsonderneming betekend deurwaardersexploot vermeldt steeds het ondernemingsnummer.
Bij gebreke aan vermelding van het ondernemingsnummer op het deurwaardersexploot, verleent de rechtbank uitstel aan de handels- of ambachtsonderneming om haar inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen op de datum van het inleiden van de vordering te bewijzen.

Indien de handels- of ambachtsonderneming haar inschrijving in deze hoedanigheid in de Kruispuntbank van Ondernemingen op de datum van het inleiden van haar vordering niet bewijst binnen de door de rechtbank gestelde termijn of indien blijkt dat de onderneming niet ingeschreven is in de Kruispuntbank van Ondernemingen, verklaart de rechtbank van ambtswege de vordering van de handels- of ambachtsonderneming onontvankelijk.

§ 2. Indien de handels- of ambachtsonderneming wel in deze hoedanigheid is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, maar haar hoofdvordering, tegenvordering of vordering tot tussenkomst, ingediend bij verzoekschrift, bij conclusie of deurwaardersexploot, gebaseerd is op een activiteit waarvoor de onderneming op de datum van de inleiding van die vordering niet is ingeschreven of die niet valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de onderneming op deze datum is ingeschreven, is de vordering van die onderneming onontvankelijk. De onontvankelijkheid is evenwel gedekt, indien ze niet voor elke andere exceptie of verweermiddel wordt ingeroepen ».

B.3. De in artikel III.26 van het Wetboek van economisch recht omschreven sancties vinden hun oorsprong in artikel 14 van de wet van 16 januari 2003 « tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen » en betreffen « een herformulering van de artikelen 41 en 42 van het koninklijk besluit van 20 juli 1964 betreffende het handelsregister en de artikelen 28 en 29 van de wet van 18 maart 1965 op het ambachtsregister » (Parl. St., Kamer, 2002-2003, DOC 50-2058/001, p. 23).

Artikel 42 van de bij koninklijk besluit van 20 juli 1964 gecoördineerde wetten betreffende het handelsregister, dat zelf teruggrijpt naar artikel 37 van de wet van 3 juli 1956 op het handelsregister (Belgisch Staatsblad, 25 juli 1956), bepaalde, vóór het met ingang van 1 juli 2003 (artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 15 mei 2003, Belgisch Staatsblad, 19 mei 2003, tweede editie) werd opgeheven bij artikel 72, 2°, van de voormelde wet van 16 januari 2003 :

« Onontvankelijk is elke hoofdeis, tegeneis of eis tot tussenkomst welke zijn grond vindt in een handelswerkzaamheid waarvoor de verzoeker niet ingeschreven was bij het instellen van de vordering.

De niet-ontvankelijkheid is gedekt indien zij niet vóór iedere andere exceptie of verweermiddel wordt voorgesteld ».

B.4.1. Het recht op toegang tot de rechter, dat een onderdeel is van het recht op een eerlijk proces, kan worden onderworpen aan ontvankelijkheidsvoorwaarden. 

Die voorwaarden mogen echter niet ertoe leiden dat het recht op zodanige wijze wordt beperkt dat de kern ervan wordt aangetast. Dit zou het geval zijn wanneer de beperkingen geen wettig doel nastreven of indien er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel. De verenigbaarheid van die beperkingen met het recht op toegang tot een rechterlijke instantie hangt af van de bijzonderheden van de in het geding zijnde procedure en wordt beoordeeld in het licht van het proces in zijn geheel (EHRM, 24 februari 2009, L'Erablière t. België, § 36; 29 maart 2011, R.T.B.F. t. België, § 69).

B.4.2. Meer in het bijzonder zijn de regels betreffende de vormvoorschriften gericht op een goede rechtsbedeling en het weren van de risico's van rechtsonzekerheid. Die regels mogen de rechtzoekenden echter niet verhinderen hun rechten te doen vrijwaren.

Bovendien « dienen de rechtbanken, door de procedureregels toe te passen, zowel een overdreven formalisme dat afbreuk zou doen aan het eerlijke karakter van de procedure, als een buitensporige soepelheid die zou leiden tot het afschaffen van de bij de wet vastgestelde procedurele vereisten, te vermijden » (EHRM, 25 mei 2004, Kadlec en anderen t. Tsjechische Republiek, § 26; 26 juli 2007, Walchli t. Frankrijk, § 29). « Het recht op toegang tot een rechter wordt immers aangetast wanneer de reglementering ervan niet langer de doelstellingen van de rechtszekerheid en de behoorlijke rechtsbedeling dient en een soort van hinderpaal vormt die de rechtzoekende verhindert zijn geschil ten gronde door het bevoegde rechtscollege beslecht te zien » (EHRM, 13 januari 2011, Evaggelou t. Griekenland, § 19; 24 mei 2011, Sabri Gunes t. Turkije, § 58).

B.5. Het in het geding zijnde verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk de al dan niet volledige inschrijving van de onderneming of vestigingseenheid in de Kruispuntbank van Ondernemingen.

B.6.1. Het vereiste dat de ingestelde vordering, wil zij ontvankelijk zijn, moet zijn gebaseerd op een activiteit waarvoor de onderneming op de datum van de inleiding van de vordering is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen of op een activiteit die valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de onderneming op die datum is ingeschreven, gaat terug op de algemene doelstelling die aan de wet van 3 juli 1956 op het handelsregister ten grondslag ligt. Met die wetgeving beoogde de wetgever immers het zwartwerk te bestraffen van diegenen die een handelswerkzaamheid uitoefenen zonder de juridische, sociale en fiscale gevolgen ervan te dragen en de maatregel strekte ertoe die handelaars de toegang tot de rechtszaal te ontzeggen (Hand., Senaat, 1955-1956, zitting van 29 november 1956, p. 47; Pasin., 1956, pp. 519-520). Aldus droeg die maatregel bij tot het bestrijden van de oneerlijke concurrentie.
B.6.2.

Die zorg blijft gelden voor vorderingen die gebaseerd zijn op een andere activiteit dan die waarvoor de onderneming op de datum van inleiding van de vordering is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, ook al kan de Kruispuntbank van Ondernemingen zijn taken in dat geval reeds naar behoren uitvoeren (artikel III.15 van het Wetboek van economisch recht).

B.6.3. De in het geding zijnde vereiste is niet onevenredig. De onontvankelijkheid van de vordering wordt immers gedekt indien de exceptie niet in limine litis wordt opgeworpen (artikel III.26, § 2, van het Wetboek van economisch recht).

B.7. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,
het Hof
zegt voor recht :

Artikel III.26, § 2, van het Wetboek van economisch recht schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 14 december 2016.

Rechtsleer:
E. Brewaeys, Opletten met vermelding van ondernemingsregsiter in dagvaarding, Juristenkrant 8 februari 2016, p. 6.
 
Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:16
Laatst aangepast op: do, 08/06/2017 - 10:43

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.