-A +A

Het gerechtelijk wetboek De bevoegdheid

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Gerechtelijk Wetboek integrale en bijgewerkte versie

bijgewerkt tot 2 juli 2008

 Gerechtelijk wetboek vandaag

 de algemene procedureregel: de artikelen 1 tot 57

 stand van de wetgeving per 23/05/05 (voor geactualiserde versie zie link in de samenvatting).

 

art. 556 tot 662 van het gerechtelijk wetboek

Bevoegdheid gerechtelijk recht

Bevoegdheid van Hoven en rechtbanken

 

 de algemene procedureregel: de artikelen 1 tot 57

 stand van de wetgeving per 23/05/05 (voor geactualiserde versie zie link in de samenvatting).

 

art. 556 tot 662 van het gerechtelijk wetboek

Bevoegdheid gerechtelijk recht

Bevoegdheid van Hoven en rechtbanken

 

EERSTE TITEL. _ Volstrekte bevoegdheid.
EERSTE HOOFDSTUK. _ Voorafgaande bepalingen.
Eerste Afdeling.
Art. 556. De hoven en rechtbanken nemen kennis van alle vorderingen, behalve van die welke de wet aan hun rechtsmacht onttrekt.
Hun respectieve bevoegdheid wordt bepaald door deze titel, onverminderd de bijzondere wettelijke bepalingen.
Afdeling II. _ Waarde van de vordering.
Art. 557. Wanneer het bedrag van de vordering de volstrekte bevoegdheid bepaalt, wordt er onder verstaan de som die in de inleidende akte wordt geëist, met uitsluiting van de gerechtelijke interest en van alle gerechtskosten, (alsook van de dwangsommen.) <W 31-01-1980 , art. 3>
Art. 558. Wanneer de vordering verschillende punten bevat, worden deze samengevoegd tot bepaling van de bevoegdheid.
Art. 559. Wanneer de gevorderde som deel uitmaakt van een betwiste schuldvordering van een hoger bedrag, wordt de bevoegdheid bepaald door het bedrag dat op de titel is vermeld of in voorkomend geval door het bedrag van het saldo van gemelde schuldvordering, zelfs indien de gevorderde som minder hoog is.
Art. 560. Wanneer een of meer eisers optreden tegen een of meer verweerders, wordt de bevoegdheid bepaald door de totale gevorderde som, ongeacht ieders aandeel daarin.
Art. 561. Wanneer de titel van een uitkering tot onderhoud, van een altijddurende rente of een lijfrente wordt betwist, wordt de waarde van de vordering bepaald door het bedrag van de annuiteit of van twaalf maandelijkse termijnen, met tien vermenigvuldigd.
Art. 562. Het bedrag van de vordering betreffende vreemd geld, waarden en openbare effecten ter beurs genoteerd, wordt bepaald op basis van de laatste officiële kontante koers, vastgesteld vóór de dag van de vordering, overeenkomstig het reglement van de openbare fondsen- en wisselbeurs te Brussel.
Wanneer een waardepapier niet genoteerd wordt op de beurs te Brussel, maar op slechts één andere beurs in het Rijk, houdt men zich aan de koers die op deze beurs genoteerd is.
Wanneer een waardepapier niet genoteerd wordt op de beurs te Brussel, maar wel op verscheidene andere beurzen in het Rijk, houdt men zich aan de laatste koers vastgesteld vóór de dag van de vordering of, indien de beursnoteringen dezelfde dag zijn vastgesteld, aan de hoogste koers.
Afdeling III. _ Regels inzake tegenvorderingen en vorderingen tot tussenkomst, inzake aanhangigheid en samenhang.
Art. 563. De rechtbank van eerste aanleg neemt kennis van de tegenvorderingen, ongeacht hun aard en hun bedrag.
De arbeidsrechtbank, de rechtbank van koophandel en de vrederechter nemen kennis van de tegenvorderingen die, ongeacht hun bedrag, onder hun volstrekte bevoegdheid vallen of die ontstaan hetzij uit de overeenkomst, hetzij uit het feit dat ten grondslag ligt aan de oorspronkelijke vordering.
Tegenvorderingen gegrond op het tergend of roekeloos karakter van een vordering, worden gebracht voor de rechter voor wie deze vordering aanhangig is.
Art. 564. De rechtbank waarvoor een vordering aanhangig is gemaakt, is bevoegd om kennis te nemen van de vordering tot tussenkomst.
Art. 565. In geval van aanhangigheid worden de vorderingen samengevoegd, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een der partijen.
De verwijzing geschiedt naar de volgende voorrang:
1° de rechtbank die over de zaak een ander vonnis heeft gewezen dan een beschikking van inwendige orde, heeft altijd voorrang;
2° de rechtbank van eerste aanleg heeft voorrang boven de andere rechtbanken;
3° de arbeidsrechtbank heeft voorrang boven de rechtbank van koophandel;
4° de arbeidsrechtbank en de rechtbank van koophandel hebben voorrang boven de vrederechter;
(4°bis De vrederechter heeft voorrang boven de politierechtbank;) <W 1994-07-11/33, art. 36, 048; Inwerkingtreding : 1995-01-01>
5° de rechtbank waartoe men zich het eerst wendt, heeft voorrang boven die waarvoor de zaak later wordt aangebracht.
Wanneer evenwel een van de vorderingen uitsluitend tot de bevoegdheid van een bepaalde rechtbank behoort, is alleen deze bevoegd om van de gezamenlijke vorderingen kennis te nemen.
Wanneer twee of meer vorderingen uitsluitend tot de bevoegdheid van twee onderscheiden rechtbanken behoren, kan de verwijzing geschieden naar de hierboven bepaalde voorrang.
De bepalingen van de artikelen 661 en 662 zijn van toepassing in geval van verwijzing uit hoofde van aanhangigheid.
Art. 566. Verschillende vorderingen of verschillende punten van een vordering tussen twee of meer partijen, welke, afzonderlijk ingesteld, voor verschillende rechtbanken zouden moeten worden gebracht, kunnen, indien zij samenhangend zijn, vóór dezelfde rechtbank samengevoegd worden met inachtneming van de voorrang bepaald in artikel 565, 2° tot 5°.
Wanneer de partijen evenwel niet dezelfde zijn in alle vorderingen en wanneer een van de rechtbanken een vonnis gewezen heeft dat niet tot gevolg heeft dat het geschil aan haar kennisneming is onttrokken, mag de verwijzing naar die rechtbank niet worden uitgesproken indien degenen die in dat vonnis geen partij waren, zich ertegen verzetten.
De bepalingen van de artikelen 661 en 662 zijn van toepassing in geval van verwijzing uit hoofde van samenhang.
Afdeling IV. _ Machtiging om in rechte op te treden en aanwijzing van wettelijke vertegenwoordigers om in rechte op te treden.
Art. 567. (.....) <W 14-07-1976, (art. 4, §2) , art. 19, § 1>
(De rechtbank waar bij een vordering aanhangig) is kan een voogd of een wettelijk bewindvoerder ad hoc benoemen om bij afwezigheid of verhindering de voogd of de wettelijke bewindvoerder in het geding te vervangen. <W 14-07-1976, (art. 4, §2) , art. 19, § 2>
HOOFDSTUK II. _ Rechtbank van eerste aanleg, arbeidsrechtbank en rechtbank van koophandel.
Eerste Afdeling. _ Algemene bepalingen.
Art. 568. De rechtbank van eerste aanleg neemt kennis van alle vorderingen, behalve die welke rechtstreeks voor het hof van beroep en het Hof van Cassatie komen.
Indien de verweerder de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg betwist, kan de eiser, vóór de sluiting van de debatten, de verwijzing vorderen van de zaak naar de arrondissementsrechtbank, die uitspraak doet zoals bepaald is in de artikelen 641 en 642.
Wanneer de verweerder de rechtsmacht van de rechtbank van eerste aanleg afwijst, ingevolge de toewijzing van het geschil aan scheidsrechters, geeft de rechtbank de zaak uit handen, zo daartoe grond bestaat.
Art. 569. (NOTA : zie verder niet-federale vorm(en) van art. 569) De rechtbank van eerste aanleg neemt kennis:
1° van vorderingen betreffende de staat van de personen alsmede van alle geschillen tussen echtgenoten betreffende de uitoefening van hun rechten of betreffende hun goederen met uitzondering van de aangelegenheden waarvoor de vrederechter bijzonder bevoegd is;
2° van vorderingen tot inbezitstelling door onregelmatige erfopvolgers, van verzoeken tot aanwijzing van een curator van een onbeheerde nalatenschap, van aanvragen tot verlenging van de termijnen bepaald in de artikelen 798 en 1458 van het Burgerlijk Wetboek;
3° (...) <W 2001-03-27/39, art. 2, 091; Inwerkingtreding : 01-08-2001>
4° van vorderingen tot verdeling;
5° van geschillen over de tenuitvoerlegging van vonnissen en arresten;
6° van de vorderingen ingesteld hetzij krachtens het decreet van 26 juli-3 augustus 1791 betreffende het opvorderen en het optreden van de openbare macht tegen samenscholingen, hetzij krachtens het decreet van 10 vendémiaire, jaar IV op de inwendige politie van de gemeenten;
7° (van vorderingen betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, daaronder begrepen het recht van producenten van databanken, waarvan het bedrag (1.860 EUR) te boven gaat;) <W 1998-08-10/22, art. 3, 064; Inwerkingtreding : 14-11-1998> <KB 2000-07-20/57, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
8° van vorderingen betreffende de doorhaling van een gemeenschappelijk merk;
9° van vorderingen betreffende de afzetting van beheerders van mutualiteitsverenigingen, verenigingen zonder winstoogmerk en instellingen van openbaar nut; van vorderingen betreffende de ontbinding van de genoemde instellingen en verenigingen en de benoeming van vereffenaars in geval van ontbinding;
10° van vorderingen betreffende onteigeningen ten algemenen nutte, onverminderd de bevoegdheid die krachtens artikel 595 aan de vrederechter is toegekend;
11° van vorderingen betreffende de bekendmaking en de aanwending van uitvindingen en fabrieksgeheimen die belang hebben voor de verdediging van het grondgebied of de veiligheid van de Staat;
12° van de vorderingen ingesteld krachtens (de artikelen 1188 tot 1193) betreffende sommige openbare verkopingen van onroerende goederen; <W 2003-02-13/54, art. 7, 112; Inwerkingtreding : 04-04-2003>
13° van geschillen betreffende door een scheepskapitein verschuldigde loodsgelden;
14° van vorderingen tot vervallenverklaring van een concessie inzake mijnen, groeven en graverijen;
15° van vorderingen tot regeling van het niet bij tarief vastgestelde ereloon van notarissen;
16° van de vorderingen tot schadevergoeding op grond van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw;
17° van de vorderingen ingesteld krachtens de wet van 18 juli 1966 betreffende de burgerlijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie;
18° van de vorderingen ingesteld krachtens de bepalingen van de wet van 9 augustus 1963 en de internationale overeenkomsten tot vaststelling van de aansprakelijkheid van de exploitant van een atoomschip;
19° (...) <W 2001-03-27/39, art. 2, 091; Inwerkingtreding : 01-08-2001>
20° (van de vorderingen als bedoeld in artikel 38 van de wet van 20 mei 1975 tot bescherming van kweekprodukten.) <W 20-05-1975, art. 39>
(21°) (van de vorderingen tot schadeloosstelling op grond van het Internationaal Verdrag inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie en de Bijlage, opgemaakt te Brussel op 29 november 1969, van de wet van 20 juli 1976 houdende goedkeuring en uitvoering van dit Verdrag en van het Protocol bij dit Verdrag opgemaakt te Londen op 19 november 1976). <W 20-07-1976, art. 15, § 2> <W 1989-04-11/30, art. 22, 019; ED : 01-12-1989>
22° (van de vorderingen als bedoeld in de artikelen 11bis en 12bis van het Wetboek van de Belgische nationaliteit en van de verklaringen op grond van de artikelen 15 tot 17, 24, 26 en 28 van hetzelfde Wetboek.) <W 1991-06-13/31, art. 7, § 1, 030; Inwerkingtreding : 01-01-1992>
(23° van de vorderingen bedoeld bij artikel 16, § 1, van de wet van 10 januari 1990 betreffende de rechtsbescherming van topografieën van halfgeleiderprodukten.) <W 1990-01-10/34, art. 17, 021; Inwerkingtreding : 05-02-1990> <Volgens artikel 19, is deze wet " slechts van toepassing op de topografieën van halfgeleiderprodukten die voor de eerste maal na haar inwerkingtreding werden vastgesteld. ">
(24° van de vorderingen tot het verkrijgen van betalingsfaciliteiten zoals geregeld in artikel 59 van de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet;
25° van de gedingen ingesteld krachtens artikel 49 van de wet op het politieambt;
26° van de vorderingen bedoeld bij artikel 13 van de wet van 30 juni 1994 houdende omzetting in Belgisch recht van de Europese richtlijn van 14 mei 1991 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma's;
27° van de gedingen ingesteld krachtens artikel 93 van de wet van 20 mei 1994 inzake de rechtstoestanden van het militair personeel;
28° van de vorderingen die gebaseerd zijn op het internationale Verdrag ter oprichting van een internationaal Fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie, opgemaakt te Brussel op 18 december 1971 en van het Protocol bij dit Verdrag, opgemaakt te Londen op 19 november 1976 en op de wet houdende goedkeuring en uitvoering van dat Verdrag en van dat Protocol;
29° van de vorderingen tot teruggave van cultuurgoederen ingesteld op grond van artikel 7 van de wet van 28 oktober 1996 betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van bepaalde buitenlandse Staten zijn gebracht.) <W 1999-04-22/47, art. 52, 083; Inwerkingtreding : 20-07-1999>
(30° bij gebreke van andere bepalingen luidens welke bevoegdheid wordt toegekend, de vorderingen ingesteld krachtens de wet van 22 april 1999 betreffende de exclusieve economische zone van België in de Noordzee) <W 1999-04-22/47, art. 52, 083; Inwerkingtreding : 20-07-1999>
(31° bij ontstentenis van andere bepalingen tot toekenning van bevoegdheid, van de vorderingen ingeleid krachtens de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België.) <W 1999-02-28/32, art. 2, 069; Inwerkingtreding : 22-03-1999>
(32° van geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet.) <W 1999-03-23/30, art. 4, 072; Inwerkingtreding : 06-04-1999>
(33° van vorderingen tot homologatie van akten van bekendheid opgesteld krachtens de artikelen 71 en 72 van het burgerlijk Wetboek en krachtens artikel 5 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit.) <W 2000-03-01/46, art. 2, 086; Inwerkingtreding : 01-05-2000>
(In de gevallen onder het eerste lid, 8°, 17°, 21°, 28° en 29°, is alleen de rechtbank van eerste aanleg te Brussel bevoegd en in het geval onder het eerste lid, 18°, die te Antwerpen.) <W 1999-04-22/47, art. 52, 083; Inwerkingtreding : 20-07-1999>
(In de gevallen onder het eerste lid, 22°, is alleen de rechtbank van eerste aanleg te Brussel bevoegd wanneer de belanghebbende zijn hoofdverblijf niet of niet meer in Belgïeþ heeft.) <W 28-06-1984, art. 20, §1,4°>
++++++++++++++++++++++++++
GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN
--------------------------
Art. 569. (VLAAMS GEWEST)
De rechtbank van eerste aanleg neemt kennis:
1° van vorderingen betreffende de staat van de personen alsmede van alle geschillen tussen echtgenoten betreffende de uitoefening van hun rechten of betreffende hun goederen met uitzondering van de aangelegenheden waarvoor de vrederechter bijzonder bevoegd is;
2° van vorderingen tot inbezitstelling door onregelmatige erfopvolgers, van verzoeken tot aanwijzing van een curator van een onbeheerde nalatenschap, van aanvragen tot verlenging van de termijnen bepaald in de artikelen 798 en 1458 van het Burgerlijk Wetboek;
3° (...) <W 2001-03-27/39, art. 2, 091; Inwerkingtreding : 01-08-2001>
4° van vorderingen tot verdeling;
5° van geschillen over de tenuitvoerlegging van vonnissen en arresten;
6° van de vorderingen ingesteld hetzij krachtens het decreet van 26 juli-3 augustus 1791 betreffende het opvorderen en het optreden van de openbare macht tegen samenscholingen, hetzij krachtens het decreet van 10 vendémiaire, jaar IV op de inwendige politie van de gemeenten;
7° (van vorderingen betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, daaronder begrepen het recht van producenten van databanken, waarvan het bedrag (1.860 EUR) te boven gaat;) <W 1998-08-10/22, art. 3, 064; Inwerkingtreding : 14-11-1998> <KB 2000-07-20/57, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
8° van vorderingen betreffende de doorhaling van een gemeenschappelijk merk;
9° van vorderingen betreffende de afzetting van beheerders van mutualiteitsverenigingen, verenigingen zonder winstoogmerk en instellingen van openbaar nut; van vorderingen betreffende de ontbinding van de genoemde instellingen en verenigingen en de benoeming van vereffenaars in geval van ontbinding;
10° van vorderingen betreffende onteigeningen ten algemenen nutte, onverminderd de bevoegdheid die krachtens artikel 595 aan de vrederechter is toegekend;
11° van vorderingen betreffende de bekendmaking en de aanwending van uitvindingen en fabrieksgeheimen die belang hebben voor de verdediging van het grondgebied of de veiligheid van de Staat;
12° van de vorderingen ingesteld krachtens (de artikelen 1188 tot 1193) betreffende sommige openbare verkopingen van onroerende goederen; <W 2003-02-13/54, art. 7, 112; Inwerkingtreding : 04-04-2003>
13° (opgeheven wat het Vlaamse Gewest betreft) <DVR 1995-04-19/49, art. 23, 049; Inwerkingtreding : 15-09-1995>
14° van vorderingen tot vervallenverklaring van een concessie inzake mijnen, groeven en graverijen;
15° van vorderingen tot regeling van het niet bij tarief vastgestelde ereloon van notarissen;
16° van de vorderingen tot schadevergoeding op grond van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw;
17° van de vorderingen ingesteld krachtens de wet van 18 juli 1966 betreffende de burgerlijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie;
18° van de vorderingen ingesteld krachtens de bepalingen van de wet van 9 augustus 1963 en de internationale overeenkomsten tot vaststelling van de aansprakelijkheid van de exploitant van een atoomschip;
19° (...) <W 2001-03-27/39, art. 2, 091; Inwerkingtreding : 01-08-2001>
20° (van de vorderingen als bedoeld in artikel 38 van de wet van 20 mei 1975 tot bescherming van kweekprodukten.) <W 20-05-1975, art. 39>
(21°) (van de vorderingen tot schadeloosstelling op grond van het Internationaal Verdrag inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie en de Bijlage, opgemaakt te Brussel op 29 november 1969, van de wet van 20 juli 1976 houdende goedkeuring en uitvoering van dit Verdrag en van het Protocol bij dit Verdrag opgemaakt te Londen op 19 november 1976). <W 20-07-1976, art. 15, § 2> <W 1989-04-11/30, art. 22, 019; ED : 01-12-1989>
22° (van de vorderingen als bedoeld in de artikelen 11bis en 12bis van het Wetboek van de Belgische nationaliteit en van de verklaringen op grond van de artikelen 15 tot 17, 24, 26 en 28 van hetzelfde Wetboek.) <W 1991-06-13/31, art. 7, § 1, 030; Inwerkingtreding : 01-01-1992>
(23° van de vorderingen bedoeld bij artikel 16, § 1, van de wet van 10 januari 1990 betreffende de rechtsbescherming van topografieën van halfgeleiderprodukten.) <W 1990-01-10/34, art. 17, 021; Inwerkingtreding : 05-02-1990> <Volgens artikel 19, is deze wet " slechts van toepassing op de topografieën van halfgeleiderprodukten die voor de eerste maal na haar inwerkingtreding werden vastgesteld. ">
(24° van de vorderingen tot het verkrijgen van betalingsfaciliteiten zoals geregeld in artikel 59 van de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet;
25° van de gedingen ingesteld krachtens artikel 49 van de wet op het politieambt;
26° van de vorderingen bedoeld bij artikel 13 van de wet van 30 juni 1994 houdende omzetting in Belgisch recht van de Europese richtlijn van 14 mei 1991 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma's;
27° van de gedingen ingesteld krachtens artikel 93 van de wet van 20 mei 1994 inzake de rechtstoestanden van het militair personeel;
28° van de vorderingen die gebaseerd zijn op het internationale Verdrag ter oprichting van een internationaal Fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie, opgemaakt te Brussel op 18 december 1971 en van het Protocol bij dit Verdrag, opgemaakt te Londen op 19 november 1976 en op de wet houdende goedkeuring en uitvoering van dat Verdrag en van dat Protocol;
29° van de vorderingen tot teruggave van cultuurgoederen ingesteld op grond van artikel 7 van de wet van 28 oktober 1996 betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van bepaalde buitenlandse Staten zijn gebracht.) <W 1999-04-22/47, art. 52, 083; Inwerkingtreding : 20-07-1999>
(30° bij gebreke van andere bepalingen luidens welke bevoegdheid wordt toegekend, de vorderingen ingesteld krachtens de wet van 22 april 1999 betreffende de exclusieve economische zone van België in de Noordzee) <W 1999-04-22/47, art. 52, 083; Inwerkingtreding : 20-07-1999>
(31° bij ontstentenis van andere bepalingen tot toekenning van bevoegdheid, van de vorderingen ingeleid krachtens de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België.) <W 1999-02-28/32, art. 2, 069; Inwerkingtreding : 22-03-1999>
(32° van geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet.) <W 1999-03-23/30, art. 4, 072; Inwerkingtreding : 06-04-1999>
(33° van de beroepen tegen de beslissing van het opleggen van een administratieve geldboete op grond van artikel 37, § 1, van het Elektriciteitsdecreet en artikel 46, § 1, van het Aardgasdecreet.) <DVR 2001-07-06/46, art. 47, 103; Inwerkingtreding : 28-10-2002>
(In de gevallen onder het eerste lid, 8°, 17°, 21°, 28° en 29°, is alleen de rechtbank van eerste aanleg te Brussel bevoegd en in het geval onder het eerste lid, 18°, die te Antwerpen.) <W 1999-04-22/47, art. 52, 083; Inwerkingtreding : 20-07-1999>
(In de gevallen onder het eerste lid, 22°, is alleen de rechtbank van eerste aanleg te Brussel bevoegd wanneer de belanghebbende zijn hoofdverblijf niet of niet meer in Belgïeþ heeft.) <W 28-06-1984, art. 20, §1,4°>
------------------------
Art. 569. (WAALS GEWEST)
De rechtbank van eerste aanleg neemt kennis:
1° van vorderingen betreffende de staat van de personen alsmede van alle geschillen tussen echtgenoten betreffende de uitoefening van hun rechten of betreffende hun goederen met uitzondering van de aangelegenheden waarvoor de vrederechter bijzonder bevoegd is;
2° van vorderingen tot inbezitstelling door onregelmatige erfopvolgers, van verzoeken tot aanwijzing van een curator van een onbeheerde nalatenschap, van aanvragen tot verlenging van de termijnen bepaald in de artikelen 798 en 1458 van het Burgerlijk Wetboek;
3° (...) <W 2001-03-27/39, art. 2, 091; Inwerkingtreding : 01-08-2001>
4° van vorderingen tot verdeling;
5° van geschillen over de tenuitvoerlegging van vonnissen en arresten;
6° van de vorderingen ingesteld hetzij krachtens het decreet van 26 juli-3 augustus 1791 betreffende het opvorderen en het optreden van de openbare macht tegen samenscholingen, hetzij krachtens het decreet van 10 vendémiaire, jaar IV op de inwendige politie van de gemeenten;
7° (van vorderingen betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, daaronder begrepen het recht van producenten van databanken, waarvan het bedrag (1.860 EUR) te boven gaat;) <W 1998-08-10/22, art. 3, 064; Inwerkingtreding : 14-11-1998> <KB 2000-07-20/57, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
8° van vorderingen betreffende de doorhaling van een gemeenschappelijk merk;
9° van vorderingen betreffende de afzetting van beheerders van mutualiteitsverenigingen, verenigingen zonder winstoogmerk en instellingen van openbaar nut; van vorderingen betreffende de ontbinding van de genoemde instellingen en verenigingen en de benoeming van vereffenaars in geval van ontbinding;
10° van vorderingen betreffende onteigeningen ten algemenen nutte, onverminderd de bevoegdheid die krachtens artikel 595 aan de vrederechter is toegekend;
11° van vorderingen betreffende de bekendmaking en de aanwending van uitvindingen en fabrieksgeheimen die belang hebben voor de verdediging van het grondgebied of de veiligheid van de Staat;
12° van de vorderingen ingesteld krachtens (de artikelen 1188 tot 1193) betreffende sommige openbare verkopingen van onroerende goederen; <W 2003-02-13/54, art. 7, 112; Inwerkingtreding : 04-04-2003>
13° van geschillen betreffende door een scheepskapitein verschuldigde loodsgelden;
14° van vorderingen tot vervallenverklaring van een concessie inzake mijnen, groeven en graverijen;
15° van vorderingen tot regeling van het niet bij tarief vastgestelde ereloon van notarissen;
16° van de vorderingen tot schadevergoeding op grond van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw;
17° van de vorderingen ingesteld krachtens de wet van 18 juli 1966 betreffende de burgerlijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie;
18° van de vorderingen ingesteld krachtens de bepalingen van de wet van 9 augustus 1963 en de internationale overeenkomsten tot vaststelling van de aansprakelijkheid van de exploitant van een atoomschip;
19° (...) <W 2001-03-27/39, art. 2, 091; Inwerkingtreding : 01-08-2001>
20° (van de vorderingen als bedoeld in artikel 38 van de wet van 20 mei 1975 tot bescherming van kweekprodukten.) <W 20-05-1975, art. 39>
(21°) (van de vorderingen tot schadeloosstelling op grond van het Internationaal Verdrag inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie en de Bijlage, opgemaakt te Brussel op 29 november 1969, van de wet van 20 juli 1976 houdende goedkeuring en uitvoering van dit Verdrag en van het Protocol bij dit Verdrag opgemaakt te Londen op 19 november 1976). <W 20-07-1976, art. 15, § 2> <W 1989-04-11/30, art. 22, 019; ED : 01-12-1989>
22° (van de vorderingen als bedoeld in de artikelen 11bis en 12bis van het Wetboek van de Belgische nationaliteit en van de verklaringen op grond van de artikelen 15 tot 17, 24, 26 en 28 van hetzelfde Wetboek.) <W 1991-06-13/31, art. 7, § 1, 030; Inwerkingtreding : 01-01-1992>
(23° van de vorderingen bedoeld bij artikel 16, § 1, van de wet van 10 januari 1990 betreffende de rechtsbescherming van topografieën van halfgeleiderprodukten.) <W 1990-01-10/34, art. 17, 021; Inwerkingtreding : 05-02-1990> <Volgens artikel 19, is deze wet " slechts van toepassing op de topografieën van halfgeleiderprodukten die voor de eerste maal na haar inwerkingtreding werden vastgesteld. ">
(24° van de vorderingen tot het verkrijgen van betalingsfaciliteiten zoals geregeld in artikel 59 van de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet;
25° van de gedingen ingesteld krachtens artikel 49 van de wet op het politieambt;
26° van de vorderingen bedoeld bij artikel 13 van de wet van 30 juni 1994 houdende omzetting in Belgisch recht van de Europese richtlijn van 14 mei 1991 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma's;
27° van de gedingen ingesteld krachtens artikel 93 van de wet van 20 mei 1994 inzake de rechtstoestanden van het militair personeel;
28° van de vorderingen die gebaseerd zijn op het internationale Verdrag ter oprichting van een internationaal Fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie, opgemaakt te Brussel op 18 december 1971 en van het Protocol bij dit Verdrag, opgemaakt te Londen op 19 november 1976 en op de wet houdende goedkeuring en uitvoering van dat Verdrag en van dat Protocol;
29° van de vorderingen tot teruggave van cultuurgoederen ingesteld op grond van artikel 7 van de wet van 28 oktober 1996 betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van bepaalde buitenlandse Staten zijn gebracht.) <W 1999-04-22/47, art. 52, 083; Inwerkingtreding : 20-07-1999>
(30° bij gebreke van andere bepalingen luidens welke bevoegdheid wordt toegekend, de vorderingen ingesteld krachtens de wet van 22 april 1999 betreffende de exclusieve economische zone van België in de Noordzee) <W 1999-04-22/47, art. 52, 083; Inwerkingtreding : 20-07-1999>
(31° bij ontstentenis van andere bepalingen tot toekenning van bevoegdheid, van de vorderingen ingeleid krachtens de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België.) <W 1999-02-28/32, art. 2, 069; Inwerkingtreding : 22-03-1999>
(32° van geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet.) <W 1999-03-23/30, art. 4, 072; Inwerkingtreding : 06-04-1999>
(33° van vorderingen tot homologatie van akten van bekendheid opgesteld krachtens de artikelen 71 en 72 van het burgerlijk Wetboek en krachtens artikel 5 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit (of krachtens artikel 48, § 1, van het decreet betreffende de organisatie van de gewestelijke gasmarkt).) <W 2000-03-01/46, art. 2, 086; Inwerkingtreding : 01-05-2000> <DWG 2002-12-19/81, art. 66, 109; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
(In de gevallen onder het eerste lid, 8°, 17°, 21°, 28° en 29°, is alleen de rechtbank van eerste aanleg te Brussel bevoegd en in het geval onder het eerste lid, 18°, die te Antwerpen.) <W 1999-04-22/47, art. 52, 083; Inwerkingtreding : 20-07-1999>
(In de gevallen onder het eerste lid, 22°, is alleen de rechtbank van eerste aanleg te Brussel bevoegd wanneer de belanghebbende zijn hoofdverblijf niet of niet meer in Belgïeþ heeft.) <W 28-06-1984, art. 20, §1,4°>
++++++++++++++++++++++++++
Art. 570. <W 2004-07-16/31, art. 134, 125; Inwerkingtreding : 01-10-2004> De rechtbank van eerste aanleg doet uitspraak, ongeacht de waarde van het geschil, over de vorderingen bedoeld in de artikelen 23, § 1, 27 en 31 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht.
In afwijking van het eerste lid doet de rechtbank van koophandel uitspraak over de vorderingen bedoeld in artikel 121 van dezelfde wet.
Art. 571. <W 1999-05-04/03, art. 45, 085; Inwerkingtreding : 01-11-1999> De Rechtbank van eerste aanleg neemt kennis van de tuchtrechtelijke vorderingen tot schorsing, afzetting en veroordeling tot geldboete tegen gerechtsdeurwaarders.
Zij neemt in hoger beroep, overeenkomstig de artikelen 107 en 110 van de wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt, kennis van het beroep ingesteld tegen de beslissingen van de Kamer van notarissen die een tuchtstraf van eigen rechtsmacht heeft uitgesproken, en spreekt in eerste aanleg de hogere tuchtstraffen tegen notarissen uit.
Art. 572. Behalve de installatie van de magistraten en griffiers, waarvan sprake is in artikel 288, vijfde lid, beëdigt de rechtbank van eerste aanleg eveneens:
1° de notarissen;
2° de gerechtsdeurwaarders;
3° de ambtenaren en aangestelden bij het bosbeheer;
4° de wegenopzichters, de inspecteurs en hoofdinspecteurs van politie belast met de vaststelling van de overtreding van wetten en verordeningen betreffende de spoorwegen, hun exploitatie en politie;
5° de ambtenaren en beambten belast met de vaststelling van de overtreding van de wet en de verordeningen betreffende het vervoer van uitwijkelingen;
6° de douanebeambten belast met de vaststelling van de misdrijven gepleegd binnen de omheining van vrije stapelplaatsen;
7° de directeur en de beambten van de proefbank voor vuurwapens die als officier van gerechtelijke politie zijn aangesteld;
8° de havenmeesters en de adjunct-havenmeesters;
9° de hoofdinspecteurs en de inspecteurs van de luchtvaartpolitie;
10° de beambten van het Hoog Comité van toezicht die de hoedanigheid hebben van officier van gerechtelijke politie.
(11° de personen die door vennootschappen voor het beheer van auteursrechten en van naburige rechten worden aangewezen teneinde alle mogelijke exploitatievormen van een werk of van een prestatie, evenals enige onjuiste verklaring in verband met een dergelijke exploitatie vast te stellen). <W 1994-06-30/35, art. 91, 045; Inwerkingtreding : 1994-07-27>
Art. 573. De rechtbank van koophandel neemt in eerste aanleg kennis:
1° van de geschillen tussen kooplieden, die handelingen betreffen die de wet als daden van koophandel aanmerkt en die niet onder de algemene bevoegdheid van de vrederechter (of onder de bevoegdheid van de politierechtbanken) vallen; <W 1994-07-11/33, art. 34, 048; Inwerkingtreding : 1995-01-01>
2° (van geschillen betreffende wisselbrieven en orderbriefjes, wanneer het bedrag van de vordering hoger is dan (1.860 EUR).) <W 1992-08-03/31, art. 6, 034; Inwerkingtreding : 1993-01-01> <KB 2000-07-20/57, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
(Het geschil, dat betrekking heeft op een handeling die de wet als daad van koophandel aanmerkt en dat niet onder de algemene bevoegdheid van de vrederechter valt, kan eveneens voor de rechtbank van koophandel worden gebracht, hoewel de eiser niet de hoedanigheid van handelaar heeft. Een beding tot aanwijzing van een bevoegd rechter, gemaakt vóór het ontstaan van het geschil is, in dat opzicht, van rechtswege nietig.) <W 24-06-1970, art. 4, 2>
Art. 574. De rechtbank van koophandel neemt, zelfs wanneer partijen geen handelaar zijn, kennis:
(1° van geschillen terzake van een handelsvennootschap tussen vennootschappen en vennoten, tussen vennoten, tussen vennootschappen en bestuurders of zaakvoerders, tussen bestuurders of zaakvoeders, tussen bestuurders of zaakvoerders en derden, tussen bestuurders of zaakvoerders en vennoten, tussen commissarissen, tussen commissarissen en vennootschappen, tussen commissarissen en bestuurders, zaakvoerders of vennoten, tussen vereffenaars, tussen vereffenaars en derden, tussen vereffenaars en vennootschappen of tussen vereffenaars en vennoten, tussen vennootschappen, vennoten, bestuurders of zaakvoerders, commissarissen of vereffenaars en bedrijfsrevisoren, tussen oprichters, tussen oprichters en vennootschappen, tussen oprichters en derden of tussen oprichters, vennootschappen, vennoten en bestuurders of zaakvoerders;) <W 1999-05-07/70, art. 2, 084; Inwerkingtreding : 05-09-1999>
(2° van vorderingen en geschillen rechtstreeks ontstaan uit het faillissement en het gerechtelijk akkoord overeenkomstig de voorschriften van de faillissementswet en de wet betreffende het gerechtelijk akkoord, en waarvan de gegevens voor de oplossing zich bevinden in het bijzonder recht dat van toepassing is op het stelsel van het faillissement en het gerechtelijk akkoord;) <W 1997-07-17/65, art. 51, 055; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
3° van vorderingen betreffende de benamingen van oorsprong;
4° van vorderingen betreffende de aan de post toevertrouwde diensten;
5° van vorderingen tot verbetering en doorhaling van inschrijvingen in het handelsregister;
6° van vorderingen met het oog op de benoeming van commissarissen voor het nazien van boeken en rekeningen van handelsvennootschappen;
7° van vorderingen inzake zee- en binnenvaart, en inzonderheid van het onderzoek van de schuldvorderingen bij verdeling van de gelden voortkomend van de toewijzing van een in beslag genomen vaartuig.
(8° opgeheven) <W 2003-03-24/40, art. 76, 115; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
(9° van geschillen inzake de handelingen van de Nationale Loterij die door de wet geacht worden daden van koophandel te zijn.) <W 1991-07-22/33, art. 25, 028; Inwerkingtreding : 01-09-1991>
(10° van aanvragen tot homologatie van beslissingen tot verplaatsing van de zetel van een vennootschap in vereffening.) <W 1997-07-17/65, art. 51, 055; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
(11° de vorderingen bedoeld in artikel 92 van Verordening nr. 40/94 van de Raad van de Europese Unie van 20 december 1993 inzake het Gemeenschapsmerk.) <W 1998-02-10/56, art. 2, 060; Inwerkingtreding : 10-07-1998>
(12° van geschillen tussen emittenten en houders, of tussen houders, van certificaten die betrekking hebben op effecten en zijn uitgegeven overeenkomstig de artikelen 43bis en 124ter van de wetten op de handelsvennootschappen, gecoördineerd op 30 november 1935.) <W 1999-02-10/41, art. 2, 073; Inwerkingtreding : 08-06-1999>
Art. 575. (.....) <W 14-07-1971, art. 76, 6>
Art. 576. De rechtbank van koophandel wijst de beëdigde wegers, scheepsmeters of meters voor zee- binnenschepen aan en neemt hun eed af.
Zij neemt ook de eed af van:
(1° de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren;) <W 1999-05-03/30, art. 56, 077; Inwerkingtreding : 01-04-1999>
2° de bedrijfsrevisoren.
Art. 577. De rechtbank van eerste aanleg neemt in hoger beroep kennis van de vonnissen (in eerste aanleg gewezen door de vrederechter en, in de gevallen bepaald bij artikel 601bis, door de politierechtbank). <W 1994-07-11/33, art. 35, 048; Inwerkingtreding : 1995-01-01>
Hoger beroep tegen de beslissingen, door de vrederechter in eerste aanleg gewezen inzake geschillen tussen kooplieden betreffende de handelingen die de wet als daden van koophandel aanmerkt of inzake geschillen betreffende wisselbrieven, wordt evenwel gebracht voor de rechtbank van koophandel.
Art. 578. De arbeidsrechtbank neemt kennis:
1° van geschillen inzake arbeidsovereenkomsten met inbegrip van die welke betrekking hebben op schending van het fabrieksgeheim gedurende die overeenkomst;
2° van geschillen inzake leerovereenkomsten;
3° (van de individuele geschillen betreffende de toepassing van de collectieve arbeidsovereenkomsten;) <W 5-12-1968, art. 67>
4° van geschillen tussen werknemers naar aanleiding van het werk;
5° van geschillen betreffende de overeenkomst voor versnelde beroepsopleiding;
6° van geschillen tussen de personen die samen een beroep uitoefenen waarbij hoofdzakelijk handenarbeid wordt verricht, en inzonderheid tussen een schipper ter visserij en de schepelingen die zijn vennoten zijn;
7° van geschillen van burgerlijke aard die het gevolg zijn van een overtreding van de wetten en besluiten betreffende de arbeidsreglementering en de aangelegenheden onder de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank, onverminderd de toepassing van de wetsbepalingen die deze bevoegdheid verlenen aan de strafgerechten wanneer een strafvordering voor hen aanhangig is.
8° (de geschillen die hun oorzaak vinden :
a) in titel V betreffende gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van arbeidsvoorwaarden en de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de toegang tot een zelfstandig beroep van de wet van 4 augustus 1978 tot economisch heroriëntering en in haar uitvoeringsbesluiten, met uitzondering van die bedoeld in artikel 581, 3°, a), en van die welke betrekking hebben op de toegang tot het onderwijs in de beroepsopleiding verstrekt door het openbaar of privaat onderwijs;
b) in het decreet van 8 mei 2002 van het Vlaams Parlement houdende evenredige participatie op de arbeidsmarkt en zijn uitvoeringsbesluiten, met uitzondering van die bedoeld in artikel 581, 3°, b).) <W 2003-04-08/33, art. 139, 098; Inwerkingtreding : 01-10-2002>
(9° van de geschillen betreffende de hoedanigheid van de werknemers en het behoud van hun rechten ingevolge de overdracht van de onderneming of van een gedeelte ervan, bedoeld in hoofdstuk IV van titel III van de wet betreffende het gerechtelijk akkoord.) <W 1997-07-17/65, art. 52, 055; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
(9° van geschillen inzake het verbod van een maximumleeftijdsgrens bij de werving en selectie, bedoeld in hoofdstuk II, afdeling I, van de wet van 13 februari 1998 houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling.) <W 1998-02-13/33, art. 2, 056; Inwerkingtreding : 01-03-1998>
(10° van de geschillen die hun oorzaak vinden in de wet van 7 mei 1999 op de gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, de toegang tot het arbeidsproces en de promotiekansen, de toegang tot een zelfstandig beroep en de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid en in haar uitvoeringsbesluiten, met uitzondering van die bedoeld in artikel 581, 9°.) <W 1999-05-07/52, art. 2, 080; Inwerkingtreding : 29-06-1999>
(10° van betwistingen op grond van de wet van 28 januari 2003 betreffende de medische onderzoeken die binnen het kader van de arbeidsverhoudingen worden uitgevoerd.) <W 2003-01-28/42, art. 16, 114; Inwerkingtreding : 19-04-2003>
(11° van de geschillen betreffende geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk, die hun oorzaak vinden in hoofdstuk Vbis van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.) <W 2002-06-17/35, art. 5, 096; Inwerkingtreding : 01-07-2002>
(12° van de geschillen die hun oorzaak vinden in de wet van... betreffende de bescherming van de preventieadviseurs en die betrekking hebben op :
a) werknemers;
b) zelfstandigen.) <W 2002-12-20/52, art. 4, 107; Inwerkingtreding : 01-02-2003>
((13° van geschillen) betreffende de discriminaties, in de zin van de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, die betrekking hebben op de voorwaarden voor toegang tot arbeid in loondienst of onbetaalde arbeid, met inbegrip van de selectiecriteria en de aanstellingscriteria, ongeacht de tak van activiteit en op alle niveaus van de beroepshiërarchie, met inbegrip van de bevorderingskansen, alsook de voorwaarden van werkgelegenheid en de arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van de voorwaarden van ontslag en bezoldiging, zowel in de privé-sector als in de overheidssector, met uitzondering van de betrekkingen die worden geregeld door een statuut van publiek recht.) <Erratum, zie B.S. 13.05.2003, p. 23578> <W 2003-02-25/37, art. 25, 004; Inwerkingtreding : 27-03-2003>
Art. 579. <W 24-06-1969, art. 12> De arbeidsrechtbank neemt kennis:
1° van de vorderingen betreffende de vergoeding van schade voortkomende uit arbeidsongevallen, uit ongevallen op de weg van en naar het werk en uit beroepsziekten:
2° van de vorderingen betreffende de schadevergoeding wegens arbeidsongevallen, welke zich tussen 10 mei 1940 en 30 september 1944, onder de gelding van de Duitse wetgeving voorgedaan hebben in de door het Duitse Rijk aangehechte Belgische gebieden;
3° van de vorderingen betreffende de toelagen toegekend door het Fonds voor arbeidsongevallen en het Fonds voor de beroepsziekten;
4° (van de vorderingen betreffende de vergoeding van schade voortkomende uit nijverheidsongevallen en landbouwongevallen in het raam van de verzekering tegen nijverheidsongevallen van de kantons Eupen, Malmédy en Sankt-Vith en van de verzekering tegen landbouwongevallen van de kantons Eupen, Malmédy en Sankt-Vith.) <W 16-08-1971, art. 8>
Art. 580. De arbeidsrechtbank neemt kennis:
1° van geschillen betreffende (de verplichtingen van de werkgevers en van de personen die met hen hoofdelijk aansprakelijk zijn gesteld voor de betaling van de bijdragen), opgelegd door de wetgeving inzake sociale zekerheid, (gezinsbijslag,) werkloosheid, verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, rust- en overlevingspensioen, jaarlijkse vakantie, bestaanszekerheid, (sluiting van ondernemingen) en door de verordeningen waarbij sociale voordelen aan de werknemers en leerlingen worden toegekend; <W 04-08-1978, art. 70> <W 12-05-1971, art. 1, 1°> <W 28-07-1971, art. 22>
2° van geschillen betreffende de rechten en verplichtingen van werknemers en leerlingen en hun rechtverkrijgenden, welke voortvloeien uit de wetten en verordeningen bedoeld onder 1°;
3° van geschillen betreffende de rechten en verplichtingen van de personen (en hun rechtverkrijgenden) die, buiten een arbeidsovereenkomst of een leerovereenkomst, het voordeel genieten van de wetten en verordeningen bedoeld onder 1°; <W 12-05-1971, art. 1, 2°>
4° van geschillen tussen de instellingen belast met de toepassing van de wetten en verordeningen bedoeld onder 1°, betreffende de rechten en verplichtingen die daaruit voor die instellingen voortvloeien;
5° (.....) <W 30-06-1971, art. 16>
6° van geschillen betreffende de rechten en verplichtingen van de personen (en hun rechtverkrijgenden) die een maatschappelijke verzekering hebben aangegaan krachtens: <W 12-05-1971, art. 1, 3°>
a) de wet van 23 juni 1894 houdende herziening van de wet van 3 april 1851 op de mutualiteitsverenigingen;
b) de wet van 12 februari 1963 betreffende de inrichting van een ouderdoms- en overlevingspensioenregeling ten behoeve van de vrijwillig verzekerden;
c) de wet van 17 juli 1963 betreffende overzeese sociale zekerheid;
7° van geschillen betreffende het stelsel van maatschappelijke zekerheid waarvan de prestaties gewaarborgd zijn bij de wet van 16 juni 1960 dat de organismen belast met het beheer van de sociale zekerheid van de werknemers van Belgisch-Congo en Ruanda-Urundi onder de controle en de waarborg van de Belgische Staat plaatst en dat waarborg draagt door de Belgische Staat van de maatschappelijke prestaties ten gunste van deze werknemers verzekerd;
8° (van de geschillen betreffende de toepassing van:
a) de wet tot instelling van een gewaarborgd inkomen voor bejaarden. Zij past, op verzoek (van de Rijksdienst voor werknemerspensioenen), de in artikel 13 van voormelde wet bepaalde sancties toe; <W 05-01-1976, art. 121>
b) de wet tot instelling van een gewaarborgde gezinsbijslag. Zij past, op verzoek ((van de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers)), de in artikel 8 van voormelde wet bepaalde sancties toe;) <W 20-07-1971, art. 12> <W 05-01-1976, art. 121> <KB242 31-12-1983, art. 10>
c) (de wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum, voor wat betreft de geschillen betreffende de toekenning, de herziening, de weigering en de terugbetaling door de gerechtigde van het bestaansminimum alsmede betreffende de toepassing van de administratieve sancties bepaald in de desbetreffende wetgeving.) <W 07-08-1974, art. 21, § 1>
(de wet van 26 mei 2002 tot instelling van het recht op maatschappelijke integratie, inzake de geschillen betreffende de toekenning, de herziening, de weigering en de terugbetaling door de gerechtigde van de maatschappelijke integratie, alsmede de toepassing van de administratieve sancties bepaald in de desbetreffende wetgeving.) <W 2002-05-26/47, art. 48, 099; Inwerkingtreding : 01-10-2002>
(d) de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, inzake de betwistingen betreffende de toekenning, de herziening, de weigering en de terugbetaling door de gerechtigde, van de maatschappelijke dienstverlening, en de toepassing van de administratieve sancties bepaald door de wetgeving ter zake.) <W 1993-01-12/34, art. 17, 039; Inwerkingtreding : 1993-01-01>
(e) de wet tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen.) <W 2001-03-22/31, art. 3, 089; Inwerkingtreding : 01-06-2001>
9° (van de geschillen betreffende de toekenning van de rentebijslag aan de begunstigden met een vervroegd rustpensioen.) W 20-06-1975, art. 9>
10° (van de geschillen betreffende de toekenning van het bijzonder brugpensioen bedoeld in artikel 5 van het hoofdstuk III van de wet van 22 december 1977.) <W 22-12-1977, art. 107>
11° (van de geschillen betreffende de toekenning van het brugpensioen aan bejaarde invaliden, bedoeld bij afdeling 6 van het hoofdstuk V van de wet van 22 december 1977.) <W 22-12-1977, art. 166, § 1>
12° (de betwistingen betreffende de verplichting van de sociaal verzekerden om een bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid te storten krachtens hoofdstuk III van de wet van 28 december 83, houdende fiscale en begrotingsbepalingen) <W 28-12-1983, art. 69>
(13° van de geschillen betreffende de bijzondere werkgeversbijdrage op het conventioneel brugpensioen bedoeld in hoofdstuk IV van de programmawet van 22 december 1989.) <W 1989-12-22/31, art. 271, 020; Inwerkingtreding : 09-01-1990>
(14° van de betwistingen betreffende de rechten en plichten voortvloeiend uit de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, met uitzondering van de betwistingen betreffende de toepassing van de algemene beginselen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (en die bedoeld in artikel 14 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.) ) <W 1990-01-15/31, art. 78, §1, 023; Inwerkingtreding : 01-01-1992> <W 1990-12-29/30, art. 152, 025; Inwerkingtreding : 1991-01-01> <W 1992-12-08/32, art. 46, 041; ED : 01-09-1993>
(15° van de geschillen betreffende de toelage aan de werkgevers voor het in dienst houden van werknemers getroffen door een arbeidsongeschiktheid ten gevolge van ziekte of ongeval waardoor het voor deze werknemers definitief onmogelijk wordt om het overeengekomen werk te verrichten, bedoeld in titel II, hoofdstuk VI, van de wet van 29 december 1990 houdende sociale bepalingen.) <W 1990-12-29/30, art. 152, 025; Inwerkingtreding : 1991-01-01>
(16° van geschillen betreffende de verplichtingen van de hoofdaannemers en onderaannemers bedoeld bij (artikel 30bis) van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.) <W 1991-07-20/31, art. 27, 031; Inwerkingtreding : 01-07-1991> <W 2003-12-22/42, art. 240, 121; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
(17° van de geschillen betreffende de premie ter compensatie van de sociale zekerheidsbijdragen bedoeld in artikel 144 van de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen.) <W 1992-12-30/40, art. 148, 038; Inwerkingtreding : 1993-01-01>
(18° van de gevallen waarin beroep wordt ingesteld tegen de beslissingen van het bureau voor juridische bijstand.) <W 1998-11-23/34, art. 5, 066; Inwerkingtreding : 31-12-1999>
Art. 581. (NOTA : zie verder niet-federale vorm(en) van dit artikel.) (De arbeidsrechtbank neemt kennis:
1° van geschillen betreffende de verplichtingen die voortvloeien uit de wetten en verordeningen inzake sociaal statuut , familiale uitkeringen , verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering en uitkeringen inzake rust - en overlevingspensioen ten voordele van de zelfstandigen;
2° van de geschillen betreffende de rechten die voortvloeien uit deze wetten en verordeningen;) <W 30-06-1971 , art. 17>
3° (de geschillen die hun oorzaak vinden :
a) in titel V betreffende de gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden en de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de toegang tot een zelfstandig beroep van de wet van 4 augustus 1978 tot economische heroriëntering en in haar uitvoeringsbesluiten die op de zelfstandige beroepen betrekking hebben;
b) in het decreet van 8 mei 2002 van het Vlaams Parlement houdende evenredige participatie op de arbeidsmarkt en zijn uitvoeringsbesluiten die op de zelfstandige beroepen betrekking hebben.) <W 2003-04-08/33, art. 140, 098; Inwerkingtreding : 01-10-2002>
4° (de geschillen inzake de verplichting, voor de genieters van bedrijfsinkomsten die niet aan de index van de consumptieprijzen gebonden zijn, een sociale-solidariteitsbijdrage krachtens de koninklijke besluiten nr. 12 van 26 februari 1982 en nr. 186 van 30 december 1982 te storten;
5° de geschillen inzake de verplichting, voor de zelfstandigen, een bijdrage tot matiging van de inkomsten krachtens het koninklijk besluit nr. 289 van 31 maart 1984 te storten;
6° de geschillen inzake de verplichting voor de alleenstaanden en de gezinnen zonder kinderen, in de sector der zelfstandigen, een bijzondere bijdrage te storten krachtens de koninklijke besluiten nr. 38 van 30 maart 1982, nr. 160 van 30 december 1982, nr. 218 van 7 november 1983 en nr. 290 van 31 maart 1984.) <W 1985-08-01/30, art. 93, 005>
(7° van de geschillen betreffende de toepassing van het koninklijk besluit n° 464 van 25 september 1986 tot consolidering van de maatregelen inzake matiging van de inkomsten der zelfstandigen.) <KBN464 1986-09-25/32, art. 12, 011; inwerkingtreding 01-01-1987>
(8° van de geschillen inzake de verplichting voor de vennootschappen tot het betalen van een bijdrage bestemd voor het sociaal statuut der zelfstandigen krachtens hoofdstuk III van titel III van de wet van 26 juni 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, en krachtens hoofdstuk II van titel III van de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen.) <W 1992-12-30/40, art. 102, 038; Inwerkingtreding : 1992-07-01>
(9° de geschillen die hun oorzaak vinden in de wet van 7 mei 1999 op de gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, de toegang tot het arbeidsproces en de promotiekansen, de toegang tot een zelfstandig beroep en de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid en in haar uitvoeringsbesluiten die op de zelfstandige beroepen betrekking hebben.) <W 1999-05-07/52, art. 3, 080; Inwerkingtreding : 29-06-1999>
(10° de geschillen betreffende de discriminaties, in de zin van de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, die betrekking hebben op de voorwaarden voor toegang tot arbeid als zelfstandige, met inbegrip van de selectiecriteria en de aanstellingscriteria, ongeacht de tak van activiteit, de voorwaarden van werkgelegenheid en de arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van verbreking en bezoldiging, zowel in de privé-sector als in de overheidssector.) <W 2003-02-25/37, art. 26, 004; Inwerkingtreding : 27-03-2003>
++++++++++++++++++++++++++
GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN
--------------------------
Art. 581. (VLAAMSE GEMEENSCHAP)
(De arbeidsrechtbank neemt kennis:
1° van geschillen betreffende de verplichtingen die voortvloeien uit de wetten en verordeningen inzake sociaal statuut , familiale uitkeringen , verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering en uitkeringen inzake rust - en overlevingspensioen ten voordele van de zelfstandigen;
2° van de geschillen betreffende de rechten die voortvloeien uit deze wetten en verordeningen;) <W 30-06-1971 , art. 17>
3° (NOTA : nadat art. 581, 3° bij het Vlaamse decreet DVR 2002-05-08/44, art. 18, gewijzigd werd met inwerkingtredingdatum 01-10-2002 werd het bij de federale wet 2003-04-08/33, art. 140, gewijzigd met dezelfde inwerkingtredingdatum 01-10-2002. De nieuwe federale vorm neemt trouwens de wijziging op die door het Vlaamse decreet aangebracht werd. Zie hoger de federale vorm van het artikel.) (de geschillen m.b.t. de toepassing van het decreet houdende evenredige participatie op de arbeidsmarkt en zijn uitvoeringsbesluiten.) <DVR 2002-05-08/44, art. 18, 098; Inwerkingtreding : 01-10-2002>
4° (de geschillen inzake de verplichting, voor de genieters van bedrijfsinkomsten die niet aan de index van de consumptieprijzen gebonden zijn, een sociale-solidariteitsbijdrage krachtens de koninklijke besluiten nr. 12 van 26 februari 1982 en nr. 186 van 30 december 1982 te storten;
5° de geschillen inzake de verplichting, voor de zelfstandigen, een bijdrage tot matiging van de inkomsten krachtens het koninklijk besluit nr. 289 van 31 maart 1984 te storten;
6° de geschillen inzake de verplichting voor de alleenstaanden en de gezinnen zonder kinderen, in de sector der zelfstandigen, een bijzondere bijdrage te storten krachtens de koninklijke besluiten nr. 38 van 30 maart 1982, nr. 160 van 30 december 1982, nr. 218 van 7 november 1983 en nr. 290 van 31 maart 1984.) <W 1985-08-01/30, art. 93, 005>
(7° van de geschillen betreffende de toepassing van het koninklijk besluit n° 464 van 25 september 1986 tot consolidering van de maatregelen inzake matiging van de inkomsten der zelfstandigen.) <KBN464 1986-09-25/32, art. 12, 011; inwerkingtreding 01-01-1987>
(8° van de geschillen inzake de verplichting voor de vennootschappen tot het betalen van een bijdrage bestemd voor het sociaal statuut der zelfstandigen krachtens hoofdstuk III van titel III van de wet van 26 juni 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, en krachtens hoofdstuk II van titel III van de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen.) <W 1992-12-30/40, art. 102, 038; Inwerkingtreding : 1992-07-01>
(9° de geschillen die hun oorzaak vinden in de wet van 7 mei 1999 op de gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, de toegang tot het arbeidsproces en de promotiekansen, de toegang tot een zelfstandig beroep en de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid en in haar uitvoeringsbesluiten die op de zelfstandige beroepen betrekking hebben.) <W 1999-05-07/52, art. 3, 080; Inwerkingtreding : 29-06-1999>
(10° de geschillen betreffende de discriminaties, in de zin van de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, die betrekking hebben op de voorwaarden voor toegang tot arbeid als zelfstandige, met inbegrip van de selectiecriteria en de aanstellingscriteria, ongeacht de tak van activiteit, de voorwaarden van werkgelegenheid en de arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van verbreking en bezoldiging, zowel in de privé-sector als in de overheidssector.) <W 2003-02-25/37, art. 26, 004; Inwerkingtreding : 27-03-2003>
++++++++++++++++++++++++++
Art. 582. De arbeidsrechtbank neemt kennis:
1° (van de geschillen over de rechten ten aanzien van tegemoetkomingen aan personen met een handicap alsmede van de betwistingen inzake medische onderzoeken uitgevoerd met het oog op de toekenning van sociale of fiscale voordelen die rechtstreeks of onrechtstreeks zijn afgeleid van een sociaal recht of van de sociale bijstand;) <W 2002-12-24/32, art. 11, 105; Inwerkingtreding : 15-02-2003>
2° van de geschillen betreffende de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de wet betreffende de sociale reclassering van de minder-validen;
3° (van geschillen betreffende de instelling en de werking van de ondernemingsraden;
4° van geschillen betreffende de instelling en de werking van de diensten en comités voor veiligheid , gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen , met inbegrip van de diensten en comités ingesteld in mijnen , groeven en graverijen.) <W 30-06-1971 , art. 18>
5° (van de geschillen betreffende afdeling 5 van hoofdstuk IV van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen) <KBN424 1986-08-01/31, art. 31, 009>
(6° van de geschillen betreffende de instelling en de werking van de Europese ondernemingsraden en betreffende de procedures ter informatie en raadpleging die ervan in de plaats komen, met uitzondering van de bijzondere procedure ingesteld bij artikel 3 van de wet van 23 april 1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen met een communautaire dimensie of in concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers.) <W 1998-04-23/46, art. 5, 059; Inwerkingtreding : 22-09-1996>
(7° van de geschillen betreffende artikel 7, § 1, derde lid, q) , van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.) <W 2002-12-24/32, art. 7, 105; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
++++++++++
GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN
==========================
Art. 582. (VLAAMSE GEMEENSCHAP)
De arbeidsrechtbank neemt kennis:
1° (van de geschillen over de rechten ten aanzien van tegemoetkomingen aan personen met een handicap alsmede van de betwistingen inzake medische onderzoeken uitgevoerd met het oog op de toekenning van sociale of fiscale voordelen die rechtstreeks of onrechtstreeks zijn afgeleid van een sociaal recht of van de sociale bijstand;) <W 2002-12-24/32, art. 11, 105; Inwerkingtreding : 15-02-2003>
2° van de geschillen betreffende de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de wet betreffende de sociale reclassering van de minder-validen (en van de geschillen betreffende de inschrijving en de toekenning van bijstand tot sociale integratie voortvloeiend uit de toepassing van het decreet van 27 juni 1990 houdende de oprichting van een Vlaams Fonds voor de Sociale Integratie van Personen met een handicap); <DVR 1997-11-12/33, art. 2, 055; Inwerkingtreding : 20-12-1997>
(NOTA : Artikel 582, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, wat de Vlaamse Gemeenschap betreft aangevuld bij decreet van 12 november 1997, wordt aangevuld met de woorden " en bij decreet van 7 mei 2004 houdende oprichting van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " bij DVR 2004-05-07/62, art. 33, 0124; Inwerkingtreding : onbepaald)
3° (van geschillen betreffende de instelling en de werking van de ondernemingsraden;
4° van geschillen betreffende de instelling en de werking van de diensten en comités voor veiligheid , gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen , met inbegrip van de diensten en comités ingesteld in mijnen , groeven en graverijen.) <W 30-06-1971 , art. 18>
5° (van de geschillen betreffende afdeling 5 van hoofdstuk IV van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen) <KBN424 1986-08-01/31, art. 31, 009>
(6° van de geschillen betreffende de instelling en de werking van de Europese ondernemingsraden en betreffende de procedures ter informatie en raadpleging die ervan in de plaats komen, met uitzondering van de bijzondere procedure ingesteld bij artikel 3 van de wet van 23 april 1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen met een communautaire dimensie of in concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers.) <W 1998-04-23/46, art. 5, 059; Inwerkingtreding : 22-09-1996>
(6° van de geschillen betreffende de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de toepassing van het decreet van (...) houdende de organisatie van de zorgverzekering.) <DVR 1999-03-30/40, art. 23, 079; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
(7° van de geschillen betreffende artikel 7, § 1, derde lid, q) , van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.) <W 2002-12-24/32, art. 7, 105; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
++++++++++
Art. 583. <W 30-06-1971, art. 19> De arbeidsrechtbank neemt kennis van de toepassing der administratieve sancties bepaald bij de wetten en verordeningen bedoeld in de artikelen 578 tot 582 en bij de wet betreffende de administratieve geldboeten in geval van inbreuk op sommige sociale wetten.
(De arbeidsrechtbank neemt kennis van de geschillen betreffende de sociale identiteitskaart, ingevoerd door het koninklijk besluit van 18 december 1996 houdende maatregelen met het oog op de invoering van een sociale identiteitskaart ten behoeve van alle sociaal verzekerden, met toepassing van de artikelen 38, 40, 41 en 49, van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels.) <W 1999-01-25/32, art. 90, 068; Inwerkingtreding : 16-02-1999>
(De arbeidsrechtbank neemt kennis van de geschillen betreffende de compensatoire vergoeding bedoeld in artikel 132, vierde lid van de wet van 1 augustus 1985 houdende sociale bepalingen.) <KBN443 1986-08-14/30, art. 2, 010>
(De arbeidsrechtbank neemt kennis van de geschillen betreffende de individuele bestuurshandelingen inzake het verlenen, het schorsen en het intrekken van de erkenning als havenarbeider, genomen in toepassing van de wet van 8 juni 1972 betreffende de havenarbeid.) <W 1998-02-13/33, art. 3, 056; Inwerkingtreding : 01-03-1998>
Afdeling II. _ Voorzitters van de rechtbanken.
Art. 584. De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg doet, in gevallen die hij spoedeisend acht, bij voorraad uitspraak in alle zaken, behalve die welke de wet aan de rechterlijke macht onttrekt.
De voorzitter van de arbeidsrechtbank en de voorzitter van de rechtbank van koophandel kunnen bij voorraad uitspraak doen in gevallen die zij spoedeisend achten, in aangelegenheden die tot de respectieve bevoegdheid van die rechtbanken behoren.
De zaak wordt vóór de voorzitter aanhangig gemaakt in kort geding of, in geval van volstrekte noodzakelijkheid, bij verzoekschrift.
De voorzitter kan onder meer:
1° sekwesters aanstellen;
2° om het even welke vaststellingen of deskundige onderzoekingen bevelen, zelfs met raming van de schade en opsporing van de oorzaken ervan;
3° alle nodige maatregelen bevelen tot vrijwaring van de rechten van hen die de nodige voorzieningen niet kunnen treffen, met inbegrip van de verkoop van roerende goederen die heerloos of verlaten zijn;
4° bevelen dat een of meer getuigen worden gehoord wanneer een partij van een kennelijk belang doet blijken, zelfs met het oog op een toekomstig geschil, indien vaststaat dat het bij enige vertraging van dat verhoor te vrezen is dat het getuigenis niet meer zal kunnen worden afgenomen.
Art. 584bis. <Ingevoegd bij W 2002-08-02/65, art. 6; Inwerkingtreding : onbepaald> (NOTA : inwerkingtreding van artikel 584BIS vastgesteld op 01-06-2003 door KB 2003-04-04/53, art. 1, inzake de verhaalmiddelen tegen de beslissingen van de Minister, de (CBFA), de CDV en de marktondernemingen, alsook inzake de tussenkomst van de (CBFA) en van de CDV voor de strafgerechten) <KB 2003-03-25/34, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2004> Artikel 584 is niet van toepassing op de vorderingen bedoeld in § 1 van artikel 18ter van de wet van 2 maart 1989 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in ter beurze genoteerde vennootschappen en tot reglementering van de openbare overnameaanbiedingen. De voorzitter van de rechtbank van koophandel blijft evenwel bevoegd om in geval van absolute noodzakelijkheid, op verzoekschrift, iedere voorlopige maatregel te bevelen, tot op het ogenblik dat op tegenspraak uitspraak is gedaan door het hof van beroep te Brussel.
Art. 585. De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg doet op verzoekschrift uitspraak:
1° over de aanvragen tot benoeming van scheidsrechters, deskundigen, vereffenaars of sekwesters, wanneer de overeenkomst tussen partijen of de wet hem die benoeming opdraagt;
2° op vorderingen tot inbezitstelling van de algemene legataris;
3° over de aanvragen tot benoeming van deskundigen, op grond van artikel 27, 5°, van de wet van 16 december 1851 tot herziening der wet over de hypotheken;
4° op de vorderingen tot begroting van de notariskosten, ingesteld op grond van artikel 3 van de wet van 31 augustus 1891 houdende tarifering en invordering der erelonen van notarissen;
5° over de aanvraag tot aanwijzing van een notaris met het oog op de voorlopige bewaring van de minuten van een notaris die overleden is of die wettelijk verhinderd is;
6° over de verzoeken om machtiging tot de verkoop van goederen, gedaan op grond van artikel 111 van de algemene wet van 26 augustus 1822 betreffende de heffing van invoer-, uitvoer- en doorvoerrechten en de accijnsrechten;
7° over de verzoeken om machtiging om hypothécaire inschrijvingen te vorderen op onroerende goederen van delinkwenten, gedaan op grond van de artikelen 27 tot 31 van de wet van 10 april 1933, houdende voorlopige wijziging van sommige douanerechten, accijnzen en bijzondere verbruikstaxe en invoering van nieuwe maatregelen om de sluikhandel te beletten.
(8°. over de aanvragen tot vorming van een fonds voor aansprakelijkheidsbeperking, ingediend krachtens de wet van 20 juli 1976 houdende goedkeuring en uitvoering van het Internationaal Verdrag inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie, en de Bijlage, opgemaakt te Brussel op 29 november 1969). <W 1989-04-11/30, art. 23, 019; Inwerkingtreding : 01-12-1989>
(9° over de aanvragen tot aanwijzing van een curator krachtens artikel 936 van het Burgerlijk Wetboek.) <W 2001-03-27/39, art. 3, 091; Inwerkingtreding : 01-08-2001>
(9° over de vorderingen tot staking en hij legt de maatregelen van openbaarmaking van zijn beslissing op die hij nodig acht, krachtens artikel 19 van de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding.) <W 2003-02-25/37, art. 27, 004; Inwerkingtreding : 27-03-2003>
(NOTA : Voor het artikel 585 heeft de wetgever geen rekening gehouden met de vroegere invoeging van een 9°, gebracht door W 2001-03-27/39)
Art. 586. De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg doet op verzoekschrift uitspraak over de aanvragen tot uitvoerbaarverklaring of visa:
1° van de scheidsrechterlijke uitspraken, verleend in België of in het buitenland, behoudens die welke zijn bedoeld in artikel 606, § 1;
2° (...) <W 2004-07-16/31, art. 139, 8°, 125; Inwerkingtreding : 01-10-2004>
3° (...) <W 2004-07-16/31, art. 139, 8°, 125; Inwerkingtreding : 01-10-2004>
Art. 587. <W 1997-04-03/41, art. 12, 052; Inwerkingtreding : 09-06-1997> De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg doet uitspraak :
1° over de geschillen bedoeld in de wet van 20 juli 1971 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging;
2° over de vorderingen bedoeld in artikel 68 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en de stedebouw;
3° (over de vorderingen bedoeld in artikel 4, eerste lid, 2q en in artikel 4, tweede lid, 2°, van de wet van 1 september 2004 houdende aanvulling van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek inzake verkoop teneinde de consumenten te beschermen;) <W 2004-09-01/38, art. 6, 127; ED : 01-01-2005>
4° over de vorderingen bedoeld in artikel 14 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens;
5° over de vorderingen ingesteld overeenkomstig de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu;
6° (over de vorderingen bedoeld in artikelen 18 en 21 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen); <W 2002-08-02/94, art. 31, 104; Inwerkingtreding : 30-11-2002>
(7° over de vorderingen ingesteld overeenkomstig artikel 87, § 1, van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten;
8° over de vorderingen ingesteld overeenkomstig artikel 2 van de wet van 10 augustus 1998 houdende omzetting in Belgisch gerechtelijk recht van de Europese richtlijn van 11 maart 1996 betreffende de rechtsbescherming van databanken.) <W 1998-08-10/22, art. 4, 064; Inwerkingtreding : 14-11-1998>
(9° over de beroepen bedoeld in de artikelen 63, § 4, laatste lid, en 167, laatste lid, van het Burgerlijk Wetboek.) <W 1999-05-04/63, art. 21, 082; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
(10° over de vorderingen bedoeld in artikel 8 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties die worden ingesteld tegen personen die geen handelaar zijn of tegen hun beroepsverenigingen of interprofessionele verenigingen.) <W 2002-08-02/32, art. 12, 100; Inwerkingtreding : 07-08-2002>
(11° over de vorderingen bedoeld in artikel 3, § 1, eerste lid, van de wet van 11 maart 2003 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.) <W 2003-03-11/31, art. 4, 111; Inwerkingtreding : 27-03-2003>
(12° over de vorderingen ingesteld overeenkomstig artikel 4 van de wet van 26 juni 2003 betreffende het wederrechtelijk registreren van domeinnamen, met uitzondering van de vorderingen bedoeld in artikel 589, 12°.) <W 2003-06-26/48, art. 9, 118; Inwerkingtreding : 19-09-2003>
Behoudens andersluidende wetsbepalingen worden de vorderingen bedoeld in het eerste lid ingesteld en behandeld naar de vormen van het kortgeding.
Art. 587bis. <W 2003-02-25/37, art. 28, 004; Inwerkingtreding : 27-03-2003> De voorzitter van de arbeidsrechtbank, aangezocht bij verzoekschrift, doet uitspraak :
1° over de vorderingen ingesteld krachtens de artikelen 4 en 5, §§ 3 en 4, van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden;
2° over de vorderingen tot staking en hij legt de maatregelen van openbaarmaking van zijn beslissing op die hij nodig acht, krachtens artikel 19 van de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding.
Art. 587ter. <W 1998-04-23/46, art. 7; Inwerkingtreding : 22-09-1996> De voorzitter van de arbeidsrechtbank doet uitspraak over de verzoeken ingesteld krachtens artikel 3 van de wet van 23 april 1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen met een communaitaire dimensie of in concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers.
Art. 588. De voorzitter van de rechtbank van koophandel doet op verzoekschrift uitspraak:
1° op de vorderingen tot aanwijzing van scheidsrechters, deskundigen, vereffenaars of sekwesters, wanneer de overeenkomst onder partijen of de wet hem die aanwijzing opdraagt;
2° op de vorderingen ingesteld krachtens de artikelen 5 en 6 van de wet van 18 april 1927 betreffende de bescherming van de benaming van oorsprong van wijn en brandewijn;
3° op de vorderingen ingesteld krachtens de artikelen 11, § 3, 12, § 4, en 24, § 1, van de wet van 18 november 1862 houdende invoering van het stelsel der warrants;
4° op de vordering ingesteld krachtens artikel 4 van de wet van 5 mei 1872 op het handelspandrecht;
5° op de vordering ingesteld krachtens artikel 8 van de wet van 25 augustus 1891, houdende herziening van de titel van het Wetboek van koophandel op het vervoercontract;
6° op de vordering ingesteld op grond van artikel 19 van de wet van 25 oktober 1919 betreffende het in pand geven van de handelszaak, het disconto en het in pand geven van de factuur, alsmede de aanvaarding en de keuring van de rechtstreeks voor het verbruik gedane leveringen;
7° op de vordering ingesteld krachtens artikelen 5, 10 en 12 van de wet van 24 juli 1921 betreffende het onopzettelijk verlies van het bezit van effecten aan toonder;
8° op de vordering ingesteld krachtens artikel 58 van de wet van 5 mei 1936 op de rivierbevrachting;
9° (op de vorderingen ingesteld op grond van artikel 48 van Boek II van het Wetboek van koophandel). <W 1989-04-11/30, art. 24, 019; Inwerkingtreding : 01-12-1989>
10° (de vorderingen ingesteld krachtens de artikelen 134, § 1, tweede lid, 4°, en 173, § 3, van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten;) <W 1990-12-04/32, art. 246, 026; Inwerkingtreding : 01-01-1991>
11° op de vorderingen tot aanwijzing van een deskundige die ermede belast is de commissarissen van een naamloze vennootschap bij te staan bij het nazien van de boeken en de rekeningen van de vennootschap.
12° (op de vordering ingesteld op grond van artikel 73 van de wet betreffende de handelspraktijken.) <W 14-07-1971, art. 75, § 3>
(13° op de vorderingen tot staking en hij legt de maatregelen van openbaarmaking van zijn beslissing op die hij nodig acht, krachtens artikel 19 van de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding.) <W 2003-02-25/37, art. 29, 004; Inwerkingtreding : 27-03-2003>
(14° op de vorderingen ingesteld op grond van artikel 22 van Verordening (EG) nr. 2157/2001 van de Raad van 8 oktober 2001 betreffende het statuut van de Europese vennootschap (SE).) <KB 2004-09-01/30, art. 32, 126; Inwerkingtreding : 08-10-2004>
Art. 589. <W 1999-04-11/46, art. 3, 074; Inwerkingtreding : 01-07-1999> De voorzitter van de rechtbank van koophandel doet uitspraak over de vorderingen als bedoeld :
1° in de artikelen 95 en 97 van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en de bescherming van de consument;
2° in artikel 220 van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten;
3° in artikel 109 van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet;
4° in artikel 31 van de wet van 16 februari 1994 tot regeling van het contract tot reisorganisatie en reisbemiddeling;
5° in artikel 16 van de wet van 11 april 1999 betreffende de overeenkomsten inzake de verkrijging van een recht van deeltijds gebruik van onroerende goederen.
(6° in artikel 2 van de wet van 11 april 1999 aangaande de vordering tot staking van de inbreuken op de wet van 9 maart 1993 ertoe strekkende de exploitatie van huwelijksbureaus te regelen en te controleren.) <W 1999-04-11/48, art. 3, 075; Inwerkingtreding : 01-07-1999>
(7° bedoeld in artikel 8 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties die worden ingesteld tegen handelaars of hun beroepsverenigingen of interprofessionele verenigingen.) <W 2002-08-02/32, art. 13, 100; Inwerkingtreding : 07-08-2002>
(8° in artikel 16 van de wet van 17 juli 2002 betreffende de transacties uitgevoerd met instrumenten voor de elektronische overmaking van geldmiddelen.)<W 2002-07-17/32, art. 20, 101; Inwerkingtreding : 01-02-2003>
(9° in artikel 3, § 1, tweede lid, van de wet van 11 maart 2003 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.) <W 2003-03-11/31, art. 5, 111; Inwerkingtreding : 27-03-2003>
(10° in artikel 4 van de wet van 26 mei 2002 betreffende de intracommunautaire vorderingen tot staking op het gebied van de bescherming van de consumentenbelangen.) <Ingevoegd als 7° bij W 2002-05-26/45, art. 12, 097; Inwerkingtreding : 20-07-2002; als 10° genummerd bij W 2003-06-26/48, art. 10, 118; Inwerkingtreding : 19-09-2003>
(11° in artikel 9 van de wet van (20 december 2002) betreffende de minnelijke invordering van schulden van de consument;) <Ingevoegd als 7° bij W 2002-12-20/62, art. 18, 108; Inwerkingtreding : 01-07-2003; als 11° genummerd bij W 2003-06-26/48, art. 10, 118; Inwerkingtreding : 19-09-2003>
(12° in artikel 4 van de wet van 26 juni 2003 betreffende het wederrechtelijk registreren van domeinnamen, voor zover het een merk, een geografische aanduiding of benaming van oorsprong, een handelsnaam of de maatschappelijke benaming van een handelsvennootschap betreft.) <W 2003-06-26/48, art. 10, 118; Inwerkingtreding : 19-09-2003>
(13° in artikel 4 van de wet van 12 mei 2003 betreffende de juridische bescherming van diensten van de informatiemaatschappij gebaseerd op of bestaande uit voorwaardelijke toegang;) <W 2003-05-12/31, art. 10, 117 ; Inwerkingtreding : 05-06-2003>
(14° in artikel 4, eerste lid, 1°, en in artikel 4, tweede lid, 1°, van de wet van 1 september 2004 houdende aanvulling van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek inzake verkoop teneinde de consumenten te beschermen;) <W 2004-09-01/38, art. 7, 127; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
(16° in artikel 17 van de wet van 13 augustus 2004 betreffende de vergunning van handelsvestigingen.) <KB 2004-08-13/36, art. 18, 1282; Inwerkingtreding : onbepaald en ten laatste op 05-10-2005>
HOOFDSTUK III. _ Vrederechter.
Art. 590. (De vrederechter neemt kennis van alle vorderingen waarvan het bedrag ( ( (1.860 EUR) ) ) niet te boven gaat, behalve die welke de wet aan zijn rechtsmacht onttrekt, inzonderheid de vorderingen bedoeld in de artikelen 569 tot 571, 574 en 578 tot 583.) <W 29-11-1979, art. 2> <W 1992-08-03/31, art. 7, 034; Inwerkingtreding : 1993-01-01> <KB 2000-07-20/57, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Indien daartoe grond bestaat, geeft hij de zaken die ter kennisneming van scheidsrechters staan, uit handen, wanneer een partij de exceptie van onbevoegdheid opwerpt vóór enige andere exceptie of verweer.
Art. 591. Ongeacht het bedrag van de vordering, neemt de vrederechter kennis:
1° van geschillen betreffende de verhuring van onroerende goederen en van de samenhangende vorderingen die ontstaan uit de verhuring van een handelszaak; van vorderingen tot betaling van vergoedingen voor bewoning van en tot uitzetting uit plaatsen zonder recht betrokken, onverschillig of die vorderingen al dan niet volgen uit een overeenkomst; van alle geschillen betreffende de uitoefening van het recht van voorkoop ten gunste van de huurders van landeigendommen;
2° van geschillen inzake gebruik, genot, onderhoud, behoud of beheer van het gemeenschappelijk goed in geval van medeeigendom;
(2°bis van de vorderingen ingesteld op grond van de artikelen 577-9, §§ 2, 3, 4, 6 of 7, 577-10, § 4, en 577-12, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek.) <W 1994-06-30/34, art. 8, 047; Inwerkingtreding : 1995-08-01>
3° van geschillen inzake erfdienstbaarheden en inzake de verplichtingen die de wet aan de eigenaars van aan elkaar grenzende erven oplegt;
4° van geschillen betreffende rechten van overgang;
5° van bezitsvorderingen;
6° van geschillen betreffende de vaststelling van de verplichtingen tot bevloeiing en drooglegging, de vaststelling van de loop der waterleiding en haar afmetingen en vorm, de bouw van de kunstwerken op te richten voor de waterwinning, het onderhoud van die werken, de veranderingen aan reeds bestaande werken, en de vergoedingen verschuldigd aan de eigenaar hetzij van het doorlopen erf, hetzij van het erf waar het water zal lopen, hetzij van datgene waarop de kunstwerken zullen worden opgericht;
7° van alle geschillen betreffende uitkeringen tot onderhoud met uitsluiting evenwel van geschillen op grond van (het artikel 336 van het Burgerlijk Wetboek) en van die in verband met een rechtsvordering tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed waarover geen einduitspraak is geveld bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest <W 1987-03-31/52, art. 78, 014; Inwerkingtreding : 06-06-1987>;
8° (.....) <W 14-07-1976, (art. 4, § 2), art.
8° (van alle geschillen betreffende de uitoefening door de burgemeester van het opeisingsrecht inzake leegstaande gebouwen, bedoeld in artikel 134bis van de nieuwe gemeentewet.) <W 1993-01-12/34, art. 18, 039; Inwerkingtreding : 5555-55-55 "op de datum waarop het koninklijk besluit houdende uitvoering van de bepalingen van artikel 134bis van de nieuwe gemeentewet zal bekendgemaakt zijn in het Belgish Staatsblad" art. 3, W 1993-01-21/30.> 21>
9° van alle geschillen betreffende militaire opvorderingen zowel wat het recht op de vergoeding als wat het bedrag ervan betreft;
10° van geschillen betreffende het herstel van mijnschade, bepaald in de gecoordineerde wetten van 15 september 1919 op de mijnen, groeven en graverijen en van de geschillen betreffende het herstel van de schade veroorzaakt door de opsporing of de exploitatie van de bedding bedoeld bij het koninklijk besluit van 28 november 1939 betreffende de opsporing en de exploitatie van bitumineuze gesteenten, petroleum en brandbare gassen;
11° van geschillen inzake ruilverkaveling van landeigendommen;
12° van geschillen betreffende erfdienstbaarheden van opruiming van struikgewas op gronden langs de spoorwegen;
13° van geschillen wegens schade, door mensen of dieren veroorzaakt aan velden, vruchten en veldvruchten;
14° van de vorderingen ingesteld op grond van de wet van 16 mei 1900 tot wijziging van het erfstelsel voor de kleine nalatenschappen onverminderd de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg; (hetzelfde geldt voor de vorderingen ingesteld op grond van de wet op de erfregeling inzake landbouwbedrijven met het oog op het bevorderen van de continuïteit.) <W 1988-08-29/30, art. 13, 015; Inwerkingtreding : 1988-10-04>
15° van de vorderingen tot koopvernietiging en de vorderingen tot nietigverklaring op grond van een gebrek van de zaak, bij verkoop of ruiling van dieren;
16° (van geschillen betreffende toekenning van uitgesteld loon in land- en tuinbouw.) <W 28-12-1967, art. 6>
17° (van de vorderingen inzake groefrecht.) <W 15-07-1970, art. 30>
18° (van geschillen betreffende de verticale integratie in de sector van de dierlijke produktie.) <W 01-04-1976, art. 15>
18° (van de betwistingen inzake vergoeding van schade bedoeld bij de wet van 10 januari 1977 houdende regeling van de schadeloosstelling voor schade veroorzaakt door het winnen en pompen van grondwater.) <W 10-01-1977, art. 5. De wetgever heeft tweemaal een 18° toegevoegd.>
(19° van de vorderingen inzake vergoeding van schade bedoeld bij artikel 14 van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer;) <DVR 24-01-1984, art. 18, enkel geldig voor de Vlaamse Gemeenschap>
(20° betreffende het herstel van schade bedoeld door het dekreet van de Waalse Gewestraad betreffende het herstellen van schade veroorzaakt door grondwaterwinning en pomping;) <DWG 1985-10-11/33, art. 6, 008>
(21° van de betwistingen inzake kredietovereenkomsten (evenals de verzoeken tot het toestaan van betalingsfaciliteiten en de betwistingen inzake borgtocht bij kredietovereenkomsten), zoals geregeld bij wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet.) <W 1991-06-12/30, art. 114, § 3, 029; Inwerkingtreding : uiterlijk op 09-07-1992, op een datum door de Koning te bepalen> <W 2003-03-24/40, art. 77, 115; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
(22° van alle geschillen betreffende de uitoefening door de minister tot wiens bevoegdheid de Maatschappelijke Integratie behoort, of zijn gemachtigde, van het opeisingsrecht inzake verlaten gebouwen, bedoeld in artikel 74 van de wet van 2 januari 2001 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen.) <W 2001-06-10/70, art. 2, 093; Inwerkingtreding : 11-09-2001>
Art. 592. Wanneer de waarde van de vordering niet bepaald is en deze niet uitsluitend tot de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg of de rechtbank van koophandel behoort, kan zij, naar keuze van de eiser, voor de rechtbank van eerste aanleg of de rechtbank van koophandel, naar gelang van het geval, of voor de vrederechter worden gebracht.
Op verzoek van de verweerder verwijst de rechtbank de zaak naar de vrederechter, wanneer de waarde van de vordering kennelijk gelijkwaardig kan worden geacht met een bedrag dat de bevoegdheid van de vrederechter niet te boven gaat.
Op verzoek van de verweerder verwijst de vrederechter de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg of de rechtbank van koophandel, naar gelang van het geval, wanneer de waarde van de vordering kennelijk hoger is dan het bedrag waarvoor hij bevoegd is.
Art. 593. De vrederechter neemt kennis van de geschillen over de titel, die in ondergeschikt verband staan met de vorderingen die op geldige wijze voor hem aanhangig zijn.
Art. 594. De vrederechter doet op verzoekschrift uitspraak:
1° op vorderingen tot aanwijzing van deskundigen of scheidsrechters, wanneer dit hem toekomt krachtens overeenkomst tussen partijen of krachtens de wet, of wanneer het voorwerp van het deskundigenonderzoek tot zijn volstrekte bevoegdheid behoort;
2° over het verzet van de wettelijke vertegenwoordiger tegen de uitoefening van de rechten van de niet ontvoogde minderjarige om de op diens spaarboekje ingeschreven sommen op te vragen;
3° over het verzet van de vader of de voogd tegen de aansluiting van de minderjarige bij een beroepsvereniging;
4° over het verzet van de militair tegen betaling van de militievergoeding aan de (echtgenoot); <KB 1986-10-17/31, art. 15, 012>
5° (over het verzet tegen de uitbetaling van uitkeringen welke geheel of gedeeltelijk worden verleend uit de middelen van:
a) de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid, zoals bedoeld in artikel 44 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
b) het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers, zoals bedoeld in artikel 5 van de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden;
c) de Hulp- en Voorzorgskas voor zeevarenden onder Belgische vlag, zoals bedoeld in artikel 8 van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij;) <W 12-05-1971, art. 2, 1°>
(6° op de verzoeken die bij hem worden ingediend in verband met de voogdij van minderjarigen, van personen in staat van verlengde minderjarigheid en van onbekwaamverklaarden, alsook ter uitvoering van de artikelen 378 en 483 van het Burgerlijk Wetboek;) <W 2001-03-27/39, art. 4, 091; Inwerkingtreding : 01-08-2001>
(7° op de verzoeken inzake specifieke voogdij als voorzien in Titel XIII, Hoofdstuk 6. - " Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen " van de programmawet van 24 december 2002;) <L 2002-12-24/45, art. 27, 106; Inwerkingtreding : onbepaald>
8° (over het verzet van de vader, de moeder, de adoptant, de pleegvoogd, de voogd, de toeziende voogd, de curator of de rechthebbende, tegen de uitbetaling van de gezinsbijslag aan de bijslagtrekkende zoals het is bedoeld in artikel 69, § 3, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, buiten het geval waar de vordering bij de jeugdrechtbank aanhangig gemaakt wordt op grond van artikel 29 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming.) <W 1985-08-01/31, art. 51, 006>
9° (over het verzet tegen de betaling aan de bijslagtrekkende van de gezinsbijslag voor zelfstandigen, tenzij een vordering bij de jeugdrechtbank aanhangig gemaakt werd op grond van artikel 29 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming.) <W 29-03-1976, art. 8>
10° over verzoeken om machtiging tot het verkrijgen van afschriften van of uittreksels uit de formaliteitsregisters van de ontvangers der registratie en uit de akten of aangiften bewaard in de kantoren van die ambtenaren;
11° over de verzoeken om machtiging tot hypothecaire inschrijving die door de ontvanger der registratie en der domeinen worden gedaan krachtens artikel 87 van het Wetboek der successierechten;
12° over verzoeken om aanwijzing van een bewindvoerder ad hoc ten einde in een (besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid) een onbekwaamverklaarde vennoot te vertegenwoordigen; <W 1985-07-15/35, art. 1, 007>
13° (opgeheven) <W 1999-05-04/03, art. 45, 085; Inwerkingtreding : 01-11-1999>
14° over het verzoek van medeëigenaars, vruchtgebruikers of degenen die een recht hebben van erfpacht, opstal, gebruik of bewoning, om aanstelling van een gemeenschappelijke lasthebber die zitting neemt in de algemene vergadering van de polder of van de watering;
(15° over de verzoeken die bij hem worden ingediend krachtens de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke;) <W 1990-06-26/32, art. 38, §2, 024; Inwerkingtreding : 1991-07-27, volgens art. 39 van de wet en art. 11 van KB 1991-07-18/38>
16° (over elk verzoek dat tot hem is gericht met toepassing van de artikelen 488bis, a), tot k), van het Burgerlijk Wetboek.) <W 1991-07-18/33, art. 16, 1), 032; Inwerkingtreding : 28-07-1992>
17° over het verzoek van openbare ambtenaren om aflevering van een uitvoerbaar afschrift voor de terugbetaling van de bedragen die zij hebben voorgeschoten bij uitvoering van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten;
18° over het verzoek om vaststelling van het bedrag van de borgsom bedoeld in artikel 94 van het Wetboek der successierechten;
19° (op de vorderingen ingesteld met toepassing van de artikelen 214, 215, § 2,220, § 3, 221, 223(, 1479) en 1421 van het Burgerlijk Wetboek.) <W 14-07-1976, (art. 4, § 2), art. 22> <W 1998-11-23/35, art. 4, 067; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
20° (over het verzoek om machtiging, inzake pacht, om de gebouwen op te trekken en alle werken uit te voeren die nodig zijn voor de bewoonbaarheid van het gepacht goed of dienstig voor de exploitatie ervan en die stroken met de bestemming van dat goed.) <W 15-07-1970, art. 31>
(21° op de vorderingen tot benoeming van de syndicus of tot aanwijzing van een vervanger, ingesteld op grond van artikel 577-8, § 1 of § 7, van het Burgerlijk Wetboek.) <W 1994-06-30/34, art. 9, 047; Inwerkingtreding : 1995-08-01>
Art. 595. De vrederechter doet uitspraak over de vorderingen die voor hem aanhangig zijn krachtens de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging in geval van uiterst dringende noodzakelijkheid inzake onteigening ten algemenen nutte.
Art. 596. De vrederechter is bevoegd inzake voogdij en adoptie, zoals in boek I van het Burgerlijk Wetboek is voorgeschreven.
++++++++++
TOEKOMSTIGE RECHT
Art. F. Om technische redenen, worden artikelen van de rubriek TOEKOMSTIGE RECHT voorafgegaan door letter F voor "future (toekomst)".
Art. F596. <W 2003-03-13/62, art. 2, 119; Inwerkingtreding : onbepaald> De vrederechter is bevoegd inzake voogdij zoals in boek I van het Burgerlijk Wetboek is voorgeschreven.
++++++++++
Art. 597. De vrederechter is bevoegd inzake verzegeling.
Art. 598. De vrederechter is tegenwoordig:
1° (bij openbare verkopingen van onroerende goederen en bij verdelingen waarmee het belang gemoeid is van minderjarigen, onbekwaamverklaarden, afwezigen, en personen die geïnterneerd zijn ingevolge de wet op de bescherming van de maatschappij en van personen aan wie een voorlopige bewindvoerder is toegevoegd krachtens de artikelen 488bis, a) tot k), van het Burgerlijk Wetboek.) <W 1991-07-18/33, art. 16, 2), 032; Inwerkingtreding : 28-07-1992>
2° bij openbare verkopingen van onroerende goederen uit nalatenschappen die onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaard zijn, uit onbeheerde nalatenschappen of uit failliete boedels.
Hij oefent de bevoegdheden uit die bij de artikelen 1192 en 1206 bepaald worden.
Art. 599. De vrederechter kan worden belast met de onderzoeksverrichtingen die de rechterlijke overheid beveelt.
Art. 600. Hij geeft akten van bekendheid af aan degenen die erom verzoeken en legaliseert de handtekening van de notarissen en de ambtenaren van de burgerlijke stand van de gemeenten van zijn kanton.
Art. 601. De vrederechter beëdigt:
1° alle personen die wegens hun ambt en bediening aan die voorafgaande formaliteit onderworpen zijn, in de gevallen waarin de wet de beëdigde overheid niet uitdrukkelijk heeft bepaald;
2° de wegencommissarissen;
3° de ambtenaren aangewezen om overtredingen inzake bevloeiing vast te stellen;
4° de lasthebbers of koopwachters, overeenkomstig het Boswetboek aan te wijzen;
5° de personen aangewezen om de overtreding vast te stellen van de wet op de gezondheidspolitie der huisdieren en op de schadelijke insekten;
6° de personen aangewezen om de overtreding van de conventie van Rome van 6 december 1951 op de bescherming van de planten vast te stellen;
7° de gemachtigde bedienden van tramconcessiehouders;
8° de ambtenaren aangewezen om de overtreding van de voorschriften inzake handel in scheuten van harsbomen vast te stellen;
9° de ambtenaren aangewezen om de inbreuken op de wet houdende verbod van de handel in Levantse bessen vast te stellen;
10° de wachters die erkend zijn om te waken voor de uitvoering van de wettelijke bepalingen inzake elektriciteitsvoorziening;
11° de personen aangewezen om de overtreding vast te stellen van de wettelijke bepalingen inzake handel in land- en tuinprodukten en produkten van de zeevisserij;
12° de exploitanten van openbare autobusdiensten, van speciale autobusdiensten en van toerauto's en hun bedienden die gelast zijn de overtreding van de politieverordening op de exploitatie van de diensten vast te stellen;
13° de ambtenaren aangewezen om de overtreding vast te stellen van de voorschriften inzake behandeling van ontplofbare en voor deflagratie vatbare stoffen en mengsels, en de daarmede geladen tuigen;
14° de wachters en sluiswachters aangesteld bij de dienst der wateringen;
15° de dijk- en sluiswachters aangesteld bij de dienst der polders;
16° de wegers, meters en scheepsmeters die niet bedoeld zijn in artikel 576;
17° de ijkmeesters en hulpijkmeesters;
18° de veldwachters en particuliere veldwachters.
HOOFDSTUK IIIbis. _ Politierechtbank. <ingevoegd bij W 1994-07-11/33, art. 36, Inwerkingtreding : 1995-01-01>
Art. 601bis. <Ingevoegd bij W 1994-07-11/33, art. 36, Inwerkingtreding : 1995-01-01> De politierechtbank neemt kennis, ongeacht het bedrag, van alle vorderingen tot vergoeding van schade ontstaan uit een verkeersongeval zelfs indien het zich heeft voorgedaan op een plaats die niet toegankelijk is voor het publiek.
Art. 601ter. <Ingevoegd bij W 1999-05-13/32, art. 8, Inwerkingtreding : 20-06-1999> De politierechtbank neemt kennis van :
1° het beroep tegen de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete door de ambtenaar die daartoe door de gemeente wordt aangewezen overeenkomstig artikel 119bis van de nieuwe gemeentewet;
2° het beroep tegen de beslissing tot het niet-opleggen van een administratieve geldboete door de ambtenaar die daartoe door de gemeente wordt aangewezen overeenkomstig artikel 119bis van de nieuwe gemeentewet;
3° het beroep tegen de beslissing tot het opleggen van een administratieve sanctie door de ambtenaar, daartoe door de Koning aangewezen, voor feiten omschreven in de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden.
HOOFDSTUK IV. - Hof van beroep en arbeidshof.
Art. 602. Het hof van beroep neemt kennis van het hoger beroep:
1° tegen beslissingen in eerste aanleg gewezen door de rechtbanken van eerste aanleg en door de rechtbanken van koophandel;
2° tegen uitspraken in eerste aanleg gewezen door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg en door de voorzitter van de rechtbank van koophandel;
3° tegen beslissingen van het prijsgerecht;
4° tegen beslissingen gegeven door Belgische consuls in het buitenland;
5° tegen beslissingen inzake verkiezingen gegeven door het college van burgemeester en schepenen en door de hoofdbureaus.
In de gevallen van 3° en 4° is alleen het hof van beroep te Brussel bevoegd.
Art. 603. Het hof van beroep neemt kennis van voorzieningen :
1° (opgeheven) <W 1999-03-23/30, art. 5, 072; Inwerkingtreding : 06-04-1999>
2° tegen beslissingen van de scheidsrechterlijke commissies ingesteld krachtens de wetgeving op de militaire opvorderingen, en tegen beslissingen van het scheidsrechterlijk comité ingesteld krachtens de wetgeving inzake opvordering van schepen;
3° (opgeheven) <W 1999-03-23/30, art. 5, 072; Inwerkingtreding : 06-04-1999>
4° (de beslissingen van de provinciegouverneurs inzake herstel van zekere schade veroorzaakt aan private goederen door natuurrampen.) <W 12-07-1976 , art. 59>
Art. 604. Het hof van beroep neemt kennis van rechtsvorderingen tot vervallenverklaring van het staatsburgerschap.
Art. 605. Het hof van beroep neemt kennis van aanvragen om eerherstel inzake faillissement.
Art. 605bis. <Ingevoegd bij W 2002-08-02/65, art. 7; Inwerkingtreding : onbepaald> (NOTA : inwerkingtreding van artikel 605BIS vastgesteld op 01-06-2003 door KB 2003-04-04/53, art. 1, inzake de verhaalmiddelen tegen de beslissingen van de Minister, de (CBFA), de CDV en de marktondernemingen, alsook inzake de tussenkomst van de (CBFA) en van de CDV voor de strafgerechten <KB 2003-03-25/34, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2004>) Het hof van beroep neemt kennis van het beroep bedoeld in de artikelen 120, 121, 123 en 125 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten (en van het beroep bedoeld in artikel 2 van de wet van 12 mei 2004 tot regeling van een beroepsprocedure in het kader van de bescherming tegen valsemunterij). <W 2004-05-12/68, art. 3, 123; Inwerkingtreding : 05-07-2004>
Art. 605ter. <Ingevoegd bij W 2002-08-02/65, art. 8; Inwerkingtreding : onbepaald> (NOTA : inwerkingtreding van artikel 605TER vastgesteld op 01-06-2003 door KB 2003-04-04/53, art. 1, inzake de verhaalmiddelen tegen de beslissingen van de Minister, de (CBFA), de CDV en de marktondernemingen, alsook inzake de tussenkomst van de (CBFA) en van de CDV voor de strafgerechten) <KB 2003-03-25/34, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2004> Het hof van beroep neemt in eerste en laatste instantie kennis van de vorderingen bedoeld in artikel 18ter van de wet van 2 maart 1989 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in ter beurze genoteerde vennootschappen en tot reglementering van de openbare overnameaanbiedingen.
Art. 606. Het hof van beroep doet op verzoekschrift uitspraak over :
1° aanvragen tot uitvoerbaarverklaring van scheidsrechterlijke uitspraken, wanneer een compromis is aangegaan over hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg of van de rechtbank van koophandel;
2° aanvragen tot homologatie van de beslissingen, genomen hetzij door de algemene vergadering van aandeelhouders, hetzij door de algemene vergadering van obligatiehouders van een naamloze vennootschap.
Art. 607. Het arbeidshof neemt kennis van het hoger beroep tegen beslissingen in eerste aanleg van de arbeidsrechtbanken en van de voorzitters van de arbeidsrechtbanken.
HOOFDSTUK V. _ Hof van Cassatie.
Art. 608. Het Hof van Cassatie neemt kennis van de beslissingen in laatste aanleg die voor het hof worden gebracht wegens overtreding van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen.
Art. 609. Het Hof van Cassatie doet uitspraak over de voorziening in cassatie :
1° tegen de beslissingen van de hoven en rechtbanken, gewezen in alle zaken en in laatste aanleg;
2° tegen de arresten waarbij de afdeling administratie van de Raad van State beslist van de vordering geen kennis te kunnen nemen, daar deze tot de bevoegdheid van de rechterlijke overheid behoort, en tegen de arresten waarbij de genoemde afdeling afwijzend beschikt op een exceptie van onbevoegdheid, gegrond op de overweging dat de vordering tot de bevoegdheid van deze overheid behoort;
3° tegen de arresten van het Rekenhof, gewezen tegen rekenplichtigen;
4° tegen vonnissen in laatste aanleg, gewezen door Belgische consuls in het buitenland;
5° (Opgeheven) <W 1996-12-24/31, art. 14, 051; Inwerkingtreding : 10-01-1997>
6° tegen beslissingen van de bestendige deputaties van de provincieraden inzake belastingen geheven ten voordele van de wateringen en de polders;
7° tegen beslissingen van de hoge militieraad en van de herkeuringsraden.
Art. 610. (Onverminderd artikel 14, § 1, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, neemt het Hof van Cassatie kennis van) vorderingen tot nietigverklaring van de handelingen waardoor rechters en ambtenaren van het openbaar ministerie, alsook tuchtrechtelijke overheden van (openbare en) ministeriële ambtenaren en van de balie, hun bevoegdheid mochten hebben overschreden. <W 1999-05-25/44, art. 31, 081; Inwerkingtreding : 02-07-1999> <W 1999-05-04/03, art. 45, 085; Inwerkingtreding : 01-11-1999>
Art. 611. Het Hof van Cassatie neemt ook kennis van vorderingen tot nietigverklaring van de reglementen van de (Orde van Vlaamse balies en de Ordre des barreaux francophones et germanophone) die door overschrijding van bevoegdheid zijn aangetast, tegen de wetten indruisen of op onregelmatige wijze zijn aangenomen. <W 2001-07-04/41, art. 15, 094; Inwerkingtreding : onbepaald>
Art. 612. Het Hof van Cassatie neemt kennis van voorzieningen tegen de beslissingen in laatste aanleg die strijdig zijn met de wetten of procesvormen, voornamelijk wanneer uit die beslissingen een blijvend verschil van interpretatie omtrent een rechtspunt blijkt.
Art. 613. Het Hof van Cassatie doet uitspraak :
1° op de vorderingen tot onttrekking van de zaak aan de rechter, die in de artikelen 648 tot 659 bedoeld zijn;
2° over het verhaal op de rechter;
3° over regelingen van rechtsgebied;
4° over de conflicten van attributie, ter uitvoering van artikel 106 van de Grondwet.
Art. 614. Het Hof van Cassatie doet uitspraak over de voorziening in cassatie :
1° tegen beslissingen van de raden van beroep van de Orde van advocaten;
2° (tegen beslissingen van de provinciale raden of de raden van beroep van de Orde van geneesheren;) <W 15-07-1970 , art. 32>
3° (tegen beslissingen van de provinciale raden of de raden van beroep van de Orde van apothekers;) <W 15-07-1970 , art. 32>
4° tegen beslissingen van de gemengde raden van beroep van de Orde der dierenartsen;
5° tegen beslissingen van de commissie van beroep van het Instituut der bedrijfsrevisoren;
6° tegen beslissingen van de raden van beroep van de Orde van architecten;
7° tegen beslissingen van de Raad van beroep voor gewetensbezwaren;
8° tegen beslissingen van de Onderzoeksraad voor de scheepvaart.
9° (de beslissingen uitgesproken door de beroepscommissie van het Instituut van accountants en belastingconsulenten.) <W 1999-04-22/36, art. 56, 079; Inwerkingtreding : 29-06-1999>
(10° tegen beslissingen van de (commissies) van beroep bedoeld in artikel 428ter, § 6.) <KB 1998-03-27/46, art. 8, 058; Inwerkingtreding : 12-05-1998> <W 2001-07-04/41, art. 16, 094; Inwerkingtreding : onbepaald>
Art. 615. Buiten de bevoegdheid toegekend bij de artikelen 409, 410 en 486 en bij artikel 90 van de Grondwet, neemt het Hof van Cassatie in algemene vergadering kennis van de vorderingen tot ontzetting uit hun ambt of tot schorsing, ingesteld tegen leden van de Raad van State.
TITEL II. - Aanleg.
Art. 616. Tegen ieder vonnis kan hoger beroep worden ingesteld, tenzij de wet anders bepaalt.
Art. 617. <W 29-11-1979 , art. 4>
(De vonnissen van de rechtbank van eerste aanleg en van de rechtbank van koophandel, waarbij uitspraak wordt gedaan over een vordering waarvan het bedrag (1.860 EUR) niet overschrijdt, worden gewezen in laatste aanleg. Hetzelfde geldt voor de vonnissen waarbij de vrederechter en, inzake de geschillen bedoeld in artikel 601bis, de politierechtbank uitspraak doet over een vordering waarvan het bedrag (1.240 EUR) niet overschrijdt.) <W 1994-07-11/33, art. 37, 048; Inwerkingtreding : 1995-01-01> <KB 2000-07-20/57, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
De vonnissen van de arbeidsrechtbank zijn steeds vatbaar voor hoger beroep.
(De door de rechtbank van eerste aanleg uitgesproken vonnissen over geschillen met betrekking tot de toepassing van een belastingwet, zijn steeds vatbaar voor hoger beroep.) <W 1999-03-23/30, art. 6, 072; Inwerkingtreding : 06-04-1999>
Art. 618. De regels gesteld bij de artikelen 557 tot 562 gelden voor het bepalen van de aanleg.
Indien de vordering in de loop van het geding gewijzigd is, wordt de aanleg bepaald door de som die in de laatste conclusie wordt gevorderd.
Art. 619. Bij gebreke van grondslagen voor de bepaling van de waarde van het geschil, zoals zij omschreven zijn in de artikelen 557 tot 562, wordt het geschil in eerste aanleg berecht.
Art. 620. <W 1999-02-10/38, art. 2, 071; Inwerkingtreding : 27-03-1999> Wanneer de tegenvordering en de vordering tot tussenkomst, strekkende tot het uitspreken van een veroordeling, ontstaan uit het contract of het feit dat aan de oorspronkelijke rechtsvordering ten grondslag ligt, of wanneer de tegenvordering ontstaat uit de tergende of roekeloze aard van deze vordering, wordt de aanleg bepaald door samenvoeging van het bedrag van de hoofdvordering en het bedrag van de tegenvordering en de vordering tot tussenkomst.
Art. 621. Met uitzondering van de beslissingen (...), tegenvorderingen en vorderingen tot tussenkomst strekkend tot het uitspreken van een veroordeling, wordt met betrekking tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep tegen de vonnissen op tussengeschil en tegen de onderzoeksvonnissen gehandeld zoals inzake de hoofdvorderingen. <W 1992-08-03/31, art. 9, 034; Inwerkingtreding : 1993-01-01>
TITEL III. - Territoriale bevoegdheid.
Art. 622. De rechter is slechts bevoegd binnen de grenzen van het rechtsgebied dat hem door de wet is toegekend, behalve in de gevallen waarin de wet anders bepaalt.
Art. 623. <W 2003-05-03/62, art. 9, 120; Inwerkingtreding : 31-12-2003> Voor de notariële akten waarvoor de bijstand van de vrederechter vereist is, mag deze zich verplaatsen in het gehele ambtsgebied van de optredende notaris.
De vrederechter kan de beschermde persoon (aan wie een voorlopige bewindvoerder) werd toegevoegd overeenkomstig (de bepalingen van boek I, titel XI, hoofdstuk Ibis,) van het Burgerlijk Wetboek, buiten zijn kanton bezoeken. <Erratum, zie B.St. 13.04.2004, p. 20488>
Art. 624. Met uitzondering van de gevallen waarin de wet uitdrukkelijk bepaalt welke rechter bevoegd is om kennis te nemen van de vordering, kan deze naar keuze van de eiser worden gebracht;
1° voor de rechter van de woonplaats van de verweerder of van één der verweerders;
2° voor de rechter van de plaats waar de verbintenissen, waarover het geschil loopt, of een ervan zijn ontstaan of waar zij worden, zijn of moeten worden uitgevoerd;
3° voor de rechter van de woonplaats gekozen voor de uitvoering van de akte;
4° voor de rechter van de plaats waar de gerechtsdeurwaarder heeft gesproken tot de verweerder in persoon, indien noch de verweerder noch, in voorkomend geval, een van de verweerders een woonplaats heeft in België of in het buitenland.
Art. 625. De bevoegdheid van de rechtbanken waarvan de rechtsgebieden begrensd zijn door de middellijn van een waterloop of van een verkeersweg, strekt zich uit tot de hele breedte daarvan.
Art. 626. De vorderingen betreffende de uitkeringen tot onderhoud, bedoeld in artikel 591, 7° , kunnen worden gebracht voor de rechter van de woonplaats van de eiser, (.....). <W 24-07-1978 , art. 1>
Art. 627. Tot kennisneming van de vordering is alleen bevoegd :
(1° de rechter van de woonplaats van de minderjarige of bij gebreke daarvan, van zijn verblijfplaats, wanneer het de organisatie van en het toezicht op de voogdij betreft, behoudens hetgeen is bepaald in artikel 13, § 2, van de wet van 31 december 1851 met betrekking tot de consulaten en de consulaire rechtsmacht;) <W 2001-03-27/39, art. 5, 091; Inwerkingtreding : 01-08-2001>
2° de rechter die de rekenplichtige, geroepen om rekening en verantwoording te doen, aangesteld heeft;
3° de rechter van de plaats waar de erfenis is opengevallen, wanneer het gaat om rechtsvorderingen tot verdeling en, tot bij de verdeling, om rechtsvorderingen tot opvordering van nalatenschappen en alle andere rechtsvorderingen tussen medeërfgenamen of legatarissen;
4° de rechter van de plaats waar de erfenis is opengevallen, voor zover de vordering is ingesteld binnen twee jaar na het overlijden, wanneer het gaat om vorderingen ingesteld tegen de uitvoerder van de uiterste wilsbeschikking, en vorderingen door legatarissen en schuldeisers ingesteld tegen de erfgenamen of tegen één van hen, en binnen twee jaar na de verdeling wanneer het gaat om vorderingen tot nietigverklaring of tot vernietiging van de verdeling en tot vrijwaring van de kavels;
5° (de rechter van de plaats van de namaking, wanneer het vorderingen inzake namaak, auteursrechten, (...) en bescherming van kweekprodukten;) <W 20-05-1975 , art. 40> <W 1984-03-28/35, art. 75,§3, 004>
(6° wanneer het gaat om vorderingen ingesteld krachtens de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke, de rechter van de plaats waar de zieke wordt verzorgd of geplaatst is, of bij gebreke daarvan, de rechter van de plaats waar de zieke zich bevindt.) <W 1993-08-06/30, art. 57, 042; Inwerkingtreding : 19-08-1993>
(Wanneer het gaat om vorderingen ingesteld krachtens de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke ten aanzien van een zieke die zijn verblijfplaats of woonplaats heeft in het gerechtelijk arrondissement Eupen, de vrederechter van de verblijfplaats of, bij gebreke daarvan, de woonplaats van de zieke of, bij gebreke daarvan, de vrederechter van de plaats waar de zieke zich bevindt. Als de geesteszieke niet vervoerd kan worden, kan de vrederechter buiten de grenzen van zijn kanton optreden.) <W 2004-01-08/35, art. 2, 122; Inwerkingtreding : 16-01-2004>
7° de rechter van de plaats waar de akte opgemaakt is, wanneer het gaat om verbeteringen van akten van de burgerlijke stand en de rechter van de plaats van het handelsregister, wanneer het gaat om wijziging of doorhaling van inschrijvingen in het handelsregister;
8° de rechter van de plaats waar het dier zich bevindt, wanneer het gaat om vorderingen ingesteld op grond van artikel 4 van de wet van 25 augustus 1855 houdende herziening van de wetgeving inzake koopvernietigende gebreken of van de plaats waar het is teruggebracht wanneer het gaat om vorderingen ingesteld op grond van artikel 5 van genoemde wet;
9° de rechter van de plaats waar de mijn, de fabriek, de werkplaats, het magazijn, het kantoor gelegen is en in het algemeen, van de plaats die bestemd is voor de exploitatie van de onderneming, de uitoefening van het beroep of de werkzaamheid van de vennootschap, van de vereniging of van de groepering, voor alle geschillen bedoeld in de (artikelen 578 en 582, 3° en 4° , en voor de toepassing op de werkgevers van de administratieve sancties bedoeld in artikel 583;) <W 30-06-1971 , art. 21>
10° (in het geval bepaald in artikel 588, 9° : de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Luik wanneer de schade ontstaan is in de provincie Henegouwen, Namen, Luxemburg of Luik; de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Brussel, wanneer de schade ontstaan is in de provincie Brabant, en de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Antwerpen, wanneer de schade ontstaan is in de provincie Oost- of West-Vlaanderen, Antwerpen of Limburg of in de territoriale zee of in open zee), (of in de wateren die onder de soevereiniteit van een andere Staat vallen). <W 24-06-1970 , art. 7> <W 1989-04-11/30, art. 23, 019; Inwerkingtreding : 01-12-1989>
(11° in het geval van artikel 585, 8°, de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel). <W 1989-04-11/30, art. 23, 019; Inwerkingtreding : 01-12-1989>
(12° de rechter bedoeld in artikel 16, § 2, van de wet van 10 januari 1990 betreffende de rechtsbescherming van topografieën van halfgeleiderprodukten, wanneer het gaat om vorderingen ingesteld op grond van artikel 16, § 1, van dezelfde wet.) <W 1990-01-10/34, art. 17, 021; Inwerkingtreding : 05-02-1990> <Volgens artikel 19, is deze wet " slechts van toepassing op de topografieën van halfgeleiderprodukten die voor de eerste maal na haar inwerkingtreding werden vastgesteld. ">
(13° de rechter bedoeld in artikel 13, § 2, van de wet van 30 juni 1994 houdende omzetting in Belgisch recht van de Europese richtlijn van 14 mei 1991 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma's, wanneer het gaat om vorderingen ingesteld op grond van artikel 13, § 1, van dezelfde wet.) <W 1994-06-30/36, art. 14, § 2, 046; Inwerkingtreding : 1994-08-06>
(14° in het geval bepaald in artikel 574, 11°, de rechtbank van koophandel te Brussel.) <W 1998-02-10/56, art. 3, 060; Inwerkingtreding : 10-07-1998>
(15° de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen wanneer het gaat om vorderingen ingesteld 'op grond van de wet van 22 april 1999 betreffende de exclusieve economische zone van België in de Noord-zee) <W 1999-04-22/47, art. 53, 083; Inwerkingtreding : 20-07-1999>
(16° de Voorzitter van de Rechtbank van Koophandel van Brussel, indien het een aanvraag betreft beoogd in artikel 4 van de wet van 26 mei 2002 betreffende de intracommunautaire vorderingen tot staking op het gebied van de bescherming van de consumentenbelangen.) <W 2002-05-26/45, art. 13, 097; Inwerkingtreding : 20-07-2002>
(17° in het geval van artikel 588, 14°, de voorzitter van de rechtbank van koophandel van de statutaire zetel van één van de fuserende vennootschappen of van de toekomstige Europese vennootschap.) <KB 2004-09-01/30, art. 33, 126; Inwerkingtreding : 08-10-2004>
(17° de rechtbank van eerste aanleg van Brussel wanneer het gaat om een beroep tegen de beslissing van de centrale federale autoriteit, zoals bepaald in artikel 367-3 van het Burgerlijk Wetboek;) <W 2004-12-27/31, art. 13, 129; Inwerkingtreding : 10-01-2005>
(NOTA : Voor de invoeging van 17° in artikel 627 heeft de wetgever geen rekening gehouden met de vroegere invoeging van 17° in artikel 627, gebracht door KB 2004-09-01/30.)
Art. 628. Tot kennisneming van de vordering is alleen bevoegd :
1° de rechter van de plaats van de laatste echtelijke verblijfplaats of van de woonplaats van de verweerder, wanneer het gaat om een vordering tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed op grond van bepaalde feiten of een vordering tot omzetting van de scheiding van tafel en bed in echtscheiding;
2° (de rechter van de laatste echtelijke verblijfplaats, wanneer het gaat om een vordering als bedoeld in de artikelen (213), 214, 215, 216, 220, 221, 223, 224, 1395, 1420, 1421, 1422, 1426, 1442, 1463 en 1469 van het Burgerlijk Wetboek;) <W 14-07-1976 , (art. 4, § 2), art. 23> <W 24-07-1978, art. 2>
(3° De rechter van de verblijfplaats (of, bij gebreke daaraan, van de woonplaats van de te beschermen persoon,) wanneer het een verzoek betreft bedoeld in artikel 488bis, a), van het Burgerlijk Wetboek. De vrederechter die de bewindvoerder heeft aangewezen blijft bevoegd voor de verdere toepassing van de bepalingen van de artikelen 488bis, d) tot k), tenzij hij bij gemotiveerde beslissing, ambtshalve of op verzoek van de beschermde persoon of van elke belanghebbende, evenals van de procureur des Konings of de voorlopige bewindvoerder, beslist heeft het dossier over te zenden aan de vrederechter van het kanton van de nieuwe hoofdverblijfplaats in het geval dat de beschermde persoon het kanton verlaat om zijn hoofdverblijfplaats duurzaam in een ander gerechtelijk kanton te vestigen. De laatstgenoemde vrederechter wordt bevoegd.) <W 2003-05-03/62, art. 10, 120; Inwerkingtreding : 31-12-2003> <Erratum, zie B.St. 13.04.2004, p. 20488>
4° de rechter van de woonplaats van de notaris, wanneer het gaat om een vordering tot begroting van notariskosten;
5° de rechter van de maatschappelijke zetel van de mutualiteitsvereniging of van de vereniging zonder winstoogmerk waarvan de ontbinding wordt geëist;
6° de rechter van de zetel van de instelling van openbaar nut, wanneer het gaat om een vordering tot afzetting van beheerders;
7° de rechter van de woonplaats van de opposant, inzake het onopzettelijk verlies van het bezit van effecten aan toonder, of, wanneer de opposant geen woonplaats heeft in België, de rechter van de maatschappelijke zetel van de schuldplichtige instelling;
8° (de rechter van de woonplaats van de consument, wanneer het gaat om een vordering betreffende een kredietovereenkomst geregeld bij de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet (met inbegrip van de verzoeken tot het toestaan van betalingsfaciliteiten en de verzoeken inzake borgtocht bij kredietovereenkomsten.).) <W 1991-06-12/30, art. 114, § 4, 029; Inwerkingtreding : uiterlijk op 09-07-1992, op een datum door de Koning te bepalen.> <W 2003-03-24/40, art. 78, 115; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
9° (de rechter van de plaats waar het kind zijn hoofdverblijf heeft, wanneer het gaat om een vordering als bedoeld in artikel 11bis van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, of van de plaats waar degene die de verklaring aflegt zijn hoofdverblijf heeft, wanneer het gaat om een vordering als bedoeld in artikel 12bis of om verklaringen op grond van de artikelen 15 tot 17, 24, 25, 26 en 28 van hetzelfde Wetboek (of van de hoofdverblijfplaats van degene die op grond van artikel 5 van hetzelfde Wetboek zich een akte van bekendheid laat verschaffen ter vervanging van een akte van geboorte).) <W 1991-06-13/31, art. 7, §2, 030; Inwerkingtreding : 01-01-1992> <W 2000-03-01/46, art. 3, 086; Inwerkingtreding : 01-05-2000>
10° de rechter van de woonplaats van de verzekeringnemer, wanneer het gaat om geschillen over een verzekeringscontract, ongeacht het voorwerp van het contract, onverminderd de bepalingen tot regeling van de zeeverzekering en die welke betrekking hebben op de schadevergoeding wegens arbeidsongevallen;
11° de rechter in wiens rechtsgebied de thuishaven ligt van het schip of vaartuig, wanneer het gaat om vorderingen betreffende de schadevergoeding wegens arbeidsongevallen van zeelieden of rechthebbenden;
12° de rechter van de woonplaats van de koper, wanneer het gaat om geschillen betreffende verkoop van zaden, meststoffen en veevoeder, indien de koper geen daad van koophandel heeft gesteld;
13° de rechter van de maatschappelijke zetel of van de hoofdplaats van vestiging van de vennootschap, wanneer het gaat om geschillen (bedoeld in artikel 574, 1°,) en, zelfs na de ontbinding van de vennootschap, wanneer het gaat om de verdeling van de daaruit ontstane verbintenissen voor zover de rechtsvordering wordt ingesteld binnen twee jaar na de verdeling; <W 1999-05-07/70, art. 3, 084; Inwerkingtreding : 05-09-1999>
14° de rechter van de woonplaats van de verzekeringsplichtige, de verzekerde of van de rechthebbende, wanneer het gaat om betwistingen bedoeld (in de (((artikelen 580, 2°, 3°, 6°, 7°, 8°), 9°), 10° (11° en 12°)), 581, 582, 1° en 2°, en voor de betwistingen betreffende de toepassing op de zelfstandigen van de administratieve sancties bedoeld in artikel 583) en de rechter van de woonplaats van de uitkeringsgerechtigde, wanneer het gaat om betwistingen bedoeld in artikel 579. <W 12-05-1971, art. 4, 1°> <W 30-06-1971, art. 22> <W 20-06-1975, art. 11> <W 22-12-1977, art. 166, § 3> <W 1989-07-06/30, art. 47, 017; Inwerkingtreding : 01-06-1989>
Indien de verzekeringsplichtige, de verzekerde of de rechthebbende in België geen woonplaats heeft of er geen meer heeft, wordt de territoriale bevoegdheid bepaald door zijn laatste verblijfplaats of zijn laatste woonplaats in België. (Indien de verzekeringsplichtige of de verzekerde in België geen verblijfplaats of geen woonplaats heeft gehad, wordt de territoriale bevoegdheid bepaald door de plaats van zijn laatste tewerkstelling in België) <W 12-05-1971, art. 4, 2°>
(Ten aanzien van de lasthebbers van vennootschappen, Europese economische samenwerkingsverbanden of economische samenwerkingsverbanden die uitsluitend of hoofdzakelijk in het buitenland verblijven, wordt de territoriale bevoegdheid bepaald door de plaats waar de vennootschap of het samenwerkingsverband in België zijn hoofdvestiging heeft;) <W 1989-07-12/36, art. 19, 1°, 018; Inwerkingtreding : 01-07-1989>
15° (de rechter van de plaats van de bedrijfszetel van de huurder als de bedrijfszetel zich in België bevindt, de rechter van de plaats waar het gepachte goed gelegen is als de bedrijfszetel zich in het buitenland bevindt, wanneer het gaat om betwistingen inzake pacht;) <W 1988-11-07/43, art. 42, 016; Inwerkingtreding : 1988-12-16>
(16° de rechter van de zetel of de hoofdvestiging van het samenwerkingsverband, als het gaat om betwistingen tussen leden van een Europees economisch samenwerkingsverband of van een economisch samenwerkingsverband, tussen zaakvoerders, tussen zaakvoerder(s) en leden, tussen vereffenaars, tussen vereffenaars en leden, of tussen leden, zaakvoerder(s) en vereffenaars, alsook van elke vordering tot ontbinding van een samenwerkingsverband.) <W 1989-07-12/36, art. 19, 2°, 018; Inwerkingtreding : 01-07-1989>
(17° de rechter van de woonplaats van de schuldenaar, op het ogenblik waarop de vordering wordt ingediend, wanneer het een vordering betreft bedoeld in artikel 1675/2.) <W 1998-07-05/58, art. 2, 062; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
( (18°) de rechter van de laatste gemeenschappelijke verblijfplaats van de wettelijk samenwonenden, wanneer het gaat om een vordering als bedoeld in artikel 1479 van het Burgerlijk Wetboek.) <W 1998-07-05/58, art. 5, 067; Inwerkingtreding : 01-01-2000> <W 2003-03-17/32, art. 2, 113; Inwerkingtreding : 01-09-2003>
(19° de rechter van de woonplaats van de onderhoudsgerechtigde wanneer het gaat om een aanvraag tot tegemoetkoming bedoeld in de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën.) <W 2003-03-17/32, art. 2, 113; Inwerkingtreding : 01-09-2003>
++++++++++
TOEKOMSTIGE RECHT
Art. F. Om technische redenen, worden artikelen van de rubriek TOEKOMSTIGE RECHT voorafgegaan door letter F voor "future (toekomst)".
Art. F628. Tot kennisneming van de vordering is alleen bevoegd :
1° de rechter van de plaats van de laatste echtelijke verblijfplaats of van de woonplaats van de verweerder, wanneer het gaat om een vordering tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed op grond van bepaalde feiten of een vordering tot omzetting van de scheiding van tafel en bed in echtscheiding;
2° (de rechter van de laatste echtelijke verblijfplaats, wanneer het gaat om een vordering als bedoeld in de artikelen (213), 214, 215, 216, 220, 221, 223, 224, 1395, 1420, 1421, 1422, 1426, 1442, 1463 en 1469 van het Burgerlijk Wetboek;) <W 14-07-1976 , (art. 4, § 2), art. 23> <W 24-07-1978, art. 2>
(3° De rechter van de verblijfplaats of, bij gebreke daaraan, van de te beschermen persoon, wanneer het een verzoek betreft bedoeld in artikel 488bis, a), van het Burgerlijk Wetboek. De vrederechter die de bewindvoerder heeft aangewezen blijft bevoegd voor de verdere toepassing van de bepalingen van de artikelen 488bis, d) tot k), tenzij hij bij gemotiveerde beslissing, ambtshalve of op verzoek van de beschermde persoon of van elke belanghebbende, evenals van de procureur des Konings of de voorlopige bewindvoerder, beslist heeft het dossier over te zenden aan de vrederechter van het kanton van de nieuwe hoofdverblijfplaats in het geval dat de beschermde persoon het kanton verlaat om zijn hoofdverblijfplaats duurzaam in een ander gerechtelijk kanton te vestigen. De laatstgenoemde vrederechter wordt bevoegd.) <W 2003-05-03/62, art. 10, 120; Inwerkingtreding : 31-12-2003>
4° de rechter van de woonplaats van de notaris, wanneer het gaat om een vordering tot begroting van notariskosten;
5° de rechter van de maatschappelijke zetel van de mutualiteitsvereniging of van de vereniging zonder winstoogmerk waarvan de ontbinding wordt geëist;
6° de rechter van de zetel van de instelling van openbaar nut, wanneer het gaat om een vordering tot afzetting van beheerders;
7° de rechter van de woonplaats van de opposant, inzake het onopzettelijk verlies van het bezit van effecten aan toonder, of, wanneer de opposant geen woonplaats heeft in België, de rechter van de maatschappelijke zetel van de schuldplichtige instelling;
8° (de rechter van de woonplaats van de consument, wanneer het gaat om een vordering betreffende een kredietovereenkomst geregeld bij de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet (met inbegrip van de verzoeken tot het toestaan van betalingsfaciliteiten en de verzoeken inzake borgtocht bij kredietovereenkomsten.).) <W 1991-06-12/30, art. 114, § 4, 029; Inwerkingtreding : 22-10-1991> <W 2003-03-24/40, art. 78, 115; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
9° (de rechter van de plaats waar het kind zijn hoofdverblijf heeft, wanneer het gaat om een vordering als bedoeld in artikel 11bis van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, of van de plaats waar degene die de verklaring aflegt zijn hoofdverblijf heeft, wanneer het gaat om een vordering als bedoeld in artikel 12bis of om verklaringen op grond van de artikelen 15 tot 17, 24, 25, 26 en 28 van hetzelfde Wetboek (of van de hoofdverblijfplaats van degene die op grond van artikel 5 van hetzelfde Wetboek zich een akte van bekendheid laat verschaffen ter vervanging van een akte van geboorte).) <W 1991-06-13/31, art. 7, §2, 030; Inwerkingtreding : 01-01-1992> <W 2000-03-01/46, art. 3, 086; Inwerkingtreding : 01-05-2000>
10° de rechter van de woonplaats van de verzekeringnemer, wanneer het gaat om geschillen over een verzekeringscontract, ongeacht het voorwerp van het contract, onverminderd de bepalingen tot regeling van de zeeverzekering en die welke betrekking hebben op de schadevergoeding wegens arbeidsongevallen;
11° de rechter in wiens rechtsgebied de thuishaven ligt van het schip of vaartuig, wanneer het gaat om vorderingen betreffende de schadevergoeding wegens arbeidsongevallen van zeelieden of rechthebbenden;
12° de rechter van de woonplaats van de koper, wanneer het gaat om geschillen betreffende verkoop van zaden, meststoffen en veevoeder, indien de koper geen daad van koophandel heeft gesteld;
13° de rechter van de maatschappelijke zetel of van de hoofdplaats van vestiging van de vennootschap, wanneer het gaat om geschillen (bedoeld in artikel 574, 1°,) en, zelfs na de ontbinding van de vennootschap, wanneer het gaat om de verdeling van de daaruit ontstane verbintenissen voor zover de rechtsvordering wordt ingesteld binnen twee jaar na de verdeling; <W 1999-05-07/70, art. 3, 084; Inwerkingtreding : 05-09-1999>
14° de rechter van de woonplaats van de verzekeringsplichtige, de verzekerde of van de rechthebbende, wanneer het gaat om betwistingen bedoeld (in de (((artikelen 580, 2°, 3°, 6°, 7°, 8°), 9°), 10° (11° en 12°)), 581, 582, 1° en 2°, en voor de betwistingen betreffende de toepassing op de zelfstandigen van de administratieve sancties bedoeld in artikel 583) en de rechter van de woonplaats van de uitkeringsgerechtigde, wanneer het gaat om betwistingen bedoeld in artikel 579. <W 12-05-1971, art. 4, 1°> <W 30-06-1971, art. 22> <W 20-06-1975, art. 11> <W 22-12-1977, art. 166, § 3> <W 1989-07-06/30, art. 47, 017; Inwerkingtreding : 01-06-1989>
Indien de verzekeringsplichtige, de verzekerde of de rechthebbende in België geen woonplaats heeft of er geen meer heeft, wordt de territoriale bevoegdheid bepaald door zijn laatste verblijfplaats of zijn laatste woonplaats in België. (Indien de verzekeringsplichtige of de verzekerde in België geen verblijfplaats of geen woonplaats heeft gehad, wordt de territoriale bevoegdheid bepaald door de plaats van zijn laatste tewerkstelling in België) <W 12-05-1971, art. 4, 2°>
(Ten aanzien van de lasthebbers van vennootschappen, Europese economische samenwerkingsverbanden of economische samenwerkingsverbanden die uitsluitend of hoofdzakelijk in het buitenland verblijven, wordt de territoriale bevoegdheid bepaald door de plaats waar de vennootschap of het samenwerkingsverband in België zijn hoofdvestiging heeft;) <W 1989-07-12/36, art. 19, 1°, 018; Inwerkingtreding : 01-07-1989>
15° (de rechter van de plaats van de bedrijfszetel van de huurder als de bedrijfszetel zich in België bevindt, de rechter van de plaats waar het gepachte goed gelegen is als de bedrijfszetel zich in het buitenland bevindt, wanneer het gaat om betwistingen inzake pacht;) <W 1988-11-07/43, art. 42, 016; Inwerkingtreding : 1988-12-16>
(16° de rechter van de zetel of de hoofdvestiging van het samenwerkingsverband, als het gaat om betwistingen tussen leden van een Europees economisch samenwerkingsverband of van een economisch samenwerkingsverband, tussen zaakvoerders, tussen zaakvoerder(s) en leden, tussen vereffenaars, tussen vereffenaars en leden, of tussen leden, zaakvoerder(s) en vereffenaars, alsook van elke vordering tot ontbinding van een samenwerkingsverband.) <W 1989-07-12/36, art. 19, 2°, 018; Inwerkingtreding : 01-07-1989>
(17° de rechter van de woonplaats van de schuldenaar, op het ogenblik waarop de vordering wordt ingediend, wanneer het een vordering betreft bedoeld in artikel 1675/2.) <W 1998-07-05/58, art. 2, 062; Inwerkingtreding : 01-01-1999> <W 2003-03-13/62, art. 3, 119; Inwerkingtreding : onbepaald>
( (18°) de rechter van de laatste gemeenschappelijke verblijfplaats van de wettelijk samenwonenden, wanneer het gaat om een vordering als bedoeld in artikel 1479 van het Burgerlijk Wetboek.) <W 1998-07-05/58, art. 5, 067; Inwerkingtreding : 01-01-2000> <W 2003-03-17/32, art. 2, 113; Inwerkingtreding : 01-09-2003>
(19° de rechter van de woonplaats van de onderhoudsgerechtigde wanneer het gaat om een aanvraag tot tegemoetkoming bedoeld in de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën.) <W 2003-03-17/32, art. 2, 113; Inwerkingtreding : 01-09-2003>
(19° de rechter van de woonplaats of van de gewone verblijfplaats van de adoptant, van de adoptanten of van een van hen, in geval van een verzoek houdende vaststelling van de geschiktheid om te adopteren;
20° de rechter van de woonplaats of van de gewone verblijfplaats van het kind, in geval van een verzoek tot vaststelling van de adopteerbaarheid;
21° de rechter van de woonplaats of van de gewone verblijfplaats van de adoptant, van de adoptanten of van een van hen, in geval van een verzoek tot adoptie; bij gebreke daarvan, de rechter van de woonplaats of van de gewone verblijfplaats van de geadopteerde; bij gebreke daarvan, de rechter van de plaats waar de adoptant of de adoptanten keuze van woonplaats doen;
22° de rechter van de woonplaats of van de gewone verblijfplaats van de verweerder of van een van de verweerders in geval van een verzoek tot herroeping van een gewone adoptie of tot herziening van een adoptie; bij gebreke daarvan, de rechter te Brussel.) <W 2003-03-13/62, art. 3, 119; Inwerkingtreding : onbepaald>
++++++++++
Art. 629. Alleen de rechter van de plaats waar het goed gelegen is, heeft bevoegdheid om van de vordering kennis te nemen, wanneer het betreft :
1° (Vorderingen aangaande zakelijke rechten op onroerende goederen en vorderingen aangaande aangelegenheden opgesomd in artikel 591, 1°, 2°, (2°bis,) 3°, 4°, 5°, 6°, 9°, 10°, 11°, 12°, 13°, 14° en 18° (en 20°) met uitzondering van vorderingen inzake pacht.) <W 10-01-1977, art. 6> <DWG 1985-10-11/33, art. 7, 008> <W 1994-06-30/34, art. 10, 047; Inwerkingtreding : 1995-08-01>
(NOTA : Voor de Vlaamse Gemeenschap werd de tekst van artikel 629, 1°,L1, bij DVR van 24-01-1984, art. 19 door de volgende tekst vervangen :
"1° Vorderingen aangaande zakelijke rechten op onroerende goederen en vorderingen aangaande aangelegenheden opgesomd in artikel 591, 1° ... met ...")
Indien het onroerend goed waarop de vordering betrekking heeft, in verschillende gerechtelijke kantons of arrondissementen gelegen is, kan de vordering worden gebracht voor de rechter van de plaats waar een gedeelte van het onroerend goed gelegen is;
2° vorderingen ingesteld op grond van de artikelen 27, 77 en 93 van de wet van 16 december 1851 tot herziening van de rechtsregeling van de hypotheek;
3° vorderingen ingesteld op grond van de wet van 17 april 1835 op de onteigening ten algemenen nutte en vorderingen ingesteld op grond van artikel 8 van de wetten op de onteigening bij stroken voor werken van gemeentelijk belang, gecoördineerd op 15 november 1867;
4° vorderingen ingesteld op grond van artikel 7 van de wet van 28 juni 1930, betreffende onteigening bij stroken van algemeen of provinciaal belang;
5° vorderingen ingesteld op grond van de wet van 10 mei 1926 tot instelling van een rechtspleging bij dringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte en van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte.
(6° wanneer het gaat om een vordering tot het verkrijgen van betalingsfaciliteiten zoals geregeld bij de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet.) <W 1992-08-04/31, art. 59, § 3, 035; Inwerkingtreding : 1993-01-01>
Art. 630. Van rechtswege nietig is iedere overeenkomst die in strijd is met de bepalingen van de artikelen 627, 628, 629 en dagtekent van vó6r het ontstaan van het geschil.
(Lid 2 opgeheven) <W 1998-05-19/45, art. 2, 063; Inwerkingtreding : 17-08-1998>
Van de verweerder die niet verschijnt, wordt vermoed dat hij de bevoegdheid afwijst van de rechter voor wie de zaak aanhangig is.
Art. 631. (§ 1. (De rechtbank van koophandel gelegen in het rechtsgebied waarin de koopman op de dag van aangifte van het faillissement of van instelling van de rechtsvordering zijn hoofdvestiging of, indien het een rechtspersoon betreft, zijn zetel heeft, is bevoegd om het faillissement uit te spreken. In geval van verplaatsing van de hoofdvestiging van de koopman of, indien het een rechtspersoon betreft, van de zetel, binnen een termijn van een jaar voorafgaand aan de faillissementsvordering, kan het faillissement binnen dezelfde termijn eveneens worden gevorderd voor de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de koopman zijn hoofdvestiging of de rechtspersoon zijn zetel had. Deze termijn loopt vanaf de wijziging van het ingeschrevene betreffende de hoofdvestiging bij het handelsregister of wanneer het een rechtspersoon betreft, van de bekendmaking van de verplaatsing van de zetel in het Belgisch Staatsblad. De rechtbank waarbij de zaak eerst aanhangig wordt gemaakt, heeft voorrang op die waarvoor zij later wordt aangebracht.) <W 2002-09-04/38, art. 33, 102; Inwerkingtreding : 01-10-2002>
(De rechtbank van koophandel bevoegd om een territoriaal of secundair faillissement uit te spreken met toepassing van artikel 3, § 2 of § 3, van verordening 1346/2000/EG van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures, is die welke gelegen is in het rechtsgebied waarbinnen de schuldenaar de bedoelde vestiging bezit. Indien er meerdere vestigingen zijn, is de rechtbank waartoe men zich het eerst wendt, bevoegd.) <W 2004-07-16/31, art. 135, 125; Inwerkingtreding : 01-10-2004>
Geschiedt de faillietverklaring in België, dan behoren de desbetreffende geschillen uitsluitend tot de bevoegdheid van de rechtbank in wier arrondissement het faillissement is geopend.
Het eerste lid is van toepassing op de procedure bepaald in artikel 8 van de faillissementswet. De rechtbank die de beslissing tot ontneming van het beheer heeft genomen, blijft uitsluitend bevoegd om het faillissement van de schuldenaar uit te spreken gedurende de termijn bepaald in artikel 8, vijfde lid, van de faillissementswet.) <W 1997-08-08/90, art. 115, 054; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
(§ 2. De rechtbank van koophandel bevoegd om het gerechtelijk akkoord te verlenen is die welke gelegen is in het rechtsgebied waarbinnen de schuldenaar op de dag van de inleiding van het gerechtelijk akkoord zijn (hoofdinrichting) of, indien het een rechtspersoon betreft, zijn (zetel) heeft. (...). <W 1998-05-27/30, art. 2, 061; Inwerkingtreding : 28-07-1998>
De rechtbank bedoeld in het vorige lid blijft bevoegd voor en tijdens alle verrichtingen voorgeschreven door de wet betreffende het gerechtelijk akkoord en door de faillissementswet.) <W 1997-07-17/65, art. 53, 055; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
Art. 632. <W 1999-03-23/30, art. 7, 072; Inwerkingtreding : 06-04-1999> Ieder geschil betreffende de toepassing van een belastingwet staat ter kennisneming van de rechter die zitting houdt ter zetel van het Hof van beroep in wiens rechtsgebied het kantoor gelegen is waar de belasting is of moet worden geïnd of, indien het geschil geen verband houdt met de inning van een belasting, in wiens gebied de belastingdienst is gevestigd die de bestreden beschikking heeft getroffen. Wanneer evenwel de procedure in het Duits wordt gevoerd, is alleen de rechtbank van eerste aanleg van Eupen bevoegd.
De Koning kan andere rechters in het rechtsgebied van het Hof van beroep aanwijzen, die kennis nemen van geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet. Hij bepaalt het gebied waarbinnen de rechter territoriaal bevoegd is.
Art. 633. De vorderingen inzake bewarende beslagen en middelen tot tenuitvoerlegging worden uitsluitend gebracht voor de rechter van de plaats van het beslag, tenzij de wet anders bepaalt.
(Inzake beslag onder derden is de rechter van de woonplaats van de beslagen schuldenaar bevoegd. Indien de woonplaats van de beslagen schuldenaar zich in het buitenland bevindt of onbekend is, is de rechter van de plaats van de tenuitvoerlegging van het beslag bevoegd.) <W 2003-04-08/57, art. 2, 116; Inwerkingtreding : 22-05-2003>
(Voor de vorderingen betreffende bewarende beslagen en middelen tot tenuitvoerlegging ingesteld krachtens de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België, zijn de beslagrechters van de arrondissementen van Veurne, Brugge en Antwerpen tevens bevoegd.) <W 1999-02-28/32, art. 3, 069; Inwerkingtreding : 22-03-1999>
(Indien de vordering betrekking heeft op een beslag gelegd in de territoriale zee, bedoeld in artikel 1 van de wet van 6 oktober 1987 tot bepaling van de breedte van de territoriale zee van België, of in de exclusieve economische zone, bedoeld in artikel 2 van de wet van 22 april 1999 betreffende de exclusieve economische zone van België in de Noordzee, zijn de beslagrechters van de arrondissementen Antwerpen, Brugge en Veurne eveneens bevoegd.) <W 1999-04-22/47, art. 54, 083; Inwerkingtreding : 20-07-1999>
(De beslagrechter van het arrondissement Antwerpen is eveneens bevoegd voor de vorderingen die betrekking hebben op een beslag op zeeschip gelegd op het grondgebied van de Antwerpse haven gelegen binnen het arrondissement Dendermonde.) <W 2004-12-27/31, art. 14, 129; Inwerkingtreding : 10-01-2005>
Art. 633bis. <Ingevoegd bij W 2002-08-02/65, art. 9; Inwerkingtreding : onbepaald> (NOTA : inwerkingtreding van artikel 633BIS vastgesteld op 01-06-2003 door KB 2003-04-04/53, art. 1, inzake de verhaalmiddelen tegen de beslissingen van de Minister, de (CBFA), de CDV en de marktondernemingen, alsook inzake de tussenkomst van de (CBFA) en van de CDV voor de strafgerechten) <KB 2003-03-25/34, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2004> Enkel het hof van beroep te Brussel is bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen in de gevallen zoals bedoeld in de artikelen 605bis en 605ter.
Art. 633ter. <Ingevoegd bij W 2002-08-02/65, art. 10; Inwerkingtreding : onbepaald> (NOTA : inwerkingtreding van artikel 633TER vastgesteld op 01-06-2003 door KB 2003-04-04/53, art. 1, inzake de verhaalmiddelen tegen de beslissingen van de Minister, de (CBFA), de CDV en de marktondernemingen, alsook inzake de tussenkomst van de (CBFA) en van de CDV voor de strafgerechten) <KB 2003-03-25/34, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2004> De voorzitter van de rechtbank van koophandel die met toepassing van artikel 584bis bevoegd is, is de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Brussel.
Art. 634. De regels betreffende de tegenvorderingen, de vorderingen tot tussenkomst, de aanhangigheid en de samenhang, zoals zij bepaald zijn in de artikelen 563, 564, 565 en 566, zijn van toepassing op de territoriale bevoegdheid.
Art. 635. (Opgeheven) <W 2004-07-16/31, art. 139, 8°, 125; Inwerkingtreding : 01-10-2004>
Art. 636. (Opgeheven) <W 2004-07-16/31, art. 139, 8°, 125; Inwerkingtreding : 01-10-2004>
Art. 637. De rechtsvordering wegens aanvaring tussen zeeschepen of tussen zeeschepen en binnenschepen kan alleen worden ingesteld:
a) hetzij voor de rechtbank van de gewone verblijfplaats van de verweerder of van een der zetels van zijn bedrijf;
b) hetzij voor de rechtbank van de plaats waar beslag is gelegd op het schip van de verweerder of op een ander schip dat aan dezelfde verweerder toebehoort, ingeval dit beslag geoorloofd is, of van de plaats waar dit beslag had kunnen geschieden en de verweerder een borg of een andere waarborg heeft gesteld;
c) hetzij voor de rechtbank van de plaats van de aanvaring, wanneer deze heeft plaatsgehad in havens en reden of in de binnenwateren.
Art. 638. (Opgeheven) <W 2004-07-16/31, art. 139, 8°, 125; Inwerkingtreding : 01-10-2004>
TITEL IV. _ Regeling van geschillen van bevoegdheid.
EERSTE HOOFDSTUK. _ Algemene bepalingen.
Art. 639. Wanneer de bevoegdheid van de rechter voor wie de zaak aanhangig is, betwist wordt, kan de eiser, vóór de sluiting van de debatten, vorderen dat de zaak naar de arrondissementsrechtbank wordt verwezen voor beslissing over het middel.
De zaak wordt voor deze rechtbank gebracht zonder andere formaliteiten dan de vermelding van de verwijzing op het zittingsblad en de overzending van het dossier van de rechtspleging aan de voorzitter van de rechtbank door toedoen van de griffier.
Heeft de eiser, op de exceptie van onbevoegdheid door de verweerder voorgedragen, geen verwijzing gevorderd overeenkomstig het eerste lid, dan doet de rechter voor wie de zaak aanhangig is, uitspraak over de bevoegdheid.
Deze bepaling is ook toepasselijk wanneer het hoger beroep tegen een beslissing van de vrederechter gebracht wordt voor de rechtbank van eerste aanleg of de rechtbank van koophandel die zitting houdt in hoger beroep, en de bevoegdheid van de rechtbank wordt betwist. De verwijzing naar de arrondissementsrechtbank wordt gelast op verzoek van de aanlegger in beroep.
De arrondissementsrechtbank is niet bevoegd inzake de rechtsmacht van de hoven en de rechtbanken.
Art. 640. Wanneer een rechter ambtshalve een middel dient aan te voeren dat uit zijn onbevoegdheid voortkomt , gelast hij de verwijzing van de zaak naar de arrondissementsrechtbank opdat over het middel beslist wordt.
Art. 641. Dadelijk na ontvangst van het dossier bepaalt de voorzitter van de arrondissementsrechtbank dag en uur van de zitting waarop de partijen , binnen de gewone termijn van dagvaarding in kort geding , voor de rechtbank moeten verschijnen om over het middel te horen beslissen.
De griffier roept de partijen op per gerechtsbrief. Hij geeft tegelijkertijd kennis ervan aan hun advocaten bij gewone brief.
De rechtbank doet onverwijld uitspraak , het advies van het openbaar ministerie gehoord.
Art. 642. Tegen de beslissingen van de arrondissementsrechtbank inzake bevoegdheid , zelfs bij verstek gegeven , staat alleen voorziening open voor de procureur-generaal bij het hof van beroep.
Die voorziening wordt ingesteld bij een verzoekschrift dat binnen vijftien dagen na de uitspraak van het vonnis ter griffie van het Hof van Cassatie wordt ingediend , en de griffier van het hof zendt bij gerechtsbrief een afschrift ervan aan de rechter voor wie de zaak aanhangig is , en aan de partijen. De voorziening schorst de rechtspleging voor de rechter voor wie de zaak aanhangig is.
De partijen beschikken over een termijn van acht dagen, te rekenen vanaf de kennisgeving van het afschrift van de voorziening, om aan het Hof van Cassatie hun opmerkingen te zenden in de vorm van een memorie, zonder dat er een advocaat bij het Hof van Cassatie dient aangesteld te worden, noch debatten ter zitting dienen gehouden te worden.
De griffier zendt een afschrift van het arrest aan de voorzitter van de arrondissementsrechtbank, aan de rechter voor wie de zaak aanhangig is en aan de partijen.
Art. 643. <W 24-06-1970, art. 8> In de gevallen waarin een exceptie van onbevoegdheid aanhangig kan worden gemaakt voor de rechter in hoger beroep, beslist deze over het middel en verwijst de zaak, indien daartoe grond bestaat, naar de bevoegde rechter (in hoger beroep). <W 1992-08-03/31, art. 10, 034; Inwerkingtreding : 1993-01-01>
Art. 644. Verwijzing wegens aanhangigheid of samenhang belet niet dat, indien daartoe grond bestaat, de rechter naar wie de zaak is verwezen, de artikelen 639 en 640 toepast.
HOOFDSTUK II. _ Regeling van rechtsgebied.
Art. 645. Regeling van rechtsgebied in burgerlijke zaken heeft plaats, wanneer er strijdigheid is tussen in kracht van gewijsde gegane beslissingen van twee of meer rechters over dezelfde vordering of over samenhangende vorderingen.
Art. 646. De vordering tot regeling van rechtsgebied wordt bij het Hof van Cassatie ingediend bij verzoekschrift.
Het Hof van Cassatie beslist of er grond bestaat tot regeling van rechtsgebied en machtigt de eiser in voorkomend geval om te dien einde te dagvaarden; het kan de opschorting van de uitwerking van elke begonnen rechtspleging bevelen.
Het arrest wordt door de eiser aan de partijen of aan hun lasthebbers betekend binnen een maand te rekenen van de dag van het arrest. Het exploot van betekening bevat dagvaarding om voor het hof te verschijnen, volgens de gewone regels voor de dagvaardingen.
Heeft de eiser niet binnen gezegde termijn van één maand gedagvaard, dan is hij vervallen van de regeling van rechtsgebied zonder dat dit dient gelast te worden en de schorsing verliest van rechtswege haar uitwerking.
Art. 647. Het Hof van Cassatie vernietigt de rechtsplegingen gevoerd voor de rechters aan wie het de zaak onttrekt en, indien daartoe grond bestaat, verwijst het de partijen naar de rechter tot wie de partijen zich niet hadden gewend.
De eiser die in het ongelijk wordt gesteld, kan tot schadevergoeding worden veroordeeld.
HOOFDSTUK III. _ Onttrekking van de zaak aan de rechter.
Art. 648. Vordering tot onttrekking van de zaak aan de rechter kan worden ingesteld:
1° op grond van bloed- of aanverwantschap;
2° wegens wettige verdenking;
3° uit oorzaak van openbare veiligheid;
4° wanneer de rechter verzuimt de zaak te berechten die hij in beraad heeft genomen.
Art. 649. Onttrekking aan de rechter wegens bloed- en aanverwantschap kan gelast worden, op verzoek van een partij:
1° wanneer een partij twee bloed- of aanverwanten tot de derde graad heeft (onder de rechters in de rechtbank van eerste aanleg of de rechters in de arbeidsrechtbank of de rechters in sociale zaken of de rechters in de rechtbank van koophandel of de rechters in handelszaken of onder de raadsheren in het hof van beroep of de raadsheren in het arbeidshof of de raadsheren in sociale zaken,) ofwel wanneer zij een bloedverwant in die graad heeft onder de hiervorengenoemde rechters of raadsheren in de rechtbank of in het hof en zelf daarvan deel uitmaakt; <W 1998-03-12/38, art. 2, 057, Inwerkingtreding : 1998-04-12>
2° wanneer (een partij) een bloed- of aanverwant in dezelfde graad heeft onder de werkende of plaatsvervangende vrederechters of politierechters van het kanton of wanneer zij zelf werkend of plaatsvervangend vrederechter of (rechter in de politierechtbank) van het kanton is. <W 1998-03-12/38, art. 2, 057, Inwerkingtreding : 1998-04-12> <W 2001-03-13/36, art. 15, 090; Inwerkingtreding : 30-03-2001>
Art. 650. Iedere partij kan op grond van wettige verdenking vorderen dat de zaak aan de rechter wordt onttrokken.
Art. 651. Alleen de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie kan op grond van openbare veiligheid vorderen dat de zaak aan de rechter wordt onttrokken.
Art. 652. Wanneer de rechter gedurende meer dan zes maanden verzuimt de zaak te berechten die hij in beraad heeft genomen, vordert de procureur-generaal bij het hof van beroep dat de zaak hem wordt onttrokken.
Art. 653. De vordering tot onttrekking van de zaak aan de rechter wordt ingesteld bij een met redenen omkleed (en door een advocaat) en ondertekend verzoekschrift dat ter griffie van het Hof van Cassatie wordt ingediend. <W 1998-03-12/38, art. 3, 057, Inwerkingtreding : 1998-04-12>
Art. 654. De vordering tot onttrekking van de zaak aan de rechter heeft schorsende kracht.
De griffier van het hof bericht binnen vierentwintig uren aan de griffier van de rechter tegenover wie onttrekking wordt gevorderd, dat het verzoekschrift is ingediend. Het dossier van de rechtspleging wordt ten spoedigste toegezonden aan de griffie van het Hof van Cassatie.
Art. 655. (Opgeheven) <L 1998-03-12/38, art. 5, 057, Inwerkingtreding : 1998-04-12>
Art. 656. <L 1998-03-12/38, art. 4, 057, Inwerkingtreding : 1998-04-12> Na inzage van het verzoekschrift en van de bewijsstukken doet het Hof van Cassatie onmiddellijk einduitspraak indien het verzoek kennelijk onontvankelijk is.
(Indien daarenboven een geldboete wegens kennelijk onontvankelijk verzoek verantwoord kan zijn, wordt, bij dezelfde beslissing, een rechtsdag bepaald op een nabije datum, waarop alleen dit punt zal worden behandeld. De griffier roept de partijen bij gerechtsbrief op om tegen die datum hun opmerkingen schriftelijk mee te delen.
De geldboete bedraagt 125 EUR tot 2 500 EUR. De Koning mag het minimum- en maximumbedrag om de vijf jaar aanpassen aan de kosten van het levensonderhoud. De geldboete wordt geïnd door de Administratie der Registratie en Domeinen met aanwending van alle middelen van recht.) <W 2001-06-10/75, art. 2, 095; Inwerkingtreding : 02-10-2001> (NOTA : tot 31 december 2001 gelden in de plaats van de bedragen van " 125 EUR " en " 2 500 EUR " de bedragen van " 5 000 Belgische frank " en " 100 000 Belgische frank ". <W 2001-06-10/75, art. 11>)
Wanneer het verzoek niet kennelijk onontvankelijk is, beveelt het Hof ten spoedigste en uiterlijk binnen acht dagen :
1° (a) dat van het arrest, het verzoekschrift en de bijgevoegde stukken mededeling wordt gedaan aan de vrederechter of de rechter in de politierechtbank tegen wie onttrekking wordt gevorderd, teneinde binnen de door het Hof bepaalde termijn een verklaring op de uitgifte van het arrest te stellen;
b) dat van het arrest, het verzoekschrift en de bijgevoegde stukken mededeling wordt gedaan aan de eerste voorzitter of de voorzitter, naargelang van het gerecht waartegen onttrekking wordt gevorderd, teneinde binnen de door het Hof bepaalde termijn, een verklaring op de uitgifte van het arrest te stellen in overleg met de leden van het gerecht die met naam worden vermeld en deze verklaring mede ondertekenen;) <W 2001-06-10/75, art. 2, 095; Inwerkingtreding : 02-10-2001>
2° dat van het arrest, het verzoekschrift en de bijgevoegde stukken mededeling wordt gedaan aan de niet-verzoekende partijen en dat hun de termijn wordt meegedeeld voor de neerlegging van hun conclusies ter griffie en de dag van verschijning voor het Hof; deze dag van verschijning vindt plaats uiterlijk binnen twee maanden na het indienen van het verzoekschrift;
3° dat van het arrest, het verzoekschrift en de bijgevoegde stukken mededeling wordt gedaan aan het openbaar ministerie bij het gerecht waartegen onttrekking wordt gevorderd en dat de termijn wordt meegedeeld voor de neerlegging van zijn advies, indien het Hof dit nodig acht;
4° dat een van de raadsheren die in het arrest wordt aangewezen, op een bepaalde dag verslag uitbrengt.
In afwijking van artikel 478 worden de conclusies ondertekend door een advocaat. De conclusies en, in voorkomend geval, het advies van het openbaar ministerie, worden ten laatste op de dag van de neerlegging ter griffie meegedeeld aan de partijen.
De griffier van het Hof zendt bij gerechtsbrief aan de rechter bedoeld in het tweede lid, 1°, aan elke partij of, in voorkomend geval, aan hun advocaten, een niet-ondertekend afschrift van de einduitspraak over de vordering tot onttrekking.
Art. 657. (Opgeheven) <L 1998-03-12/38, art. 5, 057, Inwerkingtreding : 1998-04-12>.
Art. 658. Het arrest tot onttrekking van de zaak beveelt de verwijzing naar de rechter die het aanwijst.
De verwijzing geschiedt:
van een rechtbank naar een andere die ressorteert onder hetzelfde hof van beroep of hetzelfde arbeidshof;
van een hof van beroep naar een ander hof van beroep en van een arbeidshof naar een ander arbeidshof.
Is de onttrekking gelast krachtens artikel 652, dan kan het hof de zaak ook verwijzen naar dezelfde rechtbank die anders is samengesteld.
(Het Hof kan bovendien de handelingen vernietigen die voor de uitspraak van de beslissing zijn verricht (door rechters aan wie de zaak onttrokken is).) <W 1998-03-12/38, art. 6, 057, Inwerkingtreding : 1998-04-12> <W 2001-06-10/75, art. 3, 095; Inwerkingtreding : 02-10-2001>
Art. 659. Het arrest dat een vordering tot onttrekking van de zaak heeft afgewezen, levert geen beletsel op voor het instellen van een nieuwe vordering wegens feiten die zich sedert de uitspraak hebben voorgedaan.
HOOFDSTUK IV. _ Bepalingen aan de vorige hoofdstukken gemeen.
Art. 660. Behalve wanneer het voorwerp van de vordering niet tot de bevoegdheid van de rechterlijke macht behoort, verwijst iedere beslissing betreffende de bevoegdheid de zaak zo nodig naar de bevoegde rechter die zij aanwijst.
De beslissing bindt de rechter naar wie de vordering wordt verwezen, met dien verstande dat zijn recht om over de rechtsgrond van de zaak te oordelen onverkort blijft.
Art. 661. Binnen acht dagen na de uitspraak van de beslissing zendt de griffier het dossier van de rechtspleging aan de griffier van de rechter naar wie de zaak is verwezen.
Van de beslissing tot verwijzing of tot onttrekking van de zaak voegt hij er zoveel exemplaren bij als er partijen in het geding zijn.
Art. 662. De zaak wordt ambtshalve en zonder kosten op de rol gebracht van de rechter naar wie zij verwezen is.
De partijen worden op verzoek van een van hen door de griffier bij gerechtsbrief opgeroepen om te verschijnen op de plaats, de dag en het uur van de zitting waarop de zaak zal voorkomen. Bij deze oproeping wordt een afschrift van de beslissing van verwijzing gevoegd. De griffier meldt zulks op dezelfde wijze aan de advocaten van de partijen bij gewone brief.
Het geding wordt voortgezet in de staat waarin het zich laatstelijk bevond.
Art. 663. Ingeval de zaak wegens onbevoegdheid verwezen wordt door de feitenrechter, wordt het geding vóór de rechter naar wie de zaak verwezen is, door verzet en hoger beroep geschorst.

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:16
Laatst aangepast op: zo, 11/09/2011 - 13:34

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.