-A +A

Het bewijs in strafzaken

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Iedereen wordt geacht onschuldig te zijn. Hoe verloopt het bewijs in strafzaken?
De vrijheid van de rechter en zijn innerlijke overtuiging

In de regel beoordeelt de rechter vrij de bewijswaarde van elk bewijsmiddel, dus ook van elk proces-verbaal op grond van zijn innerlijke overtuiging. Een bekentenis is bijvoordeeld niet meer waard dan een getuigenverklaring. De meeste processen-verbaal hebben de waarde van inlichtingen. Onderschat deze waarde niet en onderteken nooit lichtzinnig een proces-verbaal. Weet dat u het recht hebt wijzigingen of aanvullingen toe te brengen aan een verklaring omdat men u bijvoorbeeld verkeerd begrepen heeft of omdat de zaak anders, ongelukkig of onvolledig wordt voorgesteld.

U kan de politie na een proces-verbaal vragen opnieuw verhoord te worden zelfs door andere verbalisanten, waarbij u eerdere verklaringen kan herroepen, vervolledigen, toelichten, rechtzetten. U kan ook stukken of verklaringen nazenden aan de politie of  aan het parket.

Let wel, door tegenstrijdige verklaringen af te leggen riskeert u definitief uw geloofwaardigheid te verliezen waardoor de rechtbank wel eens op grond van haar innerlijke overtuiging geen enkel geloof meer zou hechten aan hetgeen u beweert. Denk dus goed na alvorens u iets verklaart en nog beter alvorens u iets ondertekent en laat u nooit intimideren.

De beoordeling van de rechter:
Cassatie 10 november 1992, A.C. 1991-92, nr. 726 De rechter beoordeelt de schuld van de beklaagde volgens zijn innerlijke overtuiging. Hij veroordeelt hem wanneer hij de menselijke zekerheid heeft dat de beklaagde schuldig is aan het hem ten laste gelegde feit; Van Overbeke, S., "In dubio pro reo", R.W. 1994-95, 1190. Ook al komt de twijfel komt ten goede aan de beschuldigde, toch blijft als belangrijkste betrachting van het strafproces de afweging van twijfel en zekerheid, met de bedoeling dat de rechter zich een overtuiging vormt.
Het algemeen beginsel van het recht van verdediging verplicht de rechter niet om de denkwijze waarmee hij tot zijn overtuiging is gekomen, aan de tegenspraak van de partijen te onderwerpen (Cass. 10 november 1999, A.C. 1999, nr. 599; Cass. 5 januari 2000, A.C. 2000,nr. 7).

De rechter die zijn beslissing grondt op zijn persoonlijke kennis, of op feitelijke gegevens en inlichtingen ingewonnen buiten het onderzoek en buiten de debatten, en waarover de partijen geen tegenspraak hebben
kunnen voeren,  miskent het recht van verdediging
(Cass. 14 februari 2001, A.C. 2001, nr. 92; 25 september 2002, P.02.0954.F; Cass. 6 november 2002, P.02.0755.F; Cass. 20 november 2002, P.02.0708.F).

Maar uit dit enkel feit volgt niet noodzakelijk dat hij zich heeft gebaseerd op feiten die hem
persoonlijk bekend zijn; die gegevens kunnen ook blijken uit andere bestanddelen van het dossier of uit het onderzoek ter zitting (Cass. 13 maart 1990, A.C. 1989-90, nr. 423).

Die regel geldt uiteraard in strafzaken, maar ook in civiele zaken (Cass. 15 oktober 1992, J.T.
1993, 226; 11 januari 2001, A.C. 2001, nr. 19; 14 november 2002, C.01.0125 F).

Uitzondering
wordt gemaakt aan de regel t.a.v. als algemeen bekend of algemeen ervaren beschouwde feiten (Cass. 25 januari 1995, A.C. 1995, nr. 39; 23 september 1997, A.C. 1997, nr. 364; 26 juni 1998, A.C. 1998, nr. 346; 25 oktober 2000, A.C. 2000, nr. 575; 6 november 2002, C.01.0152.F en C.01.0138.F en 19 juni 2003, C.01.0383.F).


Rechtspraak:

• Cass. 24 april 2007:

Zo de beklaagde getuigen à charge en à décharge kan laten verhoren, oordeelt de rechter onaantastbaar over de noodzaak, de raadzaamheid en de gepastheid van dergelijk verhoor (1). (1) Cass., 29 april 2003, AR P.02.1461.N, nr 269.

De regel bepaald in artikel 61ter, § 2, Strafvordering is niet op straffe van nietigheid voorgeschreven.

De rechter oordeelt onaantastbaar of de partij van de door haar inzagerecht verkregen kennis van de gegevens van het strafonderzoek een gebruik heeft gemaakt dat strijdig is met artikel 61ter, § 4, tweede lid, Strafvordering.

De enkele omstandigheid dat een onderzoeksrechter gelast is met het onderzoek van een misdrijf belet de burgerlijke partij niet om, zelf of door een privédetective, met betrekking tot het schadegeval dat het gevolg is van dat misdrijf, een intern onderzoek te doen en de aldus ingewonnen inlichtingen aan de onderzoeksrechter mede te delen.
"

De vereiste van onpartijdigheid van de politie bij het onderzoek:  Rechtspraak
•• Hof van beroep Gent 30 september 2008, RABG 2009/1, 28 met noot, hoe een loutere schijn van partijdigheid in hoofde van een politieman of politievrouw tot een onontvankelijke strafvordering kan leiden.

In deze ophefmakende zaak was een meer dan een vriendschappelijke relatie tussen een politie ambtenaar en een van de beklaagden in een strafdossier de aanleiding om de rechter tot de conclusie te brengen dat het bewijsmateriaal onbetrouwbaar was met als gevolg een schending van het recht van verdediging van de overige beklaagden en aldus een schending van artikel zes EVRM inzake het recht op een eerlijk proces waardoor de totale strafvordering als onontvankelijk werd verklaard.

Bewijslast van de vervolgende partij

Het komt de vervolgende partij toe om de schuld van de beklaagden te bewijzen. Buiten elke twijfel moet worden aangetoond dat de beklaagden de hen ten laste gelegde feiten materieel hebben gepleegd én dat het vereiste moreel element in hunnen hoofde aanwezig is. De beklaagden hoeven hun onschuld niet te bewijzen.

Indien zij een grond van rechtvaardiging of verschoning aanvoeren die niet van elke geloofwaardigheid is ontdaan, dient de vervolgende partij de ongegrondheid van die grond aan te tonen.

De rechtbank dient zich enkel dient uit te spreken over de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de beklaagden in de dossiers die aan haar worden onderworpen en mag zich daartoe enkelsteunen op de gegevens van deze strafdossiers en de door partijen overgelegde stukken. Verwijzingen die
worden gemaakt naar andere dossiers of naar rechtspraak die betrekking heeft op mogelijk andere feitelijke situaties dient de rechtbank als niet relevant af te wijzen.

De strafrechtelijke aansprakelijkheid van beklaagden en inzonderheid het vereiste moreel element moet worden beoordeeld rekening houdend met de kennis en de inzichten die zij hadden op het ogenblik dat de hen verweten feiten werden gepleegd. Men mag hierover niet post factum oordelen. Een schuldigverklaring is maar mogelijk indien vaststaat dat de beklaagden hebben gehandeld met het vereiste (deelnemings)opzet. Er moet dan ook worden aangetoond dat de beklaagden wisten dat ze strafbaar handelden hetzij als dader hetzij als deelnemer. Dat ze dat hadden moeten weten volstaat in de regel niet.

Het is niet omdat het nu van algemene bekendheid is dat bepaalde constructies strafbaar zijn dat deze algemene bekendheid eerder bestond 

Naast het specifieke deelnemingsopzet omvat deelneming nog 2 andere constitutieve bestanddelen: een opzettelijk gepleegde en concreet strafbare hoofddaad (onzelfstandigheid van de deelneming) en een bij de wet voorziene wijze van deelneming. F. VERBRUGGEN, “Strafbare voorbereidingshandelingen in België. Autopsie zonder lijk” in NVVS (eds.), Voorbereidingshandelingen in het strafrecht, Nijmegen, Wolf Legal Publishers, 2004, 60.

• Hof van Cassatie, 2e Kamer – 2 maart 2011, RW 2012-2013, 577

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste middel

Ofschoon de wet voor bepaalde strafbare feiten een bijzonder bewijsmiddel bepaalt, volgt daaruit niet dat zij dat bijzonder bewijsmiddel oplegt. Wanneer de wettelijke bewijswaarde van dat bijzonder middel ontbreekt, verbiedt bijgevolg niets de rechter om zich te baseren op alle andere regelmatig aan hem voorgelegde bewijsmiddelen.

Het vonnis beslist bijgevolg naar recht dat de snelheidsovertreding niet alleen wordt vastgesteld met een daartoe gehomologeerd toestel.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.
...

Rechtspraak: 

• Antwerpen, 15 september 2010, RABG 2011/14, 983

• Antwerpen 10 februari 2011, RABG 2011/14, 987, met noot P. Waeterinckx, "After the event the fool is wise".

• Cassatie 12/06/2012, juridat, P.11.2036.N,

De wettelijke bewijsregeling wordt niet miskend door de rechter die het bewijs van het misdrijf “misbruik van vermogensgoederen” afleidt uit vermoedens, meer bepaald uit het feit dat op de rekening-courant van de beklaagde die een aansprakelijk orgaan van de vennootschap is, bedragen zijn opgenomen als zijnde door hem aangezuiverd en als een schuldvordering in zijn voordeel, terwijl die beklaagde over de realiteit van die aanzuivering geen verklaring kan geven (1). (1) Zie Cass. 13 maart 1973, AC 1973, 693.


Recente rechtsleer en wetswijziging:

Bart De Smet, Antigoon-criteria eindelijk wettelijk verankerd, RW 2013-2014, 762: bespreking van de wet van 24 oktober 2013 tot wijziging van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering wat betreft de nietigheden tot stand (BS 12 november 2013).

Deze wet, die in werking trad op 22 november 2013, voegt art. 32 Voorafgaande Titel Sv. in, luidend als volgt: «Tot nietigheid van onregelmatig verkregen bewijselement wordt enkel besloten indien de naleving van de betrokken vormvoorwaarde wordt voorgeschreven op straffe van nietigheid, of de begane onregelmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs heeft aangetast of het gebruik van het bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces»..


Cassatie 11/03/2014, AR P.12.1903.N

Samenvatting

Wanneer de wet geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, beoordeelt de rechter in strafzaken onaantastbaar de bewijswaarde van de hem regelmatig overgelegde gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren en daarbij mag hij rekening houden met alle vermoedens van feitelijke aard die hem de innerlijke overtuiging van de schuld van de beklaagde geven; het vermoeden van onschuld wordt niet miskend wanneer melding gemaakt wordt van feiten die, alhoewel vreemd aan datgene waarvoor de beklaagde wordt vervolgd, relevant kunnen zijn voor de waarheidsvinding of de persoonlijkheid van de beklaagde kunnen toelichten, ook al is hij voor die feiten niet vervolgd of veroordeeld.

Tekst arrest

Nr. P.12.1903.N
P L V V M,
beklaagde,
eiser,
tegen
N G,
burgerlijke partij,
verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 23 oktober 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, de artikelen 154 en 189 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 392, 398 en 399, eerste lid, Strafwetboek, evenals miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, het vermoeden van onschuld, de bewijslast in strafzaken en dat de schuld van een beklaagde boven elke redelijke twijfel dient vast te staan om een veroordeling te wettigen: door te stellen dat het bewijs of het tegenbewijs van een strafbaar feit mag geleverd worden met alle bewijsmiddelen, geeft het arrest te kennen dat de eiser gehouden was zijn onschuld te bewijzen; dit houdt een tegenstrijdigheid in waar het arrest expliciet stelt dat eisers verklaring geen zelfincriminerende elementen bevat en de eiser in conclusie aangaf dat de kwetsuren van de verweerster ook andere oorzaken konden hebben; het arrest steunt zijn beslissing ook op politionele tussenkomsten van vóór en na het ten laste gelegde feit en op geluidsopnames uit het verleden; het motiveert niet, minstens niet op wettige wijze, waarom de schuld van de eiser vaststaat boven elke redelij-ke twijfel.

2. Het feit dat in strafzaken de bewijslast van de schuld van de beklaagde rust op de vervolgende partij of in voorkomend geval op de burgerlijke partij, ont-neemt de beklaagde niet het recht het bewijs te leveren van zijn onschuld.

Door te stellen dat zulk tegenbewijs mag geleverd worden met alle bewijsmidde-len, leggen de appelrechters de beklaagde geen bewijslast op.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

3. Het is niet tegenstrijdig vast te stellen, eensdeels, dat de eiser geen zelfin-criminerende verklaringen heeft afgelegd en verweer voert over de oorsprong van de kwetsuren van de verweerster, en anderdeels de eiser schuldig te verklaren aan het hem ten laste gelegde feit.

In zoverre mist het middel eveneens feitelijke grondslag.

Wanneer de wet geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, beoordeelt de rechter in strafzaken onaantastbaar de bewijswaarde van de hem regelmatig overgelegde gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren. Hij mag hierbij rekening houden met alle vermoedens van feitelijke aard die hem de innerlijke overtuiging van de schuld van de beklaagde geven. Het vermoeden van onschuld wordt niet miskend wanneer melding gemaakt wordt van feiten die, alhoewel vreemd aan datgene waarvoor de beklaagde wordt vervolgd, relevant kunnen zijn voor de waarheidsvinding of de persoonlijkheid van de beklaagde kunnen toelich-ten, ook al is hij voor die feiten niet vervolgd of veroordeeld.

In zoverre faalt het middel naar recht.

4. Met de redenen die het arrest (5° blad) bevat, geven de appelrechters te ken-nen dat zij volgens hun innerlijke overtuiging de menselijke zekerheid hebben nopens de schuld van de eiser en elke redelijke twijfel daarover uitsluiten. Aldus oordelen zij wettig dat de eiser schuldig is aan het hem ten laste gelegde feit, zonder miskenning van de in het middel vermelde algemene rechtsbeginselen.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

5. In zoverre het middel voor het overige opkomt tegen de beoordeling van de feiten door de rechter, is het niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

6. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 77,61 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, van 11 maart 2014

 

 

 

Franse term: 
coût, assurance et fret
Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:16
Laatst aangepast op: zo, 10/09/2017 - 08:12

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.