-A +A

heropening debatten

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend


Uittreksel uit het gerechtelijk wetboek

Art. 772. Indien een verschijnende partij gedurende het beraad een nieuw stuk of feit van overwegend belang ontdekt, kan zij, zolang het vonnis niet uitgesproken is, de heropening van de debatten vragen.

Commentaar: Een heropening is slechts mogelijk indien het ingeroepen stuk of feit "nieuw" is, d.w.z. op het ogenblik van de in beraadname aan huidig verzoekster "niet bekend was of kon zijn" (zie in Artikelsgewijze Commentaar Gerechtelijk Recht, Uitgeverij Kluwer rechtswetenschappen, commentaar 6 bij art. 772 Gerechtelijk Wetboek).
Argumenten of stukken waarvan men tijdens de hoorzitting kon kennis hebben, doch die niet werden meegedeeld kunnen derhalve nooit het voorwerp van een heropening der debatten uitmaken.


Art. 773. De aanvraag wordt in handen van de rechter gedaan door middel van een verzoekschrift, waarin het nieuwe stuk of feit nauwkeurig wordt aangegeven zonder nadere toelichting; zij wordt ondertekend door de advocaat van de partij of, bij zijn ontstentenis, door deze laatste, ter griffie neergelegd en overgelegd overeenkomstig de regels van de artikelen 742 tot 744. Zij wordt door de griffier bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de andere partijen die verschenen zijn.
Deze kunnen binnen acht dagen na de aanzegging op dezelfde wijze hun opmerkingen aan de rechter doen toekomen.
De rechter doet uitspraak op stukken.

Art. 774. De rechter kan de heropening van de debatten ambtshalve bevelen.
Hij moet dit bevelen, alvorens de vordering geheel of gedeeltelijk af te wijzen, op grond van een exceptie die de partijen voor hem niet hadden ingeroepen.

Art. 775.  Indien de heropening van de debatten bevolen wordt, verzoekt de rechter de partijen om, binnen de termijnen die hij bepaalt en op straffe van ambtshalve verwijdering uit de debatten, hun schriftelijke opmerkingen over het middel of de verdediging ter rechtvaardiging ervan, uit te wisselen en hem deze te overhandigen. In voorkomend geval bepaalt hij dag en uur waarop de partijen over het door hem bepaalde onderwerp zullen worden gehoord.
De partijen worden bij gerechtsbrief verwittigd en, in voorkomend geval, hun advocaten bij gewone brief.
In ieder geval is de beslissing gewezen na de heropening van de debatten op tegenspraak gewezen indien de beslissing van heropening zelf op tegenspraak gewezen is.

Art. 776. Tegen de beslissing van de rechter over de aanvraag tot heropening van de debatten staat geen hoger beroep open.
In het vonnis van heropening van debatten moeten de rechter aangeven waarom de debatten heropend worden. Na de heropening kan immers enkel een conclusie genomen worden en gepleit over het onderwerp dat de rechter heeft aangegeven in het vonnis van heropening. Als zodanig kan geen uitbreiding van de eis meer plaatsvinden, geen hervatting van het geding, noch een nieuwe tegeneis worden gesteld of een andere tusseneis  die niet binnen het onderwerp van de heropening valt.

Commentaar:

Een conclusie, genomen na de heropening, waarin andere onderwerpen worden behandeld dan deze waarvoor de debatten werden geopend kan uit de debatten worden geweerd. (D. Scheers en P. Thiriar, in "het gerechtelijk recht in de hoogste versnelling?", Antwerpen, Intersentia, 77.

Wanneer in een tussenvonnis een partij wordt aangespoord om nadere verduidelijking te verschaffen en de hierop volgende conclusies geen antwoord bevatten op de vragen gesteld in het tussenvonnis, dienen deze conclusies uit de debatten te worden geweerd. zie rechtbank van koophandel te Veurne, AR A/07/00333, Folio 484, 20 februari 2008, onuitgegeven (6760).

Krachtens art. 774, tweede lid, Ger. W., moet de rechter de heropening van het debat bevelen alvorens de vordering geheel of gedeeltelijk af te wijzen, op grond van een exceptie die de partijen voor hem niet hadden aangevoerd.

De mogelijkheid die de artikelen 766, eerste lid, en 767, § 3, tweede lid, Ger. W., de partijen bieden om conclusies neer te leggen nadat de rechter de sluiting van het debat heeft uitgesproken en het openbaar ministerie zijn advies heeft gegeven, heeft uitsluitend betrekking op de inhoud van dat advies en houdt geen enkele afwijking in van de toepassing, door de rechter, van voormeld art. 774, tweede lid.

Het louter verschaffen van een repliek van de partijen op het advies van het openbaar ministerie over een exceptie, zonder evenwel dat de partijen zelf de exceptie aanvoerden en zonder dat zij de heropening van de debatten vroegen verschaft de rechter niet de macht vonnis te verlenen alvorens de debatten te heropenen wanneer hij op basis van de niet door de partijen opgeworpen exceptie meent de vordering te moeten afwijzen. Deze houding is strijdig met  de artikelen 766, eerste lid, 767, § 3, tweede lid, en 774, tweede lid, Ger. W. (Cass. 6 november 2006, R.W. 2007-2008, 1406)

Art. 779. Het vonnis kan enkel worden gewezen door het voorgeschreven aantal rechters. Dezen moeten alle zittingen over de zaak bijgewoond hebben. Een en ander op straffe van nietigheid.Hieruit volgt dat, na heropening van het debat d opdat over een bepaald onderwerp voort zou worden gepleit, de beslissing over de grond van de zaak slechts kan worden genomen door de rechters die de vorige zittingen hebben bijgewoond of, indien dat niet het geval is, door de rechters voor wie het debat volledig werd hernomen.

Rechtspraak:

• Zie terzake Cassatie 28/10/2010 (juridat)

C.09.0543.F
Nr. C.09.0543.N
1. S. M.,
2. P. F.,
tegen
A. A.,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis, op 17 juni 2009 in hoger beroep en op verwijzing gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Nijvel ingevolge het arrest van het Hof van 29 februari 2008.
Raadsheer Mireille Delange heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eisers voeren twee middelen aan

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 779, zoals het van kracht was ten tijde van de procedure op verwijzing na cassatie, na de opheffing van het tweede lid van die bepaling door artikel 21 van de wet van 26 april 2007, dat van kracht was sedert 22 juni 2007 (voorheen artikel 779, eerste lid) en artikel 1042 van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissing

Het bestreden vonnis verklaart het principaal beroep niet gegrond, bevestigt alle beschikkingen van het beroepen vonnis en veroordeelt bijgevolg de vennootschap Espace Gym hoofdelijk met de eisers tot betaling van 21.211,75 euro, vermeerderd met de gerechtelijke interest, en de kosten die zijn vastgesteld op het bedrag van 602.65 euro, verklaart de huurovereenkomst beëindigd in het nadeel van de eisers en veroordeelt hen hoofdelijk tot betaling van een beëindigingsvergoeding van 10.228 euro. Het beslist aldus om alle redenen die hier als uitdrukkelijk en volledig weergegeven worden beschouwd, met name om de volgende redenen:

"(De verweerster eist dat (de eisers) hoofdelijk zouden worden veroordeeld tot betaling van de door de failliete vennootschap Espace Gym aan haar verschuldigde bedragen op grond dat zij zich persoonlijk daartoe hebben verbonden, wat door de laatstgenoemden wordt betwist.

Borgtocht is aan geen enkel vormvereiste onderworpen maar artikel 2015 van het Burgerlijk Wetboek stelt wel als een voorwaarde dat degene die zich verbindt, op ondubbelzinnige wijze van zijn wil doet blijken (Cass., 11 september 1986, J.T., 1987, 2; Pas., 1987, p. 40).

De rechtbank wijst op het volgende:

- de huurovereenkomst bepaalt uitdrukkelijk dat (de eisers) zich borg stellen voor de goede uitvoering van deze overeenkomst. Die verbintenis is geenszins beperkt tot de oprichting van de vennootschap maar is in algemene bewoordingen gesteld. De rechtbank van eerste aanleg te Brussel wijst in haar vonnis van 25 november 2005, p. 17, erop dat het gebruik van het meervoud "onderhavige verbintenissen" en niet van het enkelvoud eerder schijnt te verwijzen naar de onderhavige bepalingen van de overeenkomst (namelijk de huurovereenkomst in haar geheel) dan naar de onderhavige verbintenis (de oprichting van de vennootschap). Het is overigens evident dat de verhuurster bij het sluiten van een overeenkomst met een in oprichting zijnde vennootschap er alle belang bij had dat de (eisers) zich persoonlijk borg zouden stellen voor de aangegane verbintenissen en geen bijzonder belang had bij de oprichting van de vennootschap onder de in de huurovereenkomst bedongen voorwaarden;

- het feit dat de rechtbank van eerste aanleg te Brussel in haar vonnis van 25 november 2005 de bewoordingen van de overeenkomst interpreteert (artikel 1156 van het Burgerlijk Wetboek), betekent daarom niet dat de persoonlijke verbintenis van de (eisers) dubbelzinnig is. Indien de rechtbank zou hebben geoordeeld dat de verbintenis dubbelzinnig was, zou zij het debat niet hebben heropend maar de vordering van de (verweerster) ten aanzien van de (eisers) niet gegrond hebben verklaard;

- het feit dat er geen bijzondere vermelding voorkomt onderaan de overeenkomst, neemt niet weg dat die verbintenis onmiskenbaar in algemene bewoordingen is gesteld, expliciet omschreven wordt op de eerste bladzijde van de overeenkomst die door de partijen naar behoren is geparafeerd. De omstandigheid dat die verbintenis niet herhaald wordt in het artikel van de huurovereenkomst betreffende de borgstelling, maakt die expliciete verbintenis niet ongeldig;

- bij de betaling van het eerste huurgeld voor februari 2002 ondertekenen (de eisers) het ontvangstbewijs in hun hoedanigheid van huurders zonder te verwijzen naar de in oprichting zijnde vennootschap. Dat eerste huurgeld staat niet vermeld in de boekhouding van de vennootschap wat niet wordt betwist.
Het feit dat genoemd huurgeld niet op passende wijze is geboekt is een aanwijzing dat (de eisers) die betaling als de aflossing van een eigen schuld hebben beschouwd overeenkomstig hetgeen de rechtbank van eerste aanleg te Brussel in haar vonnis van 25 november 2005 op bladzijde 18 had vermeld. Niets wettigt de zienswijze dat de niet-boeking van het huurgeld aan een fout te wijten is. De omstandigheid dat het huurgeld niet geboekt is op de rekening leveranciers van de vennootschap, is wat dat betreft niet relevant;

- uit het feit dat de vennootschap latere stortingen van huurgelden door (de eerste eiser) heeft geboekt op de rekening-courant vennoten (van de eerste eiser) en op de daarmee corresponderende rekening leveranciers van de verhuurster, kan niet worden afgeleid dat (de eerste eiser) zich niet persoonlijk verbonden heeft (cf. vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 25 november 2005, p. 18);

- in de mate dat de niet-boeking van de eerste huur niet wordt betwist en de overige boekhoudkundige gegevens geen belang vertonen voor de beslechting van het geschil, is er geen grond tot toewijzing van het verzoek om een deskundigenonderzoek teneinde de boekhoudkundige stukken die in de slotsom van de samenvattende conclusie van (de eisers) vermeld worden, geldig te verklaren;

- het feit dat de verhuurster uitsteltermijnen heeft toegestaan voor de betaling van de huur tijdens de uitvoering van de overeenkomst heeft geen weerslag op de persoonlijke verbintenis van (de eisers) die perfect van de toestand op de hoogte waren;

- de uitlegging die de rechtbank gegeven heeft aan de persoonlijke verbintenis van de (eisers) strookt met de artikelen 1157 en 1158 van het Burgerlijk Wetboek aangezien die verbintenis aldus een nuttig gevolg kan teweegbrengen en past in het kader van handelshuurovereenkomsten;

- het feit dat die verbintenis vooraan in de overeenkomst staat en niet in de artikelen betreffende de waarborg of de bijzondere bedingen, is geenszins in strijd met artikel 1161 van het Burgerlijk Wetboek, daar die persoonlijke verbintenis geen verband houdt met de huurwaarborg. Bovendien is de huurovereenkomst door de (eisers) ondertekend in hun hoedanigheid van huurders zonder dat wordt gespecificeerd dat zij de overeenkomst uitsluitend in hun hoedanigheid van 'medezaakvoerders' van de vennootschap ondertekenen;

- ook al wordt de term ‘borg' niet gebruikt, toch wordt de persoonlijke verbintenis van de (eisers) in klare en duidelijke bewoordingen geformuleerd en bevestigd door hun houding zodat er geen ruimte overblijft voor twijfel. Er bestaat dus geen grond tot toepassing van artikel 1162 van het Burgerlijk Wetboek;

- ook al werd het debat meer bepaald gevoerd over de handelingen (van de eerste eiser), toch lijdt het geen twijfel dat de verbintenis ook door (de tweede eiser) is aangegaan, daar hij de betrokken overeenkomst en het bewijs van ontvangst van het eerste huurgeld heeft ondertekend. Beide (eisers) hebben zich verbonden en zijn bijgevolg hoofdelijk aansprakelijk overeenkomstig artikel 2025 van het Burgerlijk Wetboek.

De verbintenis van beide (eisers) om zich borg te stellen voor de uit de litigieuze handelshuurovereenkomst voortvloeiende verbintenissen is duidelijk, ondubbelzinnig en blijkt ten genoege van recht uit het expliciete beding op bladzijde 1 van de huurovereenkomst en daarenboven uit de houding van de (eisers) die in die zin hebben gehandeld en zich persoonlijk hebben verbonden tot de betaling van een huurtermijn (het ontvangstbewijs is op hun beider naam gesteld) zonder dat die huur in de boekhouding van de vennootschap werd opgenomen".

Grieven

Artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het vonnis enkel kan worden gewezen door het voorgeschreven aantal rechters en dat dezen alle zittingen over de zaak moeten hebben bijgewoond, een en ander op straffe van nietigheid.

Uit die bepaling volgt dat na een beslissing waarbij de heropening van het debat wordt bevolen over het daarin vastgestelde onderwerp zodat het vroegere debat op dat punt wordt voortgezet, de beslissing over de zaak zelf moet worden gewezen door de rechters die de vorige zittingen hebben bijgewoond of, bij ontstentenis van hen, door rechters voor wie het debat in zijn geheel is hervat.

Bij tussenvonnis van 25 november 2005, dat gewezen is door de rechters V. B., B. en D., heeft de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, alvorens uitspraak te doen over de vordering van de verweerster die ertoe strekte de eisers te doen veroordelen om verschillende bedragen te betalen in hun hoedanigheid van borg voor de verbintenissen van de failliete vennootschap, enerzijds, de overlegging van bepaalde boekhoudkundige stukken, anderzijds, de heropening van het debat bevolen teneinde de partijen de gelegenheid te geven de draagwijdte of het eventuele ontbreken van die stukken nader toe te lichten.
In het vonnis van 8 maart 2006 van dezelfde rechtbank, dat gewezen is door de rechters V. B., L. en B., heeft die rechtbank uitspraak gedaan over het onderwerp waarvoor de heropening van het debat was bevolen, zonder dat met zekerheid kan worden vastgesteld dat het debat over het in het vonnis van 25 november 2005 bepaalde onderwerp in zijn geheel is hervat voor de rechters die dat vonnis hadden gewezen.

Het vonnis (van 8 maart 2006) werd om die reden vernietigd door het arrest van 29 februari 2008.

De rechtbank van eerste aanleg te Nijvel, die ten gevolge hiervan precies in dezelfde stand van de rechtspleging werd teruggeplaatst als de rechtbank van eerste aanleg te Brussel waarvan het vonnis is vernietigd, heeft uitspraak gedaan over het onderwerp waarover het debat is heropend, het principaal beroep niet gegrond verklaard en alle beschikkingen van het beroepen vonnis bevestigd in zoverre de eisers hierbij hoofdelijk met de vennootschap Espace Gym zijn veroordeeld tot betaling van het bedrag van 21.211,75 euro, vermeerderd met de gerechtelijke interest en de kosten, begroot op het bedrag van 602,65 euro, alsook van een beëindigingsvergoeding van 10.228 euro, en in zoverre de huurovereenkomst ontbonden wordt ten laste van de vennootschap Espace Gym en de eisers.

Het bestreden vonnis grondt die beslissingen in verband met de persoonlijke verbintenissen van de eisers op de in het middel weergegeven redenen.

Uit die overwegingen volgt dat het debat voor de rechtbank is voortgezet over het onderwerp waarover het debat werd heropend, namelijk het bestaan van persoonlijke verbintenissen van de eisers, dat moet worden beoordeeld in het licht van de boekhoudkundige stukken waarvan de overlegging en de bespreking op voortgezette behandeling was bevolen bij het tussenvonnis van 25 november 2005.

Noch uit het bestreden vonnis noch uit het proces-verbaal van de in de zaak gehouden terechtzittingen blijkt evenwel dat het debat in zijn geheel is hervat voor de appelrechters die het bestreden vonnis hebben gewezen, hoewel het aan dat vonnis voorafgaande debat de voorzetting moest zijn van het debat dat aan het tussenvonnis van 25 november 2005 voorafging.

Uit de bewoordingen van het bestreden vonnis blijkt daarentegen dat het debat niet in zijn geheel is hervat voor de rechters die het hebben gewezen.

Dat vonnis spreekt enkel over de conclusies en de samenvattende conclusies die de partijen na cassatie hebben genomen en verwijst op verschillende plaatsen naar het tussenvonnis van 25 november 2005.

Een hervatting van het debat ab initio was nochtans noodzakelijk aangezien de rechters W., T. en B., die het bestreden vonnis hebben gewezen, niet de rechters zijn die het tussenvonnis van 25 november 2005 hebben uitgesproken.

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt derhalve niet dat het debat over het in het vonnis van 25 november 2005 bepaalde onderwerp, in zijn geheel is hervat voor de rechters die het bestreden vonnis hebben gewezen.

Het bestreden vonnis schendt bijgevolg de in het middel aangegeven bepalingen, inzonderheid artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek (zoals het van toepassing was ten tijde van de procedure op verwijzing na cassatie voor de rechtbank van eerste aanleg te Nijvel die het bestreden vonnis gewezen heeft, na de opheffing van het tweede lid van die bepaling door artikel 21 van de wet van 26 april 2007 die van kracht was sedert 22 juni 2007, het vroegere artikel 779, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek).

Tweede middel

Geschonden wetsbepalingen

- de artikelen 19 en 23 van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissing

Het bestreden vonnis veroordeelt de eisers in de door de verweerster begrote kosten en kent haar zodoende onder meer een rechtsplegingsvergoeding van 3000 euro toe om de volgende redenen:

"De rechtbank wijst erop dat de (eisers) terecht opwerpen dat bij de vaststelling van de rechtsplegingsvergoeding enkel rekening moet worden gehouden met de waarde van de tegen hen ingestelde vordering en niet met de vroegere tegenvordering van de vennootschap Espace Gym die trouwens niet meer optreedt in de rechtspleging. Van hun kant stelden (de eisers) ieder een tegenvordering ten bedrage van 1500 euro in, die de rechtbank van eerste aanleg te Brussel verworpen heeft in haar vonnis van 25 november 2005. De rechtbank kan dus over die vordering geen uitspraak meer doen. Het huidige bedrag van de vordering is bijgevolg 38.911,84 euro en valt in de schijf tussen 20.000 euro en 40.000 euro waarvoor een basisrechtsplegingsvergoeding van 2000 euro verschuldigd is met een minimum van 1000 euro en een maximum van 4000 euro.

Gelet op het ingewikkeld karakter van het dossier en de talrijke ontwikkelingen ervan kan de vergoeding naar redelijkheid worden vastgesteld op 3000 euro.

De overige als kosten gevorderde bedragen worden bovendien niet betwist".

Grieven

Uit de bewoordingen van het bestreden vonnis blijkt het volgende: "De rechtbank van eerste aanleg te Brussel heeft bij vonnis van 8 maart 2006 de vordering van de eiseres ter vergoeding van de kosten van haar verdediging niet ontvankelijk verklaard".

In het vonnis van 8 maart 2006 had de rechtbank van eerste aanleg te Brussel die vordering immers niet ontvankelijk verklaard om de volgende redenen:
"(De verweerster) stelt na de heropening van het debat een nieuwe vordering in die ertoe strekt de (eisers) te doen veroordelen tot betaling van 2000 euro voor de kosten van de verdediging; tegen (de eisers) (die betogen dat die vordering de grenzen die zijn bepaald voor de heropening van het debat overschrijdt) beroept zij zich op artikel 808 van het Gerechtelijk Wetboek. Die vordering wordt niet ontvankelijk verklaard: de heropening van het debat die de rechter beveelt op grond van artikel 775 van het Gerechtelijk Wetboek biedt hem de gelegenheid de partijen te ondervragen over het door hem bepaalde onderwerp. Het debat tussen de partijen kan alleen over dat onderwerp gaan. In die stand van de rechtspleging kunnen de partijen geen nieuwe vordering instellen die geen verband houdt met het onderwerp waarvoor de heropening van het debat is bevolen".

De verweerster heeft die beslissing bekritiseerd door tegen dat vonnis cassatieberoep in te stellen. De grief die meer bepaald tegen die beslissing gericht was, is door het Hof verworpen in zijn arrest van 29 februari 2008 aangezien het middel niet ontvankelijk verklaard werd.

Daaruit blijkt dat de beslissing van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel waarbij de vordering van de verweerster tot toekenning van een bedrag van 2000 euro wegens kosten van de verdediging verworpen wordt, een eindbeslissing is geworden ten gevolge van het arrest van (het) Hof.

Het bestreden vonnis dat uitspraak deed na cassatie, kon bijgevolg over die vordering geen uitspraak meer doen, aangezien zij niet meer bij die rechtbank aanhangig was.

Door een rechtsplegingsvergoeding van 3000 euro toe te kennen op grond van artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek heeft het bestreden vonnis opnieuw over die vordering uitspraak gedaan, hoewel de rechtbank van eerste aanleg te Brussel hierover al bij vonnis van 8 maart 2006 een eindbeslissing gewezen had en de vordering bijgevolg niet meer aanhangig was bij de rechtbank van eerste aanleg te Nijvel.

De vordering van de verweerster tot betaling van een vergoeding voor de kosten van haar verdediging is immers dezelfde als die welke strekt tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding zoals die wordt omschreven in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, aangezien die bepaling de rechtsplegingsvergoeding omschrijft als een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.

Het bestreden vonnis dat aan de verweerster een rechtsplegingsvergoeding van 3000 euro toekent, hoewel over die vordering geen uitspraak meer mocht worden gedaan, daar zij door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel niet ontvankelijk verklaard was bij het eindvonnis van 8 maart 2006 dat op dat punt niet vernietigd was door het arrest van 28 februari 2008, schendt artikel 19 van het Gerechtelijk Wetboek; het schendt tevens artikel 23 van hetzelfde wetboek en miskent zodoende het gezag van het rechterlijk gewijsde van het vonnis van 8 maart 2006 van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Krachtens artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek kan het vonnis op straffe van nietigheid enkel worden gewezen door de rechters die alle zittingen over de zaak bijgewoond hebben.

Uit die bepaling volgt dat, wanneer de rechtbank de heropening van het debat bevolen heeft over het door haar bepaalde onderwerp zodat het vroegere debat over dat punt voortgezet wordt, de beslissing waarin zij uitspraak doet over de vordering zelf, gewezen moet worden door de rechters die de vorige zittingen hebben bijgewoond of, bij ontstentenis van hen, door rechters voor wie het debat in zijn geheel is hervat.

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:

- het vonnis van 25 november 2005 van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, zitting houdende in hoger beroep, de uitspraak heeft aangehouden en het debat heropend heeft over het hoger beroep van de eisers en de nieuwe vordering van de verweerster die betrekking hebben op de beslissing waarbij de eisers veroordeeld worden tot betaling van achterstallige huur en een vergoeding wegens beëindiging van de huurovereenkomst alsook op het voorbehoud van de verweerster over de verhogingen van de onroerende voorheffing; het vonnis heeft de overlegging van stukken bevolen en de partijen verzocht om een conclusie in te dienen over de inhoud ervan;

- de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, na de heropening van het debat, bij vonnis van 8 maart 2006 uitspraak gedaan heeft over die punten;

- het Hof in zijn arrest van 29 februari 2008 het over die punten gewezen vonnis van 8 maart 2006 vernietigd heeft en de aldus beperkte zaak verwezen heeft naar de rechtbank van eerste aanleg te Nijvel;

- de partijen voor die rechtbank een samenvattende conclusie hebben genomen waarin zij al hun middelen hebben uiteengezet;

- de zaak op de zitting van 18 mei 2009 werd gepleit.

Daaruit volgt dat het debat op de terechtzitting van 18 mei 2009 van de rechtbank van eerste aanleg te Nijvel in zijn geheel is hervat.
Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

De vordering die strekt tot vergoeding van de kosten van de verdediging staat los van de vordering die ertoe strekt de betaling te verkrijgen van een rechtsplegingsvergoeding op grond van artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek.

Het middel dat van het geheel tegenovergestelde uitgaat, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof

Verwerpt het cassatieberoep;
Veroordeelt de eisers in de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel,  en in openbare terechtzitting van 28 oktober 2010 

• Cassatie 12/02/2013, RW 2013-2014, 860


II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Middel

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van art. 2 en art. 772 Ger.W.: door uitdrukkelijk te verwijzen naar art. 772 Ger.W. en de vereisten vermeld in dat artikel, oordeelt het arrest dat het debat slechts in de gevallen omschreven in dit artikel heropend mag worden, terwijl in strafzaken de rechter vrij oordeelt over de noodzaak of de raadzaamheid de door een partij verzochte heropening van het debat te bevelen.

2. Art. 772 Ger.W. is niet van toepassing in strafzaken.

In strafzaken oordeelt de rechter onaantastbaar over de noodzaak of raadzaamheid de door een partij gevorderde heropening van het debat te bevelen.

3. Het arrest oordeelt: “De opname werd blijkbaar door [de eiser] in december 2006 gemaakt, zodat dit geen nieuw stuk of feit betreft dat door hem tijdens het beraad zou ontdekt zijn, zoals vereist door art. 772 Ger.W.

“Evenmin betreft deze opname een stuk “van overwegend belang”, omdat uit de inhoud van het strafdossier reeds voldoende blijkt welke de verhoudingen waren tussen [de eiser] en D. tijdens de voorziene incriminatieperiode.

“Het verzoek tot heropening van het debat is derhalve ongegrond”.

4. Met die redenen verklaart het arrest het verzoek tot heropening van het debat ongegrond daar niet aan de voorwaarden van art. 772 Ger.W. is voldaan. Aldus is de beslissing niet naar recht verantwoord.

Het onderdeel is gegrond.
...

Zie ook:
• Cass. 13 februari 2006, Pas. 2006, 356
• Cass. 14 februari 2001, RW 2002-03, 1624, noot;
• Cass. 26 juni 2001, T.Strafr. 2002, 317, noot Ph. Traest, “Heropening van de debatten na een verstekprocedure”;
• Cass. 9 december 2008, Arr.Cass. 2008, p. 2986, nr. 712;

Rechtsleer
R. Declercq, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2010, p. 741-744, nrs. 1674-1677.

Nog dit: 

Over de uitbreiding van de vordering na heropening van de debatten en de mogelijkheid tot aanvullende conclusie na heropening debatten:

Cass. 20/09/2010, RABG 2011/6, 411

samenvatting

Uit de artikelen 775 en 807 Ger.W. volgt dat uitbreidingen of wijzigingen van vordering, na de heropening van het debat, enkel kunnen worden geformuleerd wanneer ze verband houden met het voorwerp van de heropening van het debat Zie de conclusie van het openbaar ministerie.

uittreksel uit het arrest

Nr. S.09.0039.N

D.A.,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

CODA BELGIUM, naamloze vennootschap, met zetel te 2140 Antwerpen (Borgerhout), Plantin en Moretuslei 285,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerster woonplaats kiest.

 

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten, op 17 maart 2008 en 15 december 2008 gewezen door het arbeidshof te Antwerpen.

Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan.

Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Tweede onderdeel

1. Krachtens artikel 775 van het Gerechtelijk Wetboek, verzoekt de rechter, indien de heropening van het debat bevolen wordt, de partijen om, binnen de termijnen die hij bepaalt en op straffe van ambtshalve verwijdering uit het debat, hun schriftelijke opmerkingen over het middel of de verdediging ter rechtvaardiging ervan, uit te wisselen en hem deze te overhandigen. In voorkomend geval bepaalt hij dag en uur waarop de partijen over het door hem bepaalde onderwerp zullen worden gehoord.

2. Krachtens artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek, kan een vordering die voor de rechter aanhangig is, uitgebreid of gewijzigd worden, indien de nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies, berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is.

3. Uit deze bepalingen volgt dat uitbreidingen of wijzigingen van vordering, na de heropening van het debat, enkel kunnen worden geformuleerd wanneer ze verband houden met het voorwerp van de heropening van het debat.

4. Wanneer het debat wordt heropend met betrekking tot een ambtshalve ingeroepen middel tot afwijzing van de vorderingen omdat de laatste appelconclusie van de eiser niet uitdrukkelijk overeenkomstig artikel 744, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek diens eisen uiteenzet, houdt de precisering van die vorderingen in de conclusie na heropening van het debat verband met die heropening van het debat.

5. De appelrechters stellen in het tussenarrest van 17 maart 2008 onder de titel "procedure in eerste aanleg" op gedetailleerde wijze vast welke bedragen gevorderd werden door de eiser en de aanpassing ervan lopende het geding in eerste aanleg.

Zij stellen verder onder de titel "eisen in hoger beroep" vast dat:

- de vordering van de eiser ertoe strekt het bestreden vonnis te vernietigen en dienvolgens de oorspronkelijke vorderingen van de eiser ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- de eiser in de syntheseconclusie van 20 november 2007 zijn vorderingen "handhaaft" en ermee akkoord gaat de interesten te berekenen op de hem toekomende bedragen.

6. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser op 25 maart 2008, na heropening van het debat, een syntheseconclusie heeft neergelegd, identiek aan de syntheseconclusie waaromtrent betwisting, evenwel met precisering in het dispositief van de gevorderde bedragen, overeenstemmend met de aanspraak van de eiser zoals vastgesteld in het tussenarrest.

7. De appelrechters oordelen in het eindarrest van 15 december 2008 dat:

- de eiser na de beslissing tot heropening van het debat zijn eisen niet kan uitbreiden of wijzigen, en zeker niet wanneer het voorwerp van de heropening van het debat juist betrekking had op de vaststelling dat mogelijks geen eis in hoger beroep was geformuleerd waarop het arbeidshof gehouden was te antwoorden en waardoor het hoger beroep mogelijks ongegrond zou zijn;

- de in de conclusie van 25 maart 2008 geformuleerde eisen dan ook te aanzien zijn als nieuwe eisen en niet-ontvankelijk zijn.

8. Door aldus te oordelen verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is in zoverre gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest van 15 december 2008.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Veroordeelt de eiser in de helft van de kosten.

Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het arbeidshof te Gent.

Bepaalt de kosten op de som van 163,55 euro jegens de eisende partij en op de som van 225,43 euro jegens de verwerende partij.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer

raadpleeg dit arrest op juridat

download dit arrest in pdf

Conclusie van Mevrouw de Advocaat-generaal R. Mortier, bij voormeld arrest

1. Waar de rechter krachtens artikel 774 Ger. W. ambtshalve de heropening van het debat kan bevelen en hij hiertoe zelfs verplicht is alvorens de vordering af te wijzen op grond van een exceptie die partijen voor hem niet hadden ingeroepen, is in voorliggende zaak de vraag aan de orde in welke mate partijen binnen het heropend debat opmerkingen kunnen formuleren.

2.1. Artikel 775 bepaalde vóór de wijziging ervan bij de wet van 26 april 2007, dat de rechter door de heropening van de debatten de partijen kan horen over het door hem bepaalde onderwerp.

Zo kan hij de heropening van het debat bevelen teneinde nadere toelichting te bekomen over bepaalde punten, of om een partij de mogelijkheid te geven haar vordering nader te preciseren en, in voorkomend geval de hiermee gepaard gaande bewijzen over te leggen.(1)

2.2. Het heropend debat beperkt zich dan evenwel tot hetgeen het voorwerp uitmaakte van de beslissing van de rechter.

Uw Hof oordeelde bij arrest van 23 december 1976(2) dat wettig kan beslist worden om een nieuwe conclusie na heropening van het debat af te wijzen in zoverre zij een ander onderwerp heeft dan hetgeen waarop de heropening van het debat betrekking had. 

In dezelfde zin werd bij arrest van 29 juni 1995(3) geoordeeld dat de rechter wettig nieuwe vorderingen kan afwijzen die gesteld worden na heropening van het debat, maar die geen betrekking hebben op het onderwerp waarover het debat werd heropend.

Bij arrest van 20 oktober 2003(4) werd geoordeeld dat uit artikel 775 Ger.W. volgt dat na een bevolen heropening van het debat, dit enkel nog kan gaan over het door de rechter aangewezen onderwerp en geen nieuwe vorderingen kunnen worden gesteld en bestaande vorderingen die buiten het aangewezen onderwerp vallen, niet kunnen worden uitgebreid of gewijzigd.

3. Bij de wet van 26 april 2007 tot wijziging van het Gerechtelijk wetboek met het oog op het bestrijden van de gerechtelijke achterstand, werd de tekst van artikel 775 Ger.W. gewijzigd in die zin dat, indien de heropening van het debat wordt bevolen, de rechter de partijen verzoekt om, binnen de termijnen die hij bepaalt en op straffe van ambtshalve verwijdering uit de debatten, hun schriftelijke opmerkingen over het middel of de verdediging ter rechtvaardiging ervan uit te wisselen en hem te overhandigen.

Mede in het kader van de algemene filosofie van het wetsontwerp om de civiele rechtsgang te verbeteren, onder andere door de actieve rol van de rechter te versterken en de kennisname door de rechter van de geschriften vóór de zitting te bevorderen, zodat de zitting interactief kan worden en heropeningen van het debat kunnen voorkomen worden, had de wijziging van artikel 775 vooral tot doel de rechten van verdediging en de doeltreffendheid van de heropening van het debat op elkaar af te stemmen. Het werd de rechter mogelijk gemaakt de partijen een dwingend tijdschema op te leggen met betrekking tot de ontvangst van hun opmerkingen en met nadruk op de schriftelijke procedure. De tekst werd belangrijk geacht in algemene zin, nu de heropening van het debat een tegengewicht kan vormen voor de actieve rol van de rechter bij de toepassing van het recht.(5)

De wijziging was er dus niet op gericht partijen andere mogelijkheden toe te kennen voor het formuleren van opmerkingen na heropening van het debat.

De rechtspraak van uw Hof zoals van toepassing vóór de wetswijziging, blijft dus gelden.

Zo oordeelde uw Hof bij arrest van 23 mei 2008(6) dat, ingeval van heropening van het debat krachtens artikel 775, eerste lid, het debat slechts over dat onderwerp kan gaan. Geen enkele nieuwe vordering mag worden ingediend en de bestaande vorderingen die niet behoren tot het door de rechter bepaalde onderwerp, mogen niet worden uitgebreid of gewijzigd.

4. Uw Hof heeft dus in de voormelde rechtspraak de mogelijkheid voor partijen om opmerkingen te formuleren in negatieve zin bepaald. Vorderingen die niet behoren tot het door de rechter bepaalde onderwerp mogen niet worden uitgebreid of gewijzigd.

Maar wanneer het debat overeenkomstig artikel 775 Ger.W. wordt heropend, wordt het vorig debat met betrekking tot dit specifiek voorwerp voortgezet.(7)

Dit impliceert dat, binnen de perken van het voorwerp van de heropening, ook een toelichting of een precisering van de vordering tot de mogelijkheden behoort en nieuwe stukken kunnen voorgelegd worden.

5. Uit de stukken waarop mag acht geslaan worden blijkt het volgende.

De appelrechters stellen vast dat eiser in zijn gedinginleidende dagvaarding een becijferde ontslagvergoeding vorderde waarvan het bedrag in latere conclusies werd aangepast.

Zij stellen vast dat eiser in de akte hoger beroep vordert "de oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren" en hij in de syntheseconclusie stelt dat de door hem gevorderde opzeggingsvergoeding op basis van de formule Claeys gegrond is.

Zij oordelen echter dat waar eiser in zijn syntheseconclusie "volhardt" voor wat de opzeggingsvergoeding betreft, maar hij nergens de veroordeling van verweerder vordert tot betaling van een geldsom, er mogelijks zou kunnen besloten worden dat geen enkele vordering gesteld wordt waarop de appelrechters gehouden zijn te antwoorden en het hoger beroep om die reden ongegrond zou zijn.

Zij heropenen het debat op dit punt.

Eiser formuleert zijn schriftelijke opmerkingen door het neerleggen van een syntheseconclusie die identiek is aan de eerder neergelegde syntheseconclusie, maar waar het dispositief "volhardt" wordt vervangen door een cijfermatige berekening van de opzeggingsvergoeding zoals reeds door de appelrechters vastgesteld in het tussenarrest.

Hierdoor heeft eiser, binnen de perken van het heropend debat, enkel de reeds door hem gestelde vordering verduidelijkt.

De appelrechters die, ne het heropenen van het debat om duidelijkheid te krijgen over de vorderingen die eiser formuleert, oordelen dat deze verduidelijking een nieuwe eis betreft, die geen verband houdt met het door de rechter aangewezen onderwerp voor het heropenen van het debat, schenden artikel 775 Ger.W. en verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het tweede onderdeel is gegrond.

Conclusie: VERNIETIGING

____________________

(1) Zie Cass. 23 oktober 1992, AR 7770, A.C., 1991-1992, 1239.

(2) Cass. 23 december 1976, A.C. 1977, 462.

(3) Cass. 29 juni 1995, AR C.94.0407.F, A.C. 1995, nr. 341.

(4) Cass. 28 oktober 2003, AR P.03.0832.N, A.C. 2003, nr. 536.

(5) Kamer, Doc. 51-2811/005, 86.

(6) Cass. 23 mei 2008, AR C.06.0607.F, Pas., 2008, n° 313, met conclusie Advocaat-generaal met opdracht de Koster.

(7) Zie Cass. 12 december 2008, AR C.08.0087.N

• Hof van Cassatie, 1e Kamer – 12 december 2008, RW 2010-2011, 1473

NV S.E. en Vennootschap naar Engels recht S.E.L.L. t/ Faillissement NV E.-E.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een tussenarrest, op 10 september 2007 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste middel

1. Krachtens het toepasselijke art. 779, eerste lid, Ger. W. kan het vonnis enkel worden gewezen door het voorgeschreven aantal rechters, die alle zittingen van de zaak moeten hebben bijgewoond, een en ander op straffe van nietigheid.

Hieruit volgt dat, wanneer de heropening van het debat wordt bevolen over een bepaald onderwerp krachtens het toepasselijke art. 775, eerste lid, Ger. W., zodat het vorige debat over dat punt wordt voortgezet, de latere beslissing over de vordering moet worden gewezen door de rechters die de vorige terechtzittingen hebben bijgewoond of, zo niet, door de rechters voor wie het debat is hervat.

Indien echter op de zitting waarop de heropening van het debat is vastgesteld, het debat door de partijen ab initio wordt hernomen, is dit debat hierdoor niet langer beperkt tot de in de beslissing tot heropening aangewezen punten.

2. Het arrest van het hof van beroep van 25 september 2006 verklaart het hoger beroep toelaatbaar en heropent, alvorens verder te oordelen, ambtshalve het debat, teneinde de verweerder in staat te stellen standpunt in te nemen omtrent de kwalificatie van de met de eiseressen gesloten overeenkomst en de partijen in staat te stellen te antwoorden en eventueel te concluderen over een door het hof voorgestelde alternatieve kwalificatie van de overeenkomst, evenals over de daaruit voortspruitende consequenties.

3. Uit de processtukken blijkt dat:

– het tussenarrest van 25 september 2006 werd gewezen door «P. R., voorzitter, P. De B. en P. V., raadsheren», laatstgenoemde aangewezen om A. Van M. te vervangen, die wettig verhinderd was de uitspraak bij te wonen van het arrest waarover zij mede heeft beraadslaagd;

– het daaropvolgende en thans bestreden arrest van 10 september 2007 werd gewezen door «P. R., voorzitter, P. De B. en B. P., raadsheren»;

– blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 30 april 2007 de zaak «ab initio» werd hernomen, gelet op de gewijzigde samenstelling.

4. De appelrechters die oordelen dat de conclusie van de eiseressen neergelegd na het tussenarrest, uit het debat dient te worden geweerd, in de mate dat deze betrekking heeft op andere onderwerpen dan die vermeld in het tussenarrest, terwijl het debat ab initio was hernomen, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Zie ook: Cass. 30 juni 2000, Arr. Cass. 2000, 1260, Pas. 2000, 1238, P.&B. 2001, 109, noot P. Vanlersberghe.


Wanneer het debat wordt hernomen door de gewijzigde samenstelling van de zetel, kunnen na heropening van het debat nieuwe middelen worden aangewend.

Hof van Cassatie, 1e Kamer – 17 januari 2013, 1027

Samenvatting

Hoewel art. 775, eerste lid Ger.W. in de regel uitsluit dat nieuwe middelen worden aangebracht die geen verband houden met het voorwerp van de heropening van het debat, verhindert die bepaling niet dat dergelijke middelen worden aangevoerd na een heropening van het debat wanneer na die heropening het debat volledig wordt hernomen, gelet op de gewijzigde samenstelling van de zetel.

AR nr. C.11.0582.F

NV F.B. t/ Vennootschap naar Frans recht C.L. en NV D.B.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 16 maart 2011.

Tekst arrest

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

...

Eerste middel

...

Voor de feitenrechters kunnen nieuwe verweermiddelen over de zaak zelf, in beginsel worden aangebracht tot de sluiting van het debat, voor zover ze geen betrekking hebben op een geschilpunt waarover reeds uitspraak is gedaan.

Art. 775, eerste lid Ger.W. sluit weliswaar in de regel uit dat nieuwe middelen worden aangebracht die geen verband houden met het voorwerp van de heropening van het debat, maar die bepaling staat er niet aan in de weg dat dergelijke middelen worden aangevoerd na een heropening van het debat wanneer na die heropening het debat volledig wordt hernomen omdat de samenstelling van de zetel gewijzigd was.

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat het debat ab initio werd hernomen over al hetgeen niet definitief beslecht was door het arrest van 28 oktober 2009. Dat arrest heeft enkel definitief beslist over de ontvankelijkheid van die hogere beroepen.

Het bestreden arrest dat, op grond van art. 775, eerste lid Ger.W. oordeelt dat de eiseres geen nieuw middel mocht uiteenzetten, afgeleid uit de schending van art. 26 van het reglement van januari 1989 van de compensatiekamer te Brussel omdat genoemd middel de grenzen overschreed van het voorwerp van de door het arrest van 28 oktober 2009 bevolen heropening van het debat, verantwoordt niet naar recht zijn beslissing dat pagina’s 56 en 57 van de aanvullende en syntheseconclusie, die dat middel bevat, die de eiseres na de heropening van het debat heeft neergelegd, uit het debat moeten worden geweerd.

In zoverre is het middel gegrond....

Nuttige tips: 

Heropening debatten voorwaarden

Vredegerecht Zottegem-Herzele 8 november 2013, tijdschrift van de vrederechters 2014,11 - 12,519

Overeenkomstig artikel 772 Gerechtelijk Wetboek kan, indien een verschijnende partij gedurende het beraad een nieuw stuk of feit van overwegend belang ontdekt zij, zolang het vonnis niet uitgesproken is, de heropening der debatten vragen.

De rechter hoeft niet te antwoorden op de middelen tot staving van het verzoek, nu daarin enkel het een nieuw stuk of feit nauwkeurig moet worden aangegeven zonder nadere toelichting (cassatie AR 9512. 22 maart 1993 A.C. 1993, nummer 154, bladzijde 316).

Uitgangspunt is dat de heropening der debatten een uitzonderingsmaatregel moet blijven vermits het burgerlijk geding een tijdsgebonden gebeuren bij uitstek is (gerechtelijk recht, artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Kluwer, commentaar bij artikel 772 gerechtelijk wetboek).

Zowel de term “stuk” als “feit” dienen ruim geïnterpreteerd te worden. Het moet wel gaan om een element tot bewijs van de argumenten van een partij. De wens om louter een bijkomend argument te willen aanvoeren, kan niet worden beschouwd als een nieuwsfeit.

De term “nieuw” betekent dat het stuk of het feit tijdens het beraad moet zijn ontdekt; het mag de verzoekster dus niet gekend zijn of bekend kunnen zijn voor de sluiting der debatten.

Het behoort aan de verzoekster deed aan te tonen.

Wanneer blijkt dat de verzoekster het kwestige stuk of feit had achtergehouden of geen moeite heeft gedaan om het tijdig naar voren te brengen moet het verzoek worden afgewezen (J. J. Laenens, K. Broeckx, D. Scheers, P. Thiriar, handboek gerechtelijk recht, tweede editie nummers 942 & 943, bladzijde 440.
De nalatigheid van een partij om te gelegener tijd de bewijsstukken te verzamelen waarvan ze gebruik wenst te maken is geen voldoende motief om op grond van artikel 772 gerechtelijk wetboek de heropening van de debatten te vragen (Brussel 12 september 2000, AJT 2001-2002, 551.
Ook wanneer het nieuwe stuk voortkomt uit het initiatief van de verzoekster zelve, kan het niet tot basis dienen voor de heropening der debatten; het nieuwe stuk mag immers niet voortkomen uit de loutere wil van de betrokken partij.

“Ontdekken” betekent dat het niet mag gaan om feiten of initiatieven die voortkomen uit de loutere wil van de partij.

Het is de taak van de verzoekster om te bewijzen dat het haar onmogelijk was het ingeroepen stuk over te leggen ten tijde van de pleidooien en voor de sluiting der debatten.

Daarnaast volstaat niet dat het stuk of hij nieuw is; het moet ook van overwegend belang zijn hetzij van de wezenlijke, fundamentele en beslissende aard en in die mate invloed hebben op de zaak dat het de uitspraak kan beïnvloeden (J. Laenens e.a. o.c. blz 440)

Commentaar: 

Hof van Cassatie, 1e Kamer – 22 februari 2013, RW 2014-2015, 458

samenvatting:

Krachtens art. 779 en 1042 Ger.W. kan een rechterlijke beslissing enkel worden gewezen door het voorgeschreven aantal rechters, die alle zittingen in de zaak hebben bijgewoond, een en ander op straffe van nietigheid. Hieruit volgt dat, wanneer de heropening van het debat over een bepaald onderwerp wordt bevolen krachtens art. 775, eerste lid Ger.W., zodat het vorige debat over dat punt wordt voortgezet, de latere beslissing over de vordering moet worden gewezen door de rechters die de vorige terechtzittingen hebben bijgewoond of, zo dat niet het geval is, door de rechters voor wie het debat is hervat.

Art. 779 Ger.W. is in burgerlijke geschillen niet van openbare orde, zodat partijen in onderling overleg kunnen afwijken van het principe dat het debat ab initio wordt hervat voor de anders samengestelde zetel en zij aldus afstand kunnen doen van art. 779 Ger.W.

tekst arrest

AR nr. C.12.0309.N

NV C.E. t/ NV V.I. & C.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Gent van 19 januari 2012.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

1. Krachtens art. 779 en 1042 Ger.W. kan een rechterlijke beslissing enkel worden gewezen door het voorgeschreven aantal rechters, die alle zittingen in de zaak hebben bijgewoond, een en ander op straffe van nietigheid.

Hieruit volgt dat, wanneer de heropening van het debat over een bepaald onderwerp wordt bevolen krachtens art. 775, eerste lid Ger.W., zodat het vorige debat over dat punt wordt voortgezet, de latere beslissing over de vordering moet worden gewezen door de rechters die de vorige terechtzittingen hebben bijgewoond of, zo dat niet het geval is, door de rechters voor wie het debat is hervat.

2. Art. 779 Ger.W. is in burgerlijke geschillen niet van openbare orde. Partijen kunnen in onderling overleg afwijken van het principe dat het debat ab initio wordt hervat voor de anders samengestelde zetel en aldus afstand doen van de regel van art. 779 Ger.W.

3. Uit de processtukken blijkt dat:

– het tussenarrest van 26 mei 2011, waarin het debat werd heropend om de partijen in staat te stellen standpunt in te nemen over de invloed op de totstandkoming van de koopovereenkomst van de bij de eiseres bestaande regeling betreffende de vertegenwoordigingsbevoegdheid, werd gewezen door B. Wylleman, raadsheer, waarnemend voorzitter, L. Tavernier, raadsheer en J. Van Beneden, plaatsvervangend raadsheer;

– de zaak met akkoord van alle partijen op de terechtzitting van 22 december 2011 voor de zetel van het hof zoals samengesteld op deze terechtzitting werd “verdergezet” zonder herneming ab initio van de zaak;

– de appelrechters in het bestreden arrest vaststellen dat het debat beperkt is tot het onderwerp waarvoor de heropening van het debat was bevolen;

– het bestreden eindarrest van 19 januari 2012 werd gewezen door D. Floren, raadsheer en kamervoorzitter, B. Wylleman, raadsheer en L. Tavernier, raadsheer.

4. De appelrechters oordelen dat “enkel rekening [kan] worden gehouden met de syntheseconclusies van eiseres neergelegd ter griffie op 29 september 2011 in de mate waarin deze betrekking hebben op de kwestie van de vertegenwoordigingsbevoegdheid” en “dat voor het overige de syntheseconclusies neergelegd vóór de heropening van het debat [...] in acht [worden] genomen”.

Door aldus te oordelen, verantwoorden zij hun beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

noot:   Bart Van den Bergh, onder deze publicatie in het RW : Si judicas, (semper) cognosce”? Over de (afstand inzake de) toepassing van art. 779 Ger.W. in geval van heropening van het debat

 

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:16
Laatst aangepast op: wo, 06/09/2017 - 13:46

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.