-A +A

Herkwalificatie in strafzaken

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Herkwalificatie misdrijf

De feitenrechter in strafzaken is gebonden door de feiten waarvoor hij gevat is, maar behoudt de vrijheid van kwalificatie. Dit heet de saisine in rem.

Men kan enkel veroordeeld worden voor feiten waarvoor de vervolging wordt ingesteld. De rechter kan de feiten wel anders kwalificeren, dus oordelen dat de feiten andere misdrijven uitmaken dan deze waarvoor de vervolging is ingesteld, maar kan geen nieuwe of andere feiten weerhouden.

De feitenrechter is verplicht aan een feit zijn juiste strafrechtelijke kwalificatie te geven. Hij is niet gebonden door de in de inleidende akte of verwijzingsbeschikking aangeduide juridische kwalificaties. De feitenrechter is echter wel gebonden door de in deze akten omschreven feiten en kan dus enkel een nieuwe kwalificatie geven van dezelfde feiten.

Meer zelfs het Hof van Cassatie oordeelde in haar arrest van 03/10/2017 (Cassatie 03/10/2017, AR P.16.0997 N, juridat) , dat de rechter slechts mag vrijspreken nadat hij heeft onderzocht of de feiten die aan hem werden voorgelegd, die niet beantwoorden aan de kwalificaties van de strafvordering, niet beantwoorden aan andere kwalificaties, precies met oog op herkwalificatie. (Zie ook: Vereecke, V., « De juridische consequenties van de kwalificatieplicht », R.A.B.G., 2018/1, p. 50-55).

Na een beslissing van niet-verwijzing door de raadkamer voor een bepaald misdrijf op grond van onvoldoende aanwijzingen, kan enkel het openbaar ministerie het bestaan van nieuwe elementen die een nieuwe vervolging rechtvaardigen appreciëren. De burgerlijke partij kan zich hier nadien niet meer verzetten, onverminderd haar recht om (tijdig) hoger beroep in te stellen voor de raadkamer indien zij hier niet mee akkoord ging.
 

Toepassingsvoorbeeld bij de kwalificaties oplichting en cheque zonder dekking:

De overhandiging van een cheque zonder dekking kan een listige kunstgreep zijn in de zin van artikel 496 Sw., zelfs wanneer de trekker die de cheque overhandigt, geen andere arglistigheid heeft aangewend om de begunstigde te doen geloven aan het bestaan van een denkbeeldig krediet. Een dergelijke overhandiging moet in die zin dan ook beschouwd worden als een constitutief bestanddeel van het misdrijf van oplichting en als een uitvoeringswijze van de criminele intentie waarvan het hoofdelement de uitvoering van het misdrijf van oplichting is.

De feitenrechter die wordt gevat door het hoofdfeit, zijnde oplichting, kan het misdrijf van uitgeven van een cheque zonder dekking beschouwen als zijnde inbegrepen in dit hoofdfeit. De feitenrechter die zoals in casu gevat wordt door het secundaire feit, namelijk het uitgeven van een cheque zonder dekking, constitutief element van het misdrijf van oplichting, kan echter niet het misdrijf van oplichting vooropstellen zonder zijn saisine in rem te overschrijden. Deze kwalificatie zou immers geen eenvoudige wijziging van kwalificatie noch een aanvullende kwalificatie van eenzelfde feit uitmaken. (Brussel 15 april 2005, NjW 2005, afl. 123, 1030, noot DEENE, J.) .

Wijziging van de kwalificatie: verplichting beklaagde op de hoogte te brengen rechten van verdediging

• Cassatie 8 oktober 2014, 1193,

samenvatting:

De omschrijving van een telastlegging kan enkel regelmatig worden gewijzigd als de beklaagde op de hoogte werd gebracht van de wijziging of wanneer hij zich tegen de nieuwe omschrijving heeft verweerd of zich heeft kunnen verweren. Wanneer een beklaagde wordt vervolgd wegens verkrachting, kan hij niet wettig worden veroordeeld wegens een poging tot verkrachting wanneer niet blijkt dat de beklaagde zich heeft kunnen verweren tegen de bestanddelen van de poging tot verkrachting (zie ook: Cass. 23 mei 2012, AR P.12.0070.F, AC 2012, nr. 327).

tekst arrest

Nr. P.14.1063.F
A. H.,
tegen
1. Gh. E. en
2. N. D., optredend in eigen naam en in de hoedanigheid van wettelijke beheerders van de goederen van hun minderjarig kind Xavier,
3. A. E.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, cor-rectionele kamer, van 22 mei 2014.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de strafvor-dering

De omschrijving van een telastlegging kan enkel regelmatig worden gewijzigd als de beklaagde op de hoogte werd gebracht van de wijziging of wanneer hij zich te-gen de nieuwe omschrijving heeft verweerd of zich heeft kunnen verweren.

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser, die wegens verkrachting wordt vervolgd, zich heeft kunnen verweren tegen de be-standdelen van de poging tot verkrachting die het arrest bewezen verklaart.

Het middel is gegrond.

Aldus verantwoordt het arrest de schuldigverklaring van de eiser aan poging tot verkrachting niet naar recht, evenmin als de enige voor het geheel van de telast-leggingen opgelegde straf.

Wat de overige door de appelrechters bewezen verklaarde telastleggingen betreft, zijn de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht genomen en is de beslissing overeenkomstig de wet gewezen.

B. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissingen op de burger-lijke rechtsvorderingen tegen de eiser

1. door Gh. E. en N. D., optredend zowel in eigen naam als in de hoedanigheid van wettelijke beheerders van de goederen van hun minderjarig kind, met name

a. de beslissingen over het beginsel van aansprakelijkheid en over de omvang van de schade van Gh. E., optredend in eigen naam

De eiser voert geen middel aan.

b. de beslissingen over de omvang van de schade van Gh. E., optredend quali-tate qua en de schade van N. D., optredend in eigen naam en qualitate qua
Het arrest kent een provisionele schadevergoeding toe, beveelt een deskundigen-onderzoek en verwijst de zaak voor verdere behandeling naar de eerste rechter.

Dergelijke beslissingen zijn geen eindbeslissingen in de zin van artikel 416, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en houden geen verband met de gevallen die in het tweede lid van dat artikel zijn bepaald.

Het cassatieberoep is niet ontvankelijk.

2. door A. E.

Het arrest kent de verweerster een provisionele schadevergoeding toe, beveelt een deskundigenonderzoek en verwijst de zaak voor verdere behandeling naar de eer-ste rechter.

De eiser voert geen bijzonder middel aan.

De hierna op het onbeperkte cassatieberoep van de eiser uit te spreken vernietiging van de schuldigverklaring wegens poging tot verkrachting leidt evenwel tot vernietiging van de gehele beslissing op de tegen hem ingestelde burgerlijke rechtsvordering, die uit de eerstgenoemde beslissing voortvloeit.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het, bij de uitspraak over de strafvorde-ring, de eiser schuldig verklaart aan poging tot verkrachting en uitspraak doet over het geheel van de straf, en in zoverre het uitspraak doet over de burgerlijke rechts-vordering van A.E.
Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.
Veroordeelt de eiser tot de helft van de kosten en laat de andere helft ten laste van de Staat.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel.

Rechtsleer:

De eerbiediging van het recht van verdediging bij een wijziging van de kwalificatie van een voltooid misdrijf naar een poging: wordt besproken in R. Declercq, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2014, p. 693-694, nr. 1643 in fine; R. Verstraeten, Handboek strafvordering, Antwerpen, Maklu, 2012, p. 923, nr. 1839 in fine.

Nog dit: 

Het vonnisgerecht in politie- of in correctionele zaken moet aan het ten laste gelegde feit de juiste kwalificatie geven en daartoe met eerbiediging van het recht van verdediging de oorspronkelijke kwalificatie verbeteren, aanvullen of vervangen. Indien het uitspraak doet over een feit waaraan slechts één kwalificatie is gegeven, kan het de beklaagde zonder aanvullende aanhangigmaking niet veroordelen voor verschillende misdrijven. Een aanvullende aanhangigmaking is in hoger beroep evenwel uitgesloten. De appelrechter kan dan ook buiten het geval van een aanvullende aanhangigmaking in eerste aanleg, aan de aan het feit gegeven oorspronkelijke kwalificatie geen kwalificatie toevoegen.

Zie Hof van Cassatie, 2e Kamer – 1 april 2014, RW 2014-2015, 1414, met noot S. Van Overbeke, Ontdubbeling van de telastlegging door de strafrechter

J.A. en N.E.A. t/ Openbaar ministerie

I. Rechtspleging voor het Hof

De cassatieberoepen zijn gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer, van 9 november 2012.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Middel van de eiser

1. Het middel voert schending aan van art. 6.1 EVRM, art. 149 Gw., art. 182, 202 en 211 Sv., art. 146, eerste lid, 1o en 3o Stedenbouwdecreet 1999 en art. 6.1.1, eerste lid, 1o en 3o Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, evenals miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: door de toevoeging aan de oorspronkelijke telastlegging van de overtreding van art. 146, eerste lid, 3o Stedenbouwdecreet 1999, zijnde het als eigenaar toestaan of aanvaarden van het plegen, voortzetten of in stand houden van één van de onder 1o en 2o bedoelde gevallen, ontdubbelt het arrest de kwalificatie, wat enkel mogelijk is via een bijkomende aanhangigmaking en in hoger beroep hoe dan ook is uitgesloten (eerste onderdeel); het arrest stelt strijdig met de werkelijkheid vast dat de eiser tegenspraak heeft kunnen voeren over de aanpassing van de telastlegging (tweede onderdeel); het arrest veroordeelt de eiser ten onrechte zowel wegens de overtreding van art. 146, eerste lid, 1o Stedenbouwdecreet 1999, thans art. 6.1.1, eerste lid, 1o Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening als wegens de overtreding van art. 146, eerste lid, 3o Stedenbouwdecreet 1999, thans art. 6.1.1, eerste lid, 3o Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; die telastleggingen sluiten elkaar immers uit (derde onderdeel); het arrest motiveert op geen enkele wijze de schuldigverklaring van de eiser aan de overtreding van art. 146, eerste lid, 3o Stedenbouwdecreet 1999, thans art. 6.1.1, eerste lid, 3o Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (vierde onderdeel).

2. De aan de eiser opgelegde bestraffing en de beslissing over de herstelvordering wegens overtredingen van art. 146, eerste lid, 1o Stedenbouwdecreet 1999, thans art. 6.1.1, eerste lid, 1o Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, en art. 146, eerste lid, 3o Stedenbouwdecreet 1999, thans art. 6.1.1, eerste lid, 3o Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zijn naar recht verantwoord op grond van de ten laste van de eiser bewezen verklaarde overtredingen van art. 146, eerste lid, 1o Stedenbouwdecreet 1999, thans art. 6.1.1, eerste lid, 1o Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, welke door het middel in geen enkel van zijn onderdelen wordt bekritiseerd.

Het middel kan in geen enkel van zijn onderdelen tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk.

Eerste middel van de eiseres

Eerste onderdeel

3. Het onderdeel voert schending aan van art. 182, 202 en 211 Sv., art. 146, eerste lid, 3o Stedenbouwdecreet 1999 en art. 6.1.1, eerste lid, 3o Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: door de toevoeging aan de oorspronkelijke telastlegging van de overtreding van art. 146, eerste lid, 3o Stedenbouwdecreet 1999, zijnde het als eigenaar toestaan of aanvaarden van het plegen, voortzetten of in stand houden van één van de onder 1o en 2o bedoelde gevallen, ontdubbelt het arrest de kwalificatie, wat enkel mogelijk is via een bijkomende aanhangigmaking en in hoger beroep hoe dan ook uitgesloten is.

4. Het vonnisgerecht in politie- of in correctionele zaken moet aan het ten laste gelegde feit de juiste kwalificatie geven en daartoe met eerbiediging van het recht van verdediging de oorspronkelijke kwalificatie verbeteren, aanvullen of vervangen. Indien het uitspraak doet over een feit waaraan slechts één kwalificatie is gegeven, kan het de beklaagde zonder aanvullende aanhangigmaking niet veroordelen voor verschillende misdrijven. Een aanvullende aanhangigmaking is in hoger beroep evenwel uitgesloten. De appelrechter kan dan ook buiten het geval van een aanvullende aanhangigmaking in eerste aanleg, aan de aan het feit gegeven oorspronkelijke kwalificatie geen kwalificatie toevoegen.

5. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:

– de eiseres werd gedagvaard voor een overtreding van art. 146, eerste lid, 1o Stedenbouwdecreet 1999, zijnde “hetzij zonder voorafgaande vergunning hetzij in strijd met de vergunning hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de termijn van de vergunning, hetzij in geval van schorsing van de vergunning, handelingen, werken of wijzigingen te hebben uitgevoerd, voortgezet of in stand gehouden, namelijk door zonder stedenbouwkundige vergunning (...) een woning te hebben uitgebreid met een oppervlakte van 19,78 m² (en) (...) een bijgebouw te hebben gesloopt en een nieuw bijgebouw te hebben gebouwd voor de opslag van materiaal en voertuigen”;

– de eiseres in eerste aanleg niet voor enig andere kwalificatie vrijwillig is verschenen of aanvullend werd gedagvaard;

– de appelrechters met het arrest de kwalificatie van de enige telastlegging aanvullen door toevoeging van de wetsbepaling van art. 146, eerste lid, 3o Stedenbouwdecreet 1999 en door toevoeging in de omschrijving van de woorden “hetzij als eigenaar te hebben toegestaan of aanvaard dat deze strafbare feiten werden gepleegd”;

– de appelrechters met het arrest oordelen dat het ten laste gelegde thans een overtreding uitmaakt van art. 4.2.1, 1o, a en c, die strafbaar wordt gesteld door art. 6.1.1, eerste lid, 1o en 3o en art. 6.1.41, § 1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;

– de appelrechters de eiseres wegens de aldus verbeterde telastlegging veroordelen en uitspraak doen over de tegen haar gerichte herstelvordering.

6. Daaruit volgt dat de appelrechters zich niet beperken tot een verbetering van de oorspronkelijke kwalificatie van art. 146, eerste lid, 1o Stedenbouwdecreet, thans art. 6.1.1, eerste lid, 1o Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, maar aan die kwalificatie een kwalificatie en dus een misdrijf toevoegen, bestaande in de overtreding van art. 146, eerste lid, 3o Stedenbouwdecreet, thans art. 6.1.1, eerste lid, 3o Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zonder aanvullende aanhangigmaking in eerste aanleg. Aldus schenden zij de in het middel vermelde wetsbepalingen.

Het onderdeel is gegrond.

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:15
Laatst aangepast op: zo, 25/02/2018 - 13:43

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.