-A +A

Handgift

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Een handgift is een schenking met als essentiële totstandkomingsvereiste de materiële afgifte van het bezit, (ook de traditio geheten), van de geschonken zaak aan de begiftigde.

(R. DEKKERS, Deel III, 588, nr. 997; H. DE PAGE, Traité VIII/1; M. PUELINCKX-COENE, N. GEELHAND en F. BUYSSENS, “Overzicht van rechtspraak. Giften (1993-1998)”, TPR 1999, 872, nr. 139; W. PINTENS en N. LABEEUW, “Art. 931 BW” in Comm.Erf., 2002, 8, nr. 11).

De handgift  is een schenking waarbij hetgeen geschonken wordt rechtstreeks overgaat van de hand van de schenker in de handen van de begunstigde.

Op een handgift zijn geen successierechten verschuldigd voorzover  de schenker meer dan 3 jaar na deze schenking komt te overlijden. Indien binnen de 3 jaar na de schenking de schenker overlijdt zullen er alsnog schenkingsrechten dienen betaald. Zie:  tarieven successierechten. Oplossing: geregistreerde schenking om successierechten te vermijden

Volgens het wetboek van successierechten worden  alle goederen waarover de overledene kosteloos beschikte, drie jaar vóór zijn overlijden geacht deel uit te maken van de nalatenschap voor zover er geen schenkingsrechten zijn betaald.

Omgekeerd: Indien een schenking derhalve notarieel gebeurde met betaling van schenkingsrechten en de schenker overlijdt binnen de 3 jaar, dienen geen successierechten op het geschonkene betaald te worden

Voor de handgift is geen notariële akte noodzakelijk.

De handgift komt tot standd door een loutere materiële handeling, de afgifte (of traditio geheten). Deze noodzakelijke afgifte als vormvoorwaarde maakt de handgift tot een plechtig contract.

Een handgift vergt geen geschrift (ad validatem). Zelfs zonder geschrift is een handgift geldig. Dit neemt niet weg dat vaak een geschrift als bewijs wordt opgesteld (geschrift ad probationem). Hierbij is enkel een door beide partijen ondertekend geschrift een volwaardig bewijs van de handgift (of van de voorxwaarden gelkoppeld aan de handgift). Dit geschrift dient opgemaakt na de uitvoering van de handgift en strekt louter tot bewijs.(Cass. 22 april 2010, AC 2010, 1119, RW 2011-12, noot B. VERLOOY, RNB 2011, 318, noot P. DELNOY en RTDFam. 2012, 245; M. UELINCKX- COENE, R. BARBAIX en N. GEELHAND, “Overzicht van rechtspraak. Giften (1999-2011)”, TPR 2013, 563 e.v., nr. 499 e.v.) 


Contant van hand tot hand maar kan het ook per overschrijving?

De "handgift" kan sinds kort ook per overschrijving van rekening van de schenker naar de rekening van de begiftigde. Op de mededeling mag dan evenwel niet vermeld staan dat het een schenking betreft.Eigenlijk mag de schenker op de overschrijving zelf niets invullen in het vakje mededeling omdat de verhandeling volstrekt neutraal moet verlopen.

Deze schenking mag niet herroepbaar zijn.

De schenking dient schriftelijk kunnen worden bewezen in al haar elementen, zo ondermeer mbt bedrag, datum (van belang voor de 3 jarige termijn), identiteiten en het  onmiddellijk en onherroepbaar karakter.

Dit bewijs wordt meestal geleverd door 2 aangetekende brieven:

- een aangetekende brief van de schenker aan de begiftigde waarin het voornemen tot schenking wordt kenbaar gemaakt of waarin de reeds uitgevoerde schenking wordt bevestigd.
- een aangetekend antwoord van de begiftigde waarin de schenker wordt bedankt.

In de aangetekende brief van de schenker kunnen voorwaarden bepaald worden voorzover het onmiddellijk en onherroepbaar karakter van de schenking en de duidelijke wil te schenken hierdoor niet ondermijnd worden. Deze voorwaarden kunnen voorzien in een bepaalde vorm van beperkte controle of in andere modaliteiten zoals de bedongen terugkeer. Dit beding behelst dat het geschonkene terugkeert naar de schenker, bij vooroverlijden van de begiftigde, dus voorzover de begiftigde de schenker zou overleven.

Bij de schenking aan een echtpaar verdient het aanbeveling in de aangetekende brief duidelijk te vermelden of de goederen aan de gemeenschap der echtgenoten, dan wel aan het eigen vermogen van de begiftigde wordt geschonken, eventuieel met toevoeging dat gift dit eigen karakter dient te behouden en niet mag ingebracht worden in de gemeenschap.

Deze modaliteiten kunnen ook worden opgenomen in en afzonderlijk stuk, dus los van de aangetekende brieven. En dergelijke brief wordt "pacte adjoint" geheten.

Bepaalde modaliteiten zoals het voorbehoud van vruchtgebruik over aandelen of kapitalen is evenwel niet mogelijk middels handgift. Hiervoor is de tussenkomst van een notaris vereist en zullen er schenkingsrechten dienen betaald.

Bij een handgift of bankgift kan de schenker het beheersmandaat over de geschonken portefeuille behouden mits vermelding van deze clausule in de geschriften.

Let wel : de kleinste nalatigheid of onvolkomendheid aan de handgift zal de fiscus toelaten om toch tot heffing over te gaan. Laat u dus zeker voor belangrijke handgiften bijstaan door uw advocaat, die u ook kan wijzen op alternatieven.

Revendicatie van kasbons en handgift

Wie beweert eigenaar te zijn van kasbons en zich hierbij beroept zowel op deugdelijk bezit (art. 2279 BW) als op een handgift, zal bij de revindicatie van deze kasbons door een beweerde eigenaar, het pleit verliezen wanneer hij e handgift niet kan bewijzen. Door zich te beroepen op de handgift kan hij zich immers niet meer beroepen op een louter bezit als titel van eigendom. Hof Gent, 30/11/2006, NJW 158, 227.

Schenkingen van aandelen

Schenkingen van aandelen op naam kunnen niet door middel van een handgift. Loutere overschrijving in het aandelenregister is niet voldoende als bewijs van de overdracht, zeker niet ten aanzien van de fiscus, al dient benadrukt dat de overschrijving in het aandelenboek in elk geval dient te gebeuren. De aandelenoverdracht onder de vorm van een schenking dient derhalve notarieel vastgelegd. Zie, ook geregistreerde schenking om successierechten te vermijden.  

Bewijs van een handgift

 •• Cass. 14 maart 1889, Pas. 1889, I, 147.

Diegene die een schenking van hand tot hand ontvangen heeft, kan om de schenking van hand tot hand te bewijzen, het vermoeden van art. 2279 B.W. inroepen. (deze oude rechtspraak wordt bevestigd door het hiernavermelde arrest:
 

•• Cass. 24/09/2007 Cass. be, toelichting : RW 2008-09, 826, Noot Ruud Jansen 'Soms geldt bezit als vermoeden van titel, soms als termijn'

samenvatting

Artikel 2279 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat, met betrekking tot roerende goederen, het bezit geldt als titel.
Krachtens artikel 2230 van datzelfde wetboek wordt men steeds geacht voor zichzelf, en als eigenaar, te bezitten.
In een geschil tussen de huidige bezitter van een lichamelijk roerend goed en de bezitter die hem onmiddellijk voorafging of diens rechthebbenden, vormt het bezit een vermoeden van titel ten voordele van de bezitter die te goeder trouw is.
Overeenkomstig artikel 1315, eerste lid, van dat wetboek, dient hij die beweert dat een bezit gebrekkig is, zulks te bewijzen.

Wanneer een levensgezel van een overledene zich beroept op het bezit  als titel van eigendom van kasbons die de overledene verworven had en de langstlevende levensgezel in haar bezit had, kan niet weerhouden worden  dat zij "het bestaan van een handgift in haar voordeel moet aantonen" en dat zij "niet kan volstaan met de bewering dat zij op de datum van het overlijden in het bezit was van de kasbons" en dat, "al bewees zij dat de kasbons in haar bezit waren, zij dan nog moet aantonen dat het bezit niet dubbelzinnig was. Deze stelling gaat in tegen artikel 2279 BW

tekst van het arrest

II. CASSATIEMIDDEL
De eiseres voert volgend middel aan :

Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 1315, 2228 tot 2231, 2262, 2268, 2269 en 2279 van het Burgerlijk Wetboek;
- artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissing

Het bestreden arrest zegt dat het hoger beroep om de volgende redenen gegrond is:

"[De eiseres] moet het bestaan van een handgift in haar voordeel aantonen. Zij kan niet volstaan met de bewering dat zij op de datum van het overlijden in het bezit was van de kasbons.

Uit geen enkel gegeven van het dossier blijkt immers dat de kasbons die zich naar het schijnt bij de [eiseres] en haar levensgezel thuis bevonden op de dag van het overlijden van de laatstgenoemde, in het bezit van [de eiseres] en niet van de vader [van de verweerder] waren.

Al bewees zij dat de kasbons in haar bezit waren, dan nog moet zij aantonen dat het bezit niet dubbelzinnig was.

De argumenten die [de eiseres] wat dat betreft aanvoert, zijn niet terzake dienend:

- Zij heeft de overledene meer dan tien jaar verzorgd en heeft dat, zoals blijkt uit de verklaringen die zij voorlegt [...], met veel toewijding gedaan, met name in de maanden vóór het overlijden.

Uit dit gedrag blijkt echter niet de wil om haar de kasbons te geven: indien zulks de wil van wijlen F.G. geweest was, dan had hij een nieuw testament laten maken of had hij het geld op een rekening op naam van [de eiseres] laten storten, of had hij de kasbons ondergebracht in een effectenportefeuille die hij op naam van laatstgenoemde zou hebben geopend.

- Zij heeft op 18 januari 2000 een volmacht ontvangen.

Die volmacht werd haar gegeven wegens de verslechtering van de gezondheidstoestand van haar levensgezel en diens bezorgdheid om steeds, met de hulp van [de eiseres], over zijn financiële middelen te kunnen beschikken. Die volmacht kan in geen geval gelijkgesteld worden met een gift aan [de eiseres].

- Wijlen F.G. zou haar de kasbons vóór zijn overlijden hebben overhandigd.

Uit de verklaring van de raadsman van [de eiseres] volgt echter [...] dat de kasbons die begin 2000 zijn aangekocht, ‘aan de heer G. zijn overhandigd' en dat ‘zij door [de eiseres] zijn bewaard', waarbij geen enkele toelichting wordt verstrekt over de omstandigheden waarin de kasbons aan [de eiseres] zouden zijn gegeven of over het tijdstip waarop dit zou zijn geschied.

Zelfs indien ervan uitgegaan wordt dat [de eiseres] de kasbons de dag van het overlijden in haar bezit had, kan de detentie alleen niet gelijkgesteld worden met een niet dubbelzinnig bezit (‘Het bezit van roerende goederen is dubbelzinnig indien het, gelet op de omstandigheden, vatbaar is voor verschillende interpretaties en met name ingeval er twijfel bestaat of de bezitter het goed onder zich heeft als eigenaar dan wel als houder' (Cass., 4 december 1986, Pas., 1987, 415) en ‘Verkrijgende verjaring vereist een deugdelijk bezit.

Wanneer de daden van bezit voor verscheidene interpretaties vatbaar zijn, is het bezit dubbelzinnig' (Rb. Brugge, 19 juni 2000, R.W., 2002 - 2003, 269).

[De eiseres] geniet geen enkel vermoeden van titel en toont geen schenking aan, zodat zij de kasbons aan de erfenis moet teruggeven. De partijen hebben geen uitleg gegeven over de vraag of de kasbons nog steeds in het bezit van [de eiseres] zijn dan wel of zij ze heeft verzilverd.

De kasbons dienen teruggegeven te worden en indien zij niet meer zouden bestaan, dan moet [de eiseres] de tegenwaarde ervan op de dag van het openvallen van de erfenis teruggeven, met inbegrip van de interesten of coupons die deze sinds het openvallen van de erfenis hebben opgebracht.

Aangezien de partijen hierover geen uitleg hebben verschaft, moet het debat wat dat betreft heropend worden".

Grieven

Luidens artikel 2279 van het Burgerlijk Wetboek, "geldt, met betrekking tot roerende goederen, het bezit als titel".

Daarenboven "wordt men steeds geacht voor zichzelf, en als eigenaar te bezitten" (artikel 2230 van het Burgerlijk Wetboek).
Wanneer er, zoals te dezen, sprake is van verkrijging "a domino", dan vervult de in artikel 2279 van het Burgerlijk Wetboek vermelde regel de rol van een bewijsregel: bezit geldt als titel van eigendom.

De eiseres voerde tegen de vordering van de verweerder haar hoedanigheid van bezitter van de litigieuze kasbons aan.

Het was voldoende dat deze hoedanigheid bestond en aangevoerd werd op de dag dat de teruggave gevorderd werd.

Welnu, het stond vast dat de eiseres de "corpus" had aangetoond, aangezien men de teruggave van de kasbons van haar vorderde en zij de "animus" had, aangezien zij betoogde de begiftigde van die kasbons te zijn.

Het bestreden arrest, dat overweegt dat de eiseres "niet kan volstaan met de bewering dat zij op de datum van het overlijden in het bezit was van de kasbons. Uit geen enkel gegeven van het dossier blijkt immers dat de kasbons die zich naar het schijnt bij de [eiseres] en haar levensgezel thuis bevonden op de dag van het overlijden van de laatstgenoemde, in het bezit van [de eiseres] en niet van de vader [van de verweerder] waren", beslist dat de eiseres had moeten aantonen dat zij op een vroegere datum dan die van haar vordering de bezitter was.

Het maakt de toepassing van artikel 2279 van het Burgerlijk Wetboek aldus afhankelijk van een voorwaarde die dit artikel niet vermeldt en schendt bijgevolg dat artikel 2279.

Daarenboven hoeft de bezitter die, net als de eiseres, het bestaan van een precieze titel van overdracht aanvoert, met name het bestaan van een handgift, niet aan te tonen dat die rechtmatige titel bestaat.

Het bestreden arrest, dat beslist dat "[de eiseres] het bestaan van een handgift in haar voordeel moet aantonen", draagt bijgevolg de eiseres een bewijs op dat zij niet hoeft te leveren en miskent bijgevolg de regels betreffende de bewijslast (schending van de artikelen 1315 en 2279 van het Burgerlijk Wetboek en van artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek).

Daarenboven dient hij die beweert dat een bezit gebrekkig is, met name door zijn dubbelzinnig karakter, zulks te bewijzen (artikelen 1315, 2229, 2262 en 2279 van het Burgerlijk Wetboek).

Het bestreden arrest, dat beslist dat de eiseres "moet aantonen dat het bezit niet dubbelzinnig was", verplicht die eiseres een bewijs te leveren dat zij niet dient te leveren (schending van de artikelen 1315, 2229, 2262 en 2279 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek).

Het bestreden arrest, dat op grond van de in het middel weergegeven redenen beslist dat de argumenten die de eiseres aanvoert om het ondubbelzinnig karakter van haar bezit aan te tonen, niet terzake dienend zijn, leidt uit het geheel van de gegevens van de zaak niet af dat het door de eiseres aangevoerde bezit dubbelzinnig zou zijn, maar beslist alleen dat de argumenten die de eiseres aanvoert om het ondubbelzinnige karakter van haar bezit aan te tonen, niet terzake dienend waren.

Die beslissing, die het gevolg en de tenuitvoerlegging is van de onwettige beslissing van het bestreden arrest over de bewijslast van het dubbelzinnig karakter van het bezit van de eiseres, verantwoordt de beslissing niet naar recht dat laatstgenoemde "geen enkel vermoeden van titel geniet (...), zodat zij de kasbons aan de erfenis moet teruggeven".

De overweging dat de eiseres "geen schenking aantoont", verantwoordt evenmin de verplichting om de kasbons terug te geven, aangezien de bezitter die, ten overvloede, het bestaan van een handgift aanvoert, niet moet aantonen dat die precieze titel van overdracht bestaat om het vermoeden van eigendomstitel te genieten, vastgelegd in artikel 2279 van het Burgerlijk Wetboek.

Het bestreden arrest is derhalve niet naar recht verantwoord, noch ten aanzien van de regels betreffende de bewijslast (schending van de artikelen 1315 en 2279 van het Burgerlijk Wetboek), noch ten aanzien van de toepassingsvoorwaarden van artikel 2279 van het Burgerlijk Wetboek (schending van alle in het middel bedoelde bepalingen en inzonderheid van artikel 2279).

De vernietiging van het bestreden arrest van 22 juni 2005 zal bijgevolg de vernietiging meebrengen van het arrest van 26 oktober 2005, dat er het gevolg van is.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Artikel 2279 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat, met betrekking tot roerende goederen, het bezit geldt als titel.

Krachtens artikel 2230 van datzelfde wetboek wordt men steeds geacht voor zichzelf, en als eigenaar, te bezitten.

In een geschil tussen de huidige bezitter van een lichamelijk roerend goed en de bezitter die hem onmiddellijk voorafging of diens rechthebbenden, vormt het bezit een vermoeden van titel ten voordele van de bezitter die te goeder trouw is.

Overeenkomstig artikel 1315, eerste lid, van dat wetboek, dient hij die beweert dat een bezit gebrekkig is, zulks te bewijzen.

Het bestreden arrest stelt vast dat het geschil tussen de verweerder, erfgenaam van wijlen F.G., en de eiseres, laatste levensgezellin van laatstgenoemde, betrekking had op de kasbons die de overledene verworven had en die de eiseres in haar bezit had.

Het oordeelt dat zij "het bestaan van een handgift in haar voordeel moet aantonen", dat zij "niet kan volstaan met de bewering dat zij op de datum van het overlijden in het bezit was van de kasbons" en dat, "al bewees zij dat de kasbons in haar bezit waren, zij dan nog moet aantonen dat het bezit niet dubbelzinnig was".

Het bestreden arrest, dat beslist dat de eiseres dat bewijs niet heeft geleverd en dus "geen enkel vermoeden van titel geniet", schendt de voormelde wettelijke bepalingen.

Het middel is in zoverre gegrond.

Vernietiging van het bestreden arrest brengt de vernietiging mee van het arrest van 26 oktober 2005, dat er het gevolg van is.

Dictum
Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre het het hoger beroep ontvankelijk verklaart en het beroepen vonnis bevestigt, waarbij de eiseres veroordeeld wordt om aan de verweerder een bedrag van 251,37 euro te betalen, verhoogd met de wettelijke interest.

Vernietigt het arrest van 26 oktober 2005.

Rechtspraak en concrete toepassingen:

•• Cass. AR 7329, 25 oktober 1991 (Van Der Vloedt / Van Coppenolle)  (18 oktober 2001); , Arr. Cass. 1991-92, 189; , Bull. 1992, 155; , Pas. 1992, I, 155; , R.W. 1991-92, 1363.

De houder van verloren of ontvreemde titels aan toonder die overeenkomstig de wet van 24 juli 1921 verzet heeft aangetekend maar de bescherming van die wet niet kan genieten, kan, wanneer blijkt dat hij de titels vrijwillig heeft afgestaan, slechts de teruggave ervan door de derde-verkrijger verkrijgen indien hij bewijst dat hij hetzij eigenaar ervan is of erop enig zakelijk recht heeft hetzij gemachtigd is een dergelijke teruggave te vorderen; de enkele omstandigheden dat de derde-verkrijger de bescherming van art. 2279 B.W. niet kan genieten, sluit het bestaan niet in van het recht van degene die de zaak opvordert.

•• Bergen 17 juni 1994, J.T. 1995, 171.


Aangezien een handgift een rechtshandeling is, moet zij in principe worden bewezen met een geschrift of althans met behulp van een begin van schriftelijk bewijs, aangevuld door getuigenissen of vermoedens, overeenkomstig de regels van het gemeen recht.
Bij toepassing van art. 1353 in fine B.W. kan het bewijs evenwel worden geleverd met alle wettelijke middelen wanneer het gaat om het aanklagen van het bedrieglijke karakter van een verrichting of een akte.


Wanneer het bezit dubbelzinnig is, behoort het aan de bezitter het bewijs te leveren van het bestaan van een handgift volgens de regels van het gemeen recht.

Alhoewel de bescherming van het bezit met betrekking tot roerende goederen, bepaald bij art. 2279 B.W., van toepassing kan zijn op kasbons, geldt die bepaling niet voor niet-geïndividualiseerde contanten.

• Bergen 12 mei 1992, Rev. not. b. 1994, 281.

De voorwaarden uit art. 2279 B.W. zijn niet vervuld wanneer het bezit dubbelzinnig is omdat er twijfel bestaat omtrent de oorzaak of de aard van genoemd bezit.

Wanneer de bezitsbescherming van art. 2279 B.W. niet kan worden ingeroepen, moet degene die beweert de verkrijger van een handgift te zijn, schriftelijk het bestaan bewijzen van een bezitsoverdracht van de wil van de de cuius om te geven.
Het bewijs van de echtheid van de handgift wordt niet geleverd door de verklaringen die de de cuius, toen hij beschikte, ten overstaan van getuigen heeft gedaan met betrekking tot het aantal "beslagenen" in zijn familie. Uit de verklaringen van de de cuius aan een getuige dat hij "alles zou nalaten aan zijn levensgezellin", die trouwens bij dit onderhoud aanwezig was en die werd genoemd, kan niet het bewijs van de handgift worden afgeleid, maar hoogstens een voornemen, waarvan de verwezenlijking niet wordt bewezen, daar de aard en de omvang van dit "alles" niet werden gepreciseerd en de de cuius uitdrukkelijk heeft geweigerd zijn wil op schrift te stellen.


•• Gent (16e k.) 30 maart 2001, TWVR 2002-03, afl. 3, 107.

Het bezit wordt vermoed deugdelijk te zijn, én diegene die voorhoudt dat het bezit gebrekkig is, moet dit bewijzen. Diegene die geen deugdelijk bezit heeft van kasbons die hij voorhoudt door middel van een handgift te hebben verkregen, dient deze handgift te bewijzen. In dergelijk geval is het eigendomsvermoeden uit art. 2279 B.W. immers ongedaan gemaakt, én moet de ingeroepen eigendomsoverdragende handeling worden bewezen.

Het bezit van kasbons is nog niet heimelijk omdat de bezitter er met niemand over gesproken heeft of het niet openbaar heeft gemaakt, wanneer daartoe geen verplichting bestond en er geen reden was om dit bezit aan anderen te verkondigen. Ook het feit dat de beweerdelijk geschonken kasbons reeds zeer spoedig na het overlijden van de erflaatster worden verzilverd, bewijst nog geen heimelijkheid van het bezit ervan.

Het bezit is dubbelzinnig wanneer het voor verschillende interpretaties vatbaar is. Wanneer er kasbons worden teruggevonden in de handen van de kleindochter van de erflaatster, die ook advocaat is, betekent dit nog niet dat haar bezit daarom dubbelzinnig is. De loutere mogelijkheid dat het zo zou kunnen zijn dat de grootmoeder haar kleindochter-advocaat als vertrouwenspersoon zag en daarom aan haar de kasbons zou hebben toevertrouwd in bewaring, is daartoe onvoldoende én dit des te meer wanneer er geen enkele concrete aanwijzing is dat de grootmoeder voor haar zaken ooit gebruik heeft gemaakt van het feit dat haar kleindochter advocaat was.

•• Gent 14 juni 1994, R.W. 1995-96, 542.

Een gift van hand tot hand is geldig wanneer de schenker de onherroepelijke bedoeling heeft te schenken en er een materiële eigendomsoverdracht plaatsvindt van het geschonken goed van de schenker aan de begiftigde. Voor de geldigheid ervan is civielrechtelijk niet vereist dat een document opgesteld wordt.

De begiftigde wordt beschermd door het vermoeden van art. 2279 B.W. op voorwaarde dat zijn bezit voldoet aan de vereisten van art. 2229 B.W.
Wie beweert dat het bezit niet deugdelijk is, draagt de last van het bewijs dat het bezit, gelet op de omstandigheden van de zaak, voor verschillende interpretaties vatbaar is.
Of het bezit al dan niet deugdelijk is, is in wezen een feitenkwestie die door alle middelen rechtens bewezen mag worden.

Nog dit: 

Te volgen procedure bij een handgift:

stap 1: In een aangetekend schrijven van de schenker aan de begiftigde wordt de intentie tot schenking medegedeeld. De brief wordt zo gevouwen dat deze zonder omslag kan verstuurd worden waardoor de poststempel op de brief staat.

stap 2: de goederen of gelden wordt fysiek overgedragen aan de begiftigde (liefst in aanwezigheid van getuigen).

stap 3: Onmiiddellijk nadat de begiftigde deze goederen of gelden bekomen heeft stuurt hij een aangetekende brief aan de schenker (opnieuw zonder omslag maar wel dichtgekleefd op een wijze waardoor de poststemper zal geplaatst worden op de brief zelf. Hierin stelt de begiftigde dat hij de schenking aanvaardt.

stap 4: Onmiddelijk na ontvangst van deze brief stellen schenker en begiftigde een overeenkomst op waarin de schenking wordt bevestigd en waaraan de voorafgaande brieven worden aangehecht, samen met een eventuele getuigenverklaring.

Te volgen procedure bij een bankgift

stap 1: de schenker stort een bedrag op de rekening van de begiftigde zonder enige vermelding.

stap 2: Op het zelde moment stuurt de schenker een aangetekend schrijver naar de begiftigde waarin de schenker stelt de dat gedane storting een schenking is. De brief wordt zonder omslag verzonden maar zodanig gevouwd en dichtgekleefd waardoor de brief terzelfdertijd de omslag uitmaakt en de poststempel op het document voorkomt. De brief wordt best gesteld op een fotocopie waarop zowel de overschrijving als het bankuittreksel van de schenker zijn afgedrukt.

stap 3: Onmiddellijk na ontvangst van deze brief door de begiftigde en nadat deze de gelden op zijn rekening heeft ontvangen stuurt de begiftigde aan de schenker een aangetekende brief waarin de goede ontvangst van de gelden wordt bevestigd en deze gelden als schenking worden aanvaardt. De brief wordt zonder omslag verzonden maar zodanig gevouwd en dichtgekleefd waardoor de brief terzelfdertijd de omslag uitmaakt en de poststempel op het document voorkomt. De brief wordt best gesteld op een fotocopie waarop het bankuittreksel van de begiftigde is afgedrukt.

Stap 4: Na ontvangst van deze brieven wordt een overeenkomst opgesteld tussen schenker en begiftigde waarin de schenking en de aanvaarding ervan wordt bevestigd


De handgift en de verdoken schenking zijn niet onderworpen aan de vormvoorschriften van art. 931 e.v. BW (in die zin: Cass. 31 januari 1867, Pas. 1967, I, 159; Cass. 6 mei 1853, Pas. 1853, I, 336; Rb. Mechelen 5 maart 2008, T.Not. 2008, 80). Op de handgift en de vermomde schenking zijn enkel de grondvereisten voor de geldigheid van een schenking van toepassing, en de ontdekking van een dergelijke schenking leidt er enkel toe dat de grondregels inzake giften van toepassing zijn en dat erfrechtelijke correcties eventueel op deze giften moeten worden doorgevoerd (in die zin: Cass. 29 april 2010, Pas. 2010, 1320; Luik 9 januari 2007, JT 2007, 278; R. Barbaix en B. Verdickt, “De ontdekking van de vermomde schenking. Het Hof van Cassatie bevestigt de klassieke opvatting”, T.Not. 2011, 439-457).

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:16
Laatst aangepast op: zo, 27/05/2018 - 10:54

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.