-A +A

handelsvertegenwoordiger

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

uitwinningsvergoeding door een handelsvertegenwoordiger

de regels mbt een concurrentiebeding zijn verschillend voor bedienden andere dan handelsvertegenwoordiger.

 

Definitie handelsvertegenwoordiger

Een arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordigers is een  overeenkomst waarbij een werknemer zich ertoe verbindt tegen betaling van loon, cliënteel op te sporen en te bezoeken met het oog op het onderhandelen en het sluiten van zaken en waarbij deze activiteit op bestendige wijze wordt gevoerd.

Voorwaarden:

prospectie: dit is het zoeken van eindgebruikers en dus niet het opsporen van tussenpersonen;
• daadwerkelijk bezoek van klanten door fysieke aanwezigheid (contacten per mail of telefoon bestaan niet)
• de bedoeling van het bedoeling dient te bestaan uit onderhandelingen
• deze prospectie dient de hoofdactiviteit uit te maken.

Wanneer de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd door de werkgever zonder dringende reden of door de handelsvertegenwoordiger om een dringende reden, is een vergoeding wegens uitwinning verschuldigd aan de handelsvertegenwoordiger die een cliënteel heeft aangebracht, tenzij de werkgever bewijst dat uit de beëindiging van de overeenkomst geen enkel nadeel volgt voor de handelsvertegenwoordiger.

De 4 voorwaarden voor het bekomen van een uitwinningsvergoeding door een handelsvertegenwoordiger:

1. De beëindiging van de arbeidsovereenkomst

- ofwel door de werkgever zonder dringende (middels opzegtermijn of opzegvergoeding)
- ofwel door de handelsvertegenwoordiger wegens een zwaarwichtige reden in hoofde van de werkgever.

Geeft de handelsvertegenwoordiger zelf zijn
ontslag geeft of wordt hij afgedankt omwille van een gerechtvaardigde
zwaarwichtige reden dan heeft hij geen recht op een uitwinningsvergoeding
verschuldigd.

De handelsvertegenwoordiger kan ook geen aanspraak maken op een uitwinningsvergoeding wanneer de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd in onderling akkoord of door het verstrijken van de termijn, wanneer de arbeidsovereenkomst werd aangegaan voor een bepaalde duur.

2. De vertegenwoordiger moet cliënteel aan zijn werkgever hebben aangebracht.

Hiermee wordt bedoeld nieuwe klanten waarmee de werkgever voordien nooit zaken gedaan heeft. Verhoging aantal klanten of omzet is niet relevant.

Ciënteelaanbreng door de vertegenwoordiger wordt vermoedt wanneer zijn arbeidsovereenkomst een niet-concurrentiebeding bevat. Dit vermoeden is weerlegbaar. Om aan de betalingsverplichting te ontsnappen van de uitwinningsvergoeding zal bij het bestaan van het niet concurrentiebeding de  de werkgever moeten bewijzen dat er geen cliënteel werd aangebracht.

3. De vertegenwoordiger moet, tengevolge van het ontslag of de verbreking, schade hebben geleden

Om  te ontsnappen aan de verplichting tot betaling van de uitwinningsvergoeding kan de werkgever eventueel het bewijs leveren dat de vertegenwoordiger geen schade leed naar aanleiding van de verbreking van de overeenkomst en het feit dat hij het cliënteel niet verder kan of mag prospecteren.

Om dit bewijs te leveren dient aangetoond:

-  een onmiddellijke aanwerving van de ontslagen vertegenwoordiger door een concurrerende firma,
- het bezoek van een zelfde geografische, economische en commerciële sector,
- gelijkwaardige bezoldiging en gelijkaardige tewerkstellingsvoorwaarden.

De loutere vaststelling dat de vertegenwoordiger onmiddellijk een nieuwe en zelfs beter betaalde job gevonden heeft, volstaat niet om het recht op uitwinningsvergoeding uit te sluiten.

4. De vertegenwoordiger dient een anciënniteit van minstens één jaar te hebben verworven bij dezelfde werkgever, waarbij de termijn van opzegging meetelt voor vaststelling van de anciënniteit. Let wel bij verbreking van het arbeidscontract met betaling van een opzeggings- of verbrekingsvergoeding) wordt de anciënniteit slechts berekend tot op de dag van de verbreking.

Het bedrag van de uitwinningsvergoeding zoals wettelijk bepaald.

De uitwinningsvergoeding is gelijk aan het loon van drie maanden voor de handelsvertegenwoordiger die bij dezelfde werkgever was tewerkgesteld gedurende een periode van (minstens) één tot vijf jaar. Zij wordt met het loon van één maand verhoogd bij het ingaan van elke bijkomende vijfjaarlijkse dienstperiode bij dezelfde werkgever.

De toekenning van deze vergoeding, laat het recht van de handelsagent om schadevergoeding te vorderen onverlet». Heeft de agent recht op een uitwinningsvergoeding en vergoedt het bedrag van deze vergoeding de werkelijk geleden schade niet volledig, dan kan de handelsagent ten belope van het verschil schadeloosstelling verkrijgen (art. 21 Handelsagentuurwet). Blijkens de memorie van toelichting is deze bijkomende vergoeding geïnspireerd op art. 103 Arbeidsovereenkomstenwet en kan zij enkel «in bepaalde uitzonderlijke gevallen» worden verkregen (Parl. St. Senaat 1991-1992, nr. 355-1, p. 20).

De handelsagent. heeft recht op de uitwinningsvergoeding bepaald in art. 20 van de handelsagentuurwet en wanneer het bedrag van deze vergoeding de werkelijk geleden schade niet volledig vergoedt, heeft de handelsagent, mits hij de werkelijke omvang van de beweerde schade bewijst, boven deze vergoeding recht op schadeloosstelling ten belope van het verschil tussen het bedrag van de werkelijk geleden schade en het bedrag van die vergoeding. (vb voor de schade die de handelsagent lijdt doordat de gedane investeringen ten gevolge van de opzegging verloren zijn gegaan). Zie Hof van Beroep Brussel 19 maart 2008, RW 2008-2009, 1691 met Noot Dave Mertens Welke schade vergoedt de bijkomende vergoeding van de handelsagent? lees deze noot met het paswoord van RW

Rechtspraak uitwinningsvergoeding

Rechtsleer: K. Wagner – Agentuurovereenkomst en clientèlevergoeding lees deze noot met paswoord RW

Werken op zondag en overuren

Handelsvertegenwoordigers hebben geen recht op een extra vergoeding voor overuren

In tegenstelling met werk op zondag is er geen verbod op zaterdagwerk.

Het verbod op zondagwerk kent wettelijke uitzonderingen zoals  manifestaties, salons, beurzen, e.d.

Aldus kan een werknemer wel degelijk verplicht worden om op zondag te werken op een handelsbeurs.

In dit geval heeft de werknemer voor arbeid op zondag recht op een hele of een halve vervangende rustdag, al naargelang er meer of minder dan vier uur werd gewerkt. Die rusttijd moet toegekend worden binnen zes dagen die volgen op de desbetreffende zondag. Als die regels toegepast worden, leidt arbeid op zondag dus niet tot een vergoeding voor een overurenprestatie.

De wetgeving mbt extra vergoeding van overuren en/of recht op compensatierust is niet toepasselijk op handelsvertegenwoordigers.
Dit neemt niet weg dat ook de handelsvertegenwoordigers onderworpen zijn aan een verplicht uurrooster.

Wanneer een handelsvertegenwoordiger meer uren presteert, dan kan hij geen aanspraak maken op compensatierust en/of extra loon met de loontoeslag van 50% of 100%.

De rechtspraak heeft evenwel in een aantal gevallen bepaald dat een handelsvertegenwoordiger recht kan hebben op bijkomend loon, in evenredigheid met het aantal extra gepresteerde uren. De rechter oordeelde dat het overeengekomen loon enkel het normale aantal arbeidsuren vergoedt en dat extra gepresteerde uren dus bijkomend vergoed weze het zonder toeslagen moesten worden aan het normale loontarief.
 

Rechtspraak uitwinningsvergoeding:

zie RABG 2006 Capita Selecta Arbeidsrecht

Arbeidshof Brussel, 29 april 2005, rol nr. 44395

Een handelsvertegenwoordiger was als rekruteringsconsultant in dienst bij een headhunteronderneming en aldaar belast met het bezoeken en prospecteren van clienteel met het oog op het onderhandelen en sluiten van zaken, met name het plaatsen van kandidaten bij ondernemingen.

De arbeidsovereenkomst werd op 26 december 2001 eenzijdig verbroken.

Aan de handelsvertegenwoordiger werd bij de opzeg een opzegtermijn van 3 maanden toegekend met ingang van 1 januari 2002.

Deze laatste kan hiermee geen vrede nemen en dagvaardt de werkgever tot betaling van een opzegvergoeding van:

• 4 maanden loon,
• een uitwinningsvergoeding van 3 maanden loon
• een schadevergoeding wegens rechtsmisbruik bij ontslag van 5000 euro.

De arbeidsrechtbank staat de gevorderde opzegvergoeding en de uitwinningsvergoeding toegekend. De werkgever tekent beroep aan bij het arbeidshof enkel met betrekking tot de toekenning van de uitwinningsvergoeding.

 

De werkgever probeert eerst zijn stelling hard te maken door erop te wijzen dat de handelsvertegenwoordiger geen aanspraak kan maken op een uitwinningsvergoeding gezien de arbeidsovereenkomst in onderling overleg werd beëindigd. Het arbeidshof veegt deze argumentatie van tafel gezien van een beëindiging in overleg niet het minste bewijs voorligt.

De werkgever probeert met een tweede argument door te stellen dat de handelsvertegenwoordiger geen effectief clienteel heeft aangebracht en dat de handelsvertegenwoordiger geen nadeel heeft geleden door de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

Ook hier faalt de werkgever. Het arbeidshof wijst op de bepalingen van  artikel 105 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 dat een vermoeden schept van het aanbrengen van een cliënteel van zodra er in het arbeidscontract een concurrentiebeding werd voorzien.

Dit vermoeden blijft bestaan wanneer de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd in omstandigheden waarin het concurrentiebeding geen uitwerking heeft of wanneer het nietig is. De werkgever slaagt er niet in om het tegenbewijs te leveren. Evenmin kan hij aantonen dat de handelsvertegenwoordiger geen nadeel zou hebben geleden ingevolge het ontslag. De onderneming beweert, doch bewijst niet, dat de handelsvertegenwoordiger onmiddellijk na het ontslag is beginnen te werken voor een ander headhunterkantoor. Om het bewijs van afwezigheid van nadeel te leveren, moet de werkgever bewijzen dat de handelsvertegenwoordiger:
in dezelfde geografische sector,
een gelijkaardig product verkoopt, en;
erin geslaagd is aan zijn nieuwe werkgever het cliënteel te verschaffen die hij aan zijn oude werkgever had aangebracht.

Hof van Cassatie 1e Kamer, 15 mei 2008, RW 2008-2009, 1684 met NOOT, K. Wagner – Agentuurovereenkomst en clientèlevergoeding
lees deze noot met paswoord RW

NV D.B.B. t/ M.V.M.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 23 januari 2007 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Krachtens art. 20, eerste lid, van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst heeft de handelsagent, na de beëindiging van de overeenkomst, recht op een uitwinningsvergoeding, wanneer hij de principaal nieuwe klanten heeft aangebracht of wanneer hij de zaken met de bestaande klanten aanzienlijk heeft uitgebreid, voor zover dit de principaal nog aanzienlijke voordelen kan opleveren.

Krachtens dit artikel wordt de principaal geacht, behoudens tegenbewijs, nog aanzienlijke voordelen te krijgen, zo de overeenkomst voorziet in een concurrentiebeding.

2. Uit de tekst van de wet en uit de parlementaire voorbereiding volgt dat de handelsagent recht heeft op een uitwinningsvergoeding, wanneer naar redelijke verwachting mag worden aangenomen dat de aanbreng van nieuwe klanten of de aanzienlijke uitbreiding van de zaken met de bestaande klanten, na de beëindiging van de overeenkomst, de principaal nog aanzienlijke voordelen zal opleveren, wat een zekere bestendigheid van bedoelde aanbreng of uitbreiding impliceert. Het is evenwel niet vereist dat de aanbreng of de uitbreiding, na de beëindiging van de overeenkomst, daadwerkelijk nog aanzienlijke voordelen oplevert voor de principaal.

De vervulling van de voorwaarde dient in de regel te worden beoordeeld op het ogenblik van de beëindiging van de overeenkomst. Feiten, die dateren van na de beëindiging van de overeenkomst en van aard zijn de verwezenlijking van de voorwaarde in de weg te staan, mogen in geen geval in aanmerking worden genomen, wanneer zij aan de principaal zelf toe te schrijven zijn.

3. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat, op het ogenblik van de beëindiging van de handelsagentuurovereenkomst, moet vaststaan dat de aanbreng van nieuwe klanten of de aanzienlijke uitbreiding van de zaken met de bestaande klanten nog aanzienlijke voordelen zal opleveren, faalt het naar recht.

4. De appelrechter oordeelt dat:

- zelfs rekening houdende met de muntontwaarding, aan de hand van de door de verweerster overgelegde en door de eiseres op zichzelf niet betwiste cijfers, moet worden aangenomen dat er een belangrijke aanbreng van nieuwe klanten en een aanzienlijke uitbreiding van de zaken met de bestaande klanten heeft plaatsgevonden;

-  het vereiste dat voormelde aanbreng of uitbreiding de principaal nog aanzienlijke voordelen moet kunnen opleveren, te beoordelen is op het ogenblik dat de agentuur een einde neemt;

- er niet moet worden bewezen dat deze voordelen zich effectief hebben verwezenlijkt;

-  daar de overeenkomst een niet-concurrentiebeding inhoudt, behoudens tegenbewijs, moet worden aanvaard dat de aanbreng of uitbreiding van aard was nog aanzienlijke voordelen op te leveren voor de eiseres;

- de eiseres dit tegenbewijs niet levert;

- bij deze beoordeling, rekening wordt gehouden met het feit dat de op het einde van de agentuur bestaande cliëntèle, de mogelijkheid bood om toekomstige bestellingen te verkrijgen en dit, in acht genomen de aard van de bankproducten, bankdiensten en bankrelaties, op voortdurende en zelfs dagelijkse basis.

5. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de appelrechter door aan te nemen dat de beoordeling dient te geschieden op het ogenblik dat de agentuur een einde neemt, zonder dat moet worden bewezen dat deze voordelen effectief werden gerealiseerd, meteen ook aanneemt dat louter potentiële voordelen volstaan, zonder dat moet worden nagegaan of de aanbreng of uitbreiding voldoende garanties biedt dat de principaal dankzij die aanbreng of uitbreiding aanzienlijke voordelen zal realiseren, berust het op een verkeerde lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.

6. De appelrechter oordeelt dat niet kan worden uitgesloten dat de door de eiseres ingeroepen afvloeiing van cliëntèle te wijten is aan de wijze waarop het agentschap van de eiseres te Staden, na 30 juni 2001, werd uitgebaat.

Hij geeft aldus, zonder schending van de in het onderdeel aangevoerde wetsbepalingen, te kennen dat de eiseres in haar bewijslast faalt, omdat niet kan worden uitgesloten dat het feit dat de verwezenlijking van de voordelen in de weg staat, aan haarzelf toe te schrijven is.

7. Deze zelfstandige niet bekritiseerde reden draagt de beslissing van de appelrechter dat de eiseres in haar bewijslast faalt.

In zoverre het onderdeel opkomt tegen de overwegingen van de appelrechter met betrekking tot de omstandigheid dat de verweerster onmiddellijk, in dezelfde gemeente, voor een concurrerende bank is gaan werken en aan de klanten aankondigde dat hun wegen elkaar nog zouden kruisen en dat een groot aantal klanten de verweerster effectief zijn gevolgd naar het nieuwe kantoor en de afwezigheid van incidentie van deze elementen op de vervulling van de voorwaarde, kan het, al was het gegrond, niet tot cassatie leiden.

Het onderdeel is in zoverre, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

8. De appelrechter oordeelt dat:

-  zelfs indien rekening moet worden gehouden met de muntontwaarding, aan de hand van de door de verweerster overgelegde en door de eiseres op zichzelf niet betwiste cijfers, moet worden aangenomen dat er een belangrijke aanbreng van nieuwe klanten en een aanzienlijke uitbreiding van de zaken met de bestaande klanten heeft plaatsgevonden;

- de op het einde van de agentuur bestaande cliëntèle de eiseres de mogelijkheid bood om toekomstige bestellingen te verkrijgen en dit, in acht genomen de aard van de bankproducten, bankdiensten en bankrelaties, op voortdurende en zelfs dagelijkse basis.

De appelrechter geeft aldus niet alleen te kennen dat de aanbreng van cliëntèle en de uitbreiding van de zaken met de bestaande cliëntèle aanzienlijk waren, maar ook dat de hieruit noodzakelijkerwijze voortvloeiende aanzienlijke voordelen in beginsel duurzaam verworven waren aan de eiseres.

9. De appelrechter vermocht op die gronden, zonder schending van de in het onderdeel vermelde wetsbepaling, te oordelen dat de eiseres faalt in haar bewijslast dat de aanbreng van de cliëntèle en de aanzienlijke uitbreiding van de zaken met de bestaande cliëntèle, niet van aard waren voor haar nog aanzienlijke voordelen op te leveren na het beëindigen van de overeenkomst.

De omstandigheid dat de appelrechter erkent dat een groot aantal klanten de facto hun tegoeden en rekeningen en spaarboekjes hebben overgebracht naar het nieuwe kantoor, waar de verweerster vanaf 16 juli 2001 werkzaam is, doet hieraan geen afbreuk, omdat de appelrechter tevens vaststelt dat niet kan worden uitgesloten dat de door de eiseres aangevoerde afvloeiing van cliëntèle aan haar zelf toe te schrijven is.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

 
Rechtsleer:

• VAN EECKHOUTTE, W., Handelsvertegenwoordigers - Bijdragen in boek - In: VAN EECKHOUTTE, W., Sociaal Compendium. Arbeidsrecht met fiscale notities. 2017-2018, 2810-2852 (43 p.) - 2007, in Jurabibliotheek kantoor

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:13
Laatst aangepast op: do, 07/06/2018 - 15:07

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.