-A +A

Grievenstelsel hoger beroep

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Het recht op hoger beroep in strafzaken werd grondig hervormd door de de Potpourri II: wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering). Hierna geven wij de nieuwe actuele en thans vigerende regeling.

Het grievenstelsel

Het instellen van het hoger beroep wordt thans afhankelijk gemaakt met vermelding van de grieven. Het hoger beroep is derhalve niet zomaar een «gratuite tweede ronde » maar in wezen de beoordeling door een hogere rechtsmacht van concrete grieven

Art. 204. Op straffe van verval van het hoger beroep bepaalt het verzoekschrift nauwkeurig de grieven die tegen het vonnis worden ingebracht, met inbegrip van de procedurele grieven, en wordt het verzoekschrift binnen dezelfde termijn en op dezelfde griffie ingediend als de in artikel 203 bedoelde verklaring. Het verzoekschrift wordt ondertekend door de eiser in beroep of zijn advocaat, of door een ander bijzonder gevolmachtigde. In dit laatste geval wordt de volmacht bij het verzoekschrift gevoegd.

Dit verzoekschrift kan ook rechtstreeks worden ingediend op de griffie van de rechtbank of het hof waarvoor het hoger beroep wordt gebracht.

Daartoe kan een formulier, waarvan het model wordt bepaald door de Koning, worden gebruikt.

Deze bepaling geldt ook voor het openbaar ministerie.


Beroep aantekenen in strafzaken vereist dus tijdig een verklaring van hoger beroep ter griffie overeenkomstig art. 203 Sv.en de tijdige neerlegging van een verzoekschrift ter griffie met grieven («grievenschrift») overeenkomstig art. 204 Sv.

Maar aangezien de termijnen dezelfde zijn is het eenvoudiger om aantekenen van beroep door verklaring en de neerlegging van het grievenschrift op zelfde datum uit te voeren.

Art. 204 Sv.legt niet alleen op om grieven te vermelden zij dienen bovendien nauwkeurig omschreven worden met inbegrip van de procedurele grieven.

De herhaling van conclusies in eerste aanleg is geen grief,een eenvoudige melding van hoger beroep of melding van niet akkoord is geen grief.

Binnen de termijn om een grievenschrift neer te leggen kan een nieuw vervangend grievenschrift worden neergelegd.

Het formulier vermeld in het derde lid van art. 204 Sv.dat kan gebruikt worden voor het indienen van het verzoekschrift werd opgenomen bij KB van 18 februari 2016.

Ook het openbaarministerie, de burgerlijke partij, de gedetineerde beklaagde, is onderworpen aan de vereiste van het grievenschrift

Wijziging devolutieve werking hoger beroep door grievenstelsel

Art. 210.Watboek strafvordering. Voordat de rechters hun gevoelen uiten, worden de beklaagde, onverschillig of hij vrijgesproken dan wel veroordeeld is, de voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijke personen, de burgerlijke partij , of hun advocaat en de procureur-generaal gehoord over de nauwkeurig bepaalde grieven die tegen het vonnis worden ingebracht, en zulks in de door de rechter te bepalen volgorde. De beklaagde of zijn advocaat heeft, indien hij het vraagt, altijd het laatste woord.

Behoudens de grieven opgeworpen zoals bepaald in artikel 204, kan de beroepsrechter slechts de grieven van openbare orde ambtshalve opwerpen die betrekking hebben op de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen dan wel op :
- zijn bevoegdheid;
- de verjaring van de feiten die bij hem aanhangig zijn gemaakt;
- het gegeven dat de feiten die bij hem wat betreft de schuldvraag aanhangig zijn gemaakt, geen misdrijf zijn of de noodzaak om deze feiten te herkwalificeren of een niet te herstellen nietigheid die het onderzoek naar deze feiten aantasten.
De partijen worden verzocht om zich uit te spreken over de ambtshalve opgeworpen middelen.

Aldus wordt de akte van hoger beroep de ultieme bovengrens bij de vaststelling van de devolutieve werking van het hoger beroep.
Een «grief» kan worden gedefinieerd als het door de appellant (of door de appelrechter ambtshalve) gelaakte en specifiek aangewezen punt van de beslissing dat vervat is in het bestreden vonnis en dat in het kader van het grievenstelsel als een afzonderlijke «beslissingsentiteit» kan worden beschouwd.

Voorbeelden van grieven
• de beslissing over schuld,
• de beslissing over straftoemeting,
• de beslissing betreffende de gegrondheid de vordering van de burgerlijke parij
• de beslissing van een of meerdere schadeposten van een burgerlijke partij,
• de beslissing tot kapitalisatie of de afwijzing ervan toegepaste methode
• de beslissing over het bedrag van één of meerdere schadeposten
• de beslissing over de ontvankelijkheid van een bepaalde burgerlijke- partijstelling enz.).


Met andere woorden zijn de grieven de nauwkeurig omschreven elementen van het aangevochten vonnis die de appellant wil aanvechten en niet de middelen (inhoudelijke verweermiddelen in rechte en in feite), niet het waarom hij het met deze of gene beslissing niet eens is.

Er kan niet genoeg benadrukt dat de wetgever het hoger beroep in strafzaken niet afhankelijk heeft gemaakt van een gemotiveerd verzoekschrift waarin de appellant op een exhaustieve wijze zijn argumentatie met uitgewerkte middelen in rechte en feite tegen het bestreden vonnis uiteenzet.

De grieven van openbare orde die de appelrechter ambtshalve kan opwerpen.

Hoe krijgen we uitgelegd dat de beoordeling van de strafvordering steeds de openbare orde aanbelangt steeds ambtshalve tot de macht van de rechtbank blijft behoren versus het beperkte grievenstelsel?

De appèlrechter kan aldus allereerst ambtshalve grieven van openbare orde opwerpen die betrekking hebben op substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, onder meer de verjaring.

Rechtsleer:

MEGANCK, B., Grieven in hoger beroep en de revival van artikel 204 Wetboek van Strafvordering: hoe precies moet nauwkeurig zijn?, T.Strafr. 2017, afl. 1, 39-48, Jurabibliotheek.

Nog dit: 

Cassatie 24/11/2015, AR P.14.1192.N, juridat

Samenvatting

Krachtens artikel 210 Wetboek van Strafvordering wordt de beklaagde in hoger beroep gehoord over de nauwkeurig bepaalde grieven die tegen het beroepen vonnis worden ingebracht; de enkele herneming van een in eerste aanleg gevoerd verweer vormt geen nauwkeurig bepaalde grief in de zin van de vermelde bepaling en de appelrechters dienen een dergelijk verweer dan ook niet te beantwoorden, ook niet in het geval de eerste rechter een beklaagde voor bepaalde telastleggingen heeft vrijgesproken

Tekst arrest

Nr. P.14.1192.N

H E H,

beklaagde,

eiser,

tegen

K S,

burgerlijke partij,

verweerster.



I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 3 juni 2014.



II. BESLISSING VAN HET HOF



Beoordeling



Eerste grief



1. De grief voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.1 IVBPR en artikel 151, § 1, Grondwet: het arrest oordeelt dat er geen afdoende redenen voor-handen zijn om de verklaring van de verweerster in twijfel te trekken, gelet op de bijkomende, objectieve elementen die deze verklaring ondersteunen; nochtans zijn deze bijkomende elementen niet bewezen en kunnen zij niet bijdragen tot de ge-loofwaardigheid van de verklaring van de verweerster; de appelrechters beoordelen de zaak alleen vanuit het standpunt van de verweerster, zonder rekening te houden met het gebrek aan bewijs en met eisers verklaringen; doordat de appelrechters de zaak maar beoordelen vanuit het standpunt van de verweerster en geen rekening houden met eisers verklaringen, bestaat er een schijn van partijdigheid.



2. De rechter beoordeelt in feite, mitsdien onaantastbaar, de bewijswaarde van de hem regelmatig overgelegde feitelijke gegevens waarover de partijen tegen-spraak hebben kunnen voeren.



In zoverre de grief opkomt tegen dit feitelijk oordeel of verplicht tot een onder-zoek van feiten, waartoe het Hof niet bevoegd is, is hij niet ontvankelijk.



3. Uit de loutere onaantastbare beoordeling door de rechter van de bewijs-waarde van de hem overgelegde feitelijke gegevens, kan geen schijn van partij-digheid van de rechter worden afgeleid.



In zoverre de grief uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt hij naar recht.



Tweede grief



4. De grief voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en artikel 14.2 IVBPR: het arrest hecht geen geloof aan eisers verklaring; het spreekt zich niet uit over zijn verklaringen en eisers schuld is niet bewezen; door een dermate hoog en on-gegrond geloof te hechten aan de verklaring van de verweerster, miskent het arrest het vermoeden van onschuld.



5. Uit de loutere omstandigheid dat de rechter de bewijswaarde van de hem regelmatig overgelegde feitelijke gegevens anders beoordeelt dan de beklaagde, kan geen miskenning van het vermoeden van onschuld worden afgeleid.



De grief die uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.



Derde grief



6. De grief voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 780, 3°, Gerechtelijk Wetboek: het arrest beantwoordt eisers in conclusie aangevoerd ver-weer niet; het oordeelt dat het op grond van artikel 210 Wetboek van Strafvorde-ring niet moet antwoorden op neergelegde conclusies, wanneer de eerste rechter het in een conclusie aangevoerd verweer beantwoordt en er tegen het beroepen vonnis geen grieven worden aangevoerd; het beroepen vonnis spreekt de eiser evenwel vrij van twee van de drie telastleggingen, zodat de eiser uiteraard geen grieven uitte tegen deze beslissing; het arrest gaat voorbij aan de tegenstrijdighe-den in de verklaringen van de verweerster en beoordeelt zelf niet het feit dat zij in een verklaring loog over de belaging, terwijl de eiser het bewijs van het tegendeel voorbracht; het arrest plaatste de verklaringen van de verweerster boven die van de eiser.



7. Artikel 780, 3°, Gerechtelijk Wetboek is niet van toepassing in strafzaken.



In zoverre faalt de grief naar recht.



8. Met de in het arrest (p. 9 en 10) weergegeven redenen beantwoordt het ei-sers verweer over de tegenstrijdigheden en leugens in de verklaringen van de ver-weerster en motiveert het waarom het geen geloof hecht aan eisers verklaringen.



In zoverre mist de grief feitelijke grondslag.



9. Krachtens artikel 210 Wetboek van Strafvordering wordt de beklaagde in hoger beroep gehoord over de nauwkeurig bepaalde grieven die tegen het beroe-pen vonnis worden ingebracht.



10. De enkele herneming van een in eerste aanleg gevoerd verweer vormt geen nauwkeurig bepaalde grief in de zin van de vermelde bepaling. De appelrechters dienen een dergelijk verweer dan ook niet te beantwoorden, ook niet in het geval de eerste rechter een beklaagde voor bepaalde telastleggingen heeft vrijgesproken.



In zoverre de grief uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt hij naar recht.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 100,71 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, en op de openbare rechtszitting van 24 november 2015 uitgesproken

• Cassatie 18/04/2017, AR nr. P.17.0031.N RW 2017-2018, 664

samenvatting

Een grief als bedoeld in art. 204 Sv. is de specifieke aanwijzing door de appellant van een afzonderlijke beslissing van het beroepen vonnis, waarvan hij de hervorming door de appelrechter vraagt. Niet vereist is dat de appellant in zijn verzoekschrift of zijn grievenformulier reeds opgave doet van de redenen waarom hij die hervorming vraagt.

De appelrechter oordeelt onaantastbaar in feite of de grieven die in het verzoekschrift of het grievenformulier zijn opgegeven, voldoende nauwkeurig zijn, waarbij het Hof van Cassatie wel nagaat of de appelrechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord. Uit de enkele omstandigheid dat een appellant aanduidt dat zijn grieven betrekking hebben op alle beslissingen van het beroepen vonnis, kan niet worden afgeleid dat die grieven niet nauwkeurig zijn.

tekst arrest

AR nr. P.17.0031.N

J.E.E.H.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis in hoger beroep van de Correctionele Rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 6 december 2016.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Middel

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van art. 204 Sv.: het bestreden vonnis verklaart het hoger beroep van de eiser ten onrechte vervallen bij gebrek aan rechtsgeldig grievenformulier; de eiser heeft in het grievenformulier bij de rubriek «1.12 andere» onder de hoofding «1. strafgebied» de woorden «alle beschikkingen» vermeld; aangezien de eiser slechts wegens één telastlegging tot een straf was veroordeeld en er geen burgerrechtelijk aspect aan de orde was, was het voor de appelrechters duidelijk dat eisers grieven betrekking hadden op elke afzonderlijke beslissing die het beroepen vonnis ten nadele van de eiser bevatte, namelijk de schuldigverklaring en de strafmaat; door te oordelen dat de eiser een reden tot ontevredenheid met de beslissing van het beroepen vonnis moest preciseren, voegt het bestreden vonnis wederrechtelijk voorwaarden toe aan het voormelde artikel.

2. Krachtens art. 204 Sv. bepaalt het verzoekschrift, op straffe van verval van het hoger beroep, nauwkeurig de tegen het vonnis ingebrachte grieven, met inbegrip van de procedurele grieven. Daartoe kan een formulier worden gebruikt waarvan het model wordt bepaald door de Koning.

3. Een grief in de zin van dat artikel is de specifieke aanwijzing door de appellant van een afzonderlijke beslissing van het beroepen vonnis, waarvan hij de hervorming door de appelrechter vraagt. Niet vereist is dat de appellant in zijn verzoekschrift of zijn grievenformulier reeds opgave doet van de redenen waarom hij die hervorming vraagt.

4. De appelrechter oordeelt onaantastbaar in feite of de grieven die in het verzoekschrift of het grievenformulier zijn opgegeven, voldoende nauwkeurig zijn. Het Hof gaat evenwel na of de appelrechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.

5. Uit de enkele omstandigheid dat een appellant aanduidt dat zijn grieven betrekking hebben op alle beslissingen van het beroepen vonnis, kan niet worden afgeleid dat die grieven niet nauwkeurig zijn.

6. Het beroepen vonnis veroordeelt de eiser wegens een snelheidsovertreding tot een geldboete, een rijverbod, de kosten van de strafvordering met inbegrip van de in art. 91, tweede lid, Tarief Strafzaken bepaalde vergoeding en een bijdrage aan het Slachtofferfonds. Dit zijn de enige voor de eiser nadelige beslissingen die dat vonnis bevat. De vermelding in het grievenformulier dat eisers grieven gericht zijn tegen «alle beschikkingen» van het beroepen vonnis, kan dan ook niet anders worden begrepen dan dat daarmee de hervorming wordt gevraagd van de specifieke beslissingen van dat vonnis die verband houden met eisers schuldigverklaring en de hem opgelegde straf.

7. Het bestreden vonnis oordeelt:

«De rechtbank stelt vast dat [de eiser] in dit geval helemaal geen grief heeft geformuleerd. [De eiser] geeft niet aan welk bezwaar hij had tegen de beslissing. Hij preciseerde geen reden tot ontevredenheid met de beslissing van de eerste rechter. Hij gaf niet aan in welk onderdeel het bestreden vonnis moet worden veranderd. Het feit dat in casu slechts één tenlastelegging aan de orde is, doet hieraan geen afbreuk. (...)

«De rechtbank is van oordeel dat, rekening houdende met de wil van de wetgever en gelet op de doelstellingen nagestreefd door de recente wetswijzigingen inzake het instellen van hoger beroep in strafzaken en het formuleren van nauwkeurige grieven op straffe van verval, het verzuim van [de eiser] om enige grief kenbaar te maken – laat staan een nauwkeurig omschreven grief – in dit geval het verval van het ingestelde hoger beroep als gevolg heeft.»

Aldus verantwoordt dat vonnis de beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

...

• Cass. 3 mei 2017, A.R. P.17.0145.F, juridat

samenvatting

Artikel 204, Wetboek van Strafvordering legt de eiser in hoger beroep de verplichting op om nauwkeurig te bepalen welke punten van de beroepen beslissing moeten worden gewijzigd en niet dat hij de reden opgeeft waarom die beslissing moet worden gewijzigd; wanneer het arrest vaststelt dat de beklaagde de meeste van de rubrieken met betrekking tot de strafvordering heeft aangekruist, met uitzondering van die welke geen verband houden met zijn verweer en zijn belangen, staat de bewering van de raadsman van de beklaagde dat hij onvoldoende tijd heeft gekregen om van het dossier kennis te nemen, reden waarom hij, ten bewarende titel, hoger beroep instelt, niet eraan in de weg dat het hof van beroep de mate waarin de zaak aldaar aanhangig is gemaakt, beperkt tot de beschikkingen waartegen het hoger beroep, wat de strafvordering betreft, was gericht.

Artikel 204, Wetboek van Strafvordering ontneemt de beklaagde het recht niet om het strafrechtelijk dictum dat op hemzelf betrekking heeft in zijn geheel aan te vechten (1), door desnoods het voorwerp van zijn beroep aan te passen door het op de rechtszitting te beperken, zoals bij artikel 206, zesde lid, Wetboek van Strafvordering is toegestaan (2). (1) Zie concl. OM: het Hof heeft evenwel ook verklaard dat: 'Uit deze bepalingen en de wetsgeschiedenis ervan volgt dat (...) bij een gebruik van het grievenformulier het niet de bedoeling kan zijn dat systematisch alle grieven worden aangevinkt, aangezien daardoor de beoogde doelstelling niet kan worden bereikt' (Cass. 28 februari 2017, AR P.16.1177.N, AC 2017, Nr..., met concl. advocaat-generaal DECREUS, en Cass. 18 april 2017, AR P.17.0087.N, en P.17.0105.N, AC 2017, Nrs. ... en ...). (2) Zie concl. OM: daaruit kan niet worden afgeleid dat de beperking van het hoger beroep op de rechtszitting onduidelijke grieven kan remediëren. De duidelijkheid van de grieven - die de omvang bepalen van de aanhangigmaking bij de rechter in hoger beroep - wordt immers beoordeeld op het ogenblik waarop die grieven, binnen de termijn om hoger beroep in te stellen, worden geformuleerd

test arrest

N° P.17.0145.F

S. T.

prévenu, détenu,

demandeur en cassation,



I. LA PROCÉDURE DEVANT LA COUR

Le pourvoi est dirigé contre un arrêt rendu le 18 janvier 2017 par la cour d'appel de Mons, chambre correctionnelle.

Le demandeur invoque deux moyens dans un mémoire annexé au présent arrêt, en copie certifiée conforme.

L'avocat général Michel Nolet de Brauwere a déposé des conclusions reçues au greffe le 27 avril 2017.

A l'audience du 3 mai 2017, le conseiller Françoise Roggen a fait rapport et l'avocat général précité a conclu.

II. LA DÉCISION DE LA COUR

A. En tant que le pourvoi est dirigé contre la décision rendue sur l'action publique :



Sur le premier moyen :

L'article 204 du Code d'instruction criminelle, dont le moyen accuse la violation, impose à l'appelant de préciser les points sur lesquels la décision entreprise doit être réformée. Il ne lui prescrit pas d'indiquer la raison pour laquelle elle doit l'être.

L'arrêt constate que le prévenu a coché la plupart des rubriques relatives à l'action pénale, à l'exception de celles étrangères à sa défense et à ses intérêts.

L'arrêt relève que le formulaire est, en outre, revêtu de la mention manuscrite suivante : « Appel contre toutes les dispositions pénales, venant d'être consulté et n'ayant pas connaissance du dossier, à titre conservatoire ».

L'affirmation, par le conseil du prévenu, qu'il n'a pas eu le temps de prendre connaissance du dossier et relève dès lors appel à titre conservatoire, n'a pas pu empêcher la cour d'appel de délimiter sa saisine au vu des sept dispositions énumérées par l'arrêt comme ayant été, quant à l'action publique, visées par le recours.

L'article 204 précité ne prive pas non plus le prévenu du droit d'entreprendre l'ensemble du dispositif pénal qui le concerne, quitte à mieux ajuster l'objet de son recours en le limitant à l'audience, ainsi que l'article 206, alinéa 6, le permet.

Partant, l'arrêt ne décide pas légalement qu'à défaut d'indiquer précisément les griefs élevés, le demandeur doit être déchu de son appel.

Le moyen est fondé.

Il n'y a pas lieu d'examiner le second moyen lequel ne saurait entraîner une cassation sans renvoi.

B. En tant que le pourvoi est dirigé contre l'ordre d'arrestation immédiate :

La cassation de la décision rendue sur l'action publique exercée à charge du demandeur entraîne celle de l'ordre d'arrestation immédiate qui en est la suite.

PAR CES MOTIFS,

LA COUR

Casse l'arrêt attaqué ;

Ordonne que mention du présent arrêt sera faite en marge de l'arrêt cassé ;

Réserve les frais pour qu'il soit statué sur ceux-ci par la juridiction de renvoi ;

Renvoie la cause à la cour d'appel de Liège.

Ainsi jugé par la Cour de cassation, deuxième chambre, à Bruxelles,

P.17.0145.F

Conclusions de M. l'avocat général M. Nolet de Brauwere:



Le pourvoi est dirigé contre un arrêt rendu le 18 janvier 2017 par la cour d'appel de Mons, chambre correctionnelle, statuant en degré d'appel.



I. Antécédents de la procédure



Il résulte de l'arrêt attaqué que les principales circonstances de la cause utiles à l'examen du pourvoi peuvent être résumées comme suit.



Le demandeur est poursuivi du chef des préventions de vols simples et de faux en écritures et usage de ce faux, commis entre le 10 avril et le 25 juillet 2012.



Par jugement rendu par défaut le 24 juin 2016, le tribunal correctionnel du Hainaut (division Charleroi) l'a condamné de ces chefs à des peines principales de cinq ans d'emprisonnement et 100 euro d'amende, portée à 600 euro , et a ordonné son arrestation immédiate.



Le 15 juillet 2016, ce tribunal, statuant contradictoirement, a reçu l'opposition du demandeur, l'a condamné à des peines principales de quatre ans d'emprisonnement et 100 euro d'amende, portée à 600 euro , et a à nouveau ordonné son arrestation immédiate.



Par déclaration faite le 10 août 2016, le conseil du demandeur a interjeté appel de ce jugement.



Sur le formulaire de griefs prévu à l'article 204 du Code d'instruction criminelle (1), il a écrit la mention « Appel contre toutes les dispositions pénales, venant d'être consulté et n'ayant pas connaissance du dossier [,] à titre conservatoire » et coché les cases des griefs suivants: « 1.1. déclaration de culpabilité: "1 à 9"; 1.2. qualification de l'infraction (2); 1.3. règles concernant la procédure; 1.4. taux de peine; 1.6. non-application du sursis simple - du sursis probatoire simple - de la suspension probatoire demandé(e); 1.10 violation de la CEDH; 1.11 acquittement (le cas échéant, préciser les préventions) (3) ».



Par acte du 12 août 2016, le ministère public a suivi cet appel et indiqué deux griefs, relatifs aux peines et mesures: « insuffisance » et « non-dépassement du délai raisonnable ».



Statuant sur ces appels, l'arrêt attaqué dit l'appel du prévenu irrecevable, reçoit celui du ministère public et confirme le jugement entrepris quant aux dispositions précitées.



II. Les attendus critiqués



« (...) [le demandeur], en cochant la plupart des rubriques relatives à l'action pénale (à l'exception de rubriques paraissant sans aucun objet avec la défense du prévenu et de ses intérêts, dans la présente affaire), pour la raison, établie par ses propres affirmations, qu'il le fait ‘‘à titre conservatoire'' et à défaut d'avoir pris connaissance du dossier répressif d'une manière qui lui permette de libeller, fût-ce sommairement, ses griefs, demeure en défaut de respecter l'exigence de motivation de sa requête d'appel et ne rencontre pas le prescrit légal.

Ainsi et à l'instar d'une partie poursuivie qui se serait abstenue de déposer une requête d'appel, le prévenu ne permet pas à la cour de déterminer le contour de sa saisine et aux autres parties à la cause de connaître les griefs sur base desquels elles seront amenées à assurer la défense de leurs intérêts respectifs. (...)

La circonstance qu'à l'audience du 17 novembre 2016, le prévenu a déclaré par la voie de son avocat limiter son appel à une partie seulement des rubriques préalablement cochées ne modifie aucunement les considérations qui précèdent » (4).

III. En tant que le pourvoi est dirigé contre la décision rendue sur l'action publique: examen du premier moyen, pris de la violation de l'article 204 du Code d'instruction criminelle (5)

Le demandeur fait grief à l'arrêt de déduire des considérations reproduites ci-dessus la déchéance de son appel, sanction prévue à l'article 204 précité.

« Selon [cette disposition], la requête d'appel indique précisément, à peine de déchéance, les griefs élevés, y compris les griefs procéduraux, contre le jugement; il ressort des travaux préparatoires de la loi du 5 février 2016 que le principe de l'appel sur grief n'a pas pour objectif d'obliger l'appelant à préciser les moyens qu'il entend développer devant les juges d'appel mais à déterminer leur saisine » (6).

L'exposé des motifs de la loi du 5 février 2016 précise en effet que « l'obligation de déposer en cas d'appel une requête dans laquelle sont définis précisément les griefs élevés contre le jugement attaqué, en ce compris (cf. avis du Conseil d'État, n°69) les griefs relatifs à la procédure (...) implique de préciser non les moyens mais les points sur lesquels et les raisons pour lesquelles il y a lieu de modifier la décision rendue en première instance » (7).

Et dans l'avis du Conseil d'Etat, on peut lire: « À cet égard, le délégué a apporté les précisions suivantes: "(...) le formulaire de grief ne doit pas contenir les moyens.

Il suffira a priori d'y préciser par exemple que l'appel porte p.ex. sur la qualification de la prévention C. Saisi de cette question, le juge d'appel aura le devoir de donner aux fait leur qualification exacte''. (...) Il peut (s'en) déduire (...) qu'il faut uniquement indiquer sur quel point la décision attaquée doit être réformée, mais pas la raison pour laquelle elle doit l'être. » (8).

La Cour l'a énoncé comme suit: « un grief tel que visé par l'article 204 du Code d'instruction criminelle est l'indication spécifique par l'appelant d'une décision distincte du jugement dont appel, dont il demande la réformation par le juge d'appel; il n'est pas requis que, dans sa requête ou son formulaire de griefs, l'appelant énonce déjà les raisons pour lesquelles il demande cette réformation » (9).

La Cour a ainsi notamment dit que:

- par l'énonciation que son appel « suit » celui du prévenu, le ministère public indique que ce faisant, il limite la saisine des juges d'appel au dispositif entrepris par le défendeur (10);

- le formulaire de griefs ne peut être utilisé pour y cocher systématiquement tous les griefs, ce qui serait contraire au but visé par le législateur (11);

- en revanche, rien n'interdit à l'appelant de viser « toutes les préventions » aux rubriques « déclaration de culpabilité » et « qualification des infractions », où le formulaire indique que les préventions visées doivent être précisées (12);

- en cochant les cases « qualification de l'infraction » et « acquittement » sur le formulaire de griefs, et en précisant chaque fois « toutes les préventions », l'appelant, prévenu, indique manifestement qu'il conteste la déclaration de culpabilité pour toutes les préventions et souhaite son acquittement (13);

- (décision implicite) la recevabilité de l'appel n'est pas affectée par la circonstance qu'une ou plusieurs cases du formulaire auraient été cochées sans motif au vu de la décision attaquée (14);

- il appartient certes au juge d'appel de juger souverainement en fait si l'appelant a indiqué avec suffisamment de précision ses griefs contre le jugement entrepris dans le formulaire de griefs, comme le prescrit l'article 204 [mais la Cour vérifie si le juge n'a pas déduit de ses constatations des conséquences sans rapport avec elles ou qui ne peuvent être justifiées sur cette base (15)]. Le juge d'appel peut prendre entre autres en considération le fait que l'appelant qui use d'un formulaire de griefs a également coché des griefs sans aucune pertinence quant à la décision entreprise. En revanche, il ne peut être déduit que les griefs ne sont pas précis de la seule circonstance qu'un appelant indique que ses griefs portent sur toutes les préventions du chef desquels il a été condamné ou que les motifs qu'il mentionne pour ses griefs sont peu ou non pertinents (16).

- pour vérifier l'obligation de préciser les griefs, le juge doit se placer au moment où cette obligation doit être remplie, soit au jour où la requête où le formulaire de griefs doit être déposé; le désistement ou la limitation d'appel (ou de griefs) sur pied de l'article 206 du Code d'instruction criminelle ne peut dès lors ni remédier à un manque de précision des griefs, ni servir à justifier la constatation d'un tel manque de précision (17);

- dans sa requête ou dans son formulaire de griefs, l'appelant n'est pas tenu d'indiquer déjà les raisons pour lesquelles il demande la réformation, ni de ne cocher que le grief le plus « juste » (18).

Contrairement à ce que dit l'arrêt, la détermination de la saisine du juge d'appel n'est affectée ni par les motifs des griefs (les moyens), ni par ceux de l'appel (le mobile, aurait-on dit pour une infraction).

Le juge d'appel ne peut dès lors prendre en considération ni l'absence d'indication de ces motifs, ni, s'ils sont énoncés, la pertinence de ceux-ci pour en déduire la déchéance de l'appel fondée sur l'imprécision des griefs.

Dans la présente espèce,

- Les juges d'appel ont constaté que l'appelant n'a pas coché les rubriques paraissant sans pertinence pour sa défense;

- le demandeur a indiqué dans son formulaire de griefs qu'il formait son appel à titre conservatoire, ce qu'aucune disposition n'interdit.

En déduisant la déchéance de cet appel des raisons de celui-ci, telles qu'énoncées par l'appelant, les juges d'appel ont méconnu l'article 204 Code d'instruction criminelle.

Il n'y a pas lieu d'examiner le second moyen, qui ne saurait entraîner une cassation plus étendue.

B. En tant que le pourvoi est dirigé contre l'ordre d'arrestation immédiate:

La cassation de la décision rendue sur l'action publique exercée à charge du demandeur entraîne celle de l'ordre d'arrestation immédiate qui en est la suite directe.

IV. Conclusion.

Je conclus donc à la cassation, avec renvoi ,de l'arrêt attaqué.

_________________________

(1) Annexé à l'arrêté royal du 18 février 2016, M.B., 19 février 2016.

(2) Sans préciser ici aucune prévention. Quant à la portée de cette mention, cf. infra Cass. 28 février 2017, RG P.16.1177.N (#12),

(3) Quant à la portée de cette mention, cf. infra Cass. 28 février 2017, RG P.16.1177.N (#12),

(4) Arrêt, pp. 8-9; les passages soulignés l'ont été par le concluant.

(5) Tel que remplacé par l'art. 89 de la loi du 5 février 2016 modifiant le droit pénal et la procédure pénale et portant des dispositions diverses en matière de justice, dite « Pot-pourri II », entré en vigueur le 1er mars en vertu de son art. 143, al. 1er.

(6) Cass. 1er février 2017, RG P.16.1100.F, Pas. 2017, à sa date (sommaire); voir Cass. 8 octobre 2016, RG P.16.0818.N, Pas. 2016, à sa date, avec concl. contr. de M. WINANTS, avocat général dél..

(7) Doc. parl., Ch., 54-1418/001, p. 84.

(8) Ibid., p. 294-295, n°66.

(9) Cass. 8 octobre 2016, RG P.16.0818.N, Pas. 2016, à sa date, avec les concl. contr. de M. WINANTS, avocat général dél.; Cass. 28 février 2017, RG P.16.1177.N, Pas. 2017, à sa date, avec concl. de M. DECREUS, avocat général (#7).

(10) Cass. 1er février 2017, RG P.16.1100.F, Pas. 2017, à sa date (sommaire).

(11) Cass. 28 février 2017, RG P.16.1177.N, Pas. 2017, à sa date, avec concl. de M. DECREUS, avocat général (#5): « Uit deze bepalingen en de wetsgeschiedenis ervan volgt dat (...) bij een gebruik van het grievenformulier het niet de bedoeling kan zijn dat systematisch alle grieven worden aangevinkt, aangezien daardoor de beoogde doelstelling niet kan worden bereikt (...) »; Cass. 18 avril 2017, P.17.0105.N, Pas. 2017, à sa date (#4): « bij een gebruik van het grievenformulier het niet de bedoeling kan zijn dat systematisch alle grieven worden aangevinkt, aangezien daardoor de beoogde doelstelling niet kan worden bereikt »).

(12) Cass. 28 février 2017, RG P.16.1177.N, Pas. 2017, à sa date (#12), avec concl. de M. DECREUS, avocat général.

(13) Ibid., (#12): « Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: de eiser de rubrieken 1.2 ("kwalificatie van het misdrijf") en 1.11 ("vrijspraak") heeft aangevinkt met telkens de vermelding "alle tenlasteleggingen", waarmee hij kennelijk aangaf dat hij voor alle telastleggingen zijn schuldigverklaring betwistte en de vrijspraak wenste »

(14) Cass. 1er mars 2017, RG P.16.1283.F, Pas. 2017, à sa date, avec concl. MP (décision implicite). Voir cependant infra Cass. 28 février 2017, RG P.16.1177.N.

(15) Cass. 28 février 2017, RG P.16.1177.N, Pas. 2017, à sa date, avec concl. de M. DECREUS, avocat général (#10): « Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord."

(16) Cass. 28 février 2017, RG P.16.1177.N, Pas. 2017, à sa date, avec concl. de M. DECREUS, avocat général (#8-9): « 8. Het staat aan de appelrechter om onaantastbaar in feite te oordelen of de appellant in het verzoekschrift of in het grievenformulier zijn grieven tegen het beroepen vonnis voldoende nauwkeurig heeft opgegeven, zoals vereist door artikel 204 Wetboek van Strafvordering. Bij die beoordeling kan de appelrechter onder meer in aanmerking nemen dat een appellant die gebruik maakt van het grieven-formulier ook grieven heeft aangevinkt die geen enkele relevantie hebben voor de beroepen beslissing.

9. Uit de enkele omstandigheid dat een appellant aanduidt dat zijn grieven betrekking hebben op alle telastleggingen waarvoor hij werd veroordeeld of dat de motieven die hij opgeeft voor zijn grieven weinig of nietszeggend zijn, kan evenwel niet worden afgeleid dat de grieven niet nauwkeurig zijn. »

Voir cependant supra Cass. 1er mars 2017, RG P.16.1283.F.

(17) Cass. 18 avril 2017, P.17.0105.N, Pas. 2017, à sa date (#5 et 9).

(18) Cass. 18 avril 2017, P.17.0105.N, Pas. 2017, à sa date (#6 et 9).

 

 

• Cass. 18/04/2017, P.17.0087.N, juridat

Nr. P.17.0087.N

R J L M,

beklaagde,

eiser,



I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF



Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 27 december 2016.



De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.



II. BESLISSING VAN HET HOF



Beoordeling



Middel



1. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 204 Wet-boek van Strafvordering: het bestreden vonnis verklaart de eiser ten onrechte ver-vallen van zijn hoger beroep wegens het onvoldoende nauwkeurig zijn van zijn grieven; de appellant heeft gebruik gemaakt van het bij het koninklijk besluit vastgesteld grievenformulier overeenkomstig dit besluit en door het aankruisen van de vier grieven 1.4, 1.6, 1.9 en 1.12 heeft hij voldaan aan de nauwkeurig-heidsvereiste; hij heeft zo ondubbelzinnig aangegeven van welke beslissingen hij een hervorming wenste, zonder dat hij diende te specificeren waarom hij het niet eens was met de bestreden beslissing op die punten en dus zonder middelen te moeten aanvoeren ter ondersteuning van zijn grieven; het gegeven dat twee van de vier grieven niet dienend zijn en de eiser er afstand van heeft gedaan, ontslaat de rechter niet van de verplichting te oordelen over de andere twee grieven; uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt bovendien dat een te strikt formalisme bij het beoordelen van de voorwaarden voor het in-stellen van een rechtsmiddel strijdig is met artikel 6 EVRM.



2. Het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht van toegang tot de rechter, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, belet de lid-staten niet om het instellen van rechtsmiddelen afhankelijk te maken van voor-waarden, voor zover die voorwaarden een wettig doel dienen en er een redelijke verhouding bestaat tussen de opgelegde voorwaarden en het nagestreefde doel. Die voorwaarden mogen niet ertoe leiden dat het recht op het instellen van het rechtsmiddel in de kern wordt aangetast. Bij de toepassing van die voorwaarden mag de rechter niet overdreven formalistisch zijn zodat de billijkheid van de pro-cedure wordt aangetast of overdreven soepel zodat de opgelegde voorwaarden in-houdsloos worden.



3. Artikel 204 Wetboek van Strafvordering bepaalt:



"Op straffe van verval van het hoger beroep bepaalt het verzoekschrift nauwkeurig de grieven die tegen het vonnis worden ingebracht, met inbegrip van de procedurele grieven, en wordt het verzoekschrift binnen dezelfde termijn en op dezelfde griffie ingediend als de in artikel 203 bedoelde verklaring. Het verzoekschrift wordt ondertekend door de eiser in hoger beroep of zijn advocaat, of door een ander bijzonder gevolmachtigde. In dit laatste geval wordt de volmacht bij het verzoekschrift gevoegd.

Dit verzoekschrift kan ook rechtstreeks worden ingediend op de griffie van de rechtbank of het hof waarvoor het hoger beroep wordt gebracht.

Daartoe kan een formulier, waarvan het model wordt bepaald door de Koning, worden gebruikt.

Deze bepaling geldt ook voor het openbaar ministerie."

4. Het door artikel 204, derde lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde grie-venformulier werd vastgesteld met het koninklijk besluit van 18 februari 2016 tot uitvoering van artikel 204, derde lid, Wetboek van Strafvordering. Dit voorge-drukt grievenformulier bevat een lijst van mogelijke grieven tegen de beschikkin-gen op strafgebied (1.1 tot 1.12) en op burgerlijk gebied (2.1 tot 2.5) en het ver-meldt dat de gebruiker van het formulier het toepasselijke vakje moet aankruisen, hij desgevallend moet schrappen wat niet past en hij desgevallend moet aanvullen met opmerkingen.

5. Uit deze bepalingen en de wetsgeschiedenis ervan volgt dat:

- de wetgever door het invoeren van de verplichting om de tegen het in eerste aanleg gewezen vonnis geformuleerde grieven nauwkeurig te bepalen een doelmatiger behandeling van de strafzaken in hoger beroep beoogt en in het bijzonder nutteloze werklast en kosten wil vermijden door niet langer niet-betwiste beslissingen aan de appelrechter voor te leggen;

- door de verplichting de grieven nauwkeurig te bepalen de appellant wordt gedwongen na te denken over de wenselijkheid en de gevolgen van het instel-len van het hoger beroep en de geïntimeerde dadelijk kan uitmaken welke beslissingen van het eerste vonnis worden betwist en waarover hij in hoger beroep verweer zal moeten voeren;

- aan alle partijen die een hoofdberoep of volgberoep aantekenen op straffe van vervallenverklaring van dat hoger beroep de verplichting wordt opgelegd te preciseren welke punten van het in eerste aanleg gewezen vonnis zouden moeten worden gewijzigd, zonder dat zij evenwel daartoe de argumenten voor de beoogde wijzigingen dienen op te geven;

- het modelgrievenformulier vooral bedoeld is voor hen die geen advocaat heb-ben noch een ruime scholing om zich bewust te zijn van de draagwijdte van de akte van hoger beroep en van de mogelijkheid om die te beperken en om hen in staat te stellen te preciseren op welke punten de in eerste aanleg gewezen beslissing moet worden gewijzigd;

- bij een gebruik van het grievenformulier het niet de bedoeling kan zijn dat sys-tematisch alle grieven worden aangevinkt, aangezien daardoor de beoogde doelstelling niet kan worden bereikt.

Uit het voorgaande volgt dat de door artikel 204 Wetboek van Strafvordering aan een appellant opgelegde verplichting om op straffe van vervallenverklaring van het hoger beroep nauwkeurig de grieven op te geven tegen de beroepen beslissing, in overeenstemming is met artikel 6 EVRM.

6. Aan de verplichting de grieven nauwkeurig te bepalen, moet voldaan zijn op het tijdstip waarop het verzoekschrift of het grievenformulier moet worden inge-diend.

De doelstellingen die de wetgever met die verplichting beoogt, kunnen pas op die wijze worden gerealiseerd. Daaruit volgt dat de omstandigheid dat een appellant die na het verstrijken van de termijn om een verzoekschrift of een grievenformulier in te dienen, afstand doet van bepaalde grieven een gebrek aan nauwkeurigheid bij het bepalen van de grieven niet kan remediëren en dat die afstand evenmin in aanmerking kan worden genomen om te oordelen dat de grieven niet nauwkeurig zijn bepaald.

7. Een grief als bedoeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering is de speci-fieke aanwijzing door de appellant van een afzonderlijke beslissing van het beroe-pen vonnis, waarvan hij de hervorming door de appelrechter vraagt. Niet is vereist dat de appellant in zijn verzoekschrift of zijn grievenformulier reeds opgave doet van de redenen waarom hij die hervorming vraagt.

8. Het staat aan de appelrechter om onaantastbaar in feite te oordelen of de ap-pellant in het verzoekschrift of in het grievenformulier zijn grieven tegen het be-roepen vonnis voldoende nauwkeurig heeft opgegeven, zoals vereist door artikel 204 Wetboek van Strafvordering. Bij die beoordeling kan de appelrechter onder meer in aanmerking nemen dat een appellant die gebruik maakt van het grieven-formulier ook grieven heeft aangevinkt die geen enkele relevantie hebben voor de beroepen beslissing.

9. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden ver-antwoord.

10. Het bestreden vonnis stelt vast dat:

- de eiser als grieven heeft aangekruist: "1.4 strafmaat; 1.6. niet-toepassen van het gevraagde gewoon uitstel - probatie-uitstel - gewone opschorting - proba-tie-opschorting; 1.9 verjaring; 1.12 andere";

- namens de eiser werd verklaard dat enkel hoger beroep werd aangetekend om-wille van de door de eerste rechter opgelegde bestraffing en dat de raadsman van de eiser heeft bevestigd op vraag van de rechtbank dat afstand werd gedaan van de overige in het grievenformulier aangekruiste grieven.

Het bestreden vonnis oordeelt op de volgende gronden dat de eiser vervallen wordt verklaard van zijn hoger beroep wegens het verzuim om al zijn grieven nauwkeurig te omschrijven:

- slechts twee van de vier aangekruiste grieven zijn dienend in hoger beroep, namelijk de grief "1.4 strafmaat" en de grief "1.6 niet toepassen van het ge-vraagde gewoon uitstel - probatie-uitstel - gewone opschorting - probatie-opschorting";

- de namens de eiser aangeduide grief betreffende de verjaring is niet dienend, gelet op de omstandigheid dat het aan de eiser ten laste gelegde feit dateert van 1 januari 2016 terwijl de verjaringstermijn voor het misdrijf drie jaar bedraagt zodat de verjaring geenszins aan de orde is en de rechtbank overigens ambtshalve een middel in verband met de verjaring van de strafvordering had moeten opwerpen; deze grief is dan ook inaccuraat, al te vaag en niet pertinent;

- de grief "1.12 andere" werd aangekruist, maar niet ingevuld zodat de ap-pelrechters hieruit niet kunnen afleiden welk precies onderdeel van het bestre-den vonnis moet worden hervormd en deze grief zonder verdere duiding bijge-volg gebrekkig, onbestemd en op zijn minst niet zorgvuldig en precies is.

11. Een appellant die op het grievenformulier de rubriek "1.9 verjaring" aan-kruist geeft daarmee ondubbelzinnig aan dat hij de beslissing van de eerste rechter over de verjaring van de strafvordering wenst hervormd te zien. De door artikel 204 Wetboek van Strafvordering voorgeschreven verplichting om de grieven nauwkeurig te omschrijven, houdt niet in dat de appellant ook zou moeten uiteen-zetten waarom de beslissing over de (niet-)verjaring onjuist is. De omstandigheid dat volgens de appelrechters de verjaring van de strafvordering nog niet is bereikt in hoger beroep of dat zij de verjaring van de strafvordering ambtshalve onder-zoeken, laat niet toe anders te oordelen.

De appelrechters konden dan ook niet oordelen dat de grief "1.9 verjaring" niet nauwkeurig was.

12. Hoewel het aanbeveling verdient dat een appellant die de rubriek "1.12 an-dere" van het grievenformulier aankruist, zou aangeven welke beschikking op strafgebied van het beroepen vonnis hij wenst hervormd te zien, blijkt uit het grie-venformulier niet dat de gebruiker van dit formulier daartoe verplicht is. De appel-rechter kan bijgevolg uit de enkele omstandigheid dat een appellant bij het aan-kruisen van deze rubriek geen nadere informatie heeft opgegeven, niet afleiden dat de appellant zijn grieven niet nauwkeurig heeft bepaald.

De appelrechters konden bijgevolg op grond van de redenen die zij vermelden niet afleiden dat de appellant zijn grieven niet nauwkeurig heeft bepaald en de eiser van zijn hoger beroep vervallen verklaren.

Het middel is in zoverre gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde vonnis.

Houdt de beslissing over de kosten aan en laat die over aan de verwijzingsrechter.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, rechtszitting houdend in hoger beroep, anders samengesteld.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, en op de openbare rechtszitting van 18 april 2017 uitgesproken

• cassatie 18 april 2017 P.17.0105, juridat

Nr. P.17.0105.N

H M, beklaagde, eiser,



I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 3 januari 2017.



II. BESLISSING VAN HET HOF



Beoordeling



Middel in zijn geheel



1. Het middel voert schending aan van artikel 14.5 IVBPR, de artikelen 6 en 13 EVRM, artikel 2.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM en de artikelen 204 en 206 Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis verklaart de eiser ten onrechte vervallen van zijn hoger beroep wegens het onvoldoende nauwkeurig zijn van de grieven; de eiser heeft gebruik gemaakt van het bij koninklijk besluit vastgesteld grievenformulier waarop hij de grieven heeft aangekruist die hij aan de beoordeling van de appelrechters wenste te onderwerpen; voormeld artikel 204 vereist enkel dat de grieven nauwkeurig worden vermeld, niet dat de grieven in dit formulier worden gemotiveerd noch dat de grieven gegrond zijn; door te oordelen dat volgens het pleidooi van eisers raadsman slechts één van de acht aangekruiste grieven dienend is in hoger beroep en dat de overige grieven inaccuraat, al te vaag en niet pertinent zijn, beoordelen de appelrechters de gegrondheid van de grieven en voegen zij ten onrechte een voorwaarde toe aan artikel 204 Wetboek van Strafvordering die het niet bevat (eerste onderdeel); artikel 206, zesde lid, Wetboek van Strafvordering laat de eiser toe zijn hoger beroep op de rechtszitting te beperken; uit de enkele vaststelling dat volgens het pleidooi van eisers raadsman slechts één van de aangekruiste grieven dienend is, kunnen de appelrechters dan ook niet afleiden dat de initieel geformuleerde grieven onnauwkeurig zijn, met de vervallenverklaring van het hoger beroep tot gevolg (tweede onderdeel); het oordeel dat het gegeven dat een partij ter rechtszitting bepaalde geformuleerde grieven niet langer opportuun acht, leidt tot de onnauwkeurigheid van de grieven en dus tot het verval van het hoger beroep, houdt bovendien een buitensporig formalisme in dat in strijd is met het recht op een eerlijk proces (derde onderdeel).



2. Het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht van toegang tot de rechter, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, belet de lid-staten niet om het instellen van rechtsmiddelen afhankelijk te maken van voor-waarden, voor zover die voorwaarden een wettig doel dienen en er een redelijke verhouding bestaat tussen de opgelegde voorwaarden en het nagestreefde doel. Die voorwaarden mogen niet ertoe leiden dat het recht op het instellen van het rechtsmiddel in de kern wordt aangetast. Bij de toepassing van die voorwaarden mag de rechter niet overdreven formalistisch zijn zodat de billijkheid van de procedure wordt aangetast of overdreven soepel zodat de opgelegde voorwaarden in-houdsloos worden.

3. Artikel 204 Wetboek van Strafvordering bepaalt:

"Op straffe van verval van het hoger beroep bepaalt het verzoekschrift nauwkeurig de grieven die tegen het vonnis worden ingebracht, met inbegrip van de procedurele grieven, en wordt het verzoekschrift binnen dezelfde termijn en op dezelfde griffie ingediend als de in artikel 203 bedoelde verklaring. Het verzoekschrift wordt ondertekend door de eiser in hoger beroep of zijn advocaat, of door een ander bijzonder gevolmachtigde. In dit laatste geval wordt de volmacht bij het verzoekschrift gevoegd. (...). Daartoe kan een formulier, waarvan het model wordt bepaald door de Koning, worden gebruikt. (...)".

Het door artikel 204, derde lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde grievenfor-mulier werd vastgesteld met het koninklijk besluit van 18 februari 2016 tot uitvoering van artikel 204, derde lid, Wetboek van Strafvordering.

4. Uit deze bepalingen en de wetsgeschiedenis ervan volgt dat:

- de wetgever door het invoeren van de verplichting om de tegen het in eerste aanleg gewezen vonnis geformuleerde grieven nauwkeurig te bepalen een doelmatiger behandeling van de strafzaken in hoger beroep beoogt en in het bijzonder nutteloze werklast en kosten wil vermijden door niet langer niet-betwiste beslissingen aan de appelrechter voor te leggen;

- door de verplichting de grieven nauwkeurig te bepalen de appellant wordt ge-dwongen na te denken over de wenselijkheid en de gevolgen van het instellen van het hoger beroep en de geïntimeerde dadelijk kan uitmaken welke beslis-singen van het eerste vonnis worden betwist en waarover hij in hoger beroep verweer zal moeten voeren;

- aan alle partijen die een hoofdberoep of volgberoep aantekenen op straffe van vervallenverklaring van dat hoger beroep de verplichting wordt opgelegd te preciseren welke punten van het in eerste aanleg gewezen vonnis zouden moe-ten worden gewijzigd, zonder dat zij evenwel daartoe de argumenten voor de beoogde wijzigingen dienen op te geven;

- het modelgrievenformulier vooral bedoeld is voor hen die geen advocaat heb-ben noch een ruime scholing om zich bewust te zijn van de draagwijdte van de akte van hoger beroep en van de mogelijkheid om die te beperken en om hen in staat te stellen te preciseren op welke punten de in eerste aanleg gewezen be-slissing moet worden gewijzigd;

- bij een gebruik van het grievenformulier het niet de bedoeling kan zijn dat sys-tematisch alle grieven worden aangevinkt, aangezien daardoor de beoogde doelstelling niet kan worden bereikt.

Uit het voorgaande volgt dat de door artikel 204 Wetboek van Strafvordering aan een appellant opgelegde verplichting om op straffe van vervallenverklaring van het hoger beroep nauwkeurig de grieven op te geven tegen de beroepen beslissing, in overeenstemming is met artikel 6 EVRM.

5. De doelstellingen die de wetgever beoogt met de verplichting de grieven nauwkeurig te bepalen kunnen slechts worden bereikt als die verplichting wordt beoordeeld op het tijdstip waarop het verzoekschrift of het grievenformulier uiter-lijk moet zijn ingediend.

De afstand of de beperking van het hoger beroep die partijen kunnen doen tot op het ogenblik van de rechtszitting overeenkomstig artikel 206 Wetboek van Straf-vordering of het afstand doen van een of meerdere grieven kan een gebrek aan nauwkeurigheid bij het bepalen van grieven in het verzoekschrift of het grieven-formulier niet remediëren.

Evenmin volstaat het loutere feit dat een partij op de rechtszitting afstand doet van zijn hoger beroep, dit beperkt of afstand doet van een of meerdere grieven om vast te stellen dat de in het verzoekschrift of het grievenformulier bepaalde grieven niet voldoende nauwkeurig zijn bepaald.

6. Een grief als bedoeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering is de speci-fieke aanwijzing door de appellant van een afzonderlijke beslissing van het beroe-pen vonnis, waarvan hij de hervorming door de appelrechter vraagt.

Niet is vereist dat de appellant in zijn verzoekschrift of zijn grievenformulier noodzakelijk:

- reeds opgave doet van de redenen waarom hij die hervorming vraagt,

- enkel de meest "juiste" grief aankruist;

- zijn grieven beperkt tot grieven die niet ambtshalve door de rechter kunnen worden ingeroepen;

- voor elke aangekruiste grief reeds preciseert op welke telastlegging deze be-trekking heeft.

7. Het staat aan de appelrechter om onaantastbaar in feite te oordelen of de ap-pellant in het verzoekschrift of in het grievenformulier zijn grieven tegen het beroepen vonnis voldoende nauwkeurig heeft opgegeven, zoals vereist door artikel 204 Wetboek van Strafvordering.

8. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen af-leidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.

9. Het bestreden vonnis stelt vast dat:

- de eiser als grieven heeft aangekruist: "1.1 schuldigverklaring; 1.2 kwalificatie van het misdrijf; 1.3 voorschriften betreffende de rechtspleging; 1.4. strafmaat; 1.6. niet-toepassen van het gevraagde gewoon uitstel - probatie-uitstel - gewone opschorting - probatie-opschorting; 1.9 verjaring; 1.10 schending EVRM; 1.11 vrijspraak A en B";

- namens de eiser werd verklaard dat het hoger beroep enkel gericht is tegen de bewezenverklaring van de feiten onder de telastleggingen A en B, en dat met uitzondering van de grief "1.1 schuldigverklaring" alle andere grieven werden aangekruist om "zeker" te spelen.

Het bestreden vonnis oordeelt op de volgende gronden dat de eiser vervallen wordt verklaard van zijn hoger beroep wegens het verzuim om al zijn grieven nauwkeurig te omschrijven:

- slechts één van de acht aangekruiste grieven is dienend in hoger beroep, name-lijk de grief "1.1 schuldigverklaring";

- de namens de eiser aangeduide grief "1.2 kwalificatie van het misdrijf" is vol-gens het pleidooi van eisers raadsman niet dienend vermits het hoger beroep enkel is gericht tegen de bewezenverklaring van de feiten; door de eiser werd ook niet gepreciseerd op welke telastlegging die grief betrekking heeft;

- "hetzelfde" geldt voor de grieven 1.3, 1.4, 1.6 en 1.10;

- het niet eisers bedoeling was om hoger beroep aan te tekenen omwille van een mogelijke verjaring; de grief "1.9 verjaring" is ook een aspect dat de rechtbank ambtshalve dient op te werpen vermits de verjaring van de strafvordering van openbare orde is;

- de grief "1.11 vrijspraak A en B" onvoldoende nauwkeurig is vermits de juiste grief voor het verzoek te worden vrijgesproken voor de telastleggingen A en B de grief "1.1. schuldigverklaring" is.

Uit die vaststellingen blijkt dat de appelrechters zich voor de beoordeling van de nauwkeurigheid van de grieven niet plaatsen op het tijdstip waarop het verzoekschrift of het grievenformulier diende te zijn ingediend, het gebrek aan het opge-ven van de redenen voor de grieven in aanmerking nemen en oordelen dat geen grief kan worden aangevoerd met betrekking tot een beslissing die de appelrech-ters ambtshalve moeten onderzoeken. Het bestreden vonnis kan bijgevolg niet wettig oordelen dat de eiser niet heeft voldaan aan de door artikel 204 Wetboek van Strafvordering opgelegde verplichting zijn grieven voldoende nauwkeurig op te geven en kan op die grond de eiser niet vervallen verklaren van zijn hoger be-roep.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde vonnis.

Houdt de beslissing over de kosten aan en laat die over aan de verwijzingsrechter.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, rechtszitting houdend in hoger beroep, anders samengesteld.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer en op de openbare rechtszitting van 18 april 2017 uitgesproken



• Cassatie 18 april 2017 P.17.0147.N, juridat 

G D D V, beklaagde, eiser,



I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 11 januari 2017.

De eiser voert geen middel aan.



II. BESLISSING VAN HET HOF



Beoordeling



Ambtshalve middel



Geschonden wettelijke bepaling



- artikel 204 Wetboek van Strafvordering



1. Artikel 204 Wetboek van Strafvordering bepaalt:



"Op straffe van verval van het hoger beroep bepaalt het verzoekschrift nauwkeurig de grieven die tegen het vonnis worden ingebracht, met inbegrip van de procedurele grieven, en wordt het verzoekschrift binnen dezelfde termijn en op dezelfde griffie ingediend als de in artikel 203 bedoelde verklaring. Het verzoekschrift wordt ondertekend door de eiser in hoger beroep of zijn advocaat, of door een ander bijzonder gevolmachtigde. In dit laatste geval wordt de volmacht bij het ver-zoekschrift gevoegd.



Dit verzoekschrift kan ook rechtstreeks worden ingediend op de griffie van de rechtbank of het hof waarvoor het hoger beroep wordt gebracht.



Daartoe kan een formulier, waarvan het model wordt bepaald door de Koning, worden gebruikt.



Deze bepaling geldt ook voor het openbaar ministerie."



2. Het door artikel 204, derde lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde grie-venformulier werd vastgesteld met het koninklijk besluit van 18 februari 2016 tot uitvoering van artikel 204, derde lid, Wetboek van Strafvordering. Dit voorge-drukt grievenformulier bevat een lijst van mogelijke grieven tegen onder meer de beschikkingen op strafgebied (1.1 tot 1.12) en het vermeldt dat de gebruiker van het formulier het toepasselijke vakje moet aankruisen en hij desgevallend moet schrappen wat niet past en desgevallend moet aanvullen met opmerkingen.



3. Uit deze bepalingen en de wetsgeschiedenis ervan volgt dat:



- de wetgever door het invoeren van de verplichting om de tegen het in eerste aanleg gewezen vonnis geformuleerde grieven nauwkeurig te bepalen een doelmatiger behandeling van de strafzaken in hoger beroep beoogt en in het bijzonder nutteloze werklast en kosten wil vermijden door niet langer niet-betwiste beslissingen aan de appelrechter voor te leggen;



- door de verplichting de grieven nauwkeurig te bepalen de appellant wordt gedwongen na te denken over de wenselijkheid en de gevolgen van het instel-len van het hoger beroep en de geïntimeerde dadelijk kan uitmaken welke beslissingen van het eerste vonnis worden betwist en waarover hij in hoger beroep verweer zal moeten voeren;



- aan alle partijen die een hoofdberoep of volgberoep aantekenen op straffe van vervallenverklaring van dat hoger beroep de verplichting wordt opgelegd te preciseren welke punten van het in eerste aanleg gewezen vonnis zouden moe-ten worden gewijzigd, zonder dat zij evenwel daartoe de argumenten voor de beoogde wijzigingen dienen op te geven;



- het modelgrievenformulier vooral bedoeld is voor hen die geen advocaat heb-ben noch een ruime scholing om zich bewust te zijn van de draagwijdte van de akte van hoger beroep en van de mogelijkheid om die te beperken en om hen in staat te stellen te preciseren op welke punten de in eerste aanleg gewezen beslissing moet worden gewijzigd.



4. Bij de toepassing van artikel 204 Wetboek van Strafvordering moet rekening worden gehouden met het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht van toegang tot de rechter, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Uit die bepaling volgt dat de lidstaten het instellen van rechtsmiddelen afhankelijk mogen maken van voorwaarden, maar dat bij de toepassing van die voorwaarden de rechter niet overdreven formalistisch mag zijn zodat de billijkheid van de procedure wordt aangetast of overdreven soepel zodat de opgelegde voorwaarden inhoudsloos worden.



5. Het staat aan de appelrechter om onaantastbaar in feite de draagwijdte te bepalen van de door een appellant in het verzoekschrift of in het grievenformulier opgegeven grief of grieven. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellin-gen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.



6. Het voormelde grievenformulier maakt onder de hoofding"1. Strafgebied" onder meer melding van de rubrieken "1.4 strafmaat", "1.8 andere maatregelen: herstelmaatregel - dwangsom -" en "1.12 andere". Het bevat geen afzonderlijke rubriek "veiligheidsmaatregel" of "beveiligingsmaatregel".



Het beroepen vonnis vermeldt het bij toepassing van artikel 42 Wegverkeerswet definitief uitgesproken verval wegens lichamelijke ongeschiktheid dadelijk na de voor de telastleggingen A, B en C uitgesproken straffen en zonder die maatregel als een beveiligingsmaatregel te kwalificeren.



Het bestreden vonnis kan dan ook niet naar recht oordelen dat de eiser met het aankruisen van de rubriek "1.4 strafmaat" niet de bij toepassing van artikel 42 Wegverkeerswet bedoelde beveiligingsmaatregel heeft beoogd en dat die maatre-gel buiten de saisine van de appelrechters valt.



Aldus schendt het bestreden vonnis de vermelde wetsbepaling.



Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering voor het overige



7. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.



Dictum

Het Hof,



Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het oordeelt dat de bij toepassing van artikel 42 Wegverkeerswet bevolen beveiligingsmaatregel buiten de saisine van de appelrechters valt.



Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.



Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde vonnis.



Veroordeelt de eiser tot drie vierden van de kosten van zijn cassatieberoep.



Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de verwij-zingsrechter.



Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, rechtszitting houdend in hoger beroep, anders samengesteld.



Bepaalt de kosten op 114,73 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer en op de openbare rechtszitting van 18 april 2017 uitgesproken

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 11/05/2016 - 16:17
Laatst aangepast op: wo, 13/06/2018 - 15:19

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.