-A +A

Gezag en Kracht van gewijsde

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Wat getekent gezag van gewijsde

Met de uitdrukking gezag van gewijsde wordt de bindende kracht van een vonnis of arrest aangeduid. Deze houdt in dat de beslissing voor partijen bindend is en dat met name in latere processen tussen dezelfde partijen onbetwistbaar vastligt wat de rechter omtrent de rechtsbetrekking tussen deze partijen in de uitspraak heeft beslist.

Het gaat om de juridische waarheid: wat de rechter beslist over de feiten en de daaraan te verbinden rechtsgevolgen. Dit isdaarom niet "de" waarheid, maar wordt beschouwd als de waarheid zoals die wordt gezien vanuit een juridisch perspectief. Het is nodig om dit gezag aan een rechterlijke uitspraak te geven, omdat geschillen in een maatschappij op een bepaald moment moeten beëindigd worden. Zo wordt het uitdrukkelijk gesteld door het Hof Van Cassatie: "Het gezag van gewijsde steunt op de noodzakelijkheid te beletten dat eenzelfde betwisting altijd zou blijven duren".

Het gaat als juridische waarheid ook om een "voorlopige" waarheid, tot de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. Om een beroep te doen op het gezag van gewijsde in een later proces is dus vereist dat de betreffende uitspraak waarop men zich beroept, kracht van gewijsde heeft gekregen, dat wil zeggen onherroepelijk is geworden. Immers in hoger beroep of cassatie zou de in eerste aanleg bindend vastgestelde rechtsbetrekking nog anders vastgesteld kunnen worden.

Een vonnis met gezag van gewijsde (de uitputting van de beslechting van de rechtsvraag door de rechter)  krijgt kracht van gewijsde nadat er geen gewone rechtsmiddelen tegen de uitspraak meer overblijven, door uitputting van beroep of verzetsmogelijkheden.

Het gezag van gewijsde geldt enkel voor wat definitief werd beslecht; een beslissing alvorens recht te doen heeft geen gezag van gewijsde, omdat het geen definitieve beslissing inhoudt. Bovendien heeft een vonnis dat is aangetast door een tegenstrijdigheid die niet toelaat met zekerheid te bepalen welke betekenis aan een bepaalde beslissing moet worden gegeven, geen gezag van gewijsde. Dit is het geval wanneer een rechter zonder dat maatregelen gevraagd werden op grond van art. 19,2de Ger. W. zich in een tussenvonnis voorlopig bevoegd verklaard, om zich in het eindvonnis onbevoegd te verklaren voor een deel van de vordering.

Het gezag van gewijsde staat ingeschreven in artikel 23 Ger.W. :

Art. 23.Het gezag van het rechterlijk gewijsde strekt zich niet verder uit dan tot hetgeen het voorwerp van de beslissing heeft uitgemaakt. Vereist wordt dat de gevorderde zaak dezelfde is; [1 dat de vordering op dezelfde oorzaak berust, ongeacht de ingeroepen rechtsgrond;]1 dat de vordering tussen dezelfde partijen bestaat, en door hen en tegen hen in dezelfde hoedanigheid gedaan is.
----------
(1)<W 2015-10-19/01, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2015>

Wat betekent kracht van gewijsde?

Wanneer een uitspraak niet meer vatbaar is voor een rechtsmiddel zegt men dat de uitspraak definitief is en dus kracht van gewijsde heeft. Dit wil zeggen dat recht is gewezen met de kracht van het definitief rechterlijk gewijsde zonder verdere mogelijkheid tot hoger beroep of verzet. De rechterlijke uitspraak die gezag van gewijsde heeft kan gedwongen ten volle worden uitgevoerd, zonder dat verzet of hoger beroep (gewone rechtsmiddelen) de beslissing van de rechter nog kunnen terugdraaien.

Let wel een vonnis dat uitvoerbaar bij voorraad is kan worden uitgevoerd, zelfs zonder dat het kracht van gewijsde heeft. De uitvoering gebeurt dan op risico van hij die het vonnis uitvoert, met de kans dat er zal dienen terugbetaald indien in hoger beroep of verzet de uitspraak wordt hervormd.

Een rechterlijke uitspraak die in kracht van gewijsde is gegaan kan nog wel worden teruggedraaid door de buitengewone rechtsmiddelen. Enkel tegen uitspraken die in kracht van gewijsde zijn getreden kan cassatie worden aangetekend.

 

 

Gezag van strafrechtelijk gewijsde ten aanzien van de burgerlijke rechter

De burgerlijke rechter is gehouden tot hetgeen de strafrechter heeft beslist. Dit heet men het gezag van strafrechtelijk gewijsde in burgerlijke zaken. Maar dit gezag blijft beperkt tot hetgeen de strafrechter zeker en noodzakelijk besliste, met name de bewezen feiten en hun kwalificatie. Wanneer bij de omschrijving van het misdrijf een bepaald nadeel (vb de ontvreemding van een bepaald bedrag) wordt vermeld, bindt dit bedrag de burgerlijke rechter (of de beroepsrechter die enkel op burgerlijk vlak gevat wordt) niet, tenware wanneer de omvang van de schade zelf een constitutief element is van het misdrijf waarvan de kwalificatie en de toepasselijke straf veranderen naar gelang van de omvang van de schade. Zie Antwerpen 15/02/2006, RABG 1512, met noot.

Het gezag van gewijsde in strafzaken, zoals dit besloten ligt in artikel 4 van de voorafgaande titel van het wetboek van Strafvordering staat niet eraan in de weg dat een partij in een later burgerlijk proces de mogelijkheid krijgt om elementen te betwisten die uit het strafproces zijn afgeleid, in zoverre zij niet bij het strafgeding was betrokken of er niet vrij haar belangen heeft kunnen doen gelden. Cass. 24 april 2006, NJW 2007, 176, met noot. Zie in zelfde zin Cass. 7 maart. 2008 NJW 2008, 492. Een persoon werden vrijgesproken door de correctionele rechtbank wegens vrijwillige brandstichting. Hierna richt hij zich tot de verzekeringsmaatschappij die geen partij was in het correctionele geding, waarbij hij poogt schadevergoeding te verkrijgen. De verzekeringsmaatschappij weigert uit te betalen op basis van de opzettelijke brandstichting. De schadelijder roept het gezag van gewijsde in van het vonnis gewezen door de correctionele rechtbank. Cassatie wijst dit verweer af, gezien de verzekeringsmaatschappij geen partij was in het correctioneel geding

rechtsleer: Piet Taelman, het gezag van rechterlijk gewijsde, Kluwer 2001.

Toepassing:

Wanneer de strafrechter twee afzonderlijke straffen oplegt, één voor het rijden in staat van dronkenschap (of strafbare alcoholintoxicatie) en anderzijds wegens het toebrengen van onopzettelijke slagen of verwondingen, heeft hij aldus beslist dat de dronkenschap niet het gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg opleverde dat één van de oorzaken vormt van de toegebrachte schade (cassatie 19 september 1968, A.C. 1969,72; cassatie 5 februari 1987, Verkeersrecht 1988, 6; cassatie 23 november 1990, rechtskundig weekblad 1990-1991,1098; cassatie 6 mei 1993 en 2 oktober 1997.

Wanneer de strafrechter voor de vermelde feiten één straf uitspreekt beslist de rechter impliciet doch zeker dat de dronkenschap de oorzaak is van het ongeval.

Sinds het cassatiearrest van de 15 februari 1991, rechtskundig weekblad 1991-1992,15, wordt algemeen aanvaard dat het gezag van strafrechtelijk gewijsde slechts uitwerking heeft ten aanzien van een partij die betrokken was in het geschil. De toepassing van deze regel op de regresvordering inzake dronkenschap werd bevestigd in een cassatiearrest van 2 oktober 1997. derhalve kan de verzekeraar, niettegenstaande het gezag van gewijsde in strafzaken nog steeds een verhaal vordering uitoefenen wanneer de verzekeraar niet in het voorafgaande strafproces betrokken was en kan hij dan in een nieuw proces nog steeds trachten aan te tonen dat de dronkenschap wel de oorzaak was of een van de oorzaken was van het ongeval. zie relatief karakter van het gezag van gewijsde met verwijzing naar rechtspraak

Wanneer een verzekerde in de strafrechtelijke procedure veroordeeld werd wegens dronkenschap zal hij in de  latere procedure voor de burgerlijke rechter (nopens het regres) deze dronkenschap niet meer in twijfel kunnen trekken. het gezag van gewijsde geldt namelijk wel ten aanzien van hem omdat hij de partij was in het strafproces, dit in tegenstelling tot de verzekeringsmaatschappij.

uittreksel uit het gerechtelijk wetboek:

Art. 23. Het gezag van het rechterlijk gewijsde strekt zich niet verder uit dan tot hetgeen het voorwerp van de beslissing heeft uitgemaakt. Vereist wordt dat de gevorderde zaak dezelfde is; dat de vordering op dezelfde oorzaak berust; dat de vordering tussen dezelfde partijen bestaat, en door hen en tegen hen in dezelfde hoedanigheid gedaan is.

Art. 24. Iedere eindbeslissing heeft gezag van gewijsde vanaf de uitspraak.

Art. 25. Het gezag van het rechterlijk gewijsde verhindert dat de vordering opnieuw wordt ingesteld.

Art. 26. Het gezag van het rechterlijk gewijsde blijft bestaan zolang de beslissing niet ongedaan is gemaakt.

Art. 27. De exceptie van gewijsde kan in elke stand van het geding worden voorgedragen voor de feitenrechter voor wie de vordering is ingesteld.
Zij kan door de rechter niet ambtshalve worden opgeworpen.


voor meer uitleg over het verschil tussen het gezag van rechterlijk gewijsde en kracht van gewijsde, zie Piet Taelman, het gezag van rechterlijk gewijsde, Kluwer 2001, pagina 133 tot 152;

voor meer uitleg over het onderscheid tussen het gezag van gewijsde en uitputting van de rechtsmacht, zie Piet Taelman, het gezag van rechterlijk gewijsde, Kluwer 2001, pagina 95 tot 130;

voor meer uitleg over het onderscheid tussen het gezag van gewijsde en de werking jegens derden van de uitspraak, zie Piet Taelman, het gezag van rechterlijk gewijsde, Kluwer 2001, pagina 155 tot 323;

voor meer uitleg over het onderscheid tussen het gezag van gewijsde en de uitvoerbare kracht, zie Piet Taelman, het gezag van rechterlijk gewijsde, Kluwer 2001, pagina 327 tot 346

• gezag van het strafrechtelijk gewijsde

De beslissingen van de onderzoeksgerechten hebben alleen gezag van gewijsde wanneer zij uitspraak doen als vonnisgerechten.

Het gezag van gewijsde in strafzaken geldt alleen geldt voor datgene wat de strafrechter zeker en noodzakelijkerwijs heeft geoordeeld m.b.t. het bestaan van de aan de beklaagde ten laste gelegde feiten, en rekening houdend met de motieven die de noodzakelijke grondslag van de strafrechtelijke beslissing uitmaken.

• Cass. 12 april 2000, A.C. 2000, nr. 249 (een beslissing alvorens recht te doen, zoals een arrest dat een deskundigenonderzoek beveelt, heeft geen gezag van gewijsde;

• Cass. 24 december 1999, A.C. 1999, nr. 705 een beslissing over de strafvordering verkrijgt slechts gezag van gewijsde met alle daaruit voortvloeiende gevolgen op het ogenblik dat de strafvordering is vervallen, d.w.z. op het ogenblik dat de zaak onherroepelijk is berecht; dat is niet het geval zolang het cassatieberoep niet is verworpen;  

• Cass. 29 maart 1999, A.C. 1999, nr. 189: de beschikking of het arrest van
buitenvervolgingstelling die het onderzoeksgerecht hierop grondt dat er niet voldoende bezwaren bestaan tegen de verdachte, hebben enkel tot gevolg dat de strafvordering voorlopig wordt stopgezet; ze hebben dus geen gezag van gewijsde t.a.v. de rechtsvordering die voor de burgerlijke rechter wordt ingesteld door een partij die rechten wil afleiden uit het bestaan van de ten laste gelegde feiten;

• Cass. 1 december 1998, A.C. 1998, nr. 498:In geval van een tot de beslissingen op de burgerlijke rechtsvordering beperkte cassatie, hoort de rechter naar wie de zaak verwezen wordt, de ontvankelijkheid te beoordelen van de strafvordering, waarvan de ontvankelijkheid van de burgerlijke rechtsvordering afhankelijk is, vanuit het oogpunt van de ontvankelijkheid van de burgerlijke rechtsvordering; het algemeen rechtsbeginsel van het gezag van gewijsde wordt bijgevolg miskend door de rechter naar wie de zaak verwezen is, die oordeelt dat het arrest van het Hof het gezag van gewijsde ‘ongeschonden laat’ van de beschikkingen van het vernietigde arrest, die betrekking hebben op de ontvankelijkheid van de vervolgingen);

• Cass. 2 oktober 1997, A.C. 1997, nr. 381: Het gezag van het strafrechtelijk gewijsde staat er niet aan in de weg dat een partij in een later burgerlijk proces de kans moet hebben de gegevens, afgeleid uit het strafgeding, te betwisten in zoverre zij geen partij was in het strafgeding of er niet vrij haar belangen kon laten gelden). Met deze beslissing is het erga omnes karakter van het algemeen rechtsbeginsel van het gezag van het strafrechterlijk gewijsde duidelijk afgezwakt;

• Cass. 24 januari 1997, A.C. 1997, nr. 45: Krachtens het algemeen rechtsbeginsel van het strafrechterlijk gewijsde erga omnes heeft de beslissing van de strafrechter ten aanzien van de burgerlijke rechter gezag van gewijsde wat betreft de feiten waarvan de strafrechter, binnen de perken van zijn wettelijke opdracht, ten aanzien van de beklaagde het bestaan zeker en noodzakelijk heeft aangenomen en wat betreft de noodzakelijke gronden waarop die beslissing steunt; daaruit volgt dat in de regel die feiten door de partijen en door derden in een later burgerlijk geschil niet meer kunnen worden betwist. De burgerlijke rechter die het besturen van een voertuig door de verzekerde met een alcoholintoxicatie die een misdrijf uitmaakt als een zware fout in aanmerking neemt, terwijl hij vaststelt dat de strafrechter de verzekerde heeft vrijgesproken van dit misdrijf, miskent het gezag van het strafrechterlijk gewijsde;

Invloed van het instellen van een gewoon rechtsmiddel op het gezag van
gewijsde


Art. 26, Ger.W bepaalt dat het gezag van gewijsde blijft bestaan zolang de beslissing niet ongedaan is gemaakt.
Dit betekent dat men erkent dat het vonnis van bij de uitspraak gezag van gewijsde heeft, maar dat dit gezag voorwaardelijk is, zolang de beslissing niet in kracht van gewijsde is getreden, dit wil zeggen zolang ze vatbaar blijft voor
verzet of hoger beroep (art. 28, Ger.W).

Indien binnen de wettelijke termijn geen gewoon rechtsmiddel is ingesteld, of indien de aangewende rechtsmiddelen falen, blijft de bestreden beslissing behouden, zodat het vonnis in kracht van gewijsde gaat (art. 28, Ger.W). Het heeft vanaf dat ogenblik onvoorwaardelijk gezag van gewijsde en uitvoerbare kracht.

De uitoefening van buitengewone rechtsmiddelen (voorziening in cassatie, derdenverzet, herroeping van het gewijsde) heeft in principe geen invloed of schorsend effect ten aanzien van het gezag van gewijsde of van de uitvoerbare kracht. Art. 300, § 2, WIB 92 stelt evenwel inzake belastingen dat « wanneer een vordering voor het gerecht, zelfs gedeeltelijk, maatregelen tot onderwerp heeft welke ertoe strekken de invordering te verwezenlijken of te waarborgen van de belasting, daarin begrepen alle opcentiemen, verhogingen en boeten, alsmede van de desbetreffende interesten en kosten, hebben de cassatietermijn zomede de voorziening in cassatie schorsende kracht ».

Absoluut gezag van gewijsde

Sommige vonnissen hebben een absoluut (en geen betrekkelijk) gezag van gewijsde. De derden moeten er zich zoals de partijen bij neerleggen. De beslissing dringt zich "erga omnes" (tegen allen) op, zonder dat iemand kan betwisten wat er is uitgesproken. Het vermoeden van waarheid is onweerlegbaar ten aanzien van eenieder, omdat de rechtstoestand waarover is beslist van nature tegenstelbaar is aan iedereen.
Het gaat onder meer om constitutieve beslissingen ten aanzien van de staat van personen (echtscheiding, enz.), vernietigingsarresten van de Raad van State, enz.

Er werd traditioneel aangenomen dat de strafrechterlijke beslissingen een absoluut gezag van gewijsde hadden op de burgerlijke zaken. Dit beginsel werd evenwel in een arrest van 15 februari 1991 door het Hof van Cassatie op de helling gezet (Cass., 15 februari 1991, Arr.Cass., 1990-1991, p. 641 ; R.W., 1991- 1992, p. 15). In de overweging dat dit principe indruist tegen het recht op een eerlijke behandeling van de zaak (art. 6, § 1, Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens), in de mate dat het een derde die geen partij was in het strafgeding niet toegelaten was bepaalde elementen voor de burgerlijke rechter te weerleggen, heeft het Hof van Cassatie gesteld dat deze derde het recht had zich te verdedigen voor de burgerlijke rechter (H. - D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Brugge, Die Keure, p. 208).

Rechtspraak:

•• Cassatie 4 januari 2007, RW 2007-2008, 65:

Een vonnis dat enerzijds uitspraak doet over een eis door deze ontvankelijk te verklaren en dat anderzijds de rechtbank niet bevoegd verklaart om er kennis van te nemen, is aangetast door een tegenstrijdigheid die het niet mogelijk maakt met zekerheid te bepalen welke betekenis aan die beslissing moet worden gegeven. Een dergelijke beslissing kan derhalve geen gezag van gewijsde hebben.

 

 

Nog dit: 

De exceptie van gewijsde werd in het Romeins recht aangeduid met of met de Latijnse term aangeduid met:

• auctoritas rei iudicatae
• exceptio rei iudicatae
• exceptie van litisfinitie
• litis contestatie
• exceptio rei iudicatae vel in iudicum deductae.

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: ma, 19/10/2009 - 21:58
Laatst aangepast op: vr, 03/03/2017 - 14:08

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.