-A +A

gevolgen van een nietige overeenkomst

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

De nietigheid van de overeenkomst heeft in principe de restitutio in integrum tot gevolg. De contractanten moeten worden teruggeplaatst in de toestand waarin ze zich zouden bevinden ware de overeenkomst nooit gesloten. Zij kunnen bijgevolg hetgeen ter uitvoering van de nietige overeenkomst werd gepresteerd terugvorderen op grond van art. 1235 en 1376 B.W. De restitutie geschiedt in natura. Wanneer dit niet meer mogelijk is door en equivalente vergoeding.

Indien de goederen op het ogenblik van de vernietiging nog in het vermogen van de restitutieschuldenaar aanwezig zijn, dient hij de goederen in natura terug te geven aan de restitutieschuldeiser, ongeacht de waardestijging of - daling van de goederen; de restitutieschuldeiser wordt geacht eigenaar van de goederen te zijn gebleven, zodat hij de risico's van een economische waardestijging of - daling van de goederen moet dragen, behoudens indien dit verschil in waarde toe te schrijven is aan het doen of laten van de restitutieschuldenaar


De nietigheid van een overeenkomst heeft een retroactief karakter waarbij de partijen in hun oorspronkelijke toestand moeten worden teruggeplaatst.

De rechtspraak en zowel de rechtsleer biedt hierover in België weinig zekerheid.

De wetgeving blijft al helemaal in gebreke.

Eigenlijk kan gesteld worden dat de wederzijdse teruggavenplicht, met name de restitutie voortvloeit uit de nietigheid zelf.

De Duitse rechtspraak en rechtsleer baseert de restitutieplicht op de onrechtmatige verrijking.

Nu de werkelijke oorzaak van de verrijking verdwijnt, met name de overeenkomst, is er dan ook aanleiding tot volledige restitutie.

De Nederlandse rechtsleer en rechtspraak heeft het eerder over de onverschuldigde betaling.

Nu de oorzaak en het voorwerp van de overeenkomst verdwijnt door de nietigheid is er geen geldige oorzaak en voorwerp meer.

Evenzeer kan de restitutie verdedigd worden op grond van de buitencontractuele aansprakelijkheid, meer bepaald op basis van artikel 1382 ev. B.W. waarbij dan ook de voorwaarden van dit artikel dienen vervuld te zijn.

Toch kunnen deze theorieën in vraag gesteld worden aangezien de teruggave niet gebaseerd is op basis van fout en dus zeker niet op basis van buitencontractuele aansprakelijkheid, onverminderd de mogelijkheid om op basis van buitencontractuele aansprakelijkheid aanvullende schadevergoeding te vorderen.

De fout is geen criterium en ook de schade is geen criterium maar wel de verrichte onrechtmatige prestatie is de maat van de restitutieverbintenis.

Een nietige overeenkomst heeft rechtsgevolgen op zichzelf, namelijk de restitutio. Er anders over oordelen zou stellen dat een nietige overeenkomst geen rechtsgevolgen zou hebben.

Meer zelfs, de nietigheid is een sanctie waardoor principieel geen enkel juridisch en feitelijk gevolg uit het contract nog mag worden verleend.

Kortom: de restitutie volgt rechtstreeks uit de nietigheid, weze het dat de restitutie moet worden gevorderd en niet van rechtswege kan worden toegekend.

 

In bepaalde gevallen en onder zekere voorwaarden kan de teruggave echter worden afgeremd door de werking van het adagium "in pari causa turpitudinis cessat repetitio".

Evenwel is de rechter geenszins verplicht dit te doen, want deze rechtsregel is geen verplichte norm, maar slechts een facultatieve regel.

Het adagium beoogt een doelmatige hantering van de nietigheidssanctie door de normale gevolgen van deze sanctie, m.n. de restitutio in integrum, te verhinderen telkens als dit zou leiden tot een ernstige verstoring van de maatschappelijke orde. Met wat deze maatschappelijke orde nu in concreto het meest gebaat wordt, wordt aan de soevereine appreciatie van de feitenrechter overgelaten. Door het facultatief karakter van het adagium beschikt de rechter over een soepel instrument waarmee hij een maatschappelijk aanvaardbare oplossing poogt na te streven.

zie Hof van beroep Gent 08/11/2006

In het voorliggend geval oordeelde een rechter dat een vastgoedmakelaar die een vordering instelde op basis van en nietige overeenkomst, deze overeenkomst wel nietig zag verklaren maar toch aanspraak kon maken op een vergoeding voor zijn prestaties. Nochtans wou de wetgever de praktijk van de vastgoedmakelaars regulariseren en was het wellicht de bedoeling een recht op vergoeding te ontzeggen aan zij die de dwingende bepalingen niet respecteerden en op die wijze de rechten van consumenten krenkten en ter zelfder tijd de vrije markt alwaar andere makelaars opereren die wel de wet respecteren.

Maar wie onrechtmatig in strijd met de wet of de reglemeneringen, zelfs in strijd met een correcte interpretatie van de overeenkomst gelden heeft ontvangen dient gehouden tot terugbetaling, ook al werden hiervoor prestaties uitgevoerd. Zo zal een verhuurder van onbewoonbare woningen gehouden zijn tot terugbetaling van de ontvangen huurgelden en zal de valse arts zonder diploma zijn patiënten dienen terug te betalen. Omgekeerd kan er geen vordering gesteld worden tot het bekomen van afgesproken vergoedingen die in het zwart zouden dienen betaald te worden. (Prijsbewimpeling bij verkoop onroerend goed, NJW 162, 368).

 

rechtsleer:

• Hoe nietig is nietig, Beschouwingen omtrent het nietigheidsbegrip in het contractenrecht. J. Hijma, 1998 (Nederlands recht).

• Overeenkomst aangetast door een nietigheidsgrond gerechtelijke wegen.
Auteur: T. Tanghe
Tijdschrift voor Privaat Recht pagina 705

Hoewel de nietigheidssanctie traditioneel vanuit het onderscheid tussen absolute en relatieve nietigheid wordt bestudeerd, kiest de auteur in deze bijdrage voor een nieuwe benadering.

De aantasting van een overeenkomst door een nietigheidsgrond wordt er bestudeerd vanuit de drie “wegen” waarlangs deze in een procedure aan bod kan komen:

1) een procespartij stelt een (tegen)vordering tot nietigverklaring in,

2) een procespartij werpt de exceptie van nietigheid op of

3) de rechter werpt de nietigheidsgrond ambtshalve op.

Zowel op het vlak van het toepassingsgebied, de gevolgen als de verjaring bleek een afzonderlijke behandeling van de drie wegen van belang. Deze nieuwe benadering laat tevens toe duidelijk de verschillen te zien met een automatisch werkende (absolute) nietigheid die in vele Europese rechtsstelsels gangbaar is.
 

 


rechtspraak: Cass. 8 december 1966, Pas., 1967, I,434



 

Nog dit: 

De gevolgen van een nietig contract

Een nietig het contract wordt geacht nooit te hebben bestaan.

De terugwerkende kracht van de nietigverklaring doet vanaf het ogenblik van de nietigverklaring voor contractpartijen nieuwe verbintenissen ontstaan. Zij dienen elkaar wederzijds terug te geven wat in uitvoering van de nietige overeenkomst werd gepresteerd. Deze teruggave dient in principe in natura te gebeuren en als dit niet mogelijk is bij equivalent in de vorm van een plaatsvervangende schadevergoeding.

Hierop bestaat evenwel een uitzondering de plaatsvervangende schadevergoeding kan niet worden toegekend wanneer toepassing dient gemaakt van het adagium in pari causa causa turptudinis cessat repetiti. Dit adagium geeft aan dat de rechter de bevoegdheid heeft om, wanneer een overeenkomst absoluut nietig is wegens een voorwerp op een oorzaak in strijd met de openbare orde of goede zeden of om een andere reden weigeren de vordering strekt tot teruggave van wat gepresteerd werd in uitvoering van deze overeenkomst in te willigen

Dit kan onder meer het gevolg zijn wanneer de overeenkomst een schending uitmaakt van een wetsartikel dat de openbare orde raakt. Voor een toepassingsgeval zie Hof van beroep te Antwerpen 8 maart 2010 juridisch weekblad 2010,760.

Maar anderzijds kan ook verwezen worden naar een ander toepassingsgevalp, zijnde het arrest van het Hof van Beroep van Gent van 8 november 2006 NJW 2007,277 waar geen toepassing werd gemaakt van het voormelde adagium in pari causa.

Rechtspraak:

• Hof van Cassatie 13/01/2017, juridat C.15.0226.N, R.A.B.G., 2018/4, p. 275-278, Bulletin Juridique et Social [B.J.S.] RUE, Guillaume; Note 'Annulation d'une cession d'actions: qui supporte la baisse de valeur des actions?' 2017, n° 584, p. 11. noot Bauwens, K. en Persyn, C., « Restitutie bij nietigverklaring van de overeenkomst », R.A.B.G., 2018/4, p. 278-284

Samenvatting

Wanneer in uitvoering van de vernietigde overeenkomst goederen werden overgedragen, bestaat het herstel in de vorige toestand in beginsel in de teruggave van de goederen aan de restitutieschuldeiser en, indien de teruggave niet mogelijk is, in de betaling van de waarde van de goederen; indien de goederen op het ogenblik van de vernietiging nog in het vermogen van de restitutieschuldenaar aanwezig zijn, dient hij de goederen in natura terug te geven aan de restitutieschuldeiser, ongeacht de waardestijging of - daling van de goederen; de restitutieschuldeiser wordt geacht eigenaar van de goederen te zijn gebleven, zodat hij de risico's van een economische waardestijging of - daling van de goederen moet dragen, behoudens indien dit verschil in waarde toe te schrijven is aan het doen of laten van de restitutieschuldenaar

De verbintenis tot betaling van de waarde van de goederen vormt een waardeschuld; de restitutieschuldenaar moet aan de restitutieschuldeiser een vergoeding betalen die gelijk is aan de waarde die de goederen, in de toestand waarin zij werden ontvangen, zouden hebben gehad op het ogenblik van de begroting van de vergoeding

Tekst arrest

Nr. C.15.0226.N
ANFINA nv, met zetel te 2260 Westerlo, Schaapstraat 45,
eiseres,
tegen
1. A.K.,
2. E.K.,
verweersters,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 28 januari 2015.

II. CASSATIEMIDDELEN
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling
(...)
Eerste middel

1. Krachtens artikel 1234 Burgerlijk Wetboek gaan verbintenissen teniet door nietigverklaring of vernietiging.
De nietigverklaring van de overeenkomst houdt in dat de partijen, zo mogelijk, in dezelfde toestand worden geplaatst als die waarin zij zich zouden bevinden indien zij niet hadden gecontracteerd.

2. Wanneer in uitvoering van de vernietigde overeenkomst goederen werden overgedragen, bestaat het herstel in de vorige toestand in beginsel in de teruggave van de goederen aan de restitutieschuldeiser en, indien de teruggave niet mogelijk is, in de betaling van de waarde van de goederen.

Indien de goederen op het ogenblik van de vernietiging nog in het vermogen van de restitutieschuldenaar aanwezig zijn, dient hij de goederen in natura terug te geven aan de restitutieschuldeiser, ongeacht een waardestijging of -daling van de goederen. De restitutieschuldeiser wordt immers geacht eigenaar van de goederen te zijn gebleven, zodat hij de risico's van een economische waardestijging of -daling van de goederen moet dragen behoudens indien dit verschil in waarde toe te schrijven is aan het doen of laten van de restitutieschuldenaar.

3. De appelrechters oordelen dat: "nu de vermogensrechten verbonden aan voormelde aandelen het hoofdbestanddeel van de overnameprijs vormden, door het na de overname van aandelen quasi volledig teloorgaan van deze aan de aandelen verbonden vermogensrechten (het vermogen van de doelvennootschappen Lienvest en Netvest) ook het herstel in natura wat betreft de nietig verklaarde overdracht van aandelen van CVA Netvest niet meer mogelijk is (met name door teruggave bij gebreke aan enig vermogen waardeloos geworden aandelen) en ook hier het herstel enkel bij equivalent kan gebeuren."

4. Door aldus te oordelen dat het niet mogelijk is om de overgedragen aande-len in Netvest cva terug te geven, die nog steeds in het vermogen van de restitutie-schuldenaar aanwezig zijn, uitsluitend omdat de marktwaarde van deze aandelen is gedaald, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Tweede middel

Tweede onderdeel

5. Krachtens artikel 1234 Burgerlijk Wetboek gaan verbintenissen teniet door nietigverklaring of vernietiging.

De vernietiging van een overeenkomst die ex tunc uitwerking heeft, verplicht in de regel elk van de partijen ertoe de prestaties terug te geven die krachtens de ver-nietigde overeenkomst zijn ontvangen.

6. Wanneer in uitvoering van de vernietigde overeenkomst goederen werden overgedragen, bestaat het herstel in de vorige toestand in beginsel in de teruggave van de goederen aan de restitutieschuldeiser en, indien de teruggave niet mogelijk is, in de betaling van de waarde van de goederen.

7. De verbintenis tot betaling van de waarde van de goederen vormt een waar-deschuld. De restitutieschuldenaar moet aan de restitutieschuldeiser een vergoe-ding betalen die gelijk is aan de waarde die de goederen, in de toestand waarin zij werden ontvangen, zouden hebben gehad op het ogenblik van de begroting van de vergoeding. De restitutieschuldeiser wordt geacht eigenaar van de goederen te zijn gebleven, zodat hij de risico's van een economische waardestijging of -daling van de goederen moet dragen behoudens indien dit verschil in waarde toe te schrijven is aan het doen of laten van de restitutieschuldenaar.

8. De appelrechters oordelen dat "in functie van de hoger aangehaalde door [de eiseres] opgenomen verplichtingen dit herstel in natura in casu inderdaad dient te geschieden door uitbetaling van het verschil tussen de overeengekomen overnameprijzen en de reeds gedane afbetalingen, mits de hierna doorgevoerde forfaitaire correctie voor de vervroegde uitbetaling (nu uiteindelijk overeengeko-men werd om de afbetalingen tot 2019 te verlengen)."

9. Door de waarde van de overgedragen aandelen in Lienvest cva aldus uitslui-tend te bepalen op basis van de vernietigde overeenkomst, zonder rekening te houden met de waardeverandering van de aandelen op het ogenblik van de begro-ting van de vergoeding en zonder na te gaan of deze toe te schrijven is aan de restitutieschuldenaar, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Overige grieven
(...)

Dictum
Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behoudens in zoverre het arrest het hoger beroep ontvankelijk verklaart.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, en in openbare rechtszitting van 13 januari 2017 uitgesproken

VOORZIENING IN CASSATIE

VOOR: de NV ANFINA, met maatschappelijke zetel te 2260 Westerlo, Schaapstraat 45, ingeschreven in de Kruispuntbank voor Ondernemingen onder het nummer 0424.587.311,

eiseres tot cassatie,

TEGEN: 1. K.A.

2. K.E.

Aan de Heren Eerste Voorzitter en Voorzitter van het Hof van Cassatie,

Aan de Dames en Heren Raadsheren in het Hof van Cassatie,

Hooggeachte Dames en Heren,

Eiseres heeft de eer het arrest aan Uw beoordeling voor te leggen dat op te-genspraak tussen de partijen werd uitgesproken door de achtste kamer van het Hof van Beroep te Antwerpen op 28 januari 2015 (A.R. nrs. 2013/AR/646 en 2013/AR/2674)

FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

1. Eiseres sloot op 8 december 2003 een overeenkomst voor overdracht van aandelen met mevrouw K.A., strekkende tot overdracht van 4.990 (van de 5.000) aandelen van de commanditaire vennootschap op aandelen Netvest met maat-schappelijke zetel te 2280 Grobbendonck, Bannerlaan 54 B, ingeschreven in het handelsregister te Turnhout onder het nummer 74.876, voor een prijs van 1.000.000 euro. Eiseres trad hierbij op als overnemer en mevrouw K.A. als over-drager.

Op 8 december 2003 sloot eiseres eveneens een soortgelijke overeenkomst met mevrouw K.E., strekkende tot overdracht van 4.990 (van de 5.000) aandelen van de commanditaire vennootschap op aandelen Lienvest met maatschappelijke zetel te 2280 Grobbendonck, Bannerlaan 54 B, ingeschreven in het handelsregister te Turnhout onder het nummer 74.877, voor een prijs van 1.000.000 euro.

Beide CVA´s werden destijds opgericht door de vader van Annette en K.E., de heer Klaas Kamphuis, in het kader van de familiale vermogensplanning, om hen een jaarlijks inkomen te verschaffen uit de beleggingen en gelden van de CVA´s. De overdracht van de aandelen had een fiscale optimalisatie tot doel.

De beide overeenkomsten werden mede ondertekend door de NV Morley Mana-gers, optredend in haar hoedanigheid van zaakvoerder van de CVA Lienvest en de CVA Netvest. De NV Morley Manager was tevens eigenaar van 10 van de 5.000 aandelen van beide CVA´s.

In artikel 3 van de beide overeenkomsten werden de volgende betalingstermijnen overeengekomen:

"De betaling gebeurt in 6 jaarlijkse schijven van 45.000 euro per jaar vanaf 15 ja-nuari 2004. 1 schijf van 117.500 (euro) in 2010 en 5 jaarlijkse schijven van 122.500 euro vanaf 1 januari 2011. De jaarlijkse betalingen worden gespreid in 12 gelijke maandelijkse betalingen op de 15de van elke maand:
Fortis Bank, Steenweg op Turnhout 14, 2360 Oud-Turnhout op rekening nummer 230-0425206-75."

Krachtens artikel 4 van beide overeenkomsten werd eiseres eigenaar van de over-gedragen aandelen vanaf 1 januari 2004.

In artikel 6 van beide overeenkomsten verbonden eiseres, de CVA Lienvest en de CVA Netvest zich hoofdelijk tot betaling van de overnameprijs vermeld in artikel twee van de overeenkomst (1.000.000 euro).

Tevens garandeerden eiseres en de NV Morley Managers onder artikel 6 om geen geldopnames uit de CVA Lienvest en de CVA Netvest te verrichten waardoor de som van de beleggingen van de CVA Lienvest en de CVA Netvest bij de ABN-Amro Bank of enige andere bank zou dalen onder de som van de nog verschul-digde betalingen aan Annette resp. K.E., vermeerderd met 10%. Deze voorwaar-de gold luidens artikel 6 niet "voor betalingen aan openbare besturen, van ac-countantskosten, bedrijfskosten, schulden aan verbonden ondernemingen (betaling van management fees aan Anfina NV zijn onderworpen aan de goedkeuring van alle bestuurders van Morley Managers NV) desgevallend te vermeerderen met gelopen interesten en beleggingsresultaten, bevoorschotting van de aflossing van de aankoopprijs conform artikel 2 van deze overeenkomst."

Eiseres verleende onder artikel 6 van de beide overeenkomsten tot slot een vol-macht tot hypotheek aan de (respectievelijke) overdragers ten belope van 150.000 euro op het pand gelegen te 2260 Westerlo, Schaapstraat 45, eigendom van eise-res, tot de volledige betaling van de overnameprijs, conform artikelen 2 en 3 van de overeenkomsten.

Na de overdracht werd de aandelenportefeuille van de CVA Lienvest door de NV Morley Managers overgedragen naar de CVA Netvest. De CVA Lienvest werd later in vereffening gesteld.

2. Tot 2009 werden de overeenkomsten probleemloos uitgevoerd. Door het uitbreken van de financiële crisis in 2008 werden de waarden van de aandelenpor-tefeuilles evenwel gedecimeerd.

Eiseres kon haar betalingsbeloftes hierdoor niet meer nakomen. Dit leidde tot di-verse onderhandelingen en nieuwe afspraken tussen de partijen.

3. Op 16 november 2011 hebben Annette en K.E. eiseres (middels afzonderlij-ke exploten) gedagvaard voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout.

De vordering van zowel Annette als K.E. in eerste aanleg strekte ertoe (i) eiseres te horen veroordelen tot betaling van 103.989,62 euro achterstallige betalingen, meer intresten en de kosten van omzetting van het hypothecair mandaat ten belope van 4.128,95 euro vermeerderd met intresten, (ii) de overeenkomsten tot over-dracht van aandelen van 8 december 2003 te horen ontbinden lastens eiseres en (iii) eiseres te horen veroordelen tot betaling van 590.160 euro uit hoofde van herstel bij equivalent, meer gerechtelijke intresten. In ondergeschikte orde vorderden Annette en K.E. om, voor zover de Rechtbank de overeenkomsten van 8 december 2003 nietig zou verklaren, eiseres te horen veroordelen tot betaling van 693.920 euro, meer gerechtelijke interesten.

Bij vonnis van 5 november 2012 verklaarde de eerste rechter de overeenkomsten tot overdracht van aandelen van 8 december 2003 nietig op grond van de artikelen 629 en 657 van het Wetboek van Vennootschappen, om reden dat de CVA Lien-vest en CVA Netvest zich in (artikel 6 van) beide overeenkomsten hoofdelijk met de koper borg gesteld hadden voor de betaling van de aankoopprijs van hun eigen aandelen.

Eiseres werd veroordeeld om aan K.E. 693.920 euro te betalen (bij equivalent, nu de CVA Lienvest inmiddels in vereffening was gesteld), te vermeerderen met ver-goedende intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 14 september 2012 tot de datum van het vonnis (5 november 2012) en gerechtelijke intresten aan de wette-lijke intrestvoet vanaf 5 november 2012 tot volledige betaling.

Eiseres werd tevens veroordeeld om de door haar gekochte aandelen in de CVA Netvest terug te geven aan K.A. en deze laatste om de door eiseres voor die aandelen reeds betaalde bedragen terug te betalen.

De eerste rechter beval tot slot de opheffing van de hypothecaire inschrijvingen genomen door Annette en K.E. op het onroerend goed van eiseres te Westerlo, binnen de maand na het in kracht van gewijsde treden van het vonnis. De kosten werden omgeslagen tussen de partijen.

4. Bij verzoekschrift van 1 maart 2013 stelde K.A. hoger beroep in tegen het vonnis. Op 20 september 2013 tekende eiseres eveneens hoger beroep aan tegen het vonnis van 5 november 2012.

Beide beroepen waren beperkt tot de gevolgen van de nietigheid van de overeen-komsten van 8 december 2003. De nietigheid zelf van deze overeenkomsten werd in graad van beroep niet langer door de partijen in vraag gesteld.

Met betrekking tot de CVA Lienvest strekte de vordering van eiseres er, in hoofd-orde, toe om het vonnis van 5 november 2012 gedeeltelijk te horen vernietigen en de vergoeding tot teruggave bij equivalent (na ontbinding) te horen verminderen tot maximum op 232.500 euro onder aftrek van de reeds door eiseres aan K.E. be-taalde bedragen, en in ondergeschikte orde, op 333.333,33 euro (zijnde één derde van de initiële koopprijs) onder aftrek van de reeds door eiseres aan K.E. betaalde bedragen.

Met betrekking tot de CVA Netvest vorderde eiseres om het beroep ingesteld door K.A. ongegrond te horen verklaren en K.A. te horen veroordelen tot de kosten van het geding. In ondergeschikte orde vorderde eiseres, voor zover de appelrechters zouden menen dat geen herstel in natura m.b.t. de vernietigde overdracht van de aandelen van de CVA Netvest mogelijk was, de waarde van de vergoeding tot teruggave van equivalent maximum te begroten op 244.500 euro onder aftrek van de reeds door eiseres aan K.A. betaalde bedragen. De vordering van eiseres strekte tevens tot opheffing van de hypothecaire inschrijvingen genomen door K.A., alle kosten te haren laste.

De vordering van K.E. in hoger beroep strekte tot bevestiging van het bestreden vonnis van 5 november 2012.

De vordering van K.A. in hoger beroep strekte ertoe het vonnis van 5 november 2012 gedeeltelijk te horen vernietigen en te horen zeggen voor recht dat enkel her-stel bij equivalent mogelijk was (na vernietiging van de overeenkomst tot over-dracht van de aandelen van de CVA Netvest) en eiseres zodoende te horen ver-oordelen tot betaling van 693.920 euro (zijnde de overnameprijs van 1.000.000 euro minus 306.080 euro ontvangen betalingen), meer interesten.

In het bestreden arrest van 28 januari 2015 worden de beide hogere beroepen (i.e. het hoger beroep ingesteld door K.A. gekend onder rolnummer 2013/AR/646 en het hoger beroep ingesteld door eiseres en gekend onder rolnummer 2013/AT/2674) samengevoegd. Het Hof van Beroep vernietigt het vonnis van 5 november 2012 en veroordeelt vervolgens eiseres tot betaling van 600.000 euro aan K.E., te vermeerderen met gerechtelijke intresten vanaf de datum van het ar-rest, en tot betaling van 600.000 euro aan K.A., eveneens te vermeerderen met gerechtelijke intresten vanaf de datum van het arrest. Eiseres wordt ook veroor-deeld tot de gerechtskosten van beide aanleggen aan de zijde van Annette en K.E.. De appelrechters zeggen tot slot voor recht dat de door eiseres verstrekte hypothecaire zekerheid gehandhaafd blijft als waarborg voor de betaling van de in het arrest uitgesproken veroordelingen.

Tegen voormeld arrest wenst eiseres op te komen met de volgende middelen tot cassatie.

EERSTE MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden wettelijke bepaling

- de artikelen 629 en 657 van het Wetboek van Vennootschappen
- de artikelen 1234, 1235, 1376 en 1377 van het Burgerlijk Wetboek
- het algemeen rechtsbeginsel inzake de vermogensverschuiving zonder oor-zaak

Aangevochten beslissing

Met betrekking tot de CVA Netvest beslissen de appelrechters dat, na ver-nietiging van de overeenkomst voor overdracht van aandelen van 8 december 2003, geen teruggave van de aandelen in natura meer mogelijk is, omdat de ver-mogensrechten verbonden aan de aandelen in de CVA Netvest - welke naar oor-deel van de appelrechters het hoofdbestanddeel van de overnameprijs uitmaken - na de overname quasi volledig teloorgegaan zijn, zodat het herstel enkel nog bij equivalent kan gebeuren en veroordelen eiseres dienvolgens tot vergoeding bij equivalent, nl. betaling van 600.000 euro plus intresten, op grond van de volgende motieven:

"IV. Uit voormelde overwegingen volgt dat dit hof, anders dan de eerste rechter, oordeelt dat nu de vermogensrechten verbonden aan voormelde aandelen het hoofdbestanddeel van de overnameprijs vormden, door het na de overname van aandelen quasi volledig telloorgaan van deze aan de aandelen verbonden vermo-gensrechten (het vermogen van de doelvennootschappen Lienvest en Netvest) ook het herstel in natura wat betreft de nietig verklaarde overdracht van aandelen van CVA Netvest niet meer mogelijk is (met name door teruggave van bij gebreke aan enig vermogen waardeloos geworden aandelen) en ook hier het herstel enkel bij equivalent kan gebeuren."
(bestreden arrest bladzijde 9)

Aangevoerde grieven

De vernietiging van de overeenkomst voor overdracht van aandelen van 8 december 2003 tussen eiseres en mevrouw K.A. op grond van de artikelen 629 en 657 van het Wetboek van Vennootschappen verplicht de partijen om de prestaties terug te geven die krachtens de vernietigde overeenkomst zijn ontvangen.

Het vonnis dat de nietigverklaring uitspreekt doet een verbintenis tot terug-gave ontstaan. De restitutieverbintenis vloeit rechtstreeks voort uit de vernietiging van de overeenkomst. Voor zoveel als nodig vloeit de restitutieverbintenis tevens voort uit de artikelen 1235, 1376 en 1377 van het Burgerlijk Wetboek, of nog uit het algemeen rechtsbeginsel inzake vermogensverschuiving zonder oorzaak.

De teruggave dient bij voorkeur te geschieden door de ontvangen prestatie in natura terug te geven en slechts indien dit niet (meer) mogelijk is, door de waarde van de prestatie te vergoeden.

Indien een partij aldus in uitvoering van de vernietigde overeenkomst een goed ontving dat zij nog in natura kan teruggeven, dan is zij er in beginsel toe gehouden het goed in natura te restitueren. Hierbij wordt geen rekening gehouden met een eventuele stijging of daling van de marktwaarde van het goed.

Indien het goed ingevolge factoren onafhankelijk van de wil van partijen een waardevermindering heeft ondergaan, dan is de restitutieschuldeiser ertoe gehou-den deze waardevermindering te ondergaan.

Te dezen beslissen de appelrechters dat, hoewel niet betwist is dat de aandelen in de CVA Netvest nog in natura in het vermogen van eiseres aanwezig zijn, geen herstel in natura van de betrokken aandelen in de CVA Netvest meer mogelijk is (en de teruggave derhalve bij equivalent dient te gebeuren), omdat de vermogens-rechten verbonden aan de aandelen in waarde gedaald zijn.

Door in die zin te beslissen dat geen teruggave in natura meer mogelijk is, omdat het betrokken goed (hoewel nog fysiek bij de restitutieschuldenaar aanwezig) een waardevermindering heeft ondergaan, miskennen de appelrechters de draagwijdte van de restitutieplicht ten gevolge van de nietigverklaring van de overeenkomst (schending van de artikelen 629 en 657 van het Wetboek van Vennootschappen, en van de artikelen 1234, 1235, 1376 en 1377 van het Burgerlijk Wetboek evenals, voor zoveel als nodig van het algemeen rechtsbeginsel inzake de vermogens-verschuiving zonder oorzaak).

TWEEDE MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden wettelijke bepaling

- de artikelen 629 en 657 van het Wetboek van Vennootschappen
- de artikelen 1234, 1235, 1376 en 1377 van het Burgerlijk Wetboek
- het algemeen rechtsbeginsel inzake de vermogensverschuiving zonder oor-zaak

Aangevochten beslissing

De appelrechters veroordelen eiseres tot betaling aan mevrouw K.A. en aan mevrouw K.E. van elk een bedrag van 600.000 euro (in hoofdsom), op grond van de volgende motieven:

"V. In functie van de hoger aangehaalde door NV Anfina (lees: Van Sande Leo) opgenomen verplichtingen dient dit herstel in natura in casu inderdaad te geschie-den door uitbetaling van het verschil tussen de overeengekomen overnameprijzen en de reeds gedane betalingen, mits de hierna doorgevoerde forfaitaire correctie voor de vervroegde uitbetaling (nu uiteindelijk overeengekomen werd om de afbe-talingen tot 2019 te verlengen).

Er is inderdaad, zoals de eerste rechter ook reeds oordeelde, geen reden om deze betalingsverplichting te matigen nu ook dit hof oordeelt dat de zussen Kamphuis, zelfs bijgestaan door hun vader en Wooiford R., niet op de hoogte waren noch dienden te zijn van de enkel door NV Anfina (om alzo aan haar betalingsverplich-ting van het openstaand saldo van de koopsommen te ontsnappen) in het kader van deze procedure ingeroepen nietigheidsgrond. Bovendien, zoals gezegd, nam NV Anfina het volledig financieel (beleggings)risico verbonden aan deze over-dracht op zich.

Bovendien blijft de uitgesproken nietigheid een sanctie die binnen de perken van het noodzakelijke dient gehouden te worden en laat de overtreden rechtsnorm in onderhavig geschil, gelet op voormelde overwegingen, toe dat aan voormelde wil van partijen ondanks de uitgesproken nietigheid toch nog in de modulering van het door de rechter uit te spreken herstel in natura uitwerking gegeven wordt.

Om die redenen oordeelt dit hof dat NV Anfina aan Kamphuis Eveline en aan Kamphuis Annette nog afgerond 600.000 EUR, vermeerderd met gerechtelijke rechte vanaf datum van dit arrest dient te betalen, vermeerderd met de hieronder vastgesteld gedingkosten."
(bestreden arrest bladzijde 9)
Aangevoerde grieven

Eerste onderdeel

De vernietiging van de overeenkomst tot overdracht van aandelen op grond van de artikelen 629 en 657 van het Wetboek van Vennootschappen verplicht de partijen om de prestaties terug te geven die krachtens de vernietigde overeenkomst zijn ontvangen.

Indien de restitutie door betaling van een waardevergoeding plaatsvindt, kan deze waardebepaling niet (louter) geschieden op grond van de prijs die voor de presta-tie in de vernietigde overeenkomst was vastgesteld.

De vernietiging houdt immers precies in dat de overeenkomst opzijgescho-ven wordt. Een nietig verklaarde overeenkomst kan voor de partijen immers geen grondslag van rechten en verplichtingen (meer) zijn. Aldus moet de waardebepa-ling van de prestatie op een objectieve manier geschieden, los van de vernietigde overeenkomst.

Te dezen bepalen de appelrechters de waarde van de aandelen in de CVA Netvest en de CVA Lienvest bij equivalent op het verschil tussen de overeenge-komen overnameprijs en de reeds door eiseres gedane afbetalingen (met een for-faitaire correctie voor de vervroegde uitbetaling).

Door in die zin de waardering van de aandelen bij equivalent louter te base-ren op de contractueel overeengekomen overnameprijs, miskennen de appelrech-ters de restitutieplicht ten gevolge van de nietigverklaring van de overeenkomst en verlenen zij ten onrechte nog rechtsgevolgen aan de vernietigde overeenkomst (schending van de artikelen 629 en 65
7 van het Wetboek van Vennootschappen, en van de artikelen 1234, 1235, 1376 en 1377 van het Burgerlijk Wetboek evenals, voor zoveel als nodig van het alge-meen rechtsbeginsel inzake de vermogensverschuiving zonder oorzaak).

Tweede onderdeel

De verbintenis tot waardevergoeding bij equivalent maakt een waardeschuld uit.

Bijgevolg is de ontvanger een vergoeding verschuldigd gelijk aan de waarde die het goed - in de toestand waarin het destijds werd ontvangen - op het ogenblik van de begroting (i.e. op het ogenblik van de uitspraak van de rechter of het ogen-blik van het minnelijk akkoord tussen partijen hierover) zou hebben gehad.

Een waardestijging van het goed valt bijgevolg ten laste van de restitutie-schuldenaar: het bedrag van de door hem verschuldigde vergoeding is in dat geval hoger dan de waarde die het goed bij ontvangst had. Een waardedaling komt daarentegen ten goede van de restitutieschuldenaar: in dat geval is het bedrag van de door hem verschuldigde vergoeding lager dan de waarde die de prestatie bij ontvangst had.

Het vonnis dat de nietigverklaring uitspreekt van een overeenkomst die ex tunc uitwerking heeft, doet een verbintenis tot teruggave ontstaan. De teruggave geschiedt bij voorkeur in natura. De restitutie geschiedt slechts door betaling van een waardevergoeding bij equivalent indien teruggave in natura onmogelijk is.

Indien het ontvangen goed op het ogenblik van de teruggave nog bij de ont-vanger aanwezig is, volstaat het dat de ontvanger het goed in natura teruggeeft. Hierbij wordt geen rekening gehouden met een eventuele waardevermindering of waardevermeerdering van het goed.

In geval van teruggave in natura is de omvang van de restitutie dan ook steeds gelijk aan de waarde die het ontvangen goed op het ogenblik van de terug-gave heeft.

Derhalve dient bij de waardebepaling bij equivalent ook rekening te worden gehouden met de waarde die het ontvangen goed op het ogenblik van de terugga-ve heeft.

Door in de gevallen waarin de restitutie niet in natura gebeurt, geen rekening te houden met de waardeschommelingen die het ontvangen goed sedert het ogenblik van de ontvangst heeft ondergaan - en derhalve de omvang van de restitutie in de-ze gevallen steeds gelijk te stellen aan de waarde die de ontvangen prestatie op het ogenblik van de ontvangst had - riskeert derhalve een onverantwoorde ongelijk-heid te ontstaan ten opzichte van de (verkieslijke) wijze van teruggave in natura. In geval van waardevermindering van de prestatie, leidt een waardering bij equi-valent op het ogenblik van ontvangst dan ook tot een ongerechtvaardigde verrij-king van de restitutieschuldeiser ten nadele van de restitutieschuldenaar in verge-lijking met de toestand waarin partijen zich zouden bevonden hebben, indien een teruggave in natura wel nog mogelijk was geweest.

Door te dezen bij de waardebepaling bij equivalent geen rekening te houden met de aanzienlijke waardevermindering die de aandelen in de CVA Netvest en de CVA Lienvest sinds de overdracht hebben ondergaan, miskennen de appelrechters dan ook de restitutieplicht ten gevolge van de nietigverklaring van de overeenkomst (schending van de artikelen 629 en 657 van het Wetboek van Vennootschappen, van de artikelen 1234, 1235, 1376 en 1377 van het Burgerlijk Wetboek evenals, voor zoveel als nodig van het algemeen rechtsbeginsel inzake de vermogensverschuiving zonder oorzaak).

DERDE MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden wettelijke bepaling

- de artikelen 629 en 657 van het Wetboek van Vennootschappen
- de artikelen 1234 en 1235 van het Burgerlijk Wetboek

Aangevochten beslissing

De appelrechters beslissen dat de door eiseres tot zekerheid van de betaling van de overnameprijzen verstrekte hypotheek gehandhaafd dient te blijven tot be-loop van de in het bestreden arrest uitgesproken veroordelingen, op grond van de volgende motieven:

"V. (...) Om dezelfde hoger aangehaalde redenen oordeelt dit hof dat de tot ze-kerheid van betaling van de overnameprijzen verstrekte hypotheek onverminderd dient gehandhaafd te worden tot beloop van de in dit arrest uitgesproken veroor-delingen tot betaling van geldsommen."
(bestreden arrest bladzijde 9)

Aangevoerde grieven

De grondslag van de hypothecaire volmacht was te deze artikel 6 van de beide overeenkomsten voor overdracht van aandelen van 8 december 2003, het-welk (in identieke bewoordingen) bepaalt:

"De overnemer verleent aan de overdrager tot de volledige betaling van de prijs, conform artikel 2 en 3 van deze overeenkomst, een volmacht tot hypotheek van euro 150.000 op het pand gelegen te 2260 Westerlo, Schaapstraat 45, eigendom van Anfina NV."

De hypothecaire volmacht werd, luidens artikel 6 van beide overeenkomsten, lou-ter door eiseres aan verweersters verleend met het oog op de betaling van de overnameprijs.

Overeenkomstig artikel 1234 van het Burgerlijk Wetboek gaan de verbinte-nissen van een overeenkomst onder meer door nietigverklaring of vernietiging te-niet. Een nietig verklaarde overeenkomst kan voor partijen geen grondslag van rechten en verplichtingen (meer) zijn.

Ingevolge de vernietiging van de overeenkomsten voor overdracht van aan-delen van 8 december 2003 is dan ook een einde gekomen aan alle in deze over-eenkomsten gelegen verbintenissen, waaronder de hypotheekbelofte vervat in ar-tikel 6.

Door de tot zekerheid van de betaling van de overnameprijzen verstrekte hypotheek te handhaven ná de vernietiging van de overeenkomsten voor over-dracht van aandelen van 8 december 2003 en voor een ander doel dan de betaling van de overnameprijzen, met name voor de betaling van de in het bestreden arrest uitgesproken veroordelingen tot betaling van geldsommen uit hoofde van de resti-tutieplicht na vernietiging, miskennen de appelrechters de gevolgen van de nietig-verklaring van de overeenkomst (schending van de artikelen 629 en 657 van het Wetboek van Vennootschappen en de artikelen 1234 en 1235 van het Burgerlijk Wetboek).

TOELICHTING BIJ HET EERSTE MIDDEL

De vernietiging van de overeenkomst voor overdracht van aandelen van 8 december 2003 tussen eiseres en mevrouw K.A. op grond van de artikelen 629 en 657 van het Wetboek van Vennootschappen verplicht de partijen om de prestaties terug te geven die krachtens de vernietigde overeenkomst zijn ontvangen.

De nietigverklaring van een overeenkomst houdt immers in dat de partijen, zo mogelijk, in dezelfde toestand moeten worden geplaatst als die waarin zij zich zouden bevinden indien zij niet hadden gecontracteerd. Het is vaste rechtspraak van Uw Hof dat de vernietiging van een overeenkomst die ex tunc werking heeft, elk van de partijen in de regel ertoe verplicht de prestaties terug te geven die krachtens de vernietigde overeenkomst zijn ontvangen (Cass. 28 november 2013, C.12.0556.N; Cass. 10 mei 2012, C.10.0707.N; Cass. 5 januari 2012, C.10.0712.N; Cass. 24 september 2009, C.08.0617.N en Cass. 21 mei 2004, C.03.0501.F).

Het vonnis dat de nietigverklaring uitspreekt doet een verbintenis tot terug-gave ontstaan. De restitutieverbintenis vloeit rechtstreeks voort uit de vernietiging van de overeenkomst (J. Baeck, Restitutie na vernietiging of ontbinding van overeenkomsten, Antwerpen, Intersentia, 2012, 65, nr. 97). Deze grondslag lijkt ook door Uw Hof gedragen te worden (Cass. 28 november 2013, C.12.0556.N en Cass. 8 februari 2010, C.09.0244.F).

Voor zoveel als nodig vloeit de restitutieverbintenis tevens voort uit de artikelen 1235, 1376 en 1377 van het Burgerlijk Wetboek, of nog uit het algemeen rechts-beginsel inzake vermogensverschuiving zonder oorzaak.

De teruggave dient bij voorkeur te geschieden door de ontvangen prestatie in natura terug te geven en slechts indien dit niet (meer) mogelijk is, door de waarde van de prestatie te vergoeden (Cass. 24 september 1976, Arr.Cass. 1977, 98 en Pas. 1997, I, 101; Cass. 13 september 1985, Arr.Cass. 1985-86, 40 en Pas, 1986, I, 36; H. De Page, Traité élémentaire de droit civil belge, II, Brussel, Bruylant, 1964, 787-788, nr. 815 en 789-790, nr. 818; S.J. Nudelhole, "Les inci-dences de la théorie des risques sur les restitutions consécutives à l´annulation d´un contrat", noot onder Cass. 13 september 1985, RCJB 1988, (223), 228, nr. 8; S. Stijns, « Nietigheid van het contract als sanctie bij zijn totstandkoming », in S. Stijns en J. Smits (eds.), Totstandkoming van de overeenkomst naar Belgisch en Nederlands recht, Antwerpen, Intersentia, 2000, 674, nr. 537; T. Starosselets, "Ef-fets de la nullité", in P. Wéry (ed.), La nullité des contrats, Brussel, Larcier, 2006, (231), 242-243; A. Van Oevelen, "De nietigheid van de overeenkomst", in X., Bijzondere overeenkomsten, Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, IV Verbintenissenrecht, Titel II, Contractenrecht, Hoofdstuk IV, nr. IV.B.1 en J. Baeck, Restitutie na vernietiging of ontbinding van overeenkomsten, Antwerpen, Intersentia, 2012, 69, nr. 103).

Indien een partij aldus in uitvoering van de vernietigde overeenkomst een goed ontving dat zij nog in natura kan teruggeven, dan is zij er in beginsel toe gehouden het goed in natura te restitueren. Hierbij wordt geen rekening gehouden een eventuele stijging of daling van de marktwaarde van het goed (J. Baeck, Restitutie na vernietiging of ontbinding van overeenkomsten, Antwerpen, Intersentia, 2012, 71, nr. 105 en 85, nr. 123).

Indien het goed ingevolge factoren onafhankelijk van de wil van partijen een waardevermindering heeft ondergaan, dan is de restitutieschuldeiser ertoe gehou-den deze waardevermindering te ondergaan (J. Baeck, Restitutie na vernietiging of ontbinding van overeenkomsten, Antwerpen, Intersentia, 2012, 77-78, nr. 112; T. Starosselets, "Restitutions consécutives à la dissolution ex tunc", TBBR 2003, 80, nr. 26; S. Loosveld, Geld, geldschulden en deviezen, Larcier, 2007, 179, nr. 321 en 196, nr. 349 en P. Van Ommeslaghe, "La notion de restitution", L´obligation de restitution du banquier, Bruylant, 1998, 23-24).

TOELICHTING BIJ HET TWEEDE MIDDEL

Eerste onderdeel

Indien de restitutie door betaling van een waardevergoeding plaatsvindt, kan deze waardebepaling niet (louter) geschieden op grond van de prijs die voor de prestatie in de vernietigde overeenkomst was vastgesteld.

De vernietiging houdt immers precies in dat de overeenkomst opzijgescho-ven wordt. Een nietigverklaarde overeenkomst kan voor de partijen immers geen grondslag van rechten en verplichtingen (meer) zijn. Aldus moet de waardebepa-ling van de prestatie op een objectieve manier geschieden, los van de vernietigde overeenkomst (J. Baeck, Restitutie na vernietiging of ontbinding van overeenkom-sten, Antwerpen, Intersentia, 2012, 69, nr. 103; I. Claeys, "Nietigheid van con-tractuele verbintenissen in beweging", in X., Sancties en nietigheden, Gent, Lar-cier, 2003, 325, nr. 79; T. Starosselets, "À propos de la résolution par équivalent", in X., Liber Amicorum Jean-Pierre De Bandt, Brussel, Bruylant, 2004, 618 en P. Wéry, Droits des obligations, Volume 1. Théorie générale du contrat, Brussel, Larcier, 2010, nr. 346).

"Indien de restitutie door betaling van een waardevergoeding plaatsvindt, wordt aangenomen dat deze waardebepaling niet mag geschieden op grond van de prijs die voor de prestatie in de vernietigde of ontbonden overeenkomst was vastge-steld. De vernietiging of ontbinding houdt immers precies in dat de overeenkomst opzijgeschoven wordt. Aldus moet de waardebepaling van de prestatie op een ob-jectieve manier geschieden, los van de vernietigde of ontbonden overeenkomst.

In navolging van het DCFR zou de waarde van de ontvangen prestatie dan ook kunnen worden omschreven als de prijs die een redelijk handelende en geïnteres-seerde aanbieder en een redelijk handelende en geïnteresseerde ontvanger voor die prestatie zouden overeenkomen. Dit stemt overeen met de marktwaarde van de prestatie (voor zover voor de prestatie een markt bestaat)"
(J. Baeck, Restitutie na vernietiging of ontbinding van overeenkomsten, Antwer-pen, Intersentia, 2012, 69-70).

Ook door Uw Hof werd reeds geoordeeld dat een nietig verklaarde overeenkomst voor partijen geen grondslag van rechten en verplichtingen (meer) kan zijn (Cass. 28 november 2013, C.12.0556.N).

Tweede onderdeel

De verbintenis tot waardevergoeding bij equivalent maakt een waardeschuld uit.

Bijgevolg is de ontvanger een vergoeding verschuldigd gelijk aan de waarde die het goed - in de toestand waarin het destijds werd ontvangen - op het ogenblik van de begroting (i.e. op het ogenblik van de uitspraak van de rechter of het ogen-blik van het minnelijk akkoord tussen partijen hierover) zou hebben gehad (J. Baeck, Restitutie na vernietiging of ontbinding van overeenkomsten, Antwerpen, Intersentia, 2012, 71; S.J. Nudelhole, "Les incidences de la théorie des risques sur les restitutions consécutives à l´annulation d´un contrat", noot onder Cass. 13 sep-tember 1985, RCJB 1988, 233, nr. 14 en T. Starosselets, "À propos de la résoluti-on par équivalent", in X., Liber Amicorum Jean-Pierre De Bandt, Brussel, Bruylant, 2004, 620).

TOELICHTING BIJ HET DERDE MIDDEL

Overeenkomstig artikel 1234 van het Burgerlijk Wetboek gaan de verbinte-nissen van een overeenkomst onder meer door nietigverklaring of vernietiging te-niet. Een nietig verklaarde overeenkomst kan voor partijen geen grondslag van rechten en verplichtingen (meer) zijn (Cass. 28 november 2013, C.12.0556.N).

Op deze gronden en overwegingen besluit de ondergetekende advocaat voor ei-seres dat het U, Hooggeachte Dames en Heren, moge behagen het bestreden arrest te vernietigen, de zaak en partijen te verwijzen naar een ander hof van beroep en uitspraak te doen over de kosten als naar recht.

Antwerpen, 20 mei 2015

Bijlagen:

1. Exploot van betekening dd. 4 maart 2015 van het arrest van de Achtste Kamer van het Hof van Beroep te Antwerpen van 28 januari 2015 (2013/AR/646 en 2013/AR/2674) op verzoek van verweersters aan eiseres, waarin door beide verweersters keuze van woonplaats is gedaan op het kantoor van gerechtsdeurwaar-der Paul Eyskens, met kantoor te 2300 Turnhout, Zegeplein 9/1;
2. Exploot van betekening van deze voorziening aan verweersters.

C.15.0226.N
Conclusie van advocaat-generaal Van Ingelgem:

I. SITUERING

1. De overeenkomsten tot overdracht van aandelen tussen eiseres (als overnemer) en verweersters (als overdragers) worden door het bestreden arrest nietig verklaard. Eiseres wordt, op grond van een herstel bij equivalent, veroordeeld tot betaling van een bedrag aan elk van verweersters, en de door haar verstrekte hypothecaire zekerheid blijft gehandhaafd als waarborg voor (gedeeltelijke) betaling van de in het arrest uitgesproken veroordelingen.

2. Tegen deze beslissing voert eiseres drie middelen tot cassatie aan.

II. BESPREKING VAN DE MIDDELEN.

1. Het eerste middel verwijt het bestreden arrest te hebben beslist dat wat de aandelen in de CVA Netvest (eerste verweerster) betreft, geen herstel in natura meer mogelijk is, omdat (ondanks de nog aanwezigheid ervan in natura in het vermogen van eiseres) de vermogensrechten verbonden aan deze aandelen quasi volledig teloorgegaan waren, zodat het herstel enkel nog bij equivalent kon gebeuren.

1.1. De vernietiging van de overeenkomst heeft tot gevolg dat de partijen in de toestand moeten worden hersteld waarin zij zich zouden bevinden indien zij de overeenkomst niet hadden gesloten. Dit herstel in de oorspronkelijke toestand verplicht de partijen aldus tot een (wederzijdse) teruggave van de prestaties die in uitvoering van de vernietigde overeenkomst reeds werden ontvangen.

1.2. Als zodanig worden de restitutieverbintenissen dan ook beschouwd als een gevolg van de nietigverklaring zelf, en wordt de vernietiging van de overeenkomst als autonome rechtsgrond voor de restitutieverbintenissen weerhouden: indien de overeenkomst (geheel of gedeeltelijk) werd uitgevoerd, doet de vernietiging ervan immers nieuwe verbintenissen ontstaan in de mate dat de partijen alles moeten teruggeven wat zij hebben ontvangen, nu zij in dezelfde toestand moeten worden geplaatst als wanneer zij nooit gecontracteerd zouden hebben. De restitutieplicht vormt aldus een sui generis - verbintenis die niet aan andere rechtsfiguren (zoals de regels inzake de onverschuldigde betaling of de verrijking zonder oorzaak) moet worden vastgeknoopt(1).

1.3. Het Hof van Cassatie erkent deze autonome rechtsgrond in vaststaande rechtspraak(2), en ook de rechtsleer treedt deze benadering algemeen bij(3).

1.4. Het herstel in de vorige toestand dient bij voorrang in natura te gebeuren, door teruggave van de reeds ontvangen goederen. Slechts indien zo een herstel niet mogelijk is, gebeurt het herstel bij equivalent, door betaling van de waarde van de ontvangen goederen(4).

1.5. De onmogelijkheid van een herstel in natura -en dus de noodzaak om tot een herstel bij equivalent over te gaan- vloeit voort uit het feit dat de goederen niet meer in het vermogen van de restitutieschuldenaar aanwezig zijn (omdat ze werden verkocht en juridisch niet meer kunnen worden teruggevorderd jegens de derde-ontvanger; omdat ze werden geconsumeerd.... of omdat ze werden vernield of gewijzigd door de schuldenaar)(5). Ook wat de sanctie van artikel 629 van het Wetboek van Vennootschappen betreft (dat tot doel heeft het kapitaal van de vennootschap te beschermen en de schuldeisers van de vennootschap te waarborgen tegen insolvabiliteitsrisico's die het gevolg kunnen zijn van het voorschieten van middelen, het toestaan van leningen of het stellen van zekerheden)(6), wordt opgemerkt dat het herstel in de oorspronkelijke toestand in principe in natura moet gebeuren. Dit houdt in dat de koper in principe recht heeft op de teruggave van de verkoopprijs en dat de verkoper recht heeft op teruggave van de aandelen. In die context wordt weliswaar benadrukt dat het in de praktijk zeer moeilijk - zo niet onmogelijk - zal zijn om de meestal zeer ingewikkelde overnameconstructies (helemaal) ongedaan te maken en de klok volledig terug te draaien (bijv. wanneer de aandelen reeds doorverkocht zijn)(7). Waar in dat geval de onmogelijkheid van een herstel in natura voortvloeit uit het gegeven dat de aandelen niet meer in het vermogen van de koper aanwezig zijn, wordt de waardevermindering van de aandelen in dat kader evenwel niet vermeld om tot een onmogelijkheid van een teruggave van de goederen te besluiten.

1.6. Bepaalde rechtsleer aanvaardt dat een herstel ook bij equivalent kan gebeuren indien de toestand van de goederen zo ernstig verslechterd is dat een herstel in natura niet meer mogelijk is(8). In dat geval volgt de onmogelijkheid daartoe evenwel uit de extreme verslechtering van de toestand van de goederen zelf (bijv. door vernieling of sterke slijtage enz.), waardoor het voorkomt alsof deze helemaal niet meer aanwezig zijn in het vermogen van de schuldenaar. Dergelijke situatie dient evenwel onderscheiden te worden van een daling van de marktwaarde van de goederen, los van een wijziging van de toestand van de goederen zelf. Wanneer aldus, zoals hier, de aandelen zich nog steeds in het vermogen van eiseres bevinden (ze waren nog niet doorverkocht), dan kan een economische waardedaling van de goederen als dusdanig niet leiden tot een onmogelijkheid van teruggave van de goederen zelf, en moet het risico van de waardeveranderingen van de ontvangen prestatie (d.w.z. de stijging of daling van de waarde van het goed) worden gedragen door de restitutieschuldeiser(9). Ten gevolge van de vernietiging van de overeenkomst wordt deze immers geacht steeds eigenaar van de overgedragen goederen te zijn gebleven(10).

1.7. Hierbij weze opgemerkt dat de appelrechters in het bestreden arrest niet vaststellen dat de waardedaling van de aandelen het gevolg is van een fout door eiseres. In zoverre de vernietiging van de overeenkomsten tot aandelenoverdracht, zoals reeds eerder beklemtoond, tot gevolg heeft dat de partijen in de situatie moeten worden geplaatst waarin zij zich zouden bevinden indien zij niet hadden gecontracteerd, en, op grond van de vaststellingen van de appelrechters, de vermogensrechten die verbonden waren aan de aandelen ook in waarde zouden zijn gedaald indien de overdracht van aandelen niet had plaatsgevonden, moeten de verweersters, die in afwezigheid van de overeenkomsten tot overdracht van aandelen, eigenaar van de aandelen zouden zijn gebleven, m.i. bijgevolg het risico van de waardedaling dragen. Het volstaat derhalve dat eiseres de aandelen in natura teruggeeft.

1.8. Maar ook indien de appelrechters hadden vastgesteld dat de waardedaling van de aandelen wel aan een fout van eiseres te wijten was, zou dit nog altijd niet tot de onmogelijkheid van een herstel in natura hebben kunnen leiden. Waar in zulk geval de restitutieschuldenaar de goederen nog steeds in natura moet teruggeven, is hij daarenboven echter een vergoeding verschuldigd voor de waardevermindering van het goed(11).

1.9. Op grond van de hierboven toegelichte benadering komt het mij dan ook voor dat de appelrechters die oordelen dat het niet mogelijk is om de overgedragen aandelen in CVA Netvest terug te geven (hoewel deze nog steeds in het vermogen van eiseres aanwezig zijn), uitsluitend omdat de waarde van deze aandelen is gedaald, hun beslissing dus niet naar recht verantwoorden.

1.10. Het eerste middel lijkt mij dan ook gegrond.

1.11. In zoverre verweersters meerdere gronden van niet-ontvankelijkheid opwerpen, staat het mij evenwel voor dat de aangevoerde middelen opkomen tegen de beslissing van de appelrechters betreffende de rechtsgevolgen van de vernietiging van de overeenkomsten tot overdracht van aandelen, te weten de restitutieverbintenissen die ten gevolge van deze vernietiging voor de partijen zijn ontstaan, en dat het als geschonden aangewezen artikel 1234 van het Burgerlijk Wetboek derhalve op deze grieven slaat, zodat aan het vereiste van artikel 1080 van het Gerechtelijk Wetboek is voldaan. Schending van die wetsbepaling zou - indien de middelen gegrond zouden zijn - op zichzelf immers een voldoende grond tot vernietiging opleveren(12).

1.12. Waar partijen voor de appelrechters alleszins uitgebreid verweer hebben gevoerd over de restitutieverbintenissen ten gevolge van de nietigverklaring van de overeenkomsten tot overdracht van aandelen en artikel 1234 BW - dat bepaalt dat verbintenissen tenietgaan door nietigverklaring of vernietiging - dus betrekking heeft op de rechtsgevolgen van de nietigverklaring van de overeenkomsten, was de toepassing ervan m.i. dan ook wel degelijk in het debat voor de feitenrechter, zodat het middel alleszins niet nieuw is en de grond van niet-ontvankelijkheid derhalve dient verworpen te worden.

2. Het tweede middel heeft betrekking op de veroordeling van eiseres tot betaling aan elke verweerster van een bedrag van 600.000 euro.

2.1. Hiertegen voert eiseres aan dat -door de waarde van de aandelen bij equivalent te bepalen op het verschil tussen de overeengekomen overnameprijs en de reeds door eiseres gedane afbetalingen en aldus louter te baseren op de contractueel overeengekomen overnameprijs- de appelrechters de restitutieplicht t.g.v. de nietigverklaring van de overeenkomsten miskennen en hieraan ten onrechte nog rechtsgevolgen verlenen (eerste onderdeel). Bovendien wordt bij de waardebepaling bij equivalent rekening gehouden met de waarde die het goed had op het ogenblik van de ontvangst ervan en niet met de waarde op het ogenblik van de teruggave (tweede onderdeel).

2.2. De vernietiging van een overeenkomst die ex tunc uitwerking heeft, verplicht in de regel elk van de partijen ertoe de prestaties terug te geven die krachtens de vernietigde overeenkomst zijn ontvangen(13).

2.3. Indien een herstel in natura door teruggave van de ontvangen goederen niet mogelijk is, gebeurt het herstel door betaling van de waarde van deze goederen (herstel bij equivalent). Deze verbintenis tot waardevergoeding vormt een waardeschuld, in die zin dat de ontvanger een vergoeding verschuldigd is die gelijk is aan de waarde die het goed -in de toestand waarin het destijds werd ontvangen- op het ogenblik van de begroting van de vergoeding (d.w.z. op het ogenblik van de uitspraak van de rechter of van het minnelijk akkoord van de partijen hierover) zou hebben gehad(14).

2.4. In zoverre de waarde van het goed dus wordt bepaald op het ogenblik van de restitutie (de restitutieschuldeiser moet immers worden hersteld in de toestand waarin hij zich op het ogenblik van de restitutie zou bevinden indien hij niet had gecontracteerd(15)), wordt bij de waardebepaling van de goederen aldus rekening gehouden met de stijging of de daling van de waarde van de goederen sinds de ontvangst ervan. Indien de waarde van de goederen louter op basis van de vernietigde overeenkomst zou worden bepaald (dus op het ogenblik van de ondertekening van deze overeenkomst), zou het risico van de waardeveranderingen van de goederen ten laste vallen van de risicoschuldenaar. Waar dit echter een ongelijkheid zou scheppen nu -zoals reeds hoger bij de bespreking van het eerste middel gesteld- bij een herstel in natura de restitutieschuldeiser het risico van de waardeveranderingen draagt, gaat de rechtsleer(16) er omwille van de coherentie van het systeem van herstel dan ook vanuit dat het risico van de economische waardeveranderingen van de goederen -ook bij een herstel bij equivalent- op de restitutieschuldeiser moet rusten. Deze zienswijze wordt naar mijn mening ook bevestigd in het (m.b.t. het eerste middel) reeds eerder aangehaalde precedent van het Hof van Cassatie van 13 september 1985(17), waarin uw Hof oordeelde dat de restitutieschuldeiser niet de betaling van de tegenwaarde van de (waardeloos geworden) aandelen mocht vorderen op het ogenblik van de overdracht, aangezien het risico van de eigendom van de aandelen dan op de schuldenaar zou vallen.

Zoals reeds eerder gesteld moet de restitutieschuldeiser -gelet op de retroactiviteit van de nietigheid- worden geacht de eigenaar van de aandelen te zijn gebleven, en moet hij bijgevolg de risico's ervan dragen.

2.5. Indien de vernietiging de betaling van een waardevergoeding tot gevolg heeft, mag de waardebepaling evenwel niet gebeuren op grond van de prijs die voor de prestatie in de vernietigde overeenkomst was vastgesteld. De vernietiging heeft immers tot gevolg dat uit de vernietigde overeenkomst geen rechten of verbintenissen meer kunnen ontstaan, en de waardebepaling moet dus op een objectieve manier gebeuren, los van de vernietigde overeenkomst, d.w.z. op grond van de objectieve marktwaarde van de prestatie(18).

2.6. In zoverre de appelrechters die, enerzijds, de waarde van de overgedragen aandelen uitsluitend bepalen op basis van de prijs die voor deze aandelen in de vernietigde overeenkomsten werd vastgelegd, zonder vast te stellen dat die prijs overeenstemt met de objectieve marktwaarde van de aandelen, en die, anderzijds, de waarde van de aandelen uitsluitend bepalen op basis van de vernietigde overeenkomst (nl. op basis van de overeengekomen prijs), zonder rekening te houden met de waardeveranderingen van de aandelen op het ogenblik van de begroting van de vergoeding, aldus hun beslissing niet naar recht verantwoorden, komt het mij dan ook voor dat zowel het eerste als het tweede onderdeel van het tweede middel eveneens gegrond is.

3. In het derde middel verwijt eiseres het bestreden arrest te hebben beslist dat de door haar tot zekerheid van de betaling van de overnameprijs verstrekte hypotheek gehandhaafd diende te blijven tot beloop van de in het arrest uitgesproken veroordelingen.

3.1. Deze hypothecaire overeenkomst (d.w.z. een volmacht tot hypotheek aan verweerster t.b.v. 150.000 euro op een pand eigendom van eiseres, tot volledige betaling van de overnameprijs) vormt een accessorium van de nietig verklaarde overeenkomst, strekkende tot zekerheid van de uitvoering van de vernietigde overeenkomst.

3.2. Ingevolge de nietigheid moeten alle rechtsgevolgen van de vernietigde overeenkomst ongedaan worden gemaakt. De vernietigde overeenkomst kan als dusdanig geen bron meer zijn van rechten (art. 1234 BW), en de nietigheid strekt zich dus uit tot de zekerheden van de uitvoering van de vernietigde overeenkomst(19).

3.3. Hoewel de partiële nietigheid(20) weliswaar mogelijk is als moduleringstechniek van de nietigheidssanctie en indien een deel van de overeenkomst slechts een bijkomstig karakter heeft of van het nietige deel kan worden afgesplitst, kan dat deel blijven voortbestaan. Indien het vernietigde deel daarentegen een onverbreekbaar of ondeelbaar geheel vormt met de rest van de overeenkomst, zal de nietigverklaring zich evenwel tot de gehele overeenkomst moeten uitbreiden(21).

3.4. In de voorliggende aangelegenheid vindt de overeenkomst tot zekerheid van de betaling van de overnameprijs van de aandelen haar grondslag in de vernietigde overeenkomst, waarvan zij een accessorium is. In die optiek kan zij dus niet blijven voortbestaan als zekerheid van de betaling van geldsommen die verschuldigd zijn ten gevolge van de restitutieplicht van vernietiging.

3.5. Door bij wijze van modulering van de nietigheidssanctie de overeenkomst te handhaven die tot zekerheid van de uitvoering van de vernietigde overeenkomst strekte, kennen de appelrechters m.i. derhalve rechtsgevolgen toe aan de vernietigde overeenkomst, en verantwoorden zij hun beslissing niet naar recht.

3.6. Ook het derde middel komt mij derhalve gegrond over.

III. CONCLUSIE: VERNIETIGING.
____________________
(1) Onder anderen: H. DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil belge, II, Brussel, Bruylant, 1964, 780, 787 en 789, nrs. 809, 815 en 817.
(2) Cass. 24 maart 1972, AC 1972, 707; Cass. 13 september 1985, AR nr. 4668, AC 1985-86, nr. 24; Cass. 4 juni 2004, AR C.03.0408.F, AC 2004, nr. 305; Cass. 8 februari 2010, AR C.09.0244.F, AC 2010, nr. 88; Cass. 10 mei 2012, AR C.10.0707.N, AC 2012, nr. 291; Cass. 22 april 2013, AR C.12.0285.F, AC 2013, nr. 247; Cass. 28 november 2013, AR C.12.0556.N, AC 2013, nr. 641.
(3) C. RENARD en E. VIEUJEAN, "Nullité, inexistence et annulabilité en droit civil belge", Ann.Fac.dr. Liège 1962, 285; zie ook, J. BAECK, Restitutie na vernietiging of ontbinding van overeenkomsten, Antwerpen, Intersentia, 2012, 65-66, nrs. 97-98; I. CLAEYS, "Nietigheid van contractuele verbintenissen in beweging" in X., Sancties en nietigheden, Brussel, Larcier, 2003, 319; S.J. NUDELHOLE, "Les incidences de la théorie des risques sur les restitutions consécutives à l'annulation d'un contrat" (noot onder Cass. 13 september 1985), RCJB 1988, 227-228, nrs. 6-7; T. STAROSSELETS, "Effets de la nullité in P. WERY (ed.); La nullité des contrats, Brussel, Larcier, 2006, 240; T. STAROSSELETS, "Effets de la dissolution ex tunc" in P. WÉRY (ed.), La fin du contrat, CUP, Université de Liège, 2001, 209, nr. 11; A. VAN OEVELEN, "Hoofdstuk 4. Nietigheid" in Bijzondere commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, 2008, nr. 22; P. WÉRY, Droit des obligations, Brussel, Larcier, 2010, 315, nr. 345).
(4) J. BAECK, Restitutie na vernietiging of ontbinding van overeenkomsten, Antwerpen, Intersentia, 2012, 69, nr. 103; H. DE PAGE, Traité, II, Brussel, Bruylant, 1964, 789, nr. 818; T. STAROSSELETS, "Effets de la dissolution ex tunc" in P. WÉRY (ed.), La fin du contrat, CUP, Université de Liège, 2001, 211, nr. 13; A. VAN OEVELEN, "Hoofdstuk 4. Nietigheid" in Bijzondere commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, 2008, nr. 21; zie in deze zin ook Cass. 13 september 1985, AR nr. 4668, AC 1985-86, nr. 24.
(5) P. WÉRY, Droit des obligations, Brussel, Larcier, 2010, nr. 346, voetnoot 1555.
(6) Cass. 30 januari 2015, AR C.14.0059.N, AC 2015, nr. 72.
(7) K. TROCH, Ondernemingsfinanciering bij de overname van vennootschappen, Brussel, Larcier, 2011, 94, nr. 97.
(8) S.J. NUDELHOLE, Les incidences de la théorie des risques sur les restitutions consécutives à l'annulation d'un contrat, RCJB 1988, 225, nr. 3; T. STAROSSELETS, Effets de la dissolutionex tune, in P. WÉRY (ed.), La fin du contrat, CUP, Université de Liège, 2001, 211, nr. 13.
(9) J. BAECK, Restitutie na vernietiging of ontbinding van overeenkomsten, Antwerpen, Intersentia, 2012, 71, nr. 105 en 85, nr. 123; S. LOOSVELD, Geld, geldschulden en deviezen, Brussel, Larcier, 2007, 179-180, nr. 321; T. STAROSSELETS, "Effets de la nullité in P. WÉRY (ed.), La nullité des contrats, Brussel, Larcier, 2006, 257; P. VAN OMMESLAGHE, "La notion de restitution, le fait générateur, les fondements légaux et contractuels de l'obligation de restitution" in X., De restitutieverbintenissen van de bankier, Brussel, Bruylant, 1998, 23-24, nr. 20.
(10) S.J. NUDELHOLE, Les indices de la théorie des risques sur les restitutions consécutives à l'annulation d'un contrat, noot onder Cass. 13 september 1985, RCJB 1988, 226, nr. 5; dit volgt ook uit dat arrest zelf.
(11) J. BAECK, Restitutie na vernietiging of ontbinding van overeenkomsten, Antwerpen, Intersentia, 2012, 74, nr. 109; T. STAROSSELETS, Effets de la nullité, in P. WÉRY (ed.), La nullité des contrats, Brussel, Larcier, 2006, 245; P. VAN OMMESLAGHE, La notion de restitution, le fait générateur, les fondements légaux et contractuels de l'obligation de restitution, in X., De restitutieverbintenissen van de bankier, Brussel, Bruylant, 1998, 24, nr. 20.
(12) Cass. 15 maart 2007, AR C.05.0571.F, AC 2007, nr. 139; Cass. 21 december 2007, AR C.06.0155.F, AC 2007, nr. 660; Cass. 29 oktober 2009, AR C.08.0448.N, AC 2009, nr. 627.
(13) Cass. 21 mei 2004, AR C.03.0501.F, AC 2004, nr. 274; Cass. 24 september 2009, AR C.08.0617.N, AC 2009, nr. 525; Cass. 5 januari 2012, AR C.10.0712.N, AC 2012, nr. 9.
(14) J. VAN RYN en J. HEENEN, Principes de droit commercial, IV, Brussel, Bruylant, 1965, nr. 2741, 4°; V. BASTIAEN en G. THOREAU, "Les nullités en droit civil" in E. VIEUJEAN (ed.), Les nullités en droit belge. Sanction du vice et conséquences, Luik, Jeune Barreau, 1991, 106; S.J. NUDELHOLE, "Les incidences de la théorie des risques sur les restitutions consécutives à l'annulation d'un contrat" (noot onder Cass. 13 september 1985), RCJB 1988, 232-233, nr. 14; J. BAECK, Restitutie na vernietiging of ontbinding van overeenkomsten, Antwerpen, Intersentia, 2012, 71, nr. 106; T. STAROSSELETS, "A propos de la restitution par équivalent" in X., Liber Amicorum Jean-Pierre de Bandt, Brussel, Bruylant, 2004, 620; M. VON KUEGELGEN, "Réflexions sur le régime des nullités et des inopposabilités" in Les obligations contractuelles, Jeune Barreau de Bruxelles, 2002, 614.
(15) T. STAROSSELETS, A propos de la restitution par équivalent, in X., Liber Amicorum J-P de Bandt, Brussel, Bruylant, 2004, 623.
(16) J. BAECK, Restitutie na vernietiging of ontbinding van overeenkomsten, Antwerpen, Intersentia, 2012, 90, nr. 128; V. SAGAERT, "Ongerechtvaardigde verrijking en gewijzigde omstandigheden", TPR 2001, 627; T. STAROSSELETS, "À propos de la restitution par équivalent" in X., Liber Amicorum Jean-Pierre de Bandt, Brussel, Bruylant, 2004, 620.
(17) Cass. 13 september 1985, AR nr. 4668, AC 1985-86, nr. 24; zie anders het Franse Hof van Cassatie dat in een arrest van 14 juni 2005 (Recueil Dalloz 2005 p. 1775, n° 03-12.339) oordeelde dat de waarde van de aandelen moest worden teruggegeven op de dag van de vernietigde overeenkomst. Het risico van de waardedaling van de aandelen ligt volgens deze rechtspraak dus volledig bij de restitutieschuldenaar. Zie ook K. GEENS e.a., Overzicht van rechtspraak. Vennootschappen (1999-2010), TPR 2012, nr. 395.
(18) J. BAECK, Restitutie na vernietiging of ontbinding van overeenkomsten, Antwerpen, Intersentia, 2012, 69, nr. 103; I. CLAEYS, Nietigheid van contractuele verbintenissen in beweging, in X., Sancties en nietigheden, Brussel, Larcier, 2003, 325. Zie ook het arrest van 14 juni 2005 van het Franse Hof van Cassatie (Recueil Dalloz 2005, p. 1775, n° 03-12.339) dat de beslissing van de appelrechters, die de waarde van de aandelen uitsluitend hadden bepaald op grond van de verkoopprijs in de vernietigde overeenkomst, vernietigde en oordeelde dat de restitutieschuldeiser -in de mate dat een teruggave van de aandelen in natura niet meer mogelijk was- recht had om de marktwaarde van de aandelen op de dag van de vernietigde overeenkomst te ontvangen.
(19) T. STAROSSELETS, Effets de la nullité, in P. WÉRY (ed.), La nullité des contrats, Brussel, Larcier, 2006, 238.
(20) Met partiële nietigheid wordt bedoeld dat slechts dat deel van de overeenkomst of slechts dat beding nietig wordt verklaard dat in strijd is met een regel van openbare orde of van dwingend recht.
(21) S. STIJNS, Nietigheid van het contract als sanctie bij zijn totstandkoming, in J. Smits en S. Stijns (eds.), Totstandkoming van de overeenkomsten naar Belgisch en Nederlands recht, Antwerpen, Intersentia, 2002, 242-243.
 


Let wel de restitutie en de schadevergoeding in het burgerlijk recht bij nietige overeenkomsten zijn totaal verschillend van de nietigheidsleer van het gerechtelijk wetboek.

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:15
Laatst aangepast op: ma, 12/03/2018 - 17:39

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.