-A +A

Gerechtelijk wetboek de gerechtelijke organisatie

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

uittreksel uit het gerechtelijk wetboek: stand van de wetgeving per 23/05/05

GERECHTELIJK WETBOEK - Deel II : RECHTERLIJKE ORGANISATIE. (art. 58 tot 555ter)
EERSTE BOEK. - ORGANEN VAN DE RECHTERLIJKE MACHT.
Art. 58. Dit wetboek regelt de organisatie van de vredegerechten, de politierechtbanken, de arrondissementsrechtbanken, de rechtbanken van eerste aanleg, de arbeidsrechtbanken, de rechtbanken van koophandel, de hoven van beroep, de arbeidshoven, de hoven van assisen en van het Hof van Cassatie.
(lid opgeheven) <W 2003-04-10/59, art. 88, 107; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
Art. 58bis. <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 2, Inwerkingtreding : 01-01-2000> (In dit wetboek, voor wat de magistraten betreft, wordt verstaan onder) : <W 2001-06-21/42, art. 2, 085; Inwerkingtreding : 20-07-2001>
1° benoemingen : de benoeming tot vrederechter, rechter in de politierechtbank, toegevoegd vrederechter, toegevoegd rechter in de politierechtbank, plaatsvervangend rechter in een vredegerecht of in een politierechtbank, rechter en toegevoegd rechter in de rechtbank van eerste aanleg, arbeidsrechtbank en rechtbank van koophandel, plaatsvervangend rechter, substituut-procureur des Konings, substituut-procureur des Konings gespecialiseerd in fiscale aangelegenheden, substituut-procureur des Konings gespecialiseerd in handelszaken, toegevoegd substituut-procureur des Konings, substituut-arbeidsauditeur en toegevoegd substituut-arbeidsauditeur, (...) raadsheer in het hof van beroep en in het arbeidshof, plaatsvervangend raadsheer in het hof van beroep bedoeld in artikel 207bis, § 1, substituut-procureur-generaal bij het hof van beroep, substituut-generaal bij het arbeidshof, (...) raadsheer in het Hof van Cassatie en advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie; <W 2003-04-10/59, art. 89, 107; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
2° korpschef : de titularis van de mandaten van voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, arbeidsrechtbank en rechtbank van koophandel, procureur des Konings, arbeidsauditeur, (...) eerste voorzitter van het hof van beroep en van het arbeidshof (...), procureur-generaal bij het hof van beroep en het arbeidshof, (...) (federale procureur), eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, procureur-generaal bij het Hof van Cassatie; <W 2001-06-21/42, art. 2, 085; Inwerkingtreding : 20-07-2001> <W 2003-04-10/59, art. 89, 107; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
3° adjunct-mandaat : de mandaten van ondervoorzitter in de rechtbank van eerste aanleg, arbeidsrechtbank en rechtbank van koophandel, eerste substituut-procureur des Konings, eerste substituut-arbeidsauditeur, (...) kamervoorzitter in het hof van beroep en in het arbeidshof, eerste advocaat-generaal en advocaat-generaal bij het hof van beroep en bij het arbeidshof, (...) voorzitter en afdelingsvoorzitter in het Hof van Cassatie en eerste advocaat- generaal bij het Hof van Cassatie; <W 2003-04-10/59, art. 89, 107; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
4° bijzonder mandaat : de mandaten van onderzoeksrechter, rechter in de jeugdrechtbank, beslagrechter, jeugdrechter in hoger beroep, bijstandsmagistraat en federaal magistraat.
EERSTE TITEL. - Hoven en rechtbanken - Leden.
EERSTE HOOFDSTUK. - Vrederechter en politierechtbank.
Eerste afdeling. - Algemene bepalingen.
Art. 59. Er is een vredegerecht in ieder gerechtelijk kanton.
Art. 60. <W 1994-07-11/33, art. 20, 032; Inwerkingtreding : 1995-01-01> Er zijn politierechtbanken. Een of meer rechters oefenen er hun ambt uit in de rechtsgebieden bepaald in het bijvoegsel bij dit Wetboek.
Een vrederechter kan bovendien tot rechter in de politierechtbank worden benoemd.
De politierechtbanken bevatten een of meer kamers.
Art. 61. De zetel van de vredegerechten wordt bepaald in artikel 1 van het bijvoegsel bij dit wetboek.
(De zetel van de politierchtbanken wordt gevestigd in de hoofdplaats van het gerchtelijk arrondissement wanneer niet anders is bepaald in artikel 3 van het bijvoegsel bij dit Wetboek.) <W 1994-07-11/33, art. 21, 032; Inwerkingtreding : 1995-01-01>
Art. 62. (Opgeheven) <W 2001-06-15/31, art. 2, 084; Inwerkingtreding : 01-09-2001>
Art. 63. (Lid 1 opgeheven) <W 1999-03-25/50, art. 2, 071; Inwerkingtreding : 01-09-2000>
De Koning bepaalt jaarlijks de bevolking van ieder kanton op de grondslag van het aantal inwoners op de voorgaande 31e december.
(Lid 3 opgeheven) <W 2001-06-15/31, art. 2, 084; Inwerkingtreding : 01-09-2001>
Art. 64. (Plaatsvervangende rechters kunnen worden benoemd in een of meer vredegerechten en in een of meer politierechtbanken.) <W 1998-02-10/32, art. 2, 057; Inwerkingtreding : 02-03-1998>
Aan een gerecht kunnen ten hoogste zes plaatsvervangende rechters worden verbonden.
Art. 65. Wanneer een vrederechter of een rechter in de politierechtbank wettig verhinderd is of wanneer zijn ambt openstaat, kan de eerste voorzitter van het hof van beroep bij beschikking een andere, werkende of plaatsvervangende, vrederechter of rechter in de politierechtbank (...), die dit aanvaardt, opdragen er tijdelijk zijn ambt te vervullen samen met dat waarvan hij titularis is. <W 1994-07-11/33, art. 23, 032; Inwerkingtreding : 1995-01-01>
Die beschikking wordt gegeven op vordering of op advies van de procureur-generaal.
De opdracht eindigt wanneer de reden ervan vervalt; voor zaken waarover de debatten aan gang zijn of die in beraad zijn, blijft de opdracht gelden tot aan het vonnis.
Art. 65bis. <Ingevoegd bij W 2001-03-13/36, art. 2; Inwerkingtreding : 30-03-2001> Om tot voorzitter en plaatsvervangend voorzitter van de algemene vergadering van vrederechters en rechters in de politierechtbank te kunnen aangewezen worden, moeten de kandidaten sedert minstens vijf jaar vrederechter of toegevoegd vrederechter zijn, rechter of toegevoegd rechter in een politierechtbank gelegen in het rechtsgebied van het betrokken hof van beroep.
De voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter worden voor een niet hernieuwbare termijn van vier jaar verkozen door de leden van de algemene vergadering van vrederechters en rechters in de politierechtbank.
Het voorzitterschap van de algemene vergadering van vrederechters en rechters in de politierechtbank wordt afwisselend waargenomen door een vrederechter of een toegevoegd vrederechter en door een rechter of toegevoegd rechter in de politierechtbank.
Afdeling II. _ Dienst.
Art. 66. De zittingen worden ten zetel van het gerecht gehouden. Het aantal, de dagen en de duur van de gewone zittingen worden door de Koning vastgesteld op advies (van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg), van de procureur des Konings, van de vrederechter of de rechter in de politierechtbank en van de stafhouder van de Orde van Advocaten. <W 15-7-1970, art. 3>
Deze vaststelling belet niet dat de rechter, op andere dagen, buitengewone zittingen houdt, zelfs op zon- en feestdagen, zowel 's voormiddags als namiddags, indien de behoeften van de dienst het rechtvaardigen. Hij kan te zijnen huize zitting houden met open deuren.
Art. 67. (opgeheven) <W 1994-07-11/33, art. 24, 032; Inwerkingtreding : 1995-01-01>
Art. 68. Wanneer er in de politierechtbank verscheidene rechters zijn, berust de leiding van de rechtbank en de verdeling van de dienst bij de oudstbenoemde.
Art. 69. (Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, kan de Koning toegevoegde rechters benoemen die ermee belast zijn, naar gelang van het geval, hetzij samen met een of meer vrederechters, hetzij samen met een of meer (rechters in de politierechtbank), de vredegerechten en de politierechtbanken te bedienen.) <W 1994-07-11/33, art. 25, 1°, 032; ED : 1995-01-01> <W 2001-03-13/36, art. 3, 086; Inwerkingtreding : 30-03-2001>
(De Koning kan een vrederechter bovendien benoemen in de hoedanigheid van toegevoegd rechter bij de politierechtbank en eveneens als toegevoegd vrederechter bij een vredegerecht in een ander kanton.) <W 1998-02-10/32, art. 3, 057; Inwerkingtreding : 02-03-1998>
De Koning wint over de behoeften van de dienst vooraf het advies in van de eerste voorzitter van het hof van beroep, van de procureur-generaal, (van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg) en van de procureur des Konings. <W 15-7-1970, art. 4>
De toegevoegde vrederechters worden slechts dan vrederechter titularis of rechter titularis in de politierechtbank wanneer zij tot die nieuwe ambten worden benoemd.
Art. 70. In gerechten met een of meer toegevoegde rechters berust de verantwoordelijkheid voor en de verdeling van de dienst bij de rechter titularis.
Wanneer bij deze verdeling verscheidene gerechten met verschillende titularissen betrokken zijn, wordt zij door hen in onderlinge overeenstemming geregeld.
(De moeilijkheden worden door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg beslecht op advies van de procureur des Konings.) <W 15-7-1970, art. 5>
Art. 71. De plaatsvervangende rechters worden volgens de orde van hun benoeming geroepen om de vrederechter of de rechter in de politierechtbank te vervangen.
Art. 72. Ingeval een vrederechter en zijn plaatsvervangers wettig verhinderd zijn, verwijst de arrondissementsrechtbank de partijen naar een andere vrederechter van hetzelfde arrondissement. Het vonnis van verwijzing wordt uitgesproken op verzoek van de meest gerede partij, de partijen tegenwoordig zijnde of bij gerechtsbrief behoorlijk opgeroepen door de griffier, en de procureur des Konings gehoord.
Tegen dit vonnis staat geen verzet of hoger beroep open.
In gevallen van overmacht kan de Koning, op advies van de eerste voorzitter van het hof van beroep en van de procureur-generaal, de zetel van het vredegerecht tijdelijk verplaatsen naar een andere gemeente van het rechtsgebied van het hof.
De vorige bepalingen zijn toepasselijk op de politierechtbanken.
HOOFDSTUK II. _ Arrondissementsrechtbank,rechtbank van eerste aanleg,arbeidsrechtbank en rechtbank van koophandel.
Eerste afdeling. _ Algemene bepaling.
Art. 73. Er is in ieder gerechtelijk arrondissement, een arrondissementsrechtbank, een rechtbank van eerste aanleg, een arbeidsrechtbank en een rechtbank van koophandel.
Afdeling II. _ Arrondissementsrechtbank.
Art. 74. De arrondissementsrechtbank bestaat uit de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, de voorzitter van de arbeidsrechtbank en de voorzitter van de rechtbank van koophandel of uit de rechters die hen in die respectieve rechtbanken vervangen.
Art. 75. <W 15-07-1970, art. 6> De arrondissementsrechtbank wordt, telkens voor een gerechtelijk jaar achtereenvolgens voorgezeten door ieder van de in artikel 74 genoemde magistraten.
Afdeling III. _ Rechtbank van eerste aanleg.
Art. 76. De rechtbank van eerste aanleg bestaat uit een of meer kamers voor burgerlijke zaken, uit één of meer kamers voor correctionele zaken en één of meer jeugdkamers.
Die kamers vormen drie afdelingen, genaamd : burgerlijke rechtbank, correctionele rechtbank en jeugdrechtbank.
(In de afdeling van de correctionele rechtbank worden een of meer kamers onder meer bevoegd voor de procedures van onmiddellijke verschijning en van oproeping bij proces verbaal.) <L 2000-03-28/30, art. 2, 079; Inwerkingtreding : 2000-04-03>
Art. 77. De rechtbank van eerste aanleg bestaat uit een voorzitter van de rechtbank en uit rechters.
In de gevallen bepaald in de wet tot vaststelling van de personeelsformatie van hoven en rechtbanken, omvat ze daarenboven één of meer ondervoorzitters.
Art. 78. De kamers van de rechtbank van eerste aanleg bestaan uit één of uit drie rechters.
Art. 79. <W 1991-07-18/35, art. 1, 023; Inwerkingtreding : 28-03-1992> De Koning wijst uit de rechters in de rechtbank van eerste aanleg, volgens de behoeften van de dienst, een of meer onderzoeksrechters, een of meer beslagrechters en een of meer rechters in de jeugdrechtbank aan.
(...) <W 1998-12-22/47, art. 3, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
De onderzoeksrechters en de beslagrechters kunnen volgens hun rang zitting blijven nemen voor de berechting van de zaken die aan de rechtbank van eerste aanleg worden voorgelegd.
(De rechters in de jeugdrechtbank kunnen zitting nemen in de kamers voor burgerlijke zaken van de rechtbank van eerste aanleg.
Wanneer ze zitting hebben in de burgerlijke kamers van de rechtbank van eerste aanleg, worden de rechters in de jeugdrechtbank bij voorrang belast met de aangelegenheden behorend tot het familierecht.
De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg kan de rechter in de jeugdrechtbank, bij wijze van uitzondering en op advies van de procureur des Konings verzoeken zitting te nemen in de kamers voor correctionele zaken van de rechtbank van eerste aanleg. Wanneer ze worden verzocht zitting te nemen in de correctionele kamers van de rechtbank van eerste aanleg, worden de rechters in de jeugdrechtbank bij voorrang belast met de strafzaken betreffende misdrijven tegen de orde der familie en tegen de openbare zedelijkheid.) <W 1997-01-21/38, art. 2, 042; Inwerkingtreding : 1997-03-25>
Art. 80. <W 1998-12-22/47, art. 4, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> Bij verhindering van een onderzoeksrechter, een beslagrechter of een rechter in de jeugdrechtbank, wijst de voorzitter van de rechtbank een werkend rechter aan om hem te vervangen.
Bovendien kan de voorzitter van de rechtbank, indien de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, bij wijze van uitzondering en na het advies van de procureur des Konings te hebben ingewonnen, een werkend rechter aanwijzen om de voornoemde ambten (gedurende een termijn van ten hoogste twee jaar) waar te nemen, die tweemaal kan worden hernieuwd. Om te kunnen worden aangewezen als onderzoeksrechter, moet de werkende rechter de opleiding hebben gevolgd, bedoeld in artikel 259sexies, § 1, 1°, derde lid. <W 2003-12-22/53, art. 2, 116; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
De opdracht eindigt wanneer de reden ervan vervalt; voor zaken waarover de debatten aan de gang zijn of die in beraad zijn bij de rechter in de jeugdrechtbank of de beslagrechter, blijft de opdracht gelden tot aan het eindvonnis.
Afdeling IV. - Arbeidsrechtbank.
Art. 81. De arbeidsrechtbank bestaat uit ten minste twee kamers.
Elk daarvan wordt voorgezeten door een rechter in de arbeidsrechtbank en bestaat daarenboven uit twee rechters in sociale zaken.
In de geschillen betreffende de aangelegenheden bedoeld in artikel 578, 1° , 2° , 3° en 7° , moet een van de rechters in sociale zaken benoemd zijn als werkgever, de andere als arbeider of als bediende, naar gelang van de hoedanigheid van de betrokken werknemer.
Indien, vóór ieder ander middel, de hoedanigheid van arbeider of van bediende van een der partijen wordt betwist, doet de kamer uitspraak over de grond van het geschil nadat ze zo is aangevuld dat ze buiten de voorzitter bestaat uit twee rechters in sociale zaken benoemd als werkgever en twee rechters in sociale zaken benoemd respectievelijk als arbeider en als bediende.
(In de geschillen betreffende de aangelegenheden bedoeld in artikel 578, 12°, b) , moet één van de rechters in sociale zaken benoemd zijn als werkgever, de andere als zelfstandige.) <W 2002-12-20/52, art. 2, 104; Inwerkingtreding : 01-02-2003>
(In de geschillen betreffende de aangelegenheden bedoeld in de artikelen 578, 4°, 5°, 6°, 8°,10°, 11° en 12°, a) , 579, 580, 582, 3° en 4°, en voor de toepassing op de werkgevers van de administratieve sancties bedoeld in artikel 583, moet één van de rechters in sociale zaken benoemd zijn als werkgever, de andere als werknemer.) <W 2002-12-20/52, art. 2, 104; Inwerkingtreding : 01-02-2003>
In de geschillen betreffende de aangelegenheden bedoeld in artikel 582, (1° en 2°) , moet één van de rechters in sociale zaken benoemd zijn als zelfstandige, de andere als werknemer <W 30-06-1971, art. 14, § 2>.
(In de geschillen betreffende de aangelegenheden bedoeld in artikel 581 en voor de toepassing van de in artikel 583 bedoelde administratieve sancties op zelfstandigen, bestaat de Kamer uit één rechter in de arbeidsrechtbank en twee rechters in sociale zaken die benoemd zijn als zelfstandigen.) <W 1990-07-26/31, art. 1, 016; Inwerkingtreding : 1990-08-17>
Heeft het geschil betrekking op een mijnwerker, zeeman, zeevisser, schipper, havenarbeider of een aangeslotene bij de overzeese sociale zekerheid, dan moet de rechter in sociale zaken, in de mate van het mogelijke, behoren of behoord hebben tot dezelfde kategorie als de betrokken werknemer.
Art. 82. De arbeidsrechtbank bestaat uit een voorzitter, rechter in de arbeidsrechtbank, en rechters in sociale zaken.
In de gevallen bepaald in de wet tot vaststelling van de personeelsformatie van hoven en rechtbanken, bestaat zij bovendien uit één of meer ondervoorzitters en één of meer rechters in de arbeidsrechtbank.
Art. 83. De Koning stelt, op voordracht van de minister die de Arbeid in zijn bevoegdheid heeft, de regels volgens welke de rechters in sociale zaken geroepen worden om zitting te nemen bij toepassing van artikel 81.
Afdeling V. - Rechtbank van koophandel.
Art. 84. De rechtbank van koophandel bestaat uit een of meer kamers.
Iedere kamer wordt voorgezeten door een rechter in de rechtbank van koophandel en telt bovendien twee rechters in handelszaken.
(Iedere rechtbank van koophandel stelt een of meer kamers voor handelsonderzoek in.) <W 1997-07-17/65, art. 48, 055; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
Art. 85. De rechtbank van koophandel bestaat uit een voorzitter, rechter in de rechtbank van koophandel, en uit rechters in handelszaken.
In de gevallen bepaald in de wet tot vaststelling van de personeelsformatie van hoven en rechtbanken, bestaat zij bovendien uit één of meer ondervoorzitters en één of meer rechters in de rechtbank van koophandel.
(De rechters in handelszaken kiezen in hun midden een voorzitter in handelszaken die de voorzitter bij de leiding van de rechtbank kan bijstaan.) <W 15-07-1970, art. 7>.
Afdeling VI. _ Bureau voor rechtsbijstand.
Art. 86. Er is in iedere rechtbank van eerste aanleg, arbeidsrechtbank en rechtbank van koophandel een bureau voor rechtsbijstand dat uit een of meer afdelingen bestaat. Iedere afdeling bestaat uit een werkend rechter.
De zaken worden verdeeld over de verscheidene afdelingen volgens een reglement dat de voorzitter van de rechtbank vaststelt.
Afdeling VIbis. - (Toegevoegde rechters). <Ingevoegd bij W 1998-02-10/32, art. 4; Inwerkingtreding : 02-03-1998>
Art. 86bis. <Ingevoegd bij W 1998-02-10/32, art. 4; Inwerkingtreding : 02-03-1998> De Koning kan toegevoegde rechters benoemen per rechtsgebied van het hof van beroep of van het arbeidshof. Hun aantal per rechtsgebied kan niet meer bedragen dan een (achtste) van het totaal aantal magistraten van de zetel van de rechtbanken van eerste aanleg, de rechtbanken van koophandel en de arbeidsrechtbanken gelegen binnen dit rechtsgebied, zoals vastgesteld door de wet bedoeld in artikel 186, vierde lid. <W 2000-03-28/30, art. 3, 079; Inwerkingtreding : 2000-04-01>
(In afwijking van het bepaalde in het vorige lid, kan het aantal toegevoegde rechters voor het rechtsgebied van het hof van beroep te Brussel of van het arbeidshof te Brussel, meer dan één achtste bedragen van het totaal aantal magistraten van de zetel van de rechtbanken van eerste aanleg, van de rechtbanken van koophandel en van de arbeidsrechtbanken gelegen binnen dit rechtsgebied, zonder echter één vierde van dit aantal te overschrijden.) <W 2002-07-16/37, art. 2, 098; Inwerkingtreding : 16-08-2002>
De toegevoegde rechters worden door de Koning aangewezen om hun ambt volgens de behoeften van de dienst tijdelijk uit te oefenen, hetzij bij een of meer rechtbanken van eerste aanleg, hetzij bij een of meer rechtbanken van koophandel, hetzij bij een of meer arbeidsrechtbanken gelegen binnen dit rechtsgebied. Behoudens verlenging eindigt de opdracht wanneer de termijn waarvoor zij zijn aangewezen is verstreken; voor zaken waarover de debatten aan de gang zijn of die in beraad zijn, blijft de opdracht evenwel geldig tot aan het vonnis.
Als behoeften van de dienst die de aanwijzing voor een bepaalde tijd van een toegevoegd rechter rechtvaardigen, wordt beschouwd de omstandigheid dat een rechter verhinderd is om zitting te nemen. (De eerste voorzitter van het hof van beroep of in voorkomend geval de eerste voorzitter van het arbeidshof, brengt onmiddellijk iedere wijziging van de affectatie van de toegevoegde rechters ter kennis van de Minister van Justitie.) <W 2003-05-03/45, art. 2, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
Voor het overige moeten de behoeften van de dienst blijken uit een globale evaluatie van de werking van de betrokken rechtbanken, de beschrijving van de uitzonderlijke omstandigheden die de toevoeging van een rechter rechtvaardigen en de concrete taken die de toegevoegde rechter zal waarnemen om aan de uitzonderlijke omstandigheden het hoofd te bieden.
De Koning kan met betrekking tot deze evaluatie en deze beschrijving een beroep doen op de bijstand van een deskundige die niet tot de rechterlijke orde behoort.
In voorkomend geval kan deze deskundige zijn medewerking verlenen aan de gerechtelijke overheid die haar advies moet uitbrengen.
De Koning wint over de behoeften van de dienst vooraf het gemotiveerd advies in van de eerste voorzitter van het hof van beroep, in voorkomend geval van de eerste voorzitter van het arbeidshof, van de procureur-generaal en, naar gelang van het geval, van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, van de voorzitter van de rechtbank van koophandel of van de voorzitter van de arbeidsrechtbank, van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur.
De toegevoegde rechters worden slechts dan rechter titularis in de rechtbank van eerste aanleg, de rechtbank van koophandel of de arbeidsrechtbank, wanneer zij tot die nieuwe ambten worden benoemd.
De toegevoegde rechters zijn onderworpen aan de bepalingen van de afdelingen III tot en met VIII van dit hoofdstuk.
Afdeling VII. _ Plaatsvervangende rechters.
Art. 87. Er zijn plaatsvervangende rechters in de rechtbank van eerste aanleg, in de arbeidsrechtbank en in de rechtbank van koophandel; zij hebben geen gewone bezigheden en worden benoemd om verhinderde rechters of leden van het openbaar ministerie tijdelijk te vervangen.
(De plaatsvervangende rechters kunnen ook geroepen worden om zitting te nemen wanneer de bezetting niet volstaat om de rechtbank overeenkomstig de bepalingen van de wet samen te stellen.) <W 15-07-1970, art. 8>
Er kunnen plaatsvervangende rechters in sociale zaken en plaatsvervangende rechters in handelszaken, worden benoemd om verhinderde rechters in sociale zaken en rechters in handelszaken te vervangen.
(De plaatsvervangende rechters bedoeld in het eerste lid, kunnen geen federaal magistraat, noch een lid van het openbaar ministerie vervangen die met toepassing van artikel 144bis, § 3, eerste en tweede lid, belast zijn met een opdracht.) <W 2001-06-21/42, art. 3, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
Afdeling VIII. _ Dienst.
Art. 88. (§ 1. Het bijzonder reglement voor elke rechtbank wordt door de Koning vastgesteld op advies van de eerste voorzitter van het hof van beroep, van de eerste voorzitter van het arbeidshof, van de procureur-generaal, en naar gelang van het geval, van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, van de voorzitter van de arbeidsrechtbank of van de voorzitter van de rechtbank van koophandel, van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur, van de hoofdgriffier van de rechtbank en van de stafhouder van de Orde van advocaten.) <W 15-07-1970, art. 9>
Dit reglement bepaalt het aantal kamers en hun bevoegdheid, de dagen en de uren van hun zittingen en van de inleiding van de zaken. Het bevat de aanduiding van de kamers die in de rechtbank van eerste aanleg onderscheidenlijk met drie of met een enkele rechter zitting houden. Het bepaalt, zo nodig, ook de verdeling van de zaken onder de onderzoeksrechters.
Het reglement van de rechtbanken met zetel te Brussel bepaalt, volgens de behoeften van de dienst de kamers die kennis nemen van de zaken in het Frans, en diegene die kennis nemen van de zaken in het Nederlands.
Om de drie jaar brengt de voorzitter van iedere rechtbank verslag uit bij de minister van Justitie omtrent de behoeften van de dienst van de kamers van beide taalstelsels, op grond van het aantal zaken die gedurende de laatste drie jaren in het Nederlands en in het Frans zijn behandeld.
Het reglement wordt ter griffie van de rechtbank aangeplakt.
§ 2. Incidenten in verband met de verdeling van de burgerlijke zaken onder de afdelingen, kamers of rechters van een zelfde rechtbank van eerste aanleg worden op de volgende manier geregeld :
Indien een zodanig incident vóór ieder ander middel door een van de partijen of bij de opening van de debatten ambtshalve wordt uitgelokt, legt de afdeling, de kamer of de rechter het dossier voor aan de voorzitter van de rechtbank, die oordeelt of de zaak anders moet worden toegewezen. De griffier geeft kennis ervan aan de partijen, die over een termijn van acht dagen beschikken om een memorie in te dienen. De procureur des Konings gehoord, doet de voorzitter, binnen acht dagen, uitspraak bij beschikking. Tegen deze beschikking staat, buiten de voorziening van de procureur-generaal bij het hof van beroep, voor het Hof van cassatie binnen de termijnen en volgens de regels zoals bepaald in artikel 642, tweede en derde lid, geen middel open. De griffier van het Hof zendt een afschrift van het arrest van het Hof van cassatie aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg en aan de partijen.
De beslissing bindt de rechter naar wie de vordering wordt verwezen, met dien verstande dat zijn recht om over de rechtsgrond van de zaak te oordelen onverkort blijft.) <W 15-07-1970, art. 9>
Art. 89. <W 1997-02-17/50, art. 3, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997> Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, stelt de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, van de arbeidsrechtbank of van de rechtbank van koophandel, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de eerste voorzitter van het hof van beroep of, wanneer het gaat om de arbeidsrechtbank, van de eerste voorzitter van het arbeidshof, na het advies van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur, naar gelang van het geval, en van de hoofdgriffier te hebben ingewonnen, een of meer tijdelijke kamers samen, bestaande uit de rechters en, in voorkomend geval, de rechters in sociale zaken of de rechters in handelszaken die hij aanwijst.
Art. 90. (De voorzitter is belast met de organisatie van de werkzaamheden en de verdeling van de zaken overeenkomstig het reglement van de rechtbank. Hij kan een of meer ondervoorzitters aanwijzen om hem bij te staan.) <W 1998-12-22/47, art. 5, 066; Inwerkingtreding : 01-03-1999>
Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, kan de voorzitter van het gerecht een deel van de zaken die aan een kamer zijn toegewezen, onder de andere kamers van de rechtbank verdelen.
Art. 91. <W 1992-08-03/31, art. 1, 025; Inwerkingtreding : 01-01-1993> In burgerlijke en strafzaken worden de vorderingen toegewezen aan kamers met één rechter, behalve in de gevallen van artikel 92.
In strafzaken wordt de zaak vastgesteld voor een kamer met drie rechters wanneer het openbaar ministerie zulks vermeldt in de dagvaarding (of de oproeping). <L 2000-03-28/30, art. 4, 079; Inwerkingtreding : 2000-04-03>
De verwijzing naar een kamer met drie rechters wordt eveneens bevolen wanneer de beklaagde dit vraagt bij zijn verschijning voor de raadkamer met het oog op de regeling van de procedure.
De tekst van het voorgaande lid moet in de oproeping voor de raadkamer worden vermeld.
Wordt de beklaagde voor de correctionele rechtbank gedagvaard (of opgeroepen) zonder dat er een verwijzingsbevel is, dan kan hij zijn verzoek formuleren binnen acht dagen na de dagvaarding (of de oproeping). <W 1994-07-11/33, art. 26, 032; Inwerkingtreding : 1994-07-31>
De tekst van het voorgaande lid wordt in de dagvaarding vermeld.
(Wanneer de beklaagde wordt opgeroepen voor de correctionele rechtbank in het kader van een procedure tot onmiddellijke verschijning zoals bedoeld in artikel 216quinquies van het Wetboek van strafvordering, kan hij dit verzoek ten laatste uiten voor zijn eerste verhoor door de rechter ten gronde.) <L 2000-03-28/30, art. 4, 079; Inwerkingtreding : 2000-04-03>
In burgerlijke zaken gelast de rechter de verwijzing naar een kamer met drie rechters wanneer een partij, vóór elk verweer, hierom schriftelijk verzoekt op de dag van de inleiding van de zaak. Dat verzoek kan niet worden gedaan naar aanleiding van een vrijwillige of een gedwongen tussenkomst.
Art. 92. § 1. (Aan de kamers met drie rechters moeten worden toegewezen :
1° de burgerlijke rechtsvorderingen tot verbetering van akten van de burgerlijke stand;
2° de burgerlijke rechtsvorderingen aangebracht naar aanleiding van drukpersmisdrijven;
3° het hoger beroep tegen vonnissen gewezen door de vrederechter en de politierechtbank;
4° (de strafzaken betreffende misdrijven bedoeld in titel VII en titel VIII, hoofdstuk III, van boek II van het Strafwetboek (met uitzondering van de misdrijven als bedoeld in de artikelen 391bis, 391ter, 431 en 432 van het Strafwetboek;)) <W 2000-11-28/35, art. 49, 082; Inwerkingtreding : 27-03-2001> <W 2003-05-03/49, art. 2, 112; Inwerkingtreding : 14-06-2003>
5° het verzoek tot herroeping van het gewijsde;
6° de tuchtzaken.) <W 1992-08-03/31, art. 2, 025; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
§ 2. Wanneer er van verscheidene samenhangende zaken ten minste één bij een kamer met drie rechters moet worden aanhangig gemaakt, dan verwijst de voorzitter van de rechtbank al die zaken naar zulke kamer. Te dien einde kan hij ook hun vroegere verdeling wijzigen.
Art. 93. Wanneer de rechtbank van eerste aanleg geroepen wordt om burgerlijke zaken die na cassatie verwezen zijn, met verenigde kamers te berechten, bestaat zij uit een kamer met vijf werkende of plaatsvervangende rechters.
Indien de zaak in de bevoegdheid valt van de arbeidsrechtbank of van de rechtbank van koophandel, bestaat de rechtbank uit drie werkende of plaatsvervangende rechters en uit vier rechters in sociale zaken of in handelszaken, naar gelang van het geval.
De kamer, de rechters en de rechters in sociale zaken of in handelszaken worden aangewezen door de voorzitter van de rechtbank.
Art. 94. De raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg die zitting houdt in correctionele zaken (bestaat) uit één rechter. <W 1998-03-12/39, art. 38, 058; Inwerkingtreding : 1998-10-02>
Art. 95. De voorzitter van iedere rechtbank houdt de zitting in kort geding.
Art. 96. De vorderingen tot tussenkomst worden verdeeld zoals de hoofdvordering.
Art. 97. De eed die, vó6r de aanvaarding van bij de wet bepaalde ambten, moet worden afgelegd voor de rechtbank van eerste aanleg, wordt afgenomen door de eerste kamer of in voorkomend geval door de vakantiekamer.
Afdeling IX. _ Opdracht van rechters van een rechtbank in een andere.
Art. 98. Wanneer een rechter wettig verhinderd is of er een plaats van rechter openstaat in een rechtbank van eerste aanleg of van koophandel, kan de eerste voorzitter van het hof van beroep bij beschikking een rechter of een plaatsvervangend rechter uit het rechtsgebied van het Hof van beroep die dit aanvaardt, opdragen er tijdelijk zijn ambt waar te nemen.
(De eerste voorzitter kan eveneens, wanneer de behoeften van de dienst dit rechtvaardigen, bij beschikking, met eerbiediging van de taalwet in gerechtszaken, een rechter uit het rechtsgebied van het hof van beroep met diens toestemming aanwijzen om zijn ambt bijkomend en voor een bepaalde termijn waar te nemen in een andere rechtbank van eerste aanleg of een andere rechtbank van koophandel gelegen binnen dit rechtsgebied.
Dezelfde bevoegdheden worden door de eerste voorzitter uitgeoefend ten aanzien van de toegevoegde rechters die door de Koning aangewezen zijn om hun ambt uit te oefenen bij alle rechtbanken van eerste aanleg of van koophandel van het rechtsgebied van een hof van beroep.) <W 1998-02-10/32, art. 5, 1°, 057; Inwerkingtreding : 02-03-1998>
Dezelfde macht wordt uitgeoefend door de eerste voorzitter van het arbeidshof wanneer het een arbeidsrechtbank betreft.
Die beschikking wordt gegeven op vordering of op advies van de procureur-generaal.
De opdracht eindigt wanneer de reden ervan vervalt (of de termijn bedoeld in het tweede lid is verstreken); voor zaken waarover de debatten aan gang zijn of die in beraad zijn, blijft de opdracht evenwel geldig tot aan het vonnis. <W 1998-02-10/32, art. 5, 2°, 057; Inwerkingtreding : 02-03-1998>
Art. 99. Voor de duur van zijn opdracht blijft de aldus aangestelde rechter of plaatsvervangende rechter geldig kennis nemen van de zaken waarover de debatten aan gang zijn of die in beraad zijn, en waarin hij zitting had voordat de hem gegeven opdracht gevolg heeft.
Afdeling X. - Gelijktijdige benoemingen in verscheidene gerechten.
Art. 100. (De rechters in en de substituten bij de rechtbanken van eerste aanleg kunnen, al naargelang het geval, gelijktijdig benoemd worden in of bij verschillende rechtbanken van eerste aanleg van het rechtsgebied van het hof van beroep.) <W 1998-12-22/47, art. 6, 066; Inwerkingtreding : 01-03-1999>
(Het eerste lid is eveneens van toepassing in de arbeidsrechtbanken, voor de rechters en de substituten-arbeidsauditeur, alsmede in de rechtbanken van koophandel voor de rechters.) <W 1998-12-22/47, art. 6, 066; Inwerkingtreding : 01-03-1999>
(De Koning kan een rechter in de rechtbank van eerste aanleg benoemen om het ambt van rechter in de rechtbank van koophandel waar te nemen wanneer de enige titularis van laatstgenoemde rechtbank verhinderd is.) <W 15 juli 1970, art. 3>
HOOFDSTUK III. _ Hof van beroep en arbeidshof.
Eerste afdeling. - Hof van beroep.
Art. 101. Er zijn in het hof van beroep kamers voor burgerlijke zaken, kamers voor correctionele zaken en jeugdkamers.
Het hof van beroep bestaat uit een eerste voorzitter, kamervoorzitters en raadsheren in het hof van beroep.
(...) <W 1998-12-22/47, art. 7, 066; Inwerkingtreding : 01-03-1999>
(De kamers van het hof van beroep houden zitting, ofwel met drie raadsheren in het hof van beroep, de voorzitter daaronder begrepen, ofwel met één lid, kamervoorzitter of raadsheer in het hof.) <W 1985-07-19/30, art. 1, 007>
Afdeling 1bis. Plaatsvervangende raadsheren in de hoven van beroep. <ingevoeg bij W 1997-07-09/36, art. 3, Inwerkingtreding : 13-08-1997>
Art. 102. <W 1997-07-09/36, art. 3, 054; Inwerkingtreding : 13-08-1997> § 1. Er zijn plaatsvervangende raadsheren in het hof van beroep; zij worden benoemd ter vervanging van de verhinderde raadsheren.
De plaatsvervangende raadsheren kunnen geroepen worden zitting te nemen wanneer de bezetting niet volstaat om de zetel overeenkomstig de bepalingen van de wet samen te stellen.
§ 2. Voorts hebben de plaatsvervangende raadsheren zitting in de aanvullende kamers, samengesteld overeenkomstig artikel 106bis.
Afdeling 2. - Arbeidshof.
Art. 103. Er is een arbeidshof in ieder rechtsgebied van een hof van beroep.
Het arbeidshof bestaat uit een eerste voorzitter, kamervoorzitters, raadsheren in het arbeidshof en raadsheren in sociale zaken.
Er zijn plaatsvervangende raadsheren in sociale zaken, benoemd om tijdelijk de verhinderde raadsheren in sociale zaken te vervangen.
Art. 104. Het arbeidshof bestaat uit kamers die zitting houden met een raadsheer in het arbeidshof en, naar gelang het geval, met twee of vier raadsheren in sociale zaken.
De kamers die kennis nemen van hoger beroep tegen een vonnis betreffende de aangelegenheden bedoeld in artikel 578, 1° , 2°, 3° en 7° , bestaan, buiten de voorzitter, uit een raadsheer in sociale zaken benoemd als werkgever en een raadsheer in sociale zaken benoemd als werknemer-arbeider of als werknemer-bediende, naar gelang van de hoedanigheid van de betrokken werknemer.
Die kamers bestaan evenwel uit twee raadsheren in sociale zaken benoemd als werkgever, en twee raadsheren in sociale zaken respectievelijk benoemd als arbeider en als bediende, wanneer het beroep gericht is tegen een vonnis uitgesproken door een kamer met vier rechters in sociale zaken.
(De kamers die kennis nemen van hoger beroep tegen een vonnis, gewezen in een geschil betreffende de aangelegenheden bedoeld in de artikelen 578, 4°, 5°, 6°, 8°, 10°, 11° en 12°, a) , 579, 580, 582, 3° en 4°, of betreffende de toepassing op werkgevers van administratieve sancties bedoeld in artikel 583, bestaan, behalve de voorzitters, uit twee raadsheren in sociale zaken, respectievelijk benoemd als werkgever en werknemer.) <W 2002-12-20/52, art. 3, 104; Inwerkingtreding : 01-02-2003>
(De kamers die kennis nemen van hoger beroep tegen een vonnis, gewezen in een geschil betreffende een aangelegenheid als bedoeld in artikel 578, 12°, b) , bestaan behalve de voorzitters, uit twee raadsheren in sociale zaken, respectievelijk benoemd als werkgever en zelfstandige.) <W 2002-12-20/52, art. 3, 104; ED : 01-02-2003>
De kamers die kennis nemen van hoger beroep tegen een vonnis gewezen in een geschil betreffende een aangelegenheid bedoeld in artikel 582, (1° en 2°), bestaan, buiten de voorzitter uit twee raadsheren in sociale zaken, van wie de ene benoemd is als zelfstandige en de andere als werknemer. <W 30-06-1971, art. 15, § 2>
(De Kamers die kennis nemen van hoger beroep tegen een vonnis gewezen in een geschil betreffende een aangelegenheid bedoeld in artikel 581 of betreffende de toepassing op zelfstandigen van administratieve sancties bedoeld in artikel 583, bestaan uit twee raadsheren in het Arbeidshof en uit een raadsheer in sociale zaken die benoemd is als zelfstandige.) <W 30-06-1971, art. 15, § 3>
Heeft het geschil betrekking op een werknemer die mijnwerker, zeeman, zeevisser, schipper, havenarbeider of aangeslotene bij de overzeese sociale zekerheid is, dan moet, in de mate van het mogelijke, de raadsheer in sociale zaken die als werknemer benoemd is, bovendien tot dezelfde kategorie behoren of behoord hebben als de betrokken werknemer.
De Koning stelt, op voordracht van de minister die de Arbeid in zijn bevoegdheid heeft, de regels vast volgens welke de raadsheren in sociale zaken geroepen worden om zitting te nemen bij toepassing van deze bepaling.
Afdeling 3. _ Bureau voor rechtsbijstand.
Art. 105. Er is in ieder hof van beroep en in ieder arbeidshof een bureau voor rechtsbijstand dat een of meer afdelingen omvat.
Iedere afdeling bestaat uit een kamervoorzitter of een raadsheer in het hof.
De zaken worden onder de diverse afdelingen verdeeld volgens een reglement dat de eerste voorzitter van het hof vaststelt.
Afdeling 4. _ Dienst.
Art. 106. Het bijzonder reglement van het hof van beroep en dat van het arbeidshof wordt door de Koning vastgesteld, op advies van de eerste voorzitter van ieder hof, van de procureur-generaal, van de hoofdgriffier en van de vergadering van de stafhouders van de balies van het rechtsgebied van het hof van beroep voorgezeten door de eerste voorzitter van het hof van beroep. (De stafhouders kunnen evenwel hun advies schriftelijk aan de eerste voorzitter van het hof van beroep toezenden.) <W 1994-12-01/37, art. 1, 035; Inwerkingtreding : 1995-01-10>
Dit reglement bepaalt het aantal kamers van het hof, hun bevoegdheid en het aantal raadsheren en in voorkomend geval het aantal werkende of plaatsvervangende raadsheren in sociale zaken daaraan verbonden.(Het bevat de aanduiding van de kamers die in het hof van beroep onderscheidenlijk met drie raadsheren in het hof of met één enkele zitting houden.) <W 1985-07-19/30, art. 3, 007>
Het reglement van het hof van beroep en van het arbeidshof gevestigd te Brussel, bepaalt de kamers die kennis nemen van de zaken in het Nederlands, in het Frans of in een van beide.
(De reglementen van het hof van beroep en van het arbeidshof gevestigd te Luik bepalen welke kamers kennis nemen van zaken in het Duits alsook hun samenstelling.) <W 1998-12-22/47, art. 8, 066; Inwerkingtreding : 01-03-1999>
Het reglement wordt ter griffie van het hof aangeplakt.
Art. 106bis. <ingevoegd bij W 1997-07-09/36, art. 4, Inwerkingtreding : 13-02-1998>
§ 1. Teneinde de gerechtelijke achterstand weg te werken worden aanvullende kamers opgericht voor een beperkte duur bepaald door de Koning. (Na beraadslaging door de Wetgevende Kamers over (de tussentijdse verslagen bedoeld in artikel 340, § 3), kan de duur door de Koning worden verlengd wanneer de noodzaak daartoe blijkt.) <W 1998-12-22/47, art. 9, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> <W 2003-05-03/45, art. 3, 111; Inwerkingtreding : 31-03-2004>
Er wordt voor deze kamers, die uitsluitend in burgerlijke en fiscale zaken en in handelszaken zitting houden, een bijzonder reglement opgesteld overeenkomstig de procedure bepaald in artikel 106, eerste lid.
Het reglement bepaalt het aantal aanvullende kamers van het hof van beroep.
§ 2. De aanvullende kamers zijn samengesteld uit ten minste twee plaatsvervangende raadsheren.
Zij mogen niet worden voorgezeten door een advocaat ingeschreven op het tableau van de Orde van advocaten.
Art. 107. <W 1997-02-17/50, art. 4, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997> Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, stelt de eerste voorzitter van het hof van beroep of van het arbeidshof, naar gelang van het geval, hetzij ambtshalve, na het advies van de procureur-generaal en van de hoofdgriffier te hebben ingewonnen, hetzij op verzoek van de procureur-generaal en na het advies van de hoofdgriffier te hebben ingewonnen, een of meer tijdelijke kamers samen, bestaande uit de raadsheren en, in voorkomend geval, de raadsheren in sociale zaken die hij aanwijst.
Art. 108. Wanneer het hof van beroep geroepen wordt om zaken die na cassatie verwezen zijn, strafzaken uitgezonderd, met verenigde kamers te berechten, bestaat het uit twee kamers, aangewezen en voorgezeten door de eerste voorzitter, de kamervoorzitter of door de raadsheer die hem vervangt. (Deze kamers zijn uit drie raadsheren samengesteld.) <W 1985-07-19/30, art. 4, 007>
Indien de zaak in de bevoegdheid valt van het arbeidshof, wordt het hof voorgezeten door de eerste voorzitter, door de kamervoorzitter of door de raadsheer die hem vervangt en bestaat het daarenboven uit twee raadsheren in het arbeidshof en vier raadsheren in sociale zaken.
De eerste voorzitter wijst de kamer, de raadsheren en de raadsheren-assessoren aan.
Art. 109. (De eerste voorzitter is belast met de organisatie van de werkzaamheden en de verdeling van de zaken overeenkomstig het reglement van het hof. Hij kan een of meer kamervoorzitters aanwijzen om hem bij te staan.) <W 1998-12-22/47, art. 10, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
(In geval van moeilijkheden in verband met de verdeling van de zaken onder de kamers van een zelfde hof van beroep, vindt artikel 88, § 2, toepassing.) <W 1985-07-19/30, art. 5, 007>
Art. 109bis. < W 1985-07-19/30, art. 6, 007>
§ 1. Aan de kamers met één raadsheer worden toegewezen :
1° het hoger beroep tegen vonnissen van de rechter in de jeugdrechtbank;
(1bis. Het hoger beroep tegen beslissingen gewezen door de rechtbank van koophandel.) <W 1997-07-09/36, art. 6, 054; Inwerkingtreding : 13-08-1997>
2° de voorzieningen bedoeld in artikel 603, 4°;
3° de vorderingen gegrond op de artikelen 606 en 1718.
§ 2. Met uitzondering van de vorderingen betreffende de staat van personen, worden eveneens toegewezen aan de kamers met één raadsheer :
1° het hoger beroep tegen beslissingen in burgerlijke zaken gewezen door een kamer van de rechtbank van eerste aanleg met één rechter;
2° het hoger beroep tegen beslissingen gewezen door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg of door de voorzitter van de rechtbank van koophandel.
Het in het eerste lid genoemde hoger beroep wordt in elk geval toegewezen aan de kamers met drie raadsheren in het hof, indien zulks wordt aangevraagd door de eiser in zijn hoofdakte van hoger beroep.
(De zaak wordt eveneens toegewezen aan een kamer met drie raadsheren, voor zover de gedaagde in hoger beroep, op straffe van verval, zulks schriftelijk vraagt in de in artikel 1061 bedoelde verklaring.) <W 1992-08-03/31, art. 3, 025; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
(Lid opgeheven.) <W 1992-08-03/31, art. 3, 025; ED : 01-01-1993>
§ 3. De andere zaken dan die welke bedoeld zijn in de §§ 1 en 2, worden toegewezen aan kamers met drie raadsheren in het hof.
§ 4. Wanneer er van verscheidene samenhangende zaken ten minste één bij een kamer met drie raadsheren in het hof moet worden aanhangig gemaakt, verwijst de eerste voorzitter al die zaken naar zulk een kamer. Te dien einde kan hij ook hun vroegere verdeling wijzigen.
Art. 109ter. <ingevoegd bij W 1997-07-09/36, art. 7, ED : 13-02-1998>
Aan de aanvullende kamers, zoals bepaald in artikel 106bis, worden de zaken toegewezen waarvoor een rechtsdag is bepaald die meer dan een jaar verwijderd is van de datum van inwerkingtreding van dit artikel of waarvoor op voornoemde datum geen rechtsdag is bepaald, hoewel die was aangevraagd. De toewijzing van de zaken geschiedt ongeacht het feit of de oorspronkelijke rechtsdag bepaald was voor een kamer met drie raadsheren dan wel voor een kamer met één raadsheer.
De zaken worden toegewezen aan een gewone kamer met een zelfde aantal raadsheren als de oorspronkelijk geadieerde kamer voor zover alle partijen zulks aanvragen uiterlijk één maand na de kennisgeving van de rechtsdag voor de aanvullende kamer zonder andere formaliteit dan een gezamenlijk schriftelijk verzoek gericht aan de eerste voorzitter. Deze kennisgeving geschiedt uiterlijk binnen een termijn van zes maanden na de inwerkingtreding van dit artikel.
(De zaken bedoeld in het eerste lid kunnen eveneens aan de gewone kamers worden toegewezen indien daarvoor nog geen rechtsdag voor de aanvullende kamers is bepaald, hoewel die is aangevraagd.) <W 2001-11-29/33, art. 5, 095; Inwerkingtreding : 18-12-2001>
Art. 109quater. <Ingevoegd bij W 2001-11-29/33, art. 6; Inwerkingtreding : 18-12-2001> De zaken waarvoor geen rechtsdag bepaald kan worden die minder dan 6 maanden verwijderd is van de datum van de aanvraag kunnen eveneens aan de aanvullende kamers worden toegewezen.
De zaken worden niettemin toegewezen aan een gewone kamer voor zover een van de partijen zulks aanvraagt uiterlijk één maand na de kennisgeving van de rechtsdag voor de aanvullende kamer, zonder andere formaliteit dan een schriftelijk verzoek gericht aan de eerste voorzitter.
Art. 110. De eerste voorzitter van het hof van beroep kan correctionele zaken toewijzen aan burgerlijke kamers en burgerlijke zaken aan correctionele kamers.
Art. 111. Op vordering van de procureur-generaal, gegrond op een achterstand in correctionele zaken, geeft de eerste voorzitter van het hof van beroep aan een of meer burgerlijke kamers opdracht om de vijftien dagen buiten de gewone zittingen in burgerlijke zaken een bijkomende zitting te houden voor het berechten van correctionele zaken.
Achterstand in correctionele zaken bestaat zodra het onmogelijk geworden is te voldoen aan artikel 209 van het Wetboek van strafvordering.
Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, kan de eerste voorzitter van het arbeidshof een deel van de aan een kamer toegewezen zaken onder de andere kamers van het hof verdelen.
Art. 112. <W 1998-12-22/47, art. 11, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> (Eerste lid opgeheven) <W 2003-05-03/45, art. 4, 111; Inwerkingtreding : 31-03-2004, uiterlijk op 02-06-2004>
Behoudens andersluidende bepalingen zit de eerste voorzitter de verenigde kamers en de plechtige zittingen voor. Hij houdt volgens de behoeften van de dienst zitting in de gewone kamers in welk geval hij deze voorzit.
Art. 113. De correctionele zaken bedoeld in artikel 479 van het Wetboek van strafvordering worden toegewezen aan de kamer voor burgerlijke zaken, voorgezeten door de eerste voorzitter of door de voorzitter of de raadsheer in het hof die hem vervangt.
Afdeling V.- (Opdrachten van raadsheren van het ene hof tot het andere). <Ingevoegd bij W 1998-02-10/32, art. 6; Inwerkingtreding : 02-03-1998>
Art. 113bis. <Ingevoegd bij W 1998-02-10/32, art. 6; Inwerkingtreding : 02-03-1998> Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, kan de Koning, hetzij op verzoek van een eerste voorzitter van een hof van beroep, hetzij op vordering van de procureur-generaal, met eerbiediging van de taalwet in gerechtszaken, een raadsheer bij het hof van beroep met diens toestemming aanwijzen om zijn ambt voor een bepaalde termijn waar te nemen in een hof van beroep van een ander rechtsgebied, na vooraf het advies te hebben ingewonnen van, naar gelang van het geval, de betrokken eerste voorzitters en de procureurs-generaal.
Dezelfde bevoegdheid wordt op overeenkomstige wijze uitgeoefend door de Koning met betrekking tot de arbeidshoven.
Behoudens verlenging eindigt de opdracht wanneer die termijn is verstreken; voor zaken waarover de debatten aan de gang zijn of die in beraad zijn, blijft de opdracht evenwel geldig tot aan het arrest.
HOOFDSTUK IV. _ Hof van assisen.
Eerste afdeling. _ Algemene bepalingen.
Art. 114. In (elke provincie en in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad) worden assisen gehouden voor de berechting van de beschuldigden die het hof van beroep daarnaar verwijst. (...) <W 1993-07-16/31, art. 357, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
Art. 115. (Het Hof van Assisen houdt zitting in Aarlen, Antwerpen, Bergen, Brugge, Brussel, Gent, Leuven, Luik, Namen, Nijvel of Tongeren, naar gelang van het geval.) <W 1993-07-16/31, art. 358, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
Indien het aantal of de belangrijkheid van de zaken zulks rechtvaardigt, kan de eerste voorzitter van het hof van beroep, beschikkend op vordering van de procureur-generaal, de vorming van verscheidene hoven van assisen in eenzelfde provincie gelasten.
Indien buitengewone omstandigheden zulks rechtvaardigen, kan het hof van beroep in algemene vergadering, op vordering van de procureur-generaal of deze magistraat gehoord, gelasten dat de zitting van een of meer hoven van assisen gehouden wordt in de zetel van een andere rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied van het hof van beroep en, zo daartoe grond bestaat, dat een bepaalde zaak aldaar zal berecht worden.
Art. 116. De hoven kunnen tegelijkertijd zitting houden, hetzij in de hoofdplaats van de provincie, hetzij in de hoofdplaats van andere gerechtelijke arrondissementen.
Art. 117. (Op advies van de procureur-generaal en na raadpleging van de partijen stelt de eerste voorzitter van het hof van beroep de datum van opening van de zittingen van de hoven van assisen vast, verdeelt hij onder de verschillende hoven van assisen de zaken die ernaar verwezen zijn, en stelt hij voor ieder daarvan de datum van de opening van de debatten vast.) <W 2000-03-28/33, art. 2, 081; Inwerkingtreding : 27-03-2001>
Hij kan, met instemming van de beschuldigde, er de zaken laten berechten die bij de opening van de zitting niet in staat van wijzen zijn.
Hij verklaart die zitting voor gesloten waarop alle vastgestelde zaken zijn berecht of het voorwerp zijn geweest van een beslissing tot verwijzing naar een latere zitting.
Art. 118. De datum en de plaats van opening van de zittingen van het hof van assisen, alsmede de datum en de aanwijzing van de vastgestelde zaken worden ten minste twintig dagen vooraf bekendgemaakt bij middel van een bericht dat wordt aangeplakt in de voor het publiek toegankelijke lokalen van de correctionele griffie.
Afdeling II. _ Samenstelling van het hof.
Art. 119. Het hof van assisen bestaat uit een voorzitter en twee assessoren; het houdt zitting bijgestaan door een jury. Voor de behandeling en de berechting van burgerlijke rechtsvorderingen houdt het zitting zonder jury.
Art. 120. De voorzitter is een lid van het hof van beroep (of een wegens leeftijd in rust gesteld lid van het hof van beroep die nog niet de leeftijd van 70 jaar heeft bereikt) aan wie de eerste voorzitter van dat hof opdracht geeft voor de gehele zitting of voor bepaalde zaken. <W 1997-07-09/36, art. 8, 054; Inwerkingtreding : 13-08-1997>
Wanneer wegens verhindering van de voorzitter het hof van assisen niet kan worden samengesteld, geeft de eerste voorzitter van het hof van beroep opdracht aan een plaatsvervanger onder de leden van dat hof (of een wegens hun leeftijd in rust gestelde leden van het hof van beroep die nog niet de leeftijd van 70 jaar hebben bereikt). <W 1997-07-09/36, art. 9, 054; Inwerkingtreding : 13-08-1997>
(In het belang van een goed verloop van de debatten of wanneer de aard van de zaken dit vereist,) geeft de eerste voorzitter van het hof van beroep op vordering van de procureur-generaal opdracht aan een of meer leden van dat hof, die als plaatsvervangend voorzitter de debatten bijwonen. <W 1987-11-13/30, art. 1, 012; Inwerkingtreding : 10-01-1988>
Art. 121. De assessoren voor iedere zaak worden aangewezen door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg in de zetel waarvan de assisen worden gehouden, onder de (oudste ondervoorzitters en rechters in rang) in die rechtbank. <W 1998-12-22/47, art. 12, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
Wanneer het hof van assisen niet kan worden samengesteld wegens verhindering van een assessor of van beide assessoren, voorziet de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg in hun vervanging.
In de zaken waarin de eerste voorzitter van het hof van beroep aan een of meer plaatsvervangende voorzitter van het hof van assisen opdracht heeft gegeven, is de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg ertoe gehouden een of meer ondervoorzitters of rechters aan te wijzen die de debatten als plaatsvervangend assessor bijwonen.
(Wanneer de rechtspleging voor het Hof van assisen van de provincie Luik in het Duits wordt gevoerd, worden de assessoren aangewezen door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Eupen). <W 1985-09-23/33, art. 40, 008>
Art. 122. Het hof van beroep, op vordering van de procureur-generaal en beschikkend in algemene vergadering, kan beslissen dat een of meer van zijn leden die het aanwijst als assessor of plaatsvervangend assessor zullen optreden in plaats van de leden van de rechtbank van eerste aanleg, indien de voorzitter van de rechtbank zulks uitdrukkelijk vraagt of indien hij zelf niet dertig dagen vóór de opening van de zitting van het hof van assisen de twee assessoren heeft aangewezen.
Afdeling III. _ Jury.
Art. 123. De jury houdt zitting met twaalf gezworenen.
Art. 124. <W 1987-11-13/30, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 10-01-1988> In het belang van een goed verloop van de debatten of wanneer de aard van de zaken dit vereist, kan het Hof van assisen, ambtshalve of op vordering van de procureur-generaal voor de uitloting bevelen dat buiten de twaalf werkende gezworenen nog één tot twaalf plaatsvervangende gezworenen worden uitgeloot die de debatten zullen bijwonen. Het is ertoe gehouden zulks te bevelen wanneer de eerste voorzitter aan een of meer plaatsvervangende voorzitters van het Hof van assisen opdracht heeft gegeven.
Afdeling IV. _ Verhindering en nietigheid.
Art. 125. De voorzitter en de assessoren van het hof van assisen die gedurende de debatten verhinderd zijn hun ambt te vervullen, worden vervangen door hun plaatsvervangers in de volgorde van de aanwijzing. De gezworene die verhinderd is de debatten bij te wonen, wordt vervangen door een plaatsvervangende gezworene volgens de orde van de uitloting, indien de reden van verhindering door het hof is aangenomen.
De plaatsvervangende voorzitters en assessoren trekken zich eerst terug wanneer het arrest is uitgesproken.
Art. 126. Het ambt in het hof van assisen heeft voor de magistraten die opdracht hebben ontvangen of die zijn aangewezen, voorrang boven hun andere ambten.
Art. 127. Op straffe van nietigheid mogen de magistraten die als onderzoeksrechter of openbaar ministerie zijn opgetreden of uitspraak hebben gedaan over de regeling van het onderzoek, de assisen niet voorzitten noch als assessor optreden, en de personen die in de zaak opdrachten van gerechtelijke politie hebben vervuld of deel hebben genomen aan een daad van ambtelijk onderzoek of van strafonderzoek, en diegenen die getuige, deskundige, tolk, aangever, klager of betrokken partij zijn geweest, mogen geen gezworene zijn.
HOOFDSTUK V. _ Hof van Cassatie.
Eerste afdeling. _ Algemene bepalingen.
Art. 128. Het Hof van Cassatie omvat drie kamers.
Iedere kamer van het Hof van Cassatie bestaat uit twee afdelingen.
Iedere afdeling bestaat uit vijf raadsheren, de voorzitter daaronder begrepen.
(De arresten worden gewezen door vijf raadsheren, daaronder begrepen de voorzitter. Zij worden echter gewezen door drie raadsheren in de door de wet bepaalde gevallen.) <W 1997-05-06/38, art. 2, 052; Inwerkingtreding : 05-07-1997>
Art. 129. Het Hof van Cassatie bestaat uit een eerste voorzitter, een voorzitter en raadsheren in het Hof van Cassatie.
(Onder de raadsheren worden (zes) afdelingsvoorzitters aangewezen.) <W 1998-12-22/47, art. 13, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> <W 2004-12-27/31, art. 2, 121; Inwerkingtreding : 10-01-2005>
Art. 130. In het hof wordt een bureau voor rechtsbijstand gevormd. Het bestaat uit één raadsheer.
Art. 131. Wanneer de eerste voorzitter, na het advies van de raadsheerverslaggever en van de procureur-generaal te hebben ingewonnen, oordeelt dat een zaak in voltallige zitting moet worden behandeld, vergadert de kamer met negen raadsheren, de voorzitter daaronder begrepen.
In alle gevallen waarin het hof met verenigde kamers moet vergaderen, houdt het zitting in oneven getal en met (ten minste elf leden). <W 1994-12-01/38, art. 1, 036; Inwerkingtreding : 1995-01-10>
(Cassatieberoep tegen beslissingen van het hof van beroep, genomen met toepassing van artikel 103 van de Grondwet, wordt behandeld door de verenigde kamers.) <W 1998-06-25/30, art. 28, 060; Inwerkingtreding : 01-07-1998>
(Cassatieberoep tegen beslissingen van het hof van beroep, genomen met toepassing van artikel 125 van de Grondwet, wordt behandeld door de verenigde kamers.) <W 1998-06-25/31, art. 28, 061; Inwerkingtreding : 01-07-1998>
Afdeling II. - Dienst.
Art. 132. Het reglement houdende de dienstregeling van het hof wordt door de Koning vastgesteld, op advies van de eerste voorzitter, van de procureur-generaal, van de hoofdgriffier en van de stafhouder van de Orde der Advocaten bij het Hof van Cassatie.
Dit reglement bepaalt het aantal raadsheren aan elke kamer verbonden alsook het aantal en de duur van de zittingen.
Het reglement wordt ter griffie aangeplakt.
Art. 133. De eerste kamer neemt kennis van de voorzieningen in burgerlijke zaken en handelszaken, de tweede van de voorzieningen in criminele, correctionele en politiezaken, de derde van de voorzieningen tegen beslissingen in laatste aanleg gewezen door de arbeidshoven en -rechtbanken. De overige zaken die ingevolge de wet ter kennisneming van het Hof van Cassatie staan,worden door de eerste voorzitter verdeeld over de kamers.
Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, behandelt iedere kamer, na verwijzing bevolen door de eerste voorzitter, de voorzieningen waarvan de andere kamers dienen kennis te nemen.
Art. 134. Het Hof van Cassatie doet in verenigde kamers uitspraak over conflicten van attributie.
Art. 135. De eerste voorzitter zit de kamer voor waarvan hij deel wil uitmaken; hij zit een van de andere kamers voor indien hij het dienstig acht; hij bekleedt het voorzitterschap van de voltallige zittingen, de verenigde kamers en de plechtige zittingen.
Afdeling IIbis. - (De referendarissen). <Ingevoegd bij W 1997-05-06/38, art. 3; Inwerkingtreding : 05-07-1997>
Art. 135bis. <Ingevoegd bij W 1997-05-06/38, art. 3; Inwerkingtreding : 05-07-1997> Het Hof van Cassatie wordt bijgestaan door ten minste vijf en ten hoogste dertig referendarissen. Hun aantal wordt door de minister van Justitie bepaald.
De eerste voorzitter en de procureur-generaal stellen in onderlinge overeenstemming het aantal referendarissen vast dat onder hun respectief gezag komt te staan.
De referendarissen bereiden het werk van de raadsheren en de leden van het parket voor; zij dragen bij aan de werkzaamheden in verband met de documentatie en werken mee aan de vertaling en de publicatie van de arresten alsook aan het in overeenstemming brengen van de Franse en Nederlandse tekst.
Afdeling III. _ Documentatie en overeenstemming der teksten.
Art. 136. Er is bij het Hof van Cassatie een dienst voor documentatie en overeenstemming der Franse en Nederlandse teksten van de arresten.
Deze dienst staat onder het gezag en de leiding van de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, bijgestaan door de procureur-generaal bij dit Hof.
Hij bestaat uit magistraten die daartoe opdracht krijgen zoals bepaald is in artikel 326, en uit attachés. De minister van Justitie bepaalt het getal van die magistraten en van de attachés.
Afdeling IVbis. - (Beheer). <Ingevoegd bij W 1997-05-06/38, art. 4; Inwerkingtreding : 05-07-1997>
Art. 136bis. (opgeheven) <W 1998-12-22/47, art. 14, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
Art. 136ter. (opgeheven) <W 1998-12-22/47, art. 14, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
TITEL II. - Openbaar ministerie.
Art. 137. Het openbaar ministerie vervult zijn ambtsplichten in het rechtsgebied van het hof of van de rechtbank waarbij het aangesteld is, behoudens de gevallen waarin de wet anders bepaalt.
(NOTA : Dit artikel wordt door <W 1998-12-22/48, art. 2, 069; Inwerkingtreding : onbepaald> gewijzigd en deze wijziging wordt door <W 2004-04-12/38, art. 13, 118; Inwerkingtreding : 17-05-2004>)
Art. 138. Onverminderd de bepalingen van artikel 141 vordert het openbaar ministerie de toepassing van de strafwet, overeenkomstig de regels die de wet stelt.
(In het rechtsgebied van ieder hof van beroep waken de procureur-generaal, de procureurs des Konings en de arbeidsauditeurs in onderling overleg over de coherente en geïntegreerde uitoefening van de strafvordering. Daartoe roept de procureur-generaal minstens één keer per trimester de procureurs des Konings van zijn rechtsgebied samen. Als er reden toe is, roept hij eveneens de arbeidsauditeurs samen.
Buiten de gevallen die bedoeld zijn in de wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van ministers en in de bijzondere wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van leden van een gemeenschaps- of gewestregering, evenals in de artikelen 479 tot 503bis van het Wetboek van strafvordering, kan het ambt van openbaar ministerie bij de correctionele kamers van het hof van beroep, de kamer van inbeschuldigingstelling en het hof van assisen uitgeoefend worden door, naargelang van het geval, een magistraat van het parket van de procureur des Konings of van het arbeidsauditoraat, mits de procureur-generaal bij het hof van beroep en, naargelang van het geval, de procureur des Konings of de arbeidsauditeur hiermee instemmen. De magistraat oefent dit ambt uit onder leiding en toezicht van de procureur-generaal.
Het ambt van openbaar ministerie bij de correctionele rechtbank kan worden uitgeoefend, naargelang van het geval, door een magistraat van het parket-generaal bij het hf van beroep of het arbeidsauditoraat generaal, mits de procureur des Konings of de arbeidsauditeur, naargelang van het geval, en de procureur-generaal bij het hof van beroep hiermee instemmen. De magistraat oefent dit ambt uit onder leiding en toezicht van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur.
De bepalingen van het derde en het vierde lid zijn van toepassing op de rechtspleging voor de jeugdrechtbank en voor de jeugdkamer van het hof van beroep ten aanzien van personen die vervolgd worden wegens een als misdrijf omschreven feit dat werd gepleegd voor de volle leeftijd van achttien jaar.) <W 2004-04-12/38, art. 2, 118; Inwerkingtreding : 17-05-2004>
In burgerlijke zaken komt het openbaar ministerie tussen bij wege van rechtsvordering, vordering of advies. Het treedt ambtshalve op in de gevallen die de wet bepaalt en bovendien telkens als de openbare orde zijn tussenkomst vergt.
In alle betwistingen die behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten, kan het openbaar ministerie bij de arbeidsgerechten van de bevoegde minister of van de bevoegde openbare instellingen of diensten de nodige bestuurlijke inlichtingen vorderen. Daartoe kan het om medewerking verzoeken van de ambtenaren die door de bestuurlijke overheid belast zijn met het toezicht op de toepassing van de wettelijke en verordeningsbepalingen die bedoeld zijn in de artikelen 578 tot 583.
(NOTA : Dit artikel wordt door <W 1998-12-22/48, art. 3, 069; Inwerkingtreding : onbepaald> gewijzigd en deze wijziging wordt door <W 2004-04-12/38, art. 13, 118; Inwerkingtreding : 17-05-2004>)
Art. 139. Het openbaar ministerie vervolgt ambtshalve de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissingen in verband met alle bepalingen die de openbare orde raken ten aanzien van particulieren kan het, op een daartoe gedaan verzoek, hetzij de gerechtsdeurwaarder gelasten op de treden, hetzij de sterke arm vorderen indien dit nodig is.
Het kan ook de werken vorderen die voor de tenuitvoerlegging van de vonnissen nodig zijn, met last om de gewone prijs ervan aan de aannemer van het werk te doen betalen.
Art. 140. Het openbaar ministerie waakt voor de regelmatigheid van de dienst van de hoven en rechtbanken.
Art. 141. De procureur-generaal bij het Hof van Cassatie oefent de strafvordering niet uit, tenzij hij een rechtsvordering instelt waarvan de berechting aan het Hof van Cassatie is opgedragen.
Art. 142. Het ambt van openbaar ministerie bij het Hof van Cassatie wordt onder het gezag van de minister van Justitie uitgeoefend door de procureur-generaal.
(De procureur-generaal wordt bijgestaan door een eerste advocaat-generaal en door advocaten-generaal, die onder zijn toezicht en leiding hun ambt uitoefenen.) <W 1998-12-22/47, art. 15, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
Art. 143. <NOTA : Dit artikel werd gewijzigd bij W 1998-12-22/48, art. 4, 069 en teruggebracht bij art. 67 van de wet van 2001-06-21/42> (§1.) Er is een procureur-generaal bij ieder hof van beroep (en een federale procureur die bevoegd is voor het gehele grondgebied van het Rijk.). <W 2001-06-21/42, art. 4, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
(§2.) (Onverminderd de bepalingen van artikel 138, derde en vierde lid, voert de procureur-generaal bij het hof van beroep onder het gezag van de Minister van Justitie en door toedoen van de Minister die de Arbeid in zijn bevoegdheid heeft, voor de aangelegenheden die behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten, alle opdrachten van het openbaar ministerie uit bij het hof van beroep, het arbeidshof en de hoven van assisen van zijn rechtsgebied.) <W 2004-04-12/38, art. 3, 118; Inwerkingtreding : 17-05-2004>
De procureur-generaal voert het woord in de verenigde kamers en op de plechtige zittingen van het hof van beroep en van het arbeidshof; ook op de zittingen van de kamers, wanneer hij het geraden acht.
(§3. De federale procureur voert, in de gevallen en op de wijze bepaald door de wet, onder het gezag van de Minister van Justitie, alle opdrachten van het openbaar ministerie in strafzaken uit bij de hoven van beroep, de hoven van assisen, de rechtbanken van eerste aanleg en de politierechtbanken.) <W 2001-06-21/42, art. 4, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
Art. 143bis. <Ingevoegd bij W 1997-03-04/41, art. 2; Inwerkingtreding : 15-05-1997> § 1. <NOTA : §1. werd gewijzigd bij W 1998-12-22/48, art. 5, 069 en teruggebracht bij art. 67 van de wet van 2001-06-21/42> De procureurs-generaal bij de hoven van beroep vormen samen een college, college van de procureurs-generaal genaamd, dat onder het gezag van de minister van Justitie staat. De bevoegdheid van het college strekt zich uit over het gehele grondgebied van het Rijk en zijn beslissingen hebben bindende kracht (voor de procureurs-generaal bij de hoven van beroep, de federale procureur en alle leden van het openbaar ministerie (die onder hun gezag of hun toezicht en leiding staan)). <W 2001-06-21/42, art. 5, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002> <W 2004-04-12/38, art. 4, 118; Inwerkingtreding : 17-05-2004>
§ 2. Het college van procureurs-generaal beslist bij consensus over alle maatregelen die nodig zijn voor :
1° de coherente uitwerking en de coördinatie van het strafrechtelijk beleid vastgelegd door de in artikel 143ter beoogde richtlijnen, en met inachtneming van de finaliteit ervan;
2° de goede algemene en gecoördineerde werking van het openbaar ministerie.
Indien het college geen consensus bereikt en indien de uitvoering van de ministeriële richtlijnen van het strafrechtelijk beleid daardoor in het gedrang komt, neemt de minister van Justitie de noodzakelijke maatregelen om de toepassing ervan te waarborgen.
§ 3. Het college van procureurs-generaal heeft daarenboven tot taak de minister van Justitie in te lichten en te adviseren, ambtshalve of op diens verzoek, over elke zaak die verband houdt met de opdrachten van het openbaar ministerie.
Bij gebreke van consensus worden de verschillende standpunten in het advies vermeld.
(Het college van procureurs-generaal evalueert, op basis van onder meer de rapporten van de federale procureur en na deze laatste te hebben gehoord, de wijze waarop de richtlijnen van het strafrechtelijk beleid door de federale procureur worden uitgevoerd, de wijze waarop de federale procureur zijn bevoegdheden uitoefent en de werking van het federaal parket. Deze evaluatie wordt opgenomen in het verslag bedoeld in § 7.) <W 1998-12-22/48, art. 5, 069; Inwerkingtreding : onbepaald>
(Het college van procureurs-generaal kan in de aangelegenheden die het bepaalt expertisenetwerken instellen, waarvan magistraten van het federaal parket, de parketten-generaal, de parketten van de procureur des Konings, de arbeidsauditoraten generaal en de arbeidsauditoraten en, desgevallend, andere deskundigen deel uitmaken.
Het college van procureurs-generaal legt de nadere regels voor de organisatie en de werking van de expertisenetwerken vast in overleg met de raad van procureurs des Konings of de raad van arbeidsauditeurs.
De aanwijzing van een magistraat van het openbaar ministerie voor een expertisenetwerk is onderworpen aan de toestemming van de korpschef van het korps waartoe de betrokken magistraat behoort.
Deze netwerken zorgen ervoor, onder het gezag van het college van procureurs-generaal en onder de leiding en het toezicht van de voor de betreffende aangelegenheden speciaal aangewezen procureur-generaal, dat de informatie en documentatiedoorstroming tussen de leden van het openbaar ministerie wordt bevorderd. Bovendien kunnen zij door het college worden belast met elke ondersteuningsopdracht met het oog op de uitoefening van zijn bevoegdheden.) <W 2004-04-12/38, art. 4, 118; Inwerkingtreding : 17-05-2004>
§ 4. (Voor het uitvoeren van zijn opdrachten wordt het college op permanente wijze bijgestaan door bijstandsmagistraten, wier aantal wordt bepaald door de wet.
Voor de uitvoering van zijn opdrachten kan het college, na advies van de betrokken korpschef, tijdelijk een beroep doen op leden van het openbaar ministerie, met uitzondering van degenen die de opdrachten van het openbaar ministerie bij het Hof van Cassatie uitoefenen.) <W 1998-12-22/48, art. 5, 069; Inwerkingtreding : onbepaald>
§ 5. Het college van procureurs-generaal vergadert minstens eenmaal per maand, op eigen initiatief of op verzoek van de minister van Justitie.
De minister van Justitie of, in geval van verhindering zijn gemachtigde, neemt deel aan de vergaderingen van het college indien bevoegdheden, bedoeld in artikel 143ter, worden besproken en wanneer het college op zijn verzoek samenkomt in het kader van de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in § 2.
De minister zit de vergaderingen van het college voor waarop hij aanwezig is.
Met het oog op de uitoefening van de bevoegdheden van het college kan de Koning, na overleg met dat college, specifieke taken opdragen aan elk lid van het college.
(De federale procureur kan deelnemen aan de vergaderingen van het college, behalve wanneer het college vergadert in het kader van § 3, derde lid.) <W 1998-12-22/48, art. 5, 069; Inwerkingtreding : onbepaald>
§ 6. De Koning regelt de wijze van samenwerking tussen het college en de diensten die onder het gezag van de minister van Justitie staan.
§ 7. Het college brengt jaarlijks verslag uit aan de minister van Justitie. Dit verslag bevat een toelichting over zijn activiteiten, een analyse en een beoordeling van het opsporings- en vervolgingsbeleid in het voorbije jaar, alsook de prioritaire doelstellingen voor het komende jaar.
Het verslag wordt door de minister van Justitie aan de Kamers medegedeeld en openbaar gemaakt.
§ 8. <NOTA : §8. werd gewijzigd bij W 1998-12-22/48, art. 5, 069 en teruggebracht bij art. 67 van de wet van 2001-06-21/42> Het voorzitterschap wordt voor de duur van een gerechtelijk jaar bij toerbeurt achtereenvolgens waargenomen door de procureurs-generaal bij respectievelijk het hof van beroep te Antwerpen, te Bergen, te Brussel, te Gent en te Luik. Er kan met instemming van alle leden van het college worden afgeweken van deze beurtwisseling tussen procureurs-generaal van een zelfde taalstelsel.
De procureur-generaal die het voorzitterschap bekleedt, bepaalt de agenda en de organisatie van de vergaderingen. Het secretariaat wordt onder zijn gezag geleid door een directeur die deelneemt aan alle vergaderingen van het college. Deze deelt de agenda en de verslagen van de vergaderingen van het college van procureurs-generaal mee aan de minister van Justitie, aan de leden van het college, aan de procureurs des Konings, aan de arbeidsauditeurs (, aan de federale procureur, aan de adviseur-generaal voor het strafrechtelijk beleid en aan de secretaris-generaal van het Ministerie van Justitie). <W 2001-06-21/42, art. 5, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
§ 9. (Ingeval een lid van het college van procureurs-generaal afwezig of verhinderd is, wordt het lid vervangen door de overeenkomstig artikel 319 aangewezen vervanger.) <W 2001-06-21/42, art. 5, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
Onverminderd het bepaalde in het vorige lid wordt het voorzitterschap, bij verhindering of afwezigheid van de voorzitter, bekleed door de oudste procureur-generaal in rang van hetzelfde taalstelsel.
Art. 143ter. <Ingevoegd bij W 1997-03-04/41, art. 3; Inwerkingtreding : 15-05-1997> De minister van Justitie legt de richtlijnen van het strafrechtelijk beleid vast, inclusief die van het opsporings- en vervolgingsbeleid, nadat hij het advies van het college van procureurs-generaal heeft ingewonnen.
Deze richtlijnen zijn bindend voor alle leden van het openbaar ministerie.
De procureurs-generaal bij de hoven van beroep staan in voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijnen binnen hun rechtsgebied.
Art. 144. <W 1998-12-22/47, art. 16, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> De procureur-generaal bij het hof van beroep wordt bijgestaan door een eerste advocaat-generaal, advocaten-generaal en substituut-procureurs-generaal, die onder zijn toezicht en leiding hun ambt uitoefenen.
Art. 144bis. <NOTA : Dit artikel werd gewijzigd bij W 1998-12-22/48, art. 6, 069 en teruggebracht bij art. 67 van de wet van 2001-06-21/42> (§ 1. De federale procureur is belast met de leiding van het federaal parket, dat is samengesteld uit federale magistraten, die onder zijn rechtstreekse leiding en toezicht staan. Hun opdrachten strekken zich uit over het gehele grondgebied van het Rijk.
§ 2. De federale procureur wordt met de volgende opdrachten belast :
1° de strafvordering uitoefenen overeenkomstig artikel 144ter;
2° zorgen voor de coördinatie van de uitoefening van de strafvordering en het vergemakkelijken van de internationale samenwerking overeenkomstig artikel 144quater;
3° het toezicht uitoefenen op de algemene en bijzondere werking van de federale politie, zoals bepaald in de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus.
§ 3. In uitzonderlijke gevallen en enkel wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, kan de federale procureur, bij een met redenen omklede beslissing, voor welbepaalde dossiers en na overleg met de bevoegde procureur-generaal, procureur des Konings of arbeidsauditeur, zijn bevoegdheden tijdelijk geheel of gedeeltelijk opdragen aan een lid van een parket-generaal, van een auditoraat-generaal bij het arbeidshof, van een parket van de procureur des Konings of van een arbeidsauditoraat bij de arbeidsrechtbank, die deze uitoefent vanuit zijn standplaats.
In uitzonderlijke gevallen en enkel wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, kan de Minister van Justitie, op voorstel van de federale procureur en na overleg met de bevoegde procureur-generaal, procureur des Konings of arbeidsauditeur, een lid van een parket-generaal, van een auditoraat-generaal bij het arbeidshof, van een parket van de procureur des Konings of van een arbeidsauditoraat bij de arbeidsrechtbank opdracht geven om in het federaal parket de opdrachten van het openbaar ministerie tijdelijk uit te oefenen in het kader van welbepaalde dossiers. Tijdens de uitoefening van zijn opdracht heeft deze magistraat dezelfde bevoegdheden als de federale magistraten.
De voormelde magistraten oefenen in die gevallen deze taak uit onder de onmiddellijke leiding en toezicht van de federale procureur. Hun overige taken oefenen zij verder onder de onmiddellijke leiding en toezicht van hun korpschef uit.
Ingeval omtrent de voormelde opdrachten geen overeenstemming bestaat tussen de federale procureur en de bevoegde procureur-generaal, procureur des Konings of arbeidsauditeur, beslist de federale procureur.) <W 2001-06-21/42, art. 6, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
Art. 144ter. <Ingevoegd bij W 2001-06-21/42, art. 7, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002> § 1. Indien een goede rechtsbedeling het vereist, wordt, behoudens in de gevallen bepaald in de bijzondere wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van leden van een gemeenschaps- of gewestregering en de wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van ministers, de strafvordering uitgeoefend door de federale procureur voor :
1° de misdrijven welke bedoeld zijn in :
- de artikelen 101 tot 136 van het Strafwetboek;
- de artikelen 331bis, 477 tot 477sexies en 488bis van het Strafwetboek;
- artikel 77bis, §§ 2 en 3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
- (...) <W 2003-08-05/32, art. 24, 115; Inwerkingtreding : 07-08-2003>
2° de misdrijven gepleegd met gebruik van geweld tegen personen of materiële belangen om ideologische of politieke redenen met het doel zijn doelstellingen door middel van terreur, intimidatie of bedreigingen te bereiken;
3° de misdrijven die in belangrijke mate verschillende rechtsgebieden betreffen of een internationale dimensie hebben, in het bijzonder die van de georganiseerde criminaliteit;
4° de misdrijven gepleegd in het kader van de in-, uit- en doorvoer van wapens, munitie en speciaal voor militair gebruik dienstig materiaal en daaraan verbonden technologie in de gevallen waarin de strafvordering wordt uitgeoefend door het openbaar ministerie;
5° de misdrijven bedoeld in hoofdstuk I van titel VI van boek II van het Strafwetboek;
6° de misdrijven die samenhangend zijn met die bedoeld in 1°, 2°, 3°, 4° en 5°.
§ 2. De procureur des Konings, of in de gevallen bepaald in de artikelen 479 en volgende van het Wetboek van strafvordering, de procureur-generaal, licht ambtshalve de federale procureur in wanneer hij kennis neemt van een misdrijf bedoeld in § 1. Hij licht bovendien de federale procureur in, telkens als dit voor de uitoefening van de strafvordering door de federale procureur van belang is.
§ 3. In de gevallen bedoeld in § 1 beslist de federale procureur of, hetzij de procureur des Konings of in de gevallen bedoeld in de artikelen 479 en volgende van het Wetboek van strafvordering de procureur-generaal, hetzij hijzelf de strafvordering uitoefent. De beslissing wordt, behoudens dringende en noodzakelijke omstandigheden,
genomen na overleg met de procureur des Konings, respectievelijk de procureur-generaal. Tegen de beslissing staat geen rechtsmiddel open.
§ 4. De federale procureur licht de procureur des Konings, respectievelijk de procureur-generaal in, telkens dit voor de uitoefening van de strafvordering door de procureur des Konings, respectievelijk de procureur-generaal, van belang is.
§ 5. Inzake de bevoegdheidsverdeling tussen de procureur des Konings, respectievelijk de procureur-generaal, en de federale procureur betreffende de uitoefening van de strafvordering kunnen geen nietigheden worden opgeworpen.
Art. 144quater. <Ingevoegd bij W 2003-08-05/32, art. 25; Inwerkingtreding : 07-08-2003> Voor de misdrijven bedoeld in boek II, titel Ibis, van het Strafwetboek wordt de strafvordering uitsluitend uitgeoefend door de federale procureur.
Art. 144quinquies. <Ingevoegd bij W 2003-04-10/59, art. 90; Inwerkingtreding : 01-01-2004> In vredestijd wordt de federale procureur ingelicht over de misdrijven die, overeenkomstig artikel 10bis van de Voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering in België kunnen worden vervolgd. Onverminderd de bepalingen van artikel 29 van het Wetboek van strafvordering, wordt hij rechtstreeks ingelicht hetzij door de commandanten van de militaire eenheden die in het buitenland gestationeerd zijn, hetzij door de leden van de federale politie die, overeenkomstig artikel 112 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, belast zijn met de politie van de militairen.
Wanneer overeenkomstig artikel 309bis een magistraat van het openbaar ministerie aanwezig is op de plaats van de operaties, wordt de in het vorige lid bedoelde inlichting rechtstreeks aan hem gegeven.
Onverminderd artikel 144ter beslist de federale procureur of, hetzij de procureur des Konings, hetzij hijzelf de strafvordering uitoefent in de gevallen bedoeld in dit artikel. De beslissing wordt, behoudens dringende en noodzakelijke omstandigheden, genomen na overleg met de procureur des Konings.
Tegen de beslissing staat geen rechtsmiddel open. Inzake de bevoegdheidsverdeling tussen de procureur des Konings en de federale procureur betreffende de uitoefening van de strafvordering, kunnen geen nietigheden worden opgeworpen.
Art. 144sexies. (oud artikel 144quater) <Ingevoegd bij W 2001-06-21/42, art. 8, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002> De coördinatie van de uitoefening van de strafvordering en het vergemakkelijken van de internationale samenwerking gebeuren in overleg met een of meer procureurs des Konings of arbeidsauditeurs. Indien dit noodzakelijk is, kan de federale procureur daartoe, na de territoriaal bevoegde procureur-generaal te hebben ingelicht en behoudens diens andersluidende beslissing, dwingende onderrichtingen geven aan een of meer procureurs des Konings of arbeidsauditeurs. <W 2003-08-05/32, art. 25, 115; Inwerkingtreding : 07-08-2003>
Art. 145. <W 1998-12-22/47, art. 18, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> Er is een arbeidsauditoraat-generaal bij ieder arbeidshof. Dit bestaat uit een eerste advocaat-generaal, een of meer advocaten-generaal en een of meer substituten-generaal die er, onder het toezicht en de leiding van de procureur-generaal, het ambt van openbaar ministerie uitoefenen.
Art. 146. De advocaten-generaal bij het hof van beroep en de advocaten-generaal bij het arbeidshof zijn in het bijzonder ermee belast namens de procureur-generaal het woord te voeren op de zittingen van het hof van beroep en van het arbeidshof.
(NOTA : Dit artikel wordt door <W 1998-12-22/48, art. 7, 069; Inwerkingtreding : onbepaald> gewijzigd en deze wijziging wordt door <W 2004-04-12/38, art. 13, 118; Inwerkingtreding : 17-05-2004>)
Art. 146bis. <Ingevoegd bij W 2004-04-12/38, art. 5; Inwerkingtreding : 17-05-2004> De procureurs-generaal bij de hoven van beroep zorgen in hun rechtsgebied voor de coherente uitvoering en de coördinatie, onder hun leiding, van het strafrechtelijk beleid.
Zij geven met het oog hierop algemene onderrichtingen die dwingend zijn voor alle leden van het openbaar ministerie van hun rechtsgebied. Zij kunnen eveneens met dezelfde doeleinden onderrichtingen geven met het oog op de uitoefening van de strafvordering in bepaalde zaken. Deze onderrichtingen dienen in overeenstemming te zijn met de richtlijnen die door het college van procureurs-generaal zijn uitgevaardigd met toepassing van artikel 143bis, § 2, eerste lid, en met de in artikel 143ter bedoelde richtlijnen van de Minister van Justitie.
Art. 146ter. <Ingevoegd bij W 2004-04-12/38, art. 6; Inwerkingtreding : 17-05-2004> De procureurs-generaal, de procureurs des Konings en de arbeidsauditeurs van hun rechtsgebied zorgen, in onderling overleg, voor de kwaliteit van de organisatie en de werking van de parketten van eerste aanleg en de arbeidsauditoraten.
Art. 146quater. <Ingevoegd bij W 2004-04-12/38, art. 7; Inwerkingtreding : 17-05-2004> Onverminderd de toepassing van artikel 143bis, verschaffen de procureurs-generaal bij de hoven van beroep aan de parketten van eerste aanleg en aan de arbeidsauditoraten van hun rechtsgebied de nodige ondersteuning voor de uitoefening van de strafvordering.
Met het oog hierop kan elke procureur-generaal binnen het parket-generaal of het auditoraat-generaal magistraten aanwijzen die in het bijzonder gelast worden met een permanente informatie-, documentatie- en raadgevende opdracht in één of meer bepaalde domeinen.
Art. 147. De subsituut-procureurs-generaal zijn, onder de leiding van de procureur-generaal, in het bijzonder belast met het onderzoek van en de verslagen over de in beschuldigingstellingen; zij stellen de akten van beschuldiging op en staan de procureur-generaal bij in elk deel van de inwendige dienst van het parket.
Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, kan de procureur-generaal hen gelasten tijdelijk het ambt van advocaat-generaal waar te nemen.
(NOTA : Dit artikel wordt door <W 1998-12-22/48, art. 8, 069; Inwerkingtreding : onbepaald> gewijzigd en deze wijziging wordt door <W 2004-04-12/38, art. 13, 118; Inwerkingtreding : 17-05-2004>)
Art. 148. <NOTA : Dit artikel werd gewijzigd bij W 1998-12-22/48, art. 9, 069 en teruggebracht bij art. 67 van de wet van 2001-06-21/42> (De federale procureur oefent, onder het gezag van de Minister van Justitie, toezicht uit op alle officieren van gerechtelijke politie wanneer zij opdrachten uitvoeren overeenkomstig artikel 144bis.
De procureurs-generaal bij de hoven van beroep oefenen in de overige gevallen, onder het gezag van de Minister van Justitie, toezicht uit op alle officieren van gerechtelijke politie en openbare en ministeriële ambtenaren van hun rechtsgebied.) <W 2001-06-21/42, art. 9, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
Art. 149. Het ambt van openbaar ministerie bij het hof van assisen wordt uitgeoefend door de procureur-generaal; hij kan deze bevoegdheid opdragen aan een lid van het parket-generaal of van het parket van de procureur des Konings in wiens zetel de assisen worden gehouden.
(NOTA : Dit artikel wordt door <W 1998-12-22/48, art. 10, 069; Inwerkingtreding : onbepaald> gewijzigd en deze wijziging wordt door <W 2004-04-12/38, art. 13, 118; Inwerkingtreding : 17-05-2004>)
Art. 150. Er is een procureur des Konings in de zetel van ieder arrondissement.
(Onverminderd de toepassing van de bepalingen van artikel 138, derde tot vijfde lid, oefent hij, onder het gezag van de procureur-generaal, het ambt van openbaar ministerie uit bij de arrondissementsrechtbank, de rechtbank van eerste aanleg, de rechtbank van koophandel en de politierechtbanken van het arrondissement. Wat de strafvordering betreft, oefent de procureur-generaal zijn gezag uit in de gevallen en op de wijze bepaald in de artikelen 146bis en 146ter.) <W 2004-04-12/38, art. 8, 118; Inwerkingtreding : 17-05-2004>
(NOTA : Dit artikel wordt door <W 1998-12-22/48, art. 11, 069; Inwerkingtreding : onbepaald> gewijzigd en deze wijziging wordt door <W 2004-04-12/38, art. 13, 187; Inwerkingtreding : 17-05-2004>)
Art. 150bis. <Ingevoegd bij <W 1998-12-22/48, art. 12, Inwerkingtreding : 21-05-2002> De procureurs des Konings vormen samen een raad, raad van procureurs des Konings genoemd. De federale procureur kan de vergaderingen van de raad bijwonen.
De raad van procureurs des Konings heeft tot taak het college van procureurs-generaal ambtshalve of op diens verzoek te adviseren over de harmonisatie en de uniforme toepassing van de regels en over elke zaak die verband houdt met de opdrachten van het openbaar ministerie.
De raad wijst, telkenmale voor de duur van een gerechtelijk jaar, onder zijn leden een voorzitter en een vice-voorzitter aan die tot een ander taalstelsel behoort, die de voorzitter in geval van afwezigheid of verhindering vervangt.
De Koning keurt het huishoudelijk reglement van de raad van procureurs des Konings goed, op voorstel van de raad en na advies van het college van procureurs-generaal.
De raad vergadert op eigen initiatief of op verzoek van het college van procureurs-generaal en minstens eenmaal per trimester.
De agenda en de verslagen van de vergaderingen en de adviezen worden toegezonden aan de minister van Justitie, aan het college van procureurs-generaal, aan de federale procureur en aan de leden van de raad.
Art. 151. (De procureur des Konings wordt bijgestaan door een of meer substituten waarvan een of meer gespecialiseerd zijn in handelszaken. Hij kan worden bijgestaan door een of meer substituten gespecialiseerd in fiscale aangelegenheden en door een of meer toegevoegde substituten aan wie opdracht is gegeven overeenkomstig artikel 326, eerste lid. Zij staan onder zijn toezicht en leiding.) <W 1998-12-22/47, art. 19, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
Een of meer eerste substituten kunnen de procureur des Konings bijstaan in de leiding van het parket.
(...) <W 1998-12-22/47, art. 19, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
(...) <W 1998-07-20/30, art. 8, 062; Inwerkingtreding : 31-07-1998>
(...) <W 1998-12-22/47, art. 19, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
Art. 151bis. <W 1986-08-04/38, art. 113, 010> De strafvordering wegens een overtreding van de wetten en verordeningen in fiscale aangelegenheden kan uitgeoefend worden door de substituten gespecialiseerd in fiscale aangelegenheden voor de rechtbanken van de gerechtelijke arrondissementen gelegen in het rechtsgebied van het Hof van beroep van het arrondissement waar ze benoemd zijn.
Wanneer zij hun ambt moeten uitoefenen in en ander arrondissement dan datgene waarin zij benoemd zijn, worden zij geplaatst onder het toezicht en de rechtstreekse leiding van de procureur des Konings van het arrondissement waar zij dat ambt uitoefenen.
Art. 152. <W 2004-04-12/38, art. 9, 118; Inwerkingtreding : 17-05-2004> Er is een arbeidsauditeur bij iedere arbeidsrechtbank.
Onverminderd de toepassing van artikel 138, derde tot vijfde lid, oefent hij onder het gezag van de procureur-generaal het ambt van openbaar ministerie uit. Wat de strafvordering betreft oefent de procureur-generaal zijn gezag uit in de gevallen en op de wijze bepaald in de artikelen 146bis en 146ter.
(NOTA : Dit artikel wordt door <W 1998-12-22/48, art. 13, 069; Inwerkingtreding : onbepaald> gewijzigd en deze wijziging wordt door <W 2004-04-12/38, art. 13, 118; Inwerkingtreding : 17-05-2004>)
Art. 152bis. <Ingevoegd bij W 2004-04-12/38, art. 10; Inwerkingtreding : 17-05-2004> De arbeidsauditeurs vormen samen een raad, die raad van arbeidsauditeurs wordt genoemd. De federale procureur kan de vergaderingen van de raad bijwonen.
De raad van arbeidsauditeurs heeft tot taak het college van procureurs-generaal ambtshalve of op diens verzoek te adviseren over de harmonisatie en de uniforme toepassing van de bepalingen en over elke zaak die verband houdt met de opdrachten van de arbeidsauditoraten.
De raad wijst, telkenmale voor de duur van een gerechtelijk jaar, onder zijn leden een voorzitter en een ondervoorzitter aan die tot een ander taalstelsel behoort en die de voorzitter in geval van afwezigheid of verhindering vervangt.
De Koning keurt het huishoudelijk reglement van de raad van arbeidsauditeurs goed, op voorstel van de raad en na advies van het college van procureurs-generaal.
Minstens eenmaal per trimester vergadert de raad ambtshalve of op verzoek van het college van procureurs-generaal.
De agenda en de verslagen van de vergaderingen en de adviezen worden toegezonden aan de Minister van Justitie, aan het college van procureurs-generaal, aan de federale procureur en aan de leden van de raad.
Art. 153. Wanneer de behoeften van de dienst dit vergen, wordt de arbeidsauditeur bijgestaan door een of meer substituut-arbeidsauditeurs die onmiddellijk onder zijn toezicht en leiding staat. (Hij kan worden bijgestaan door een of meerdere toegevoegde substituten wie opdracht is gegeven overeenkomstig artikel 326, eerste lid.) <W 1990-12-28/30, art. 3, 4°, 018; Inwerkingtreding : 1991-01-08>
Er kunnen een of meer eerste substituut-arbeidsauditeurs zijn die de arbeidsauditeur bijstaan bij de leiding van het auditoraat.
(...) <W 1998-12-22/47, art. 20, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
(NOTA : Dit artikel wordt door <W 1998-12-22/48, art. 14, 069; Inwerkingtreding : onbepaald> gewijzigd en deze wijziging wordt door <W 2004-04-12/38, art. 13, 118; Inwerkingtreding : 17-05-2004>)
Art. 154. De procureur des Konings en de arbeidsauditeur verdelen de dienst, respectievelijk onder de leden van het parket en de leden van het arbeidsauditoraat. Zij kunnen hieraan wijzigingen aanbrengen of zelf het ambt waarnemen dat zij in het bijzonder aan hun substituten hebben opgedragen.
(NOTA : Dit artikel wordt door <W 1998-12-22/48, art. 15, 069; Inwerkingtreding : onbepaald> gewijzigd en deze wijziging wordt door <W 2004-04-12/38, art. 13, 118; Inwerkingtreding : 17-05-2004>)
Art. 155. <W 2004-04-12/38, art. 11, 118; Inwerkingtreding : 17-05-2004> Onverminderd de toepassing van de bepalingen van artikel 138, derde tot vijfde lid, wordt de strafvordering wegens een overtreding van de wetten en de verordeningen over een van de aangelegenheden die behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten, voor de politierechtbanken en voor de rechtbanken van eerste aanleg uitgeoefend door de leden van het arbeidsauditoraat en voor de hoven van beroep door de leden van het arbeidsauditoraat-generaal.
In geval van samenloop of samenhang van genoemde overtredingen met een of meer overtredingen van andere wetsbepalingen die niet tot de bevoegdheid behoren van de arbeidsgerechten, wijst de procureur generaal het parket van de procureur des Konings of het arbeidsauditoraat aan, en, in voorkomend geval, het parket generaal of het arbeidsauditoraat generaal dat bevoegd is om de strafvordering uit te oefenen, onverminderd de toepassing van artikel 149.
(NOTA : Dit artikel wordt door <W 1998-12-22/48, art. 16, 069; Inwerkingtreding : onbepaald> gewijzigd en deze wijziging wordt door <W 2004-04-12/38, art. 13, 118; Inwerkingtreding : 17-05-2004>)
Art. 156. (opgeheven) <W 1991-07-18/36, art. 1, 022; Inwerkingtreding : 01-01-1992>
TITEL IIbis. - <W 17-07-1984, art. 1> Plaatsvervangende magistraten aangewezen uit de op rust gestelde magistraten.
Art. 156bis. <W 17-07-1984, art. 1> Er zijn, in de Hoven van beroep, de Arbeidshoven, de rechtbanken van eerste aanleg, de arbeidsrechtbanken (, de rechtbanken van koophandel, de vredegerechten en de politierechtbanken), plaatsvervangende magistraten, aangewezen uit de wegens hun leeftijd (overeenkomstig artikel 383, §1) op rust gestelde magistraten; zij hebben geen gewone bezigheden en worden benoemd overeenkomstig artikel 383, § 2, om verhinderde magistraten of leden van het openbaar ministerie tijdelijk, naargelang van het geval en ieder wat hem betreft, te vervangen. <W 1998-02-10/32, art. 7, 057; Inwerkingtreding : 02-03-1998> <W 1998-12-22/47, art. 21, 066; Inwerkingtreding : 01-03-1999>
Deze plaatsvervangende magistraten kunnen ook geroepen worden om zitting te nemen wanneer de bezetting niet volstaat om de hangende zaken te behandelen.
(De plaatsvervangende magistraten bedoeld in het eerste lid, kunnen geen federaal magistraat, noch een lid van het openbaar ministerie vervangen die met toepassing van artikel 144bis, § 3, eerste en tweede lid, belast zijn met een opdracht.) <W 2001-06-21/42, art. 10, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
TITEL IIter. <Ingevoegd bij W 1999-03-24-31, art. 2; Inwerkingtreding : 17-04-1999> - Referendarissen en parketjuristen bij de hoven van beroep en bij de rechtbanken van eerste aanleg.
Art. 156ter. <Ingevoegd bij W 1999-03-24-31, art. 2; Inwerkingtreding : 17-04-1999> De magistraten van de zetel van de hoven van beroep en van de rechtbanken van eerste aanleg worden bijgestaan door referendarissen. De magistraten van het openbaar ministerie bij de parketten van de rechtbanken van eerste aanleg worden bijgestaan door parketjuristen.
De referendarissen en de parketjuristen bereiden het werk van de magistraten op juridisch vlak voor, onder hun gezag en volgens hun aanwijzingen, met uitsluiting van de aan de griffiers of aan de secretarissen overeenkomstig dit wetboek opgedragen taken.
Hun aantal wordt bepaald volgens de behoeften van de dienst. Deze behoeften moeten blijken uit een gemotiveerd verslag opgesteld door de korpschef ter attentie van de minister. De minister wint over de behoeften van de dienst ook het gemotiveerd advies in van de eerste voorzitter en van de procureur-generaal. Hun aantal per rechtsgebied kan echter niet meer bedragen dan (35 %) van het totaal aantal magistraten van de zetel van het hof van beroep, de zetel van de rechtbanken van eerste aanleg en de parketten van de procureurs des Konings in dat rechtsgebied van het hof van beroep, zoals vastgesteld in de wet bedoeld in artikel 186, vierde lid (, onverminderd artikel 286 en dit binnen de budgettaire middelen.) <W 2003-12-22/53, art. 4, 116; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
De Koning kan, na een evaluatie, het toepassingsgebied uitbreiden naar de arbeidshoven, arbeidsrechtbanken, rechtbanken van koophandel en politierechtbanken. In voorkomend geval zijn de in dit wetboek opgenomen bepalingen met betrekking tot de parketjuristen en de referendarissen bij de hoven van beroep en bij de rechtbanken van eerste aanleg van overeenkomstige toepassing.
TITEL III. - Griffiers.
Art. 157. <W 1997-02-17/50, art. 5, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997> Er is een hoofdgriffier in elk vredegerecht en in elke politierechtbank. genoemd in artikel 3 van het bijvoegsel bij dit wetboek.
(Hij wordt bijgestaan door griffiers en adjunct-griffiers.) <W 2003-05-03/45, art. 6, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
Art. 158. (Eerste lid opgeheven) <W 2003-05-03/45, art. 7, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
(Tweede lid opgeheven) <W 2003-05-03/45, art. 7, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
(Bij de politierechtbank kunnen één tot drie griffiers-hoofden van dienst worden aangewezen die, onder het gezag van de hoofdgriffier, deelnemen aan de leiding van de griffie.) <W 1997-02-17/50, art. 6, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
Art. 159. (opgeheven) <W 1994-07-11/33, art. 24, 032; Inwerkingtreding : 1995-01-01>
Art. 160. Er is een hoofdgriffier in iedere rechtbank van eerste aanleg, arbeidsrechtbank en rechtbank van koophandel.
Hij wordt bijgestaan door een of meer griffiers en door (adjunct-griffiers). <W 1997-02-17/50, art. 7, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
(De dienst in de arrondissementsrechtbanken wordt verricht door de hoofdgriffier van de rechtbank van eerste aanleg of door een van de griffiers bij die rechtbank die hij aanwijst.) <W 15-7-1970, art. 11>
Art. 161. <W 1997-02-17/50, art. 8, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997> Bij de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank en de rechtbank van koophandel kunnen één tot drie griffiers-hoofden van dienst worden aangewezen die, onder het gezag van de hoofdgriffier, deelnemen aan de leiding van de griffie.
Ingeval in voormelde rechtbanken meer dan honderd personeelsleden met volledige betrekking werkzaam zijn, kan het aantal griffiers-hoofden van dienst worden opgetrokken met één eenheid per dertig bijkomende personeelsleden.
Art. 162. <W 1997-02-17/50, art. 9, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997> De voorzitter van een rechtbank waarvan het rechtsgebied meer dan (tweehonderdvijftigduizend inwoners) telt, kan een kabinetssecretaris kiezen uit de griffiers of het griffiepersoneel op advies van de hoofdgriffier. <W 2001-06-15/31, art. 3, 084; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
Art. 163. Er is een hoofdgriffier in de zetel van het hof van beroep en van het arbeidshof.
Hij wordt bijgestaan door griffiers en (adjunct-griffiers). <W 1997-02-17/50, art. 10, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
Art. 164. <W 1997-02-17/50, art. 11, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997> Bij het hof van beroep en het arbeidshof kunnen één tot drie griffiers-hoofden van dienst worden aangewezen die, onder het gezag van de hoofdgriffier, deelnemen aan de leiding van de griffie.
Ingeval in voormelde hoven meer dan honderd personeelsleden met volledige betrekking werkzaam zijn, kan het aantal griffiers-hoofden van dienst worden opgetrokken met één eenheid per dertig bijkomende personeelsleden.
Art. 165. <W 1997-02-17/50, art. 12, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997> De eerste voorzitter kan een kabinetssecretaris kiezen uit de griffiers of het griffiepersoneel op advies van de hoofdgriffier.
Art. 166. Het ambt van griffier van het hof van assisen wordt uitgeoefend door een griffier van de rechtbank van eerste aanleg in wier zetel de assisen worden gehouden. Hij wordt aangewezen door de hoofdgriffier.
(Wanneer de rechtspleging voor het Hof van assisen van de provincie Luik in het Duits wordt gevoerd, wordt het ambt van griffier uitgeoefend door de hoofdgriffier van de rechtbank van eerste aanleg te Eupen of door een door hem aangewezen griffier). <W 1985-09-23/33, art. 41, 008>
Art. 167. Er is een hoofdgriffier in het Hof van Cassatie.
Hij wordt bijgestaan door griffiers en (adjunct-griffiers). <W 1997-02-17/50, art. 13, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
(Een griffier-hoofd van dienst kan, onder het gezag van de hoofdgriffier, aan de leiding van de griffie deelnemen.) <W 15-07-1970, art. 12>
Art. 168. <W 1997-02-17/50, art. 14, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997> De eerste voorzitter kan een kabinetssecretaris kiezen uit de griffiers of het griffiepersoneel op advies van de hoofdgriffier.
Art. 169. <W 1997-02-17/50, art. 15, 044; Inwerkingtreding : 30-04-1998> De adjunct-griffiers die ten minste twaalf jaar dienst hebben in de griffie van een vredegerecht, van een politierechtbank, van een rechtbank van eerste aanleg, van een arbeidsrechtbank, van een rechtbank van koophandel, van een hof van beroep, van een arbeidshof of van het Hof van Cassatie, worden door de Koning tot eerstaanwezend adjunct-griffier benoemd, voor zover zij bij hun beoordeling bedoeld in artikel 287ter, de vermelding " zeer goed " hebben gekregen.
De dienstjaren uitgeoefend in een griffie, een parket of een parketsecretariaat in een gelijkwaardige of een lagere graad komen in aanmerking.
Art. 170. <W 1997-02-17/50, art. 16, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997> De griffier vervult de griffietaken en staat de rechter bij als griffier in alle verrichtingen van diens ambt.
Op deze regel wordt slechts een uitzondering gemaakt wanneer om dringende redenen zijn tegenwoordigheid niet kon worden gevorderd.
Art. 171. <W 1997-02-17/50, art. 17, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997> In het Hof van Cassatie, het hof van beroep, het arbeidshof, de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank, de rechtbank van koophandel, het vredegerecht en de politierechtbank is er een griffie.
De griffie wordt gehouden door de hoofdgriffier.
De griffiers oefenen een gerechtelijke functie uit en vervullen hun taken in de griffie.
Art. 172. <W 1997-02-17/50, art. 18, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997> De hoofdgriffier leidt de griffie en verdeelt de griffietaken en de administratieve taken en wijst de griffiers aan die de rechter bijstaan.
Art. 173. <W 2003-05-23/36, art. 2, 114; Inwerkingtreding : onbepaald uiterlijk op 12-06-2005> Tot de taken van de griffier behoren :
1° hij stelt de griffie voor het publiek toegankelijk;
2° hij voert de boekhouding van de griffie;
3° hij verlijdt de akten waarmee hij belast is, bewaart de minuten, registers en alle akten van het gerecht waarbij hij is aangesteld en geeft daarvan uitgiften, uittreksels of afschriften af;
4° hij bewaart de rechtsdocumentatie inzake wetgeving, rechtspraak en rechtsleer ten behoeve van de rechters;
5° hij maakt de tabellen, statistieken en andere documenten op, waarmee hij bij wet of besluit belast is; hij houdt de registers en repertoria bij;
6° hij zorgt voor de bewaring van de waarden, documenten en voorwerpen die krachtens de wet ter griffie zijn neergelegd;
7° hij neemt de passende maatregelen om alle archiefbescheiden die hij onder zijn beheer heeft in goede staat te bewaren, om ze te ordenen en te inventariseren, ongeacht hun vorm, structuur en inhoud.
De griffier verleent bijstand aan de rechter :
1° hij bereidt de taken van de rechter voor;
2° hij is aanwezig op de terechtzitting;
3° hij notuleert het verloop van de rechtszaken en de uitspraken;
4° hij geeft akte van de verschillende formaliteiten waarvan de vervulling moet worden vastgesteld en verleent er authenticiteit aan;
5° hij stelt de dossiers van de rechtspleging op en ziet, in het kader van zijn bevoegdheid, toe op de naleving van de geldende regelgeving.
De Koning stelt nadere regels voor de toepassing van dit artikel. Voor de toepassing van het eerste lid, 7°, wordt het advies van de Algemeen Rijksarchivaris ingewonnen.
Art. 174. De griffier houdt een repertorium van de akten van de rechter en een repertorium van de griffieakten overeenkomstig de verordeningen die de Koning vaststelt.
Art. 175. De hoofdgriffier (...) staat in voor de voorwerpen onder zijn bewaring of bewaking en is tegenover partijen verantwoordelijk voor de overgelegde stukken. <W 1997-02-17/50, art. 20, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
Art. 176. De griffiers zijn open op de dagen en uren bij koninklijk besluit bepaald.
TITEL IIIbis. Bemiddelingsadviseurs en -assistenten. (opgeheven) <W 1999-04-12/38, art. 2, 075; Inwerkingtreding : 01-07-1999>
Art. 176bis. (opgeheven) <W 1999-04-12/38, art. 2, 075; Inwerkingtreding : 01-07-1999>
Art. 176ter. (opgeheven) <W 1999-04-12/38, art. 2, 075; Inwerkingtreding : 01-07-1999>
Art. 176quater. (opgeheven) <W 1999-04-12/38, art. 2, 075; Inwerkingtreding : 01-07-1999>
TITEL IV. - Personeel van griffies en parketten.
EERSTE HOOFDSTUK. - Griffiepersoneel.
Art. 177. <W 2003-05-03/45, art. 8, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003> Aan de griffie van de vredegerechten en de politierechtbanken kunnen opstellers en beambten verbonden worden die de Minister van Justitie benoemt.
Hun aantal wordt bepaald door de Koning.
Art. 178. Aan de griffie van de rechtbank van eerste aanleg en van de rechtbank van koophandel kunnen (opstellers en beambten) verbonden worden die de minister van Justitie benoemt (...). <W 1997-05-20/46, art. 4, 1°, 053; Inwerkingtreding : 01-05-1998> <W 1997-02-17/50, art. 23, 044; Inwerkingtreding : 30-04-1998>
Er kunnen aan de griffie van de arbeidsrechtbank (opstellers en beambten) verbonden worden die benoemd worden door de minister die de Arbeid in zijn bevoegdheid heeft, (...). <W 1997-05-20/46, art. 4, 1°, 053; Inwerkingtreding : 01-05-1998> <W 1997-02-17/50, art. 23, 044; Inwerkingtreding : 30-04-1998>
(Het aantal opstellers en beambten wordt bepaald door de Koning.) <W 1997-05-20/46, art. 4, 2°, 053; Inwerkingtreding : 01-05-1998>
Art. 179. Aan de griffie van het hof van beroep kunnen (opstellers en beambten) verbonden worden, die de minister van Justitie benoemt (...). <W 1997-05-20/46, art. 5, 1°, 053; Inwerkingtreding : 01-05-1998> <W 1997-02-17/50, art. 24, 044; Inwerkingtreding : 30-04-1998>
Aan de griffie van het arbeidshof kunnen (opstellers en beambten) verbonden worden, die benoemd worden door de minister die de Arbeid in zijn bevoegdheid heeft, (...). <W 1997-05-20/46, art. 5, 1°, 053; Inwerkingtreding : 01-05-1998> <W 1997-02-17/50, art. 24, 044; Inwerkingtreding : 30-04-1998>
(Het aantal opstellers en beambten wordt bepaald door de Koning.) <W 1997-05-20/46, art. 5, 2°, 053; Inwerkingtreding : 01-05-1998>
Art. 180. Aan de griffie van het Hof van Cassatie kunnen (opstellers en beambten) verbonden worden. <W 1997-05-20/46, art. 6, 1°, 053; Inwerkingtreding : 01-05-1998>
(De opstellers en beambten worden benoemd door de minister van Justitie. Hun aantal wordt bepaald door de Koning.) <W 1997-05-20/46, art. 6, 2°, 053; Inwerkingtreding : 01-05-1998>
Art. 181. <W 1997-02-17/50, art. 26, 044; Inwerkingtreding : 30-04-1998> (De opstellers en beambten) die ten minste twaalf jaar dienst hebben in de griffie van een vredegerecht, van een politierechtbank, van een rechtbank van eerste aanleg, van een arbeidsrechtbank, van een rechtbank van koophandel, van een hof van beroep, van een arbeidshof of van het Hof van Cassatie, worden door de minister van Justitie respectievelijk tot (eerstaanwezend opsteller en eerstaanwezend beambte) benoemd, voor zover zij bij hun beoordeling, bedoeld in artikel 287ter, de vermelding " zeer goed " hebben gekregen. <W 1997-05-20/46, art. 7, 053; Inwerkingtreding : 01-05-1998>
De dienstjaren uitgeoefend in een griffie of een parketsecretariaat in een gelijkwaardige of een lagere graad komen in aanmerking.
HOOFDSTUK II. - Personeel van de parketten.
Art. 182. <W 1997-02-17/50, art. 27, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997> Aan ieder parket is een secretariaat verbonden, onder de leiding van een hoofdsecretaris.
De hoofdsecretaris wordt door de Koning benoemd.
De hoofdsecretaris van het parket is belast met de leiding van de administratieve diensten en staat daarbij onder leiding en toezicht van de procureur-generaal, (van de federale procureur,) van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur. Hij verdeelt de administratieve taken onder de leden en het personeel van het secretariaat. <W 2001-06-21/42, art. 11, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
De hoofdsecretaris kan worden bijgestaan door een of meer secretarissen en door adjunct-secretarissen, die de Koning benoemt. Hun aantal wordt door de Koning bepaald naar de behoeften van de dienst.
De secretaris staat de procureur-generaal, (van de federale procureur,) de procureur des Konings of de arbeidsauditeur bij. Hij ondertekent de documenten die eigen zijn aan zijn functie en die welke hij in opdracht van het hoofd van het parket moet ondertekenen. Hij verleent bijstand aan de magistraten voor documentatie- en opzoekingswerk, voor het samenstellen van de dossiers en voor alle taken, met uitzondering van die welke uitdrukkelijk aan de magistraten zijn voorbehouden. (...). <W 2001-06-21/42, art. 11, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002> <W 2003-05-23/36, art. 3, 114; Inwerkingtreding : onbepaald, uiterlijk op 12-06-2005>
(De secretaris bewaart alle archiefbescheiden die door het parket worden ontvangen of opgemaakt. Hij neemt de passende maatregelen om alle archiefbescheiden die hij onder zijn beheer heeft in goede staat te bewaren, om ze te ordenen en te inventariseren, ongeacht hun vorm, structuur en inhoud. De Koning stelt, na advies van de Algemeen Rijksarchivaris, nadere regels voor de toepassing van dit lid.) <W 2003-05-23/36, art. 3, 114; Inwerkingtreding : onbepaald, uiterlijk op 12-06-2005>
De procureur-generaal, (van de federale procureur,) de procureur des Konings en de arbeidsauditeur bij een gerecht waarvan het rechtsgebied meer dan (tweehonderdvijftigduizend inwoners) telt, kunnen een kabinetssecretaris kiezen uit de leden of het personeel van het secretariaat op advies van de hoofdsecretaris. <W 2001-06-15/31, art. 3, 084; Inwerkingtreding : 01-01-2000> <W 2001-06-21/42, art. 11, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
Bij een parket kunnen één tot drie secretarissen-hoofden van dienst worden aangewezen die, onder het gezag van de hoofdsecretaris, deelnemen aan de leiding van het secretariaat. Ingeval in een parket meer dan honderd personeelsleden met volledige betrekking werkzaam zijn, kan het aantal secretarissen-hoofden van dienst worden opgetrokken met één eenheid per dertig bijkomende personeelsleden.
De Koning bepaalt hun aantal en wijst hen voor drie jaar aan uit de secretarissen, op voordracht van de procureur-generaal, (van de federale procureur,) van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur en van de hoofdsecretaris van het parket. <W 2001-06-21/42, art. 11, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
Die aanwijzing kan telkens voor drie jaar worden vernieuwd; na negen jaar ambtsvervulling worden zij vast benoemd.
Art. 182bis. <Ingevoegd bij W 1997-02-17/50, art. 28; Inwerkingtreding : 30-04-1998> Adjunct-secretarissen die ten minste twaalf jaar dienst hebben, worden door de Koning tot eerstaanwezend adjunct-secretaris benoemd, voor zover zij bij hun beoordeling, bedoeld in artikel 287ter, de vermelding " zeer goed " hebben gekregen.
De dienstjaren uitgeoefend in een parket, een parketsecretariaat of een griffie in een gelijkwaardige of een lagere graad komen in aanmerking.
Art. 183. <W 1997-05-20/46, art. 8, 053; Inwerkingtreding : 01-05-1998> Aan een parketsecretariaat kunnen vertalers, opstellers en beambten verbonden worden, die door de minister van Justitie worden benoemd.
Hun aantal wordt bepaald door de Koning.
Art. 184. <W 1997-02-17/50, art. 30, 044; Inwerkingtreding : 30-04-1998> Vertalers, (opstellers en beambten) die ten minste twaalf jaar dienst hebben in een parketsecretariaat, worden door de minister van Justitie respectievelijk tot eerstaanwezend vertaler, (eerstaanwezend opsteller en eerstaanwezend beambte) benoemd, voor zover zij bij hun beoordeling, bedoeld in artikel 287ter, de vermelding " zeer goed " hebben gekregen. <W 1997-05-20/46, art. 9, 053; Inwerkingtreding : 01-05-1998>
De dienstjaren uitgeoefend in een parketsecretariaat of een griffie in een gelijkwaardige of een lagere graad komen in aanmerking.
HOOFDSTUK III. - <W 15-07-1970, art. 15> Bepaling gemeen aan de hoofdstukken I en II.
Art. 185. <W 15-07-1970, art. 15> Buiten de in beide vorige hoofdstukken opgenoemde algemene graden kan de Koning bijzondere graden oprichten waarvan Hij het overeenstemmend aantal betrekkingen, de wedde en het statuut bepaalt. (De Koning kan het uitoefenen van de functies die Hij instelt, gelijkstellen met de ambten opgenoemd in de twee vorige hoofdstukken.) (De wervingsexamens voor de bijzondere graden zijn vergelijkend en worden door de Koning georganiseerd voor een examencommissie die wordt ingesteld door de Minister van Justitie.) <W 1997-02-17/50, art. 31, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997> <W 2003-05-23/36, art. 4, 114; Inwerkingtreding : 12-06-2003>
(De Koning kan eveneens, overeenkomstig de bepalingen van het vorige lid, bijzondere graden instellen teneinde het secretariaat van het college van procureurs-generaal (...) te verzorgen. De in deze secretariaten beklede ambten worden beschouwd als ambten bekleed bij een parket.) <W 1997-03-04/41, art. 6, 046; Inwerkingtreding : 15-07-1997> <NOTA : De vervallen woorden werden vooraf gewijzigd bij W 1998-12-22/48, art. 17, 069 en teruggebracht bij art. 67 van de wet van 2001-06-21/42> <W 2001-06-21/42, art. 12, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
(Bovendien kan de minister van Justitie of, naar gelang van het geval, de minister van Arbeid of de overheid aan wie zij die bevoegdheid overdragen, om dringende redenen personeel aanwerven op grond van een arbeidsovereenkomst. In aanmerking voor deze aanwervingen komen alleen de geslaagden van een vergelijkend examen of een examen georganiseerd krachtens dit Wetboek, of, bij ontstentenis van kandidaten, van een selectietest georganiseerd door de minister van Justitie of door een dienst van de Staat. (Om bij arbeidsovereenkomst in dienst te worden genomen, moeten de betrokkenen een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking en de burgerlijke en politieke rechten genieten.)) <W 1997-02-17/50, art. 31, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997> <W 2003-05-03/45, art. 9, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
TITEL V. - Zetel en personeel van hoven en rechtbanken Hun rechtsgebied.
Art. 186. De zetel van de hoven en rechtbanken, alsmede hun rechtsgebied zijn vastgesteld in de artikelen 1 tot 6 van het bijvoegsel bij dit wetboek.
(De Koning kan de kamers van de hoven van beroep, de arbeidshoven, de rechtbanken van eerste aanleg, de arbeidsrechtbanken, de rechtbanken van koophandel of de politierechtbanken in twee of meer afdelingen verdelen.) <W 1994-07-11/33, art. 27, 032; Inwerkingtreding : 1995-01-01>
De Koning bepaalt het gebied binnen hetwelk elke afdeling haar rechtsmacht, naar de regels van de territoriale bevoegdheid uitoefent, alsmede de plaats waar zij zitting houdt en haar griffie heeft.
(Wanneer het bijvoegsel van dit wetboek in verscheidene zetels voorziet voor een vredegerechtskanton is er in elke zetel een griffie. De Koning bepaalt het gebied binnen welk elke zetel zijn rechtsmacht, naar de regels van de territoriale bevoegdheid, uitoefent.) <W 1999-03-25/50, art. 3, 071; Inwerkingtreding : 01-09-2000>
(Een bijzondere wet stelt de personeelsformatie van hoven en rechtbanken vast. Het aantal raadsheren in sociale zaken en rechters in sociale zaken wordt evenwel door de Koning bepaald.) <W 07-07-1969, art. 2.>
(De zetel van het college van procureurs-generaal en van (het federaal parket) bevindt zich te Brussel.) <W 1997-03-04/41, art. 7, 046; Inwerkingtreding : 15-05-1997> <W 1998-12-22/48, art. 18, 069; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
TITEL VI. - Benoemingsvoorwaarden voor leden van de rechterlijke orde.
Art. 186bis. <W 2001-03-13/36, art. 4, 086; Inwerkingtreding : 30-03-2001> Voor de toepassing van deze titel, doch met uitzondering van hoofdstuk Vquinquies, treedt de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg op als korpschef van de vrederechters, de rechters in de politierechtbank, de toegevoegde vrederechters en de toegevoegde rechters in de politierechtbank van zijn gerechtelijk arrondissement.
Voor de toepassing van deze titel zijn voor de berekening van de termijnen de bepalingen van de artikelen 50, eerste lid, 52, eerste lid, 53 en 54 van toepassing.
(De termijnen van de procedures met het oog op de benoeming bedoeld in artikel 58bis, 1°, de aanwijzing bedoeld in artikel 58bis, 2°, evenals de aanwijzing tot federaal magistraat en bijstandsmagistraat, worden geschorst van 15 juli tot 15 augustus.) <W 2001-07-20/32, art. 2, 086; Inwerkingtreding : 15-07-2001>
EERSTE HOOFDSTUK. - Vrederechters en rechters in de politierechtbank.
Art. 187. <W 1991-07-18/35, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 1993-10-01> § 1. Om tot vrederechter, rechter in de politierechtbank of toegevoegd rechter te worden benoemd, moet de kandidaat ten minste 35 jaar oud zijn, doctor of licentiaat in de rechten zijn en voor het bij (artikel 259bis-9, §1) voorgeschreven examen inzake beroepsbekwaamheid geslaagd zijn of de bij (artikel 259octies) voorgeschreven gerechtelijke stage doorgemaakt hebben. <W 1998-12-22/47, art. 23, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
§ 2. De kandidaat moet bovendien aan een van de volgende voorwaarden voldoen :
1° ten minste twaalf jaar werkzaam zijn geweest aan de balie, het ambt van magistraat van het openbaar ministerie of van rechter of van notaris hebben vervuld (of gedurende twaalf jaar juridische functies hebben uitgeoefend, waarvan ten minste drie jaar in een gerechtelijk ambt.) <W 1998-12-22/47, art. 23, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
2° ten minste vijf jaar een ambt van staatsraad, auditeur, adjunct-auditeur, (referendaris bij het Hof van Cassatie,) referendaris, adjunct-referendaris bij de Raad van State of een ambt van referendaris bij het Arbitragehof hebben uitgeoefend; <W 1997-05-06/38, art. 5, 052; Inwerkingtreding : 05-07-1997>
3° (opgeheven) <W 1998-12-22/47, art. 23, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
In voorkomend geval wordt de duur van het ambt bedoeld in het 2° in aanmerking genomen voor de berekening van de periode van twaalf jaar voorgeschreven in het 1°.
Voor de kandidaat die de kennis van de andere taal dan die waarin hij de examens van het doctoraat of het licentiaat in de rechten heeft afgelegd, bewijst door voorlegging van het getuigschrift afgegeven door de examencommissie ingesteld bij artikel 43quinquies van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, wordt de totale duur (bedoeld in het 1° en 2° van deze paragraaf) verminderd met een jaar. <W 1998-12-22/47, art. 19, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
Art. 188. <W 1991-07-18/35, art. 4, 023; Inwerkingtreding : 28-03-1992> Om tot plaatsvervangend vrederechter (of plaatsvervangend (rechter in de politierechtbank) te worden benoemd, moet de kandidaat ten minste 30 jaar oud zijn, doctor of licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar werkzaam zijn geweest aan de balie, het notarisambt hebben vervuld, een ambt van staatsraad, auditeur, adjunct-auditeur, (referendaris bij het Hof van Cassatie,) referendaris, adjunct-refendaris bij de Raad van State of een ambt van referendaris bij het Arbitragehof (of een ambt van referendaris of parketjurist bij de hoven van beroep en bij de rechtbanken van eerste aanleg) hebben uitgeoefend of een academische of rechtswetenschappelijke functie hebben bekleed. <W 1994-07-11/33, art. 28, 032; Inwerkingtreding : 1995-01-01> <W 1997-05-06/38, art. 5, 052; Inwerkingtreding : 05-07-1997> <W 1999-03-24/31, art. 3, 070; Inwerkingtreding : 17-04-1999> <W 2001-03-13/36, art. 5, 083; Inwerkingtreding : 30-03-2001>
HOOFDSTUK II. - Leden van de rechtbank van eerste aanleg, van de arbeidsrechtbank en van de rechtbank van koophandel en van het openbaar ministerie.
Eerste afdeling - Rechters en magistraten van het openbaar ministerie.
Art. 189. <W 1998-12-22/47, art. 24, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. Om tot voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank of de rechtbank van koophandel te worden aangewezen moet de kandidaat :
1° hetzij sedert ten minste vijftien jaar juridische functies uitoefenen, waarvan de laatste vijf jaar als lid van de zittende magistratuur of magistraat van het openbaar ministerie;
2° hetzij de bij artikel 259octies voorgeschreven gerechtelijke stage hebben doorgemaakt en sedert ten minste zeven jaar het ambt van lid van de zittende magistratuur of magistraat van het openbaar ministerie uitoefenen.
§ 2. Om tot ondervoorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank of de rechtbank van koophandel te worden aangewezen, moet de kandidaat sedert ten minste drie jaar het ambt van rechter in hetzelfde rechtscollege uitoefenen.
Art. 190. (oud 191) <W 1991-07-18/35, art. 7, 023; Inwerkingtreding : 1993-10-01> <W 1998-12-22/47, art. 26, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. Om tot rechter in de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank of de rechtbank van koophandel (of tot toegevoegd rechter) te worden benoemd, moet de kandidaat doctor of licentiaat in de rechten zijn en voor het bij (artikel 259bis-9, §1) voorgeschreven examen inzake beroepsbekwaamheid geslaagd zijn of de bij (artikel 259octies, § 2) voorgeschreven gerechtelijke stage doorgemaakt hebben. <W 1998-02-10/32, art. 8, 057; Inwerkingtreding : 02-03-1998> <W 1994-12-01/30, art. 1, 033; Inwerkingtreding : 1994-12-16> <W 1998-12-22/47, art. 26, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
§ 2. De kandidaat die voor het examen inzake beroepsbekwaamheid is geslaagd, moet bovendien :
1° hetzij ten minste tien jaar ononderbroken werkzaam zijn geweest aan de balie;
2° hetzij ten minste vijf jaar (een ambt van magistraat van het openbaar ministerie of van rechter of) een ambt van staatsraad, auditeur, adjunct-auditeur, (referendaris bij het Hof van Cassatie,) referendaris, adjunct-referendaris bij de Raad van State of een ambt van referendaris bij het Arbitragehof (of een ambt van referendaris of parketjurist bij de hoven van beroep en bij de rechtbanken van eerste aanleg) hebben uitgeoefend; <W 1997-05-06/38, art. 5, 052; Inwerkingtreding : 05-07-1997> <W 1999-03-24/31, art. 3, 070; Inwerkingtreding : 17-04-1999> <W 2003-05-03/45, art. 10, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
3° hetzij ten minste twaalf jaar werkzaam zijn geweest aan de balie, het ambt (...) van notaris hebben vervuld of een academische of een rechtswetenschappelijke functie hebben bekleed, of (juridische functies hebben uitgeoefend in een openbare of private dienst). <W 1998-12-22/47, art. 26, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> <W 2003-05-03/45, art. 10, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
In voorkomend geval wordt de duur van het ambt bedoeld in het 2° in aanmerking genomen voor de berekening van de periode van twaalf jaar voorgeschreven in het 3°.
(§ 2bis. Bij de bekendmaking van een vacature in de rechtbank van eerste aanleg kan de minister van Justitie bepalen dat het vacante ambt bij voorrang zal worden toegewezen aan een kandidaat die titels of verdiensten voorlegt waaruit een gespecialiseerde kennis blijkt. Deze titels en verdiensten worden onderzocht door de benoemings- en aanwijzingscommissie bedoeld in artikel 259bis-8.) <W 1999-03-23/30, art. 3, Inwerkingtreding : 06-04-1999>
(§ 2ter. Voor de kandidaat-rechter in een fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg die houder is van een diploma waaruit een gespecialiseerde opleiding in het fiscaal recht blijkt, afgegeven door een Belgische universiteit of door een niet-universitaire instelling van hoger onderwijs zoals bedoeld in artikel 357, § 1, tweede lid, wordt de duur bedoeld in § 2, eerste lid, 3°, verminderd tot tien jaar.) <W 2003-05-03/45, art. 10, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
§ 3. Voor de kandidaat-rechter in de arbeidsrechtbank die houder is van een diploma van licentiaat in het sociaal recht uitgereikt door een Belgische universiteit, wordt de duur bedoeld in § 2, 3°, verminderd tot tien jaar.
§ 4. Voor de kandidaat die de kennis van de andere taal dan die waarin hij de examens in het doctoraat of het licenciaat in de rechten heeft afgelegd, bewijst door voorlegging van het getuigschrift afgegeven door de examencommissie ingesteld bij artikel 43quinquies van de wet van 15 juni 1935, wordt de duur bedoeld in § 2, 1°, 2° en 3° verminderd met een jaar.
Art. 191. <W 2003-12-22/53, art. 6, 116; Inwerkingtreding : 10-01-2004> Om tot rechter of toegevoegd rechter als bedoeld in artikel 190 te worden benoemd, moet het lid van het openbaar ministerie dat de bij artikel 259octies, § 3, voorgeschreven stage heeft doorgemaakt, ten minste vijf jaar het ambt van magistraat van het openbaar ministerie hebben vervuld.
Art. 191bis. <W 2001-06-15/34, art. 3, 093; Inwerkingtreding : onbepaald> <NOTA : Bij arrest nr 14/2003 van 28-01-2003, (B.S. 10-02-2003, p.6596), heeft het Arbitragehof artikel 3 van de W 2001-06-15/34 vernietigd; Opheffing : 28-01-2003> § 1. Eenieder die ten minste de laatste twintig jaar ononderbroken als voornaamste beroepsactiviteit het beroep van advocaat heeft uitgeoefend of ten minste vijftien jaar deze activiteit als voornaamste beroepsactiviteit heeft uitgeoefend en vervolgens gedurende vijf jaar een functie heeft uitgeoefend die een gedegen kennis van het recht vereist, wordt vrijgesteld van het in artikel 259bis-9, § 1, bepaalde examen inzake beroepsbekwaamheid met het oog op een benoeming als bedoeld in artikel 190, mits aan de in § 2 vermelde voorwaarden is voldaan.
§ 2. Het verzoek daartoe wordt bij een ter post aangetekende brief gericht aan de bevoegde benoemings- en aanwijzingscommissie, naar gelang van de taal van het diploma van doctor of licentiaat in de rechten.
Dit schrijven moet vergezeld zijn van de nodige stavingsstukken waaruit blijkt dat de voorwaarden vermeld in § 1 zijn vervuld.
Binnen veertig dagen na de ontvangst van het verzoek beslist de benoemings- en aanwijzingscommissie met een meerderheid van drie vierde van de stemmen over de ontvankelijkheid ervan.
Verklaart de benoemings- en aanwijzingscommissie het verzoek onontvankelijk, dan wordt de verzoeker hiervan bij een ter post aangetekende brief in kennis gesteld.
Verklaart de benoemings- en aanwijzingscommissie het verzoek ontvankelijk, dan wordt de verzoeker bij een ter post aangetekende brief opgeroepen voor een evaluatie-examen.
De verzoeker ten aanzien van wie de bevoegde benoemings- en aanwijzingscommissie met een meerderheid van drie vierde van de stemmen heeft geoordeeld dat hij geslaagd is voor het mondelinge evaluatie-examen, wordt gemachtigd om zich kandidaat te stellen voor een benoeming bedoeld in artikel 190.
§ 3. De door de benoemings- en aanwijzingscommissie afgegeven machtiging is geldig gedurende drie jaar, te rekenen vanaf de datum van de afgifte van de machtiging.
Indien de kandidaat niet geslaagd is voor het mondelinge evaluatie-examen, wordt de verzoeker daarvan bij een gemotiveerde en ter post aangetekende brief in kennis gesteld. In dit geval mag de betrokkene op zijn vroegst drie jaar na die kennisgeving een nieuw verzoek indienen.
Art. 192. <W 1991-07-18/35, art. 8, 023; Inwerkingtreding : 28-03-1992> Om tot plaatsvervangend rechter te worden benoemd, moet de kandidaat doctor of licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar werkzaam zijn geweest aan de balie, een gerechtelijk ambt of het notarisambt hebben vervuld, of een ambt van staatsraad, auditeur, adjunct-auditeur, (referendaris bij het Hof van Cassatie,) referendaris, adjunct-referendaris bij de Raad van van State of een ambt van referendaris bij het Arbitragehof (of een ambt van referendaris of parketjurist bij de hoven van beroep en bij de rechtbanken van eerste aanleg) hebben uitgeoefend of een academische of rechtswetenschappelijke functie hebben bekleed. <W 1997-05-06/38, art. 5, 052; Inwerkingtreding : 05-07-1997> <W 1999-03-24/31, art. 3, 070; Inwerkingtreding : 17-04-1999>
Art. 193. <W 1998-12-22/47, art. 28, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. Om tot procureur des Konings of tot arbeidsauditeur te worden aangewezen, moet de kandidaat :
1° hetzij sedert ten minste vijftien jaar juridische functies uitoefenen, waarvan de laatste vijf jaar als lid van de zittende magistratuur of magistraat van het openbaar ministerie;
2° hetzij de bij artikel 259octies voorgeschreven gerechtelijke stage hebben doorgemaakt en sedert ten minste zeven jaar het ambt van lid van de zittende magistratuur of magistraat van het openbaar ministerie uitoefenen.
§ 2. Om tot eerste substituut-procureur des Konings of eerste substituut-arbeidsauditeur te worden aangewezen moet de kandidaat sedert ten minste drie jaar het ambt van substituut-procureur des Konings of substituut-arbeidsauditeur bij hetzelfde rechtscollege uitoefenen.
Art. 194. <W 1991-07-18/35, art. 10, 023; Inwerkingtreding : 1993-10-01> (§ 1. Om tot substituut-procureur des Konings, toegevoegd substituut-procureur des Konings, substituut-arbeidsauditeur of toegevoegd substituut-arbeidsauditeur te worden benoemd moet de kandidaat doctor of licentiaat in de rechten zijn en voor het bij artikel 259bis-9, § 1, voorgeschreven examen inzake beroepsbekwaamheid geslaagd zijn of de bij artikel 259octies voorgeschreven gerechtelijke stage hebben doorgemaakt.) <W 1998-12-22/47, art. 29, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
§ 2. De kandidaat die voor het examen inzake beroepsbekwaamheid is geslaagd, moet bovendien :
1° hetzij ten minste (vijf) jaar werkzaam zijn geweest aan de balie, een gerechtelijk ambt of het notarisambt hebben vervuld, of een academische of een rechtswetenschappelijke functie hebben bekleed of (juridische functies hebben uitgeoefend in een openbare of private dienst; <W 1994-12-01/30, art. 3, 033; Inwerkingtreding : 1994-12-16> <W 1998-12-22/47, art. 29, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
2° hetzij ten minste (vier) jaar een ambt van staatsraad, auditeur, adjunct-auditeur, (referendaris bij het Hof van Cassatie,) referendaris, adjunct-referendaris bij de Raad van State of een ambt van referendaris bij het Arbitragehof (of een ambt van referendaris of parketjurist bij de hoven van beroep en bij de rechtbanken van eerste aanleg) hebben uitgeoefend. <W 1997-05-06/38, art. 5, 052; Inwerkingtreding : 05-07-1997> <W 1999-03-24/31, art. 3, 070; Inwerkingtreding : 17-04-1999>
In voorkomend geval wordt de duur van het ambt bedoeld in het 2° in aanmerking genomen voor de berekening van de periode van (vijf) jaar voorgeschreven in het 1°. <W 1994-12-01/30, art. 4, 033; Inwerkingtreding : 1994-12-16>
§ 3. Voor de kandidaat-substituut-arbeidsauditeur die houder is van een diploma van licentiaat in het sociaal recht uitgereikt door een Belgische universiteit, wordt de duur bedoeld in § 2, 1°, verminderd tot (vier) jaar. <W 1994-12-01/30, art. 5, 033; Inwerkingtreding : 1994-12-16>
§ 4. (Onverminderd de voorwaarden gesteld in § 1 wordt het ambt van de substituut-procureur des Konings, gespecialiseerd in fiscale zaken toegewezen aan een kandidaat die titels of verdiensten voorlegt waaruit deze gespecialiseerde kennis blijkt. Deze titels en verdiensten worden onderzocht door de benoemings- en aanwijzingscommissie bedoeld in artikel 259bis-8.) <W 2001-06-15/34, art. 4, 092; Inwerkingtreding : 21-07-2001>
Voor de kandidaten die aan de voorwaarden gesteld in het voorgaande lid voldoen, wordt de duur bedoeld in § 2, 1°, verminderd tot (vier) jaar. <W 1994-12-01/30, art. 6, 033; Inwerkingtreding : 1994-12-16>
§ 5. Voor de kandidaat die de kennis van de andere taal dan die waarin hij de examens in het doctoraat of het licentiaat in de rechten heeft afgelegd, bewijst door voorlegging van het getuigschrift afgegeven door de examencommissie ingesteld bij artikel 43quinquies van de wet van 15 juni 1935, wordt de duur bedoeld in § 2, 1° en 2°, verminderd met een jaar.
Afdeling II. - Leden van de rechtbank van eerste aanleg.
Art. 195. (Alle werkende rechters in de rechtbank van eerste aanleg die gedurende ten minste drie jaar het ambt van rechter of van magistraat van het openbaar ministerie hebben uitgeoefend, kunnen als enige rechter zitting houden.
Na het schriftelijk en met redenen omklede advies van de procureur des Konings en van de stafhouder van de Orde van advocaten te hebben gevraagd, kunnen evenwel alle werkende rechters in de rechtbank van eerste aanleg, ongeacht hun anciënniteit, als enige rechter zitting houden, wanneer de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg de noodzaak daarvan aantoont.) (W 1997-01-21/39, art. 2, 043; Inwerkingtreding : 1997-03-25>
De aangewezen magistraten kunnen ook in de andere kamers van de rechtbank van eerste aanleg zitting nemen naar de rang van hun installatie.
Art. 196. <W 1998-12-22/47, art. 30, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> In de rechtbank van eerste aanleg te Brussel worden elf titularissen van het mandaat van ondervoorzitter aangewezen door de Franse taalgroep van de algemene vergadering en negen titularissen door de Nederlandse taalgroep van de algemene vergadering als de voorzitter Franstalig is.
In de rechtbank van eerste aanleg te Brussel worden twaalf titularissen van het mandaat van ondervoorzitter aangewezen door de Franse taalgroep van de algemene vergadering en acht titularissen door de Nederlandse taalgroep van de algemene vergadering als de voorzitter Nederlandstalig is.
Wanneer in de rechtbank van eerste aanleg te Brussel de aanwijzing van een voorzitter leidt tot de wijziging in de verhouding van het aantal adjunct-mandaten per taalrol, blijft een titularis van een adjunct-mandaat in overtal tot aan de eerste nuttige vacature.
Afdeling III. - Leden van de arbeidsrechtbank.
Art. 197. Onverminderd de bepalingen betreffende de benoeming van de werkende en plaatsvervangende rechters in sociale zaken worden de leden van de arbeidsrechtbank en van het arbeidsauditoraat (, al naar gelang, door de Koning benoemdof aangewezen) op de gezamenlijke voordracht van de ministers die de Arbeid en de Justitie in hun bevoegdheid hebben. <W 1998-12-22/47, art. 31, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
Art. 198. Werkende en plaatsvervangende rechters in sociale zaken worden benoemd door de Koning op voordracht van de minister die de Arbeid in zijn bevoegdheid heeft.
De werkende en plaatsvervangende rechters in sociale zaken, die zijn voorgedragen door organisaties van zelfstandigen, worden evenwel benoemd door de Koning op de voordracht van de minister die de Middenstand in zijn bevoegdheid heeft.
Art. 199. Ter voorziening in de vacature van de plaatsen die bezet worden door rechters in sociale zaken benoemd als werkgever, als werknemer-arbeider, als werknemer-bediende of als zelfstandige, worden de kandidaten respectievelijk voorgedragen door de representatieve organisaties van werkgevers, werknemers-arbeiders, werknemers-bedienden en zelfstandigen.
De wijze van voordracht van de kandidaten wordt geregeld door de Koning.
Art. 200. Wanneer openstaande plaatsen van werkend of plaatsvervangend rechter in sociale zaken niet tijdig zijn kunnen begeven worden en wanneer de voorzitter van de arbeidsrechtbank vaststelt dat die vertraging de normale loop van het gerecht in het gedrang brengt, dan deelt hij dit mee aan de eerste voorzitter van het arbeidshof die, na het advies van de procureur-generaal te hebben ingewonnen, onder de werkende of plaatsvervangende rechters in sociale zaken die respectievelijk door de representatieve organisaties van werkgevers, van werknemers en van zelfstandigen werden voorgedragen, diegenen aanwijst die voorlopig de openstaande plaatsen zullen bezetten. Die aanwijzing gebeurt zonder inachtneming van de bijzondere samenstelling van de kamers, bedoeld in artikel 81.
Art. 201. De representatieve organisaties van werkgevers, werknemers en zelfstandigen doen hun voordrachten toekomen binnen de kortst mogelijke tijd en ten laatste binnen drie maanden na het verzoek dat de minister tot hen richt, bij gebreke waarvan de benoemingen ambtshalve gebeuren.
Art. 202. Om benoemd te worden tot werkend of plaatsvervangend rechter in sociale zaken, moet men volle vijfentwintig jaar oud zijn.
De benoeming heeft plaats voor vijf jaar en kan na iedere termijn voor vijf jaar verlengd worden.) <W 06-05-1982, art. 1>
(Lid 3 opgeheven) <W 2003-12-22/53, art. 8, 116; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
(De functies van de rechters en raadsheren in sociale zaken, die worden uitgeoefend op het moment van de inwerkingtreding van deze wet, worden met 2 jaar verlengd.) <W 22-10-1982, art. 1>
De rechter in sociale zaken die wordt benoemd als plaatsvervanger voor een ontslagnemende of overleden rechter in sociale zaken wordt benoemd voor de tijd die het ambt van zijn voorganger nog moest lopen.
Afdeling IV. - Leden van de rechtbank van koophandel.
Art. 203. Werkende en plaatsvervangende rechters in handelszaken worden door de Koning benoemd op de gezamenlijke voordracht van de ministers die Justitie, Economische Zaken en Middenstand in hun bevoegdheid hebben.
De kandidaten voor die ambten kunnen zichzelf aanmelden of worden voorgedragen door representatieve professionele of interprofessionele organisaties uit de handel of de nijverheid (, overeenkomstig artikel 287, eerste lid). <W 1998-12-22/47, art. 32, 066; Inwerkingtreding : 01-03-1999>
Art. 204. (De werkende of plaatsvervangende rechters in handelszaken worden benoemd voor vijf jaar. Hun benoeming kan na iedere termijn voor vijf jaar vernieuwd worden.) <W 06-05-1982, art. 1>
(Lid 2 opgeheven) <W 2003-12-22/53, art. 9, 116; ED : 10-01-2004>
(De functies van de rechters in handelszaken, die worden uitgeoefend op het moment van de inwerkingtreding van deze wet, worden met twee jaar verlengd.) <W 22-10-1982, art. 1>
De rechters in handelszaken die worden benoemd als plaatsvervanger voor ontslagnemende of overleden rechters in handelszaken, worden benoemd voor de tijd die het ambt van hun voorganger nog moest lopen.
Art. 205. (Om tot werkend of plaatsvervangend rechter in handelszaken te worden benoemd, moet men volle dertig jaar oud zijn, ten minste vijf jaar met ere handel hebben gedreven, deelgenomen hebben aan het bestuur van een handelsvennootschap waarvan de hoofdvestiging zich in België bevindt of van een representatieve professionele of interprofessionele organisatie uit de handel of de nijverheid, of vertrouwd zijn met het bestuur van een onderneming en met boekhouden.) <W 1997-07-17/65, art. 50, 055; ED : 01-01-1998>
Aan (het bestuur) van een handelsvennootschap worden geacht deel te nemen: <W 1997-07-17/65, art. 50, 055; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
1° indien het een vennootschap (onder firma) betreft: de vennoten: <W 1997-07-17/65, art. 50, 055; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
2° indien het een commanditaire vennootschap betreft: de werkende vennoten;
3° indien het een naamloze vennootschap, een ((besloten vennootschap) met beperkte aansprakelijkheid) of een cooperatieve vennootschap betreft: (de bestuurders) of de zaakvoerders; <W 1985-07-15/35, art. 1, 006> <W 1997-07-17/65, art. 50, 055; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
4° de personeelsleden van dergelijke vennootschappen die in de onderneming een leidinggevend ambt uitoefenen.
Worden geacht deel te hebben genomen aan het bestuur van een professionele of interprofessionele organisatie: de bestuurders of de zaakvoerders en iedere persoon die in de bedoelde organisatie bestendig een leidende functie waarneemt.
(Voor de toepassing van dit artikel worden mee name geacht vertrouwd te zijn met het bestuur van een onderneming en met boekhouden :
1° de bedrijfsrevisoren ingeschreven op de lijst van het Instituut der Bedrijfsrevisoren;
2° de accountants ingeschreven op de lijst van het Instituut der Accountants.) <W 1997-07-17/65, art. 50, 055; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
Afdeling V. - Bepaling geldend voor de afdelingen III en IV.
Art. 206. Om tot werkend of plaatsvervangend rechter in sociale zaken of in handelszaken te worden benoemd in rechtbanken welke enkel kennis nemen van Nederlandstalige zaken, moet men in het bezit zijn van een studiegetuigschrift of diploma van Nederlands onderwijs.
Om tot werkend of plaatsvervangend rechter in sociale zaken of in handelszaken te worden benoemd in rechtbanken welke enkel kennis nemen van Franstalige zaken, moet men in het bezit zijn van een studiegetuigschrift of diploma van Frans onderwijs.
Om tot werkend of plaatsvervangend rechter in sociale zaken of in handelszaken te worden benoemd in rechtbanken welke zowel van Nederlandstalige als Franstalige zaken kennis nemen, moet men in het bezit zijn van een studiegetuigschrift of diploma van Nederlands of Frans onderwijs. De rechter mag slechts zitting houden in zaken van dezelfde taal als het getuigschrift of diploma dat hij bezit.
(Om tot werkend of plaatsvervangend rechter in sociale zaken of in handelszaken te worden benoemd in rechtbanken die zowel van franstalige als duitstalige zaken kennis nemen, moet men in het bezit zijn van een studiegetuigschrift of diploma van Frans of Duits onderwijs. De rechter mag slechts zitting houden in zaken van dezelfde taal als het getuigschrift of diploma dat hij bezit. Hij mag echter zitting houden in zaken van een andere taal dan die van het studiegetuigschrift of diploma dat hij bezit, op voorwaarde dat hij geslaagd is voor een mondeling examen over de kennis van de andere taal en voor een schriftelijk examen over de passieve kennis ervan; beide examens worden door de Koning ingericht.
De examencommissies waarvoor de in het vierde lid bedoelde examens worden afgelegd, bestaan uit een onder de werkende leden van het Hof van Beroep, het Arbeidshof, het parket-generaal of het auditoraat-generaal te Luik gekozen voorzitter en uit twee werkende magistraten, die allen het bewijs hebben geleverd van de kennis van de taal waarvoor het examen georganiseerd is, alsmede uit twee taalprofessoren van het universitair onderwijs.
Het besluit van benoeming bepaalt, overeenkomstig de in het derde en het vierde lid gestelde regels, het taalstelsel van betrokkene.) <W 1987-05-15/30, art. 1, 011; Inwerkingtreding : 21-06-1987>
HOOFDSTUK IIbis. <Ingevoegd bij W 1999-03-24/31, art. 4; Inwerkingtreding : 17-04-1999> - Referendarissen en parketjuristen bij de hoven van beroep en bij de rechtbanken van eerste aanleg.
Art. 206bis. <Ingevoegd bij W 1999-03-24/31, art. 4; Inwerkingtreding : 17-04-1999> Om tot referendaris of parketjurist bij de hoven van beroep en bij de rechtbanken van eerste aanleg te worden benoemd moet men doctor of licentiaat in de rechten zijn.
De kandidaten worden met het oog op hun benoeming gerangschikt op grond van een vergelijkend examen georganiseerd door de benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie.
Artikel 285bis van dit Wetboek is van overeenkomstige toepassing op het in het vorige lid bepaalde examen.
Art. 206ter. <Ingevoegd bij W 1999-03-24/31, art. 4; Inwerkingtreding : 17-04-1999> De referendarissen en de parketjuristen worden door de Koning benoemd. Zij worden benoemd per rechtsgebied van een hof van beroep. Zij worden door de minister van Justitie aangewezen om hun ambt volgens de behoeften van de dienst uit te oefenen in het hof van beroep, in een rechtbank van eerste aanleg of op een parket van de procureur des Konings gelegen binnen dit rechtsgebied. Een specifieke opdracht wordt hun toegewezen, al naargelang van het geval, door de eerste voorzitter van het hof van beroep of de voorzitter van de rechtbank, (...) of door de procureur des Konings. <W 2003-12-22/53, art. 5, 116; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
De benoeming wordt pas definitief na een jaar ambtsvervulling tenzij de Koning anders beslist, uitsluitend op voorstel van, al naar het geval, de eerste voorzitter van het hof van beroep of de procureur-generaal bij het hof van beroep en na voorafgaand advies van de korpschef van de rechtbank of het parket waaraan zij zijn toegewezen.
Het door de Koning vastgestelde statuut is van toepassing op de voorlopig benoemde referendarissen en parketjuristen.
De referendarissen en de parketjuristen staan onder het gezag en het toezicht van de korpschef van het hof, de rechtbank of het parket waaraan zij zijn toegewezen.
De bepalingen van de artikelen 259nonies en 259decies van hoofdstuk Vquinquies van deel II, boek I, titel VI, van dit Wetboek zijn van toepassing op de referendarissen en parketjuristen bij de hoven van beroep en bij de rechtbanken van eerste aanleg.
HOOFDSTUK III. - Leden van het hof van beroep en van het arbeidshof en magistraten van het openbaar ministerie.
Eerste afdeling. - Algemene bepalingen.
Art. 207. <W 1998-12-22/47, art. 33, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. Om tot eerste voorzitter van het hof van beroep of van het arbeidshof te worden aangewezen, moet de kandidaat sedert ten minste vijftien jaar juridische functies uitoefenen, waarvan de laatste zeven jaar als lid van de zittende magistratuur of magistraat van het openbaar ministerie.
§ 2. Om tot kamervoorzitter in het hof van beroep of in het arbeidshof te worden aangewezen, moet de kandidaat sedert ten minste drie jaar het ambt van raadsheer in hetzelfde hof uitoefenen.
§ 3. Om tot raadsheer in het hof van beroep of in het arbeidshof te worden benoemd moet de kandidaat doctor of licentiaat in de rechten zijn en :
1° hetzij sedert ten minste vijftien jaar juridische functies uitoefenen, waarvan de laatste vijf jaar als lid van de zittende magistratuur of magistraat van het openbaar ministerie;
2° (hetzij voor het bij artikel 259bis-9, § 1, voorgeschreven examen inzake beroepsbekwaamheid geslaagd zijn en sedert ten minste vijftien jaar ononderbroken werkzaam zijn als advocaat of een gecumuleerde ervaring van minstens vijftien jaar hebben als advocaat en als lid van de zittende magistratuur of magistraat van het openbaar ministerie;) <W 2003-05-03/45, art. 12, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
3° hetzij de bij artikel 259octies voorgeschreven gerechtelijke stage hebben doorgemaakt en sedert ten minste zeven jaar het ambt van lid van de zittende magistratuur of van het openbaar ministerie uitoefenen.
Art. 207bis. <ingevoegd bij W 1997-07-09/36, art. 10, Inwerkingtreding : 13-08-1997> § 1. Om tot plaatsvervangend raadsheer in het hof van beroep te kunnen worden benoemd, moet de kandidaat doctor of licentiaat in de rechten zijn en op het ogenblik van de benoeming aan een van de volgende voorwaarden voldoen :
1° ten minste twintig jaar werkzaam zijn geweest aan de balie;
2° sedert ten minste tien jaar plaatsvervangend rechter zijn bij een rechtbank van eerste aanleg, een arbeidsrechtbank, een rechtbank van koophandel, een vredegerecht of een politierechtbank;
3° in rust gesteld magistraat zijn, met uitzondering van de in § 2 bedoelde leden van de hoven van beroep;
4° hoogleraar zijn die gedurende ten minste twintig jaar het recht aan een rechtsfaculteit onderwezen heeft;
5° gedurende ten minste twintig jaar de werkzaamheden bedoeld in het 1° en het 4° gecumuleerd of opeenvolgend uitgeoefend hebben.
§ 2. De in rust gestelde leden van de hoven van beroep worden op hun verzoek door de eerste voorzitters van de hoven van beroep aangewezen om het ambt van plaatsvervangend raadsheer uit te oefenen, onverminderd de uitzonderingen bepaald in artikel 383, § 3.
§ 3. (opgeheven) <W 1998-12-22/47, art. 34, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
Art. 208. <W 1998-12-22/47, art. 35, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> (Om tot procureur-generaal bij een hof van beroep te worden aangewezen, moet de kandidaat sedert ten minste vijftien jaar juridische functies uitoefenen, waarvan de laatste zeven jaar als magistraat van de zittende magistratuur of magistraat van het openbaar ministerie.
Om tot federaal procureur bij het federaal parket te worden aangewezen moet de kandidaat magistraat zijn van het openbaar ministerie. Daarenboven dient hij sedert ten minste vijftien jaar juridische functies uit te oefenen, waarvan de laatste zeven jaar als magistraat van de rechterlijke orde.) <W 2001-06-21/42, art. 13, 085; ED : 20-07-2001>
Art. 209. <W 1998-12-22/47, art. 36, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. Om tot eerste advocaat-generaal bij het hof van beroep of bij het arbeidshof te worden aangewezen, moet de kandidaat gedurende ten minste drie jaar de functie van advocaat-generaal respectievelijk bij hetzelfde hof van beroep of bij hetzelfde arbeidshof hebben uitgeoefend.
Om tot advocaat-generaal bij het hof van beroep of bij het arbeidshof te worden aangewezen, moet de kandidaat sedert ten minste drie jaar respectievelijk het ambt van substituut-procureur-generaal bij hetzelfde hof van beroep of substituut-generaal bij hetzelfde arbeidshof hebben uitgeoefend.
§ 2. Om tot substituut-procureur-generaal bij het hof van beroep of substituut-generaal bij het arbeidshof te worden benoemd moet de kandidaat voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 207, § 3.
Afdeling II. - Hof van beroep.
Art. 210. <W 1998-12-22/47, art. 37, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> De voorzitter en de raadsheren die alleen zitting houden in de gevallen bedoeld in artikel 109bis, § 1, 2° en 3°, en § 2, worden door de eerste voorzitter van het hof van beroep, op schriftelijk en met redenen omkleed advies van de procureur-generaal, gekozen uit de raadsheren die sedert ten minste drie jaar zijn benoemd en, bij gebreke daarvan, uit de raadsheren die sedert ten minste een jaar zijn benoemd.
De magistraten bedoeld in het vorige lid en de jeugdrechter in hoger beroep kunnen ook volgens hun rang zitting nemen in de andere kamers van het hof.
Art. 210bis. (opgeheven) <W 1998-12-22/47, art. 38, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
Art. 210ter. (opgeheven) <W 1998-12-22/47, art. 39, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
Art. 211. <W 1998-12-22/47, art. 39, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> Voor het hof van beroep te Brussel worden door elke taalgroep van de algemene vergadering evenveel kamervoorzitters aangewezen.
(Voor het hof van beroep te Brussel worden tweeëndertig raadsheren en zevenentwintig plaatsvervangende raadsheren voorgedragen door de Franstalige benoemingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie en dertig raadsheren en zevenentwintig plaatsvervangende raadsheren door de Nederlandstalige benoemingscommissie van dezelfde Raad.) <W 2004-12-14/34, art. 6, 122; Inwerkingtreding : 31-12-2004>
De voordracht van een openstaande plaats van raadsheer of plaatsvervangend raadsheer geschiedt door de benoemingscommissie die de magistraat heeft voorgedragen ten gevolge van wiens vertrek de plaats is opengevallen.
Art. 212. (opgeheven) <W 1998-12-22/47, art. 40, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
Art. 213. (opgeheven) <W 1998-12-22/47, art. 40, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
Art. 213bis. (opgeheven) <W 1998-12-22/47, art. 40, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
Art. 214. (opgeheven) <W 1998-12-22/47, art. 40, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
Afdeling III. - Arbeidshof.
Art. 215. <W 1998-12-22/47, art. 41, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> Onverminderd de bepalingen betreffende de benoeming van de werkende en de plaatsvervangende raadsheren in sociale zaken worden de eerste voorzitter, de kamervoorzitters, de raadsheren in het arbeidshof en de eerste advocaat-generaal, de advocaten-generaal en de substituten-generaal bij dit hof, al naar gelang, aangewezen of benoemd door de Koning op gezamenlijke voordracht van de ministers tot wier bevoegdheid Arbeid en Justitie behoort.
Art. 216. De werkende en de plaatsvervangende raadsheren in sociale zaken worden benoemd door de Koning, op voordracht van de minister die de Arbeid in zijn bevoegdheid heeft.
De werkende en plaatsvervangende raadsheren in sociale zaken die voorgedragen zijn door de organisaties van zelfstandigen, worden evenwel benoemd door de Koning op de voordracht van de minister die de Middenstand in zijn bevoegdheid heeft.
De artikelen 199, 200, 201, 202 en 206 zijn van toepassing op de werkende en de plaatsvervangende raadsheren in sociale zaken.
In afwijking van artikel 202, moeten de kandidaten evenwel volle dertig jaar oud zijn.
HOOFDSTUK IIIbis. - Bepaling gemeen aan de hoofdstukken I tot III. <Ingevoegd bij W 2003-05-03/45, art. 13; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
Art. 216bis. <Ingevoegd bij W 2003-05-03/45, art. 13; Inwerkingtreding : 02-06-2003> Een kandidaat die benoemd wordt tot een ambt bedoeld in artikel 58bis, 1°, kan zich in de loop van de drie jaar die volgen op de bekendmaking van het benoemingsbesluit in het Belgisch Staatsblad, geen kandidaat stellen voor een benoeming tot een ander ambt bedoeld in artikel 58bis, 1°, of voor hetzelfde ambt in of bij een ander rechtscollege.
Deze bepaling is niet van toepassing op plaatsvervangende magistraten. (Zij is evenmin van toepassing op de toegevoegde rechter, op de toegevoegde substituut-procureur des Konings en de toegevoegde substituut-arbeidsauditeur die slaagde in een taalexamen bepaald in de wet van 15 juni 1935 over het gebruik der talen in rechtszaken, en die zich kandidaat stelt voor een nieuwe functie in het rechtscollege waar hij zijn bevoegdheden uitoefent.) <W 2003-12-22/53, art. 10, 116; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
HOOFDSTUK IV. _ Juryleden.
Eerste afdeling. _ Opmaken van de lijsten van gezworenen.
Art. 217. Om op de lijst van gezworenen te worden ingeschreven, moet men:
(ingeschreven zijn in het kiezersregisters;) <W 05-01-1983, art. 1>
de burgerlijke en politieke rechten genieten;
volle dertig jaar en minder dan zestig jaar oud zijn;
kunnen lezen en schrijven.
Eerste onderafdeling. - Gemeentelijke lijst.
Art. 218. <W 05-01-1983, art. 2> Om de vier jaar, in de loop van de maand januari, worden de gezworenen bij loting aangewezen uit de laatste lijst van in het kiezersregister ingeschreven personen, opgemaakt overeenkomstig artikel 14, eerste lid, van het kieswetboek.
<NOTA : Volgens de wet van 20-11-1989 (B.St. 29-11-1989, p. 19507), "in afwijking van artikel 218 ... kunnen in het jaar 1989 de gezworenen bij loting worden aangewezen uit de lijst van de Belgische kiezers die ingeschreven zijn in het bevolkingsregister van een Belgische gemeente, welke lijst door het college van burgemeester en schepenen moet worden opgemaakt met het oog op de Europese verkiezingen van 18 juni 1989.">
Art. 219. De loting heeft in het openbaar plaats op het gemeentehuis, op de datum en het uur die bij aanplakking worden bekendgemaakt.
Art. 220. De burgemeester, _ bijgestaan door twee schepenen, laat tweemaal door het lot een cijfer van 1 tot 0 aanwijzen. Het eerst getrokken cijfer stelt de eenheden voor, het tweede de tientallen. De personen wier rangnummer op de lijst van de parlementskiezers, van de gemeente of van iedere wijk van de gemeente, eindigt op het aldus gevormde getal, worden op de voorbereidende lijst van gezworenen ingeschreven.
Art. 221. De minister van Justitie bepaalt alle andere omstandigheden van die loting en inzonderheid in hoeveel malen die loting in iedere provincie moet plaatshebben opdat het nodige aantal gezworenen zou bekomen zijn.
Art. 222. Onmiddellijk na de loting laat de burgemeester uit de voorbereidende lijst van gezworenen de namen weg van de personen die geen volle dertig jaar oud zijn of die op één januari daarvoor zestig jaar geworden zijn.
Art. 223. De burgemeester is ertoe gehouden een onderzoek in te stellen bij iedere kiezer die op de voorbereidende lijst is ingeschreven gebleven, ten einde te bepalen :
1° of hij kan lezen en schrijven;

a) in de provincies Antwerpen, West-Vlaanderen, Oost-Vlaanderen, Limburg en (Vlaams-Brabant), of hij ertoe in staat is de debatten van het hof van assisen in het Nederlands te volgen; <W 1993-07-16/31, art. 362, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
b) in de provincies Henegouwen, Luik, Luxemburg, Namen en (Waals-Brabant), of hij ertoe in staat is de debatten van het hof van assisen in het Frans te volgen; <W 1993-07-16/31, art. 362, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
c) (in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad), of hij ertoe in staat is de debatten van het hof van assisen in het Nederlands, in het Frans of in de twee talen te volgen; in dit laatste geval kan de kiezer aangeven welke taal hij verkiest; <W 1993-07-16/31, art. 362, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
d) (in de gerechtelijke arrondissementen Verviers en Eupen, of hij ertoe in staat is de debatten van het Hof van assisen in het Frans, in het Duits of in beide talen te volgen; in dit laatste geval kan de kiezer aangeven welke taal hij verkiest); <W 1985-09-23/33, art. 42, 008>
3° of hij werkelijk een beroep uitoefent en hetwelk;
4° of hij, al dan niet als hoofdbetrekking, een openbaar ambt bekleedt en hetwelk;
5° of hij bedienaar is van een eredienst;
6° of hij militair is in actieve dienst;
7° of hij in het bezit is van een diploma afgeleverd door een universiteit of door een gelijkgestelde instelling, van een gehomologeerd getuigschrift van middelbaar onderwijs van de hogere graad, van een diploma of getuigschrift van technisch onderwijs afgeleverd door een technische onderwijsinrichting van het Rijk, door een erkende technische onderwijsinrichting of door een examencommissie ingesteld krachtens de wet tot inrichting van het technisch onderwijs, van een diploma van onderwijzer of van onderwijzeres of van een diploma van geaggregeerde van het middelbaar onderwijs van de lagere graad;
8° of hij gewezen lid is van de Wetgevende Kamers, van de provincieraden of van de gemeenteraden;
9° of hij lid of gewezen lid is van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, de Nationale Arbeidsraad, de Hoge Raad voor de Landbouw, de paritaire comités, de beroepsraden, de provinciale landbouwkamers, de Hoge Raad voor de Middenstand, de Nationale Raad voor Ambachten en Neringen, de Nationale Raad der interprofessionele federaties of van enige andere raad van advies ingesteld krachtens een wet of een koninklijk besluit;
10° of er voor hem enig beletsel bestaat waardoor het hem onmogelijk is het ambt van gezworene te vervullen.
Die kiezers dienen nauwkeurig een formulier in te vullen waarvan de minister van Justitie het model vaststelt.
Art. 224. Op grond van de inlichtingen ingewonnen door middel van het onderzoek bedoeld in artikel 223, laat de burgemeester uit de voorbereidende lijst van gezworenen weg :
1° de personen die niet kunnen lezen of schrijven;
2° de personen die de taal niet kennen die gebruikt wordt in de rechtspleging ter zitting van het hof van assisen bij hetwelk zij zouden opgeroepen worden om het ambt van gezworene te vervullen;
3° (de leden van de Senaat, van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, de Belgische vertegenwoordigers in het Europese Parlement, de leden van de Raad van de Duitse Cultuurgemeenschap, van de provincieraden, van de gemeenteraden, van de agglomeratieraden en van de raden van de federaties van de gemeenten, van de leden van de Franse en de Nederlandse Commissies voor de Cultuur van de Brusselse agglomeratie, de leden van de Regering en de burgemeesters.) <W 05-01-1983, art. 3>
4° de werkende magistraten van de rechterlijke orde, de raadsheren- en de rechters-assessoren in handelszaken en in sociale zaken en de griffiers;
5° de leden van de Raad van State, de assessoren van de afdeling wetgeving, de leden van het auditoraat, van het coördinatiebureau en van de griffie;
de leden van het Rekenhof;
de provinciegouverneurs, de arrondissementscommissarissen en de provinciale griffiers;
de ambtenaren-generaal en de bestuursdirecteurs bij een ministerieel departement;
6° de bedienaars van een eredienst;
7° de militairen in actieve dienst.
Art. 225. Na de weglating wordt de gemeentelijke lijst van gezworenen definitief door de burgemeester afgesloten. Hij is ertoe gehouden er de in aanmerking genomen kiezers in alfabetische orde en volgens een gemeentelijk rangnummer in op te schrijven, zelfs indien er niet is geantwoord bij het onderzoek bedoeld in artikel 223, of er onvolledig of onjuist is geantwoord.
Art. 226. (In het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad) maakt de burgemeester twee lijsten op : <W 1993-07-16/31, art. 363, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
De ene omvat de namen van de personen die, volgens hun verklaringen naar aanleiding van het onderzoek, in het Nederlands de debatten kunnen volgen of die taal gekozen hebben.
De andere omvat de personen die, volgens hun verklaring naar aanleiding van het onderzoek, in het Frans de debatten kunnen volgen of die taal gekozen hebben.
((In de gerechtelijke arrondissementen Verviers en Eupen) maakt de burgemeester twee lijsten op : de ene omvat de namen van de personen die, volgens hun verklaringen naar aanleiding van het onderzoek de debatten in het Frans kunnen volgen of die taal gekozen hebben; de andere omvat de personen die volgens hun verklaringen naar aanleiding van het onderzoek de debatten in het Duits kunnen volgen of die taal gekozen hebben.) <W 24-03-1980, art. 9> <W 1985-09-23/33, art. 43, 008>
Art. 227. De gemeentelijke lijst van gezworenen wordt aan de bestendige deputatie (of de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, naargelang het geval) toegezonden vóór één mei, met de formulieren die bij toepassing van artikel 223 zijn ingezameld. <W 1993-07-16/31, art. 364, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
De minister van Justitie bepaalt de wijze waarop de lijsten worden opgemaakt en de gegevens die er moeten worden op ingeschreven.
Onderafdeling 2. _ Provinciale lijst.
Art. 228. De bestendige deputatie maakt de provinciale lijst van gezworenen op en zendt deze vóór 1 juni met dezelfde formulieren aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van de hoofdplaats van de provincie. Zij is ertoe gehouden er alle namen op in te schrijven die voorkomen op de gemeentelijke lijsten. Zij volgt de alfabetische orde, neemt alle gegevens over van de gemeentelijke lijsten en geeft aan elke naam een provinciaal rangnummer.
Art. 229. (De Brusselse Hoofdstedelijke Regering maakt twee lijsten van gezworenen op : de ene met de Nederlandstalige gemeentelijke lijsten, de andere met de Franstalige gemeentelijke lijsten.) <W 1993-07-16/31, art. 365, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
(De bestendige deputatie van de provincieraad van Luik maakt twee provinciale lijsten van gezworenen op: de ene met de Franstalige gemeentelijke lijsten van de arrondissementen Verviers en Eupen en de gemeentelijke lijsten van de overige arrondissementen; de andere met de Duitstalige gemeentelijke lijsten van de arrondissementen Verviers en Eupen). <W 1985-09-23/33, art. 44, 008>
Onderafdeling 3. _ Definitieve lijst.
Art. 230. De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg belast een van de oudstbenoemde rechters met het opmaken van de definitieve lijst van gezworenen. Hij kan een tweede rechter aanwijzen die de eerste bijstaat in alle verrichtingen. Deze geschieden in raadkamer, in aanwezigheid van het openbaar ministerie en nadat het gehoord is; de griffie maakt er proces-verbaal van op zoals in correctionele zaken. De rechter wint door tussenkomst van het openbaar ministerie de inlichtingen in die nodig zijn voor de toepassing van artikel 231.
Art. 231. De rechter laat uit de provinciale lijst de namen weg van de personen die:
a) bij vergissing ingeschreven zijn gebleven op de gemeentelijke lijst of die afwezig zijn in de zin van de artikelen 112 tot 119 van het Burgerlijk Wetboek;
b) die niet of onvolledig hebben geantwoord bij het onderzoek voorgeschreven bij artikel 223, wanneer er voor hen een beletsel bestaat om aanwezig te zijn op de zittingen van het hof van assisen;
c) wier oorzaken van verhindering, ingeroepen bij het in artikel 223 bedoelde onderzoek, hij aanneemt.
Art. 232. Nadat hij beslist heeft over de gevallen die in artikel 231 zijn vermeld, sluit de rechter de definitieve in alfabetische orde opgemaakte lijst van gezworenen af. Hij laat elke naam het rangnummer van de provinciale lijst behouden.
Hij laat er alle personen op ingeschreven staan wier namen hij niet uit de provinciale lijst heeft weggelaten, en die een van de diploma's of getuigschriften bezitten die zijn opgesomd in artikel 223, 7°, die een van de ambten hebben vervuld die zijn aangegeven in artikel 223, 8°, of die een van de in artikel 223, 9°, aangegeven ambten vervullen of hebben vervuld. Hij voegt er een gelijk aantal bij loting uit de provinciale lijst aangewezen personen aan toe, die deze voorwaarden niet vervullen.
Art. 233. De rechter voegt bij de definitieve lijst per gerechtelijk arrondissement een staat van de op die lijst ingeschreven personen die hun woonplaats hebben in de hoofdplaats of in een gemeente die er door voldoende verkeersmiddelen mede verbonden is. Die staat dient voor de uitloting van de toegevoegde gezworenen.
Art. 234. Tegen de inschrijving van een persoon op de definitieve lijst van gezworenen staat geen voorziening open; ze houdt het vermoeden in dat de gezworene er wettelijk toe in staat is het ambt van gezworene te vervullen in de provincie, gedurende de geldigheidsduur van de lijst.
Art. 235. De rechter zendt aan de procureur des Konings de namen van de personen die niet hebben geantwoord of onvolledig of onjuist hebben geantwoord bij de in de artikelen 223 en 230 bedoelde onderzoeken.
Art. 236. Vóór 1 november legt hij op de griffie van de rechtbank de definitieve lijst neer van de gezworenen en de staten van toegevoegde gezworenen, waaruit de gezworenen die geroepen worden om zitting te nemen vanaf 1 januari van het volgende jaar, zullen worden uitgeloot.
Onderafdeling 4. _ Bijzondere lijst voor iedere zaak..
Art. 237. Ten minste dertig dagen voor de datum die hij heeft bepaald voor de opening van de zitting, gelast de eerste voorzitter van het hof van beroep, de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van de hoofdplaats der provincie binnen tien dagen te doen overgaan tot de uitloting van de gezworenen die geroepen worden om mede te werken aan de samenstelling van de jury voor iedere zaak.
(De eerste voorzitter van het hof van beroep meldt, op advies van de procureur-generaal, voor iedere zaak, aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg het aantal namen die in de definitieve lijst van de gezworenen en in de staat van de toegevoegde gezworenen zullen worden opgenomen. Dit aantal mag niet lager zijn dan dertig.) <W 1993-07-15/30, art. 1, 029; Inwerkingtreding : 24-07-1993>
Art. 238. De loting geschiedt in openbare zitting in de kamer die de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg aanwijst en in aanwezigheid van het openbaar ministerie. (De voorzitter van die kamer neemt, voor iedere zaak, het aantal namen opgegeven overeenkomstig artikel 237 uit de definitieve lijst van gezworenen en hetzelfde aantal namen uit de staat van de toegevoegde gezworenen van het gerechtelijk arrondissement waar een zitting van het hof van assisen geopend wordt.) <W 1993-07-15/30, art. 2, 029; Inwerkingtreding : 24-07-1993>
( In voorkomend geval gelast de voorzitter van het hof van assisen ten minste vijftien dagen vóór de opening van de debatten, ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie, de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van de hoofdplaats der provincie binnen achtenveertig uur een bijkomend aantal namen te doen uitloten dat hij vaststelt in de definitieve lijst van gezworenen en de staat van de toegevoegde gezworenen.) <W 1993-07-15/30, art. 2, 029; Inwerkingtreding : 24-07-1993>
Art. 239. De loting wordt derwijze verricht dat een zelfde gezworene niet kan geroepen worden om zitting te nemen:
1° als toegevoegde gezworene indien zijn naam voorkomt onder de werkende gezworenen voor dezelfde zaak;
2° in meer dan een zaak gedurende dezelfde zitting;
3° tegelijkertijd bij twee verschillende hoven van assisen.
Art. 240. Binnen tien dagen na de loting wordt door het openbaar ministerie:
1° aan iedere gezworene overeenkomstig de artikelen 33 en 35 tot 40 van dit wetboek een dagvaarding betekend om zich aan te melden op de zetel van het hof van assisen op de dag die de eerste voorzitter van het hof van beroep voor de opening van de debatten heeft vastgesteld;
2° aan de procureur-generaal en aan de voorzitter van het hof van assisen de lijst van gezworenen toegezonden.
Art. 240bis. <ingevoegd bij W 2000-03-28/33, art. 3; Inwerkingtreding : 27-03-2001> Ten minste acht dagen vóór de opening van de debatten beslist de voorzitter van het hof van assisen, na kennisneming van de schriftelijke conclusies van de procureur-generaal, bij beschikking over de rechtzetting van de materiële fouten betreffende de identiteit van de gezworenen die voorkomen op de lijst van de gezworenen en op de lijst van de toegevoegde gezworenen.
Art. 241. Ten minste achtenveertig uren vóór de opening van de debatten wordt de lijst van gezworenen door toedoen van het openbaar ministerie aan iedere beschuldigde ter kennis gebracht en worden de stukken van het onderzoek bedoeld in artikel 223 betreffende de werkende en de toegevoegde gezworenen die geroepen zijn om zitting te nemen, bij het strafdossier gevoegd; zij blijven erin berusten totdat de rechtsprekende jury samengesteld is.
Afdeling II. _ Samenstelling van de rechtsprekende jury.
Art. 242. Vóór de opening van de debatten van iedere zaak, op de dag daartoe aangewezen, worden de gezworenen geroepen voor het hof van assisen in tegenwoordigheid van de procureur-generaal en van de beschuldigde bijgestaan door zijn raadsman.
Art. 243. Niettegenstaande het vermoeden van artikel 234, ontslaat het hof ambtshalve de personen die sedert hun inschrijving op de gemeentelijke lijst een van de hoedanigheden hebben verkregen bedoeld in artikel 224, 3° tot 7°.
Het doet uitspraak over de vragen om vrijstelling van de opgeroepen werkende en toegevoegde gezworenen.
Art. 244. De namen van de aanwezige niet vrijgestelde werkende gezworenen worden in een bus gelegd; die van de aanwezige niet vrijgestelde toegevoegde gezworenen in een andere.
Art. 245. Zijn er in de bus van de werkende gezworenen minder dan vierentwintig namen, dan wordt dit aantal aangevuld met namen van toegevoegde gezworenen die uit de tweede bus worden getrokken.
(Indien er bij toepassing van artikel 124 grond bestaat om een bepaald getal van plaatsvervangende gezworenen uit te loten, dan wordt het getal van vierentwintig namen opgevoerd tot zevenentwintig indien er één plaatsvervangende gezworene moet worden uitgeloot; het wordt opgevoerd tot achtentwintig indien er twee plaatsvervangende gezworenen moeten worden uitgeloot, tot eenendertig indien er drie plaatsvervangende gezworenen moeten worden uitgeloot, tot tweeëndertig indien er vier plaatsvervangende gezworenen moeten worden uitgeloot, tot vijfendertig indien er vijf plaatsvervangende gezworenen moeten worden uitgeloot, tot zesendertig indien er zes plaatsvervangende gezworenen moeten worden uitgeloot, tot negenendertig indien er zeven plaatsvervangende gezworenen moeten worden uitgeloot, tot veertig indien er acht plaatsvervangende gezworenen moeten worden uitgeloot, tot drieënveertig indien er negen plaatsvervangende gezworenen moeten worden uitgeloot, tot vierenveertig indien er tien plaatsvervangende gezworenen moeten worden uitgeloot, tot zevenenveertig indien er elf plaatsvervangende gezworenen moeten worden uitgeloot en tot achtenveertig indien twaalf plaatsvervangende gezworenen moeten worden uitgeloot.) <W 1987-11-13/30, art. 4, 013; Inwerkingtreding : 10-01-1988>
Art. 246. Zijn er niet voldoende gezworenen aanwezig om de getallen te bereiken die bepaald zijn in artikel 245, dan gelast de voorzitter van het hof van assisen de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van de hoofdplaats van de provincie, in de staat van de toegevoegde gezworenen van de zetel van het hof van assisen en overeenkomstig de artikelen 238 en 239, zoveel gezworenen te doen uitloten als hij bepaalt; deze worden onmiddellijk met alle nuttige middelen opgeroepen om te verschijnen op de dag die de voorzitter van het hof bepaalt. Met de aldus opgeroepen, aanwezige en niet vrijgestelde gezworenen worden de nodige getallen aangevuld, in de orde die het lot bepaalt. (In dat geval wordt de in artikel 241 bedoelde termijn van achtenveertig uren teruggebracht tot vierentwintig uren.) <W 1993-07-15/30, art. 3, 029; Inwerkingtreding : 24-07-1993>
Art. 247. <W 1987-11-13/30, art. 5, 012; Inwerkingtreding : 10-01-1988> De voorzitter van het Hof van assisen neemt een voor een de namen van de gezworenen uit de bus. Eerst de beschuldigde, daarna de procureur-generaal, mag dan een gelijk aantal gezworenen wraken, namelijk zes indien er geen plaatsvervangende gezworenen zijn, zeven indien er één of twee zijn en acht indien er drie of vier zijn, negen indien er vijf of zes zijn, tien indien er zeven of acht zijn, elf indien er negen of tien zijn en twaalf indien er elf of twaalf zijn. De beschuldigde en de procureur-generaal mogen hun reden voor de wraking niet bekendmaken.
Art. 248. De rechtsprekende jury is samengesteld zodra twaalf namen van niet gewraakte gezworenen uit de bus zijn gekomen. Vervolgens loot de voorzitter van het hof van assisen het aantal plaatsvervangende gezworenen uit dat bepaald is bij uitvoering van artikel 124.
Art. 249. Zijn er verscheidene beschuldigden, dan kunnen zij afzonderlijk wraken of overeenkomen om te wraken, doch zij mogen het getal van de wrakingen waartoe één beschuldigde recht zou hebben, niet overschrijden.
Art. 250. Komen de beschuldigden niet overeen, dan regelt de voorzitter van het hof van assisen bij loting de orde waarin zij voor iedere gezworene kunnen wraken. In dit geval zijn de door één beschuldigde gewraakte gezworenen gewraakt voor allen, tot dat het aantal wrakingen geheel heeft plaatsgehad.
Art. 251. De beschuldigden kunnen overeenkomen om een gedeelte van de wrakingen te verrichten en de overige doen naar de orde die het lot aanwijst.
Art. 252. De behandeling van de zaak vangt aan onmiddellijk na de samenstelling van de jury.
Art. 253. De verwijzing van de zaak naar een andere zitting houdt in dat de lijst van de gezworenen voor die zaak wordt vernietigd en tevens de verplichting dat, op straffe van nietigheid, een nieuwe jury wordt samengesteld zoals voorgeschreven is in de voorgaande artikelen.
HOOFDSTUK V. - Leden van het Hof van Cassatie.
Art. 254. <W 1998-12-22/47, art. 42, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. Om tot eerste voorzitter van het Hof van Cassatie te worden aangewezen, moet de kandidaat sedert ten minste vijftien jaar juridische functies uitoefenen, waarvan de laatste vijf jaar in het ambt van raadsheer in het Hof van Cassatie.
§ 2. Om tot voorzitter, in het Hof van Cassatie te worden aangewezen moet de kandidaat sedert tenminste vijftien jaar juridische functies uitoefenen, waarvan de laatste vijf jaar in het ambt van raadsheer in het Hof van Cassatie.
Om tot afdelingsvoorzittter in het Hof van Cassatie te worden aangewezen. moet de kandidaat sedert ten minste drie jaar het ambt van raadsheer in het Hof van Cassatie hebben uitgeoefend.
§ 3. Om tot raadsheer in het Hof van Cassatie te worden benoemd, moet de kandidaat sedert ten minste vijftien jaar juridische functies uitoefenen, waarvan de laatste tien jaar als lid van de zittende magistratuur of magistraat van het openbaar ministerie.
Art. 255. (opgeheven) <W 1998-12-22/47, art. 43, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
Art. 256. (opgeheven) <W 1998-12-22/47, art. 43, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
Art. 257. (opgeheven) <W 1998-12-22/47, art. 43, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
Art. 258. <W 1998-12-22/47, art. 44, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. Om tot procureur-generaal bij het Hof van Cassatie te worden aangewezen, moet de kandidaat sedert ten minste vijftien jaar juridische functies uitoefenen, waarvan de laatste vijf jaar in het ambt van advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie.
§ 2. Om tot eerste advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie te worden aangewezen, moet de kandidaat sedert ten minste drie jaar het ambt van advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie uitoefenen.
§ 3. Om tot advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie te worden benoemd, moet de kandidaat voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 254, § 3.
Art. 259. Vijf raadsheren en een advocaat-generaal moeten gedurende ten minste vijf jaar een gerechtelijk ambt hebben uitgeoefend bij een arbeidsrechtbank of een arbeidshof.
HOOFDSTUK Vbis. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> Hoge Raad voor de Justitie.
Afdeling I. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> Samenstelling.
Art. 259bis1. <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> § 1. De Hoge Raad voor de Justitie zoals ingesteld door artikel 151 van de Grondwet, hierna te noemen "Hoge Raad", telt vierenveertig leden van Belgische nationaliteit.
De Hoge Raad bestaat uit een Nederlandstalig en een Franstalig college van elk tweeëntwintig leden. Elk college telt elf magistraten en elf niet-magistraten. (De magistraten die met toepassing van artikel 144bis, § 3, eerste en tweede lid, belast zijn met een opdracht, blijven, voor de verkiezingen bedoeld in artikel 259bis-2, verbonden aan hun rechtscollege.) <W 2001-06-21/42, art. 14, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
Alle leden moeten de burgerlijke en politieke rechten genieten en het bewijs leveren van goed gedrag en zeden.
§ 2. De groep magistraten bestaat per college ten minste uit :
1° een lid van een hof of van het openbaar ministerie bij een hof;
2° een lid van de zittende magistratuur;
3° een lid van het openbaar ministerie;
4° een lid per rechtsgebied van het hof van beroep.
De magistraten van het Hof van Cassatie, (...) de bijstandsmagistraten en de federale magistraten worden geacht deel uit te maken van het rechtsgebied van het hof van beroep te Brussel. <W 2003-04-10/59, art. 91, 107; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
§ 3. De groep niet-magistraten telt per college ten minste vier leden van elk geslacht en bestaat uit ten minste :
1° vier advocaten met een beroepservaring van ten minste tien jaar balie;
2° drie hoogleraren aan een universiteit of een hogeschool in de Vlaamse of Franse Gemeenschap met een voor de opdracht van de Hoge Raad relevante beroepservaring van ten minste tien jaar;
3° vier leden die houder zijn van ten minste een diploma van een hogeschool van de Vlaamse of Franse Gemeenschap met een voor de opdracht van de Hoge Raad relevante beroepservaring van ten minste tien jaar op juridisch, economisch, administratief, sociaal of wetenschappelijk vlak.
Ten minste één lid van het Franstalig college moet het bewijs leveren van de kennis van het Duits.
Afdeling II. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> Aanstelling van de leden.
Art. 259bis2. <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> § 1. De magistraten worden verkozen bij rechtstreekse en geheime verkiezing uit de beroepsmagistraten in actieve dienst door een Nederlandstalig en een Franstalig kiescollege dat bestaat uit de beroepsmagistraten van de taalrol die overeenstemt met die van de benoeming.
De stemming is verplicht en geheim.
Op straffe van ongeldigheid van het stembiljet brengt elke kiezer drie stemmen uit waarvan, ten minste één voor een kandidaat van de zittende magistratuur, één voor een kandidaat van het openbaar ministerie en één voor een kandidaat van elk geslacht.
De kandidaten worden per kiescollege gerangschikt in volgorde van het aantal behaalde stemmen.
In de volgorde van het aantal behaalde stemmen zijn eerst de magistraten verkozen die voldoen aan de criteria bedoeld in artikel 259bis-1, § 2, in de aldaar bepaalde volgorde.
Zodra aan de criteria bedoeld in artikel 259bis-1, § 2, is voldaan, zijn de magistraten verkozen in de volgorde van het aantal behaalde stemmen.
De verkiezingsprocedure wordt geregeld bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit.
§ 2. De niet-magistraten worden door de Senaat benoemd met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen.
Onverminderd het recht om zich individueel kandidaat te stellen, kunnen door elk van de orden van advocaten en door elk van de universiteiten en hogescholen van de Vlaamse en Franse Gemeenschap kandidaten worden voorgedragen. Per college worden ten minste vijf leden uit de voorgedragen kandidaten benoemd.
§ 3. Op het ogenblik van de kandidaatstelling mag de leeftijd van 63 jaar niet zijn bereikt.
§ 4. Voor de leden van de Hoge Raad wordt voor de duur van het mandaat een lijst met opvolgers opgesteld.
Voor de magistraten bestaat deze lijst uit de niet-verkozen magistraten in de volgorde van het aantal behaalde stemmen.
Voor de niet-magistraten wordt deze lijst opgesteld door de Senaat; hij bestaat uit de niet-benoemde kandidaten.
§ 5. Ten laatste (acht maanden) voor het verstrijken van het mandaat van de leden van de Hoge Raad wordt een oproep tot de kandidaten bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. <W 2002-12-19/59, art. 2, 101; 16-01-2003>
Voor de magistraten moeten de kandidaturen op straffe van verval binnen een termijn van een maand na deze oproep bij een ter post aangetekende brief aan de Hoge Raad worden gericht.
Voor de niet-magistraten moeten de kandidaturen en de lijsten met voorgedragen kandidaten bedoeld in § 2, tweede lid, op straffe van verval binnen een termijn van drie maanden na deze oproep aan de voorzitter van de Senaat worden gericht bij een ter post aangetekende brief.
(De Minister van Justitie maakt de lijst met de aantredende leden van de Hoge Raad voor de Justitie en hun opvolgers bekend in het Belgisch Staatsblad in de derde maand vóór het verstrijken van het mandaat. De Hoge Raad maakt de samenstelling van het bureau en de commissies bekend in het Belgisch Staatsblad en deze bekendmaking geldt als installatie.
De uittredende leden houden zitting tot het verstrijken van hun mandaat en in ieder geval tot de installatie van de nieuwe leden van het bureau en de commissies overeenkomstig artikel 259bis -4.) <W 2002-12-19/59, art. 2, 101; 16-01-2003>
De uittredende leden houden zitting tot het verstrijken van de mandaatstermijn en in ieder geval tot de bekendmaking van de lijst bedoeld in het vorige lid.
Afdeling III. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> Duur van het mandaat en onverenigbaarheden.
Art. 259bis3. <Ingevogd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> (§ 1. De leden nemen in de Hoge Raad zitting voor een periode van vier jaar die ingaat op de dag van de installatie en die eenmaal kan worden hernieuwd.) <W 2002-12-19/59, art. 3, 101; 16-01-2003>
§ 2. Het lidmaatschap van de Hoge Raad is tijdens de duur van het mandaat onverenigbaar met de uitoefening van :
1° een ambt van plaatsvervangend magistraat;
(NOTA : Bij arrest nr 3/2001 van 25 januari 2001 (B.S. 13-02-2001) heeft het Arbitragehof in dit artikel, het 1° vernietigd en handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepaling, wat de samenstelling en de handelingen van de Hoge Raad voor de Justitie betreft, tot aan de volgende benoemingen die zullen worden gedaan door de Senaat met toepassing van artikel 259bis2, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek)
2° een bij verkiezing verleend openbaar mandaat;
3° een openbaar ambt van politieke aard;
4° een mandaat van korpschef.
§ 3. Het mandaat in de Hoge Raad eindigt van rechtswege indien :
1° het lid er om verzoekt;
2° een onverenigbaarheid bedoeld in § 2 ontstaat;
3° een lid de hoedanigheid vereist als voorwaarde om in de Hoge Raad zitting te kunnen nemen, verliest;
4° een lid kandidaat is voor een benoeming tot magistraat of een aanwijzing tot korpschef, bijstandsmagistraat of federaal magistraat;
5° een lid de leeftijd van inruststelling heeft bereikt bepaald in artikel 383, § 1, voor de leden van de rechtscolleges andere dan het Hof van Cassatie.
§ 4. Het mandaat van een lid kan om ernstige redenen worden opgeheven door de Hoge Raad die daarover beslist met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen in elke college. Tegen de beslissingen staat geen enkel beroep open.
Het mandaat kan niet worden opgeheven dan nadat het lid gehoord is over de aangevoerde redenen. Voorafgaandelijk aan de hoorzitting stelt de Hoge Raad een dossier samen dat alle stukken bevat die betrekking hebben op de aangevoerde redenen.
Ten minste vijf dagen voor de hoorzitting wordt de betrokkene opgeroepen bij een ter post aangetekende brief met ten minste opgave van :
1° de aangevoerde ernstige redenen;
2° het feit dat de opheffing van het mandaat wordt overwogen;
3° plaats, dag en uur van de hoorzitting;
4° het recht van de betrokkene zich te laten bijstaan door een persoon naar keuze;
5° de plaats waar en de termijn waarbinnen het dossier kan worden ingezien;
6° het recht om getuigen te doen oproepen.
Vanaf de oproeping tot en met de dag voor de hoorzitting kunnen de betrokkene en de persoon die hem bijstaat het dossier inzien.
Van de hoorzitting wordt proces-verbaal opgesteld.
Afdeling IV. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> Werking.
Art. 259bis4. <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> § 1. De Hoge Raad stelt met een meerderheid van twee derden van zijn leden een bureau samen dat bestaat uit twee magistraten en twee niet-magistraten. Elk college draagt hiertoe een magistraat en een niet-magistraat voor. De Hoge Raad wijst tevens op voorstel van elk college met dezelfde meerderheid de commissies aan waarvan de leden van het bureau het voorzitterschap bekleden.
De Koning kan op voorstel van de Hoge Raad bij een in Ministerraad overlegd besluit het aantal leden van het bureau verhogen volgens de behoeften van de dienst met inachtneming van de verdeling bedoeld in het eerste lid.
De leden van het bureau oefenen hun functie voltijds uit en mogen tijdens de duur van hun mandaat geen andere beroepsactiviteit uitoefenen. De Hoge Raad kan afwijkingen op dit verbod toestaan op voorwaarde dat ze de betrokkene niet beletten zijn opdracht naar behoren te vervullen.
§ 2. Het voorzitterschap van de Hoge Raad wordt, in de volgorde bepaald door twee derden van zijn leden, voor een termijn van één jaar beurtelings bekleed door (een lid van het bureau behorend tot een verschillend college en dat nog geen voorzitter van de Hoge Raad is geweest.) <W 2000-07-17/34, art. 2, 080; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
§ 3. Het voorzitterschap van elk college wordt voor een termijn van twee jaar beurtelings bekleed door de voorzitters van de benoemingscommissie en de advies- en onderzoekscommissie, te beginnen met de oudste.
§ 4. Elk lid van de Hoge Raad neemt zitting in één van de commissies van de colleges.
Elk college wijst de leden van zijn commissies aan met een meerderheid van twee derden van zijn leden.
§ 5. Het Nederlandstalige college en zijn commissies verrichten hun werkzaamheden in het Nederlands. Het Franstalige college en zijn commissies verrichten hun werkzaamheden in het Frans.
De algemene vergadering en de verenigde commissies verrichten hun werkzaamheden in het Nederlands en het Frans. De leden gebruiken daarbij de taal van het college waartoe zij behoren.
De Hoge Raad neemt de nodige maatregelen voor de vertaling.
Art. 259bis5. <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> § 1. Onverminderd andersluidende bepalingen besluiten de Hoge Raad, de colleges, de commissies en het bureau bij volstrekte meerderheid van stemmen op voorwaarde dat ten minste de helft van de leden aanwezig is. Bij staking van stemmen beslist de stem van de voorzitter.
§ 2. Een lid waarvan het mandaat voortijdig openvalt, wordt voor de resterende duur vervangen door een opvolger. Betreft het een magistraat dan wordt hij vervangen door de eerst gerangschikte kandidaat op de lijst bedoeld in artikel 259bis-2, § 4, tweede lid. Betreft het een niet-magistraat, dan wijst de Senaat de opvolger aan uit de lijst bedoeld in artikel 259bis-2, § 4, derde lid.
In deze gevallen valt de opvolger onder de toepassing van artikel 259bis-3, § 1.
Art. 259bis6. <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> § 1. De Hoge Raad, de colleges en de commissies kunnen bij hun werkzaamheden deskundigen raadplegen.
§ 2. (De Hoge Raad beschikt over eigen personeel dat belast is met de ondersteuning van zijn werkzaamheden en de organisatie van de verkiezingen bedoeld in artikel 259bis -2, § 1. De Hoge Raad stelt de personeelsformatie en de taalkaders vast, met inachtneming van de taalpariteit per niveau. De Hoge Raad bepaalt het statuut van zijn personeel. Hij benoemt en ontslaat zijn personeel.
De Koning keurt bij een in Ministerraad overlegd besluit de personeelsformatie, de taalkaders en het statuut bedoeld in het vorige lid goed.) <W 2002-12-19/59, art. 4, 101; 01-04-2003>
(Lid 3 opgeheven) <W 2002-12-19/59, art. 4, 101; 01-04-2003>
(Lid 4 opgeheven) <W 2002-12-19/59, art. 4, 101; 01-04-2003>
De Hoge Raad beslist over de opdrachten, de verhindering en de vervanging, de afwezigheid, het verlof en de vakantie van de leden van het administratief personeel.
§ 3. De Hoge Raad stelt een huishoudelijk reglement op dat de werkwijze van de Hoge Raad en het bureau bepaalt.
§ 4. Het bureau coördineert de werkzaamheden van de Hoge Raad, de colleges en het personeel.
Afdeling V. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> Algemene vergadering van de Hoge Raad.
Art. 259bis7. <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> § 1. De Hoge Raad ontvangt rechtstreeks van de bevoegde instanties de door de wet of bij verordening voorgeschreven verslagen die verband houden met de algemene werking van de rechterlijke orde.
§ 2. De algemene vergadering is bevoegd voor :
1° de goedkeuring van de adviezen, voorstellen, verslagen, richtlijnen, programma's en andere handelingen van de colleges en de commissies in de gevallen en onder de voorwaarden bepaald in de afdelingen VI en VII;
2° de vaststelling van de beëindiging van het mandaat van een lid van de Hoge Raad in de gevallen bedoeld in artikel 259bis-3, § 3.
§ 3. De algemene vergadering stelt aan de hand van een analyse en een evaluatie van de vergaarde informatie een jaarlijks verslag op over de algemene werking van de rechterlijke orde, dat wordt bezorgd aan de Minister van Justitie, de Kamer van volksvertegenwoordigers, de Senaat en de korpschefs van de hoven en van het openbaar ministerie bij deze hoven. Deze verslagen bevatten geen enkele aanwijzing over de identiteit van personen.
§ 4. De Minister van Justitie of zijn vertegenwoordiger kan op uitnodiging van de Hoge Raad of op eigen verzoek worden gehoord.
Afdeling VI. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> De benoemings- en aanwijzingscommissies.
Art. 259bis8. <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> § 1. Elk college stelt in zijn midden een benoemings- en aanwijzingscommissie in, hierna "de benoemingscommissie" genoemd, die bestaat uit veertien leden, waarvan de helft magistraten en de helft niet-magistraten zijn. Ten minste één lid van de Franstalige benoemingscommissie moet blijk geven van de kennis van het Duits.
Het voorzitterschap van elke benoemingscommissie wordt bekleed door het daartoe aangewezen lid van het bureau. Bij diens afwezigheid wordt het voorzitterschap waargenomen door het oudste aanwezige lid.
Elke benoemingscommissie kan slechts geldig beraadslagen wanneer ten minste tien leden aanwezig zijn.
§ 2. De benoemingscommissies vormen samen de verenigde benoemingscommissie.
Het voorzitterschap van de verenigde benoemingscommissie wordt voor een termijn van twee jaar beurtelings bekleed door de voorzitters van de benoemingscommissies, te beginnen met de oudste. Bij diens afwezigheid wordt het voorzitterschap waargenomen door het oudste aanwezige lid van de commissie waartoe de voorzitter in functie behoort.
De verenigde benoemingscommissie kan slechts geldig beraadslagen wanneer ten minste tien leden van elke benoemingscommissie aanwezig zijn.
Art. 259bis9. <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. De verenigde benoemingscommissie bereidt de programma's voor het examen inzake beroepsbekwaamheid en het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage voor (evenals het programma van het mondelinge evaluatie-examen). <W 2001-06-15/34, art. 5, 093; Inwerkingtreding : onbepaald, en uiterlijk op 21-07-2002 (art. 20)> <NOTA : Bij arrest nr 14/2003 van 28-01-2003, (B.S. 10-02-2003, p.6596), heeft het Arbitragehof artikel 5 van de W 2001-06-15/34 vernietigd; Opheffing : 28-01-2003>
(Het examen inzake beroepsbekwaamheid, het vergelijkend examen tot de gerechtelijke stage en het mondelinge evaluatie-examen) zijn bedoeld om de voor de uitoefening van het ambt van magistraat noodzakelijke maturiteit en bekwaamheid te beoordelen en worden afgelegd in de taal van het diploma van doctor of licentiaat in de rechten van de kandidaat. <W 2001-06-15/34, art. 5, 093; Inwerkingtreding : onbepaald, en uiterlijk op 21-07-2002 (art. 20)> <NOTA : Bij arrest nr 14/2003 van 28-01-2003, (B.S. 10-02-2003, p.6596), heeft het Arbitragehof artikel 5 van de W 2001-06-15/34 vernietigd; Opheffing : 28-01-2003>
De geslaagden voor het examen inzake beroepsbekwaamheid behouden het voordeel van hun uitslag gedurende zeven jaar te rekenen van de datum van het proces-verbaal van het examen.
§ 2. De verenigde benoemingscommissie bereidt de richtlijnen en de programma's voor de permanente vorming van magistraten en de gerechtelijke stage voor.
De bevoegde dienst bij het ministerie van Justitie zorgt in samenwerking met de verenigde benoemingscommissie voor de uitvoering van de programma's en de logistieke ondersteuning op de wijze door de Koning bepaald. De Koning kan daartoe leden van de zittende magistratuur of magistraten van het openbaar ministerie aanstellen. (Hij bepaalt de nadere regels en de duur van de aanwijzing.) <W 2003-05-03/45, art. 14, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
§ 3. De examenprogramma's bedoeld in § 1 en de richtlijnen en programma's bedoeld in § 2 worden na goedkeuring door de algemene vergadering bekrachtigd door de Minister van Justitie en bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
Art. 259bis10. <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. De benoemingscommissies zijn bevoegd voor :
1° de voordracht van kandidaten voor de benoemingen tot magistraat en de aanwijzingen tot korpschef, bijstandsmagistraat of federale magistraat, (bedoeld in artikel 58bis, 1°, 2° en 4°); <W 2000-07-17/34, art. 3, 080; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
2° de organisatie van het examen inzake beroepsbekwaamheid en het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij koninklijk besluit.
(3° de organisatie van het mondelinge evaluatie-examen op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij koninklijk besluit en het verstrekken van de machtiging bedoeld in artikel 191bis, § 2, laatste lid.) <W 2001-06-15/34, art. 6, 093; Inwerkingtreding : onbepaald> <NOTA : Bij arrest nr 14/2003 van 28-01-2003, (B.S. 10-02-2003, p.6596), heeft het Arbitragehof artikel 6 van de W 2001-06-15/34 vernietigd; Opheffing : 28-01-2003>
§ 2. Elke benoemingscommissie kan met een meerderheid van twee derden van haar leden besluiten om voor de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in § 1, 2°, en artikel 259bis-9 in haar midden een subcommissie in te stellen die evenveel magistraten als niet-magistraten telt. (Elke benoemingscommissie kan een beroep doen op externe deskundigen om de subcommissies bij te staan bij de voorbereiding van de in § 1, 2°, bedoelde examens en bij de voorbereiding van de proeven. Deze deskundigen maken in geen geval deel uit van de subcommissies en mogen niet deelnemen aan de beraadslagingen.) <W 2003-05-03/45, art. 15, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
In de gevallen bedoeld in artikel 259bis-9 kan de ene benoemingscommissie of subcommissie niet meer stemmen uitbrengen dan de andere benoemingscommissie of subcommissie.
§ 3. Elke benoemingscommissie doet jaarlijks aan de algemene vergadering verslag over zijn werkzaamheden.
Afdeling VII. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> De advies- en onderzoekscommissies.
Art. 259bis11. <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> § 1. Elk college stelt in zijn midden een advies- en onderzoekscommissie in die bestaat uit acht leden, waarvan de helft magistraten en de helft niet-magistraten zijn.
Het voorzitterschap van elke advies- en onderzoekscommissie wordt bekleed door het daartoe aangewezen lid van het bureau. Bij diens afwezigheid wordt het voorzitterschap waargenomen door het oudste aanwezige lid.
Elke advies- en onderzoekscommissie kan slechts geldig beraadslagen wanneer ten minste zes leden aanwezig zijn.
§ 2. De advies- en onderzoekscommissies vormen samen de verenigde advies- en onderzoekscommissie.
Het voorzitterschap van de verenigde advies- en onderzoekscommissie wordt voor een termijn van twee jaar beurtelings bekleed door de voorzitters van de advies- en onderzoekscommissies, te beginnen met de oudste. Bij diens afwezigheid wordt het voorzitterschap waargenomen door het oudst aanwezige lid van de commissie waartoe de voorzitter in functie behoort.
De verenigde advies- en onderzoekscommissie kan slechts geldig beraadslagen wanneer ten minste zes leden van elke commissie aanwezig zijn.
Art. 259bis12. <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> § 1. De verenigde advies- en onderzoekscommissie bereidt, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de algemene vergadering, de Minister van Justitie of de meerderheid van de leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers of van de Senaat de adviezen en voorstellen voor over :
1° de algemene werking van de rechterlijke orde;
2° de wetsvoorstellen en -ontwerpen die een weerslag hebben op de algemene werking van de rechterlijke orde;
3° de aanwending van de beschikbare middelen.
§ 2. De verenigde advies- en onderzoekscommissie kan alle informatie inwinnen die nuttig is voor de taken vermeld in § 1, onverminderd het bepaalde in artikel 259bis-16.
Een verzoek tot informatie aan leden van de rechterlijke orde geschiedt na voorafgaande kennisgeving aan hun respectieve korpschefs en hiërarchische meerderen. Is het lid van de rechterlijke orde geen magistraat, dan wordt de informatie meegedeeld na goedkeuring door de korpschef van het betrokken rechtscollege.
§ 3. De adviezen en voorstellen van de verenigde advies- en onderzoekscommissie zijn schriftelijk en hebben bindende, noch schorsende werking.
(Voorzover er overeenkomstig artikel 259bis -18 meegedeelde adviezen en voorstellen betreffende de wetsontwerpen die een weerslag hebben op de werking van de rechterlijke orde beschikbaar zijn, worden zij aan de ontwerpen van de regering gehecht op het ogenblik waarop zij worden ingediend bij de Kamer van volksvertegenwoordigers of bij de Senaat.) <W 2002-12-19/59, art. 5, 101; 16-01-2003>
Art. 259bis13. <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> De verenigde advies- en onderzoekscommissie bereidt de standaardprofielen voor de functies van korpschef voor op basis van de criteria bepaald door de Hoge Raad.
De standaardprofielen worden binnen een maand na goedkeuring door de algemene vergadering bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
De Koning kan de verschillende categorieën van profielen vastleggen.
Art. 259bis14. <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> § 1. De verenigde advies- en onderzoekscommissie is belast met het algemeen toezicht op en de bevordering van het gebruik van de middelen van interne controle binnen de rechterlijke orde, bedoeld in de artikelen 140, 340, 398 tot 400 in fine, 401 tot 414, 651, 652, 838 en 1088 van het Gerechtelijk Wetboek en 441 en 442 van het Wetboek van Strafvordering.
§ 2. De overheden bevoegd voor de toepassing van de wetsbepalingen bedoeld in § 1, brengen hierover jaarlijks verslag uit aan de verenigde advies- en onderzoekscommissie en aan de Minister van Justitie.
De verenigde advies- en onderzoekscommissie kan bovendien deze overheden om alle nuttige informatie verzoeken. De Minister van Justitie wordt hiervan gelijktijdig in kennis gesteld.
§ 3. De verenigde advies- en onderzoekscommissie brengt jaarlijks verslag uit over de wijze waarop de middelen van interne controle worden aangewend en hun werking kan worden verbeterd.
Art. 259bis15. <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. Elke advies- en onderzoekscommissie ontvangt de klachten over de werking van de rechterlijke orde en verzekert de opvolging ervan.
§ 2. Om ontvankelijk te zijn moeten de klachten schriftelijk, ondertekend en gedagtekend zijn en de volledige identiteit van de klager bevatten.
§ 3. Komen niet in aanmerking voor behandeling :
1° klachten die behoren tot de strafrechtelijke of tuchtrechtelijke bevoegdheid van andere overheden;
2° klachten met betrekking tot de inhoud van een rechterlijke beslissing;
3° klachten waarvan het doel via het aanwenden van een gewoon of buitengewoon rechtsmiddel kan of kon worden bereikt;
4° klachten die reeds zijn behandeld en geen nieuwe elementen bevatten;
5° klachten die kennelijk ongegrond zijn.
Tot de niet-behandeling van de klacht wordt besloten bij gemotiveerde beslissing waartegen geen enkel beroep openstaat.
In voorkomend geval wordt de klager doorverwezen naar de bevoegde overheden die gehouden zijn de advies- en onderzoekscommissies op gemotiveerde wijze in te lichten over het gevolg dat aan de klacht werd gegeven.
§ 4. De klachten die de advies- en onderzoekscommissies zelf behandelen worden, al naar gelang, ter kennis gebracht van de korpschef van het rechtscollege en van de korpschefs of hiërarchische meerderen van de personen die het voorwerp zijn van de klacht.
Onverminderd de bevoegdheden van de korpschef of de hiërarchische meerdere, delen de advies- en onderzoekscommissies de klacht op het ogenblik dat dit nuttig wordt geacht mee aan de persoon tegen wie de klacht gericht is of voor wie de klacht bezwarend is.
§ 5. De personen die in kennis zijn gesteld van de klacht hebben het recht om hierover aan de advies- en onderzoekscommissies mondelinge of schriftelijke verklaringen af te leggen. De advies- en onderzoekscommissie kunnen deze personen om bijkomende inlichtingen verzoeken op voorwaarde dat hun korpschef of hiërarchische meerdere gelijktijdig wordt verwittigd.
§ 6. De advies- en onderzoekscommissies lichten de klager schriftelijk in over het gevolg dat aan de klacht gegeven werd.
Bij gegronde klachten kunnen de advies- en onderzoekscommissies aanbevelingen doen ter oplossing van het gestelde probleem en voorstellen ter verbetering van de algemene werking van de rechterlijke orde formuleren ten behoeve van de betrokken instanties en de Minister van Justitie.
§ 7. Elke advies- en onderzoekscommissie stelt minstens eenmaal per jaar een schriftelijk verslag op over de opvolging van de ontvangen klachten.
Art. 259bis16. <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> § 1. De verenigde advies- en onderzoekscommissie kan met uitsluiting van strafrechtelijke en tuchtrechtelijke bevoegdheden een bijzonder onderzoek instellen naar de werking van de rechterlijke orde.
Dit onderzoek gebeurt hetzij ambtshalve na voorafgaande goedkeuring door de meerderheid van de leden van de verenigde advies- en onderzoekscommissie, hetzij op verzoek van de Minister van Justitie of de meerderheid van de leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers of van de Senaat.
§ 2. Het onderzoek wordt in opdracht van de verenigde advies- en onderzoekscommissie uitgevoerd door de bevoegde korpschef of hiërarchische meerdere die hierover schriftelijk verslag uitbrengt binnen de door de verenigde advies- en onderzoekscommissie vastgestelde termijn.
§ 3. Het onderzoek wordt uitzonderlijk door de verenigde advies- en onderzoekscommissie zelf uitgevoerd na voorafgaande goedkeuring door twee derden van haar leden wanneer :
1° de Minister van Justitie dit bij zijn verzoek heeft gevraagd;
2° het gelet op het onderwerp van het onderzoek niet raadzaam is dit op te dragen aan de korpschef of de hiërarchische meerdere bedoeld in § 2 of het onderzoek door dezen niet naar behoren is of wordt gevoerd.
De Minister van Justitie wordt hiervan voor aanvang van het onderzoek in kennis gesteld.
De verenigde advies- en onderzoekscommissie voert het onderzoek onder leiding van een lid-magistraat en kan :
1° zich ter plaatse begeven teneinde alle nuttige vaststellingen te doen, zonder te kunnen overgaan tot huiszoeking;
2° beëindigde gerechtelijke dossiers raadplegen en zich deze ter plaatse doen overleggen teneinde er kennis van te nemen alsook uittreksels en kopies ervan nemen of zich deze kosteloos doen bezorgen;
3° leden van de rechterlijke orde horen bij wijze van inlichting. In voorkomend geval is het deze leden toegestaan verklaringen af te leggen die gedekt zijn door het beroepsgeheim.
§ 4. De verenigde advies- en onderzoekscommissie stelt over elk onderzoek een verslag op dat wordt goedgekeurd met een meerderheid van twee derden van haar leden.
Art. 259bis17. <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> § 1. De betrokken commissie heeft in het kader van de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in de artikelen 259bis-11 tot 259bis-16 tevens het recht de werking van de rechterlijke orde door te lichten, zonder zich te kunnen mengen in de behandeling van lopende dossiers.
§ 2. (...) <W 2003-05-03/45, art. 16, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
Art. 259bis18. <W 2002-12-19/59, art. 6, 101; 16-01-2003> § 1. De adviezen en voorstellen bedoeld in artikel 259bis -12, § 1, en de verslagen bedoeld in de artikelen 259bis -14, § 3, 259bis -15, § 7, en 259bis -16, § 4, worden ter goedkeuring overgezonden aan de algemene vergadering, die ze vervolgens meedeelt aan de Minister van Justitie, aan de Kamer van volksvertegenwoordigers, aan de Senaat, alsook aan de korpschefs van de hoven en van het openbaar ministerie bij deze hoven.
§ 2. Een goedkeuring van de algemene vergadering is niet vereist voor de adviezen met spoedeisend karakter aan de verenigde advies- en onderzoekscommissie gevraagd door de minister van Justitie of door de meerderheid van de leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers of van de Senaat. Het spoedeisend karakter wordt bepaald door de verzoekende instantie.
Het spoedeisend karakter moet gemotiveerd worden, met uiteenzetting van de uitzonderlijke omstandigheden.
In dat geval wordt onverwijld door de verenigde advies- en onderzoekscommissie aan de leden van de algemene vergadering mededeling gedaan van het verzoek om spoedadvies, en de tekst van het voorstel of ontwerp waarover het advies wordt gevraagd op basis van artikel 259bis -12, § 1.
De termijnen waarbinnen de adviezen moeten worden afgeleverd, maken het voorwerp uit van een protocolakkoord tussen de minister van Justitie, de Kamer van volksvertegenwoordigers, de Senaat en de Hoge Raad voor de Justitie.
De leden van de algemene vergadering kunnen hun opmerkingen schriftelijk en binnen de vooropgestelde termijn overzenden aan de verenigde advies- en onderzoekscommissie, die hierover overlegt. Een samenvatting van de opmerkingen wordt toegevoegd aan het advies.
Het advies en de samenvatting van de opmerkingen worden overgezonden aan de verzoekende instantie en aan de leden van de algemene vergadering.
Afdeling VIII. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> Gemeenschappelijke bepalingen.
Art. 259bis19. <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> § 1. Het is de leden van de Hoge Raad verboden deel te nemen aan een beraadslaging of een beslissing over zaken waarbij zij een persoonlijk en rechtstreeks belang hebben, waarbij hun bloed- of aanverwanten tot in de vierde graad of de personen met wie zij een feitelijk gezin vormen een persoonlijk en rechtstreeks belang hebben of waarbij zij in een professionele hoedanigheid betrokken zijn of zijn geweest.
§ 2. Wanneer een lid van de Hoge Raad bij de uitoefening van zijn opdrachten kennis krijgt van een misdaad of een wanbedrijf, moet hij overeenkomstig artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering de bevoegde procureur des Konings onverwijld in kennis stellen.
(§ 2bis. Wanneer de Hoge Raad bij het uitvoeren van zijn opdrachten van mening is dat een van zijn leden behorend tot de Rechterlijke Orde, een magistraat, een lid van de griffies en parketsecretariaten, een lid van het personeel van de griffies en de parketsecretariaten of een verstrekker van het advies bedoeld in de artikelen 259ter, § 1, en 259quater, § 1, niet voldoet aan de plichten van zijn ambt of weigert zijn medewerking te verlenen, brengt de Hoge Raad dit in voorkomend geval ter kennis van de bevoegde tuchtoverheden met het verzoek te onderzoeken of een tuchtprocedure dient te worden ingesteld. Hij deelt dit terzelfder tijd mee aan de Minister van Justitie.
Wanneer de Hoge Raad dezelfde vaststelling doet omtrent zijn andere leden, deelt hij dit terzelfder tijd mee aan de voorzitter van de Senaat.
De tuchtoverheden stellen de Hoge Raad op een met redenen omklede wijze in kennis van het gevolg dat hieraan is gegeven.) <W 2003-05-03/45, art. 17, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
§ 3. Artikel 458 van het Strafwetboek is van toepassing op de leden van de Hoge Raad, op hun opvolgers, op de deskundigen en op het personeel van de Raad voor alle gegevens waarvan zij kennis nemen in het kader van de uitoefening van hun opdrachten in de Hoge Raad.
Art. 259bis20. <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> § 1. De Hoge Raad moet steeds in kennis worden gesteld van een tuchtprocedure tegen een van zijn leden, alsook van de redenen die aan deze procedure ten grondslag liggen.
Ingeval de Hoge Raad van oordeel is dat de tuchtprocedure steunt op de activiteiten die betrokkene in de Raad uitoefent, voegt hij zijn advies bij het dossier betreffende de procedure.
§ 2. De bepalingen van § 1 zijn van toepassing op voormalige leden van de Hoge Raad gedurende vier jaren te rekenen van de beëindiging van hun mandaat.
Art. 259bis21. <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> § 1. (De magistraten die lid zijn van het bureau hebben op jaarbasis recht op een toelage van 15.000 EUR. De niet-magistraten die lid zijn van het bureau genieten een wedde die gelijk staat met die van kamervoorzitter in het hof van beroep met eenentwintig jaar nuttige anciënniteit.
Artikel 362 is van toepassing op het in het vorige lid vermelde bedrag.) <W 2002-12-19/59, art. 7, 101; 16-01-2003>
§ 2. De leden van de Hoge Raad die geen lid zijn van het bureau hebben voor hun werkzaamheden in de Hoge Raad en de commissies recht op een presentiegeld waarvan het bedrag per gepresteerde dag niet meer mag bedragen dan 1/30 van de maandelijkse toelage toegekend aan (de leden van het bureau die geen magistraat zijn), dat geen magistraat is. Werkzaamheden die per dag minder dan vier uur bestrijken, geven recht op de helft van bovenvermelde maximumtoelage. <W 2002-12-19/59, art. 7, 101; 16-01-2003>
§ 3. De leden van de Hoge Raad hebben recht op de vergoedingen voor de reis- en verblijfkosten overeenkomstig de bepalingen die van toepassing zijn op het personeel van de ministeries. De personen die niet tot het bestuur behoren of voor wie de rang waartoe hun graad behoort niet is bepaald, worden gelijkgesteld met ambtenaren van rang 13. De voorzitter wordt gelijkgesteld met een ambtenaar van rang 17.
(§ 4. De Hoge Raad kan aan zijn leden een vergoeding per uur toekennen voor de werkzaamheden verricht buiten de lokalen van de Hoge Raad, die betrekking hebben op de verbetering van de examens en de vergelijkende examens alsook voor het onderzoek van klachten voor zover deze prestaties niet worden vergoed op grond van §§ 2 en 3.) <W 2000-07-17/34, art. 4, 080; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
Art. 259bis22. <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> § 1. De zetel van de Hoge Raad is gevestigd in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad.
§ 2. De kredieten die voor de werking van de Hoge Raad nodig zijn, worden uitgetrokken op de begroting van de dotaties.
HOOFDSTUK Vter. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 46, Inwerkingtreding : 02-08-2000> Benoemings- en aanwijzingsprocedure.
Afdeling I. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 46, Inwerkingtreding : 02-08-2000> Benoemingen.
Art. 259ter. <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 46, Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. Vooraleer de Koning tot een benoeming bedoeld in artikel 58bis, 1° overgaat, vraagt de Minister van Justitie binnen vijfenveertig dagen na de bekendmaking van de vacature in het Belgisch Staatsblad , een gemotiveerd schriftelijk advies (overeenkomstig een door de Minister van Justitie, op voorstel van de Hoge Raad voor de Justitie, bepaald standaardformulier) aan : <W 2003-05-03/45, art. 18, 111; Inwerkingtreding : onbepaald, uiterlijk op 02-06-2004>
1° de korpschef van het rechtscollege of van het openbaar ministerie bij dat rechtscollege waar de benoeming moet geschieden, behoudens wanneer het een benoeming tot raadsheer in het Hof van Cassatie, raadsheer of plaatsvervangend raadsheer in het hof van beroep of raadsheer in het arbeidshof betreft;
2° de korpschef van het rechtscollege of van het openbaar ministerie bij dat rechtscollege waar de kandidaat werkzaam is, hetzij als magistraat, hetzij als plaatsvervangend magistraat (hetzij als referendaris of parketjurist, hetzij als gerechtelijk stagiair); <W 2003-05-03/45, art. 18, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
(Voor de magistraten die met toepassing van artikel 144bis, § 3, eerste en tweede lid, belast zijn met een opdracht, verstrekt de federale procureur advies indien de betrokkene deze opdracht voltijds uitoefent. Wordt de opdracht niet voltijds uitgeoefend, dan heeft het advies van de federale procureur betrekking op de deeltijds uitgeoefende opdracht en wordt het toegevoegd aan dat van de korpschef.) <W 2001-06-21/42, art. 15, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
3° een vertegenwoordiger van de balie aangewezen door de orde van advocaten van het gerechtelijk arrondissement waar de kandidaat werkzaam is, hetzij als advocaat, hetzij als magistraat. Voor het gerechtelijk arrondissement Brussel geeft al naar gelang de kandidaat ingeschreven is op het tableau van de Nederlandstalige of Franstalige orde van advocaten of de magistraat behoort tot de Nederlandstalige of Franstalige taalrol, hetzij de vertegenwoordiger van de Nederlandstalige orde, hetzij de vertegenwoordiger van de Franstalige orde advies.
De korpschef van een rechtscollege of het openbaar ministerie bij een rechtscollege met zetel te Brussel die niet wettelijk tweetalig is, wijst een titularis van een adjunct-mandaat van de andere taalrol aan om hem bij te staan bij het inwinnen van inlichtingen en doornemen van de stukken voor het verstrekken van advies over de kandidaten behorend tot de andere taalrol.
(Ingeval de in het eerste lid bedoelde korpschefs om welke reden dan ook in de onmogelijkheid zijn om advies te verstrekken, wordt het advies bedoeld in het eerste lid, 1° en 2°, verstrekt door de in artikel 319, tweede lid, bedoelde magistraat.) <W 2003-05-03/45, art. 18, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
(Is de kandidaat hoogleraar dan vraagt de Minister van Justitie overeenkomstig het bepaalde in § 1, eerste lid, het advies van zijn decaan en van de rector of van een van beiden indien de kandidaat zelf decaan of rector is.
De personen bedoeld in deze paragraaf dienen zich ervan te onthouden advies te verstrekken telkens er een persoonlijk of strijdig belang bestaat. Zij kunnen inzonderheid geen advies verstrekken over bloed- en aanverwanten tot in de vierde graad noch over personen met wie zij een feitelijk gezin vormen. In die gevallen wordt het advies bedoeld in het eerste lid, 1° en 2°, verstrekt door de in artikel 319, tweede lid, bedoelde magistraat. Indien deze laatste omwille van de hiervoor vermelde redenen evenmin advies kan verstrekken, dan wordt het advies verstrekt door de korpschef van het onmiddellijk hogere rechtscollege of voor wat het Hof van Cassatie betreft, door de algemene vergadering.) <W 2003-05-03/45, art. 18, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
§ 2. De adviezen worden binnen dertig dagen na het verzoek om advies bedoeld in § 1 door de adviesverlenende instanties in tweevoud overgezonden aan de Minister van Justitie en in afschrift tegen gedagtekend ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs meegedeeld aan de betrokken kandidaat. Het ontvangstbewijs wordt gericht aan de Minister van Justitie.
(Onverminderd de toepassing van artikel 259bis-19, § 2bis, wordt bij gebrek aan advies binnen de vastgestelde termijn of bij gebrek aan gebruik van het standaardformulier, dit advies) geacht gunstig noch ongunstig te zijn, hetgeen uiterlijk acht dagen na het verstrijken van die termijn door de Minister van Justitie bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs wordt meegedeeld aan de betrokken kandidaat. Indien een unaniem gunstig advies voor een benoeming is vereist, wordt met dit advies geen rekening gehouden. <W 2003-05-03/45, art. 18, 111; Inwerkingtreding : onbepaald, uiterlijk op 02-06-2004>
De kandidaten beschikken op straffe van verval over een termijn van vijftien dagen te rekenen van de kennisgeving van de adviezen om hun opmerkingen aan de Minister van Justitie bij een ter post aangetekende brief mee te delen. Wanneer een of meerdere adviezen niet tijdig zijn uitgebracht, dienen zij dit te doen binnen negentig dagen na de bekendmaking bedoeld in § 1.
(Het benoemingsdossier bestaat uitsluitend, al naargelang het geval, uit de volgende stukken :
a) de kandidatuur met alle relevante stavingstukken met betrekking tot de studies en beroepservaring;
b) het curriculum vitae;
c) de schriftelijke adviezen bedoeld in § 1 en in voorkomend geval de opmerkingen van de kandidaat;
d) de verslagen van de gerechtelijke stage;
e) de definitieve beoordeling in het evaluatiedossier;
f) de stukken waaruit de betekening van de adviezen aan de kandidaat blijkt.) <W 2003-05-03/45, art. 18, 111; Inwerkingtreding : onbepaald, uiterlijk op 02-06-2004>
§ 3. Voor een benoeming tot raadsheer in het Hof van Cassatie, raadsheer of plaatsvervangend raadsheer in het hof van beroep of raadsheer in het arbeidshof, zendt de Minister van Justitie binnen honderd dagen te rekenen van de bekendmaking bedoeld in § 1 aan de algemene vergadering van het rechtscollege waar de benoeming moet geschieden voor elke kandidaat het benoemingsdossier over met het verzoek een gemotiveerd advies uit te brengen over elk van de kandidaten; dit advies wordt bij hun dossier gevoegd.
De algemene vergadering hoort de kandidaten die haar binnen honderd dagen te rekenen van de bekendmaking van de vacature als bedoeld in § 1 daarom bij een ter post aangetekende brief hebben verzocht.
Voor het hof van beroep en het arbeidshof te Brussel worden de adviezen goedgekeurd met een meerderheid van twee derden van de leden van de algemene vergadering.
De algemene vergadering zendt binnen dertig dagen na het verzoek om advies de gemotiveerde adviezen in tweevoud aan de Minister van Justitie over en deelt een afschrift tegen gedagtekend ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs mee aan de betrokken kandidaten. Het ontvangstbewijs wordt gericht aan de Minister van Justitie.
Bij gebrek aan adviezen binnen de vastgestelde termijn over elke kandidaat, wordt met deze adviezen geen rekening gehouden, hetgeen uiterlijk acht dagen na het verstrijken van die termijn door de Minister van Justitie bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs wordt meegedeeld aan de betrokken kandidaten.
§ 4. Binnen honderd dagen te rekenen van de bekendmaking bedoeld in § 1 zendt de Minister van Justitie aan de bevoegde benoemingscommissie voor elke kandidaat het benoemingsdossier over met het verzoek over te gaan tot een voordracht van een kandidaat.
In geval van tussenkomst van de algemene vergadering bedoeld in § 3 (en van het college van procureurs-generaal bedoeld in artikel 259sexies, § 1), wordt deze termijn verlengd met veertig dagen. <W 2003-05-03/45, art. 18, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
Met uitzondering van de gerechtelijke stagiairs moeten de kandidaten, al naar gelang, uiterlijk op het einde van de termijn bedoeld in het eerste en het tweede lid voldoen aan de benoemingsvoorwaarden. De gerechtelijke stagiairs (kunnen zich ten vroegste zes maanden voor het einde van de gerechtelijke stage kandidaat stellen en ze) moeten aan de benoemingsvoorwaarden voldoen op het ogenblik van de benoeming. <W 2003-05-03/45, art. 18, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
De benoemingscommissie hoort de kandidaten die binnen honderd dagen te rekenen van de bekendmaking van de vacature als bedoeld in § 1, haar daarom bij een ter post aangetekende brief hebben verzocht. In geval van tussenkomst van de algemene vergadering bedoeld in § 3 (of van het college van procureurs-generaal bedoeld in artikel 259sexies, § 1) wordt deze termijn verlengd met veertig dagen. <W 2003-05-03/45, art. 18, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
(De benoemingscommissie kan ambtshalve beslissen om alle kandidaten te horen.
De benoemingscommissie nodigt de kandidaten uit bij ter post aangetekende brief waarin de plaats en het tijdstip waarop zij zich moeten aanbieden, worden vermeld.
(Van het onderhoud met de kandidaat wordt een geluidsopname gemaakt. Die opname wordt door de Hoge Raad voor de Justitie samen met het dossier over de voordracht bewaard.
Het op deze manier opgenomen onderhoud wordt uitgetikt wanneer de kandidaat bij de Raad van State beroep instelt tegen de benoeming voor de functie waarvoor hij zich kandidaat stelde. Op dezelfde wijze wordt het onderhoud van de kandidaat die tot de genoemde functie werd benoemd, uitgetikt. Daartoe zendt de Minister van Justitie een kopie van het bij de Raad van State ingestelde beroep aan de voorzitter van de betrokken benoemingscommissie. De uitgetikte tekst wordt door de voorzitter en een lid van de benoemingscommissie gelijkluidend verklaard en door tussenkomst van de Minister van Justitie overgezonden aan de Raad van State.) <W 2004-07-09/31, art. 6, 119; Inwerkingtreding : 15-07-2004>
Een kandidaat die niet verschijnt op het door de benoemingscommissie bepaalde tijdstip wordt, behoudens in geval van overmacht, geacht te verzaken aan de mogelijkheid om gehoord te worden. In geval van overmacht, die soeverein door de benoemingscommissie wordt beoordeeld, wordt de kandidaat opnieuw opgeroepen, voor zover daardoor geen afbreuk wordt gedaan aan de termijn waarover de benoemingscommissie beschikt om de voordracht te doen.) <W 2003-05-03/45, art. 18, 111; Inwerkingtreding : onbepaald, uiterlijk op 02-06-2004>
De voordracht gebeurt bij meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen op grond van criteria die betrekking hebben op de bekwaamheid en geschiktheid van de kandidaat.
In geval van een vacature voor de ambten bedoeld in artikel 43, § 4, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, geschiedt de voordracht door de verenigde benoemingscommissie bij meerderheid van twee derden van de stemmen uitgebracht binnen elke benoemingscommissie.
Van de met redenen omklede voordracht wordt een proces-verbaal opgemaakt dat door de voorzitter en een lid van de benoemingscommissie wordt ondertekend.
Binnen veertig dagen na het verzoek tot voordracht deelt de benoemingscommissie bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs of tegen gedagtekend ontvangstbewijs de lijst met de voorgedragen kandidaat en de niet-voorgedragen kandidaten, en het proces-verbaal van voordracht mee aan de Minister van Justitie. Een afschrift van de lijst wordt bij gewone brief aan de kandidaten meegedeeld (evenals aan de korpschef van de vacature en de korpschef van de voorgedragen kandidaat). <W 2003-05-03/45, art. 18, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
(Wordt geen voordracht meegedeeld binnen de voorgeschreven termijn, dan kan de Minister van Justitie vanaf de veertigste dag tot de vijfenvijftigste dag na het verzoek tot voordracht, de benoemingscommissie bij ter post aangetekende brief aanmanen om een voordracht te doen. De benoemingscommissie beschikt over vijftien dagen vanaf de verzending van de aanmaning om vooralsnog een voordracht te doen.) <W 2003-05-03/45, art. 18, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
Wordt geen voordracht meegedeeld binnen de voorgeschreven termijn (of binnen de ingevolge aanmaning verlengde termijn), dan brengt de Minister van Justitie dit binnen vijftien dagen bij een ter post aangetekende brief ter kennis van de kandidaten en wordt een nieuwe oproep tot de kandidaten in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. <W 2003-05-03/45, art. 18, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
§ 5. De Koning beschikt vanaf de ontvangst van de voordracht over zestig dagen om een beslissing te nemen en deze bij een ter post aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs mee te delen aan de benoemingscommissie en de kandidaten (en bij gewone brief aan de korpschef van het rechtscollege of van het openbaar ministerie bij dat rechtscollege waar de benoeming moet geschieden en de korpschef van de kandidaat. Een afschrift van deze gemotiveerde beslissing wordt bij gewone brief meegedeeld aan de benoemingscommissie en aan de procureur-generaal van de plaats waar de eed moet worden afgelegd.). <W 2003-05-03/45, art. 18, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
In geval van gemotiveerde weigering beschikt de benoemingscommissie vanaf de ontvangst van deze beslissing over vijftien dagen om een nieuwe voordracht te doen overeenkomstig de nadere regels bepaald in § 4. (De gemotiveerde weigeringsbeslissing wordt bij een ter post aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs meegedeeld aan de benoemingscommissie en aan de voorgedragen kandidaat. De korpschef van het rechtscollege of van het openbaar ministerie bij dat rechtscollege waar de benoeming moet geschieden, de korpschef van de voorgedragen kandidaat en andere kandidaten worden bij gewone brief op de hoogte gebracht van de weigeringsbeslissing.) <W 2003-05-03/45, art. 18, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
Telkens wanneer de Koning niet beslist binnen de termijn van zestig dagen beschikken de betrokken benoemingscommissie en de kandidaten vanaf de vijfenzestigste dag over een termijn van vijftien dagen om bij een ter post aangetekende brief een aanmaning aan de Koning te betekenen. Wanneer de Koning binnen vijftien dagen na de betekening geen beslissing treft, wordt zijn stilzwijgen geacht een afwijzende beslissing te zijn waartegen beroep bij de Raad van State kan worden ingesteld. Bij ontstentenis van tijdige aanmaning en zo het een eerste voordracht betreft, doet de benoemingscommissie een nieuwe voordracht, overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid; zo het geen eerste voordracht betreft, wordt een nieuwe oproep tot de kandidaten bekendgemaakt.
Afdeling II. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 46, Inwerkingtreding : 02-08-2000> Procedure van aanwijzing in mandaten.
Art. 259quater. <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 46, Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. De korpschefs bedoeld in artikel 58bis, 2°, worden door de Koning aangewezen voor een mandaat van zeven jaar dat binnen hetzelfde rechtscollege of binnen hetzelfde parket niet onmiddellijk hernieuwbaar is.
§ 2. De Minister van Justitie vraagt binnen vijfenveertig dagen na de bekendmaking van de vacature in het Belgisch Staatsblad , een gemotiveerd schriftelijk advies, al naar gelang het geval aan :
1° (de nog in functie zijnde uittredende korpschef) van het rechtscollege of van het openbaar ministerie bij dat rechtscollege waar de aanwijzing moet geschieden; <W 2003-05-03/45, art. 19, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
2° de korpschef van het rechtscollege of van het openbaar ministerie bij dat rechtscollege waar de kandidaat als magistraat werkzaam is; is dit dezelfde persoon als bedoeld in 1°, dan wordt het advies ingewonnen bij de korpschef van het onmiddellijk hogere rechtscollege of van het openbaar ministerie bij dat rechtscollege;
(Voor de magistraten die bij toepassing van artikel 144bis, § 3, eerste en tweede lid, een opdracht krijgen, verstrekt de federale procureur advies indien de betrokkene voltijds voor hem werkt. Zijn de prestaties niet voltijds dan wordt voor het aspect federaal werk, het advies van de federale procureur aan dat van de korpschef toegevoegd. Indien de federale procureur dezelfde persoon is als bedoeld in 1° dan wordt het advies ingewonnen van de voorzitter van het college van procureurs-generaal) <W 2001-06-21/42, art. 16, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
3° een vertegenwoordiger van de balie aangewezen door de orde van advocaten van het gerechtelijk arrondissement waar de kandidaat werkzaam is als magistraat. Voor het gerechtelijk arrondissement Brussel geeft, al naar gelang de magistraat behoort tot de Nederlandse of Franse taalrol, hetzij de vertegenwoordiger van de Nederlandstalige orde, hetzij de vertegenwoordiger van de Franstalige orde advies.
De modaliteiten van (artikel 259ter, § 1, tweede tot vijfde lid) en § 2, eerste tot derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. <W 2003-05-03/45, art. 19, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
(Het aanwijzingsdossier van een korpschef bestaat uitsluitend uit de volgende stukken :
a) de kandidatuur met alle stavingstukken met betrekking tot de studies en beroepservaring;
b) het curriculum vitae;
c) de schriftelijke adviezen bedoeld in het eerste lid en in voorkomend geval de opmerkingen van de kandidaat;
d) het beleidsplan van de kandidaat;
e) de definitieve beoordeling in het evaluatiedossier;
f) de stukken waaruit de betekening van de adviezen aan de kandidaat blijkt.) <W 2003-05-03/45, art. 19, 111; Inwerkingtreding : onbepaald, uiterlijk op 02-06-2004>
§ 3. Voor een aanwijzing tot eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, eerste voorzitter van het hof van beroep of eerste voorzitter van het arbeidshof is artikel 259ter, § 3, van overeenkomstige toepassing. (Indien de algemene vergadering niet het vereiste quorum bereikt, omdat teveel leden van het betrokken hof van beroep of arbeidshof kandidaat zijn voor de functie van korpschef van dat hof, wordt het in artikel 259ter, § 3, bedoelde advies verstrekt door de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie.) <W 2003-05-03/45, art. 19, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
Voor het overige zijn de bepalingen bedoeld in artikel 259ter, §§ 4 en 5, van overeenkomstige toepassing, behoudens voor wat hierna volgt :
1° de voordracht geschiedt tevens op basis van het standaardprofiel bedoeld in artikel 259bis-13;
2° betreft het een aanwijzing tot korpschef bedoeld in de artikelen 43, § 4, 43bis, § 4, eerste lid, en 49, § 2, eerste en vierde lid in fine, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, dan gebeurt de voordracht door de verenigde benoemingscommissie met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen binnen elke benoemingscommissie;
3° (op het ogenblik dat het mandaat daadwerkelijk openvalt moet de kandidaat ten minste zes jaar verwijderd zijn van de leeftijdsgrens bedoeld in artikel 383, § 1;) <W 2003-05-03/45, art. 19, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
(4° de benoemingscommissie hoort alle kandidaten voor een mandaat van korpschef.) <W 2003-05-03/45, art. 19, 111; Inwerkingtreding : onbepaald, uiterlijk op 02-06-2004>
§ 4. De korpschef die uit het rechtscollege of het parket zelf afkomstig is, neemt na het verstrijken van het mandaat het ambt waarin hij op het ogenblik van zijn aanwijzing was benoemd weer op of, al naar gelang, het adjunct-mandaat waarin hij vast was aangewezen, en geniet gedurende twee jaar, of tot op het ogenblik dat hij voor het verstrijken van die termijn in een ander ambt of functie wordt benoemd of aangewezen, de overeenkomstige wedde van korpschef met de daaraan verbonden verhogingen en voordelen.
§ 5. (Een kandidaat van buiten het rechtscollege die tot korpschef wordt aangewezen, wordt, in voorkomend geval in overtal, gelijktijdig in dit rechtscollege benoemd zonder dat artikel 287 van toepassing is(, met uitzondering van de federale procureur die zijn benoeming behoudt.). Wanneer op de personeelsformatie van het rechtscollege alleen in een korpschef voorzien is, geschiedt de benoeming overeenkomstig artikel 100, in voorkomend geval in overtal.) <W 2000-07-17/34, art. 5, 080; Inwerkingtreding : 02-08-2000> <W 2001-06-21/42, art. 16, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
In geval van aanwijzing van een magistraat van de zittende magistratuur tot korpschef bij het openbaar ministerie of van een magistraat bij het openbaar ministerie tot korpschef in een rechtscollege, wordt bij het verstrijken van het mandaat § 4 toegepast.
In de andere gevallen wordt de korpschef bij het verstrijken van het mandaat op zijn verzoek door de Koning opnieuw benoemd in het ambt waarin hij het laatst was benoemd voor zijn aanwijzing tot korpschef. In voorkomend geval wordt tevens het adjunct-mandaat waarin men vast was aangewezen weer opgenomen.
Bij gebrek aan verzoek hiertoe aan de Koning uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van het mandaat, wordt § 4 toegepast.
§ 6. Het openvallen van een mandaat van korpschef leidt tot toepassing van artikel 287.
(Indien het mandaat van eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, procureur-generaal bij het Hof van Cassatie, federale procureur, eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel, procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel, eerste voorzitter van het arbeidshof te Brussel, voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, de arbeidsrechtbank en de rechtbank van koophandel te Brussel en van procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Brussel voortijdig openvalt, zal artikel 287 slechts toegepast worden voorzover op het ogenblik dat het mandaat openvalt men nog twee jaar verwijderd is van de normale einddatum van het mandaat. Indien men minder dan twee jaar verwijderd is, wordt het mandaat voleindigd door de in artikel 319 bedoelde vervanger.
Ingeval van een oproep tot de kandidaten met toepassing van het tweede lid kunnen, op straffe van onontvankelijkheid, uitsluitend diegenen die voldoen aan dezelfde taalvoorwaarden als de korpschef wiens mandaat vroegtijdig een einde nam, hun kandidatuur indienen.
De duur van het mandaat van diegene die met toepassing van het tweede lid tot korpschef wordt aangewezen, is in afwijking van § 1 beperkt tot de nog resterende duur van het mandaat dat vroegtijdig een einde nam.) <W 2003-05-03/45, art. 19, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
(§ 7. De korpschef kan zijn mandaat voortijdig ter beschikking stellen bij ter post aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs. Het mandaat wordt evenwel slechts beëindigd na negen maanden te rekenen vanaf de ontvangst van de terbeschikkingstelling. Deze termijn kan door de Koning, op gemotiveerd verzoek van de betrokken korpschef, worden ingekort.
Onverminderd § 6 zijn de bepalingen van de §§ 4 en 5 van toepassing op de korpschef die zijn mandaat voortijdig ter beschikking stelt, met uitzondering van de bepalingen van § 4 die de wedde en de daaraan verbonden verhogingen en voordelen betreffen.
De korpschef die zijn mandaat voortijdig ter beschikking stelt kan zich gedurende een termijn van twee jaar nadat hij zijn mandaat effectief neerlegde, niet opnieuw kandidaat stellen voor een mandaat van korpschef.) <W 2003-05-03/45, art. 19, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
Art. 259quinquies. <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 46, Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. De titularissen van de adjunct-mandaten bedoeld in artikel 58bis, 3°, worden aangewezen als volgt :
1° de voorzitter en de afdelingsvoorzitters in het Hof van Cassatie, de kamervoorzitters in het hof van beroep en in het arbeidshof en de ondervoorzitters van de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank en de rechtbank van koophandel worden door de bevoegde algemene vergaderingen uit hun midden aangewezen, uit twee kandidaten die door de korpschef op gemotiveerde wijze worden voorgedragen voorzover er voldoende leden zijn die in de voorwaarden verkeren en zich kandidaat hebben gesteld. Voor rechtscolleges met zetel te Brussel geschieden de voordrachten en de aanwijzing per taalgroep volgens de taalrol van het mandaat.
Telt het betrokken rechtscollege minder dan zeven magistraten, dan geschiedt de aanwijzing door de korpschef bij beschikking;
2° de eerste advocaten-generaal bij de hoven, de advocaten-generaal bij het hof van beroep en het arbeidshof en de eerste substituten worden door de Koning aangewezen op gemotiveerde voordracht door de korpschef van twee kandidaten, indien voorhanden.
§ 2. De aanwijzingen in de adjunct-mandaten gebeuren voor een termijn van drie jaar die kan worden hernieuwd na evaluatie. Na negen jaar ambtsvervulling worden zij na evaluatie vast aangewezen.
Bij niet-hernieuwing van het mandaat wordt de procedure bedoeld in § 1 aangevat. In dit geval neemt de magistraat bij het verstrijken van zijn mandaat het ambt of het adjunct-mandaat waarin hij het laatst werd benoemd of vast aangewezen weer op. In voorkomend geval verdwijnt het overtal bij het openvallen van een mandaat van dezelfde rang.
Art. 259sexies. <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 46, Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. De titularissen van de bijzondere mandaten bedoeld in artikel 58bis, 4°, worden aangewezen als volgt :
1° de onderzoeksrechters, de beslagrechters en de rechters in de jeugdrechtbank worden door de Koning aangewezen op voordracht van de bevoegde algemene vergadering uit de kandidaten die op gemotiveerde wijze door de korpschef worden voorgesteld.
Zij worden aangewezen uit de rechters die gedurende ten minste drie jaar het ambt van magistraat van het openbaar ministerie of van rechter in de rechtbank van eerste aanleg hebben uitgeoefend en die voornoemde ambten reeds hebben uitgeoefend krachtens artikel 80, tweede lid, tenzij de Koning van de laatste voorwaarde afwijkt en Hij zijn keuze met bijzondere redenen omkleedt.
Om het ambt van onderzoeksrechter te kunnen uitoefenen, moet men, onverminderd de voorgaande bepalingen, gedurende ten minste een jaar het ambt van rechter in de rechtbank van eerste aanleg hebben uitgeoefend en een gespecialiseerde opleiding hebben gevolgd georganiseerd in het kader van de opleiding van magistraten zoals bedoeld in artikel 259bis-9, § 2;
2° de jeugdrechter in hoger beroep wordt door de Koning aangewezen op voordracht van de bevoegde algemene vergadering uit de kandidaten die op gemotiveerde wijze door de korpschef worden voorgesteld. Hij wordt aangewezen uit de kamervoorzitters en raadsheren;
3° de bijstandsmagistraten en de federale magistraten worden aangewezen uit de leden van het openbaar ministerie die gedurende ten minste vijf jaar het ambt van magistraat van het openbaar ministerie of van onderzoeksrechter hebben uitgeoefend.
De aanwijzing geschiedt door de Koning op voordracht van de verenigde benoemingscommissie overeenkomstig de bepalingen bedoeld in artikel 259ter, §§ 1, 2, 4 en 5.
De Minister van Justitie zendt binnen honderd dagen te rekenen van de bekendmaking van de vacature in het Belgisch Staatsblad aan het college van procureurs-generaal voor elke kandidaat het benoemingsdossier over met het verzoek een gemotiveerd advies uit te brengen over elk van de kandidaten;
dit advies wordt bij hun dossier gevoegd.
Het college van procureurs-generaal hoort de kandidaten die haar binnen honderd dagen te rekenen van de bekendmaking van de vacature zoals bedoeld in het vorige lid daarom bij een ter post aangetekende brief hebben verzocht.
Het college van procureurs-generaal zendt binnen dertig dagen na het verzoek om advies de gemotiveerde adviezen in tweevoud aan de Minister van Justitie over en deelt een afschrift tegen gedagtekend ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs mee aan de betrokken kandidaten. Het ontvangstbewijs wordt gericht aan de Minister van Justitie.
Bij gebrek aan adviezen binnen de vastgestelde termijn over elke kandidaat, wordt met deze adviezen geen rekening gehouden, hetgeen uiterlijk acht dagen na het verstrijken van die termijn door de Minister van Justitie bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs wordt meegedeeld aan de betrokken kandidaten.
§ 2. De onderzoeksrechters, de beslagrechters en de rechters in de jeugdrechtbank worden aangewezen voor een termijn van een jaar, die na evaluatie een eerste maal voor twee jaar en vervolgens telkens voor vijf jaar kan worden hernieuwd.
De jeugdrechters in hoger beroep worden aangewezen voor een termijn van drie jaar die na evaluatie telkens voor vijf jaar kan worden hernieuwd.
De bijstandsmagistraten en de federale magistraten worden aangewezen voor een termijn van vijf jaar, die na evaluatie tweemaal kan worden hernieuwd.
(De magistraten van het openbaar ministerie die worden aangewezen tot federaal magistraat kunnen vervangen worden door een benoeming en, in voorkomend geval, een aanwijzing in overtal.) <W 2003-05-03/45, art. 20, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
§ 3. Ingeval een bijzonder mandaat niet wordt hernieuwd, wordt de procedure bedoeld in § 1 aangevat.
(De bijstandsmagistraat en de federale magistraat nemen na het verstrijken van hun mandaat het ambt waarin zij zijn benoemd weer op en in voorkomend geval het adjunct-mandaat waarin zij zijn aangewezen.
Zijn zij niet vast aangewezen in een adjunct-mandaat, dan wordt hun adjunct-mandaat voor de duur van deze bijzondere mandaten geschorst.
Het bijzonder mandaat van bijstandsmagistraat of federale magistraat neemt een einde wanneer de betrokkene een opdracht als bedoeld in de artikelen 308, 323bis, 327 en 327bis aanvaardt.) <W 2001-06-21/42, art. 17, 085; Inwerkingtreding : 20-07-2001>
Art. 259septies. <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 46, Inwerkingtreding : 02-08-2000> De uitoefening van een mandaat van korpschef is onverenigbaar met de uitoefening van een adjunct-mandaat en met de uitoefening van een bijzonder mandaat indien dit laatste buiten het rechtscollege gebeurt.
De uitoefening van een adjunct-mandaat is verenigbaar met de uitoefening van een bijzonder mandaat voor zover dit binnen hetzelfde rechtscollege gebeurt.
(Een aanwijzing in een adjunct-mandaat overeenkomstig artikel 259quinquies is uitsluitend mogelijk in het rechtscollege waar de magistraat op de personeelsformatie wordt aangerekend.
Met uitzondering van de mandaten van bijstandsmagistraat en van federaal magistraat is de aanwijzing in een bijzonder mandaat overeenkomstig artikel 259sexies uitsluitend mogelijk in het rechtscollege waar de magistraat op de personeelsformatie aangerekend wordt.) <W 2000-07-17/34, art. 6, 080; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
HOOFDSTUK Vquater. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 47, Inwerkingtreding : 02-08-2000> De gerechtelijke stage.
Art. 259octies. <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 47, Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit voor elk gerechtelijk jaar het aantal vacante plaatsen van gerechtelijk stagiair voor de Nederlandse en voor de Franse taalrol.
De Minister van Justitie benoemt de kandidaten die geslaagd zijn voor het vergelijkend toelatingsexamen tot het ambt van gerechtelijk stagiair en wijst het arrondissement aan waar de stage wordt doorgemaakt met voorrang volgens de rangschikking.
De kandidaten die zich voor het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage inschrijven moeten, op het ogenblik van hun inschrijving, doctor of licentiaat in de rechten zijn en tijdens de periode van drie jaar voorafgaand aan de inschrijving gedurende ten minste een jaar als voornaamste beroepsactiviteit hetzij een stage bij de balie hebben doorlopen, hetzij andere juridische functies hebben uitgeoefend.
De geslaagden voor het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage kunnen uiterlijk drie jaar na de afsluiting van het examen benoemd worden tot gerechtelijk stagiair. Onder geslaagden voor twee of meer vergelijkende toelatingsexamens voor de gerechtelijke stage, wordt voorrang verleend aan de geslaagden voor het vergelijkend examen waarvan het proces-verbaal op de verst afgelegen datum is afgesloten.
De kandidaturen voor dit vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage moeten worden ingediend binnen een maand na de bekendmaking van de oproep tot de kandidaten in het Belgisch Staatsblad.
§ 2. De stage die toegang geeft tot het ambt van lid van de zittende magistratuur of van magistraat van het openbaar ministerie heeft een duur van drie jaar. Zij behelst een theoretische opleiding bestaande uit een cyclus van cursussen georganiseerd door de Minister van Justitie overeenkomstig artikel 259bis-9, en een praktische vorming die verloopt in verschillende opeenvolgende stadia :
- van de 1e tot en met de 15e maand bij het parket van de procureur des Konings en/of van de arbeidsauditeur (...); deze periode omvat eveneens een maand in een administratieve dienst van een of meer parketten; <W 2003-04-10/59, art. 92, 107; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
- (van de 16e tot en met de 21e maand in een strafinrichting, een politiedienst, (het federaal parket,) een kantoor van een notaris of van een gerechtsdeurwaarder, of in een juridische dienst van een openbare economische of sociale instelling, alle gevestigd binnen het Rijk of de Europese Unie;) <W 2001-06-15/34, art. 7, 085; Inwerkingtreding : 21-07-2001> <W 2001-06-21/42, art. 18, 091; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
- van de 22e tot en met de 36e maand in een of meer kamers van een rechtbank van eerste aanleg, van een arbeidsrechtbank of van een rechtbank van koophandel (...); deze periode omvat eveneens een maand in een of meer griffies. <W 2003-04-10/59, art. 92, 107; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
(De parketjuristen bij de rechtbanken van eerste aanleg die ten minste drie jaar graadanciënniteit hebben, zijn vrijgesteld van het in het voormelde lid bepaalde eerste stadium. De referendarissen bij de hoven van beroep en bij de rechtbanken van eerste aanleg die ten minste drie jaar graadanciënniteit hebben, zijn vrijgesteld van het in het voorgaande lid bedoelde derde stadium.) <W 1999-03-24/31, art. 5, 070; Inwerkingtreding : 17-04-1999>
De gerechtelijk stagiair staat onder leiding van twee stagemeesters die met zijn opleiding zijn belast. Vooraf wijst de korpschef van het betrokken parket twee magistraten van het openbaar ministerie aan die de taak van eerste stagemeester voor het eerste en het tweede stadium zullen waarnemen. (De leden van het federaal parket kunnen niet tot stagemeester worden aangewezen.) Op dezelfde wijze worden door de voorzitter bij iedere rechtbank twee leden van de zittende magistratuur aangewezen die de taak van tweede stagemeester voor het derde stadium zullen waarnemen. <W 2001-06-21/42, art. 18, 091; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
Na de 12e en voor het einde van de 21e maand van de opleiding dient de eerste stagemeester onverwijld bij de korpschef een uitvoerig verslag in omtrent het eerste en het tweede stadium van de opleiding. Een afschrift van dit verslag wordt door de procureur-generaal (...) overgezonden aan de Minister van Justitie en aan de bevoegde benoemings- en aanwijzingscommissie. <W 2003-04-10/59, art. 92, 107; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
Voor het einde van de 33e maand van de opleiding dient de tweede stagemeester onverwijld bij de voorzitter van de rechtbank een uitvoerig verslag in omtrent het derde stadium van de opleiding. Een afschrift van dit verslag wordt door de eerste voorzitter overgezonden aan de bevoegde benoemingscommissie en aan de procureur-generaal (...), die het op zijn beurt toezendt aan de Minister van Justitie en aan de bevoegde benoemings- en aanwijzingscommissie. Indien nodig zendt de tweede stagemeester, op dezelfde wijze, een aanvullend verslag over omtrent de laatste drie stagemaanden. <W 2003-04-10/59, art. 92, 107; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
§ 3. De stage die toegang geeft tot het ambt van magistraat van het openbaar ministerie heeft een duur van 18 maanden.
Zij behelst een theoretische opleiding bestaande uit een cyclus van cursussen georganiseerd door de Minister van Justitie overeenkomstig artikel 259bis-9, en een praktische vorming die verloopt in verschillende opeenvolgende stadia :
- van de 1e tot en met de 12e maand bij het parket van de procureur des Konings en/of van de arbeidsauditeur (...); deze periode omvat eveneens een maand in een administratieve dienst van een of meer parketten; <W 2003-04-10/59, art. 92, 107; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
- (van de 13e tot en met de 15e maand in een strafinrichting, een politiedienst (, het federaal parket) of in een juridische dienst van een openbare economische of sociale instelling, alle gevestigd binnen het Rijk of de Europese Unie;) <W 2001-06-15/34, art. 7, 085; Inwerkingtreding : 21-07-2001> <W 2001-06-21/42, art. 18, 091; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
- van de 16e tot en met de 18e maand bij het parket van de procureur des Konings en/of van de arbeidsauditeur en/of van de krijgsauditeur.
(De parketjuristen bij de rechtbanken van eerste aanleg die ten minste drie jaar graadanciënniteit hebben, zijn vrijgesteld van het in het voorgaande lid bedoelde eerste stadium.) <W 1999-03-24/31, art. 6, 070; Inwerkingtreding : 17-04-1999>
De gerechtelijk stagiair staat onder leiding van een stagemeester.
Vooraf wijst de korpschef bij ieder parket twee magistraten van het openbaar ministerie aan die de taak van stagemeester zullen waarnemen. (De leden van het federaal parket kunnen niet tot stagemeester worden aangewezen.) Vóór het einde van de 15e maand van de opleiding dient de stagemeester onverwijld bij de korpschef een uitvoerig verslag in omtrent het eerste en het tweede stadium van de opleiding. Een afschrift van dit verslag wordt aan de bevoegde benoemingscommissie overgezonden en door de procureur-generaal (...) overgezonden aan de Minister van Justitie. Indien nodig zendt de stagemeester, op dezelfde wijze, een aanvullend verslag over omtrent de laatste drie stagemaanden. <W 2001-06-21/42, art. 18, 091; Inwerkingtreding : 21-05-2002> <W 2003-04-10/59, art. 92, 107; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
§ 4. Vóór het einde van de 11e maand brengt de stagiair de eerste stagemeester op de hoogte van zijn keuze omtrent het verdere verloop van zijn stage met toepassing van § 2 of van § 3. De eerste stagemeester deelt dit mede aan de procureur-generaal, die het op zijn beurt meedeelt aan de Minister van Justitie.
§ 5. Zowel de stagiair vermeld in § 2 als de stagiair vermeld in § 3 ontvangt een afschrift van het stageverslag.
Indien de inhoud van een of meer verslagen ongunstig is, geeft de korpschef advies, na de betrokkene te hebben gehoord. Van de inachtneming van dit voorschrift wordt melding gemaakt in het aan de Minister van Justitie toegezonden verslag.
§ 6. Wegens professionele ongeschiktheid of om ernstige redenen kan de Minister van Justitie de stage, op gemotiveerd advies van de korpschef en de bevoegde benoemingscommissie, vroegtijdig beëindigen, na de betrokkene te hebben gehoord, en met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden. De opzegtermijn gaat in na het verstrijken van de kalendermaand waarin de opzegging ter kennis wordt gebracht van de betrokkene.
In dat geval is de betrokkene tijdens de opzegtermijn onderworpen aan het statuut van de tijdelijke ambtenaren bedoeld in de artikelen 8, 16 en 17 van het besluit van de Regent van 30 april 1947 houdende vaststelling van het statuut van het tijdelijk personeel.
De stage kan om gegronde redenen worden geschorst door de Minister van Justitie, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de betrokkene.
In geval van een onafgebroken schorsing of afwezigheid van meer dan een maand wordt de stage van rechtswege met eenzelfde termijn verlengd zonder dat deze verlenging meer dan een jaar kan bedragen in het kader van de stage bedoeld in § 2 en zes maanden in het kader van de stage bedoeld in § 3.
(De twee vorige leden zijn niet van toepassing op de in artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971 bedoelde verloven met betrekking tot moederschapsbescherming, die worden gelijkgesteld met stageperiodes.) <W 2003-05-03/45, art. 21, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
De Minister van Justitie kan de duur van de stage in een rechtbank of bij een parket met een of twee perioden van zes maanden verlengen wanneer bij het einde van respectievelijk de 36e maand of de 18e maand de benoeming van de stagiair niet kan plaatshebben bij gebrek aan een openstaande plaats waarvoor de stagiair in aanmerking komt voor benoeming. (Gedurende deze periodes, kan de stagiair een rechter vervangen.) <W 2003-12-22/53, art. 11, 116; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
§ 7. De gerechtelijke stagiairs benoemd overeenkomstig § 1 worden in die hoedanigheid in dienst genomen nadat zij de eed hebben afgelegd die bepaald is in artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831 betreffende de eed.
De stagiair heeft niet de hoedanigheid van magistraat.
(De stagiair heeft, voor de duur van de stage bij het parket van de procureur des Konings of voor de duur van de stage bij het parket van de arbeidsauditeur, de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier respectievelijk van de procureur des Konings en van de arbeidsauditeur, maar mag in deze hoedanigheid niet optreden dan na aanstelling door de procureur-generaal.) <W 2003-04-10/59, art. 92, 107; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
Na 6 maanden stage kan hij door de procureur-generaal (...) worden aangesteld om het ambt van openbaar ministerie geheel of ten dele uit te oefenen, enkel voor de duur van de stage bij het parket van de procureur des Konings en/of van de arbeidsauditeur (...). <W 2003-04-10/59, art. 92, 107; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
In geval van stage als bedoeld in § 2, kan de stagiair als griffier toegevoegd worden na 15 maanden stage overeenkomstig artikel 329.
In geval van stage als bedoeld in § 2, staat de gerechtelijk stagiair de rechter of de rechters bij uit wie de kamer van de rechtbank waarvoor hem dienstaanwijzing is verleend, is samengesteld. Hij woont de beraadslagingen bij, maar kan geen rechter vervangen.
Deze dienstaanwijzingen worden ter kennis gebracht van de stagemeester bedoeld in § 2 of § 3, en van de respectieve korpschef.
Het ambt van gerechtelijk stagiair is onverenigbaar met iedere andere bezoldigde betrekking. De Minister van Justitie kan evenwel op advies van de procureur-generaal (...), aan de belanghebbende toestemming verlenen tot het uitoefenen van de ambten bedoeld in artikel 294, eerste lid. <W 2003-04-10/59, art. 92, 107; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
§ 8. De gerechtelijk stagiair ontvangt een jaarwedde gelijk aan die van een ambtenaar met de laagste graad van niveau 1, behorend tot het personeel der ministeries, maandelijks betaalbaar na vervallen termijn.
Hij geniet de bijslagen, vergoedingen en bijkomende bezoldigingen die aan het personeel der ministeries worden toegekend.
Artikel 362 is van toepassing.
De wedde wordt gekoppeld aan het indexcijfer 138,01.
De gehele wetgeving betreffende de sociale zekerheid van de werknemers, met uitzondering van die betreffende de jaarlijkse vakantie, is op de gerechtelijk stagiair toepasselijk.
HOOFDSTUK Vquinquies. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 48, Inwerkingtreding : 02-08-2000> De evaluatie van magistraten.
Afdeling I. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 48, Inwerkingtreding : 02-08-2000> Algemene bepalingen.
Art. 259nonies. <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 48, Inwerkingtreding : 02-08-2000> De werkende beroepsmagistraten worden onderworpen aan een gemotiveerde schriftelijke evaluatie, hetzij een periodieke evaluatie wanneer het een benoeming betreft, hetzij een evaluatie van het mandaat wanneer het een adjunct-mandaat of een bijzonder mandaat betreft.
Deze evaluaties geschieden binnen dertig dagen na het verstrijken van de termijnen bepaald in dit hoofdstuk. Er kan vervroegd worden overgegaan tot een nieuwe evaluatie wanneer zich sedert de laatste evaluatie bijzondere feiten hebben voorgedaan of bijzondere vaststellingen zijn gedaan.
De periodieke evaluatie kan leiden tot een beoordeling "zeer goed", "goed", "voldoende" of "onvoldoende". De evaluatie van de titularissen van een adjunct-mandaat en van een bijzonder mandaat kan leiden tot een beoordeling "goed" of "onvoldoende".
De evaluatie slaat op de wijze van ambtsuitoefening, met uitsluiting van de inhoud van een rechterlijke beslissing, en geschiedt op grond van criteria die betrekking hebben op de persoonlijkheid en de intellectuele, professionele en organisatorische capaciteiten.
De Koning bepaalt op voorstel van de Hoge Raad de evaluatiecriteria en de weging van deze criteria rekening houdend met de eigenheid van de ambten en mandaten, en stelt nadere regels voor de toepassing van deze bepalingen op.
De evaluatie wordt voorafgegaan door een of meerdere functioneringsgesprekken tussen de geëvalueerde en ten minste een van zijn beoordelaars. De korpschef (of aan de voorzitter van de algemene vergadering van vrederechters en rechters in de politierechtbank) zendt bij gedagtekend ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs een afschrift van de voorlopige beoordeling aan de betrokkene. <W 2001-03-13/36, art. 6, 083; Inwerkingtreding : 30-03-2001>
De betrokkene kan op straffe van verval binnen een termijn van tien dagen te rekenen van de kennisgeving van de voorlopige beoordeling, zijn schriftelijke opmerkingen bij gedagtekend ontvangstbewijs of bij ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs bezorgen aan de korpschef (of de voorzitter van de algemene vergadering van vrederechters en rechters in de politierechtbank), die het origineel bij het evaluatiedossier voegt (...). Binnen tien dagen na de ontvangst van de opmerkingen, zendt de korpschef (of de voorzitter van de algemene vergadering van vrederechters en rechters in de politierechtbank) een afschrift van de definitieve beoordeling aan de Minister van Justitie en bij gedagtekend ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs aan de betrokkene. <W 2001-03-13/36, art. 6, 083; Inwerkingtreding : 30-03-2001> <W 2003-05-03/45, art. 20, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
De evaluatiedossiers berusten bij de korpschef (of de voorzitter van de algemene vergadering van vrederechters en rechters in de politierechtbank). Een afschrift van de (definitieve beoordelingen) wordt bewaard bij de Minister van Justitie gedurende ten minste tien jaar. De evaluaties zijn vertrouwelijk en kunnen te allen tijde door de betrokkenen ingekeken worden. <W 2001-03-13/36, art. 6, 083; Inwerkingtreding : 30-03-2001> <W 2003-05-03/45, art. 20, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
Afdeling II. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 48, Inwerkingtreding : 02-08-2000> De periodieke evaluatie.
Art. 259decies. <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 48, Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. De periodieke evaluatie van een magistraat vindt de eerste maal plaats een jaar te rekenen van de eedaflegging in het ambt waarin hij moet beoordeeld worden en vervolgens om de drie jaar. (De vervroegde evaluatie bedoeld in artikel 259nonies, tweede lid, doet geen afbreuk aan het tijdstip waarop de evaluatie gebruikelijk moet geschieden.) <W 2003-05-03/45, art. 23, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
§ 2. De evaluatie geschiedt bij volstrekte meerderheid van stemmen door de korpschef (of de voorzitter van de algemene vergadering van vrederechters en rechters in de politierechtbank) en twee magistraten, verkozen door de algemene vergadering of de korpsvergadering. De beoordelaars moeten ten minste de beoordeling "goed" hebben. De twee magistraten worden verkozen voor een hernieuwbare termijn van vijf jaar uit de leden van het rechtscollege of van het openbaar ministerie bij dat rechtscollege. Telt het rechtscollege of het openbaar ministerie bij een rechtscollege minder dan vijf leden in de personeelsformatie, dan geschiedt de evaluatie door de korpschef. <W 2001-03-13/36, art. 7, 083; Inwerkingtreding : 30-03-2001>
In de rechtscolleges met zetel te Brussel en het openbaar ministerie bij deze rechtscolleges worden met het oog op de evaluatie uit en door elke taalgroep van de algemene vergadering of de korpsvergadering twee magistraten gekozen die samen met de korpschef belast zijn met de evaluatie van de magistraten die behoren tot hun taalrol.
(Voor de vrederechters, de rechters in de politierechtbank, de toegevoegde vrederechters en de toegevoegde rechters in de politierechtbank worden de twee magistraten bedoeld in het vorige lid zo verkozen door en uit de leden van de algemene vergadering van vrederechters en rechters in de politierechtbank dat er steeds enerzijds een vrederechter of een toegevoegd vrederechter en anderzijds een rechter of toegevoegd rechter in de politierechtbank onder de beoordelaars is en dat er ten minste één onder hen uit een ander arrondissement komt. Ten minste één van de aldus, door de algemene vergadering van vrederechters en rechters in de politierechtbank van het rechtsgebied van het hof van beroep te Luik, aangewezen beoordelaars of hun plaatsvervangers dient het bewijs leveren van de kennis van de Duitse taal.
Voor wat het hof van beroep te Brussel betreft worden twee algemene vergaderingen van vrederechters en rechters in de politierechtbank opgericht volgens de taal van het diploma van de betrokken vrederechter, rechter in de politierechtbank, toegevoegde vrederechter of toegevoegde rechter in de politierechtbank.) <W 2001-03-13/36, art. 7, 083; Inwerkingtreding : 30-03-2001>
Heeft de evaluatie betrekking op het ambt van toegevoegd substituut-procureur des Konings, toegevoegd substituut-arbeidsauditeur of toegevoegd rechter, dan geschiedt deze, al naar gelang het geval, door de korpschef van het hof van beroep, van het arbeidshof of van het openbaar ministerie bij deze rechtscolleges in het rechtsgebied waar de benoeming is gebeurd samen met de twee magistraten die verkozen zijn door de algemene vergadering of de korpsvergadering van het rechtscollege waar de betrokkene werkzaam is.
§ 3. De beoordeling "onvoldoende" geeft aanleiding tot de toepassing (van artikel 360quater). <W 2002-12-27/30, art. 2, 099; Inwerkingtreding : 01-10-2002>
Afdeling III. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 48, Inwerkingtreding : 02-08-2000> De evaluatie van mandaten.
Art. 259undecies. <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 48, Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. De evaluatie van de titularissen van een adjunct-mandaat en van een bijzonder mandaat vindt plaats op het einde van elke termijn waarvoor het mandaat is verleend en geschiedt uiterlijk vier maanden voor het verstrijken van de termijn op de wijze bedoeld in artikel 259decies, § 2, met uitzondering van de bijstandsmagistraat (...) die (wordt) onderworpen aan een evaluatie door het college van procureurs-generaal. <W 2001-06-21/42, art. 19, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
§ 2. Krijgt de titularis van een adjunct-mandaat of een bijzonder mandaat de beoordeling "goed", dan wordt zijn mandaat hernieuwd. Is de beoordeling "onvoldoende" dan is, al naar gelang het geval, de procedure bedoeld in artikel 259quinquies of 259sexies van toepassing. (De korpschef zendt aan de Federale Overheidsdienst Justitie een beschikking over waarin de verlenging of het einde van het mandaat wordt vastgesteld.) <W 2003-05-03/45, art. 24, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
De titularissen van een adjunct-mandaat die na negen jaar vast aangewezen zijn, worden onderworpen aan een periodieke evaluatie.
HOOFDSTUK Vsexies. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 49, Inwerkingtreding : 02-08-2000> Referendarissen bij het Hof van Cassatie.
Art. 259duodecies. <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 49, Inwerkingtreding : 02-08-2000> Om tot referendaris bij het Hof van Cassatie te worden benoemd, moet men volle vijfentwintig jaar oud zijn en doctor of licentiaat in de rechten zijn.
De kandidaten worden met het oog op hun benoeming gerangschikt op grond van een vergelijkend examen.
Het Hof stelt de examenstof vast rekening houdend met de behoeften van de dienst. Het bepaalt de voorwaarden van het vergelijkend examen en stelt de examencommissies aan.
Met inachtneming van het taalevenwicht bestaat elke examencommissie uit twee leden van het Hof aangewezen door de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, twee leden van het parket aangewezen door de procureur-generaal bij het Hof en vier buiten de instelling staande personen die door de Koning worden aangewezen uit twee lijsten van vier kandidaten, elk met inachtneming van het taalevenwicht, die respectievelijk door de eerste voorzitter en procureur-generaal voorgedragen worden.
De examenuitslag blijft drie jaar geldig.
Art. 259terdecies. <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 49, Inwerkingtreding : 02-08-2000> De referendarissen worden door de Koning benoemd voor een stage van drie jaar volgens de rangschikking bedoeld in artikel 259duodecies.
Na drie jaar wordt de benoeming definitief tenzij de Koning, uitsluitend op voorstel van al naar het geval de eerste voorzitter of de procureur-generaal, anders beslist, ten laatste tijdens het derde kwartaal van het derde stagejaar.
De eerste voorzitter van het Hof van Cassatie en de procureur-generaal bij dit Hof wijzen in onderlinge overeenstemming de referendarissen-stagiairs en de definitief benoemde referendarissen aan die onder het gezag van de ene en die onder het gezag van de andere komen te staan.
Art. 259quaterdecies. <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 49, Inwerkingtreding : 02-08-2000> De jaren als referendaris bij het Hof van Cassatie doorgebracht, komen in aanmerking voor de berekening van de anciënniteit in elke administratieve of gerechtelijke functie of in een functie bij het Arbitragehof of bij de Raad van State, die de referendarissen nadien zouden bekleden.
HOOFDSTUK VI. - Griffiers.
Art. 260. De hoofdgriffiers, (...), de griffiers en de (adjunct-griffiers) worden benoemd door de Koning. <W 1997-02-17/50, art. 32, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
In de arbeidsgerechten worden de benoemingen verricht op gezamenlijke voordracht van de ministers die de Arbeid en de Justitie in hun bevoegdheid hebben.
Art. 261. <W 1997-02-17/50, art. 33, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997> De griffiers-hoofden van dienst bij de griffie van een rechtbank worden door de Koning benoemd uit de griffiers bij de rechtbank, op voordracht van de voorzitter van de rechtbank of, in voorkomend geval, van de oudstbenoemde (rechter in de politierechtbank), en van de hoofdgriffier. <W 2001-03-13/36, art. 8, 083; Inwerkingtreding : 30-03-2001>
De griffiers-hoofden van dienst bij de griffie van het Hof van Cassatie, van een hof van beroep of van een arbeidshof worden door de Koning benoemd uit de griffiers bij het hof, op voordracht van de eerste voorzitter en van de hoofdgriffier.
Zij worden aangewezen voor drie jaar. Deze aanwijzing kan telkens voor drie jaar worden vernieuwd; na negen jaar ambtsvervulling worden zij vast benoemd.
Art. 262. De griffiers en de (adjunct-griffiers) worden benoemd uit twee dubbeltallen; het ene wordt naar gelang van het geval voorgedragen door de vrederechter, de rechter in de politierechtbank, de voorzitter van de rechtbank of de eerste voorzitter van het hof, het andere door de hoofdgriffier (...). <W 1997-02-17/50, art. 34, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
Art. 263. <W 1997-02-17/50, art. 35, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997> § 1. Om tot hoofdgriffier van een vredegerecht of van een politierechtbank te worden benoemd, moet de kandidaat :
1° volle vijfendertig jaar oud zijn;
2° a) licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij de griffie van een hof, van een rechtbank, van een vredegerecht of van een politierechtbank hebben uitgeoefend;
b) of houder zijn van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ofwel ten minste vijf jaar het ambt van griffier, ofwel ten minste tien jaar het ambt van adjunct-griffier hebben uitgeoefend bij een hof, een rechtbank, een vredegerecht of een politierechtbank.
§ 2. Om tot griffier bij een vredegerecht of bij een politierechtbank te worden benoemd, moet de kandidaat :
1° volle vijfentwintig jaar oud zijn;
2° a) licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij de griffie van een hof, van een rechtbank, van een vredegerecht of van een politierechtbank hebben uitgeoefend;
b) of houder zijn van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ofwel ten minste adjunct-griffier zijn bij een hof, een rechtbank, een vredegerecht of een politierechtbank, ofwel ten minste vijf jaar het ambt van opsteller of van beambte hebben uitgeoefend bij de griffie van een hof, van een rechtbank, van een vredegerecht of van een politierechtbank.
Art. 264. <W 1997-02-17/50, art. 36, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997> Om tot hoofdgriffier van een rechtbank van eerste aanleg, van een arbeidsrechtbank of van een rechtbank van koophandel te worden benoemd, moet de kandidaat :
1° volle vijfendertig jaar oud zijn;
2° a) licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij de griffie van een hof, van een rechtbank, van een vredegerecht of van een politierechtbank hebben uitgeoefend;
b) of houder zijn van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ofwel ten minste tien jaar het ambt van griffier of van adjunct-griffier hebben uitgeoefend bij een hof, een rechtbank van eerste aanleg, een arbeidsrechtbank of een rechtbank van koophandel, ofwel hoofdgriffier zijn van een vredegerecht of van een politierechtbank.
Art. 265. <W 1997-02-17/50, art. 37, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997> Om tot griffier bij een rechtbank van eerste aanleg, bij een arbeidsrechtbank of bij een rechtbank van koophandel te worden benoemd, moet de kandidaat :
1° volle vijfentwintig jaar oud zijn;
2° a) licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij de griffie van een hof, van een rechtbank, van een vredegerecht of van een politierechtbank hebben uitgeoefend;
b) of houder zijn van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ofwel ten minste adjunct-griffier zijn bij een hof, een rechtbank, een vredegerecht of een politierechtbank, ofwel ten minste vijf jaar het ambt van opsteller of van beambte hebben uitgeoefend bij de griffie van een hof, van een rechtbank, van een vredegerecht of van een politierechtbank.
Art. 266. <W 1997-02-17/50, art. 38, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997> Om tot hoofdgriffier van een hof van beroep of van een arbeidshof te worden benoemd, moet de kandidaat :
1° volle vijfendertig jaar oud zijn;
2° a) licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij de griffie van een hof hebben uitgeoefend;
b) of houder zijn van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ofwel ten minste vijf jaar het ambt van griffier bij een hof van beroep of een arbeidshof hebben uitgeoefend, ofwel hoofdgriffier zijn van een rechtbank van eerste aanleg, van een arbeidsrechtbank of van een rechtbank van koophandel.
Art. 266bis. <W 10-01-1975, art. 1> In afwijking van de bepalingen van artikel 266 kan de koning, voor de eerste benoemingen tot hoofdgriffier van de hoven van beroep en van de arbeidshoven van Antwerpen en Bergen, de personen benoemen, die vijfendertig jaar oud zijn en die, respectievelijk, vijf jaar het ambt van griffier bij een hof van beroep of, sedert 1 november 1970, het ambt van griffier bij een arbeidshof hebben uitgeoefend.
Art. 267. <W 1997-02-17/50, art. 39, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997> Om tot griffier bij een hof van beroep of bij een arbeidshof te worden benoemd, moet de kandidaat :
1° volle vijfentwintig jaar oud zijn;
2° a) licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij de griffie van een hof, van een rechtbank, van een vredegerecht of van een politierechtbank hebben uitgeoefend;
b) of houder zijn van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ten minste vijf jaar ofwel het ambt hebben uitgeoefend van griffier bij een rechtbank, een vredegerecht of een politierechtbank, ofwel van adjunct-griffier bij een hof.
Art. 268. <W 1997-02-17/50, art. 40, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997> Om tot hoofdgriffier van het Hof van Cassatie te worden benoemd, moet de kandidaat :
1° volle vijfendertig jaar oud zijn;
2° licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij de griffie van een hof hebben uitgeoefend.
Art. 269. <W 1997-02-17/50, art. 41, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997> Om tot griffier bij het Hof van Cassatie te worden benoemd, moet de kandidaat :
1° volle vijfentwintig jaar oud zijn;
2° a) licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij de griffie van een hof hebben uitgeoefend;
b) of houder zijn van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ten minste vijf jaar ofwel het ambt van griffier bij een hof hebben uitgeoefend, ofwel van adjunct-griffier bij het Hof van Cassatie of van attaché in de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie.
Art. 269bis. <W 1997-02-17/50, art. 42, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997> Om tot adjunct-griffier bij een gerecht te worden benoemd, moet de kandidaat :
1° volle eenentwintig jaar oud zijn;
2° a) licentiaat in de rechten zijn;
b) of houder zijn van een diploma of een getuigschrift in aanmerking komend voor de toelating tot een ambt van het niveau 1 bij de Rijksbesturen, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-griffier;
c) of houder zijn van een diploma of een getuigschrift in aanmerking komend voor de toelating tot een ambt van het niveau 2 bij de Rijksbesturen, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ten minste drie jaar het ambt van opsteller of beambte hebben uitgeoefend bij een griffie of een parketsecretariaat.
De benoeming tot adjunct-griffier van een persoon die voldoet aan de in het eerste lid, 2°, a) of b) bepaalde benoemingsvoorwaarden, die voordien niet ten minste één jaar een ambt ten minste gelijk aan dat van beambte bij een griffie of een parketsecretariaat heeft uitgeoefend, wordt eerst vast na één jaar ambtsvervulling.
Tijdens dat jaar kan de Koning aan het voorlopig uitgeoefende ambt een einde maken op advies, naar gelang van het geval, van de eerste voorzitter, van de voorzitter, van de vrederechter of van de rechter in de politierechtbank, dat aan de minister van Justitie rechtstreeks wordt overgezonden door de hoofdgriffier die er het zijne aan toevoegt.
Het door de Koning vastgesteld statuut is van toepassing op de voorlopig benoemde adjunct-griffier.
Art. 269ter. <Ingevoegd bij W 1997-02-17/50, art. 43, 044; ED : 01-07-1997> De Koning organiseert het examen met het oog op de afgifte van het getuigschrift van kandidaat-griffier bedoeld in de artikelen 263, 264, 265, 266, 267, 269 en 269bis. Aan dat examen kan alleen worden deelgenomen door personen die, op het tijdstip van de afsluiting der inschrijvingen, voldoen aan de in artikel 269bis, eerste lid, 2°, b) of c), bepaalde benoemingsvoorwaarden inzake diploma en anciënniteit.
HOOFDSTUK VII. - Griffiepersoneel.
Art. 270. <W 1997-02-17/50, art. 44, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997> Om tot opsteller bij de griffie van een gerecht te worden benoemd, moet de kandidaat :
1° houder zijn van een diploma of een getuigschrift in aanmerking komend voor de toelating tot een ambt van het niveau 2 bij de Rijksbesturen;
2° vast benoemd zijn en gedurende ten minste twee jaar het ambt van beambte hebben uitgeoefend bij een griffie of een parketsecretariaat;
3° geslaagd zijn voor een examen door de Koning georganiseerd voor een examencommissie die wordt ingesteld door de minister van Justitie. Aan dat examen kan alleen worden deelgenomen door personen die, op het tijdstip van de afsluiting der inschrijvingen, voldoen aan de in het 1° en het 2° bepaalde benoemingsvoorwaarden. Licentiaten in de rechten en houders van het getuigschrift van kandidaat-griffier of kandidaat-secretaris zijn van het examen vrijgesteld.
Art. 271. (Om tot beambte bij de griffie van een gerecht te worden benoemd, moet de kandidaat) : <W 1997-05-20/46, art. 10, 053; Inwerkingtreding : 01-09-1997>
1° volle achttien jaar oud zijn;
(2° geslaagd zijn voor een vergelijkend examen door de Koning georganiseerd voor een examencommissie die wordt ingesteld door de minister van Justitie. Licentiaten in de rechten en houders van het getuigschrift van kandidaat-griffier of kandidaat-secretaris zijn van het vergelijkend examen vrijgesteld.) <W 1997-02-17/50, art. 45, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
De benoeming van een beambte wordt eerst vast na één jaar ambtsvervulling.
(Tijdens dat jaar kunnen de ministers die bevoegd zijn voor de Arbeid en de Justitie, wat de arbeidshoven en de arbeidsrechtbanken betreft, en de minister van Justitie, wat het Hof van Cassatie en de andere hoven en rechtbanken betreft, aan het voorlopig uitgeoefende ambt een einde maken op advies van de hoofdgriffier, die het rechtstreeks aan de bevoegde minister overzendt.) <W 1997-02-17/50, art. 45, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
Het door de Koning vastgesteld statuut is van toepassing op de voorlopig benoemde beambte.
Art. 272. (Opgeheven) <W 1997-05-20/46, art. 11, 053; Inwerkingtreding : 01-09-1997>
HOOFDSTUK VIIbis. - Bemiddelingsadviseurs en -assistenten. (opgeheven) <W 1999-04-12/38, art. 3, 075; Inwerkingtreding : 01-07-1999>
Art. 272bis. (opgeheven) <W 1999-04-12/38, art. 3, 075; Inwerkingtreding : 01-07-1999>
Art. 272ter. (opgeheven) <L 1999-04-12/38, art. 3, 075; Inwerkingtreding : 01-07-1999>
HOOFDSTUK VIII. - Personeel van de parketten.
Art. 273. De (secretarissen) en (adjunct-secretarissen) worden door de Koning benoemd uit twee dubbeltallen waarvan het ene volgens het geval door de procureurs-generaal, (de federale procureur,) de procureurs des Konings of de arbeidsauditeurs en het andere door de (hoofdsecretaris) van het parket wordt voorgedragen. <W 1997-02-17/50, art. 48, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997> <W 2001-06-21/42, art. 20, 085; Inwerkingtreding : 20-07-2001>
(In de arbeidsgerechten worden de benoemingen verricht op de gezamenlijke voordracht van de ministers die de arbeid en de justitie in hun bevoegdheid hebben.) <W 22-12-1969, art. 4>
Art. 274. <W 1997-02-17/50, art. 49, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997> Om tot hoofdsecretaris van het parket van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur te worden benoemd, moet de kandidaat :
1° volle vijfendertig jaar oud zijn;
2° a) licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij het parketsecretariaat hebben uitgeoefend;
b) of houder zijn van het getuigschrift van kandidaat-secretaris en daarenboven ten minste tien jaar het ambt van secretaris of adjunct-secretaris bij het parket of het auditoraat hebben uitgeoefend.
Art. 275. <W 1997-02-17/50, art. 50, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997> Om tot secretaris bij het parket van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur te worden benoemd, moet de kandidaat :
1° volle vijfentwintig jaar oud zijn;
2° a) licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij het parketsecretariaat hebben uitgeoefend;
b) of houder zijn van het getuigschrift van kandidaat-secretaris en daarenboven ofwel adjunct-secretaris zijn bij een parket of auditoraat, ofwel ten minste vijf jaar het ambt van vertaler, opsteller of beambte hebben uitgeoefend bij een secretariaat van het parket of van het auditoraat.
Art. 276. <W 1997-02-17/50, art. 51, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997> Om tot hoofdsecretaris van het parket van een hof van beroep of van een arbeidshof (of het federaal parket) te worden benoemd, moet de kandidaat :
1° volle vijfendertig jaar oud zijn; <W 2001-06-21/42, art. 21, 085; Inwerkingtreding : 201-075-20012>
2° a) licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij het parketsecretariaat van een hof hebben uitgeoefend;
b) of houder zijn van het getuigschrift van kandidaat-secretaris en daarenboven ofwel ten minste vijf jaar het ambt van secretaris bij het parket van een hof hebben uitgeoefend, ofwel hoofdsecretaris zijn van het parket van de procureur des Konings of de arbeidsauditeur.
Art. 277. <W 1997-02-17/50, art. 52, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997> Om tot secretaris bij het parket van een hof van beroep (, van een arbeidshof of van het federaal parket) te worden benoemd, moet de kandidaat : <W 2001-06-21/42, art. 22, 085; Inwerkingtreding : 20-07-2001>
1° volle vijfentwintig jaar oud zijn;
2° a) licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij het parketsecretariaat hebben uitgeoefend;
b) of houder zijn van het getuigschrift van kandidaat-secretaris en daarenboven ten minste vijf jaar het ambt ofwel van secretaris bij een parket of een auditoraat hebben uitgeoefend, of wel van adjunct-secretaris bij het parket van een hof.
Art. 278. <W 1997-02-17/50, art. 53, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997> Om tot hoofdsecretaris van het parket van het Hof van Cassatie te worden benoemd, moet de kandidaat :
1° volle vijfendertig jaar oud zijn;
2° a) licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij het parketsecretariaat van een hof hebben uitgeoefend;
b) of houder zijn van het getuigschrift van kandidaat-secretaris en daarenboven ofwel vijf jaar het ambt van secretaris bij het parket van het Hof van Cassatie hebben uitgeoefend, ofwel hoofdsecretaris zijn van het parket van een hof.
Art. 279. <W 1997-02-17/50, art. 54, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997> Om tot secretaris bij het parket van het Hof van Cassatie te worden benoemd, moet de kandidaat :
1° volle vijfentwintig jaar oud zijn;
2° a) licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij het parketsecretariaat van een hof hebben uitgeoefend;
b) of houder zijn van het getuigschrift van kandidaat-secretaris en daarenboven ten minste vijf jaar het ambt ofwel van secretaris bij het parket van een hof hebben uitgeoefend, ofwel van adjunct-secretaris bij het parket van het Hof van Cassatie.
Art. 280. <W 1997-02-17/50, art. 55, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997> Om tot adjunct-secretaris bij het parket te worden benoemd, moet de kandidaat :
1° volle eenentwintig jaar oud zijn;
2° a) licentiaat in de rechten zijn;
b) of houder zijn van een diploma of een getuigschrift in aanmerking komend voor de toelating tot een ambt van het niveau 1 bij de Rijksbesturen, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-secretaris;
c) of houder zijn van een diploma of een getuigschrift in aanmerking komend voor de toelating tot een ambt van het niveau 2 bij de Rijksbesturen, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-secretaris en daarenboven ten minste drie jaar het ambt van opsteller of beambte hebben uitgeoefend bij een griffie of een parketsecretariaat.
De benoeming tot adjunct-secretaris van een persoon die voldoet aan de in het eerste lid, 2°, a) of b) bepaalde benoemingsvoorwaarden, die voordien niet ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij een griffie of een parketsecretariaat heeft uitgeoefend, wordt eerst vast na één jaar ambtsvervulling.
Tijdens dat jaar kan de Koning aan het voorlopig uitgeoefende ambt een einde maken op advies, naar gelang van het geval, van de procureur-generaal, (van de federale procureur,) van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur, dat aan de minister van Justitie rechtstreeks wordt overgezonden door de hoofdsecretaris, die er het zijne aan toevoegt. <W 2001-06-21/42, art. 23, 085; Inwerkingtreding : 20-07-2001>
Het door de Koning vastgesteld statuut is van toepassing op de voorlopig benoemde adjunct-secretaris.
Art. 280bis. <Ingevoegd bij W 1997-02-17/50, art. 56; Inwerkingtreding : 01-07-1997> De Koning organiseert het examen met het oog op de afgifte van het getuigschrift van kandidaat-secretaris bedoeld in de artikelen 274, 275, 276, 277, 278, 279 en 280. Aan dat examen kan alleen worden deelgenomen door personen die, op het tijdstip van de afsluiting der inschrijvingen, voldoen aan de in artikel 280, eerste lid, 2°, b) of c) bepaalde benoemingsvoorwaarden inzake diploma en anciënniteit.
Art. 281. <W 01-02-1977, art. 1>
§ 1. Om tot vertaler bij het parket te worden benoemd, moet men:
1° (houder zijn van een diploma of een getuigschrift in aanmerking komende voor de toelating tot een ambt van het niveau 2+ bij de Rijksbesturen;) <W 1997-05-20/46, art. 12, 1°, a), 053; Inwerkingtreding : 01-01-1994>
(2°) geslaagd zijn voor een examen over de kennis van het Frans of van het Nederlands, naargelang uit het voorgelegde diploma blijkt dat men zijn examens (van het vereiste onderwijs) in het Nederlands of in het Frans heeft afgelegd; <W 1997-05-20/46, art. 12, 1° b), 053; Inwerkingtreding : 01-01-1994>
(3° geslaagd zijn voor een maturiteitsexamen. Licentiaten in de rechten en houders van het getuigschrift van kandidaat-griffier of kandidaat-secretaris zijn van het examen vrijgesteld.) <W 1997-05-20/46, art. 12, 1° c), 053; Inwerkingtreding : 01-01-1994>
§ 2. Om tot vertaler in de Duitse taal te worden benoemd moet men, (in afwijking van § 1, 2°), geslaagd zijn voor een examen over de kennis hetzij van het Duits, indien uit het voorgelegde diploma blijkt dat men zijn examens (van het vereiste onderwijs) in het Nederlands of in het Frans heeft afgelegd, hetzij van het Nederlands of van het Frans, indien uit het voorgelegde diploma blijkt dat men zijn examens (van het vereiste onderwijs) in het Duits heeft afgelegd. <W 1997-05-20/46, art. 12, 2°, 053; Inwerkingtreding : 01-01-1994>
§ 3. (De in de §§1 en 2 bedoelde examens zijn vergelijkend en worden door de Koning georganiseerd voor een examencommissie die wordt ingesteld door de minister van Justitie.
De benoeming van een vertaler die voordien niet ten minste één jaar als beambte werkzaam is geweest, wordt eerst vast na een jaar ambtsvervulling.
Tijdens dat jaar kan de minister van Justitie aan het voorlopig uitgeoefende ambt een einde maken op advies van de hoofdsecretaris, die het hem rechtstreeks overzendt.) <W 1997-02-17/50, art. 57, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
Het door de Koning vastgesteld statuut is van toepassing op de voorlopig benoemde vertaler.
Art. 282. <W 1997-02-17/50, art. 58, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997> Om tot opsteller bij het parketsecretariaat te worden benoemd, moet de kandidaat :
1° houder zijn van een diploma of een getuigschrift in aanmerking komend voor de toelating tot een ambt van het niveau 2 bij de Rijksbesturen;
2° vast benoemd zijn en gedurende ten minste twee jaar het ambt van beambte hebben uitgeoefend bij een griffie of een parketsecretariaat;
3° geslaagd zijn voor een examen door de Koning georganiseerd voor een examencommissie die wordt ingesteld door de minister van Justitie. Aan dat examen kan alleen worden deelgenomen door personen die, op het tijdstip van de afsluiting der inschrijvingen, voldoen aan de in het 1° en het 2° bepaalde benoemingsvoorwaarden. Licentiaten in de rechten en houders van het getuigschrift van kandidaat-griffier of kandidaat- secretaris zijn van het examen vrijgesteld.
Art. 283. Om tot beambte bij het parket te worden benoemd, moet men:
1° volle achttien jaar oud zijn;
(2° geslaagd zijn voor een vergelijkend examen door de Koning georganiseerd voor een examencommissie die wordt ingesteld door de minister van Justitie. Licentiaten in de rechten en houders van het getuigschrift van kandidaat-griffier of kandidaat-secretaris zijn van het vergelijkend examen vrijgesteld.) <W 1997-02-17/50, art. 59, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
(De benoeming van een beambte wordt eerst vast na één jaar ambtsvervulling.
Tijdens dat jaar kan de minister van Justitie aan het voorlopig uitgeoefende ambt een einde maken op advies van de hoofdsecretaris, die het hem rechtstreeks overzendt.) <W 1997-02-17/50, art. 59, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
Het door de Koning vastgesteld statuut is van toepassing op de voorlopig benoemde beambte.
Art. 284. (Opgeheven) <W 1997-05-20/46, art. 13, 053; Inwerkingtreding : 01-09-1997>
Art. 284bis. (Opgeheven) <W 1997-02-17/50, art. 61, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
HOOFDSTUK IX. - Attachés in de dienst voor documentatieen overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie.
Art. 285. <W 2003-02-13/31, art. 2, 105; Inwerkingtreding : 01-03-2003> De attachés in de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie worden door de Koning benoemd. Om tot attaché te kunnen worden benoemd moet de kandidaat de volle leeftijd van eenentwintig jaar hebben bereikt en hetzij doctor of licentiaat in de rechten zijn, hetzij licentiaat in de Romaanse of Germaanse filologie, hetzij licentiaat vertaler.
De kandidaten worden met het oog op hun benoeming gerangschikt op grond van een vergelijkend examen. Het Hof van Cassatie stelt de examenstof vast, bepaalt de voorwaarden van het vergelijkend examen en stelt de examencommissie aan. De geslaagden behouden gedurende drie jaar te rekenen vanaf de datum van het proces-verbaal van het vergelijkend examen het voordeel van hun uitslag.
Iedere examencommissie bestaat uit een lid van het Hof dat door de eerste voorzitter van het Hof is aangewezen, uit een magistraat van het parket aangewezen door de procureur-generaal bij het Hof, uit een advocaat bij het Hof van Cassatie aangewezen door de stafhouder, uit een attaché in de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten en uit een buiten de instelling staande persoon, deze laatste twee in onderling overleg aangewezen door de eerste voorzitter en de procureur-generaal.
De uitkeringen en vergoedingen aan de leden en aan de secretaris van de examencommissie worden door de Koning vastgesteld.
Attachés, die bij hun beoordeling bedoeld in artikel 287ter , de vermelding " zeer goed " hebben gekregen, kunnen door de minister van Justitie worden bevorderd tot de opeenvolgende graden van eerste attaché, na minstens negen jaar dienst, van attaché-hoofd van dienst, na minstens achttien jaar dienst, en van directeur, na minstens vierentwintig jaar dienst.
HOOFDSTUK X. - Algemene bepalingen.
Art. 285bis. <Ingevoegd bij W 1997-02-17/50, art. 63; Inwerkingtreding : 01-07-1997> (De geslaagden van een vergelijkend wervingsexamen bedoeld in de artikelen 185, eerste lid, 271, 281 en 283, behouden het voordeel van hun goede uitslag gedurende drie jaar te rekenen van de datum van het proces-verbaal van het vergelijkend examen.) <W 2003-02-13/31, art. 3, 105; Inwerkingtreding : 01-03-2003>
De minister van Justitie kan niettemin de geldigheidsduur van de wervingsreserves voor maximum twee periodes van één jaar verlengen.
Onder geslaagden van twee of meer vergelijkende wervingsexamens wordt voorrang verleend aan de geslaagden van het vergelijkend examen waarvan het proces-verbaal op de verst afgelegen datum is afgesloten.
Art. 286. <W 1998-12-22/47, art. 50, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. Voor de ambten, de functies en bedieningen die in deze titel zijn bepaald moet men aan de bij de wet gestelde eisen inzake kennis van de landstalen hebben voldaan.
§ 2. Voor de ambten en functies bedoeld in de artikelen 187 tot 194, de artikelen 207 tot 209 en de artikelen 254 en 258, moeten de kandidaten de voorgeschreven juridische functies als houder van het diploma van doctor of licentiaat in de rechten en als voornaamste beroepsactiviteit hebben uitgeoefend.
Art. 286bis. <Ingevoegd bij W 1997-02-17/50, art. 64; Inwerkingtreding : 30-04-1998> Voor de benoeming van een attaché bedoeld in artikel 136, (...), een vertaler, een beambte, (...), alsook voor de benoeming in een graad ingesteld overeenkomstig artikel 185, eerste lid, worden telkens op gelijkwaardige wijze in aanmerking genomen : <W 1997-05-20/46, art. 15, 053; Inwerkingtreding : 01-05-1998> <W 1999-04-12/38, art. 5, 075; Inwerkingtreding : 01-07-1999>
1° de kandidatuur van degene die als eerste geslaagd is voor het desbetreffend vergelijkend wervingsexamen;
2° de kandidatuur van de geslaagden van het desbetreffend vergelijkend wervingsexamen, die minder gunstig zijn gerangschikt doch op grond van een arbeidsovereenkomst deze functies reeds vervullen op de plaats waar de betrekking is opengevallen, op voorwaarde dat zij op het ogenblik van de bekendmaking van de vacature reeds één jaar in dienst zijn en een beoordeling met vermelding " zeer goed " hebben gekregen als bedoeld in artikel 287ter;
3° de kandidatuur van hen die reeds tot een zelfde ambt zijn benoemd in een andere griffie, een ander parket of een ander parketsecretariaat;
4° de kandidatuur van de personen die met toepassing van de bepalingen van dit Wetboek zijn vrijgesteld van het desbetreffend vergelijkend wervingsexamen.
Art. 287. <W 1991-07-18/35, art. 19, 023; Inwerkingtreding : 28-03-1992> (Elke kandidatuur voor een benoeming in de rechterlijke orde of voor een aanwijzing tot korpschef, tot bijstandsmagistraat of tot federaal magistraat moet op straffe van verval bij een ter post aangetekend schrijven aan de Minister van Justitie worden gericht binnen een termijn van een maand na de bekendmaking van de vacature in het Belgisch Staatsblad . (...). De bekendmaking van de vacature vermeldt, in voorkomend geval, binnen welke termijn de kandidaten kunnen vragen gehoord te worden met toepassing van de artikelen 259ter, 259quater en 259sexies, § 1, 3°.) <W 1998-12-22/47, art. 51, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> <W 2003-05-03/45, art. 25, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
(Elke kandidatuur voor een benoeming of voor een aanwijzing tot korpschef in de magistratuur dient op straffe van verval, vergezeld te zijn van :
a) alle stavingstukken met betrekking tot de studies en beroepservaring;
b) een curriculum vitae overeenkomstig een door de Minister van Justitie, op voorstel van de Hoge Raad voor de Justitie, bepaald standaardformulier;
c) (...) <W 2003-12-22/53, art. 12, 116; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
De stukken vermeld in het vorige lid, worden in tweevoud overgezonden.) <W 2003-05-03/45, art. 25, 111; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
(Het beleidsplan, bedoeld in artikel 259quater, § 2, derde lid, moet, op straffe van verval, in tweevoud, bij een ter post aangetekend schrijven aan de minister van Justitie worden gericht binnen een termijn van zestig dagen na de bekendmaking van de vacature in het Belgisch Staatsblad.) <W 2003-12-22/53, art. 12, 116; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
De bekendmaking kan geschieden op zijn vroegst (negen maanden) vóór het ontstaan van de vacature. <W 1998-12-22/47, art. 51, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
Geen benoeming (en aanwijzing) kan geschieden dan nadat de termijn bepaald in het eerste lid is verlopen. <W 1998-12-22/47, art. 51, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
(Deze bepaling is eveneens van toepassing op de ambten bedoeld in de hoofdstukken (Vsexies,) VII, (...), VIII en IX van deze titel, alsook op die ingesteld door de Koning overeenkomstig artikel 185, eerste lid.) <W 1997-02-17/50, art. 65, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997> <W 1998-12-22/47, art. 51, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> <W 1999-04-12/38, art. 6, 075; Inwerkingtreding : 01-07-1999>
Art. 287bis. <Ingevoegd bij W 1997-02-17/50, art. 66; Inwerkingtreding : 30-04-1998> § 1. Voor de benoemingen bedoeld in de artikelen 263, § 1, 264, 266 en 268 wint de minister van Justitie het advies in van (al naargelang het geval, de korpschef, de oudstbenoemde (rechter in de politierechtbank) of de vrederechter) van het gerecht waar de benoeming dient te geschieden. Deze zendt hem dat advies rechtstreeks over en voegt, naar gelang van het geval, dat van de procureur des Konings, van de arbeidsauditeur of van de procureur-generaal eraan toe. <W 2000-07-17/34, art. 7, 1°, 080; Inwerkingtreding : 01-01-2000> <W 2001-03-13/36, art. 9, 083; Inwerkingtreding : 30-03-2001>
Voor de benoemingen bedoeld in de artikelen (...), 274, 276 en 278 wint de minister van Justitie het advies in van de magistraat-korpschef van het parket bij het gerecht waar de benoeming dient te geschieden. Deze magistraat zendt zijn advies rechtstreeks over aan de minister. <W 1999-04-12/38, art. 7, 075; Inwerkingtreding : 01-07-1999>
Voor de benoemingen bedoeld in de artikelen 263, § 2,265, 267,269 en 269bis en onverminderd de bepalingen van artikel 262 wint de minister van Justitie voor alle kandidaturen het advies in van de hoofdgriffier van het gerecht waar de benoeming dient te geschieden. Deze zendt zijn advies rechtstreeks over aan de minister en voegt er het advies van (, al naargelang het geval, de korpschef, de oudstbenoemde (rechter in de politierechtbank) of de vrederechter,) van het desbetreffende gerecht aan toe. <W 2000-07-17/34, art. 7, 1°, 080; Inwerkingtreding : 01-01-2000> <W 2001-03-13/36, art. 9, 083; Inwerkingtreding : 30-03-2001>
Voor de benoemingen bedoeld in de artikelen 275, 277, 279 en 280 en onverminderd de bepalingen van artikel 273 wint de minister van Justitie voor alle kandidaturen het advies in van de hoofdsecretaris van het parket bij het gerecht waar de benoeming dient te geschieden. Deze zendt zijn advies rechtstreeks over aan de minister en voegt er het advies, naar gelang van het geval, van de bevoegde procureur-generaal, (van de federale procureur,) procureur des Konings of arbeidsauditeur aan toe.
Voor de benoemingen bedoeld (in de artikelen 270 en 271) winnen de minister van Justitie en, wat de arbeidshoven en de arbeidsrechtbanken betreft, de minister die bevoegd is voor de Arbeid, het advies in van de hoofdgriffier van het gerecht waar de benoeming dient te geschieden. Deze zendt zijn advies rechtstreeks over aan de betrokken minister. <W 1997-05-20/46, art. 16, 1°, 053; Inwerkingtreding : 01-05-1998>
Voor de benoemingen bedoeld (in de artikelen 281, 282 en 283) wint de minister van Justitie het advies in van de hoofdsecretaris van het parket bij het gerecht waar de benoeming dient te geschieden. Deze zendt zijn advies rechtstreeks over aan de minister. <W 1997-05-20/46, art. 16, 2°, 053; Inwerkingtreding : 01-05-1998>
§ 2. Het advies wordt gemotiveerd. Het belicht de vorming, de ervaring, de kwaliteiten van de kandidaat en zijn bekwaamheid om het vacante ambt uit te oefenen; het wordt, in voorkomend geval, gestaafd door de notities en de eindvermelding opgenomen in zijn beoordelingsstaat.
§ 3. De eindconclusies van het advies worden ter kennis gebracht van de betrokken kandidaat door (, al naargelang het geval de korpschef, de oudstbenoemde (rechter in de politierechtbank), de vrederechter,) de procureur-generaal, (van de federale procureur,) de procureur des Konings, de arbeidsauditeur, de hoofdgriffier of de hoofdsecretaris van het parket die overeenkomstig § 1 de adviezen aan de bevoegde minister overzendt. De kandidaat beschikt over een termijn van tien dagen om kennis te nemen van het volledig advies. <W 2000-07-17/34, art. 7, 2°, 080; Inwerkingtreding : 01-01-2000> <W 2001-03-13/36, art. 9, 083; Inwerkingtreding : 30-03-2001> <W 2001-06-21/42, art. 24, 085; ED : 20-07-2001>
Oordeelt de betrokken kandidaat dat daartoe ernstige redenen voorhanden zijn, dan kan hij binnen dezelfde termijn aan de bevoegde raad van beroep een schriftelijk verzoek richten om het advies te wijzigen. Hiervan wordt hem een ontvangstbewijs afgegeven.
De kandidaat doet, met dezelfde post, een afschrift van zijn verzoek toekomen aan de magistraat, hoofdgriffier of hoofdsecretaris, die belast is met het overzenden van het advies aan de minister van Justitie. Het adviesdossier wordt binnen achtenveertig uur na ontvangst van dat afschrift aan de raad van beroep medegedeeld.
§ 4. De adviezen worden aan de minister van Justitie of aan de minister die bevoegd is voor de Arbeid, medegedeeld binnen veertig dagen te rekenen van de datum van ontvangst van het verzoek om advies of, indien de betrokken kandidaat gebruik heeft gemaakt van de in het tweede lid van § 3 bedoelde mogelijkheid, binnen dertig dagen te rekenen van de datum van ontvangst van het bezwaarschrift door de bevoegde raad van beroep.
Art. 287ter. <Ingevoegd bij W 1997-02-17/50, art. 66; ED : 30-04-1998> (§ 1. (Er wordt) een beoordelingsstaat opgemaakt van alle personeelsleden die een graad bekleden als bedoeld in de hoofdstukken VI, VII, (...), VIII en IX van deze titel, alsook die ingesteld door de Koning, overeenkomstig artikel 185, eerste lid. <W 1999-04-12/38, art. 8, 075; Inwerkingtreding : 01-07-1999> <W 2004-07-08/36, art. 2, 120; Inwerkingtreding : 14-08-2004>
Het bepaalde in het eerste lid is van toepassing op het bij arbeidsovereenkomst in dienst genomen personeel.
1° Wat de hoofdgriffiers betreft :
(Al naargelang het geval de korpschef, de oudstbenoemde (rechter in de politierechtbank) of de vrederechter) van het gerecht geeft in de beoordelingsstaat zijn mening te kennen omtrent de waarde en de houding van de hoofdgriffier, met behulp van beschrijvende formules overeenkomstig de aangebrachte aanduidingen. <W 2000-07-17/34, art. 8, 080; Inwerkingtreding : 01-01-2000> <W 2001-03-13/36, art. 10, 083; Inwerkingtreding : 30-03-2001>
2° Wat de hoofdsecretarissen betreft :
De procureur-generaal, (van de federale procureur,) de procureur des Konings of de arbeidsauditeur, naar gelang van het geval, geeft in de beoordelingsstaat zijn mening te kennen omtrent de waarde en de houding van de hoofdsecretaris, met behulp van beschrijvende formules overeenkomstig de aangebrachte aanduidingen. <W 2001-06-21/42, art. 25, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
3° Wat de in artikel 136 bedoelde attachés betreft :
De magistraat-korpschef van het gerecht geeft in de beoordelingsstaat zijn mening te kennen omtrent de waarde en de houding van de attaché, met behulp van beschrijvende formules overeenkomstig de aangebrachte aanduidingen.
4° (opgeheven) <W 1999-04-12/38, art. 8, 075; Inwerkingtreding : 01-07-1999>
5° Wat de leden van de griffies, de leden van de parketsecretariaten, het personeel van de griffies en van de parketsecretariaten, alsook de personeelsleden die een graad bekleden ingesteld door de Koning overeenkomstig artikel 185, eerste lid, betreft :
De hoofdgriffiers of de hoofdsecretarissen van het parket geven in de beoordelingsstaat hun mening te kennen omtrent de waarde en de houding van het personeelslid, met behulp van beschrijvende formules overeenkomstig de aangebrachte aanduidingen.
De beoordeling wordt weergegeven met een van de volgende vermeldingen : "zeer goed", "goed" of "onvoldoende". De Koning stelt nadere regels voor de toepassing van deze bepalingen.
Het diensthoofd mag zijn bevoegdheden overdragen, overeenkomstig de door de Koning bepaalde nadere regels.
§ 2. Wat de hoofdgriffiers en de in artikel 136 bedoelde attachés betreft, maakt de (al naargelang het geval de korpschef, de oudstbenoemde (rechter in de politierechtbank) of de vrederechter) van het gerecht een voorlopige beoordeling op en legt deze voor aan de procureur-generaal, de procureur des Konings of de arbeidsauditeur, naar gelang van het geval. Deze magistraat voegt er zijn advies aan toe. (al naargelang het geval de korpschef, de oudstbenoemde politierechter of de vrederechter) maakt vervolgens een definitieve beoordeling op. <W 2000-07-17/34, art. 8, 080; Inwerkingtreding : 01-01-2000> <W 2001-03-13/36, art. 10, 083; Inwerkingtreding : 30-03-2001>
In verband met de leden van de griffies maakt de hoofdgriffier een voorlopige beoordeling op en legt deze voor aan de procureur-generaal, de procureur des Konings of de arbeidsauditeur, naar gelang van het geval. Deze magistraat voegt er zijn advies aan toe. Hij verzoekt (al naargelang het geval de korpschef, de oudstbenoemde (rechter in de politierechtbank) of de vrederechter) van het gerecht waar het lid van de griffie zijn ambt vervult, hetzelfde te doen en zendt daarna de beoordelingsstaat en, in voorkomend geval, de adviezen terug aan de hoofdgriffier die de definitieve beoordeling opmaakt. <W 2000-07-17/34, art. 8, 080; Inwerkingtreding : 01-01-2000> <W 2001-03-13/36, art. 10, 083; Inwerkingtreding : 30-03-2001>
Wat de leden van de parketsecretariaten betreft, maakt de hoofdsecretaris een voorlopige beoordeling op en legt deze voor aan de procureur-generaal, (van de federale procureur,) de procureur des Konings of de arbeidsauditeur, naar gelang van het geval. Deze magistraat voegt er zijn advies aan toe. <W 2001-06-21/42, art. 25, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
De hoofdsecretaris maakt vervolgens een definitieve beoordeling op.
§ 3. De definitieve beoordelingsstaat wordt door de steller ervan ter kennis gebracht van het betrokken personeelslid.
De betrokkene beschikt over een termijn van tien dagen om een bezwaarschrift in te dienen bij de bevoegde raad van beroep en te vragen gehoord te worden. Hij stuurt met dezelfde post een afschrift van zijn bezwaarschrift naar de persoon die zijn beoordelingstaat opgemaakt heeft. Deze zendt de beoordelingsstaat, eventueel met een bijkomende schriftelijke verantwoording aan de raad van beroep over binnen achtenveertig uur na ontvangst van dat afschrift.
De raad van beroep deelt binnen veertig dagen, te rekenen van de datum van ontvangst van het bezwaarschrift, zijn advies mee aan de persoon die de beoordeling heeft gegeven en stelt bij aangetekende brief het betrokken personeelslid ervan in kennis.
Dat advies is definitief en wordt gevoegd bij de beoordelingsstaat.
Tegen de beslissing van de raad van beroep kan het betrokken personeelslid een beroep tot vernietiging instellen zoals bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.
§ 4. (De beoordelingsstaat wordt opgemaakt in de volgende gevallen :
1° tussen de negende en de twaalfde maand na de indiensttreding van het personeelslid;
2° tussen de negende en de twaalfde maand na de dag waarop het personeelslid een andere functie uitoefent dan diegene waarin hem een definitieve beoordelingsstaat werd toegekend, als gevolg van een benoeming, een overeenkomst of in toepassing van de artikelen 328, 329, 329bis, 330 of 330bis;
3° indien sedert het opmaken van de laatste beoordelingsstaat gunstige of ongunstige feiten en bevindingen de beoordelingsstaat van het personeelslid kunnen verbeteren of verslechteren;
4° indien het personeelslid erom verzoekt, ten vroegste één jaar na het opmaken van de vorige beoordelingstaat.) <W 2004-07-08/36, art. 2, 120; Inwerkingtreding : 14-08-2004>
(De beoordeling heeft betrekking op de voorbije periode sinds de indiensttreding, sinds de datum waarop het personeelslid de nieuwe functie is beginnen uit te oefenen of sinds de vorige beoordelingsstaat.) <W 2004-07-08/36, art. 2, 120; Inwerkingtreding : 14-08-2004>
(Derde lid opgeheven) <W 2004-07-08/36, art. 2, 120; Inwerkingtreding : 14-08-2004>
De beoordelingsstaat wordt bijgehouden door de persoon die deze staat heeft opgemaakt in een vertrouwelijk dossier op naam van elk personeelslid afzonderlijk. Die persoon brengt de definitief toegekende vermelding rechtstreeks ter kennis van de minister van Justitie.) <W 1997-05-20/46, art. 17, 053; Inwerkingtreding : 01-05-1998>
§ 5. De beoordeling van een personeelslid dat de vermelding " onvoldoende " heeft gekregen, brengt gedurende een jaar, op geldelijk vlak, het verlies mee van de uitwerking van de eerstvolgende tussenverhoging, die volgt na de toekenning van de vermelding, en dit onverminderd de tuchtrechtelijke gevolgen.
Art. 287quater. <Ingevoegd bij W 1997-02-17/50, art. 66; Inwerkingtreding : 30-04-1998> § 1. Er wordt een nationale raad van beroep opgericht die kennis neemt van de beroepen ingesteld door de attachés bedoeld in artikel 136, (...), door de hoofdgriffiers en door de hoofdsecretarissen tegen de adviezen uitgebracht in het kader van de benoemingsprocedure, alsook tegen de beoordelingsstaten. <W 1999-04-12/38, art. 9, 075; Inwerkingtreding : 01-07-1999>
Deze nationale raad is gevestigd in Brussel.
In het rechtsgebied van ieder hof van beroep wordt een raad van beroep opgericht die kennis neemt van de beroepen ingesteld door leden van de griffies, door leden van de parketsecretariaten, (...), door het personeel van de griffies en van de parketsecretariaten en door personeelsleden die een graad bekleden ingesteld door de Koning overeenkomstig artikel 185, eerste lid, tegen de adviezen uitgebracht in het kader van de benoemingsprocedure, alsook tegen de beoordelingsstaten. <W 1999-04-12/38, art. 9, 075; Inwerkingtreding : 01-07-1999>
Deze raad wordt gevestigd op de zetel van het hof van beroep.
De raad van beroep opgericht in het rechtsgebied van het hof van beroep te Brussel is eveneens bevoegd voor de beroepen ingesteld door de personen bedoeld in het derde lid die hun ambt uitoefenen bij de griffie van het Hof van Cassatie en bij het parket van dit Hof (en bij het federaal parket). <W 2001-06-21/42, art. 26, 085; Inwerkingtreding : 20-07-2001>
In deze raden zijn er zoveel afdelingen als er taalstelsels zijn voor de personeelsleden die kunnen vragen om door de raden te worden gehoord.
Het taalstelsel van de verzoeker bepaalt voor welke afdeling hij verschijnt.
§ 2. De nationale raad van beroep is, per afdeling, samengesteld uit :
1° een magistraat van een hof;
2° twee magistraten van het parket bij een hof;
3° twee hoofdgriffiers;
4° twee hoofdsecretarissen;
5° (opgeheven) <W 1999-04-12/38, art. 9, 075; Inwerkingtreding : 01-07-1999>
6° een attaché in de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie.
§ 3. De raad van beroep van het rechtsgebied van ieder hof van beroep is, per afdeling, samengesteld uit :
1° een magistraat van de zetel;
2° twee magistraten van het parket;
3° twee griffiers;
4° twee secretarissen;
5° (opgeheven) <W 1999-04-12/38, art. 9, 075; Inwerkingtreding : 01-07-1999>
§ 4. De leden van de nationale raad van beroep worden aangewezen, wat de magistraten van de zetel betreft, door de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie en, wat de andere leden betreft, door de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie. De leden van de raad van beroep van het rechtsgebied van het hof van beroep worden aangewezen, wat de magistraten van de zetel betreft, naar gelang van het geval, (de eerste voorzitter van het hof van beroep of de eerste voorzitter van het arbeidshof en, wat de andere leden betreft door de procureur-generaal bij het hof van beroep). <W 2003-04-10/59, art. 93, 107; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
De Koning bepaalt de criteria voor de aanwijzingen bedoeld in het vorige lid. Voor iedere categorie van gerecht moet elk van de ambten opgesomd in de §§ 2 en 3 vertegenwoordigd zijn, hetzij door een lid, hetzij door een plaatsvervanger.
Voor elk lid kunnen tot zes plaatsvervangers worden aangewezen.
De leden van de raden van beroep worden, met hun instemming, aangewezen voor de duur van twee jaar. De eerste maal, bij de installatie van de raden van beroep, worden de magistraten niettemin aangewezen voor de duur van drie jaar.
§ 5. In geval van onbeschikbaarheid van een of meer leden wordt de plaats van het afwezig lid ingenomen door de eerstvolgende daartoe aangewezen plaatsvervanger.
De raad van beroep kan slechts geldig beraadslagen indien de leden of hun plaatsvervangers, die aangewezen zijn volgens de hoedanigheid van de verzoeker, aanwezig zijn. Per zitting moeten minimum vier leden aanwezig zijn. Minstens de helft onder hen moet magistraat zijn. De Koning bepaalt welke leden van de raden zitting nemen volgens de categorie van personeel waartoe de verzoeker behoort.
Elke raad van beroep wordt voorgezeten door de magistraat van de zetel of, indien deze er niet is, door de parketmagistraat met de hoogste rang. De voorzitter heeft een beslissende stem.
De raad van beroep hoort de verzoeker persoonlijk en desgewenst ook de opstellers van het betwiste advies of de betwiste beoordelingsstaat en onderzoekt het dossier en de motieven van de betrokkene. De verzoeker mag zich bij het verhoor laten bijstaan door een advocaat of een afgevaardigde van een representatieve vakorganisatie.
De Koning stelt nadere regels voor de werkwijze van de raden van beroep.
BOEK II. - GERECHTELIJKE AMBTEN.
EERSTE TITEL I. - Voorwaarden voor het uitoefenen van gerechtelijke ambten.
HOOFDSTUK I. - (Installatie van de magistraten, de referendarissen bij het Hof van Cassatie, de referendarissen en de parketjuristen bij de hoven van beroep en bij de rechtbanken van eerste aanleg en de griffiers en hun eedaflegging.) <W 1999-03-24/31, art. 7, 070; Inwerkingtreding : 17-04-1999>
Art. 288. (De installatie geschiedt bij elke benoeming, bij elke aanwijzing tot korpschef en bij elke eerste aanwijzing in een adjunct-mandaat.) <W 1998-12-22/47, art. 52, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
De installatie van de eerste voorzitter, de voorzitters, de raadsheren, de procureur-generaal, (de eerste advocaat-generaal,) de advocaten-generaal, de substituut-procureurs-generaal bij het hof van beroep, (de eerste advocaat-generaal,) de advocaten-generaal en de substituten-generaal bij het arbeidshof, alsmede van de hoofdgriffiers, geschiedt in openbare zitting van de verenigde kamers, respectievelijk van het Hof van Cassatie, van het hof van beroep en van het arbeidshof. <W 1998-12-22/47, art. 52, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
(De installatie van de plaatsvervangende raadsheren in de hoven van beroep, zoals bedoeld in artikel 207bis, § 1, geschiedt voor een kamer van het hof van beroep, voorgezeten door de eerste voorzitter of de raadsheer die hem vervangt of voor de vakantiekamer.) <W 1997-07-09/36, art. 15, 054; Inwerkingtreding : 13-08-1997>
(De installatie van de federale procureur geschiedt voor de eerste kamer van het Hof van beroep te Brussel.) <W 2001-06-21/42, art. 27, 085; Inwerkingtreding : 20-07-2001>
De installatie van de (voorzitters, ondervoorzitters, rechters, toegevoegde rechters) en plaatsvervangende rechters in de rechtbanken van eerste aanleg, de rechtbanken van koophandel, en van de werkende en plaatsvervangende rechters in handelszaken, de procureurs des Konings (, hun eerste substituten) en hun substituten, (de referendarissen en de parketjuristen bij de hoven van beroep en bij de rechtbanken van eerste aanleg) alsmede van de hoofdgriffiers van voormelde rechtbanken geschiedt vóór een kamer van het hof van beroep, voorgezeten door de eerste voorzitter of de raadsheer die hem vervangt, of vóór de vakantiekamer. <W 1998-02-10/32, art. 11, 057; Inwerkingtreding : 02-03-1998> <W 1998-12-22/47, art. 52, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> <W 1999-03-24/31, art. 9, 070; Inwerkingtreding : 17-04-1999>
( De installatie van de federale magistraten geschiedt voor de federale procureur.) <W 2001-06-21/42, art. 27, 085; Inwerkingtreding : 20-07-2001>
De installatie van de (voorzitters, ondervoorzitters, rechters, toegevoegde rechters) en plaatsvervangende rechters, van de arbeidsauditeurs en hun substituten evenals van de hoofdgriffiers in de arbeidsrechtbanken geschiedt vóór een kamer van het arbeidshof, voorgezeten door de eerste voorzitter of de raadsheer die hem vervangt, of voor de vakantiekamer. <W 1998-02-10/32, art. 11, 057; Inwerkingtreding : 02-03-1998>
De installatie van de werkende en plaatsvervangende raadsheren in sociale zaken en rechters in sociale zaken geschiedt vóór een kamer van het arbeidshof, voorgezeten door de eerste voorzitter of de raadsheer die hem vervangt, of vóór de vakantiekamer.
De installatie van de griffiers en de (adjunct-griffiers) van de hoven geschiedt vóór de kamer waarin de eerste voorzitter of de raadsheer die hem vervangt zitting heeft, en de installatie van de griffiers en (adjunct-griffiers) van de rechtbanken vó6r de kamer waarin de voorzitter van de rechtbank waaraan zij verbonden zijn, zitting heeft, of vóór de vakantiekamer. <W 1997-02-17/50, art. 67, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
De installatie van de vrederechters en de rechters in de politierechtbank, hun plaatsvervangers, (de hoofdgriffiers), griffiers en (adjunct-griffiers) geschiedt vó6r een kamer van de rechtbank van eerste aanleg, voorgezeten door de voorzitter of de rechter die hem vervangt, of vóór de vakantiekamer. <W 1997-02-17/50, art. 67, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
(De installatie van de referendarissen bij het Hof van Cassatie geschiedt voor een kamer van het hof, voorgezeten door de eerste voorzitter, de voorzitter of de afdelingsvoorzitter dan wel door de raadsheer die hem vervangt.) <W 1997-05-06/38, art. 8, 052; Inwerkingtreding : 05-07-1997>
Art. 289. De eerste voorzitters van het Hof van Cassatie, van de hoven van beroep en van de arbeidshoven en de procureurs-generaal bij die hoven leggen, persoonlijk of schriftelijk, in handen van de Koning de eed af bij het decreet van 20 juli 1831 voorgeschreven.
(De federale procureur legt die eed bij zijn installatie af in handen van de eerste voorzitter van het Hof van Beroep te Brussel, de federale magistraten bij hun installatie in handen van de federale procureur.) <W 2001-06-21/42, art. 28, 085; Inwerkingtreding : 20-07-2001>
De andere in artikel 288 genoemde personen leggen die eed bij hun installatie af in handen van de eerste voorzitter van het hof of van de voorzitter der rechtbank.
Art. 290. <W 2003-05-03/45, art. 26, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003> Is de plaats onbezet op het ogenblik van de bekendmaking van de benoeming of de aanwijzing in het Belgisch Staatsblad, dan moet de eed worden afgelegd binnen een maand na die bekendmaking, anders kan de benoeming of de aanwijzing als niet-bestaande worden beschouwd.
Is de plaats nog bezet op het ogenblik van de bekendmaking van de benoeming of aanwijzing in het Belgisch Staatsblad, dan moet de eed worden afgelegd in de loop van een maand te rekenen vanaf het daadwerkelijk vrij komen van de plaats, anders kan de benoeming of aanwijzing als niet-bestaande worden beschouwd.
Vanaf de dag waarop de eed wordt afgelegd, wordt betrokkene bekleed met de overeenstemmende hoedanigheid van magistraat.
Art. 291. Wanneer de installatie of de eedaflegging van de voorzitters, ondervoorzitters, (rechters, toegevoegde rechters, rechters in sociale zaken) en in handelszaken en plaatsvervangende rechters in de rechtbanken, van de procureurs des Konings en hun substituten, (de referendarissen en de parketjuristen bij de hoven van beroep en bij de rechtbanken van eerste aanleg) de arbeidsauditeurs en hun substituten, van de griffiers bij die rechtbanken, van de vrederechters en rechters in de politierechtbank, hun plaatsvervangers en griffiers, wegens buitengewone omstandigheden niet overeenkomstig de artikelen 288 en 289 kan geschieden, leggen die personen, persoonlijk of schriftelijk, naar gelang van het geval, in handen van de eerste voorzitter van het hof van beroep of van het arbeidshof, de eed af die bij het decreet van 20 juli 1831 is voorgeschreven. <W 1998-02-10/32, art. 12, 057; Inwerkingtreding : 02-03-1998> <W 1999-03-24/31, art. 9, 070; Inwerkingtreding : 17-04-1999>
(In het geval bedoeld in het eerste lid, leggen de federale procureur en de federale magistraten de eed af in handen van de voorzitter van het college van procureurs-generaal.) <W 2001-06-21/42, art. 29, 085; Inwerkingtreding : 20-07-2001>
(In het eerste lid bedoelde geval leggen de referendarissen bij het Hof van Cassatie de eed af in handen van de eerste voorzitter van het hof.) <W 1997-05-06/38, art. 9, 052; Inwerkingtreding : 05-07-1997>
HOOFDSTUK Ibis. - <Ingevoegd bij W 1997-02-17/50, art. 68; Inwerkingtreding : 01-07-1997> (Eedaflegging van de secretarissen.) <W 1999-04-12/38, art. 10, 075; Inwerkingtreding : 01-07-1999>
Art. 291bis. <Ingevoegd bij W 1997-02-17/50, art. 68; Inwerkingtreding : 01-07-1997> (...) <W 1999-04-12/38, art. 11, 075; Inwerkingtreding : 01-07-1999>
De hoofdsecretarissen, secretarissen en adjunct-secretarissen bij de parketten leggen de in het decreet van 20 juli 1831 voorgeschreven eed af in handen, naar gelang van het geval, van de procureur-generaal, (van de federale procureur,) van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur. <W 2001-06-21/42, art. 30, 085; Inwerkingtreding : 20-07-2001>
De eed moet worden afgelegd binnen een maand na de kennisgeving van de benoeming; anders mag deze als niet-bestaande worden beschouwd.
HOOFDSTUK II. - Onverenigbaarheden.
Eerste afdeling. - Cumulatie van ambten.
Art. 292. Cumulatie van rechterlijke ambten is verboden, uitgenomen de gevallen die de wet bepaalt.
Nietig is het vonnis, gewezen door een rechter die vroeger bij het uitoefenen van een ander rechterlijk ambt kennis genomen heeft van de zaak.
Art. 293. De ambten van de rechterlijke orde zijn onverenigbaar met de uitoefening van een bij verkiezing verleend openbaar mandaat, met enige bezoldigde openbare functie of openbaar ambt van politieke of administratieve aard, met het ambt van notaris of van gerechtsdeurwaarder, met het beroep van advokaat, met de militaire stand en met de geestelijke stand.
Deze ambten zijn, wanneer ze worden uitgeoefend in een arbeidsgerecht, ook onverenigbaar met ieder ambt in een representatieve organisatie van werknemers, zelfstandigen of werkgevers of in een instelling die deelneemt aan de uitvoering van de wetgeving inzake maatschappelijke zekerheid.
De regel van het tweede lid is niet toepasselijk op de ambten uitgeoefend in de aldaar bedoelde organisaties wanneer zij enkel verband houden met de belangen van de personen die gerechtelijke ambten bekleden.
Art. 294. Er kan met machtiging van de Koning, op voordracht van de minister van Justitie, afgeweken worden van de regel die in artikel 293 is gesteld, wanneer het gaat om de uitoefening van het ambt van hoogleraar of leraar, docent, assistent in een onderwijsinrichting of lid van een examencommissie.
Er kan eveneens afgeweken worden van de regel die in het eerste lid van artikel 293 is gesteld, met machtiging van de Koning, op voordracht van de minister van Justitie, wanneer het gaat om de deelneming aan een commissie, een raad of comité van advies of, krachtens een bijzondere opdracht, aan het beheer of het toezicht op een openbare instelling, voor zoveel het aantal bezoldigde opdrachten of ambten beperkt blijft tot twee en het geheel van de bezoldiging niet hoger is dan het tiende deel van de jaarlijkse brutowedde van het hoofdambt in de rechterlijke orde.
Er kan met machtiging van de Koning, bij een met redenen omkleed besluit, genomen op eensluidend advies van de rechterlijke overheid, afgeweken worden van de bij het tweede lid gestelde beperkingen ten aanzien van het aantal bezoldigde opdrachten of ambten en het bedrag van de bezoldiging.
Art. 295. Geen lid van een hof, rechtbank, parket of griffie kan worden benoemd of aangewezen voor de ambten of bedieningen in artikel 294 bepaald, zonder het advies van de korpschef of van de magistraat die zijn hïerarchische meerdere is.
Art. 296. De leden van de hoven, rechtbanken, parketten en griffies mogen niet voor enige andere openbare dienst worden opgevorderd, behoudens de gevallen die de wet bepaalt.
Art. 297. De leden van de hoven, rechtbanken, parketten en griffies mogen mondeling noch schriftelijk de verdediging van de partijen voeren en mogen hun geen consult geven.
Art. 298. De leden van de hoven, rechtbanken, parketten en griffies mogen tegen bezoldiging niet in een scheidsgerecht optreden.
Art. 299. De leden van de hoven, rechtbanken, parketten en griffies mogen niet, hetzij persoonlijk, hetzij door een tussenpersoon, enige handel drijven, als zaakwaarnemer optreden of deelnemen aan de leiding of het beheer van of aan het toezicht op handelsvennootschappen of nijverheids- of handelsinrichtingen.
Art. 299bis. <Ingevoegd bij W 1997-05-06/38, art. 10; Inwerkingtreding : 05-07-1997> De artikelen 293 tot 299 zijn mede van toepassing op de referendarissen bij het Hof van Cassatie (en op de referendarissen en de parketjuristen bij de hoven van beroep en bij de rechtbanken van eerste aanleg). <W 1999-03-24/31, art. 10, 070; Inwerkingtreding : 17-04-1999>
Art. 300. De plaatsvervangende (raadsheren zoals bedoeld in artikel 207bis, § 1, 1°, 2°, 4° en 5°, en de plaatsvervangende) rechters zijn onderworpen aan dezelfde regels van onverenigbaarheid als de werkende rechters, behoudens de uitoefening van het beroep van advocaat en van notaris en de bezigheden die hun daardoor geoorloofd zijn. <W 1997-07-09/36, art. 16, 054; Inwerkingtreding : 13-08-1997>
De werkende en plaatsvervangende raadsheren in sociale zaken, rechters in sociale zaken en rechters in handelszaken, zijn onderworpen aan dezelfde regels van onverenigbaarheid als de werkende rechters, met uitzondering van:
1° die welke gesteld zijn in artikel 293, tweede lid;
2° het drijven van een handel, het beheer of de leiding van of het toezicht op handelsvennootschappen en nijverheids- of handelsinrichtingen;
3° het aangaan en de uitvoering van een arbeidsovereenkomst of een leerovereenkomst.
(4° de uitoefening van het beroep van bedrijfsrevisor en van accountant en de bezigheden die hen daardoor geoorloofd zijn.) <W 2003-05-03/45, art. 27, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
Afdeling II. - Bloed- of aanverwantschap.
Art. 301. Echtgenoten, bloed- en aanverwanten tot en met de graad van oom en neef mogen, behoudens vrijstelling door de Koning, niet samen van een zelfde hof of rechtbank deel uitmaken als (raadsheren) rechters (,toegevoegde rechters), (plaatsvervangende raadsheren), plaatsvervangende rechters, rechters in sociale zaken of rechters in handelszaken, ambtenaren van het openbaar ministerie, of als hoofdgriffiers, (...), griffiers en (adjunct-griffiers). <W 1997-02-17/50, art. 69, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997> <W 1997-07-09/36, art. 17, 054; ED : 13-08-1997> <W 1998-02-10/32, art. 13, 057; Inwerkingtreding : 02-03-1998>
(Deze bepaling is eveneens van toepassing op de leden van de parketsecretariaten.) <W 1999-04-12/38, art. 12, 075; Inwerkingtreding : 01-07-1999>
(Dat verbod geldt ook voor de referendarissen bij het Hof van Cassatie (en voor de referendarissen en de parketjuristen bij de hoven van beroep en bij de rechtbanken van eerste aanleg).) <W 1997-05-06/38, art. 11, 052; Inwerkingtreding : 05-07-1997> <W 1999-03-24/31, art. 11, 070; Inwerkingtreding : 17-04-1999>
Art. 302. Zelfs in geval van vrijstelling als bedoeld in artikel 301 mogen echtgenoten, bloed- of aanverwanten in een verboden graad geen zitting nemen in een zelfde zaak (of er de taken van referendaris bij het Hof van Cassatie vervullen). <W 1997-05-06/38, art. 12, 052; Inwerkingtreding : 05-07-1997>
Art. 303. <W 1994-07-11/33, art. 30, 032; Inwerkingtreding : 1995-01-01>
In een vredegerecht mogen de rechters, hun plaatsvervangers en de griffiers geen echtgenoten zijn of geen bloed- of aanverwanten tot en met de graad van oom en neef.
Art. 304. In alle zaken moet (de rechter, de toegevoegde rechter, de plaatsvervangende rechter, de ambtenaar van het openbaar ministerie) (,de referendaris bij het Hof van Cassatie) (de griffier) of de rechter in sociale zaken of in handelszaken, op straffe van tuchtsanctie als naar recht, zich onthouden, indien hij echtgenoot, bloed- of aanverwant in de rechte lijn of in de tweede graad in de zijlijn is van de advocaat of van de gemachtigde van een der partijen. <W 1998-02-10/32, art. 14, 057; Inwerkingtreding : 02-03-1998> <W 1997-05-06/38, art. 13, 052; Inwerkingtreding : 05-07-1997> <W 1997-02-17/50, art. 70, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
HOOFDSTUK III. - Standplaats.
Art. 305. (Opgeheven) <W 2001-06-21/42, art. 31, 085; Inwerkingtreding : 20-07-2001>
Art. 306. (Opgeheven) <W 2001-06-21/42, art. 31, 085; Inwerkingtreding : 20-07-2001>
Art. 307. (Opgeheven) <W 2001-06-21/42, art. 31, 085; Inwerkingtreding : 20-07-2001>
HOOFDSTUK IV. - Magistraten gemachtigd om een openbaar ambt te aanvaarden bij een internationale, supranationale of buitenlandse instelling.
Art. 308. <W 2003-01-09/30, art. 2, 100; Inwerkingtreding : 13-01-2003> De magistraten van de rechterlijke orde bedoeld in artikel 58bis kunnen door de Koning, op advies van de korpschef of de magistraat aan wie zij hiërarchisch ondergeschikt zijn, gemachtigd worden om opdrachten te vervullen bij supranationale, internationale of buitenlandse instellingen.
De vergunning geldt voor één jaar. Op verzoek van de internationale, supranationale of buitenlandse instelling en van de magistraat wordt deze termijn telkens met ten hoogste een jaar verlengd zonder dat de totale duur van het verlof zes jaar mag overschrijden. Heeft de betrokkene na het verstrijken van het verlof zijn ambt in de rechterlijke orde niet weder opgenomen, dan wordt hij als ontslagnemend beschouwd.
De magistraten met verlof wegens opdracht behouden hun plaats op de ranglijst en worden geacht het ambt waarin ze werden benoemd te hebben uitgeoefend. Zij behouden de aan dit ambt verbonden wedde met de daaraan verbonden verhogingen en voordelen voor zover aan de opdracht geen wedde is verbonden.
(De bepalingen van artikel 323bis zijn van overeenkomstige toepassing op de titularissen van een adjunct-mandaat die vast zijn aangewezen, de titularissen van een adjunct-mandaat die niet vast zijn aangewezen, de titularissen van een bijzondere mandaat en de korpschefs.) <W 2003-05-03/45, art. 28, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
Art. 309. <W 2003-01-09/30, art. 3, 100; Inwerkingtreding : 13-01-2003> Is de opdracht bedoeld in artikel 308 voltijds, dan kan in de vervanging van de magistraten worden voorzien door een benoeming, en in voorkomend geval, een aanwijzing in overtal.
HOOFDSTUK V. - <Ingevoegd bij W 2003-04-10/59, art. 94; Inwerkingtreding : 01-01-2004> Magistraten gemachtigd om Belgische militaire troepen in het buitenland te vergezellen
Art. 309bis. <Ingevoegd bij W 2003-04-10/59, art. 94; Inwerkingtreding : 01-01-2004> In vredestijd kunnen magistraten van het openbaar ministerie de Belgische troepen vergezellen bij militaire operaties in het buitenland, als de Ministers van Justitie en van Landsverdediging hiertoe in gemeenschappelijk overleg beslissen, na een gemotiveerd verslag van de militaire overheden dat bijzondere omstandigheden zulks rechtvaardigen.
Daartoe wordt door de Koning, na advies van de korpschef en op voordracht van het College van procureurs-generaal, een lijst van magistraten van het openbaar ministerie vastgesteld. Ze worden aangewezen onder de sedert ten minste een jaar benoemde magistraten van het openbaar ministerie die op de oproep tot kandidaten reageren.
De aanwijzing van de magistraten die op die lijst voorkomen, geldt voor een hernieuwbare periode van drie jaar.
Wanneer het zenden van een magistraat om de troepen te vergezellen gerechtvaardigd wordt overeenkomstig het eerste lid, dan wordt deze magistraat door de federale procureur gekozen ofwel uit de federale magistraten ofwel uit de magistraten die voorkomen op de door de Koning vastgestelde lijst. In dit laatste geval wordt aan de magistraat van rechtswege gedurende deze periode een opdracht bij het federaal parket gegeven.
De magistraat vervult die opdracht onder de onmiddellijke leiding en toezicht van de federale procureur.
De magistraat die de troepen vergezelt moet houder zijn van een brevet inzake militaire technieken dat minder dan vijf jaar geleden door het Ministerie van Landsverdediging is uitgereikt.
Het brevet inzake militaire technieken bewijst dat de magistraat die de troepen vergezelt, een militaire basisopleiding heeft gevolgd, op de wijze bepaald door de Minister van Landsverdediging.
Het brevet inzake militaire technieken blijft geldig zolang de houder een attest kan voorleggen, uitgereikt door het Ministerie van Landsverdediging aan diegenen die de bijscholingscursussen hebben gevolgd die om de vijf jaar worden georganiseerd.
De opdracht troepen te vergezellen mag geen negatieve gevolgen hebben op de verloning van de magistraat en heeft, in voorkomend geval, geen weerslag op het mandaat, vermeld in artikel 58bis, dat de betrokkene uitoefent.
TITEL II. - Uitoefening van gerechtelijke ambten.
HOOFDSTUK I. - Rangorde en voorrang.
Art. 310. In het Hof van Cassatie wordt een ranglijst bijgehouden, (...) vastgesteld als volgt : <W 1997-02-17/50, art. 72, 045; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
Leden van het hof:
- De eerste voorzitter;
- (De voorzitter); <W 15-7-1970, art. 21>
- De raadsheren, naar orde van hun dienstouderdom als raadsheer;
- De procureur-generaal;
- De eerste advocaat-generaal;
- (De advocaten-generaal naar orde van hun aanwijzing); <W 1998-12-22/47, art. 54, 067; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
Leden van de griffie:
- (De hoofdgriffier;
- De griffier-hoofd van dienst;
- De griffiers, naar orde van hun benoeming;
- De (adjunct-griffiers), naar orde van hun benoeming.) <W 15-7-1970, art. 21> <W 1997-02-17/50, art. 72, 045; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
(Leden van het parketsecretariaat :
De hoofdsecretaris;
De secretaris-hoofd van dienst;
De secretarissen, in de volgorde van hun benoeming;
De adjunct-secretarissen, in dezelfde volgorde.) <W 1997-02-17/50, art. 72, 045; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
Art. 311. In de hoven van beroep en in de arbeidshoven wordt een ranglijst bijgehouden, (vastgesteld als volgt) : <W 1997-02-17/50, art. 72, 045; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
Leden van het hof:
- De eerste voorzitter;
- De kamervoorzitters, naar de orde van hun dienstouderdom als voorzitter;
- De raadsheren, naar orde van hun dienstouderdom als raadsheer; (de plaatsvervangende raadsheren zoals bedoeld in artikel 207bis, § 2, naar orde van hun benoeming, en vervolgens de plaatsvervangende raadsheren zoals bedoeld in artikel 207bis, § 1, 3°, naar orde van hun benoeming en vervolgens de overige plaatsvervangende raadsheren naar orde van hun benoeming); <W 1997-07-09/36, art. 18, 054; Inwerkingtreding : 13-08-1997>
- De procureur-generaal;
- De eerste advocaat-generaal bij het hof van beroep of de eerste advocaat-generaal bij het arbeidshof;
- De advocaten-generaal bij het hof van beroep of de (advocaten-generaal bij het arbeidshof, naar orde van hun aanwijzing); <W 1998-12-22/47, art. 55, 067; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
- De substituut-procureurs-generaal bij het hof van beroep of de (substituten-generaal bij het arbeidshof, naar ordevan hun benoeming); <W 1998-12-22/47, art. 55, 067; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
- De raadsheren in sociale zaken in het arbeidshof, naar orde van hun benoeming.
(- De referendarissen bij de hoven van beroep, naar orde van hun benoeming) <W 1999-03-24/31, art. 12, 070; Inwerkingtreding : 17-04-1999>
Leden van de griffie:
- De hoofdgriffier;
- De griffiers-hoofden van dienst, naar orde van hun benoeming;
- De griffiers, naar dezelfde orde;
- De (adjunct-griffiers) naar dezelfde orde. <W 1997-02-17/50, art. 73, 045; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
(Leden van het parketsecretariaat :
De hoofdsecretaris;
De secretarissen-hoofden van dienst, in de volgorde van hun benoeming;
De secretarissen, in dezelfde volgorde;
De adjunct-secretarissen, in dezelfde volgorde.) <W 1997-02-17/50, art. 73, 045; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
Art. 311bis <Ingevoegd bij W 2001-06-21/42, art. 32, 085; Inwerkingtreding : 20-07-2001> In het federaal parket wordt een ranglijst bijgehouden, vastgesteld als volgt :
Leden van het parket :
De federale procureur;
De federale magistraten naar orde van hun aanwijzing.
Leden van het parketsecretariaat :
De hoofdsecretaris;
De secretaris-hoofd van dienst;
De secretarissen naar orde van hun benoeming;
De adjunct-secretarissen in dezelfde volgorde.
Art. 312. In de rechtbanken van eerste aanleg, in de arbeidsrechtbanken en in de rechtbanken van koophandel wordt een ranglijst bijgehouden, (vastgesteld als volgt); <W 1997-02-17/50, art. 74, 045; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
Leden van de rechtbank:
- De voorzitter van de rechtbank;
- De ondervoorzitters, naar orde van hun dienstouderdom als ondervoorzitter;
- (de rechters en de toegevoegde rechters, in de volgorde van hun benoeming); <W 1998-12-22/47, art. 56, 067; Inwerkingtreding : 01-03-1999>
- De plaatsvervangende rechters, naar dezelfde orde;
- De procureur des Konings of de arbeidsauditeur;
- De eerste substituut-procureurs des Konings of de eerste substituut-arbeidsauditeurs, naar orde van hun dienstouderdom als eerste substituut;
- (De substituut-procureurs des Konings, de substituut-arbeidsauditeurs, de toegevoegde substituut-procureurs des Konings en de toegevoegde substituut-arbeidsauditeurs, naar orde van hun benoeming als substituut of toegevoegde substituut;) <W 1998-12-22/47, art. 56, 067; Inwerkingtreding : 01-03-1999>
- De rechters in sociale zaken en de rechters in handelszaken, naar orde van hun benoeming.
(- de referendarissen en de parketjuristen bij de rechtbanken van eerste aanleg, naar orde van hun benoeming) <W 1999-03-24/31, art. 13, 070; Inwerkingtreding : 17-04-1999>
Leden van de griffie:
- De hoofdgriffier;
- De griffiers-hoofden van dienst, naar orde van hun benoeming;
- De griffiers, naar dezelfde orde;
- De (adjunct-griffiers) naar dezelfde orde. <W 1997-02-17/50, art. 74, 045; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
(Leden van het parketsecretariaat :
De hoofdsecretaris;
De secretarissen-hoofden van dienst, in de volgorde van hun benoeming;
De secretarissen, in dezelfde volgorde;
De adjunct-secretarissen, in dezelfde volgorde.) <W 1997-02-17/50, art. 74, 045; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
Art. 312bis. <Ingevoegd bij W 1997-02-17/50, art. 75; Inwerkingtreding : 01-07-1997> In de vredegerechten wordt een ranglijst bijgehouden, vastgesteld als volgt :
De vrederechter;
(de toegevoegde vrederechter;) <W 1998-12-22/47, art. 57, 067; Inwerkingtreding : 01-03-1999>
De plaatsvervangende vrederechters, in de volgorde van hun benoeming;
De hoofdgriffier;
De griffier;
De adjunct-griffiers, in de volgorde van hun benoeming.
Art. 312ter. <Ingevoegd bij W 1997-02-17/50, art. 76; Inwerkingtreding : 01-07-1997> In de politierechtbanken wordt een ranglijst bijgehouden, vastgesteld als volgt :
De rechters, in de volgorde van hun benoeming;
(De toegevoegde rechters in dezelfde volgorde;) <W 1998-12-22/47, art. 58, 067; Inwerkingtreding : 01-03-1999>
De plaatsvervangende rechters, in dezelfde volgorde;
De hoofdgriffier;
De griffiers-hoofden van dienst, in de volgorde van hun benoeming;
De griffiers, in dezelfde volgorde;
De adjunct-griffiers, in dezelfde volgorde.
Art. 313. (Die lijsten bepalen de rang op openbare plechtigheden, op de vergaderingen van (de hoven het federaal parket en de rechtbanken), alsmede onverminderd de bepalingen vervat in art. 383bis, § 4, de rang van de magistraten die in een zelfde kamer zitting hebben.) <W 17-07-1984, art. 2> <W 2001-06-21/42, art. 33, 085; Inwerkingtreding : 20-07-2001>
(Evenwel, wanneer zij zitting nemen in een zelfde kamer, hebben de magistraten rang boven en nemen zitting voor de plaatsvervangende magistraat aangewezen overeenkomstig artikel 383, tweede lid.) <W 17-07-1984, art. 3>
De raadsheren in het hof van beroep aan wie opdracht wordt gegeven een zitting van de assisen voor te zitten en de raadsheren in het hof van beroep of in het arbeidshof, aan wie opdracht wordt gegeven een kamer van het hof voor te zitten, ten zetel van een rechtbank die niet de zetel van het hof van beroep zelf is, hebben rang boven en nemen zitting vóór alle leden van die rechtbank. Dezelfde rangorde wordt ook op openbare plechtigheden in acht genomen.
Art. 314. (De hoven, het federaal parket en de rechtbanken die een openbare plechtigheid bijwonen, nemen onder elkaar de hiërarchische orde in acht.) <W 2001-06-21/42, art. 34, 085; Inwerkingtreding : 20-07-2001>
(De arbeidshoven hebben rang na de hoven van beroep, het federaal parket na de arbeidshoven, de arbeidsrechtbanken na de rechtbanken van eerste aanleg en de rechtbanken van koophandel na de arbeidsrechtbanken.) <W 2001-06-21/42, art. 34, 085; Inwerkingtreding : 20-07-2001>
(In de orde van individuele voorrang hebben de eerste voorzitters van de arbeidshoven rang onmiddellijk na de eerste voorzitters van de hoven van beroep; de procureurs-generaal hebben rang na de eerste voorzitters, (de federale procureur heeft rang na de procureurs-generaal,) de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, de voorzitter van de arbeidsrechtbank en de voorzitter van de rechtbank van koophandel hebben rang onmiddellijk na de procureurs-generaal; de procureur des Konings en de arbeidsauditeur hebben rang na de voorzitters van de rechtbanken; de kamervoorzitters en de raadsheren in het arbeidshof hebben respectievelijk dezelfde rang als de kamervoorzitters, de raadsheren in het hof van beroep en de leden van het parket-generaal en van het auditoraat-generaal (evenals van het federaal parket) rekening gehouden met hun anciënniteit; de raadsheer in sociale zaken hebben de onmiddellijk lagere rang, maar hebben rang vóór alle andere leden van de gerechten van eerste aanleg); <W 2001-06-21/42, art. 34, 085; Inwerkingtreding : 20-07-2001> <W 2001-06-21/42, art. 34, 085; Inwerkingtreding : 20-07-2001>
(De ondervoorzitters,) (de rechters en de toegevoegde rechters) in de arbeidsrechtbank en in de rechtbank van koophandel hebben respectievelijk dezelfde rang als (de ondervoorzitters,) (de rechters en de toegevoegde rechters) in de rechtbank van eerste aanleg en de leden van het parket van de procureur des Konings en van het arbeidsauditoraat rekening gehouden met hun ancïenniteit; de rechters in de sociale zaken en in handelszaken hebben de onmiddellijk lagere rang, vóór de leden van ieder ander gerecht van eerste aanleg.) <W 15-7-1970, art. 22> <W 1998-02-10/32, art. 17, 057; Inwerkingtreding : 02-03-1998> <W 2003-05-03/45, art. 29, 110; ED : 02-06-2003>
De vrederechters en de rechters in de politierechtbank nemen onder elkaar de orde van dienstouderdom in acht.
Art. 315. Ieder magistraat en ieder griffier van de rechterlijke orde die in zijn ambt wordt hersteld na het te hebben neergelegd, kan door de Koning worden gemachtigd om op de ranglijsten, voorgeschreven bij de artikelen 310, 311 en 312, de plaats in te nemen die hij zou hebben bekleed indien hij zijn ambt niet had neergelegd.
(Als een militair magistraat wordt benoemd of aangewezen bij het openbaar ministerie van de rechtbank van eerste aanleg of van de arbeidsrechtbank, heeft hij rang vanaf de datum van zijn benoeming of aanwijzing in die hoedanigheid bij de krijgsraad.
(Als een toegevoegd magistraat wordt benoemd in een rechtbank of bij het openbaar ministerie bij een rechtbank van eerste aanleg of een arbeidsrechtbank, heeft hij rang vanaf de datum van zijn benoeming als toegevoegd magistraat.) <W 2001-06-21/42, art. 35, 085; Inwerkingtreding : 20-07-2001>
Als een lid van de griffie van een krijgsraad wordt benoemd tot lid van de griffie van de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank, de rechtbank van koophandel, het vredegerecht of de politierechtbank, heeft hij rang vanaf de datum van zijn benoeming in die hoedanigheid bij dezelfde krijgsraad.) <W 1994-12-21/31, art. 143, 037; Inwerkingtreding : 1995-03-01>
(Het tweede en het vierde lid gelden niet voor de magistraten van de tijdelijke personeelsformatie van het Militair Gerechtshof, voor de griffiers en het griffiepersoneel van de tijdelijke personeelsformatie van het auditoraat bij de krijgsraad of van het Militair Gerechtshof, voor de secretarissen en het personeel van de tijdelijke personeelsformatie van het parketsecretariaat van het auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof.) <W 2003-04-10/59, art. 95, 107; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
HOOFDSTUK II. - Dienst der terechtzittingen.
Art. 316. Buiten de ranglijst wordt er in de hoven en rechtbanken een lijst bijgehouden voor regeling van de dienst. De lijst wordt opgemaakt voor de hoven door de eerste voorzitters en voor de rechtbanken door de voorzitters.
De dienstregeling, wordt ieder jaar, gedurende de acht dagen vóór de vacantie, vernieuwd. (Zij kan worden aangepast als de behoeften van de dienst het rechtvaardigen.) <W 2003-12-22/53, art. 14, 116; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
Voor de samenstelling van de kamers wordt er rekening gehouden met de wettelijke bepalingen tot regeling van het gebruik van de talen in gerechtszaken.
(Voor de samenstelling van de kamers, houden de eerste voorzitter van het hof van beroep of van het arbeidshof, alsook de voorzitters van de rechtbanken rekening met de rang van de leden geroepen om zitting te nemen.) <W 17-07-1984, art. 4>
Art. 317. Zijn de leden van een kamer talrijker dan vereist is om zitting te houden, dan wordt de dienst der zittingen onder hen verdeeld naar de orde die de kamervoorzitter bepaalt.
Art. 318. De dienst der zitting van de leden van het parket wordt voor de hoven van beroep en voor de arbeidshoven geregeld door de procureur-generaal, (voor het federaal parket door de federale procureur,) voor de rechtbank van eerste aanleg en de rechtbank van koophandel door de procureur des Konings en voor de arbeidsrechtbank door de arbeidsauditeur. <W 2001-06-21/42, art. 36, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
HOOFDSTUK III. - Verhindering en vervanging.
Art. 319. <W 1998-12-22/47, art. 59, 067; Inwerkingtreding : 02-08-2000> De korpschef die verhinderd is de hem bepaaldelijk opgedragen ambtsverrichtingen te vervullen, wordt vervangen door de magistraat die hij daartoe aanwijst.
(Wanneer de korpschef geen vervanger heeft aangewezen, wordt hij vervangen door een adjunct-mandaathouder naar orde van dienstanciënniteit of bij ontstentenis van deze door een ander magistraat naar orde van dienstanciënniteit.) <W 2003-05-03/45, art. 30, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
(...). <W 2003-05-03/45, art. 30, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
(De vervanger bedoeld in de vorige leden moet voldoen aan dezelfde taalvoorwaarden als de korpschef.) <W 2003-05-03/45, art. 30, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
De vervanging neemt van rechtswege een einde bij het bereiken van de leeftijdsgrens bedoeld in artikel 383, § 1.
Art. 320. <W 1998-12-22/47, art. 60, 067; Inwerkingtreding : 02-08-2000> Behoudens andersluidende bepalingen regelen de korpschefs van de hoven en rechtbanken of van het openbaar ministerie bij de hoven en rechtbanken voor de dienst van de zitting de vervangingen in geval van verhindering of vacature van adjunct-mandaathouders of bijzondere mandaathouders.
Art. 321. In het hof van beroep, in het arbeidshof en in het Hof van Cassatie wordt de verhinderde raadsheer vervangen door een raadsheer van een andere kamer, die de eerste voorzitter van het hof aanwijst.
(In het hof van beroep kan de verhinderde raadsheer ook vervangen worden door een plaatsvervangend raadsheer, die de eerste voorzitter van het hof aanwijst. De plaatvervangend raadsheer kan niet geroepen worden om een aleenzittend raadsheer te vervangen.) <W 1997-07-19/36, art. 19, 054; Inwerkingtreding : 13-02-1997>
(In het hof van beroep kan de kamervoorzitter, om de kamer voltallig te maken, een sinds ten minste vijftien jaar op het tableau van de Orde ingeschreven advocaat oproepen om zitting te nemen). <W 17-07-1984, art. 5>
Art. 321bis. <ingevoegd bij W 1997-07-09/36, art. 20, Inwerkingtreding : 13-08-1997> Wanneer een plaatsvervangend raadsheer wettig verhinderd is, kan de eerste voorzitter van het hof van beroep bij beschikking een vervanger aanwijzen uit de plaatsvervangende raadsheren zoals bedoeld in artikel 102.
Art. 322. In de rechtbanken van eerste aanleg kan de verhinderde rechter vervangen worden door een ander (rechter, door een toegevoegd rechter of door een plaatsvervangend rechter). Zijn er niet genoeg plaatsvervangende rechters, dan kan de voorzitter van de kamer, om de rechtbank voltallig te maken, een of twee, op het tableau van de Orde ingeschreven advocaten die ten minste dertig jaar oud zijn, oproepen om zitting te nemen. <W 1998-02-10/32, art. 18, 1°, 057; Inwerkingtreding : 02-03-1998>
In de arbeidsrechtbanken en in de rechtbanken van koophandel wordt de kamervoorzitter vervangen door de voorzitter van de rechtbank of door (de rechter die hij aanwijst, door een toegevoegd rechter of een plaatsvervangend rechter). <W 1998-02-10/32, art. 18, 2°, 057; Inwerkingtreding : 02-03-1998>
De verhinderde rechter in sociale zaken of in handelszaken wordt vervangen door een plaatsvervangend rechter in sociale zaken of in handelszaken. Bij onvoorziene afwezigheid kan de voorzitter van de arbeidsrechtbank een andere rechter in sociale zaken, naar gelang van het geval, werkgever, arbeider, bediende of zelfstandige, (een rechter, een toegevoegd rechter of een plaatsvervangend rechter) of een op het tableau van de Orde ingeschreven advocaat die ten minste dertig jaar oud is, aanwijzen om de verhinderde assessor te vervangen; (in hetzelfde geval kan de voorzitter van de rechtbank van koophandel een andere werkende of plaatsvervangende rechter in handelszaken, (een rechter, een toegevoegd rechter of een een plaatsvervangend rechter) of een op het tableau van de Orde ingeschreven advokaat die ten minste dertig jaar oud is, aanwijzen om de verhinderde assessor te vervangen.) <W 30-03-1973, art. 1> <W 1998-02-10/32, art. 18, 3°, 057; Inwerkingtreding : 02-03-1998>
Art. 323. <W 1994-07-11/33, art. 32, 032; Inwerkingtreding : 1995-01-01> De verhinderde vrederechter wordt vervangen door een plaatsvervangende vrederechter.
De verhinderde rechter in de politierechtbank wordt vervangen door een andere rechter in de politierechtbank of een plaatsvervangend rechter in de politierechtbank.
Art. 323bis. <W 2000-07-17/34, art. 9, 080; Inwerkingtreding : 01-01-2000> § 1. In de bij de wet bepaalde gevallen kan een lid van de zittende magistratuur een opdracht vervullen. (Is de opdracht voltijds, dan kan, met uitzondering van de vrederechters, de rechters in de politierechtbank, de toegevoegde vrederechters en de toegevoegde rechters in een politierechtbank, in een vervanging voorzien worden door middel van een benoeming en, in voorkomend geval, een aanwijzing in overtal). <W 2003-05-03/45, art. 31, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
De magistraten die een opdracht vervullen, behouden hun plaats op de ranglijst en worden geacht het ambt waarin ze werden benoemd te hebben uitgeoefend. Zij behouden de aan dit ambt verbonden wedde met de daaraan verbonden verhogingen en voordelen voor zover aan de opdracht geen wedde is verbonden.
De titularissen van een adjunct-mandaat die vast zijn aangewezen en die een opdracht vervullen, behouden hun plaats op de ranglijst en worden geacht hun mandaat te hebben uitgeoefend. Zij behouden de aan het adjunct-mandaat verbonden wedde of weddebijslag met de daaraan verbonden verhogingen en voordelen voor zover aan de opdracht geen wedde is verbonden.
(Zijn de titularissen van een adjunct-mandaat niet vast aangewezen, dan wordt de uitoefening van hun adjunct-mandaat voor de duur van de opdracht geschorst. Zij behouden hun plaats op de ranglijst en worden geacht het ambt waarin ze benoemd werden en het adjunct-mandaat waarin ze werden aangewezen te hebben uitgeoefend. Zij behouden de aan het adjunct-mandaat verbonden wedde of weddebijslag met de daaraan verbonden verhogingen en voordelen voor zover aan de opdracht geen wedde is verbonden. Zij worden binnen dertig dagen na de aanvang van het verlof met opdracht bij toepassing van artikel 259nonies, tweede lid, vervroegd geëvalueerd overeenkomstig de bepalingen van artikel 259undecies en behouden deze evaluatie voor de duur van hun opdracht. Ingeval zij tijdens het jaar voorafgaand aan het verlof met opdracht reeds onderworpen zijn aan een evaluatie of een evaluatie is aangevangen, dan behouden zij voor de duur van de opdracht de aldus verleende evaluatie.
De bepalingen voor de titularissen van een adjunct-mandaat die niet vast zijn aangewezen zijn van overeenkomstige toepassing op de titularissen van een bijzonder mandaat.) <W 2003-05-03/45, art. 31, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003> Zij behouden de aan het adjunct-mandaat verbonden wedde of weddebijslag met de daaraan verbonden verhogingen en voordelen voor zover aan de opdracht geen wedde is verbonden.
De korpschefs die een opdracht vervullen, verliezen hun mandaat van korpschef maar behouden hun plaats op de ranglijst en worden geacht hun mandaat te hebben uitgeoefend. Zij behouden hun wedde met de daaraan verbonden verhogingen en voordelen voor zover aan de opdracht geen wedde is verbonden. Op het einde van de opdracht en uiterlijk zeven jaar na hun aanwijzing als korpschef, vallen zij onder toepassing van artikel 259quater, § 4.
§ 2. De bepalingen van de eerste paragraaf zijn van overeenkomstige toepassing op de ambtenaren van het openbaar ministerie die een andere opdracht dan die bedoeld in de artikelen 327 en 327bis, vervullen.
Art. 324. (opgeheven) <W 1998-12-22/47, art. 62, 067; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
Art. 325. (...) <W 1998-12-22/47, art. 63, 067; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
Bij afwezigheid of verhindering van de substituut-procureurs-generaal of van de substituten-generaal wordt de dienst van het parket waargenomen door de advocaten-generaal.
Art. 326. <W 2004-04-12/38, art. 12, 118; Inwerkingtreding : 17-05-2004> § 1. De procureur-generaal bij het hof van beroep geeft opdracht aan de toegevoegde substituten van de procureur des Konings, alsmede aan de toegevoegde substituten van de arbeidsauditeur, om tijdelijk hun ambt uit te oefenen in de parketten van de procureur des Konings of in de arbeidsauditoraten van zijn rechtsgebied naargelang van de noodwendigheden van de dienst.
§ 2. Wanneer de noodwendigheden van de dienst het rechtvaardigen, kan de procureur-generaal bij het hof van beroep opdracht geven aan :
1° een magistraat van het parket-generaal om het ambt van openbaar ministerie tijdelijk waar te nemen in het arbeidsauditoraat-generaal, in een parket van de procureur des Konings of in een arbeidsauditoraat van het rechtsgebied;
2° een magistraat van het arbeidsauditoraat-generaal om het ambt van openbaar ministerie tijdelijk waar te nemen in het parket-generaal, in een parket van de procureur des Konings of in een arbeidsauditoraat van het rechtsgebied;
3° een magistraat van een parket van de procureur des Konings van zijn rechtsgebied om het ambt van openbaar ministerie tijdelijk waar te nemen in het parket-generaal, in het arbeidsauditoraat-generaal, in een ander parket van de procureur des Konings of in een arbeidsauditoraat van hetzelfde rechtsgebied;
4° een magistraat van een arbeidsauditoraat van zijn rechtsgebied om het ambt van openbaar ministerie tijdelijk waar te nemen in het parket-generaal, in het arbeidsauditoraat-generaal, in een ander arbeids-auditoraat of in een parket van de procureur des Konings van hetzelfde rechtsgebied.
De opdracht wordt gegeven na eensluidend advies van de betrokken korpschefs.
§ 3. De procureur-generaal bij het hof van beroep kan, binnen zijn rechtsgebied, een of meer magistraten van het parket-generaal, van het arbeidsauditoraat-generaal of, in overleg met de procureur des Konings of de arbeidsauditeur, van het parket van de procureur des Konings of het arbeidsauditoraat aanwijzen, op wie de federale procureur of de Minister van Justitie bij voorrang een beroep kan doen met toepassing van artikel 144bis, § 3, eerste en tweede lid.
§ 4. Wanneer de noodwendigheden van de dienst het rechtvaardigen, kan de Minister van Justitie opdracht geven aan :
1° een magistraat van een parket-generaal bij een hof van beroep om het ambt van openbaar ministerie tijdelijk waar te nemen (in het parket-generaal bij het Hof van Cassatie,) in een parket-generaal bij een ander hof van beroep, in een arbeidsauditoraat-generaal van een ander rechtsgebied, of in een parket van de procureur des Konings of in een arbeidsauditoraat van een ander rechtsgebied; <W 2004-12-27/31, art. 3, 121; Inwerkingtreding : 01-09-2004>
2° een magistraat van een arbeidsauditoraat-generaal om het ambt van openbaar ministerie tijdelijk waar te nemen (in het parket-generaal bij het Hof van Cassatie,) in een ander arbeidsauditoraat-generaal, in het parket-generaal bij een hof van beroep van een ander rechtsgebied, of in een arbeidsauditoraat of een parket van de procureur des Konings van een ander rechtsgebied; <W 2004-12-27/31, art. 3, 121; Inwerkingtreding : 01-09-2004>
3° een magistraat van een parket van de procureur des Konings om het ambt van openbaar ministerie tijdelijk waar te nemen, hetzij in een parket-generaal bij een hof van beroep of in een arbeidsauditoraat-generaal van een ander rechtsgebied, hetzij in een parket van de procureur des Konings of in een arbeidsauditoraat van een ander rechtsgebied;
4° een magistraat van een arbeidsauditoraat om het ambt van openbaar ministerie tijdelijk waar te nemen hetzij in een parket-generaal bij een hof van beroep of in een arbeidsauditoraat-generaal van een ander rechtsgebied, hetzij in een arbeidsauditoraat of in een parket van de procureur des Konings van een ander rechtsgebied.
In de in deze paragraaf bepaalde gevallen wordt de opdracht gegeven na eensluidend advies van de betrokken korpschefs.
§ 5. De Minister van Justitie kan, op eensluidend voorstel van de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie en van de procureur-generaal bij dit Hof, opdracht geven aan magistraten van de hoven en rechtbanken om een ambt uit te oefenen in de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie. De duur van de opdracht is beperkt tot zes jaar.
§ 6. De beslissing tot het geven van een opdracht genomen krachtens de §§ 2 en 4 en de aanwijzingsbeslissing genomen krachtens § 3 geeft de redenen aan die de maatregel onontbeerlijk maakt met het oog op de noodwendigheden van de dienst. De beslissingen bepalen bovendien de nadere regels betreffende de opdracht of de aanwijzing.
§ 7. In de in de §§ 2, 4 en 5 bedoelde gevallen kan de opdracht aan de magistraat slechts met zijn toestemming worden gegeven. Ingeval de ontstentenis van deze toestemming kennelijk de continuïteit van de dienst in gevaar brengt, kunnen, na eensluidend bijkomend advies van de betrokken korpschefs hieromtrent, de procureur-generaal, voor de in § 2 bedoelde opdracht en de Minister van Justitie, voor de in de §§ 4 en 5 bedoelde opdrachten, zonder de toestemming van de betrokken magistraat tot de opdracht besluiten.
Art. 327. (lid opgeheven) <W 2003-04-10/59, art. 96, 107; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
(Onverminderd de toepassing van artikel 326 kan de Minister van Justitie, op gelijkluidend advies van de procureur-generaal onder wie de magistraat ressorteert, aan magistraten van een parket van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur een opdracht geven in dienst van de Koning of voor federale overheidsdiensten (, beleidsorganen en secretariaten,) of bij regeringscommissies, -instellingen of -diensten.) <W 2003-04-10/59, art. 96, 107; Inwerkingtreding : 01-01-2004> <W 2004-12-27/31, art. 4, 121; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
(De Minister van Justitie kan eveneens, op gelijkluidend advies van de bevoegde procureur-generaal aan magistraten van het parket bij een gerecht van hoger beroep opdracht geven in dienst van de Koning of voor federale overheidsdiensten (, beleidsorganen en secretariaten).) <W 2003-04-10/59, art. 96, 107; Inwerkingtreding : 01-01-2004> <W 2004-12-27/31, art. 4, 121; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
(De opdrachten bepaald in het (eerste en tweede) lid mogen niet voor meer dan zes jaar worden gegeven behalve wat betreft de opdracht in dienst van de Koning, die van onbepaalde duur is.) <W 25-07-1974, art. 1> <W 2003-04-10/59, art. 96, 107; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
(De bepalingen van artikel 323bis, § 1, tweede tot vijfde lid, zijn van toepassing op de vorige leden.) <W 2000-07-17/34, art. 10, 080; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
Art. 327bis. <Ingevoegd bij W 1993-08-06/30, art. 60; Inwerkingtreding : 19-08-1993> (Onverminderd de toepassing van artikel 327, kan de Minister van Justitie op gelijkluidend advies van de bevoegde procureur-generaal aan magistraten van een parket opdracht geven om bij de Federale Overheidsdienst Justitie en bij de Cel voor financiële informatieverwerking een specifieke opdracht te vervullen, omschreven in een wets- of verordeningsbepaling.) <W 2003-04-10/59, art. 97, 107; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
De duur van deze opdracht wordt vastgesteld in voormelde wets- of verordeningsbepaling.
(De bepalingen van artikel 323bis, § 1, zijn van toepassing op de vorige leden.) <W 2000-07-17/34, art. 11, 080; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
Art. 327ter. <NOTA : Art. 327ter werd gewijzigd bij W 1998-12-22/48, art. 20, 069 en teruggebracht bij art. 67 van de wet van 2001-06-21/42>
(Opgeheven) <W 2001-06-21/42, art. 38, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
Art. 328. <W 1997-02-17/50, art. 77, 045; Inwerkingtreding : 01-07-1997> Bij verhindering wordt de hoofdgriffier in de hoven, de rechtbanken en de politierechtbanken vervangen door de griffier-hoofd van dienst of de griffier die hij aanwijst; in de vredegerechten wordt de hoofdgriffier vervangen door de griffier of de adjunct-griffier die hij aanwijst.
Wanneer de hoofdgriffier van een hof, van een rechtbank, van een vredegerecht of van een politierechtbank zich in de onmogelijkheid bevindt om die aanwijzing te doen (of wanneer hij overlijdt of zijn ambt neerlegt), wordt in zijn vervanging voorzien, naar gelang van het geval, door de eerste voorzitter van het hof, de voorzitter van de rechtbank, de vrederechter of de oudstbenoemde rechter in de politierechtbank. <W 2003-05-03/45, art. 34, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, kan de procureur-generaal aan adjunct-griffiers van een bepaalde griffie opdracht geven om voor maximum zes maanden hun ambt in een andere griffie te vervullen.
De adjunct-griffiers aan wie opdracht is gegeven, kunnen als griffier aan de griffie worden toegevoegd.
In alle voormelde gevallen is een nieuwe eedaflegging overbodig.
Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, kan de hoofdgriffier een opsteller of een beambte die geslaagd is voor de examens van kandidaat-griffier, opdracht geven tijdelijk het ambt van griffier uit te oefenen, dit voor een bepaalde en beperkte tijd en op voorwaarde dat de reden van de opdracht wordt opgegeven.
Art. 329. <W 1997-02-17/50, art. 78, 045; Inwerkingtreding : 01-07-1997> Wanneer de hoofdgriffier, de griffiers en de adjunct-griffiers verhinderd zijn of wanneer de zaak geen uitstel gedoogt tot een griffier tegenwoordig is, kan de rechter zich als griffier een opsteller of een beambte van de griffie toevoegen.
Art. 329bis. <Ingevoegd bij W 1997-02-17/50, art. 79; Inwerkingtreding : 01-07-1997> Bij verhindering wordt de hoofdsecretaris van het parket vervangen door de secretaris-hoofd van dienst of de secretaris die hij aanwijst. Wanneer hij zich in de onmogelijkheid bevindt om die aanwijzing te doen, wordt in zijn vervanging voorzien, naar gelang van het geval, door de procureur-generaal, (de federale procureur) de procureur des Konings of de arbeidsauditeur. <W 2001-06-21/42, art. 39, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
Een nieuwe eedaflegging is overbodig.
Art. 330. <W 1997-02-17/50, art. 80, 045; Inwerkingtreding : 01-07-1997> (Onverminderd de toepassing van de artikelen 328 en 329 kan de Minister van Justitie aan referendarissen, griffiers, adjunct-griffiers, opstellers en beambten bij een hof of een rechtbank een opdracht geven om een gelijk of een hoger ambt te vervullen in hun griffie, in een andere griffie, (in federale overheidsdiensten, beleidsorganen en secretariaten, in ministeriële kabinetten, in regeringscommissies, -instellingen of -diensten of bij het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring). Overeenkomstig een bijzondere wets- of verordeningsbepaling kan artikel 327bis op hen worden toegepast.) <W 2003-04-10/59, art. 98, 107; Inwerkingtreding : 01-01-2004> <W 2004-12-27/31, art. 5, 121; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
Het bepaalde in het eerste lid is van toepassing op de hoofdgriffiers wat betreft de opdrachten ((in federale overheidsdiensten) (, beleidsorganen en secretariaten, in ministeriële kabinetten) of bij het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring), in regeringscommissies, -instellingen of -diensten. <W 2003-03-26/63, art. 26, 106; Inwerkingtreding : 02-05-2003> <W 2003-04-10/59, art. 98, 107; Inwerkingtreding : 01-01-2004> <W 2004-12-27/31, art. 5, 121; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
De (referendarissen) hoofdgriffiers, griffiers, adjunct-griffiers, (opstellers en beambten) aan wie aldus opdracht is gegeven, blijven hun wedde met de eraan verbonden verhogingen en voordelen genieten. Zij ontvangen evenwel de wedde en vergoedingen van het hun opgedragen ambt, indien deze hoger zijn. <W 1997-05-20/46, art. 18, 2°, 053; Inwerkingtreding : 01-09-1997> <W 1999-03-24/31, art. 14, 070; Inwerkingtreding : 17-04-1999>
Art. 330bis. <Ingevoegd bij W 1997-02-17/50, art. 81; Inwerkingtreding : 01-07-1997> (Onverminderd de toepassing van artikel 329bis kan de Minister van Justitie aan de parketjuristen, hoofdsecretarissen, secretarissen, adjunct-secretarissen, vertalers, opstellers en beambten bij het parket, een opdracht geven om een gelijk of een hoger ambt te vervullen in hun parket, in het federaal parket, in een ander parket, (in federale overheidsdiensten, beleidsorganen en secretariaten, in ministeriële kabinetten, in regeringscommissies, -instellingen of -diensten of bij het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring). Overeenkomstig een bijzondere wets- of verordeningsbepaling kan artikel 327bis op hen worden toegepast.) <W 2003-04-10/59, art. 99, 107; Inwerkingtreding : 01-01-2004> <W 2004-12-27/31, art. 6, 121; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
De (parketjuristen) hoofdsecretarissen, secretarissen, adjunct-secretarissen, (...), vertalers, (opstellers en beambten) aan wie aldus opdracht is gegeven, blijven hun wedde met de eraan verbonden verhogingen en voordelen genieten. Zij ontvangen evenwel de wedde en vergoedingen van het hun opgedragen ambt, indien deze hoger zijn. <W 1997-05-20/46, art. 19, 2°, 053; Inwerkingtreding : 01-09-1997> <W 1999-03-24/31, art. 14, 070; Inwerkingtreding : 17-04-1999> <W 1999-04-12/38, art. 13, 075; Inwerkingtreding : 01-07-1999>
HOOFDSTUK IV. - Afwezigheid en verlof.
Art. 331. Een magistraat (, een referendaris) (een parketjurist) of een lid van de griffie mag niet afwezig zijn wanneer de dienst eronder lijdt. <W 1997-05-06/38, art. 16, 1°, 052; Inwerkingtreding : 05-07-1997> <W 1999-03-24/31, art. 16, 070; Inwerkingtreding : 17-04-1999>
Langer dan drie dagen mogen niet afwezig zijn :
de eerste voorzitters van het Hof van Cassatie en van de hoven van beroep en van de arbeidshoven en de procureurs-generaal bij die hoven, zonder vergunning van de minister van Justitie;
de leden van het Hof van Cassatie, zonder vergunning van de eerste voorzitter;
de advocaten-generaal bij dat hof, zonder vergunning van de procureur-generaal;
(de referendarissen bij het Hof van Cassatie, zonder vergunning van de eerste voorzitter of de procureur-generaal naargelang zij het hof dat wel het parket bijstaan;) <W 1997-05-06/38, art. 16, 2°, 052; Inwerkingtreding : 05-07-1997>
de leden van het hof van beroep, de voorzitters van de hoven van assisen, de voorzitters van de rechtbanken van eerste aanleg en van koophandel, (de referendarissen bij de hoven van beroep,) zonder vergunning van de eerste voorzitter van het hof van beroep; <W 1999-03-24/31, art. 16, 070; Inwerkingtreding : 17-04-1999>
de leden van de arbeidshoven, de raadsheren in sociale zaken en de voorzitters van de arbeidsrechtbanken, zonder vergunning van de eerste voorzitter van het arbeidshof;
de advocaten-generaal bij het hof van beroep, de advocaten-generaal bij het arbeidshof, de substituut-procureurs-generaal bij het hof van beroep, de substituten-generaal bij het arbeidshof, alsook de procureurs des Konings en de arbeidsauditeurs, zonder vergunning van de procureur-generaal bij het hof van beroep;
de ondervoorzitters, de rechters (en de toegevoegde rechters) in de rechtbanken van eerste aanleg en in de rechtbanken van koophandel, de rechters in handelszaken, (de referendarissen bij de rechtbanken van eerste aanleg) zonder vergunning van de voorzitter van de rechtbank; <W 1998-02-10/32, art. 19, 057; Inwerkingtreding : 02-03-1998> <W 1999-03-24/31, art. 16, 070; Inwerkingtreding : 17-04-1999>
(de federale procureur, zonder vergunning van de voorzitter van het college van procureurs-generaal;) <W 2001-06-21/42, art. 41, 085; ED : 20-07-2001>
de ondervoorzitters, de rechters (en de toegevoegde rechters) in de arbeidsrechtbank en de rechters in sociale zaken, zonder vergunning van de voorzitter van de arbeidsrechtbank; <W 1998-02-10/32, art. 19, 057; Inwerkingtreding : 02-03-1998>
de substituut-procureurs de Konings (en de parketjuristen bij de rechtbanken van eerste aanleg,) zonder vergunning van de procureur des Konings; <W 1998-02-10/32, art. 19, 057; Inwerkingtreding : 02-03-1998>
(de federale magistraten, zonder vergunning van de federale procureur;) <W 2001-06-21/42, art. 41, 085; Inwerkingtreding : 20-07-2001>
de substituut-arbeidsauditeur zonder vergunning van de arbeidsauditeur;
de vrederechters en de rechters in de politierechtbank, zonder vergunning van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg;
(de hoofdgriffiers, zonder vergunning van de eerste voorzitter van het hof, de voorzitter van de rechtbank, de oudstbenoemde rechter in de politierechtbank of de vrederechter van het gerecht waaraan zij verbonden zijn;) <W 1997-02-17/50, art. 82, 045; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
(de griffiers-hoofden van dienst, griffiers en adjunct-griffiers, zonder vergunning van de hoofdgriffier van het gerecht waaraan zij verbonden zijn.) <W 1997-02-17/50, art. 82, 045; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
Art. 331bis. <Ingevoegd bij W 1997-02-17/50, art. 83; Inwerkingtreding : 01-07-1997> De hoofdsecretarissen, secretarissen-hoofden van dienst, secretarissen, adjunct-secretarissen, (...) mogen niet afwezig zijn wanneer de dienst eronder lijdt. <W 1999-04-12/38, art. 14, 075; Inwerkingtreding : 01-07-1999>
De hoofdsecretarissen, (...) mogen niet langer dan drie dagen afwezig zijn zonder vergunning, naar gelang van het geval, van de procureur-generaal, (van de federale procureur,) van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur. <W 1999-04-12/38, art. 14, 075; Inwerkingtreding : 01-07-1999> <W 2001-06-21/42, art. 42, 085; Inwerkingtreding : 20-07-2001>
Art. 332. Voor afwezigheid van meer dan één maand is vergunning van de minister van Justitie vereist.
Art. 332bis. <Ingevoegd bij W 2003-05-03/45, art. 37; Inwerkingtreding : 02-06-2003> Indien de afwezigheid van een magistraat te wijten is aan ziekte, kan het verlenen van de vergunning bedoeld in de artikelen 331 en 332 afhankelijk worden gesteld van een medische controle door de Administratieve gezondheidsdienst die deel uitmaakt van het Bestuur van de Medische expertise zoals bepaald in het administratief reglement van die dienst.
Art. 333. De bepalingen van de artikelen 331 en 332 vinden tijdens de vakantie geen toepassing op hen die niet tot enige dienstverrichting zijn gehouden.
HOOFDSTUK V. - Vakantie en vakantiekamers.
Art. 334. Het gerechtelijk jaar begint op 1 september en eindigt op 30 juni. Van 1 juli tot 31 augustus houden de hoven en rechtbanken vakantiezittingen.
De zaken worden opgeroepen en de pleidooien gehoord, tot en met 30 juni, met dien verstande dat, zo nodig, de debatten kunnen voortgezet worden na de hervatting van de werkzaamheden van de hoven en rechtbanken.
De behandeling en berechting van criminele, correctionele en politiezaken wordt noch vertraagd noch onderbroken.
Art. 335. Er is in het Hof van Cassatie een vakantiekamer, die opdracht heeft de criminele, de correctionele en de politiezaken, alsook alle spoedeisende zaken af te doen.
(In de hoven van beroep, in de arbeidshoven, in de rechtbanken van eerste aanleg, in de arbeidsrechtbanken en in de rechtbanken van koophandel zijn er één of meer vakantiekamers.
In het hof van beroep en in de rechtbank van eerste aanleg is er ten minste één kamer met drie magistraten en één kamer met één magistraat.) <W 1985-07-19/30, art. 8, 007>
Die vakantiekamers zijn belast met de behandeling van de spoedeisende zaken, en bij het hof van beroep en de rechtbank van eerste aanleg met de dienst van de correctionele kamers, de raadkamer en de kamer van inbeschuldigingstelling.
De vakantiekamers worden ieder jaar derwijze vernieuwd dat alle leden van het hof of de rechtbank er beurtelings dienst doen. Zij worden samengesteld met inachtneming van de bepalingen van de wet op het gebruik van de talen in gerechtszaken.
De kamervoorzitters, de voorzitters en de ondervoorzitters doen er beurtelings dienst, en in rechtbanken waar geen ondervoorzitter is, de voorzitter en de oudstbenoemde rechter.
Art. 336. De vakantiekamers van de hoven en van de rechtbanken houden ten minste twee zittingen per week, buiten de zittingen van het hof van beroep en de rechtbank van eerste aanleg voor het berechten van de correctionele zaken en van de inbeschuldigingstellingen, waarmede zij mochten belast worden.
Art. 337. Bij gebreke van één of meer rechters wordt er een voldoend aantal opgeroepen uit degenen die geen vakantiedienst hebben.
Art. 338. Het ambt van het openbaar ministerie bij de vakantiekamers wordt waargenomen door de magistraten die de procureur-generaal, (de federale procureur,) de procureur des Konings of de arbeidsauditeur daartoe aanwijst. <W 2001-06-21/42, art. 43, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
Art. 339. De hoven en rechtbanken komen zo nodig tijdens de vakantie in om het even welke zaak bijeen om hun beslissingen uit te spreken.
HOOFDSTUK VI. - Algemene vergaderingen.
Art. 340. <W 1998-12-22/47, art. 67, 067; Inwerkingtreding : 02-08-2000> (§ 1. Bij elk hof en elke rechtbank en in elk rechtsgebied van het hof van beroep wat betreft de vrederechters, de rechters in de politierechtbank, de toegevoegde vrederechters en de toegevoegde rechters in de politierechtbank wordt een algemene vergadering opgericht.
De algemene vergadering van vrederechters en rechters in de politierechtbank heeft haar zetel op het hof van beroep.) <W 2001-03-13/36, art. 11, 083; Inwerkingtreding : 30-03-2001>
§ 2. De algemene vergadering wordt bijeengeroepen :
1° (hetzij om te beraadslagen en te beslissen over onderwerpen die voor alle kamers of voor de vrederechters of de rechters in de politierechtbank van belang zijn, hetzij ter behandeling van zaken van openbare orde die tot de bevoegdheid van één van deze rechtscolleges of de algemene vergadering van vrederechters en rechters in de politierechtbank behoren;) <W 2001-03-13/36, art. 11, 083; Inwerkingtreding : 30-03-2001>
2° (voor het opstellen van het werkingsverslag bedoeld in § 3;) <W 2003-05-03/45, art. 38, 111; ED : 01-01-2004>
3° voor de verkiezing van de magistraten belast met de evaluatie en hun plaatsvervangers;
4° voor de aanwijzing in de adjunct-mandaten;
5° voor de voordrachten bij de aanwijzing in de bijzondere mandaten.
(6° voor de verkiezing van de voorzitter en de plaatsvervangende voorzitter van de algemene vergadering van vrederechters en rechters in de politierechtbank.) <W 2001-03-13/36, art. 11, 083; Inwerkingtreding : 30-03-2001>
§ 3. (De werkingsverslagen worden opgesteld en overgezonden voor (1 april) van elk jaar door de rechtbanken en de algemene vergaderingen van de vrederechters en de rechters in de politierechtbanken, voor (31 mei) van elk jaar door de hoven. <W 2003-12-22/53, art. 15, 116; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
Uiterlijk tegen 1 oktober van het jaar dat voorafgaat aan datgene waarin een beslissing over de verlenging van de aanvullende kamers moet genomen worden, stellen de eerste voorzitters van de hoven van beroep een tussentijds verslag over de werking van de aanvullende kamers en de gerechtelijke achterstand op.
De Minister van Justitie bepaalt, op voorstel van de Hoge Raad voor de Justitie, het standaardformulier volgens hetwelk de werkingsverslagen worden opgesteld.
(Ze behandelen met name de volgende punten met betrekking tot het afgelopen kalenderjaar :
a) de evolutie van de personeelsformaties en de personeelsbezetting;
b) de logistieke middelen;
c) de organisatie;
d) de overlegstructuren;
e) de statistieken;
f) de evolutie van de hangende zaken;
g) de evolutie van de werklast;
h) de evolutie van de gerechtelijke achterstand.) <W 2003-12-22/53, art. 15, 116; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
Desgevallend wijst het werkingsverslag de behoeften aan en bevat het voorstellen om de werking van het rechtscollege verbeteren en de gerechtelijke achterstand weg te werken.
De korpschef of de voorzitter van de algemene vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbanken zendt het werkingsverslag en het tussentijds verslag samen met het betrokken proces-verbaal van de verrichtingen van de algemene vergadering over aan de korpschef van het onmiddellijk hogere rechtscollege, de Minister van Justitie, de Hoge Raad voor de Justitie en de voorzitters van de federale Wetgevende Kamers.) <W 2003-05-03/45, art. 38, 111; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
§ 4. (De algemene vergadering van de hoven wordt eveneens bijeengeroepen voor de adviezen bedoeld in artikel 259ter, § 3, en 259quater, § 3.
De algemene vergadering van de hoven van beroep en de arbeidshoven wordt eveneens bijeengeroepen wanneer de eerste voorzitter na kennisgeving door een lid van het hof dat aangifte wenst te doen in enige tot de bevoegdheid van het hof behorende zaak van openbare orde, de bijeenroeping van het hof dienstig acht. Indien de eerste voorzitter het niet nodig heeft geacht het hof bijeen te roepen, kan diegene die een aangifte wenste te doen zijn kamer inlichten over de zaak welke hij voornemens was aan te geven; indien de kamer, na beraadslaging, om bijeenroeping van de algemene vergadering verzoekt, is de eerste voorzitter gehouden daarop in te gaan.
Bovendien wordt de algemene vergadering van het hof van beroep bijeengeroepen om een van zijn leden te horen in de aangifte van misdaden en wanbedrijven; het kan de procureur-generaal ontbieden om hem wegens die feiten bevel tot vervolging te geven of hem de reeds ingestelde vervolging te horen verantwoorden.) <W 2003-05-03/45, art. 38, 111; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
§ 5. De algemene vergaderingen worden, al naar gelang, bijeengeroepen :
1° door de eerste voorzitter of de voorzitter;
2° wanneer een vierde van de leden er om verzoekt;
3° op de met redenen omklede vordering van de procureur-generaal, de procureur des Konings of de arbeidsauditeur. In dit geval geschiedt de bijeenroeping binnen drie dagen na de vordering.
Telkens wanneer de algemene vergadering wordt bijeengeroepen, geeft de eerste voorzitter of de voorzitter daarvan kennis aan de Minister van Justitie onder opgave van de zaak waarover de algemene vergadering zal beraadslagen en beslissen.
Er wordt over geen andere zaak beraadslaagd dan die waarvoor de bijeenroeping is geschied.
De algemene vergadering mag de gang van de zittingen in geen geval verhinderen of onderbreken.
Art. 341. <W 1998-12-22/47, art. 68, 067; Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. De algemene vergadering bestaat uit :
1° de leden bedoeld in artikel 129, eerste lid, voor het Hof van Cassatie;
2° de leden bedoeld in de artikelen 101, tweede lid, en 102, § 1, voor de hoven van beroep;
3° de leden bedoeld in artikel 103, tweede en derde lid, voor de arbeidshoven;
4° de leden bedoeld in de artikelen 77, eerste lid, en 87, eerste lid, voor de rechtbanken van eerste aanleg;
5° de leden bedoeld in de artikelen 82 en 87, eerste en derde lid, voor de arbeidsrechtbanken;
6° de leden bedoeld in de artikelen 85 en 87, eerste en derde lid, voor de rechtbanken van koophandel;
(7° de leden bedoeld in de artikelen 59, 60 en 69 voor de vredegerechten en de politierechtbanken gelegen binnen hetzelfde rechtsgebied van het hof van beroep.) <W 2001-03-13/36, art. 12, 083; Inwerkingtreding : 30-03-2001>
(Toegevoegde rechters en rechters benoemd bij toepassing van artikel 100 maken deel uit van de algemene vergadering van de rechtscolleges waar zij daadwerkelijk als rechter werkzaam zijn.
Magistraten die een opdracht vervullen nemen voor de duur van die opdracht, voor zover dit een voltijdse opdracht buiten een rechtscollege betreft, deel aan de algemene vergadering zonder stemrecht en zonder dat ze worden meegeteld voor het vaststellen van het quorum. Betreft het een opdracht bij een ander rechtscollege dan maken zij zowel deel uit van de algemene vergadering van het rechtscollege waar zij zijn benoemd als van de algemene vergadering van het rechtscollege waar zij een voltijdse opdracht vervullen.) <W 2003-05-03/45, art. 39, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
§ 2. In de gevallen bedoeld in artikel 340, § 2, 3°, 4° en 5°, en § 3, 1°, maken de plaatsvervangende magistraten, de rechters in handelszaken en de raadsheren en rechters in sociale zaken geen deel uit van de algemene vergadering.
§ 3. In de gevallen bedoeld in artikel 340, § 2, 2° en § 3, 2° woont de procureur-generaal of, naar gelang van het geval, de procureur des Konings of de arbeidsauditeur de algemene vergadering bij. Hij kan zijn vorderingen in de registers laten optekenen.
§ 4. Wanneer de hoven in algemene vergadering kennis nemen van tuchtvervolgingen, bestaat die vergadering uit de elf naar rangorde eerste leden van het hof of degenen die hen vervangen.
Art. 342. <W 1998-12-22/47, art. 69, 067; Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. De algemene vergadering kan slechts geldig beraadslagen of stemmen als de meerderheid van de leden aanwezig is.
(Wanneer het quorum niet bereikt wordt, roept de korpschef op een latere datum een nieuwe algemene vergadering samen met dezelfde agenda, die dan geldig kan beraadslagen of stemmen zonder dat de meerderheid van de leden aanwezig is.) <W 2003-05-03/45, art. 40, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
§ 2. Iedere beslissing wordt genomen bij volstrekte meerderheid van stemmen van de aanwezige leden.
De verkiezingen, de voordrachten, de aanwijzingen en de adviezen geschieden afzonderlijk en bij geheime stemming; verkrijgt geen kandidaat de volstrekte meerderheid van de stemmen, dan wordt herstemd over de twee kandidaten die de meeste stemmen hebben behaald.
§ 3. Bij staking van stemmen beslist al naar gelang, de eerste voorzitter, de voorzitter, de magistraat die hen vervangt of de door de algemene vergadering aangewezen voorzitter (behoudens indien het verkiezingen, voordrachten of aanwijzingen betreft; in dat geval krijgt de persoon met de grootste dienstanciënniteit in het betrokken rechtscollege de voorkeur). <W 2003-05-03/45, art. 40, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
§ 4. Het is de magistraten verboden aan de beraadslaging en de stemming deel te nemen in geval van een persoonlijk of strijdig belang.
Art. 342bis. (opgeheven) <W 1998-12-22/47, art. 70, 067; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
Art. 343. <W 1998-12-22/47, art. 71, 067; Inwerkingtreding : 02-08-2000> In afwijking van artikel 60, § 3, eerste lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, worden niet geacht te zijn verhinderd, de raadsheren in het Hof van Cassatie die onbekend zijn met de taal welke op de algemene vergaderingen, de zittingen van de verenigde kamers of op de voltallige zittingen van iedere kamer dient te worden gebruikt.
Nemen zulke raadsheren zitting, dan wordt simultaanvertaling ingericht opdat zij alle debatten op de openbare zitting kunnen volgen, en voor de raadkamerdebatten of voor het beraad treedt als tolk een magistraat op die van de kennis van beide landstalen heeft doen blijken.
Art. 344. <W 1998-12-22/47, art. 72, 067; Inwerkingtreding : 02-08-2000> Op de algemene vergadering van de hoven en rechtbanken wordt dienst gedaan door de hoofdgriffier (en, voor de algemene vergadering van vrederechters en rechters in de politierechtbank, door de hoofdgriffier aangewezen door de voorzitter van deze vergadering.). (De hoofdgriffier) maakt proces-verbaal van de verrichtingen op. Dat proces-verbaal vermeldt de naam van de leden die van de algemene vergadering deel uitmaakten en eventueel van de magistraat van het openbaar ministerie die erop aanwezig was. Het wordt door de voorzitter en (de hoofdgriffier) ondertekend. <W 2001-03-13/36, art. 13, 083; Inwerkingtreding : 30-03-2001> <W 2001-06-21/42, art. 44, 085; Inwerkingtreding : 20-07-2001>
Art. 345. <W 1998-12-22/47, art. 73, 067; Inwerkingtreding : 02-08-2000> Het Hof van Cassatie en de hoven van beroep komen ieder jaar na de vakantie in algemene en openbare vergadering bijeen.
De procureur-generaal bij het Hof van Cassatie of een van de advocaten-generaal die hij daarmee belast heeft, houdt een rede over een bij die gelegenheid passend onderwerp.
De procureur-generaal bij het hof van beroep geeft aan hoe binnen het rechtsgebied recht is gesproken en wijst op de misbruiken die hij heeft vastgesteld. Bovendien kan hij, indien hij zulks nuttig acht, een rede houden over een bij die gelegenheid passend onderwerp. Hij kan een van de advocaten-generaal opdragen deze rede te houden.
De procureurs-generaal doen aan de Minister van Justitie een afschrift van hun rede toekomen.
HOOFDSTUK VIbis. - <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 74, Inwerkingtreding : 02-08-2000> De korpsvergadering.
Art. 346. <W 1998-12-22/47, art. 75, 067; Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. (Voor elk parket wordt een korpsvergadering ingesteld.) <W 2001-06-21/42, art. 45, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
§ 2. De korpsvergadering wordt bijeengeroepen :
1° hetzij om te beraadslagen en te beslissen over onderwerpen die van algemeen belang zijn, hetzij ter behandeling van zaken van openbare orde die tot de bevoegdheid van het hof of de rechtbank behoren.
2° (voor het opstellen van het werkingsverslag bedoeld in artikel 340, § 3. De werkingsverslagen worden opgesteld en overgezonden voor (1 april) van elk jaar door de parketten en auditoraten en voor (31 mei) van elk jaar door de parketten-generaal en de auditoraten-generaal; de korpschef zendt het werkingsverslag samen met het betrokken proces-verbaal van de verrichtingen van de korpsvergadering over aan de korpschef van het onmiddellijk hogere parket, de Minister van Justitie, het college van procureurs-generaal, de Hoge Raad voor de Justitie en de voorzitters van de federale Wetgevende Kamers.) <W 2003-05-03/45, art. 41, 111; Inwerkingtreding : 01-01-2004, uiterlijk op 02-06-2004> <W 2003-12-22/53, art. 16, 116; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
3° voor de verkiezing van de magistraten belast met de evaluatie en hun plaatsvervangers.
(Het eerste lid, 1°, is niet van toepassing op de korpsvergadering van het federaal parket.) <W 2001-06-21/42, art. 45, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
§ 3. De korpsvergaderingen worden, al naar gelang, bijeengeroepen :
1° door de procureur-generaal, (de federale procureur,) de procureur des Konings of de arbeidsauditeur;
2° wanneer één vierde van de leden erom verzoekt. <W 2001-06-21/42, art. 45, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
Telkens wanneer de korpsvergadering wordt bijeengeroepen, geeft de procureur-generaal, (de federale procureur,) de procureur des Konings of de arbeidsauditeur daarvan kennis aan de Minister van Justitie onder opgave van de zaak waarover de vergadering zal beraadslagen en beslissen. <W 2001-06-21/42, art. 45, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
§ 4. Er wordt over geen andere zaak beraadslaagd dan die waarvoor de bijeenroeping is geschied. De korpsvergadering mag de gang van de zittingen in geen geval verhinderen of onderbreken.
Art. 347. <W 1998-12-22/47, art. 76, 067; Inwerkingtreding : 02-08-2000> De korpsvergadering bestaat uit :
1° de leden bedoeld in artikel 142 voor het Hof van Cassatie;
2° de leden bedoeld in artikel 144 voor het hof van beroep;
3° de leden bedoeld in artikel 145 voor het arbeidshof;
4° de leden bedoeld in artikel 151 voor de rechtbank van eerste aanleg;
5° de leden bedoeld in artikel 153 voor de arbeidsrechtbank.
(6° de leden bedoeld in artikel 144bis, § 1, eerste lid, voor het federaal parket.) <W 2001-06-21/42, art. 46 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
(De toegevoegde substituut-procureurs des Konings, de toegevoegde substituut-arbeidsauditeurs, de substituut-procureurs des Konings en de substituut-arbeidsauditeurs, benoemd bij toepassing van artikel 100, maken deel uit van de korpsvergadering van het parket bij de rechtscolleges waar zij daadwerkelijk werkzaam zijn.
Magistraten die een opdracht vervullen nemen voor de duur die opdracht, voor zover dit een voltijdse opdracht buiten een parket bij een rechtscollege betreft, deel aan de korpsvergadering zonder stemrecht en zonder dat ze worden meegeteld voor het vaststellen van het quorum. Betreft het een opdracht bij een ander parket dan maken zij deel uit én van de korpsvergadering van het parket bij het rechtscollege waar zij zijn benoemd en van de korpsvergadering van het parket bij het rechtscollege waar zij een voltijdse opdracht vervullen.) <W 2003-05-03/45, art. 42, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
Art. 348. <W 1998-12-22/47, art. 77, 067; Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. De korpsvergadering kan slechts geldig beraadslagen of stemmen als de meerderheid van de leden aanwezig is.
(Wanneer het quorum niet bereikt wordt, roept de korpschef op een latere datum een nieuwe korpsvergadering samen met dezelfde agenda, die dan geldig kan beraadslagen of stemmen zonder dat de meerderheid van de leden aanwezig is.) <W 2003-05-03/45, art. 43, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
§ 2. Iedere beslissing wordt genomen bij volstrekte meerderheid van stemmen van de aanwezige leden. De verkiezingen geschieden afzonderlijk en bij geheime stemming; verkrijgt geen kandidaat de volstrekte meerderheid van de stemmen, dan wordt herstemd over de twee kandidaten die de meeste stemmen hebben behaald.
§ 3. Bij staking van stemmen beslist al naar gelang, de procureur-generaal, (de federale procureur,) de procureur des Konings, de arbeidsauditeur, de magistraat die hen vervangt of de door de korpsvergadering aangewezen voorzitter (behoudens indien het verkiezingen, voordrachten of aanwijzingen betreft; in dat geval krijgt de persoon met de grootste dienstanciënniteit in het betrokken parket de voorkeur). <W 2001-06-21/42, art. 47, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002> <W 2003-05-03/45, art. 43, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
§ 4 Het is de magistraten verboden aan de beraadslaging en de stemming deel te nemen in geval van een persoonlijk of strijdig belang.
Art. 349. <W 1998-12-22/47, art. 78, 067; Inwerkingtreding : 02-08-2000> Op de korpsvergadering (...) wordt dienst gedaan door de hoofdsecretaris.
De hoofdsecretaris maakt proces-verbaal van de verrichtingen op. Dat proces-verbaal vermeldt de naam van de leden die van de korpsvergadering deel uitmaakten. Het wordt door de voorzitter en de hoofdsecretaris ondertekend. <W 2001-06-21/42, art. 48, 085; ED : 21-05-2002>
Art. 350. (opgeheven) <W 1998-12-22/47, art. 79, 067; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
Art. 351. (opgeheven) <W 1998-12-22/47, art. 79, 067; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
Art. 352. (opgeheven) <W 1998-12-22/47, art. 79, 067; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
HOOFDSTUK VIter. <Ingevoegd bij W 2001-11-29/33, art. 7; Inwerkingtreding : 18-12-2001> - Registratie van de werklast
Art. 352bis. <Ingevoegd bij W 2001-11-29/33, art. 7; Inwerkingtreding : 18-12-2001> De Koning stelt, na advies van de Hoge Raad voor de Justitie, de wijze vast waarop de werklast van de rechter en van het openbaar ministerie wordt geregistreerd, alsook de wijze waarop deze geregistreerde gegevens worden geëvalueerd.
HOOFDSTUK VII. - Ambtskledij.
Art. 353. De kledij die de magistraten en de griffiers van de rechterlijke orde bij het uitoefenen van hun ambt en op openbare plechtigheden dragen, wordt bepaald door de Koning.
HOOFDSTUK VIIbis. - (Bepalingen betreffende de referendarissen bij het Hof van Cassatie en de referendarissen en de parketjuristen bij de hoven van beroep en bij de rechtbanken van eerste aanleg.) <W 1999-03-24/31, art. 17, 070; Inwerkingtreding : 17-04-1999>
Art. 353bis. (oud artikel 353ter.) <W 1999-04-12/38, art. 15, 075; Inwerkingtreding : 01-07-1999> <Ingevoegd bij W 1997-05-06/38, art. 17; Inwerkingtreding : 05-07-1997> De Koning bepaalt de verloven, de vakanties en de afwezigheden wegens arbeidsondergeschiktheid van de referendarissen bij het Hof van Cassatie (en van de referendarissen en de parketjuristen bij de hoven van beroep en bij de rechtbanken van eerste aanleg). Hij kan een regeling voor non-activiteit treffen en het daarbij uitgekeerde wachtgeld bepalen. <W 1999-03-24/31, art. 18, 070; Inwerkingtreding : 17-04-1999>
HOOFDSTUK VIII. - <W 21-02-1983, art. 1> Bepalingen geldend voor de leden van de griffies, het personeel van de griffies en van de parketten en voor de attaché's in de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten in het Hof van Cassatie.
Art. 353ter. (oud artikel 353bis.) <W 1999-04-12/38, art. 16, 075; Inwerkingtreding : 01-07-1999> <W 1997-02-17/50, art. 84, 045; Inwerkingtreding : 01-07-1997> De regels inzake onverenigbaarheid bepaald in artikel 293 zijn van toepassing (...), op de leden van het parketsecretariaat, op het personeel van de griffies en van de parketsecretariaten, op de attachés in de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie alsook op de personeelsleden die een bijzondere graad bekleden ingesteld door de Koning overeenkomstig artikel 185, eerste lid. <W 1999-04-12/38, art. 16, 075; Inwerkingtreding : 01-07-1999>
Art. 354. (De Koning regelt de eedaflegging van het personeel van de griffies en van de parketsecretariaten, alsmede van de attachés in de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie. Hij regelt eveneens de afwezigheid, het verlof en de vakantie van voornoemd personeel, (alsmede van de hoofdsecretarissen, de secretarissen en de adjunct-secretarissen).) <W 1997-02-17/50, art. 85, 045; Inwerkingtreding : 01-07-1997> <W 1999-04-12/38, art. 17, 075; Inwerkingtreding : 01-07-1999>
(De Koning organiseert de beroepsopleiding van de griffiers, van de secretarissen, van het personeel van de griffies en van de parketsecretariaten en van de attachés in de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie.) <W 1998-12-22/47, art. 80, 067; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
(De Koning kan voor de afwezigheden wegens ziekte of gebrekkigheid van de griffiers, van de secretarissen, (...), van het personeel van de griffies en van de parketsecretariaten, alsmede van de attachés in de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie, de regeling toepassen die geldt voor het Rijkspersoneel.) <W 1997-02-17/50, art. 85, 045; Inwerkingtreding : 01-07-1997> <W 1999-04-12/38, art. 17, 075; Inwerkingtreding : 01-07-1999>
(De Koning kan eveneens de stand disponibiliteit en het daaraan verbonden wachtgeld bepalen, overeenkomstig de bepalingen die op het Rijkspersoneel van toepassing zijn.) <W 21-02-1983, art. 2>
TITEL III. - Wedden, lonen en werkingskosten.
EERSTE HOOFDSTUK. - Wedden van de magistraten der rechterlijke orde.
Art. 355. <W 2002-12-27/30, art. 3, 099; Inwerkingtreding : 01-10-2002> De wedden van de magistraten van de Rechterlijke Orde worden bepaald als volgt :

Hof van Cassatie
Eerste voorzitter en procureur generaal 69.696,16 EUR
Voorzitter en eerste advocaat-generaal 65.281,40 EUR
[Afdelingsvoorzitter en advocaat-generaal] 57.776,40 EUR
<W 2004-12-27/31, art. 7, 121; Inwerkingtreding : 10-01-2005>
Raadsheer 56.451,95 EUR
Hoven van beroep en arbeidshoven :
Eerste voorzitter en procureur-generaal 56.451,95 EUR
Kamervoorzitter en eerste advocaat-generaal 50.565,67 EUR
Advocaat-generaal 46.960,31 EUR
Raadsheer, substituut-procureur-generaal en 45.047,24 EUR
substituut-generaal

Rechtbanken van eerste aanleg, arbeidsrechtbanken en rechtbanken van koophandel waarvan het rechtsgebied ten minste 250 000 inwoners telt :

Voorzitter van de rechtbank, procureur des Konings en 50.565,67 EUR
arbeidsauditeur
Ondervoorzitter en eerste substituut 44.620,84 EUR
Rechter, toegevoegd rechter, substituut en toegevoegd 38.793,06 EUR
substituut

Rechtbanken van eerste aanleg, arbeidsrechtbanken en rechtbanken van koophandel waarvan het rechtsgebied minder dan 250 000 inwoners telt :

Voorzitter van de rechtbank, procureur des Konings en 46.960,31 EUR
arbeidsauditeur
Ondervoorzitter en eerste substituut 44.620,84 EUR
Rechter, toegevoegd rechter, substituut en toegevoegd 38.793,06 EUR
substituut

Vredegerechten en politierechtbanken bedoeld in artikel 3 van het bijvoegsel bij dit Wetboek :

Vrederechter, rechter in de politierechtbank en toegevoegd 45.047,24 EUR "
rechter

Art. 355bis. <NOTA : Art. 355bis werd gewijzigd bij W 1998-12-22/48, art. 21, 069 en teruggebracht bij art. 67 van de wet van 2001-06-21/42> (§ 1. De federale procureur geniet dezelfde wedde als die bepaald voor de procureurs-generaal bij de hoven van beroep.
De federale magistraten en de bijstandsmagistraten genieten dezelfde wedde als die bepaald voor de advocaten-generaal bij de hoven van beroep en de arbeidshoven.
§ 2. Artikel 357, § 2, eerste lid, is van toepassing op de federale magistraten.
De magistraat die met toepassing van artikel 144bis, § 3, tweede lid, belast wordt met een opdracht die ten minste drie opeenvolgende maanden in beslag neemt, ontvangt een derde van het verschil tussen zijn wedde en die welke aan de functie van federale magistraat is verbonden.
De magistraat die met toepassing van artikel 144bis, § 3, eerste lid, belast wordt met een opdracht die ten minste drie opeenvolgende maanden in beslag neemt, ontvangt een vierde van het verschil tussen zijn wedde en die welke aan de functie van federale magistraat is verbonden.) <W 2001-06-21/42, art. 49, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
Art. 356. De Koning bepaalt welke presentiegelden aan de raadsheren in sociale zaken, de rechters in sociale zaken en de rechters in handelszaken kunnen worden toegekend.
Art. 357. <W 1999-04-29/73, art. 3, 072; Inwerkingtreding : 01-01-2000> § 1. Toegekend worden :
1° (...) <W 2004-12-27/31, art. 8, 121; Inwerkingtreding : 10-01-2005>
2° een weddebijslag van (2 602,89 EUR) aan de jeugdrechters tijdens de duur van hun ambtsuitoefening; deze weddebijslag wordt gehalveerd wanneer de laatste weddebijslag bedoeld in artikel 360bis wordt toegekend; <KB 2001-07-13/45, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
3° een weddebijslag van (4 214,19 EUR) aan de onderzoeksrechters tijdens de duur van hun ambtsuitoefening; deze weddebijslag wordt gehalveerd wanneer de laatste weddebijslag bedoeld in artikel 360bis wordt toegekend; <KB 2001-07-13/45, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
4° (een weddenbijslag van (2 602,89 EUR) (NOTA : 105 000 BEF tot 31 december 2001) aan de substituut-procureurs des Konings gespecialiseerd in fiscale aangelegenheden die effectief het ambt uitoefenen. Na twee jaar ambtsuitoefening bedraagt deze weddenbijslag 6 544,39 EUR (NOTA : 264 000 BEF tot 31 december 2001). De cumulatie van deze weddenbijslag met de wedde en de weddenbijslagen bedoeld in artikel 360bis mag (62.905,54) EUR (NOTA : 2 440 000 BEF tot 31 december 2001) niet overschrijden.) <W 2001-06-15/40, art. 2 en 3, 087; Inwerkingtreding : 01-09-2001><W 2002-12-27/30, art. 4, 099; Inwerkingtreding : 01-10-2002>
(NOTA : de bedragen "2 602,89 EUR" en "60 486,06 EUR" in het artikel 357, §1, 4°, zijn bevestigd door <KB 2001-07-13/45, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2002>)
5° een weddebijslag van (2 602,89 EUR) aan de eerste substituten-procureurs des Konings die de titel van auditeur voeren; deze weddebijslag wordt gehalveerd wanneer de laatste weddebijslag bedoeld in artikel 360bis wordt toegekend. <KB 2001-07-13/45, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
(6° een weddebijslag van (2 602,89 EUR) aan de toegevoegde rechters bedoeld in artikel 86bis en aan de toegevoegde substituut-procureurs des Konings; deze weddebijslag wordt gehalveerd wanneer de laatste weddebijslag bedoeld in artikel 360bis wordt toegekend.) <L 2000-03-28/30, art. 5, 079; Inwerkingtreding : 2000-06-01> <KB 2001-07-13/45, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
(De weddenbijslag van 2 602,89 EUR bedoeld in het eerste lid, 4°, wordt opgetrokken tot 6 544,39 EUR indien de aldaar bedoelde substituten houder zijn van een diploma waaruit een gespecialiseerde opleiding in het fiscaal recht blijkt, afgegeven door een Belgische universiteit of door een niet-universitaire instelling voor hoger onderwijs die is opgenomen in een door de Koning opgestelde lijst. De cumulatie van deze weddenbijslag met de wedde en de weddenbijslagen bedoeld in artikel 360bis mag (62.905,54 EUR) niet overschrijden.) <W 2001-06-15/40, art. 2 en 3, 087; Inwerkingtreding : 01-09-2001> <W 2002-12-27/30, art. 4, 099; Inwerkingtreding : 01-10-2002>
(De substituut-procureur des Konings, gespecialiseerd in fiscale aangelegenheden, die aangewezen wordt tot eerste substituut, behoudt onder dezelfde voorwaarden als bepaald in het eerste lid, 4° en het tweede lid, de aldaar bedoelde weddebijslag.) <W 2003-05-03/45, art. 45, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
§ 2. (Aan de substituut-procureurs des Konings en aan de toegevoegde substituut-procureurs des Konings die ingeschreven staan op de rol van de wachtprestaties wordt per daadwerkelijk geleverde nachtprestatie of prestatie tijdens de weekends of de feestdagen een premie toegekend van 235,50 EUR (NOTA : 9 500 BEF tot 31 december 2001). De eerste substituut-procureurs des Konings verkrijgen onder dezelfde voorwaarden een premie van 117,75 EUR (NOTA : 4 750 BEF tot 31 december 2001). Deze premie is betaalbaar twee maal per jaar, op het einde van het eerste en van het derde trimester van het kalenderjaar.
Onder prestatie wordt een doorlopende dienst van twaalf uur verstaan.
Het maximumbedrag van de premies op jaarbasis mag niet hoger zijn dan :
1° (4 239,00 EUR) (NOTA : 171 000 BEF tot 31 december 2001) tot vierentwintig jaar nuttige anciënniteit;<W 2002-12-27/30, art. 4, 099; Inwerkingtreding : 01-10-2002>
2° 2 119,50 EUR (NOTA : 85 500 BEF tot 31 december 2001) vanaf vierentwintig jaar nuttige anciënniteit. <W 2002-12-27/30, art. 4, 099; Inwerkingtreding : 01-10-2002>
Het maximumbedrag bedoeld in het derde lid, 1°, wordt gehalveerd voor de eerste substituut-procureurs des Konings.
De maximumbedragen bedoeld in het derde en het vierde lid worden bovendien verminderd in evenredigheid met het deel van het jaar waarop ze betrekking hebben in functie van de nuttige anciënniteit verworven tijdens die periode.) <W 2001-06-15/40, art. 2 en 3, 087; Inwerkingtreding : 01-09-2001>
§ 3. Aan de magistraten die worden aangewezen als stagemeester, wordt een premie toegekend van (74,37 EUR) per maand betaalbaar op het einde van het gerechtelijk jaar mits deze functie minimum drie maanden werd uitgeoefend. <KB 2001-07-13/45, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
(§ 4. Een premie wordt toegekend aan de magistraten die de kennis hebben bewezen van een andere taal dan die waarin zij de examens van het doctoraat of van de licentie in de rechten hebben afgelegd, overeenkomstig artikel 43quinquies van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, voorzover zij benoemd zijn in een rechtscollege waar (ten minste) een gedeelte van de magistraten krachtens de wetgeving op het gebruik der talen in gerechtszaken het bewijs moet leveren van de kennis van meer dan één landstaal. <Erratum, zie B.St. 14.05.2003, p. 26062>
Per rechtscollege is het aantal magistraten aan wie een premie wordt toegekend beperkt, al naargelang van het geval, tot het minimumaantal of het aantal zoals voorgeschreven door de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. De toekenning van de premie gebeurt op basis van de dienstanciënniteit van de magistraat binnen het betrokken rechtscollege.
De premie is uitsluitend verschuldigd wanneer de in het eerste lid bedoelde magistraat zijn ambt daadwerkelijk uitoefent in het rechtscollege waar hij benoemd is of hij een opdracht vervult in een rechtscollege waar (ten minste) een gedeelte van de magistraten krachtens de wetgeving op het gebruik der talen in gerechtszaken het bewijs moet leveren van de kennis van meer dan één landstaal. <Erratum, zie B.St. 14.05.2003, p. 26062>
Deze premie wordt eveneens toegekend aan de federale procureur en de federale magistraten die de kennis hebben bewezen van een andere taal dan die waarin zij de examens van het doctoraat of van de licentie in de rechten hebben afgelegd, overeenkomstig artikel 43quinquies van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
Het maandbedrag van de premie wordt vastgesteld op :
- 281,98 EUR voor de magistraten die het bewijs geleverd hebben van de actieve en passieve mondelinge en van de actieve en passieve schriftelijke kennis van de andere taal;
- 216,91 EUR voor de magistraten die het bewijs geleverd hebben van de actieve en passieve mondelinge kennis en van de passieve schriftelijke kennis van de andere taal.
De premie wordt tegelijk met de wedde vereffend.) <W 2003-04-22/35, art. 2, 109; Inwerkingtreding : 01-12-2003>
Art. 358. Wanneer de weddebijslag, aan magistraten verleend wegens hun hoedanigheid van (onderzoeksrechter en jeugdrechter) (, de eerste substituut-procureur des Konings (die de titel van auditeur voert en de substituut-procureurs des Konings gespecialiseerd in fiscale aangelegenheden)), niet wordt genoten door de titularis, is die bijslag voor de helft verschuldigd aan hem die uit hoofde van zijn ambt de werkzaamheden tijdelijk waarneemt, hetzij wegens openstaan van de plaats, hetzij om een andere reden. <W 1999-04-29/73, art. 4, 072; Inwerkingtreding : 01-01-2000> <W 2000-07-17/34, art. 12, 080; Inwerkingtreding : 01-01-2000> <W 2004-12-27/31, art. 9, 121; Inwerkingtreding : 10-01-2005>
Art. 359. De magistraat die geroepen wordt om, gedurende ten minste drie opeenvolgende maanden, een andere magistraat te vervangen die een hogere wedde geniet, ontvangt de helft van het verschil tussen zijn wedde en die welke aan het voorlopig uitgeoefende ambt is verbonden.
(De in artikel 259quater, § 6, tweede lid, bedoelde vervanger ontvangt het verschil tussen zijn wedde en die welke verbonden is aan het mandaat van korpschef dat hij voorlopig uitoefent tijdens de duur van de vervanging en gedurende de daaropvolgende twee jaar of tot op het ogenblik dat hij voor het verstrijken van die termijn in een ander ambt of functie wordt benoemd of aangewezen.) <W 1998-12-22/47, art. 81, 067; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
Art. 360. <W 2002-12-27/30, art. 5, 099; Inwerkingtreding : 01-10-2002> De wedden van de vrederechters, van de rechters in de politierechtbank, van de toegevoegde vrederechters en van de toegevoegde rechters in de politierechtbank worden na een periode van drie, zes, negen, twaalf, vijftien en achttien jaren nuttige anciënniteit, verhoogd met een bedrag van 2.283,39 EUR. De wedden van de andere magistraten worden na dezelfde perioden verhoogd met een bedrag van 2.354,45 EUR.
De verhoging van de wedde toegekend na de periode van vijftien jaren nuttige anciënniteit bedraagt evenwel 3.224,34 EUR voor de rechters in de rechtbank van eerste aanleg, in de arbeidsrechtbank, in de rechtbank van koophandel, voor de toegevoegde rechters in die rechtbanken, de substituten-procureur des Konings, de substituten-arbeidsauditeur, de toegevoegde substituten-procureur des Konings en de toegevoegde substituten-arbeidsauditeur.
Art. 360bis. <W 2002-12-27/30, art. 6, 099; Inwerkingtreding : 01-10-2002> Aan de magistraten worden de volgende cumulatieve weddebijslagen toegekend :

Aantal jaren nuttige ancienniteit Bedrag van de
weddebijslag na
iedere periode
Eenentwintig jaren :
Advocaat-generaal bij het hof van beroep en bij het 1.778,84 EUR
arbeidshof
Voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, van de 2.212,11 EUR
arbeidsrechtbank en van de rechtbank van koophandel
waarvan het rechtsgebied ten minste 250.000 inwoners
telt, procureur des Konings en arbeidsauditeur bij die
rechtbanken
Voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, van de 2.146,74 EUR
arbeidsrechtbank en van de rechtbank van koophandel
waarvan het rechtsgebied minder dan 250.000 inwoners
telt, procureur des Konings en arbeidsauditeur bij die
rechtbanken
Ondervoorzitter in de rechtbank van eerste aanleg, in de 2.079,00 EUR
arbeidsrechtbank en in de rechtbank van koophandel,
eerste substituut-procureur des Konings en eerste
substituut-arbeidsauditeur
Rechter in de rechtbank van eerste aanleg, in de 3.038,63 EUR
arbeidsrechtbank, in de rechtbank van koophandel,
toegevoegd rechter in die rechtbanken,
substituut-procureur des Konings,
substituut-arbeidsauditeur, toegevoegd
substituut-procureur des Konings en toegevoegd
substituut-arbeidsauditeur
Vrederechter, toegevoegd vrederechter, rechter in de 2.078,98 EUR
politierechtbank en toegevoegd rechter in de
politierechtbank
De andere magistraten 1.765,85 EUR
Vierentwintig jaren :
Eerste voorzitter van het Hof van Cassatie en procureur- 3.423,57 EUR
generaal bij dit Hof
Voorzitter in het Hof van Cassatie en eerste advocaat- 3.246,97 EUR
generaal bij dit Hof
Advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie 2.946,77 EUR
Raadsheer in het Hof van Cassatie, eerste voorzitter van 2.893,81 EUR
het hof van beroep, eerste voorzitter van het arbeidshof
en procureur-generaal bij het hof van beroep
Kamervoorzitter in het hof van beroep en in het 2.658,37 EUR
arbeidshof, eerste advocaat-generaal bij het hof van
beroep en bij het arbeidshof
Advocaat-generaal bij het hof van beroep en bij het 2.514,64 EUR
arbeidshof
Raadsheer in het hof van beroep en in het arbeidshof, 4.440,70 EUR
substituut-procureur-generaal bij het hof van beroep en
substituut-generaal bij het arbeidshof
Voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, van de 2.212,11 EUR
arbeidsrechtbank en van de rechtbank van koophandel
waarvan het rechtsgebied ten minste 250 000 inwoners
telt, procureur des Konings en arbeidsauditeur bij die
rechtbanken
Voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, van de 2.146,74 EUR
arbeidsrechtbank en van de rechtbank van koophandel
waarvan het rechtsgebied minder dan 250 000 inwoners
telt, procureur des Konings en arbeidsauditeur bij die
rechtbanken
Ondervoorzitter in de rechtbank van eerste aanleg, in de 2.079,00 EUR
arbeidsrechtbank en in de rechtbank van koophandel,
eerste substituut-procureur des Konings en eerste
substituut-arbeidsauditeur
Rechter in de rechtbank van eerste aanleg, in de 3.038,63 EUR
arbeidsrechtbank, in de rechtbank van koophandel,
toegevoegd rechter in die rechtbanken,
substituut-procureur des Konings,
substituut-arbeidsauditeur, toegevoegd
substituut-procureur des Konings en toegevoegd
substituut-arbeidsauditeur
Vrederechter, toegevoegd vrederechter, rechter in de 2.078,98 EUR
politierechtbank en toegevoegd rechter in de
politierechtbank
Zevenentwintig jaren :
Rechter in de rechtbank van eerste aanleg, in de 3.038,63 EUR .
arbeidsrechtbank, in de rechtbank van koophandel,
toegevoegd rechter in die rechtbanken,
substituut-procureur des Konings,
substituut-arbeidsauditeur, toegevoegd
substituut-procureur des Konings en toegevoegd
substituut-arbeidsauditeur

Art. 360ter. (nieuwe) <ingevoegd bij W 2002-12-27/30, art. 7; Inwerkingtreding : 01-10-2002> Voor het vaststellen van de nuttige anciënniteit bedoeld in de artikelen 360 en 360bis, worden in aanmerking genomen :
1° de periode gedurende dewelke een ambt als werkend magistraat of als magistraat- plaatsvervanger is uitgeoefend en waarvoor een wedde of een vergoeding is toegekend;
2° de prestaties bedoeld in artikel 365, § 2.
Bij elke benoeming of aanwijzing, wordt de wedde van de magistraat vastgesteld overenkomstig de geldelijke loopbaan verbonden aan de nieuwe uitgeoefende functies, zoals bepaald door de artikelen 355, 360 en 360bis, in functie van de nuttige anciënniteit bereikt op het ogenblik van die benoeming of die aanwijzing.
De weddeverhogingen bedoeld in artikel 360 en de weddebijslagen bedoeld in artikel 360bis gaan in op de eerste dag van de maand die volgt op die waarin de nuttige anciënniteit wordt verworven.
De tijd dat de belanghebbende zijn wedde niet heeft genoten, wordt niet meegerekend.
Art. 360quater. (oude 360ter) <Ingevoegd bij W 1998-12-22/47, art. 82, Inwerkingtreding : 02-08-2000> Indien een magistraat bij een periodieke evaluatie de beoordeling "onvoldoende" heeft verkregen, leidt dit gedurende zes maanden tot de inhouding van de laatste driejaarlijkse verhoging bedoeld in de artikelen 360 en 360bis, dit onverminderd de tuchtrechtelijke gevolgen.
In geval van een beoordeling "onvoldoende" wordt de betrokken magistraat opnieuw geëvalueerd na verloop van zes maanden. Leidt dit niet tot ten minste een beoordeling "goed", dan is het eerste lid opnieuw van toepassing.
Art. 361. Indien een magistraat die opgehouden heeft zijn ambt uit te oefenen, wordt hersteld of opnieuw benoemd in het ambt dat hij niet verder had uitgeoefend en hij overeenkomstig artikel 315 gemachtigd wordt om op de ranglijsten, voorgeschreven bij de artikelen 310, 311 en 312, de plaats in te nemen die hij zou hebben bekleed indien hij zijn ambt niet had neergelegd, worden de anciënniteitsverhogingen berekend alsof hij nooit had opgehouden zijn ambt uit te oefenen.
Hetzelfde geldt voor de magistraat die, bij zijn terugkeer in de gerechtelijke orde, benoemd wordt tot een gelijk of een hoger ambt.
Art. 362. <W 02-08-1974, art. 4> De wedden, de weddebijslagen en de verhogingen wegens anciënniteit van de magistraten worden gekoppeld aan de mobiliteitsregeling toepasselijk op de bezoldiging van het Rijkspersoneel in actieve dienst.
(Het eerste lid is eveneens van toepassing op de premies bedoeld in artikel 357, (§§ 2 tot 4).) <W 1999-04-29/73, art. 7, 072; Inwerkingtreding : 01-01-2000> <W 2003-04-22/35, art. 3, 109; Inwerkingtreding : 01-12-2003>
Art. 363. De magistraten van de rechterlijke orde komen in aanmerking voor het kraamgeld en de kinderbijslagen, aan de bestuursambtenaren toegekend. De andere bij de wedde komende toelagen, vergoedingen en uitkeringen, aan de bestuursambtenaren toegekend, worden in dezelfde mate en onder dezelfde voorwaarden verleend aan de magistraten van de rechterlijke orde.
(Voor de toepassing van het eerste lid worden de toegevoegde rechters bedoeld in artikel 86bis, de toegevoegde substituten van de procureur des Konings en de toegevoegde substituten van het arbeidsauditoraat geacht hun administratieve standplaats te hebben op de zetel van het hof van beroep of van het arbeidshof van het rechtsgebied waar ze zijn benoemd. (Magistraten die met toepassing van artikel 144bis, § 3, tweede lid, belast zijn met een opdracht, behouden hun administratieve standplaats in het rechtscollege waar zij zijn benoemd.)) <W 1998-02-10/32, art. 22, 057; Inwerkingtreding : 02-03-1998>
De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder ook het voordeel van de bepalingen betreffende de vergoeding van de kosten van dokter, chirurg, apotheker, ziekenhuis, prothese en orthopedie, voortspruitend uit arbeidsongevallen overkomen in dienst of op de weg naar of van het werk, wordt uitgebreid tot de magistraten van de rechterlijke orde.
Art. 364. (Lid 1 opgeheven) <W 2001-06-15/31, art. 7, 084; Inwerkingtreding : 01-09-2001>
De magistraten die gelijktijdig bij meer dan een gerecht worden (benoemd of aangewezen), ontvangen de wedde die wordt toegekend aan de magistraten van de rechtbanken waarvan het rechtsgebied meer dan (tweehonderdvijftigduizend inwoners) heeft, voor zover de arrondissementen waarvoor zij dienst doen, samen dat getal inwoners hebben. <W 1998-12-22/47, art. 83, 067; Inwerkingtreding : 02-08-2000> <W 2001-06-15/31, art. 7, 084; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
Art. 365. § 1. De wedde van de magistraat die op het tijdstip van zijn eerste benoeming een vast, door de Staat bezoldigd ambt of een vast ambt in een openbare instelling bedoeld in de wet van 16 maart 1954 betreffende het toezicht op sommige instellingen van openbaar nut bekleedt, mag niet lager zijn dan de wedde die hij in dat ambt werkelijk ontving.
De ontvangen wedde wordt echter afgerond op het bedrag van de wedde die, berekend volgens de voorschriften van de regeling voor de magistraten, onmiddellijk hoger ligt.
Deze wedde verleent aan de betrokkene, voor de berekening van zijn bezoldigingen, de ancïenniteit die aan de aldus vastgestelde wedde verbonden is.
§ 2. (Voor de berekening van de anciënniteit komen in aanmerking:
a) (de tijd van inschrijving bij de balie, evenals de uitoefening van het ambt van notaris door een doctor, licentiaat of master in de rechten;) <W 2004-12-27/31, art. 10, 121; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
b) de tijd besteed aan onderwijs van het recht aan een Belgische universiteit;
c) de tijd van ambtsvervulling bij de Raad van State als lid van de Raad van State, van het auditoraat of van het coördinatiebureau;
d) onverminderd de toepassing van de bepalingen van § 1, de duur van de diensten die volgens de bezoldigingsregeling van het personeel der ministeries in aanmerking kunnen worden genomen voor de berekening van de geldelijke anciënniteit van de ambtenaren van niveau 1 en dit volgens dezelfde regels.
Indien sommige van die ambten gelijktijdig werden uitgeoefend, is de samenvoeging daarvan voor de berekening van de weddeverhogingen niet geoorloofd.
Indien sommige van die ambten achtereenvolgens werden uitgeoefend, wordt de duur van die uitoefening samengesteld. De overblijvende diensten worden gevaloriseerd naar het belang dat eraan wordt toegekend in de categorie waartoe zij behoren.) <W 2 augustus 1974, art. 5>
(Onder voorbehoud van de toepassing van de bepaling van punt a), komt echter de als benoemingsvoorwaarde vereiste ervaring in de privé-sector of als zelfstandige, slechts in aanmerking voor een maximumduur van zes jaar vanaf 1 januari 2003.) <W 2002-12-27/30, art. 8, 099; Inwerkingtreding : 01-05-2001>
(Bij arrest nr 116/2004 van 30 juni 2004 (B.St. 14.07.2004, p. 55393), heeft het Arbitragehof artikel 365, § 2, eerste lid, littera d, vernietigd (op 01-05-2001), wat de wedden van de magistraten van de Rechterlijke Orde betreft, van het Gerechtelijk Wetboek ", in zoverre met verwijzing naar littera a) de eerste vier jaren van inschrijving bij de balie voor de berekening van de geldelijke anciënniteit van magistraten niet in aanmerking komen.)
HOOFDSTUK Ibis. - (Wedden van de referendarissen bij het Hof van Cassatie). <Ingevoegd bij W 1997-05-06/38, art. 18; Inwerkingtreding : 05-07-1997>
Art. 365bis. <Ingevoegd bij W 1997-05-06/38, art. 18, 052; Inwerkingtreding : 05-07-1997> De wedden van de referendarissen bij het Hof van Cassatie worden bepaald als volgt :
- gedurende de stage van drie jaar bedoeld in artikel 259ter is de wedde van de referendaris dezelfde als die van een substituut-procureur des Konings overeenkomstig artikel 355;
- gedurende de tien daaropvolgende jaren is de wedde van de referendaris dezelfde als de wedde van een substituut-procureur-generaal en een substituut-generaal bij het hof van beroep overeenkomstig artikel 355;
- na het dertiende jaar is de wedde van de referendaris dezelfde als die van een advocaat-generaal bij het hof van beroep of bij het arbeidshof.
De artikelen 360, 361, 362, 363, 365 en 377 van dit Wetboek zijn mede van toepassing op de referendarissen.
HOOFDSTUK Iter. <Ingevoegd bij W 1999-03-24/31, art. 19; Inwerkingtreding : 17-04-1999> - Wedden van de referendarissen en van de parketjuristen bij de hoven van beroep en bij de rechtbanken van eerste aanleg.
Art. 365ter. <Ingevoegd bij W 1999-03-24/31, art. 19; Inwerkingtreding : 17-04-1999> § 1. Aan het ambt van referendaris en parketjurist bij de hoven van beroep en bij de rechtbanken van eerste aanleg wordt de volgende weddeschaal verbonden :
- minimumwedde : (20 500,33 EUR); <KB 2001-07-13/45, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
- maximumwedde : (31 846,67 EUR); <KB 2001-07-13/45, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
- tussentijdse verhogingen : drie jaarlijkse verhogingen van (618,08 EUR) gevolgd door tien tweejaarlijkse verhogingen van (949,21 EUR). <KB 2001-07-13/45, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
§ 2. Na vier jaar graadanciënniteit verkrijgen de referendaris en de parketjurist bij de hoven van beroep en bij de rechtbanken van eerste aanleg, voorzover zij bij hun beoordeling, bedoeld in artikel 259novies, de vermelding "goed" gekregen hebben, de volgende weddeschaal :
- minimumwedde : (22 275,10 EUR); <KB 2001-07-13/45, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
- maximumwedde : (34 570,65 EUR); <KB 2001-07-13/45, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
- tussentijdse verhogingen : drie jaarlijkse verhogingen van (618,08 EUR) gevolgd door elf tweejaarlijkse verhogingen van (949,21 EUR). <KB 2001-07-13/45, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
§ 3. Na twaalf jaar graadanciënniteit verkrijgen de referendaris en de parketjurist bij de hoven van beroep en bij de rechtbanken van eerste aanleg, voor zover zij bij hun beoordeling, bedoeld in artikel 259novies, de vermelding "zeer goed" gekregen hebben, de volgende weddeschaal :
- minimumwedde : (25 254,60 EUR); <KB 2001-07-13/45, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
- maximumwedde : (37 550,15 EUR); <KB 2001-07-13/45, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
- tussentijdse verhogingen : drie jaarlijkse verhogingen van (618,08 EUR) gevolgd door elf tweejaarlijkse verhogingen van (949,21 EUR). <KB 2001-07-13/45, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
§ 4. Voor zover er vacante betrekkingen zijn en zij bij hun beoordeling, bedoeld in artikel 259novies, de vermelding "zeer goed" gekregen hebben, kunnen de referendaris en de parketjurist bij de hoven van beroep en bij de rechtbanken van eerste aanleg die ten minste achttien jaar graadanciënniteit hebben, de volgende weddeschaal verkrijgen :
- minimumwedde : (27 647,32 EUR); <KB 2001-07-13/45, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
- maximumwedde : (42 216,60 EUR); <KB 2001-07-13/45, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
- tussentijdse verhogingen : elf tweejaarlijkse verhogingen van (1 324,48 EUR). <KB 2001-07-13/45, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Het aantal betrekkingen die bezoldigd kunnen worden overeenkomstig het vorige lid wordt vastgesteld op een tiende van het totaal aantal referendarissen en parketjuristen bij de hoven van beroep en de rechtbanken van eerste aanleg.
§ 5. De artikelen 362, 363, 365, § 1, 367, tweede tot vijfde lid, en 377 zijn van overeenkomstige toepassing op de referendarissen en de parketjuristen bij de hoven van beroep en bij de rechtbanken van eerste aanleg.
HOOFDSTUK II. - Wedden van de griffiers en secretarissen van de parketten.
Art. 366. <W 1997-04-03/51, art. 6, 050; Inwerkingtreding : 01-11-1993> De wedden van de griffiers van de hoven, rechtbanken, vredegerechten en politierechtbanken worden bepaald als volgt (in franken):>

Art. 367. (De wedden van de griffiers worden verhoogd als volgt (in franken):

[ Bedrag van de ver-
Aantal jaren nuttige ancienniteit hogingen na
iedere periode

- Drie jaren 1 839,42 EUR
- Zes jaren 1 839,42 EUR
- Negen jaren 1 839,42 EUR
- Twaalf jaren 1 103,65 EUR
- Vijftien jaren 1 103,65 EUR
- Achttien jaren 1 103,65 EUR
- Eenentwintig jaren 1 103,65 EUR
- Vierentwintig jaren 1 103,65 EUR]
<KB 2001-07-13/45, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

(Voor het vaststellen van de nuttige anciënniteit worden in aanmerking genomen :
1° de periode gedurende dewelke vanaf de leeftijd van 21 jaar een ambt in een griffie of in een parket is uitgeoefend;
2° de prestaties bedoeld in artikel 371, § 2.
De weddeverhogingen gaan in op de eerste dag van de maand die volgt op die waarin de nuttige anciënniteit wordt verworven.) <W 1994-12-27/33, art. 6, 034; Inwerkingtreding : 1994-12-31>
De griffiers behouden die verhogingen, ongeacht de bevorderingen die zij bekomen.
De tijd dat de belanghebbende zijn wedde niet heeft genoten, wordt niet meegerekend.
Art. 367bis. <W 1997-04-03/51, art. 8, 051; Inwerkingtreding : 31-12-1994> Aan de griffies worden de volgende weddebijslagen toegekend (in franken) :

[ Bedrag van de wedde-
Aantal jaren nuttige ancienniteit bijslag na iedere
periode

- Twaalf jaren 735,75 EUR
- Vijftien jaren 735,75 EUR]
<KB 2001-07-13/45, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

Art. 367ter. <W 1997-04-03/51, art. 9, 051; Inwerkingtreding : 31-12-1994> Aan de eerstaanwezend klerken-griffiers in het Hof van Cassatie, in een hof van beroep en in arbeidshof en aan de griffiers en de eerstaanwezend klerken-griffiers in een rechtbank van eerste aanleg, in een rechtbank van koophandel, in een arbeidsrechtbank, in een vredegerecht en in een politierechtbank, die ten minste twaalf jaren tot dit ambt zijn benoemd en die, met uitzondering van de griffiers die gelast zijn de onderzoeksrechter of de jeugdrechter bij te staan, niet werden aangewezen tot een bijzonder ambt waaraan een weddebijslag verbonden is, kan een weddebijslag van (991,58 EUR) worden toegekend, op de voordracht van de hoofdgriffier of van de griffier-hoofd van de griffie en, naar gelang van het geval, op eensluidend advies van de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, van het hof van beroep, van het arbeidshof, van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van de rechtbank van koophandel, van de arbeidsrechtbank, van de vrederechter of van de (rechter in de politierechtbank) en van de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie, bij het hof van beroep, bij het arbeidshof, en van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur. <W 2001-03-13/36, art. 14, 083; Inwerkingtreding : 30-03-2001>
Art. 368. De bepalingen van artikel 361 zijn toepasselijk op de leden van de griffie.
Art. 369. <W 1997-04-03/51, art. 10, 050; Inwerkingtreding : 01-11-1993> Toegekend worden :
1° een weddebijslag van (4 215,93 EUR) aan de griffiers-hoofden van dienst in het Hof van Cassatie, in de hoven van beroep en in de arbeidshoven; <KB 2001-07-13/45, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
2° een weddebijslag van (4 215,93 EUR) aan de griffiers-hoofden van dienst in de rechtbanken van eerste aanleg, in de arbeidsrechtbanken en in de rechtbanken van koophandel; <KB 2001-07-13/45, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
3° een weddebijslag van (2 854,77 EUR) aan de hoofdgriffiers van de rechtbanken van eerste aanleg, van de arbeidsrechtbanken en van de rechtbanken van koophandel, waarvan het rechtsgebied minder dan (250 000 inwoners) telt en waar ten minste zeven personeelsleden met volledige betrekking werkzaam zijn; <W 2001-06-15/31, art. 9, 084; ED : 01-01-2000> <KB 2001-07-13/45, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
4° een weddebijslag van (2 199,91 EUR) aan de griffiers en klerken-griffiers die gelast zijn de onderzoeksrechter of de jeugdrechter bij te staan;
5° een weddebijslag van (2 854,77 EUR) aan de hoofdgriffiers van de vredegerechten en van de politierechtbanken, waar ten minste zeven personeelsleden met volledige betrekking werkzaam zijn. <KB 2001-07-13/45, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
(6° een premie van (123,95 EUR) per zaak aan de griffier die gedurende de zitting van het hof van assisen belast is met het ambt van griffier van het hof van assisen. (De mobiliteitsregeling die geldt voor de wedde van het personeel van de ministeries, geldt eveneens voor deze premie. Zij wordt gekoppeld aan de spilindex 138,01); <W 1997-05-20/46, art. 20, 053; Inwerkingtreding : 31-12-1994> <KB 2001-07-13/45, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
7° een premie aan de leden van de griffie die het bewijs leveren van de kennis van de tweede taal, zoals bepaald in de wet op het gebruik der talen in gerechtszaken. De Koning bepaalt het bedrag en de voorwaarden voor de toekenning van die premie.) <W 1997-04-03/51, art. 10, 051; Inwerkingtreding : 31-12-1994>
De bijslag bepaald onder 1° en 2° wordt na drie jaren ambtsuitoefening gebracht op (5 054,73 EUR), en na zes jaren ambtsuitoefening op (5 761,08 EUR). <KB 2001-07-13/45, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Art. 370. De griffier of de (adjunct-griffier) die geroepen wordt om gedurende ten minste drie opeenvolgende maanden een ambt uit te oefenen waaraan een wedde verbonden is die hoger is dan de zijne, ontvangt de helft van het verschil tussen de twee wedden. <W 1997-02-17/50, art. 86, 045; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
Art. 371. § 1 De artikelen 362, 363, 364, en 365, § 1, zijn van toepassing op de wedden, weddebijslagen en anciënniteitsverhogingen van de griffiers.
§ 2. (Voor de berekening van de anciënniteit komen in aanmerking:
a) de tijd van inschrijving bij de balie, die op het tijdstip van de benoeming (vier jaar) te boven gaat, evenals de uitoefening van het ambt van notaris door een doctor of een licentiaat in de rechten, boven (vier jaar); <W 2001-06-15/34, art. 8, 092; Inwerkingtreding : 21-07-2001>
b) de tijd besteed aan onderwijs van het recht aan een Belgische universiteit;
c) de tijd van ambtsvervulling bij de Raad van State;
d) onverminderd de toepassing van de bepalingen van § 1 van artikel 365:
- de duur van de diensten verricht vanaf de leeftijd van 21 jaar in een Rijksdienst en in een dienst van Afrika.
- de duur van de werkelijke diensten met volledige prestaties vanaf de leeftijd van 21 jaar verricht in andere openbare diensten dan de diensten van de Staat en de diensten van Afrika of als titularis van een ambt bezoldigd door middel van een weddetoelage in een gesubsidieerde vrije onderwijsinrichting.
Ingeval sommige van die ambten gelijktijdig zijn uitgeoefend, is de samenvoeging daarvan voor de berekening van de weddeverhogingen niet geoorloofd.
De uitdrukking " dienst van Afrika " bedoelt elke dienst afhangt van de wetgevende, de uitvoerende of de rechterlijke macht en die niet de staat van rechtspersoon heeft.
De uitdrukking " dienst van Afrika " bedoelt elke dienst zonder rechtspersoonlijkheid die afhing van het gouvernement van Belgisch-Kongo of van het gouvernement van Ruanda-Urundi.
De uitdrukking " andere openbare diensten dan de diensten van de Staat en de diensten van Afrika " bedoelt:
1° elke dienst met rechtspersoonlijkheid die ressorteert onder de uitvoerende macht;
2° elke dienst met rechtspersoonlijkheid die ressorteerde onder het gouvernement van Belgisch-Kongo of onder het gouvernement van Ruanda-Urundi;
3° elke gemeente- of provinciedienst;
4° elke andere instelling naar Belgisch recht, die voldoet aan collectieve noodwendigheden van lokaal of algemeen belang, en aan welker oprichting of bijzondere leiding de openbare overheid klaarblijkelijk een overwegend aandeel heeft, alsook elke instelling van koloniaal recht die beantwoordde aan dezelfde voorwaarden.) <W 02-08-1974, art. 9>
Art. 372. <W 1997-04-03/51, art. 11, 050; Inwerkingtreding : 01-11-1993> De wedden van de secretarissen, adjunct-secretarissen en klerken-secretarissen der parketten worden bepaald als volgt (in franken):>

Art. 373. (De wedden van de secretarissen, adjunct-secretarissen en klerken-secretarissen der parketten worden verhoogd als volgt (in franken):

[ Bedrag van de ver-
Aantal jaren nuttige ancienniteit hoging na iedere
periode

- Drie jaren 1 839,42 EUR
- Zes jaren 1 839,42 EUR
- Negen jaren 1 839,42 EUR
- Twaalf jaren 1 103,65 EUR
- Vijftien jaren 1 103,65 EUR
- Achttien jaren 1 103,65 EUR
- Eenentwintig jaren 1 103,65 EUR
- Vierentwintig jaren 1 103,65 EUR]
<KB 2001-07-13/45, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

(Voor het vaststellen van de nuttige anciënniteit worden in aanmerking genomen :
1° de periode gedurende welke vanaf de leeftijd van 21 jaar een ambt in een griffie of in een parket is uitgeoefend;
2° de prestaties bedoeld in artikel 375, § 2.
De weddeverhogingen gaan in op de eerste dag van de maand die volgt op die waarin de nuttige anciënniteit wordt verworven.) <W 1994-12-27/33, art. 11, 034; Inwerkingtreding : 1994-12-31>
De belanghebbenden behouden die verhogingen, ongeacht de bevorderingen die zij bekomen.
De tijd dat de belanghebbende zijn wedde niet heeft genoten, wordt niet medegerekend.
Art. 373bis. <W 1997-04-03/51, art. 13, 051; Inwerkingtreding : 31-12-1994> Aan de secretarissen worden de volgende weddebijslagen toegekend (in franken) :

[ Bedrag van de wedde-
Aantal jaren nuttige ancienniteit bijslag na iedere
periode

- Twaalf jaren 735,75 EUR
- Vijftien jaren 735,75 EUR]
<KB 2001-07-13/45, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

Art. 373ter. <W 1997-04-03/51, art. 14, 051; Inwerkingtreding : 31-12-1994> Aan de eerstaanwezend klerken-secretarissen van de parketten van het Hof van Cassatie, van het hof van beroep en van het arbeidshof (en van het federaal parket) en aan de adjunct-secretarissen en de eerstaanwezend klerken-secretarissen van het parket van de procureur des Konings en van het parket van de arbeidsauditeur die ten minste twaalf jaren tot dit ambt zijn benoemd en die niet werden aangewezen tot een bijzonder ambt waaraan een weddebijslag verbonden is, kan een weddebijslag van (991,58 EUR) worden toegekend, op de voordracht van de secretaris en op eensluidend advies van de bevoegde procureur-generaal (of van de federale procureur) en, voor het parket van de procureur des Konings en het parket van de arbeidsauditeur, naar gelang van het geval, van de procureur des Konings of de arbeidsauditeur. <W 2001-06-21/42, art. 52, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002> <W 2001-06-21/42, art. 52, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002> <KB 2001-07-13/45, art. 1, 088; ED : 01-01-2002>
Art. 374. <W 1997-04-03/51, art. 15, 050; Inwerkingtreding : 01-11-1993> Toegekend worden :
1° een weddebijslag van (4 215,93 EUR) aan de adjunct-secretarissen-hoofden van dienst bij het parket-generaal (, bij het federaal parket) of bij het arbeidsauditoraat-generaal; <W 2001-06-21/42, art. 53, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002> <KB 2001-07-13/45, art. 1, 088; ED : 01-01-2002>
2° een weddebijslag van (4 215,93 EUR) aan de adjunct-secretarissen-hoofden van dienst bij het parket van de procureur des Konings of bij het parket van de arbeidsauditeur; <KB 2001-07-13/45, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
3° een weddebijslag van (2 854,77 EUR) aan de secretarissen bij het parket van de procureur des Konings of bij het parket van de arbeidsauditeur, waarvan het rechtsgebied minder dan (250 000 inwoners) telt en waar ten minste zeven personeelsleden met volledige betrekking werkzaam zijn. <W 2001-06-15/31, art. 9, 084; Inwerkingtreding : 01-01-2000> <KB 2001-07-13/45, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
(4° een premie aan de leden van het parketsecretariaat die het bewijs leveren van de kennis van een tweede taal, zoals bepaald in de wet op het gebruik der talen in gerechtszaken. De Koning bepaalt het bedrag en de voorwaarden voor de toekenning van deze premie.) <W 1997-04-03/51, art. 15, 051; Inwerkingtreding : 31-12-1994>
De bijslag bepaald onder 1° en 2° wordt na drie jaren ambtsuitoefening gebracht op (5 054,73 EUR), en na zes jaren ambtsuitoefening op (5 761,08 EUR). <KB 2001-07-13/45, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Art. 375. § 1. De artikelen 362, 363 en 365, § 1, zijn van toepassing op de wedden, weddebijslagen en anciënniteitsverhogingen van de (hoofdsecretarissen) en adjunct-secretarissen. <W 1997-02-17/50, art. 86, 045; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
Artikel 370 vindt toepassing in geval van tijdelijke uitoefening van een hoger ambt.
§ 2. (Voor de berekening van de ancïenniteit komen in aanmerking, buiten de gevallen bedoeld in artikel 371, § 2, a tot c, en onverminderd de toepassing van de bepalingen van artikel 365, § 1, van dat Wetboek:
- de diensten verricht in de graden genoemd in artikel 366;
- de duur van de diensten verricht vanaf de leeftijd van 21 jaar in een Rijksdienst en in een dienst van Afrika;
- de werkelijke diensten met volledige prestaties vanaf de leeftijd van 21 jaar verricht in andere openbare diensten dan de diensten van de Staat en de diensten van Afrika of als titularis van een ambt bezoldigd door middel van een weddetoelage in een gesubsidieerde vrije onderwijsinrichting.
Ingeval sommige van die ambten gelijktijdig zijn uitgeoefend, is de samenvoeging daarvan voor de berekening van de weddeverhogingen niet geoorloofd.
Het woord "Rijksdienst" betekent iedere dienst die afhangt van de wetgevende, de uitvoerende of de rechterlijke macht en die niet de staat van rechtspersoon heeft.
De uitdrukking "dienst van Afrika" bedoelt elke dienst zonder rechtspersoonlijkheid die afhing van het gouvernement van Belgisch-Kongo of van het gouvernement van Ruanda-Urundi.
De uitdrukking "andere openbare diensten dan de diensten van de Staat en de diensten van Afrika" bedoelt:
a) elke dienst met rechtspersoonlijkheid die ressorteert onder de uitvoerende macht;
b) elke dienst met rechtspersoonlijkheid die ressorteerde onder het gouvernement van Belgisch-Congo of onder het gouvernement van Ruanda-Urundi;
c) elke gemeente- of provinciedienst;
d) elke andere instelling naar Belgisch recht, die voldoet aan collectieve noodwendigheden van lokaal of algemeen belang, en aan welker oprichting of bijzondere leiding de openbare overheid klaarblijkelijk een overwegend aandeel heeft, alsook elke instelling van koloniaal recht die beantwoordde aan dezelfde voorwaarden.) <W 02-08-1974, art. 13>
HOOFDSTUK III. - (Gemeenschappelijke bepalingen voor de hoofdstukken I, Ibis, Iter en II.) <W 1999-03-24/31, art. 20, 070; Inwerkingtreding : 17-04-1999>
Art. 376. Vermindering van het aantal inwoners van (...) een arrondissement heeft geen invloed op de toestand van reeds benoemde magistraten, griffiers en parketsecretarissen; deze behouden hun titels en wedden onder persoonlijke titel. <W 2001-06-15/31, art. 10, 084; Inwerkingtreding : 01-09-2001>
(De verhoging van het aantal inwoners van een arrondissement heeft eerst gevolg vanaf de dag waarop het koninklijk besluit, bedoeld in artikel 63, in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.) <W 2001-06-15/31, art. 9, 084; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
Art. 377. § 1. (De wedde is verschuldigd vanaf de dag van de eedaflegging tot op de dag van de ambtsneerlegging.) <W 2003-05-03/45, art. 46, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
§ 2. Bij benoeming in een nieuw ambt, behoudt de belanghebbende zijn vroegere wedde tot het einde van de maand waarin hij de eed aflegt die voor de uitoefening van zijn nieuw ambt is voorgeschreven.
§ 3. (Bij iedere wijziging van het geldelijk statuut van een ambt, wordt iedere wedde die was vastgesteld met inachtneming van dat ambt, opnieuw bepaald alsof het nieuwe geldelijk statuut altijd had bestaan.
Is de aldus bepaalde wedde lager dan die welke de titularis van het ambt genoot in zijn ambt op het ogenblik van de inwerkingtreding van de nieuwe wet, dan behoudt hij in dat ambt de hoogste wedde totdat hij ten minste een gelijke wedde verkrijgt.) <W 02-08-1974, art. 14.>
HOOFDSTUK IV. _ Bepalingen betreffende de plaatsvervangende magistraten.
Art. 378. De helft van de wedde, aan de werkelijke ambtsuitoefening verbonden, komt toe:
1° Aan de plaatsvervangende rechter die geroepen wordt om tijdelijk het ambt van rechter of substituut te vervullen ter vervanging van een titularis die tot een ander ambt benoemd, in ruste gesteld, ontslagnemend, ontslagen, afgezet, ontzet, geschorst of overleden is;
2° Aan de plaatsvervangende vrederechter die geroepen wordt om het ambt van rechter titularis tijdelijk waar te nemen in een kanton dat niet door een titularis of door een rechter van een ander kanton wordt bediend.
(De betaling is verschuldigd voor de periode dat een plaatsvervangend magistraat effectief optreedt om iemand tijdelijk te vervangen.) <W 2003-05-03/45, art. 47, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
Art. 379. De plaatsvervangende magistraat heeft aanspraak op een maandelijkse vergoeding onder de hierna gestelde voorwaarden:
1° wanneer hij een titularis vervangt aan wie opdracht is gegeven voor een ander ambt;
2° wanneer hij een titularis die werd gemachtigd om een openbaar ambt bij een supranationale, internationale of buitenlandse instelling in België of in het buitenland te aanvaarden, vervangt;
3° wanneer hij een wegens ziekte of wettig beletsel afwezige rechter, substituut, vrederechter of rechter in de politierechtbank vervangt.
De maandelijkse vergoeding is evenredig aan de geleverde prestaties, wanneer de plaatsvervangende magistraat ten minste gedurende een maand geregeld het ambt van werkend magistraat vervult.
De maandelijkse vergoeding is een vaste som, bepaald op de helft van de wedde aan het ambt van de vervangen magistraat verbonden, wanneer de plaatsvervangende magistraat ten minste drie maanden achtereen geregeld alle ambtswerkzaamheden van de eerstgenoemde vervult.
Het bedrag van de evenredige vergoeding mag in geen geval hoger zijn dan dat van de vaste vergoeding.
De minister van Justitie bepaalt op welke wijze dit artikel wordt toegepast.
Art. 379bis. <W 17-07-1984, art. 7> De plaatsvervangende magistraat aangewezen overeenkomstig artikel 383, § 2, heeft recht op een vergoeding wanneer hij geroepen wordt om zitting te nemen.
Deze vergoeding mag niet uitgaan boven het maximum van de beroepsinkomsten die mogen worden gecumuleerd met het rustpensioen.
De Minister van Justitie stelt nadere regels voor de toepassing van dit artikel.
Art. 379ter. <ingevoegd bij W 1997-07-09/36, art. 23, Inwerkingtreding : 13-08-1997>
§ 1. De plaatsvervangend raadsheer die geroepen wordt om zitting te nemen krachtens artikel 102, § 1, heeft recht op een maandelijkse vergoeding zoals bepaald in artikel 379.
§ 2. De plaatsvervangend raadsheer-voorzitter en de plaatsvervangend raadsheer die geroepen worden om zitting te nemen in een aanvullende kamer zoals bedoeld in artikel 102, § 2, hebben per zitting recht op een vergoeding als voorzitter of als plaatsvervangend raadsheer, waarvan de regels nader worden vastgesteld door de minister van Justitie.
Art. 379quater. <ingevoegd bij W 1997-07-09/36, art. 24, Inwerkingtreding : 13-08-1997> De minister van Justitie bepaalt welke vergoeding kan worden toegekend aan de in rust gestelde leden van het hof van beroep die opdracht hebben het hof van assisen voor te zitten, conform artikel 120, eerste lid.
HOOFDSTUK V. - (Bepaling geldend voor het personeel van de griffies en de parketsecretariaten en voor de attachés in de Dienst voor Documentatie en Overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie.) <W 1999-04-12/38, art. 18, 075; Inwerkingtreding : 01-07-1999>
Art. 380. <W 1997-02-17/50, art. 87, 045; Inwerkingtreding : 01-07-1997> De Koning bepaalt de wedden van de vertalers, de eerstaanwezende vertalers, de opstellers, de eerstaanwezende opstellers, de beambten, de eerstaanwezende beambten, (...) van de griffies en de parketsecretariaten, van de attachés in de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie, (...). <W 1997-05-20/46, art. 21, 053; Inwerkingtreding : 01-09-1997> <W 1999-04-12/38, art. 19, 075; Inwerkingtreding : 01-07-1999>
HOOFDSTUK VI. - Werkingskosten.
Art. 381. <W 25-04-1983, art. 5> De (hoofdgriffier) en de (hoofdsecretaris) van het parket betalen de kantoorbehoeften en kosten, nodig voor de werking van de griffie of van het parketsecretariaat, uit uitsluitend daartoe bestemde vergoedingen, waarvan de Minister van Justitie het bedrag bepaalt en te hunner beschikking stelt. <W 1997-02-17/50, art. 88, 045; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
Van de besteding van die gelden doen de (hoofdgriffier) en de (hoofdsecretaris), ieder wat hem betreft, rekening en verantwoording aan de Minister van Justitie door overlegging van regelmatig staten. <W 1997-02-17/50, art. 88, 045; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
Art. 382. De minister van Justitie stelt een door hem te bepalen krediet ter beschikking van de eerste voorzitters en voorzitters van de hoven en rechtbanken, de vrederechters en de rechters in de politierechtbanken, de procureurs-generaal (, de federale procureur) en de procureurs des Konings en arbeidsauditeurs om de kleine onkosten van hun diensten te bestrijden. <W 2001-06-21/42, art. 54, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
Onder kleine onkosten worden verstaan de kosten van het aankopen van registers, het abonneren op de rechtskundige tijdschriften en verzamelwerken, het aankopen van rechtskundige en andere werken nodig voor de dienst; het inbinden; het drukken van geschriften, zoals het reglement van orde, omzendbrieven, openingsredes, enz.; de kosten voor het deelnemen van het korps aan openbare plechtigheden en begrafenisplechtigheden; de kosten voor kantoorbehoeften en alle andere, voor de dienst noodzakelijke kleine voorwerpen van dagelijks verbruik.
TITEL IV. - Inruststelling, pensionering en emeritaat.
EERSTE HOOFDSTUK. _ Inruststelling.
Art. 383. <W 17-07-1984, art. 8> § 1. De magistraten van de Rechterlijke Orde houden op hun ambt uit te oefenen en worden in rust gesteld, (op het einde van de maand in de loop van dewelke zij de leeftijd bereiken van) : <W 2003-05-03/45, art. 48, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
Zeventig jaar wat de leden van het Hof van Cassatie betreft;
Zevenenzestig jaar wat de leden van de andere rechtscolleges betreft.
of wanneer zij wegens een ernstige en blijvende gebrekkigheid niet langer in staat zijn hun ambt naar behoren te vervullen.
§ 2. Evenwel kunnen, op hun verzoek, magistraten toegelaten tot de inruststelling wegens hun leeftijd (zoals bedoeld in § 1) naargelang van het geval door de eerste voorzitters van de hoven van beroep en arbeidshoven, de voorzitters van de rechtbanken of door de procureurs-generaal bij de hoven van beroep worden aangewezen om het ambt van plaatsvervangend magistraat uit te oefenen tot zij de leeftijd van 70 jaar hebben bereikt. <W 1998-12-22/47, art. 85, 067; Inwerkingtreding : 01-03-1999>
§ 3. De bepalingen van § 2 zijn niet van toepassing op de eerste voorzitters van het Hof van Cassatie, de hoven van beroep en de arbeidshoven, de procureurs-generaal bij het Hof van Cassatie, de hoven van beroep en de arbeidshoven, de procureurs-generaal bij het Hof van Cassatie en de hoven van beroep, de voorzitters van de rechtbanken, de procureurs des Konings en de arbeidsauditeurs.
Art. 383bis. <W 17-07-1984, art. 9> (...) <W 1998-12-22/47, art. 86, 067; Inwerkingtreding : 01-03-1999>
(§ 1.) Op hun verzoek en op voorstel, wat betreft de zittende magistratuur, van de eerste voorzitter of van de voorzitter van de rechtscollege waartoe zij behoren en, wat betreft de magistraten van het openbaar ministerie, van de procureur-generaal onder wiens gezaginruststelling toegelaten wegens (het bereiken van de leeftijd zoals bedoeld in artikel 383, §1), door de Koning gemachtigd worden om hun ambt uit te oefenen tot dat er voorzien is in de plaats die is opengevallen in hun rechtscollege. De machtiging mag een termijn van zes maanden niet overschrijden en is niet hernieuwbaar. <W 1998-12-22/47, art. 86, 067; Inwerkingtreding : 01-03-1999>
(Het voorstel wordt, wat de vrederechters en de rechters in de politierechtbank betreft, gedaan door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg.) <W 1986-01-31/35, art. 1, 009>
(§ 2.) De bepalingen van §(...) 1 (...) zijn niet van toepassing op de eerste voorzitters van het Hof van Cassatie, de hoven van beroep en de arbeidshoven, de procureurs-generaal bij het Hof van Cassatie en de hoven van beroep, de voorzitters van de rechtbanken, de procureurs des Konings en de arbeidsauditeurs. <W 1998-12-22/47, art. 86, 067; Inwerkingtreding : 01-03-1999>
(§ 3.) De magistraten die hun ambt uitoefenen krachtens de §(...) 1 (...) behouden ten aanzien van de magistraten die in dezelfde kamer zitting hebben, de rang die zij bekleedden bij hun inruststelling. <W 1998-12-22/47, art. 86, 067; Inwerkingtreding : 01-03-1999>
(§ 4.) De magistraten die hun ambt vervullen krachtens de §(...) 1 (...), genieten hun wedde overeenkomstig de bepalingen van titel III van boek II, en niet hun pensioen. <W 1998-12-22/47, art. 86, 067; Inwerkingtreding : 01-03-1999>
Art. 384. De voorzitters en raadsheren van het Hof van Cassatie en van de hoven van beroep en van de arbeidshoven, die door een ernstige en blijvende gebrekkigheid zijn aangetast en niet om hun inruststelling hebben verzocht, worden bij ter post aangetekende brief ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie gewaarschuwd door de eerste voorzitter van het hof waartoe zij behoren of door degene die hem vervangt. Betreft het de eerste voorzitter van die hoven, dan waarschuwt het hoofd van het parket.
In dezelfde gevallen worden de rechters in de rechtbanken van eerste aanleg, in de rechtbanken van koophandel, de vrederechters en de rechters in de politierechtbank op dezelfde wijze gewaarschuwd door de eerste voorzitter van het hof van beroep en de rechters in de arbeidsrechtbank door de eerste voorzitter van het arbeidshof.
Art. 385. Heeft de magistraat binnen een maand na de waarschuwing niet om zijn inruststelling verzocht, dan komen het Hof van Cassatie, het hof van beroep of het arbeidshof in de raadkamer in algemene vergadering bijeen om, het openbaar ministerie in zijn schriftelijke conclusies gehoord, uitspraak te doen, het eerste over de inruststelling van zijn leden, het tweede over de inruststelling van zijn leden, van de leden der rechtbanken van eerste aanleg en van de rechtbanken van koophandel, van de vrederechters en de rechters in de politierechtbank, en het derde over de inruststelling van zijn leden en die van de arbeidsrechtbanken.
Ten minste vijftien dagen vóór de datum waarop de vergadering van het hof is vastgesteld, wordt aan de betrokken magistraat kennis gegeven van de dag en het uur van de zitting, en wordt hij tegelijk verzocht zijn opmerkingen schriftelijk naar voren te brengen.
Die kennisgeving en dat verzoek worden hem toegezonden bij gerechtsbrief.
Art. 386. Van de beslissing wordt aan de betrokkene terstond kennis gegeven. Heeft deze zijn opmerkingen niet naar voren gebracht, dan gaat de beslissing eerst in kracht van gewijsde nadat daartegen binnen vijf dagen, te rekenen van de kennisgeving, niet in verzet is gekomen.
Art. 387. De beslissing gewezen op de opmerkingen van de magistraat of op zijn verzet, is in laatste aanleg.
Wanneer de vormvoorschriften niet zijn in acht genomen, kunnen evenwel de betrokken magistraat en het openbaar ministerie zich tegen de beslissing van het hof van beroep en van het arbeidshof in cassatie voorzien binnen vijf dagen te rekenen van de dag waarop de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.
De eerste voorzitter van het Hof van Cassatie brengt de gronden van de voorziening in cassatie schriftelijk ter kennis van de betrokken magistraat of van de procureur-generaal bij het hof van beroep.
Art. 388. De kennisgevingen worden gedaan door de hoofdgriffier, die daarvan bij proces-verbaal moet doen blijken.
Woont de magistraat niet in de stad waar het hof zijn zetel heeft, dan doet de griffier de kennisgeving bij gerechtsbrief.
Verzet en voorziening in cassatie worden ter griffie ontvangen en in een speciaal register ingeschreven.
Art. 389. De beslissingen van de hoven, in het geval bedoeld in de artikelen 385 tot 388, worden aan de minister van Justitie toegezonden binnen vijftien dagen nadat zij in kracht van gewijsde zijn gegaan.
Art. 390. <W 1998-12-22/47, art. 87, 067; Inwerkingtreding : 01-03-1999> De bepalingen van de artikelen 383 tot 389 zijn van toepassing op de plaatsvervangende rechters (en de plaatsvervangende raadsheren, met uitzondering van de wegens hun leeftijd in rust gestelde magistraten die zitting kunnen hebben tot de leeftijd van 70 jaar). Met uitzondering van ((artikel) en 383bis) zijn deze bepalingen eveneens van toepassing op de werkende en plaatsvervangende raadsheren in sociale zaken en op de rechters in sociale zaken en in handelszaken. <W 2000-07-17/34, art. 13, 080; Inwerkingtreding : 01-01-2000> <W 2003-05-03/45, art. 49, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003> <W 2003-12-22/53, art. 17, 116; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
HOOFDSTUK II. - Pensioen en emeritaat.
Art. 391. De magistraat die wegens de in artikel 383 bepaalde leeftijd in ruste is gesteld en dertig jaren dienst heeft waarvan ten minste vijftien in de magistratuur, heeft aanspraak op het emeritaat.
(Het emeritaatspensioen is gelijk aan de referentiewedde bepaald in artikel 8, § 1, van de algemene wet op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen van 21 juli 1844. (Voor de toepassing van het tweede en het vierde lid van die bepaling worden de in artikel 58bis, 2°, 3° en 4° bedoelde aanwijzingen gelijkgesteld met vaste benoemingen).) <W 1999-01-25/32, art. 234, 068; Inwerkingtreding : 01-01-1999> <W 2003-05-03/45, art. 50, 110; Inwerkingtreding : 02-08-2000; zie ook art.61>
Heeft de magistraat geen dertig jaren dienst, dan wordt het pensioen met een dertigste verminderd voor ieder jaar dat hij te kort komt om dat getal te bereiken.
Bij wijziging van de weddeschalen wordt het bedrag van het pensioen verhoogd of verlaagd met inachtneming van de nieuwe wedde die aan een magistraat in dienst met dezelfde rang en anciënniteit wordt toegekend, met dien verstande dat de in ruste gestelde magistraat geacht wordt die wedde te hebben genoten over de laatste vijf jaren.
(Het ambt uitgeoefend op grond van artikel 383bis wordt niet in aanmerking genomen bij de berekening van het pensioen.) <W 17-07-1984, art. 10>
Art. 392. (De magistraat van wie bevonden is dat hij wegens een gebrekkigheid niet meer in staat is zijn ambt te vervullen maar die de voor het emeritaat vereiste leeftijd niet heeft, kan ongeacht zijn leeftijd gepensioneerd worden. Indien zijn ambt echter een bijbetrekking is, kan het pensioen wegens ongeschiktheid slechts worden verleend na vervulling van vijf dienstjaren. De Koning bepaalt wat een bijbetrekking in de zin van dit artikel is.) <W 17-06-1971, art. 9>
(Het pensioen wordt voor elk van de eerste vijf dienstjaren in de magistratuur uitgekeerd op basis van een dertigste van de in artikel 8, § 1, van voormelde algemene wet van 21 juli 1844 omschreven referentiewedde en voor elk volgend dienstjaar in de magistratuur op basis van een vijfendertigste van dezelfde wedde. (Voor de toepassing van het tweede en het vierde lid van die bepaling worden de in artikel 58bis, 2°, 3° en 4° bedoelde aanwijzingen gelijkgesteld met vaste benoemingen).) <W 1999-01-25/32, art. 235, 068; Inwerkingtreding : 01-01-1999> <W 2003-05-03/45, art. 51, 110; Inwerkingtreding : 02-08-2000; zie ook art.61>
Dienstjaren die krachtens de wet op de pensioenregeling van de leden van het burgerlijk rijkspersoneel in aanmerking komen, maar niet in de magistratuur zijn doorgebracht, worden aangerekend naar de grondslagen in de geldende wetten bepaald.
Bij wijziging van de weddeschalen wordt het bedrag van het pensioen verhoogd of verlaagd volgens de in artikel 391 gestelde regel.
(Naargelang van het geval maakt de eerste voorzitter van het hof van beroep of van het arbeidshof, de voorzitter van de rechtbank of de procureur-generaal bij het hof van beroep een einde aan het ambt van plaatsvervangend magistraat aangewezen overeenkomstig artikel 383, § 2, hetzij op verzoek van de magistraat, hetzij ambtshalve, hetzij indien de magistraat wegens gebrekkigheid niet meer in staat wordt bevonden zijn ambt te vervullen.) <W 17-07-1984, art. 11>
Art. 393. (§ 1.) Wegens hun diploma van doctor (of van licentiaat) in de rechten wordt vier jaar werkelijke dienst in de magistratuur aangerekend ten voordele van de magistraten die in ruste worden gesteld wegens een gebrekkigheid of op de in artikel 383 bepaalde leeftijd, maar die niet het vereiste aantal dienstjaren hebben om het bij de wet bepaalde maximumpensioen te verkrijgen. <W 2003-03-09/53, art. 2, 112; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
(§ 2. De gerechtelijke stage wordt beschouwd als werkelijke diensttijd in de magistratuur. Voor de berekening van het rustpensioen wordt deze diensttijd in aanmerking genomen naar rata van 1/60 per jaar dienst.) <W 2003-03-09/53, art. 2, 112; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Art. 394. De bepalingen van de artikelen 391 tot 393 zijn van toepassing op de magistraten van het parket.
Art. 395. Wanneer een magistraat die heeft opgehouden zijn ambt uit te oefenen ten einde het in artikel 308 bedoelde ambt te vervullen, na het uitvoeren van zijn opdracht wordt hersteld in het ambt dat hij niet verder had uitgeoefend, dan wel opnieuw wordt benoemd tot dit ambt of tot een ander hiermee gelijkstaand of hoger rechterlijk ambt, wordt het bedrag van zijn pensioen of van zijn emeritaatspensioen berekend alsof hij nooit had opgehouden zijn ambt uit te oefenen.
Dit geldt mede voor de gevallen van artikel 361.
Art. 396. Geen pensioen mag hoger zijn dan de wedde die voor de vereffening als grondslag heeft gediend.
Art. 397. De wetten op de pensioenregeling voor de leden van het burgerlijk rijkspersoneel en hun rechtverkrijgenden zijn van toepassing op de magistraten die niet voldoen aan de vereisten om voor de bepalingen van dit hoofdstuk in aanmerking te komen.
HOOFDSTUK IIbis. - (Pensionering en pensioen van de referendarissen bij het Hof van Cassatie en van de referendarissen en de parketjuristen bij de hoven van beroep en bij de rechtbanken van eerste aanleg.) <W 1999-03-24/31, art. 21, 070; Inwerkingtreding : 17-04-1999>
Art. 397bis. <Ingevoegd bij W 1997-05-06/38, art. 20; Inwerkingtreding : 05-07-1997> De referendarissen (bij het Hof van Cassatie en de referendarissen en de parketjuristen bij de hoven van beroep en bij de rechtbanken van eerste aanleg) houden op hun ambt uit te oefenen en worden gepensioneerd wanneer zij de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt of wanneer zij wegens een ernstige en blijvende gebrekkigheid niet meer in staat zijn hun ambt naar behoren te vervullen. <W 1999-03-24/31, art. 22, 070; Inwerkingtreding : 17-04-1999>
De algemene wet op de burgerlijke pensioenen is mede van toepassing op de gepensioneerde referendarissen (en parketjuristen). <W 1999-03-24/31, art. 22, 070; Inwerkingtreding : 17-04-1999>
TITEL V. - Tucht.
HOOFDSTUK I. - Bepalingen tot regeling van hiërarchie en toezicht.
Art. 398. (Onverminderd de toepassing van de artikelen 143bis en 143ter heeft het Hof van Cassatie) een recht van toezicht op de hoven van beroep en de arbeidshoven, de hoven van beroep op de rechtbanken van eerste aanleg en de rechtbanken van koophandel van hun rechtsgebied en de arbeidshoven op de arbeidsrechtbanken van hun rechtsgebied en de rechtbanken van eerste aanleg op de vredegerechten en de politierechtbanken van het arrondissement. <W 1997-03-04/41, art. 4, 046; Inwerkingtreding : 15-05-1997>
Art. 399. (Onverminderd de toepassing van de artikelen 143bis en 143ter waakt de procureur-generaal bij het hof van beroep), onder het gezag van de minister van Justitie, voor de handhaving van de orde in de hoven en in de rechtbanken. <W 1997-03-04/41, art. 4, 046; Inwerkingtreding : 15-05-1997>
(Onverminderd de toepassing van de artikelen 143bis en 143ter waken de procureur-generaal, de procureur des Konings en de arbeidsauditeurs), onder hetzelfde gezag, voor de handhaving van de tucht, de regelmatige uitoefening van de dienst en de uitvoering van de wetten en verordeningen in de rechtbanken. <W 1997-03-04/41, art. 4, 046; Inwerkingtreding : 15-05-1997>
Wanneer de procureur-generaal, de procureur des Konings of de arbeidsauditeur dienaangaande opmerkingen heeft te maken, zijn de eerste voorzitter van het hof en de voorzitter van de rechtbank ertoe gehouden op zijn verzoek de algemene vergadering bijeen te roepen.
Art. 400. <W 1998-12-22/48, art. 22, 069; Inwerkingtreding : onbepaald> Onverminderd de toepassing van de artikelen 143bis en 143ter oefent de Minister van Justitie toezicht uit op alle ambtenaren van het openbaar ministerie, de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie op de federale procureur en op alle procureurs-generaal bij de hoven van beroep, de federale procureur op de federale magistraten, de voorzitter van het college van procureurs-generaal op de bijstandsmagistraten en de procureurs-generaal op de leden van het parket-generaal en van het arbeidsauditoraat-generaal, op de procureurs des Konings en hun substituten.
Art. 401. Wanneer een magistraat van het openbaar ministerie op de zitting afwijkt van de plichten van zijn staat, geeft de eerste voorzitter van het hof of de voorzitter van de rechtbank waarbij hij zijn ambt uitoefent, daarvan kennis aan de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie, aan de procureur-generaal bij het hof van beroep, aan de procureur des Konings, of aan de arbeidsauditeur, al naar gelang onder wiens toezicht de magistraat staat.
Art. 402. De procureurs des Konings en hun substituten, (...) en de rechters in de politierechtbank oefenen, onder toezicht van de procureur-generaal bij het hof van beroep, de gerechtelijke politie uit. <W 1998-03-12/39, art. 39, 058; Inwerkingtreding : 1998-10-02>
Art. 402bis. <Ingevoegd bij W 1997-05-06/38, art. 21; Inwerkingtreding : 05-07-1997> De eerste voorzitter van het Hof van Cassatie en de procureur-generaal bij dat hof oefenen, ieder wat hem betreft, toezicht uit op de referendarissen.
Art. 403. De procureur-generaal oefent zijn toezicht uit over de hoofdgriffier, de griffiers-hoofden van dienst, de griffiers, de (adjunct-griffiers), vertalers, (opstellers en beambten) van de griffie van de hoven van zijn ambtsgebied; de procureur des Konings oefent zijn toezicht uit over de hoofdgriffier, de griffiers-hoofden van dienst en de griffiers van de rechtbank van eerste aanleg en van de rechtbank van koophandel, de (hoofdgriffiers) en de griffiers van de vredegerechten en van de politierechtbanken, de (adjunct-griffiers), vertalers, (opstellers en beambten) van de rechtbanken van eerste aanleg, de rechtbanken van koophandel, vredegerechten en politierechtbanken; de arbeidsauditeur oefent zijn toezicht uit over de hoofdgriffier, de griffiers-hoofden van dienst, de griffiers en (adjunct-griffiers), de vertalers, (opstellers en beambten) van de arbeidsrechtbank. <W 1997-02-17/50, art. 86, 045; Inwerkingtreding : 01-07-1997> <W 1997-05-20/46, art. 22, 053; Inwerkingtreding : 01-09-1997>
De procureur-generaal bij het Hof van Cassatie, de procureurs-generaal bij de hoven van beroep, de procureurs des Konings en de arbeidsauditeurs oefenen hun toezicht uit over de (hoofdsecretarissen), (secretarissen), (adjunct-secretaris), vertalers, (opstellers en beambten) van hun parket. <W 1997-02-17/50, art. 86, 045; Inwerkingtreding : 01-07-1997> <W 1997-05-20/46, art. 22, 053; Inwerkingtreding : 01-09-1997>
HOOFDSTUK II. - Tuchtrechtelijke maatregelen.
Art. 404. Op diegenen die hun ambtsplichten verzuimen of door hun gedrag afbreuk doen aan de waardigheid van hun ambt, kunnen de tuchtstraffen, bepaald in dit hoofdstuk, worden toegepast.
++++++++++++++++++++
TOEKOMSTIGE WETTEKST
--------------------
Art. 404. Op diegenen die hun ambtsplichten verzuimen of door hun gedrag afbreuk doen aan de waardigheid van hun ambt, kunnen de tuchtstraffen, bepaald in dit hoofdstuk, worden toegepast.
(De tuchtstraffen bedoeld in dit hoofdstuk kunnen tevens worden opgelegd aan personen die de taken van hun ambt verwaarlozen en zodoende afbreuk doen aan de goede werking van de justitie of aan het vertrouwen in die instelling.) <W 2002-07-07/43, art. 2, 103; Inwerkingtreding : onbepaald ten laatste op 14-02-2005>
++++++++++++++++++++
Art. 405. De tuchtstraffen zijn:
waarschuwing;
enkele censuur;
censuur met berisping;
schorsing van vijftien dagen tot één jaar;
ontzetting uit het ambt of afzetting.
Censuur met berisping heeft van rechtswege een maand inhouding van wedde ten gevolge; schorsing heeft inhouding van wedde ten gevolge zolang zij duurt.
++++++++++++++++++++
TOEKOMSTIGE WETTEKST
--------------------
Art. 405. <W 2002-07-07/43, art. 3, 103; Inwerkingtreding : onbepaald ten laatste op 14-02-2005> § 1. De lichte tuchtstraffen zijn :
- waarschuwing;
- berisping.
§ 2. De zware tuchtstraffen zijn :
1° eerste graad :
- inhouding van wedde;
- tuchtschorsing;
- intrekking van het mandaat bedoeld in artikel 58bis;
- tuchtschorsing met intrekking van het mandaat bedoeld in artikel 58bis ;
2° tweede graad :
- ontslag van ambtswege;
- ontzetting uit het ambt of afzetting.
§ 3. De inhouding van wedde wordt toegepast gedurende ten hoogste twee maanden en mag die bepaald in artikel 23, tweede lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers niet te boven gaan.
De tuchtschorsing wordt uitgesproken voor een periode van ten minste een maand en ten hoogste een jaar.
De tuchtschorsing heeft zolang zij duurt een verlies van 20 % van de brutowedde tot gevolg.
Gedurende de tuchtschorsing kan de betrokkene zijn aanspraken op bevordering of verhoging in weddeschaal niet doen gelden.
De intrekking van het mandaat bedoeld in artikel 58bis heeft tot gevolg dat de betrokkene, behoudens in geval van eerherstel of herziening bedoeld in de artikelen 427ter en 427quater , zich geen kandidaat meer kan stellen voor een mandaat bedoeld in artikel 58bis.
Het ontslag van ambtswege heeft het verlies van de hoedanigheid van lid van de Rechterlijke Orde of van lid van het personeel van de griffies en van de parketsecretariaten tot gevolg.
De ontzetting uit het ambt en de afzetting hebben het verlies van de hoedanigheid van lid van de Rechterlijke Orde of van lid van het personeel van de griffies en van de parketsecretariaten en het verlies van het rustpensioen tot gevolg.
Iedere definitieve zware tuchtstraf brengt, behoudens in het geval van eerherstel of herziening bedoeld in de artikelen 427ter en 427quater , het verbod mee zich kandidaat te stellen voor de Hoge Raad voor de Justitie.
+++++
Art. 405bis. <Ingevoegd bij W 2002-07-07/43, art. 4; Inwerkingtreding : onbepaald ten laatste op 14-02-2005> Wanneer de betrokkene verscheidene tuchtrechtelijke tekortkomingen worden toegerekend, wordt tegen hem een enkele tuchtprocedure gevoerd die slechts aanleiding kan geven tot een enkele tuchtstraf.
Wanneer hem tijdens de tuchtprocedure een nieuwe tekortkoming wordt toegerekend, wordt een nieuwe tuchtprocedure ingeleid evenwel zonder dat de reeds lopende procedure wordt onderbroken.
In geval van samenhang wordt deze nieuwe tekortkoming evenwel behandeld en berecht tijdens de lopende procedure.
+++++
Art. 405ter. <Ingevoegd bij W 2002-07-07/43, art. 5; Inwerkingtreding : onbepaald ten laatste op 14-02-2005> De overheid bevoegd om een tuchtprocedure in te stellen brengt de Koning of de Minister van Justitie onverwijld op de hoogte van het feit dat een tuchtprocedure werd ingesteld.
+++++
Art. 405quater. <Ingevoegd bij W 2002-07-07/43, art. 6; Inwerkingtreding : onbepaald ten laatste op 14-02-2005> Zodra een tuchtprocedure is ingesteld, wordt het onderzoek van het verzoek tot ontslag gericht aan de Koning of aan de Minister van Justitie geschorst tot de tuchtprocedure is beëindigd.
++++++++++++++++++++
Art. 406. De tot schorsing bevoegde overheid kan ieder die een in dit wetboek genoemd ambt uitoefent en wegens misdaad of wanbedrijf wordt vervolgd, het bevel geven zich tijdens de vervolging voorlopig van iedere dienstuitoefening te onthouden.
Voorlopige schorsing kan bij beslissing van de overheid die haar heeft bevolen, stilstand van wedde ten gevolge hebben.
++++++++++++++++++++
TOEKOMSTIGE WETTEKST
--------------------
Art. 406. <W 2002-07-07/43, art. 7, 103; Inwerkingtreding : onbepaald ten laatste op 14-02-2005> § 1. Ingeval de betrokkene wordt vervolgd wegens een misdaad of een wanbedrijf of tuchtrechtelijk wordt vervolgd, kan hij in het belang van de dienst, op grond van een ordemaatregel uit zijn ambt worden geschorst voor de duur van de vervolging en tot de eindbeslissing is genomen.
De tuchtoverheid bevoegd om een lichte straf op te leggen spreekt de ordemaatregel uit voor de duur van een maand. De maatregel kan vervolgens van maand tot maand worden verlengd tot de eindbeslissing. De maatregel kan een inhouding van 20 % van de brutowedde meebrengen.
Er kan geen ordemaatregel worden genomen zonder dat de betrokkene voorafgaandelijk is gehoord overeenkomstig de procedure bedoeld in artikel 423.
Evenwel kan bij uiterst dringende noodzakelijkheid of bij betrapping op heterdaad een voorlopige ordemaatregel worden genomen zonder voorafgaand verhoor van de betrokkene. De betrokkene wordt na het toepassen van de voorlopige ordemaatregel onverwijld gehoord. Deze voorlopige ordemaatregel vervalt na tien dagen, tenzij de overheid die de maatregel genomen heeft, hem binnen deze termijn heeft bekrachtigd.
§ 2. Wanneer een tuchtstraf met inhouding van wedde wordt uitgesproken tegen een persoon die het voorwerp is geweest van een ordemaatregel met vermindering van wedde, heeft de tuchtstraf ten vroegste uitwerking op de dag waarop de ordemaatregel is ingegaan.
Het tijdens de ordemaatregel ingehouden bedrag van wedde wordt afgetrokken van het bedrag van verlies van wedde dat voortvloeit uit de tuchtstraf met inhouding van wedde. Als het bedrag van de ingehouden wedde hoger is dan het bedrag van het verlies van wedde dat voortvloeit uit de tuchtstraf met inhouding van wedde, wordt het verschil aan de betrokkene uitbetaald.
De ingehouden bedragen worden aan de betrokkene uitbetaald wanneer de ordemaatregel niet gevolgd wordt door een tuchtstraf of een strafrechtelijke veroordeling wegens dezelfde feiten, of wanneer de strafvordering vervallen is, dan wel aanleiding heeft gegeven tot een beschikking van buitenvervolgingstelling of tot een seponering.
++++++++++++++++++++
Art. 407. Aan de leden van de zetel en de leden van het openbaar ministerie (en de referendarissen bij het Hof van Cassatie) (en de referendarissen en de parketjuristen bij de hoven van beroep en bij de rechtbanken van eerste aanleg) die zonder verlof afwezig zijn, kan door een beslissing van de overheid die tot het uitspreken van de schorsing bevoegd is, voor de duur van die afwezigheid hun wedde worden ontzegd. <W 1997-05-06/38, art. 22, 052; Inwerkingtreding : 05-07-1997> <W 1999-03-24/31, art. 23, 070; Inwerkingtreding : 17-04-1999>
Art. 408. De raadsheren en rechters in sociale zaken of de rechters in handelszaken die, ofschoon regelmatig opgeroepen, zonder geldige reden op meer dan drie zittingen over een tijdvak van zes maanden afwezig zijn geweest, worden als ontslagnemer beschouwd en vervangen.
HOOFDSTUK III. - Bevoegdheid.
Afdeling I. - Bepalingen betreffende de rechters.
Art. 409. Alleen het Hof van Cassatie neemt kennis van de tuchtvervolgingen tot ontzetting uit het ambt.
Art. 410. Met uitzondering van de vervolgingen tot ontzetting nemen de hoven van beroep kennis van de tuchtvervolgingen, ingesteld tegen de raadsheren, de rechters (en de toegevoegde rechters) in de rechtbanken van eerste aanleg en in de rechtbanken van koophandel, de rechters in handelszaken, de vrederechters en de rechters in de politierechtbank. <W 1998-02-10/32, art. 23, 1°, 057; Inwerkingtreding : 02-03-1998>
De arbeidshoven nemen kennis, met uitzondering van de vervolgingen tot ontzetting, van de tuchtvervolgingen ingesteld tegen de raadsheren en de raadsheren in sociale zaken (de rechters, de toegevoegde rechters en rechters in sociale zaken). <W 1998-02-10/32, art. 23, 2°, 057; Inwerkingtreding : 02-03-1998>
Het Hof van Cassatie neemt kennis van de tuchtvervolgingen ingesteld tegen zijn leden en tegen de eerste voorzitter en voorzitters van de hoven van beroep en van de arbeidshoven.
Art. 411. De enkele censuur of de censuur met berisping kan door de eerste voorzitters van de hoven worden uitgesproken tegen de personen die tuchtrechtelijk onder die hoven ressorteren.
Art. 412. De waarschuwing kan worden gegeven:
1° aan de vrederechters en de rechters in de politierechtbank, door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg in het arrondissement waarvan zij hun ambt uitoefenen;
2° aan de ondervoorzitters en rechters, leden van de rechtbanken van eerste aanleg of van de rechtbanken van koophandel, de rechters in handelszaken door de voorzitter van hun rechtbank en desnoods door de eerste voorzitter van het hof van beroep;
3° aan de ondervoorzitters en rechters leden van de arbeidsrechtbanken en aan de rechters in sociale zaken door de voorzitter van hun rechtbank en desnoods door de eerste voorzitter van het arbeidshof;
4° aan de voorzitters van de rechtbanken van eerste aanleg, de voorzitters van de rechtbanken van koophandel, de kamervoorzitters, de raadsheren in de hoven van beroep, door de eerste voorzitter van het hof van beroep en desnoods door de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie;
5° aan de voorzitters van het arbeidshof, de kamervoorzitters, de raadsheren en raadsheren in sociale zaken in het arbeidshof, door de eerste voorzitter van het arbeidshof en desnoods door de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie;
6° aan de eerste voorzitters van de hoven van beroep en de arbeidshoven, de kamervoorzitters en de raadsleden in het Hof van Cassatie, door de eerste voorzitter van dit hof.
Art. 413. De plaatsvervangende magistraten ressorteren in deze hoedanigheid onder dezelfde tuchtoverheid als de werkende magistraten.
Afdeling II. - Bepalingen betreffende de magistraten van het openbaar ministerie.
Art. 414. <W 1998-12-22/48, art. 23, 069; Inwerkingtreding : onbepaald> De procureur-generaal bij het hof van beroep en de federale procureur kunnen de onder hen staande magistraten van het openbaar ministerie als straf de waarschuwing, de enkele censuur en de censuur met berisping opleggen.
De procureur-generaal bij het Hof van Cassatie oefent dezelfde bevoegdheid uit ten aanzien van de advocaten-generaal bij dat Hof, de procureurs-generaal bij de hoven van beroep en de federale procureur.
Evenzo kan de minister van Justitie elke ambtenaar van het openbaar ministerie waarschuwen en censureren of aan de Koning voorstellen hem te schorsen of af te zetten.
Afdeling IIbis. - (Bepalingen betreffende de referendarissen bij het Hof van Cassatie). <Ingevoegd bij W 1997-05-06/38, art. 24; Inwerkingtreding : 05-07-1997>
Art. 414bis. <Ingevoegd bij W 1997-05-06/38, art. 24; Inwerkingtreding : 05-07-1997> § 1. De referendarissen bij het Hof van Cassatie kunnen door het hof om tuchtredenen worden geschorst of afgezet, hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van de procureur-generaal bij het hof.
De eerste voorzitter en de procureur-generaal kunnen, ieder wat hem betreft, de referendarissen als straf opleggen waarschuwing, enkele censuur en censuur met berisping.
(§ 2. Worden zij vervolgd wegens misdaad of wanbedrijf of op tuchtrechtelijk gebied, dan kunnen de referendarissen, wanneer het belang van de dienst zulks vergt, bij ordemaatregel door het Hof van Cassatie in hun ambt geschorst worden, zolang de vervolging duurt en tot dat de eindbeslissing gevallen is.
De schorsing bij ordemaatregel wordt uitgesproken voor de tijd van één maand en kan daarna van maand tot maand verlengd worden, totdat een eindbeslissing intreedt. Het Hof van Cassatie is bevoegd te beslissen dat deze schorsing voorlopige, algehele of gedeeltelijke inhouding van wedde meebrengt, zolang de straftijd of een gedeelte van de straftijd loopt.) <W 1999-03-24/41, art. 24, 070; Inwerkingtreding : 17-04-1999>
(§ 3. Geen deze straffen (of maatregelen) mag worden toegepast zonder dat de betrokkene eerst gehoord of behoorlijk opgeroepen is.) <W 1999-03-24/41, art. 24, 070; Inwerkingtreding : 17-04-1999>
Afdeling IIter. <Ingevoegd bij W 1999-03-24/31, art. 25; Inwerkingtreding : 17-04-1999> - Bepalingen betreffende de referendarissen en de parketjuristen bij de hoven van beroep en bij de rechtbanken van eerste aanleg.
Art. 414ter. <Ingevoegd bij W 1999-03-24/31, art. 25; Inwerkingtreding : 17-04-1999> § 1. De referendarissen en de parketjuristen kunnen door het hof van beroep worden geschorst of afgezet, hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van de procureur-generaal bij het hof van beroep.
De eerste voorzitter en de procureur-generaal bij het hof van beroep kunnen, ieder wat hem betreft, de referendarissen en parketjuristen als straf opleggen waarschuwing, enkele censuur en censuur met berisping.
§ 2. Worden zij vervolgd wegens misdaad of wanbedrijf of op tuchtrechtelijk gebied, dan kunnen de referendarissen en de parketjuristen, wanneer het belang van de dienst zulks vergt, bij ordemaatregel door het hof van beroep, samengesteld overeenkomstig artikel 348 van dit Wetboek, in hun ambt geschorst worden, zolang de vervolging duurt en totdat de beslissing gevallen is.
De schorsing bij ordemaatregel wordt uitgesproken voor de tijd van één maand en kan daarna van maand tot maand verlengd worden, totdat een eindbeslissing intreedt. Het hof van beroep is bevoegd te beslissen dat deze schorsing voorlopige, algehele of gedeeltelijke inhouding van wedde meebrengt, zolang de straftijd of een gedeelte van de straftijd loopt.
§ 3. Geen van deze straffen of maatregelen mag worden toegepast zonder dat de betrokkene eerst gehoord of behoorlijk opgeroepen is.
Afdeling III. - Bepalingen betreffende de griffiers.
Art. 415. De hoofdgriffiers, (...), de griffiers en de (adjunct-griffiers) van de hoven en rechtbanken evenals de attachés in de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie, kunnen door de Koning om tuchtredenen worden geschorst of afgezet. <W 1997-02-17/50, art. 86, 045; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
Zij worden gewaarschuwd en gecensureerd door de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie wanneer zij aan dit hof zijn verbonden, en door de procureur-generaal bij het hof van beroep wanneer zij verbonden zijn aan een ander gerecht.
Voor de fouten die zij begaan in de bijstand die zij verlenen aan de rechter, worden zij evenwel gewaarschuwd en gecensureerd door de eerste voorzitters of de voorzitters van de hoven en rechtbanken van hun rechtsgebied.
Art. 416. De (hoofdsecretarissen), (secretarissen) en (adjunct-secretarissen) van de parketten worden gewaarschuwd en gecensureerd door het hoofd van het parket en worden geschorst en afgezet door de Koning. <W 1997-02-17/50, art. 86, 045; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
(De vertalers, (de opstellers en beambten) van de griffies en van de parketten worden, al naar het geval, gewaarschuwd, gecensureerd en geschorst door de (hoofdsecretaris) van het parket of door de hoofdgriffier (...). zij worden ontslagen door de Minister van Justitie.) <W 25-04-1983, art. 6> W 1997-02-17/50, art. 86, 045; Inwerkingtreding : 01-07-1997> <W 1997-05-20/46, art. 23, 053; Inwerkingtreding : 01-09-1997>
++++++++++++++++++++
TOEKOMSTIGE WETTEKST
--------------------
HOOFDSTUK III. <Ingevoegd bij W 2002-07-07/43, art. 8; Inwerkingtreding : onbepaald ten laatste op 14-02-2005> - Bevoegde overheden.
Afdeling I. <Ingevoegd bij W 2002-07-07/43, art. 9; Inwerkingtreding : onbepaald ten laatste op 14-02-2004> - De Nationale Tuchtraad.
Art. 409. <W 2002-07-07/43, art. 9, 103; Inwerkingtreding : onbepaald ten laatste op 14-02-2005, ED van §§ 2, 4, 6 en 10 : 31-03-2003> § 1. Er wordt een Nationale Tuchtraad ingesteld die bevoegd is voor het onderzoeken van feiten die in aanmerking komen om te worden gestraft met een zware tuchtstraf en het uitbrengen van een niet bindend advies over de in dat geval op te leggen straf.
De Nationale Tuchtraad oefent zijn bevoegdheid uit ten aanzien van de magistraten, van de referendarissen bij het Hof van Cassatie, van de referendarissen en van de parketjuristen bedoeld in artikel 156ter , van de attachés van de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie, van de griffiers, van de secretarissen en van het personeel van griffies en parketten.
§ 2. De Nationale Tuchtraad bestaat uit een Nederlandstalige kamer en uit een Franstalige kamer. Bij elke kamer is een secretaris-verslaggever die de beraadslaging bijwoont maar niet deelneemt aan de besluitvorming.
Wanneer de krachtens de taalwetgeving bevoegde kamer van de Nationale Tuchtraad haar bevoegdheid moet uitoefenen ten aanzien van een magistraat, van een referendaris bij het Hof van Cassatie, van een attaché van de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie, van een referendaris of van een parketjurist bedoeld in artikel 156ter , is zij samengesteld uit drie leden van de zittende magistratuur, twee magistraten van het openbaar ministerie en twee leden die niet tot de rechterlijke orde behoren. Deze laatsten worden gekozen onder advocaten en universiteitsprofessoren die het recht doceren.
Wanneer de krachtens de taalwetgeving bevoegde kamer van de Nationale Tuchtraad haar bevoegdheid moet uitoefenen ten aanzien van een griffier, een secretaris of een personeelslid van de griffies en parketten, is zij samengesteld uit twee leden van de zittende magistratuur, een magistraat van het openbaar ministerie, een griffier, een secretaris en twee leden die niet tot de rechterlijke orde behoren. Deze laatsten worden gekozen onder advocaten en universiteitsprofessoren die het recht doceren.
In geval van wettige verhindering wordt een beroep gedaan op plaatsvervangers.
De Koning bepaalt het aantal plaatsvervangers en de regels die bij de vervanging van de vaste leden in acht moeten worden genomen.
§ 3. De magistraten die in aanmerking komen om zitting te hebben in de Nationale Tuchtraad en hun plaatsvervangers worden door hun algemene vergadering of hun korpsvergadering voor vier jaar verkozen onder de magistraten die sedert ten minste tien jaar het ambt van magistraat hebben uitgeoefend, die geen tuchtstraf hebben opgelopen en die zich kandidaat stellen voor de functie.
De griffiers en de secretarissen die in aanmerking komen om zitting te hebben in de Nationale Tuchtraad en hun plaatsvervangers worden door de Minister van Justitie voor vier jaar aangewezen onder de griffiers en de secretarissen die sedert ten minste tien jaar in dienst zijn, die geen tuchtstraf hebben opgelopen en die zich kandidaat stellen voor de functie.
De leden die niet tot de rechterlijke orde behoren die in aanmerking komen om zitting te hebben in de Nationale Tuchtraad (als effectief of plaatsvervangend lid worden voor vier jaar) door de raad van de Orde aangewezen onder de advocaten die een beroepservaring aan de balie van ten minste tien jaar hebben en geen tuchtstraf hebben opgelopen, en door de raad van bestuur van de universiteiten van de Vlaamse Gemeenschap en van de Franse Gemeenschap onder de professoren die het recht doceren, die ten minste tien jaar beroepservaring als universiteitsprofessor hebben, die geen tuchtstraf hebben opgelopen en die zich kandidaat stellen voor de functie. <W 2003-12-22/53, art. 24, 116; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
Bij loting wordt vervolgens bepaald welke magistraten, griffiers, secretarissen en leden die niet tot de rechterlijke orde behoren, hetzij als vast lid, hetzij als plaatsvervanger, deel zullen uitmaken van de Nationale Tuchtraad voor een periode van vier jaar.
(De magistraten die het bewijs hebben geleverd van de kennis van de Duitse taal en die overeenkomstig het eerste lid werden verkozen maar die niet door loting werden aangewezen als vast lid of als plaatsvervanger, worden opgenomen in een reserve in toepassing van § 5, eerste lid.) <W 2003-12-22/53, art. 24, 116; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
§ 4. Het lidmaatschap van de Nationale Tuchtraad is onverenigbaar met de uitoefening van een politiek mandaat en met de hoedanigheid van lid van de Hoge Raad voor de Justitie.
Artikel 828 is van toepassing op de vaste leden en de plaatsvervangers van de Nationale Tuchtraad.
(Het effectief of plaatsvervangend lid dat advies heeft verstrekt, hetzij in de hangende tuchtprocedure, hetzij in het kader van een in dit Wetboek bepaalde evaluatieprocedure, en zulks voor de aanhangigmaking bij de Nationale Tuchtraad van een zaak over de persoon wiens dossier werd toegestuurd aan de Nationale Tuchtraad, moet zich van de zaak onthouden.) <W 2003-12-22/53, art. 24, 116; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
Het mandaat van een vast of een plaatsvervangd lid kan om ernstige redenen worden beëindigd door de Nationale Tuchtraad die daarover beslist met een meerderheid van de uitgebrachte stemmen in elke kamer. Tegen deze beslissingen staat geen enkel rechtsmiddel open. Het mandaat kan niet worden beëindigd dan nadat het vast of het plaatsvervangend lid is gehoord over de aangevoerde redenen.
Ten minste vijf werkdagen vóór de hoorzitting wordt de betrokkene opgeroepen bij ter post aangetekende brief met opgave van tenminste :
1° de aangevoerde ernstige redenen;
2° het feit dat de beëindiging van het mandaat overwogen wordt;
3° de plaats, dag en uur van de hoorzitting;
4° het recht van de betrokkene om zich te laten bijstaan door een persoon naar zijn keuze;
5° de plaats waar het dossier kan worden ingezien;
6° het recht om getuigen op te roepen.
Vanaf de oproeping tot de dag voor de hoorzitting kunnen de betrokkene en de persoon die hem bijstaat het dossier raadplegen.
Van de hoorzitting wordt een proces-verbaal opgesteld.
Vanaf het ogenblik dat het dossier aanhangig is gemaakt, kan de samenstelling van de bevoegde kamer van de Nationale Tuchtraad niet meer veranderen.
De leden van wie het mandaat een einde neemt blijven zitting houden tot het advies of de beslissing uitgesproken is.
Wanneer een lid tijdens het onderzoek van het dossier wegens wettelijke verhindering wordt vervangen, hervat de kamer het onderzoek van bij het begin.
§ 5. Wanneer in de Nationale Tuchtraad als vast lid of als plaatsvervanger geen magistraat zitting heeft die overeenkomstig de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken blijk geeft van kennis van de Duitse taal en de persoon tegen wie tuchtvervolging is ingesteld, vraagt zich in de Duitse taal te mogen uitdrukken, wordt de jongste magistraat vervangen door een uit de reserve bedoeld in § 3, vijfde lid, bij loting aangewezen magistraat die blijk geeft van kennis van de Duitse taal.
Bij gebrek aan een magistraat die blijk geeft van kennis van de Duitse taal, wordt een beroep gedaan op een tolk.
Het algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken vastgesteld bij het koninklijk besluit van 28 december 1950 is van toepassing op de tolken op wie een beroep wordt gedaan door de kamer die een zaak in de Duitse taal behandelt.
§ 6. De Koning bepaalt de nadere regels inzake de verkiezingen, de loting en de aanwijzingen, alsook het aantal bij loting aan te wijzen leden.
§ 7. De vaste leden van elke kamer kiezen uit hun midden een lid van de zittende magistratuur als voorzitter.
De beslissingen van de kamers worden bij gewone meerderheid genomen.
De Nationale Tuchtraad legt zijn huishoudelijk reglement ter goedkeuring voor aan de Minister van Justitie.
§ 8. De minister van Justitie stelt aan de Nationale Tuchtraad de secretarissen-verslaggevers en in voorkomend geval het administratief personeel ter beschikking dat nodig is voor de goede werking ervan.
§ 9. De Nationale Tuchtraad houdt zijn zittingen in de gebouwen van het Hof van Cassatie.
§ 10. De leden van de Nationale Tuchtraad hebben recht op de terugbetaling van hun reiskosten en hun verblijfkosten overeenkomstig de bepalingen die van toepassing zijn op de rijksambtenaren. Voor de verblijfskosten worden zij gelijkgesteld aan de ambtenaren van rang 13. Daarenboven hebben zij recht op presentiegeld waarvan het bedrag door de Koning wordt bepaald.
+++++
Afdeling II. <W 2002-07-07/43, art. 10, 103; Inwerkingtreding : onbepaald ten laatste op 14-02-2005> - Overheden bevoegd om een tuchtprocedure in te stellen.
Art. 410. <W 2002-07-07/43, art. 10, 103; Inwerkingtreding : onbepaald ten laatste op 14-02-2005> § 1. De tuchtoverheden bevoegd om een tuchtprocedure in te stellen zijn :
1° ten aanzien van de zittende magistraten, met uitzondering van de magistraten van het Hof van Cassatie :
- de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie ten aanzien van de eerste voorzitters van de hoven van beroep en van de eerste voorzitters van de arbeidshoven;
- de eerste voorzitter van het hof van beroep ten aanzien van de leden van dat hof, van de voorzitters van de rechtbanken van eerste aanleg en van de voorzitters van de rechtbanken van koophandel, van de toegevoegde rechters bij de rechtbank van eerste aanleg en van de toegevoegde rechters bij de rechtbank van koophandel van het betrokken rechtsgebied;
- de eerste voorzitter van het arbeidshof ten aanzien van de leden van dat hof, met inbegrip van de raadsheren in sociale zaken, alsook ten aanzien van de voorzitters van de arbeidsrechtbanken en van de toegevoegde rechters bij de arbeidsrechtbank van het betrokken rechtsgebied;
- de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg ten aanzien van de leden van die rechtbank, van de vrederechters, van de rechters in de politierechtbanken, van de toegevoegde vrederechters en van de toegevoegde rechters bij de politierechtbanken;
- de voorzitter van de rechtbank van koophandel ten aanzien van de leden van die rechtbank, met inbegrip van de rechters in handelszaken;
- de voorzitter van de arbeidsrechtbank ten aanzien van de leden van die rechtbank, met inbegrip van de rechters in sociale zaken;
2° ten aanzien van de magistraten van het openbaar ministerie, met uitzondering van de magistraten bij het Hof van Cassatie :
- de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie ten aanzien van de procureurs-generaal bij de hoven van beroep en van de federale procureur;
- de procureur-generaal bij het hof van beroep ten aanzien van de leden van het parket-generaal bij het hof van beroep, van de leden van het auditoraat-generaal bij het arbeidshof, van de procureurs des Konings, van de arbeidsauditeurs, van de toegevoegde substituten procureur des Konings en de toegevoegde substituten arbeidsauditeur;
- de procureur des Konings ten aanzien van de leden van het parket van de procureur des Konings;
- de arbeidsauditeur ten aanzien van de leden van het arbeidsauditoraat;
- de federale procureur ten aanzien van de federale magistraten;
- de tuchtoverheid bevoegd voor het ambt waarin zij werden benoemd ten aanzien van de bijstandsmagistraten;
3° ten aanzien van de magistraten van het Hof van Cassatie :
- de algemene vergadering van het Hof van Cassatie ten aanzien van de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie;
- de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie ten aanzien van de zittende magistraten in het Hof van Cassatie;
- de Minister van Justitie ten aanzien van de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie;
- de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie ten aanzien van de eerste advocaat-generaal en de advocaten-generaal bij het Hof van Cassatie;
4° ten aanzien van de referendarissen bij het Hof van Cassatie :
- de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie ten aanzien van de referendarissen die de raadsheren bijstaan;
- de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie ten aanzien van de referendarissen die de leden van parket bijstaan;
5° ten aanzien van de referendarissen en van de parketjuristen :
- de eerste voorzitter van het hof van beroep ten aanzien van de referendarissen bij dat hof;
- de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg ten aanzien van de referendarissen bij die rechtbank;
- de procureur-generaal bij het hof van beroep ten aanzien van de parketjuristen bij het parket-generaal;
- de procureur des Konings ten aanzien van de parketjuristen bij het parket van de rechtbank van eerste aanleg;
6° ten aanzien van de attachés van de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie, de procureur-generaal bij dat Hof;
7° ten aanzien van de griffiers, de secretarissen en van het personeel van de griffies en parketten :
- de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie ten aanzien van de hoofdgriffier van het Hof van Cassatie en de hoofdsecretaris van het parket-generaal bij het Hof van Cassatie;
- de procureur-generaal bij het hof van beroep ten aanzien van de hoofdgriffier van het hof van beroep en van het arbeidshof en van de hoofdsecretaris van het parket-generaal bij het hof van beroep en bij het arbeidshof;
- de procureur des Konings ten aanzien van de hoofdgriffier van de rechtbank van eerste aanleg, van de hoofdgriffier van de rechtbank van koophandel, van de hoofdgriffier van de politierechtbank, van de hoofdgriffier van het vredegerecht en van de hoofdsecretaris van het parket van de procureur des Konings;
- de arbeidsauditeur ten aanzien van de hoofdgriffier van de arbeidsrechtbank en van de hoofdsecretaris van het arbeidsauditoraat;
- de hoofdgriffier ten aanzien van de griffiers-hoofden van dienst, van de griffiers en van de adjunct-griffiers, van de opstellers en van de griffiebeambten;
- de hoofdsecretaris ten aanzien van de secretarissen-hoofden van dienst, van de secretarissen, van de adjunct-secretarissen, van de vertalers, van de opstellers en van de parketbeambten;
- de federale procureur ten aanzien van de hoofdsecretaris van het federaal parket;
- de hoofdsecretaris ten aanzien van de secretaris-hoofd van dienst, van de secretarissen, van de adjunct-secretarissen, van de vertalers, van de opstellers en de beambten van het federaal parket.
§ 2. De magistraat, of ingeval van fout of nalatigheid begaan tijdens de zitting, de voorzitter van de zitting, stelt ten aanzien van de griffiers een tuchtprocedure in wegens fouten of nalatigheden begaan bij het verlenen van bijstand aan de rechter.
§ 3. De tuchtoverheid bevoegd om een tuchtprocedure in te stellen neemt kennis van de klachten van iedere belanghebbende over tekortkomingen aan de verplichtingen bedoeld in artikel 404 begaan door personen onderworpen aan haar tuchtbevoegdheid.
Om ontvankelijk te zijn moeten de klachten schriftelijk, ondertekend en gedagtekend zijn en de volledige identiteit van de klager bevatten.
De tuchtoverheid bevoegd voor het instellen van een tuchtprocedure geeft de persoon die het voorwerp uitmaakt van een klacht kennis van het bestaan van die klacht, van de identiteit van de klager en van de feiten die hem worden ten laste gelegd voor zover de klacht ontvankelijk wordt verklaard.
§ 4. Het openbaar ministerie kan een tuchtprocedure aanhangig maken bij elke tuchtoverheid bedoeld in dit artikel.
+++++
Afdeling III. <W 2002-07-07/43, art. 12, 103; ED : onbepaald ten laatste op 14-02-2005> - Overheden bevoegd voor het onderzoek.
Art. 411. <W 2002-07-07/43, art. 12, 103; Inwerkingtreding : onbepaald ten laatste op 14-02-2005> § 1. Behoudens de magistraat bedoeld in artikel 410, § 2, die de zaak overzendt aan de tuchtoverheid van de betrokken griffier, voeren de bevoegde tuchtoverheid bedoeld in artikel 410, § 1, of een persoon van minstens gelijke rang die zij in hun eigen korps aanwijzen of de korpschef van het hogere niveau, het tuchtonderzoek met betrekking tot de feiten die in aanmerking komen om te worden gestraft met een lichte straf.
§ 2. Ingeval de overheid die bevoegd is om lichte straffen op te leggen na onderzoek oordeelt dat een zware straf moet worden opgelegd, moet zij de zaak aanhangig maken bij de krachtens de taalwetgeving bevoegde kamer van de Nationale Tuchtraad.
+++++
Afdeling IV. <W 2002-07-07/43, art. 13, 103; Inwerkingtreding : onbepaald ten laatste op 14-02-2005> Overheden bevoegd om een straf op te leggen.
Art. 412. <W 2002-07-07/43, art. 13, 103; Inwerkingtreding : onbepaald ten laatste op 14-02-2005> § 1. De tuchtoverheden bedoeld in artikel 410, § 1, zijn bevoegd om een lichte straf op te leggen.
In afwijking van het bepaalde in het vorige lid, is de tuchtoverheid bevoegd om een lichte straf op te leggen :
- de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie ten aanzien van de referendarissen die de raadsheren in het Hof van Cassatie bijstaan;
- de procureur-generaal bij het hof van beroep ten aanzien van de referendarissen bij de hoven van beroep;
- de procureur des Konings ten aanzien van de referendarissen bij de rechtbanken van eerste aanleg.
§ 2. De tuchtoverheid bevoegd om een zware straf op te leggen is :
1° ten aanzien van de zittende magistraten met uitzondering van de magistraten van het Hof van Cassatie :
- de eerste kamer van het hof van beroep ten aanzien van de voorzitters van de rechtbanken van eerste aanleg en de voorzitters van de rechtbanken van koophandel, van de leden van de rechtbanken van eerste aanleg, van de rechtbanken van koophandel, daaronder begrepen de rechters in handelszaken, de toegevoegde rechters in de rechtbanken van eerste aanleg en van koophandel, de vrederechters, de toegevoegde vrederechters, de rechters in de politierechtbanken en de toegevoegde rechters bij de politierechtbanken;
- de eerste kamer van het arbeidshof ten aanzien van de voorzitters van de arbeidsrechtbanken, van de leden van de arbeidsrechtbanken, daaronder begrepen de rechters in sociale zaken en de toegevoegde rechters bij de arbeidsrechtbanken;
- de eerste kamer van het Hof van Cassatie ten aanzien van de eerste voorzitters van de hoven van beroep, en van de arbeidshoven, van de leden van de hoven van beroep en van de arbeidshoven, daaronder begrepen de raadsheren in sociale zaken.
2° de algemene vergadering van het Hof van Cassatie ten aanzien van de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie en de leden van de zittende magistratuur van dat hof.
3° ten aanzien van de leden van het openbaar ministerie :
- ten aanzien van de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie, de Koning voor de afzetting en het ontslag van ambtswege en de Minister van Justitie voor de andere zware straffen;
- ten aanzien van de eerste advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie, de advocaten-generaal bij het Hof van Cassatie, de procureurs-generaal bij de hoven van beroep en de federale procureur, de Koning voor de afzetting en het ontslag van ambtswege en de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie voor de andere zware straffen;
- ten aanzien van de federale magistraten, de Koning voor de afzetting en het ontslag van ambtswege en de federale procureur voor de andere zware straffen;
- ten aanzien van de andere magistraten van het openbaar ministerie, hierbij inbegrepen de toegevoegde substituten procureur des Konings en de toegevoegde substituten arbeidsauditeur, de Koning voor de afzetting en het ontslag van ambtswege en de procureur-generaal bij het hof van beroep voor de andere zware straffen.
4° ten aanzien van de referendarissen bij het Hof van Cassatie, de attachés van de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie, de hoofdgriffier van het Hof van Cassatie, de griffiers-hoofden van dienst, de griffiers, de adjunct-griffiers bij het Hof van Cassatie, daaronder begrepen wegens fouten begaan bij het verlenen van bijstand aan de rechter, van de hoofdsecretarissen van het parket van het Hof van Cassatie, de secretarissen-hoofden van dienst, de secretarissen en adjunct-secretarissen bij het parket van het Hof van Cassatie, de Koning voor de afzetting en het ontslag van ambtswege en de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie voor de andere zware straffen.
5° ten aanzien van de referendarissen niet begrepen in 4° en de parketjuristen, de Koning voor de afzetting en het ontslag van ambtswege en de procureur-generaal bij het hof van beroep voor de andere zware straffen.
6° ten aanzien van de griffiers, daaronder begrepen wegens fouten begaan bij het verlenen van bijstand aan de rechter en de secretarissen niet begrepen in 4°, de Koning voor de afzetting en het ontslag van ambtswege en naar gelang van het geval de procureur-generaal bij het hof van beroep of de federale procureur voor de andere zware straffen.
7° ten aanzien van de vertalers, van de opstellers en van de parket- en griffiebeambten, de minister van Justitie voor de afzetting en het ontslag van ambtswege en naar gelang van het geval, de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie of de procureur-generaal bij het hof van beroep, of de federale procureur voor de andere zware straffen.
+++++
Afdeling V. <Ingevoegd bij W 2002-07-07/43, art. 14; Inwerkingtreding : onbepaald ten laatste op 14-02-2005> - Gemeenschappelijke bepalingen.
Art. 413. <W 2002-07-07/43, art. 14, 103; Inwerkingtreding : onbepaald ten laatste op 14-02-2005> De personen die binnen of buiten een gerecht, een parket, een griffie of een parketsecretariaat een ander ambt uitoefenen dan dat waarin ze zijn benoemd, blijven ressorteren onder de tuchtoverheid van het ambt waarin ze zijn benoemd.
Art. 414. <W 2002-07-07/43, art. 14, 103; Inwerkingtreding : onbepaald ten laatste op 14-02-2005> De plaatsvervangende magistraten ressorteren in deze hoedanigheid onder dezelfde tuchtoverheden als de werkende magistraten.
+++++
Art. 414bis. (Opgeheven) <W 2002-07-07/43, art. 11, 103; Inwerkingtreding : onbepaald ten laatste op 14-02-2005>
Art. 414ter. (Opgeheven) <W 2002-07-07/43, art. 11, 103; Inwerkingtreding : onbepaald ten laatste op 14-02-2005>
+++++
Afdeling VI. <Ingevoegd bij W 2002-07-07/43, art. 15; Inwerkingtreding : onbepaald ten laatste op 14-02-2005> - Beroepsinstanties.
Art. 415. <W 2002-07-07/43, art. 15, 103; Inwerkingtreding : onbepaald ten laatste op 14-02-2005> § 1. De algemene vergadering van het Hof van Cassatie neemt kennis van het hoger beroep ingesteld tegen :
1° de lichte straffen opgelegd aan de zittende magistraten van het Hof van Cassatie met uitzondering van de eerste voorzitter van dat Hof;
2° de zware straffen opgelegd :
- aan de eerste voorzitters van de hoven van beroep;
- aan de eerste voorzitters van de arbeidshoven.
§ 2. De verenigde kamers van het Hof van Cassatie nemen kennis van het hoger beroep ingesteld tegen de zware straffen opgelegd :
- aan de leden van de hoven van beroep;
- aan de leden van de arbeidshoven, met inbegrip van de raadsheren in sociale zaken;
- aan de voorzitters van de rechtbanken van eerste aanleg;
- aan de voorzitters van de arbeidsrechtbanken;
- aan de voorzitters van de rechtbanken van koophandel;
- aan de leden van de rechtbanken van eerste aanleg met inbegrip van de toegevoegde rechters in de rechtbanken van eerste aanleg;
- aan de leden van arbeidsrechtbanken met inbegrip van de toegevoegde rechters in de arbeidsrechtbanken en de rechters in sociale zaken;
- aan de leden van de rechtbanken van koophandel met inbegrip van de toegevoegde rechters in de rechtbanken van koophandel en de rechters in handelszaken;
- aan de vrederechters en aan de toegevoegde vrederechters;
- aan de rechters in de politierechtbanken en aan de toegevoegde rechters in de politierechtbanken.
§ 3. De eerste kamer van het Hof van Cassatie neemt kennis van het hoger beroep ingesteld tegen de lichte straffen opgelegd :
- aan de eerste voorzitters van de hoven van beroep;
- aan de eerste voorzitters van de arbeidshoven;
- aan de leden van de hoven van beroep;
- aan de leden van de arbeidshoven met inbegrip van de raadsheren in sociale zaken;
- aan de voorzitters van de rechtbanken van eerste aanleg;
- aan de voorzitters van de arbeidsrechtbanken;
- aan de voorzitters van de rechtbanken van koophandel.
§ 4. De eerste kamer van het hof van beroep neemt kennis van het hoger beroep ingesteld tegen de lichte straffen opgelegd :
- aan de leden van de rechtbanken van eerste aanleg met inbegrip van de toegevoegde rechters in de rechtbanken van eerste aanleg;
- aan de leden van de rechtbanken van koophandel met inbegrip van de toegevoegde rechters in de rechtbanken van koophandel en de rechters in handelszaken;
- aan de vrederechters en aan de toegevoegde vrederechters;
- aan de rechters in de politierechtbanken en aan de toegevoegde rechters in de politierechtbanken.
§ 5. De eerste kamer van het arbeidshof neemt kennis van het hoger beroep ingesteld tegen de lichte straffen opgelegd aan de leden van de arbeidsrechtbanken met inbegrip van de toegevoegde rechters in de arbeidsrechtbanken en de rechters in sociale zaken.
§ 6. De Minister van Justitie neemt kennis van het hoger beroep ingesteld tegen :
1° de lichte straffen opgelegd :
- aan de eerste advocaat-generaal en aan de advocaten-generaal bij het Hof van Cassatie;
- aan de procureurs-generaal bij de hoven van beroep;
- aan de federale procureur;
- aan de referendarissen bij het Hof van Cassatie;
- aan de attachés van de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie;
- aan de hoofdgriffier van het Hof van Cassatie;
- aan de hoofdsecretaris van het parket-generaal bij het Hof van Cassatie.
2° de zware straffen met uitzondering van de afzetting en het ontslag van ambtswege, opgelegd :
- aan de leden van het openbaar ministerie met uitzondering van de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie;
- aan de referendarissen bij het Hof van Cassatie;
- aan de attachés van de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie;
- aan de referendarissen;
- aan de parketjuristen;
- aan de griffiers, de secretarissen en het personeel van griffies en parketsecretariaten.
§ 7. De procureur-generaal bij het Hof van Cassatie neemt kennis van het hoger beroep ingesteld tegen de lichte straffen, opgelegd :
- aan de leden van het parket-generaal bij de hoven van beroep;
- aan de leden van het auditoraat-generaal bij de arbeidshoven;
- aan de procureurs des Konings;
- aan de arbeidsauditeurs;
- aan de federale magistraten;
- aan de toegevoegde substituten procureur des Konings;
- aan de toegevoegde substituten arbeidsauditeur;
- aan de bijstandsmagistraten;
- aan de referendarissen bij de hoven van beroep;
- aan de parketjuristen bij het parket-generaal bij de hoven van beroep;
- aan de griffiers en aan het personeel van de griffies bij de hoven van beroep en de arbeidshoven;
- aan de secretarissen en aan het personeel van de secretariaten van het parket bij de hoven van beroep, de arbeidshoven en het federaal parket.
§ 8. De procureur-generaal bij het hof van beroep neemt kennis van het hoger beroep ingesteld tegen de lichte straffen, opgelegd :
- aan de leden van de parketten bij de rechtbanken van eerste aanleg;
- aan de leden van het arbeidsauditoraat; aan de referendarissen bij de rechtbanken van eerste aanleg;
- aan de parketjuristen bij het parket bij de rechtbanken van eerste aanleg;
- aan de griffiers en aan het personeel van de griffies van de rechtbanken van eerste aanleg, de arbeidsrechtbanken, de rechtbanken van koophandel, de politierechtbanken en de vredegerechten;
- aan de secretarissen en aan het personeel van de secretariaten van het parket bij de rechtbanken van eerste aanleg.
§ 9. De overheden in beroep kunnen lichtere of zwaardere straffen opleggen dan diegene die zijn uitgesproken of geen straf opleggen.
De overheid bevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep tegen lichte straffen kan geen zware straf uitspreken dan na het verkrijgen van een advies van de Nationale Tuchtraad.
§ 10. Tegen tuchtstraffen in eerste en tweede aanleg opgelegd door organen van de rechterlijke orde staat geen beroep bij de Raad van State open.
§ 11. De voorzieningen in cassatie bedoeld in de artikelen 608, 609 en 612 worden uitgesloten.
§ 12. Het openbaar ministerie beschikt over een recht op hoger beroep ten aanzien van elke tuchtstraf.
§ 13. Er kan hoger beroep worden ingesteld door de betrokkene en door het openbaar ministerie tegen de ordemaatregelen bedoeld in artikel 406. Het hoger beroep wordt gebracht voor de tuchtoverheid die ten aanzien van de betrokkene bevoegd is om kennis te nemen van het hoger beroep tegen een lichte straf.
+++++
Art. 416. (Opgeheven) <W 2002-07-07/43, art. 16, 103; Inwerkingtreding : onbepaald ten laatste op 14-02-2005>
+++++++++++
HOOFDSTUK IV. - Tuchtprocedure.
Art. 417. De tuchtvordering staat los van de strafvordering en van de burgerlijke rechtsvordering.
Art. 418. De tuchtvordering wordt door de bevoegde overheid ambtshalve ingesteld ten aanzien van de rechters; beoogt zij een waarschuwing, dan wordt zij ingesteld door de overheid die tot het uitspreken van die maatregel bevoegd is; in de andere gevallen wordt zij ingesteld door de eerste voorzitter van het bevoegde hof. Zij kan steeds worden ingesteld op vordering van het openbaar ministerie.
++++++++++++++++++++
TOEKOMSTIGE WETTEKST
--------------------
Art. 418. <W 2002-07-07/43, art. 17, 103; Inwerkingtreding : onbepaald ten laatste op 14-02-2005> De tuchtprocedure wordt ingesteld binnen zes maanden nadat de tuchtoverheid bevoegd om de tuchtprocedure in te stellen kennis heeft gekregen van de feiten.
++++++++++++++++++++
Art. 419. De tuchtprocedure voor het Hof van Cassatie, voor de hoven van beroep en voor de arbeidshoven wordt in raadkamer gevoerd. Het arrest wordt in openbare zitting uitgesproken.
++++++++++++++++++++
TOEKOMSTIGE WETTEKST
--------------------
Art. 419. <W 2002-07-07/43, art. 18, 103; Inwerkingtreding : onbepaald ten laatste op 14-02-2005> De overheid belast met het onderzoek kan aan de procureur-generaal bij het hof van beroep toegang tot het strafdossier vragen.
De overheid belast met het onderzoek kan alle nuttige daden stellen.
De betrokkene wordt gehoord tijdens het onderzoek. Hij kan zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een persoon naar zijn keuze.
De overheid belast met het onderzoek kan de persoonlijke verschijning van de betrokkene bevelen.
Het onderzoeksdossier wordt ten minste 15 dagen voor de verschijning voor het onderzoeksorgaan ter beschikking gesteld van de betrokkene en de persoon naar zijn keuze.
De eventuele klacht en de bijlagen worden gevoegd bij het onderzoeksdossier.
Elk lid van de rechterlijke orde en van het personeel van de griffies en van de parketsecretariaten moet loyaal meewerken aan de tuchtonderzoeken die niet ten laste van hem zijn of kunnen worden ingesteld. Met het oog op de vaststelling van eventuele tuchtinbreuken verleent het lid zijn medewerking aan de daden van het tuchtrechtelijk onderzoek die niet ten laste van hem zijn of kunnen worden gevoerd, en hij antwoordt nauwgezet op de gestelde vragen.
In alle gevallen waarin een zaak bij de Nationale Tuchtraad aangebracht werd, maakt hij deze aanhangig bij de overheid bevoegd om een zware straf van de eerste graad op te leggen en bezorgt deze tuchtoverheid het dossier en zijn advies aangaande de eventueel op te leggen straf.
In alle gevallen waarin bij haar een zaak aanhangig werd gemaakt, moet de overheid, bevoegd voor het opleggen van een zware straf van de eerste graad, de betrokkene horen.
Er kan geen hoger beroep worden ingesteld tegen de beslissing van een overheid bevoegd om een zware straf van de eerste graad op te leggen, om de overheid te vatten die bevoegd is om een zware straf van de tweede graad op te leggen.
Indien de overheid bevoegd voor het opleggen van een zware straf van de eerste graad van oordeel is dat een zware straf van de tweede graad moet worden opgelegd, zendt zij het dossier over aan de overheid bevoegd om een zware straf van de tweede graad op te leggen.
++++++++++++++++++++
Art. 420. Een tuchtstraf kan enkel worden opgelegd nadat de betrokkene is gehoord of behoorlijk opgeroepen en de procureur-generaal schriftelijk conclusie heeft genomen, buiten het geval waarin hij het tuchtrecht uitoefent.
++++++++++++++++++++
TOEKOMSTIGE WETTEKST
--------------------
Art. 420. <W 2002-07-07/43, art. 19, 103; Inwerkingtreding : onbepaald ten laatste op 14-02-2005> De eerste kamer van het Hof van Cassatie en de eerste kamers van de hoven van beroep en van de arbeidshoven kunnen de betrokkene alleen straffen met ontslag van ambtswege, met ontzetting uit het ambt of afzetting met een meerderheid van twee derde van de stemmen.
++++++++++++++++++++
Art. 421. Waarschuwing wordt mondeling gegeven. Wanneer er ernstige redenen voor bestaan, wordt zij schriftelijk gegeven en wordt daarvan akte opgemaakt.
++++++++++++++++++++
TOEKOMSTIGE WETTEKST
--------------------
Art. 421. <W 2002-07-07/43, art. 20, 103; Inwerkingtreding : onbepaald ten laatste op 14-02-2005> De betrokkene kan zich voor de tuchtoverheid laten bijstaan of vertegenwoordigen door een persoon naar zijn keuze.
Behalve op uitdrukkelijk andersluidend verzoek van de betrokkene vindt het verhoor plaats in openbare terechtzitting.
De tuchtoverheid kan de persoonlijke verschijning van de betrokkene bevelen.
++++++++++++++++++++
Art. 422. In tuchtzaken mag de betrokkene worden bijgestaan door een raadsman.
++++++++++++++++++++
TOEKOMSTIGE WETTEKST
--------------------
Art. 422. <W 2002-07-07/43, art. 21, 103; Inwerkingtreding : onbepaald ten laatste op 14-02-2005> Het tuchtdossier wordt ten minste 15 dagen voor de dag van de verschijning ter beschikking gesteld van de betrokkene en van de persoon naar zijn keuze. Een afschrift van het dossier kan kosteloos worden verkregen.
Het tuchtdossier omvat de eventuele klacht, het onderzoeksdossier, in voorkomend geval het advies van de Nationale Tuchtraad, een kopie van de oproepingsbrief en het bewijs van aangetekende zending.
++++++++++++++++++++
Art. 423. Behalve voor een waarschuwing, wordt de betrokkene opgeroepen bij gerechtsbrief, houdende uiteenzetting van de feiten, bevel om in persoon te verschijnen en opgave van dag en uur van verschijning.
++++++++++++++++++++
TOEKOMSTIGE WETTEKST
--------------------
Art. 423. <W 2002-07-07/43, art. 22, 103; Inwerkingtreding : onbepaald ten laatste op 14-02-2005> Een straf kan enkel worden opgelegd nadat de betrokkene is gehoord of behoorlijk opgeroepen.
De betrokkene wordt opgeroepen bij een aangetekende brief waarin de reden van de oproeping, de ten laste gelegde feiten, de plaats waar en de termijn waarbinnen het dossier kan worden geraadpleegd, alsook de plaats en datum van verschijning zijn vermeld.
++++++++++++++++++++
Art. 424. De termijn om te verschijnen bedraagt acht dagen.
Gedurende die termijn kunnen de betrokkene en zijn raadsman inzage nemen van het dossier.
++++++++++++++++++++
TOEKOMSTIGE WETTEKST
--------------------
Art. 424. <W 2002-07-07/43, art. 23, 103; Inwerkingtreding : onbepaald ten laatste op 14-02-2005> Van de met redenen omklede beslissing wordt naargelang van het geval door de griffie of het secretariaat bij ter post aangetekende brief, binnen een maand te rekenen van de uitspraak door de bevoegde tuchtoverheid kennis gegeven aan de betrokkene en in geval van een straf opgelegd door een overheid bevoegd om een zware straf op te leggen, aan de overheid die op grond van artikel 412 bevoegd is om een lichte straf op te leggen.
Wanneer de Koning de beslissing heeft genomen, geschiedt de kennisgeving door de Minister van Justitie.
De beslissing maakt melding van het recht om hoger beroep in te stellen, de beroepstermijn en de te respecteren procedure.
Wanneer de tuchtstraf het direct gevolg is van een klacht, wordt de klager in kennis gesteld van het dispositief van de beslissing.
++++++++++++++++++++
Art. 425. Wanneer de betrokkene niet verschijnt, wordt hij bij verstek gevonnist. De tuchtoverheid kan verzet tegen de verstekbeslissing ontvangen, wanneer dit wordt gedaan binnen vijftien dagen na de kennisgeving, ingeval de niet opgekomene bewijst dat hij onmogelijk kon verschijnen.
++++++++++++++++++++
TOEKOMSTIGE WETTEKST
--------------------
Art. 425. <W 2002-07-07/43, art. 24, 103; Inwerkingtreding : onbepaald ten laatste op 14-02-2005> Het hoger beroep bedoeld in artikel 415 wordt door de betrokkene ingesteld bij de overheden bevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep, binnen een maand te rekenen vanaf de kennisgeving van de beslissing.
Op straffe van nietigheid van het hoger beroep wordt in de bij ter post aangetekende brief de uiteenzetting van de grieven vermeld.
Indien betrokkene tijdens de beroepstermijn overlijdt, heeft de straf geen uitwerking.
++++++++++++++++++++
Art. 426. De hoven nemen in algemene vergadering kennis van de tuchtvervolgingen.
++++++++++++++++++++
TOEKOMSTIGE WETTEKST
--------------------
Art. 426. <W 2002-07-07/43, art. 25, 103; Inwerkingtreding : onbepaald ten laatste op 14-02-2005> Wanneer de betrokkene niet verschijnt of zich niet laat vertegenwoordigen wordt hij bij verstek gevonnist.
De termijn voor verzet tegen de beslissing bij verstek bedraagt een maand te rekenen van de kennisgeving, ingeval de niet verschijnende partij bewijst dat hij onmogelijk kon verschijnen.
Op straffe van nietigheid moeten de redenen waarom de betrokkene niet kon verschijnen of zich laten vertegenwoordigen worden uiteengezet in de ter post aangetekende brief.
Indien de persoonlijke verschijning bevolen wordt en de betrokkene, aan wie niet wordt toegestaan om zich wegens uitzonderlijke omstandigheden te laten vertegenwoordigen, niet verschijnt, wordt hij bij verstek veroordeeld.
++++++++++++++++++++
Art. 427. De procureurs-generaal geven in alle gevallen aan de minister van Justitie rekenschap van de beslissingen, in tuchtzaken genomen.
++++++++++++++++++++
TOEKOMSTIGE WETTEKST
--------------------
Art. 427. <W 2002-07-07/43, art. 26, 103; Inwerkingtreding : onbepaald ten laatste op 14-02-2005> Alle tuchtbeslissingen moeten door de tuchtoverheid die ze heeft opgelegd, worden overgezonden aan de Minister van Justitie.
De minister van Justitie richt een gegevensbank op betreffende de rechtspraak in tuchtzaken waarin met inachtneming van de anonimiteit, alle beslissingen genomen op grond van de artikelen 404 tot 407 worden gecentraliseerd.
De gegevensbank kan worden geraadpleegd door alle magistraten, door de referendarissen bij het Hof van Cassatie, door de referendarissen en door de parketjuristen bedoeld in artikel 156ter, door de attachés van de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie, door de griffiers, door de secretarissen, door de personeelsleden van de griffies en van de parketten, door de tuchtoverheden, door de Nationale tuchtraad en door de leden van de Hoge Raad voor de Justitie.
De gegevensbank kan eveneens op schriftelijk verzoek van de gevolmachtigde, die is aangewezen door de persoon die het voorwerp uitmaakt van een tuchtprocedure om hem bij te staan of te vertegenwoordigen, worden geraadpleegd, indien hij daartoe werd gemachtigd door de Minister van Justitie.
+++++
HOOFDSTUK V. <Ingevoegd bij W 2002-07-07/43, art. 27; Inwerkingtreding : onbepaald ten laatste op 14-02-2005> - Uitwissing, eerherstel en herziening.
Art. 427bis. <Ingevoegd bij W 2002-07-07/43, art. 28; Inwerkingtreding : onbepaald ten laatste op 14-02-2005> Lichte straffen worden na drie jaren automatisch uitgewist.
Uitwissing geldt voor de toekomst.
+++++
Art. 427ter. <Ingevoegd bij W 2002-07-07/43, art. 29; Inwerkingtreding : onbepaald ten laatste op 14-02-2005> Iedere persoon gestraft met een andere zware straf dan ontslag van ambtswege, ontzetting uit het ambt of afzetting kan na een proeftijd van 6 jaar te rekenen van de datum van de beslissing of het arrest een met redenen omkleed verzoek tot eerherstel richten aan de tuchtoverheid die de straf heeft uitgesproken.
De betrokkene voegt daarbij elk nuttig stuk ter staving van zijn vraag tot eerherstel.
De tuchtoverheid waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, doet uitspraak na de betrokkene gehoord of behoorlijk opgeroepen te hebben. Deze laatste kan zich laten bijstaan door een persoon naar zijn keuze.
De met redenen omklede beslissing van de bevoegde tuchtoverheid moet worden genomen binnen drie maanden te rekenen van het verzoek, na het advies van de korpsoverste, van het korps waarin de betrokkene zijn ambt uitoefent op het moment van zijn verzoek tot eerherstel, te hebben ontvangen. Het advies van de korpsoverste dient te worden gegeven binnen de maand na het verzoek van de bevoegde overheid. Bij gebrek aan advies binnen de termijn voor advies wordt het advies noch als positief noch als negatief beschouwd.
De beslissing is niet vatbaar voor hoger beroep of voorziening in Cassatie.
Een nieuw verzoek kan worden ingediend telkens als de betrokkene beschikt over nieuwe en voor zijn verzoek tot eerherstel dienende stukken.
Het eerherstel heeft enkel uitwerking voor de toekomst.
+++++
Art. 427quater. <Ingevoegd bij W 2002-07-07/43, art. 30; Inwerkingtreding : onbepaald ten laatste op 14-02-2005> Iedere persoon gestraft met een tuchtstraf kan een verzoek tot herziening richten aan de tuchtoverheid die hem heeft gestraft indien hij aantoont over een nieuw element te beschikken.
De betrokkene voegt bij zijn verzoek een volledig verslag over de redenen en de bewijzen waarover hij beschikt om de herziening van de uitgesproken beslissing of het uitgesproken arrest te verkrijgen.
De tuchtoverheid kan bij een met redenen omklede beslissing waarvan aan de betrokken kennis is gegeven binnen drie maanden te rekenen van het verzoek, beslissen dat het verzoek van de betrokkene niet ontvankelijk is bij gebrek aan redenen of bewijzen, zonder de betrokkene vooraf te hebben gehoord.
De tuchtoverheid waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, doet uitspraak na de betrokkene te hebben gehoord of behoorlijk opgeroepen. Deze laatste kan zich laten bijstaan door een persoon naar zijn keuze.
De met redenen omklede beslissing van de tuchtoverheid moet worden genomen binnen drie maanden te rekenen van het verzoek.
Een nieuw verzoek kan worden ingediend telkens als de betrokkene meent te beschikken over het bewijs dat zijn dossier herziening verantwoordt.
++++++++++++++++++++
BOEK III. - BALIE.
EERSTE TITEL. - <W 02-07-1975, art. 1> Algemene Bepalingen.
EERSTE HOOFDSTUK. - Advocaten.
Art. 428. <W 02-07-1975, art. 2> (Niemand kan de titel van advocaat voeren of het beroep van advocaat uitoefenen indien hij geen Belg of onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie is, niet in het bezit is van het diploma van doctor of licentiaat in de rechten, niet de eed heeft afgelegd bedoeld in artikel 429 en niet is ingeschreven op het tableau van de Orde of op de lijst van de stagiairs.) <W 2001-11-22/39, art. 2, 096; Inwerkingtreding : 30-12-2001>
Er kan afgeweken worden van de voorwaarde van nationaliteit in de gevallen die de Koning bepaalt op advies van de (Orde van Vlaamse balies en de Ordre des barreaux francophones et germanophone). <W 2001-07-04/41, art. 2, 090; Inwerkingtreding : onbepaald>
Behoudens de afwijkingen die de wet vaststelt, mag geen nadere bepaling aan de titel van advocaat worden toegevoegd.
Art. 428bis. <Ingevoegd bij KB 1996-05-02/43, art. 1, Inwerkingtreding : 01-08-1996> Kunnen bovendien de titel van advocaat voeren en het beroep uitoefenen, de onderdanen van een Lid-Staat van de Europese Unie die voldoen aan de hiernavolgende voorwaarden :
1° houder zijn van een diploma, getuigschrift of andere titel bedoeld in artikel 1, a, van de Europese Richtlijn van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hoger-onderwijsdiploma's waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten, en waaruit blijkt dat de houder de vereiste kwalificaties bezit om in een Lid-Staat van de Europese Unie tot het beroep van advocaat te worden toegelaten;
2° de overlegging van :
a) een bewijs van goed zedelijk gedrag;
b) en een getuigschrift waaruit blijkt dat gegadigde nooit failliet is gegaan;
c) alsmede een getuigschrift waaruit blijkt dat de gegadigde nooit handelingen heeft verricht die aanleiding kunnen geven tot opschorting of verbod van de uitoefening van het beroep van advocaat, zijnde een ernstige fout bij de uitoefening van het beroep van advocaat of een misdrijf;
d) (de lijst van de onderwerpen waarover de gegadigde is ondervraagd teneinde zijn diploma, getuigschrift of een andere in 1° bedoelde titel te behalen, evenals het bewijs van eventuele beroepservaring;) <W 2004-12-27/31, art. 11, 121; Inwerkingtreding : 10-01-2005>
3° voldaan hebben aan een bekwaamheidsproef, georganiseerd door (de Orde van Vlaamse balies respectievelijk de Ordre des barreaux francophones et germanophone, naargelang de balie waar zij om hun inschriving verzoeken), wanneer de ontvangen opleiding verband houdt met vakgebieden welke wezenlijk verschillen van die waarop het Belgische diploma van licentiaat in de rechten betrekking heeft (, tenzij de kennis die de betrokkene heeft verworven tijdens zijn beroepservaring van dien aard is dat ze deze wezenlijke verschillen geheel of gedeeltelijk ondervangen). <W 2001-07-04/41, art. 3, 090; Inwerkingtreding : onbepaald> <W 2004-12-27/31, art. 11, 121; Inwerkingtreding : 10-01-2005>
(Onverminderd artikel 428nonies zijn de gegadigden die aan de voorafgaande voorwaarden hebben voldaan, gemachtigd de eed van advocaat af te leggen. Zij worden vrijgesteld van de stageverplichtingen die door het Belgisch recht worden opgelegd en kunnen om hun inschrijving op het tableau van de Orde verzoeken op voorwaarde dat zij in een Lidstaat van de Europese Unie een stage hebben volbracht die de inschrijving aan een balie van die Staat mogelijk maakt. Zij worden eveneens van de stageverplichtingen vrijgesteld indien het recht van de Staat waar het diploma is behaald of de Staat waarvan de gegadigde onderdaan is, deze verplichtingen niet oplegt. In de andere gevallen wordt aan de gegadigden die aan genoemde voorwaarden hebben voldaan toegelaten de eed van advocaat af te leggen en om hun inschrijving op de lijst van de stagiairs te verzoeken, onverminderd artikel 428nonies. Zij zijn onderworpen aan alle stageverplichtingen, zoals die voortvloeien uit de wet, uit de reglementen van de (Orde van Vlaamse balies respectievelijk de Orde des barreaux francophones et germanophone, naargelang de balie waar zij om hun inschrijving verzoeken) en uit het huishoudelijk reglement van de balie waar zij om hun inschrijving verzoeken.) <KB 1998-03-27/46, art. 1, 059; Inwerkingtreding : 12-05-1998> <W 2001-07-04/41, art. 3, 090; Inwerkingtreding : onbepaald>
Art. 428ter. <Ingevoegd bij KB 1996-05-02/43, art. 2, Inwerkingtreding : 01-08-1996> § 1. De (Orde van Vlaamse balies respectievelijk de Ordre des barreaux francophones et germanophone, naargelang van de balie waar om inschrijving wordt verzocht, zijn de autoriteiten) bevoegd om : <W 2001-07-04/41, art. 4, 090; Inwerkingtreding : onbepaald>
1° de aanvragen te ontvangen;
2° te onderzoeken of de gegadigde beantwoordt aan de voorwaarden om tot de bekwaamheidsproef te worden toegelaten gesteld in artikel 428bis, eerste lid, 1° en 2°;
3° (op grond van de lijst bedoeld in artikel 428bis, eerste lid, 2°, d), en de lijst vermeld in artikel 428quater, § 2, te besluiten of de opleiding die de gegadigde heeft genoten of zijn beroepservaring betrekking heeft op vakgebieden die wezenlijk verschillen van die waarop het Belgische diploma van licentiaat of master in de rechten betrekking heeft;) <W 2004-12-27/31, art. 12, 121; Inwerkingtreding : 10-01-2005>
4° kennis te geven aan de gegadigde van de beslissing over de ontvankelijkheid van zijn verzoek, en wanneer het ontvankelijk is, de gegadigde in voorkomend geval ervan kennis te geven dat hij de bekwaamheidsproef moet afleggen.
§ 2. De documenten die de gegadigde aan de (Orde van Vlaamse balies of de Ordre des barreaux francophones et germanophone) toezendt moeten : <W 2001-07-04/41, art. 4, 090; Inwerkingtreding : onbepaald>
1° zijn afgegeven door de in de Lid-Staat van hun oorsprong of herkomst bevoegde autoriteiten, namelijk de openbare overheid, de onderwijsinstellingen en de met de Belgische instellingen vergelijkbare beroepsorganisaties;
2° worden overgelegd in de vorm van hetzij het origineel, hetzij een voor eensluidend verklaard afschrift uitgereikt door deze autoriteiten.
Ingeval voornoemde documenten of een aantal ervan niet worden afgegeven in de Lid-Staat van oorsprong of van herkomst, worden zij vervangen door een attest uitgaande van deze laatste Lid-Staat waaruit blijkt dat betrokkene ter vervanging van de in het vorige lid omschreven documenten een verklaring onder ede of een plechtige verklaring heeft afgelegd. Deze eed of verklaring moet zijn afgelegd ten overstaan van een bevoegde rechterlijke of administratieve instantie of, in voorkomend geval, van een notaris of een bevoegde beroepsorganisatie van de Lid-Staat van oorsprong of van herkomst.
§ 3. Het verzoek en de documenten moeten opgesteld zijn in het Nederlands, het Frans of het Duits, of vergezeld zijn van een voor eensluidend verklaarde vertaling in één van die talen.
(Lid 2 opgeheven) <KB 1998-03-27/46, art. 2, b), 059; Inwerkingtreding : 12-05-1998>
§ 4. (Bij de indiening van het verzoek kan van de gegadigde een inschrijvingsgeld worden gevraagd. Dit bedrag wordt betaald aan de (Orde van Vlaamse balies of de Ordre des barreaux francophones et germanophone). Het bedrag wordt door de Minister van Justitie vastgesteld. Het mag de gemiddelde kost van de behandeling van de verzoeken niet overschrijden.) <KB 1998-03-27/46, art. 2, c), 059; Inwerkingtreding : 12-05-1998> <W 2001-07-04/41, art. 4, 090; Inwerkingtreding : onbepaald>
§ 5. Wanneer het dossier onvolledig is, verwittigt de (Orde van Vlaamse balies of de Ordre des barreaux francophones et germanophone) de gegadigde binnen vijftien dagen na de ontvangst van de stukken en deelt hem mede welke documenten ontbreken. <W 2001-07-04/41, art. 4, 090; Inwerkingtreding : onbepaald>
Wanneer het dossier volledig is samengesteld verwittigt de (Orde van Vlaamse balies of de Ordre des barreaux francophones et germanophone) de gegadigde binnen vijftien dagen na de ontvangst van het laatste document. <W 2001-07-04/41, art. 4, 090; Inwerkingtreding : onbepaald>
Vervolgens gaat de Orde over tot het onderzoek van de documenten, waarbij zij nagaat of aan de vereisten bedoeld in artikel 428bis, eerste lid, 1° en 2° is voldaan.
Binnen vier maanden na overlegging van het volledige dossier geeft de (Orde van Vlaamse balies of de Ordre des barreaux francophones et germanophone) aan de gegadigde kennis van haar met redenen omklede beslissing. Wanneer de gegadigde de bekwaamheidsproef moet afleggen deelt de Orde hem mede welke van de vakken bedoeld (in artikel 428quater, § 2), in aanmerking komen. <KB 1998-03-27/46, art. 2, d), 059; Inwerkingtreding : 12-05-1998> <W 2001-07-04/41, art. 4, 090; Inwerkingtreding : onbepaald>
De afwezigheid van beslissing geldt als toelating tot de bekwaamheidsproef. In dit geval bepaalt de gegadigde zelf welke vakken hij aflegt en geeft daarvan mededeling aan de (Orde van Vlaamse balies of de Ordre des barreaux francophones et germanophone). (...). (...). (...). <KB 1998-03-27/46, art. 2, e), 059; Inwerkingtreding : 12-05-1998> <W 2001-07-04/41, art. 4, 090; Inwerkingtreding : onbepaald>
§ 6. (De gegadigde kan hoger beroep instellen bij de commissie van beroep tegen een beslissing van onontvankelijkheid van zijn verzoek, tegen de beslissing die hem toelaat tot een bekwaamheidsproef met vakken die niet wezenlijk verschillen van de vakgebieden van zijn opleiding, of tegen een weigering van vrijstelling van de bekwaamheidsproef.) <KB 1998-03-27/46, art. 2, f), 059; Inwerkingtreding : 12-05-1998>
Het hoger beroep wordt bij ter post aangetekende brief ingesteld en wordt aan de (Orde van Vlaamse balies of de Ordre des barreaux francophones et germanophone) toegezonden binnen dertig dagen na de mededeling van de beslissing. <W 2001-07-04/41, art. 4, 090; Inwerkingtreding : onbepaald>
§ 7. (Er zijn twee commissies van beroep), een Franstalige en een Nederlandstalige. <W 2001-07-04/41, art. 4, 090; Inwerkingtreding : onbepaald>
Iedere (commissie van beroep) bestaat uit: <W 2001-07-04/41, art. 4, 090; Inwerkingtreding : onbepaald>
1° (een raadsheer of emeritus-raadsheer in het Hof van beroep. Hij is voorzitter van de commissie); <KB 1998-03-27/46, art. 2, g), 059; Inwerkingtreding : 12-05-1998>
2° een stafhouder of voormalig stafhouder. Hij is secretaris van de commissie;
3° een hoogleraar of een hoogleraar-emeritus in het recht aan een Belgische universiteit, die geen advocaat mag zijn.
§ 8. Wordt de gegadigde toelating tot de Duitstalige bekwaamheidsproef geweigerd, dan kan hij in het Duits hoger beroep instellen.
De voorzitter kan vorderen dat alle stukken of een gedeelte ervan worden vertaald. De kosten hiervan komen voor rekening van de gegadigde.
§ 9. (De magistraten en de hoogleraren die lid van (de hoger vermelde commissies) zijn worden door de Minister van Justitie aangewezen. De stafhouders of voormalig stafhouders die lid van (de hoger vermelde commissies) zijn worden door de Minister van Justitie aangewezen op voordracht van de (Orde van Vlaamse balies respectievelijk de Ordre des barreaux francophones et germanophone).) <KB 1998-03-27/46, art. 2, h), 059; Inwerkingtreding : 12-05-1998> <W 2001-07-04/41, art. 4, 090; Inwerkingtreding : onbepaald>
Ingeval het hoger beroep in het Duits wordt ingesteld, moet de stafhouder of voormalig stafhouder afkomstig zijn van de balie van Eupen.
De leden hebben elk twee plaatsvervangers die op dezelfde wijze worden aangewezen.
§ 10. (...) <KB 1998-03-27/46, art. 2, i), 059; Inwerkingtreding : 12-05-1998>
Art. 428quater. <Ingevoegd bij KB 1996-05-02/43, art. 3, Inwerkingtreding : 01-08-1996> § 1. (De Orde van Vlaamse Balies organiseert ten behoeve van de onderdanen van de Lid-Staten van de Europese Unie de bekwaamheidsproef, ingesteld bij artikel 428bis, eerste lid, 3°, in het Nederlands.) <W 2001-07-04/41, art. 5, 090; Inwerkingtreding : onbepaald>
(De Ordre des Barreaux francophones et germanophone organiseert ten behoeve van de onderdanen van de Lid-Staten van de Europese Unie de bekwaamheidsproef, ingesteld bij artikel 428bis, eerste lid, 3°, in het Frans of in het Duits.) <W 2001-07-04/41, art. 5, 090; Inwerkingtreding : onbepaald>
De bekwaamheidsproef betreft uitsluitend de vakkennis van de gegadigde en strekt ertoe na te gaan of hij de nodige bekwaamheid bezit om in België het beroep van advocaat uit te oefenen.
(Het examen bestaat uit een schriftelijk en een mondeling gedeelte.
De gegadigde is geslaagd voor een vak wanneer hij 60 % van de punten heeft behaald.
Niet-geslaagde gegadigden kunnen de vakken waarvoor geen 60 % van de punten is behaald, ten hoogste driemaal opnieuw afleggen, en wel tijdens de volgende drie zittijden.) <KB 1998-03-27/46, art. 3, a), 059; Inwerkingtreding : 12-05-1998>
§ 2. (De bekwaamheidsproef heeft betrekking op de volgende vakken :
1° schriftelijk examengedeelte :
- burgerlijk recht, daarbij inbegrepen burgerlijke rechtsvordering;
- strafrecht, daarbij inbegrepen strafvordering;
- naar keuze van de gegadigde, een van de volgende vakken : publiekrecht, administratief recht, fiscaal recht, handelsrecht of sociaal recht.
2° mondeling examengedeelte :
plichtenleer en de vakken waarvoor de gegadigde in het schriftelijk examengedeelte niet is geslaagd.) <KB 1998-03-27/46, art. 3, b), 059; Inwerkingtreding : 12-05-1998>
§ 3. (Er worden twee examencommissies ingesteld, een Franstalige en een Nederlandstalige, die de gegadigden ondervragen en vaststellen of zij voor de bekwaamheidsproef zijn geslaagd. Elke examencommissie bestaat uit : ) <W 2001-07-04/41, art. 5, 090; Inwerkingtreding : onbepaald>
1° (een rechter of emeritus-rechter in een rechtbank van eerste aanleg. Hij is voorzitter van de examencommissie); <KB 1998-03-27/46, art. 3, c), 059; Inwerkingtreding : 12-05-1998>
2° twee advocaten ingeschreven op het tableau. De laatst ingeschreven advocaat is secretaris van de examencommissie;
3° een hoogleraar of docent in het recht aan een Belgische universiteit, die geen advocaat mag zijn.
(Lid 4 opgeheven) <KB 1998-03-27/46, art. 3, d), 059; Inwerkingtreding : 12-05-1998>
§ 4. De Duitstalige bekwaamheidsproef wordt afgenomen door de Franstalige (...) examencommissie. <W 2001-07-04/41, art. 5, 090; Inwerkingtreding : onbepaald>
In dat geval bestaat de examencommissie als volgt :
1° (een rechter of emeritus-rechter bij de rechtbank van eerste aanleg te Eupen. Hij is voorzitter van de examencommissie); <KB 1998-03-27/46, art. 3, e), 059; Inwerkingtreding : 12-05-1998>
2° twee advocaten ingeschreven op het tableau, van wie één op het tableau van de Orde van Advocaten van het rechtsgebied Eupen.
Laatstgenoemde is secretaris van de examencommissie;
3° een hoogleraar of docent in het recht aan een Belgische universiteit, die geen advocaat mag zijn.
(Lid 4 opgeheven) <KB 1998-03-27/46, art. 3, f), 059; Inwerkingtreding : 12-05-1998>
§ 5. (De magistraten en de hoogleraren of docenten die lid van (de hoger vermelde commissies) zijn worden aangewezen door de Minister van Justitie. De advocaten die lid van (de hoger vermelde commissies) zijn worden door de Minister van Justitie aangewezen op voordracht van (de Orde van Vlaamse balies respectievelijk de Ordre des barreaux francophones et germanophone naargelang van de commissie waarvoor zij dienen te worden aangewezen).) <KB 1998-03-27/46, art. 3, g), 059; Inwerkingtreding : 12-05-1998> <W 2001-07-04/41, art. 5, 090; Inwerkingtreding : onbepaald>
De leden hebben elk twee plaatsvervangers die op dezelfde wijze worden aangewezen.
Art. 428quinquies. <KB 1998-03-27/46, art. 4, 059; Inwerkingtreding : 12-05-1998> De (Orde van Vlaamse balies respectievelijk de Ordre des barreaux francophones et germanophone) stelt het personeel, het secretariaat, de lokalen, de documentatie en het materiaal ter beschikking van de commissie van beroep en de examencommissie, zoals nodig voor het vervullen van hun opdracht. <W 2001-07-04/41, art. 6, 090; Inwerkingtreding : onbepaald>
Art. 428sexies. <KB 1998-03-27/46, art. 5, 059; Inwerkingtreding : 12-05-1998> (De commissies van beroep komen) ten minste tweemaal per jaar bijeen om kennis te nemen van de hogere beroepen ingesteld op grond van de artikelen 428ter en 428septies. De voorzitter bepaalt frequentie en datum van die vergaderingen. <W 2001-07-04/41, art. 7, 090; Inwerkingtreding : onbepaald>
De commissie van beroep vergadert op de zetel van de (Orde van Vlaamse balies respectievelijk de Ordre des barreaux francophones et germanophone) of op een andere door de voorzitter bepaalde plaats. <W 2001-07-04/41, art. 7, 090; Inwerkingtreding : onbepaald>
De verzoeker wordt ten minste vijftien dagen voor de vergadering opgeroepen. Gedurende dezelfde termijn ligt het dossier te zijner beschikking op de zetel van de (Orde van Vlaamse balies respectievelijk de Ordre des barreaux francophones et germanophone). <W 2001-07-04/41, art. 7, 090; Inwerkingtreding : onbepaald>
De verzoeker kan zich laten bijstaan door een advocaat en ter staving van zijn beroep een memorie indienen alsmede alle stukken die hij nuttig acht. Ingeval het beroep betrekking heeft op vakken die in de bekwaamheidsproef moeten worden afgelegd, doet de verzoeker de documenten betreffende het te raadplegen buitenlandse recht toekomen die nodig zijn om over het bestaan van substantiële verschillen te oordelen. Wanneer de commissie van oordeel is dat de neergelegde documenten niet volstaan, nodigt zij de verzoeker uit bijkomende documenten neer te leggen bij ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs.
De wrakingsgronden bedoeld in de artikelen 828 tot 830 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing op de leden van de commissie van beroep. Leden die weten dat redenen van wraking tegen hen bestaan, moeten zich onthouden. De verzoeker die een lid van de commissie van beroep wil wraken, moet zulks doen voor de beraadslaging. De akte van wraking wordt voor het Hof van Cassatie gebracht.
De debatten voor de kamer van beroep vinden in openbare zitting plaats, tenzij de verzoeker een zitting met gesloten deuren vraagt.
De commissie van beroep kan alleen geldig beraadslagen indien alle leden of plaatsvervangers van de verhinderde leden aanwezig zijn. De commissie van beroep beraadslaagt met gesloten deuren. Beslissingen worden bij meerderheid van stemmen genomen.
De beslissing wordt met redenen omkleed en in het openbaar bekendgemaakt, tenzij de verzoeker daaraan uitdrukkelijk verzaakt. Van iedere beraadslaging van de commissie van beroep wordt een proces-verbaal opgemaakt, dat door de voorzitter en de secretaris van de commissie wordt ondertekend. In het proces-verbaal wordt opgave gedaan van de beslissing en van de redenen die daaraan ten grondslag liggen.
De voorzitter of de secretaris van de commissie van beroep stelt de gegadigde binnen vijftien dagen in kennis van de beslissing.
Binnen één maand na haar kennisgeving kan de gegadigde de beslissing van de commissie van beroep voor het Hof van Cassatie brengen in de vormen van de voorzieningen voor burgerlijke zaken. Wordt de beslissing vernietigd, dan verwijst het Hof van Cassatie de zaak naar de commissie van beroep, anders samengesteld.
Wanneer de beslissing van de commissie van beroep een beslissing van niet-ontvankelijkheid teniet doet, verklaart de (Orde van Vlaamse balies respectievelijk Ordre des barreaux francophones et germanophone) het verzoek ontvankelijk en laat zij de verzoeker toe tot de volgende bekwaamheidsproef. Bovendien deelt de Nationale Orde aan de verzoeker mee welke vakken van die bedoeld in artikel 428quater, § 2, 1°, hij moet afleggen. <W 2001-07-04/41, art. 7, 090; Inwerkingtreding : onbepaald>
Wanneer de beslissing van de commissie van beroep een beslissing om de verzoeker toe te laten tot een bekwaamheidsproef hervormt door een of meer aan betrokkene opgelegde vakken te schrappen, laat de (Orde van Vlaamse balies respectievelijk Ordre des barreaux francophones et germanophone) de verzoeker toe tot de volgende bekwaamheidsproef voor de vakken bepaald door de commissie van beroep. <W 2001-07-04/41, art. 7, 090; Inwerkingtreding : onbepaald>
Art. 428septies. <KB 1998-03-27/46, art. 6, 059; Inwerkingtreding : 12-05-1998> De examencommissie vergadert op de zetel van de (Orde van Vlaamse balies respectievelijk de Ordre des barreaux francophones et germanophone) of op een andere door de voorzitter bepaalde plaats. Hij bepaalt frequentie en datum van de vergaderingen. <W 2001-07-04/41, art. 8, 090; Inwerkingtreding : onbepaald>
De wrakingsgronden bedoeld in de artikelen 828 tot 830 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing op de leden van de examencommissie. Leden die weten dat redenen van wraking tegen hen bestaan, moeten zich onthouden. De verzoeker die een lid van de examencommissie wil wraken, moet zulks doen voor de beraadslaging. De akte van wraking wordt voor de commissie van beroep gebracht.
De examencommissie kan alleen geldig beraadslagen indien alle leden of plaatsvervangers van de verhinderde leden aanwezig zijn. De examencommissie beraadslaagt met gesloten deuren. Bij staking van stemmen is die van de voorzitter beslissend. De beraadslaging sluit het examen af.
Van iedere beraadslaging over de bekwaamheidsproef wordt een proces-verbaal opgemaakt, dat door de voorzitter en de secretaris van de examencommissie wordt ondertekend en waarin de resultaten behaald door de gegadigden zijn vermeld.
De voorzitter van de examencommissie deelt de resultaten mee aan de (voorzitter van de Orde van Vlaamse balies of de voorzitter van de Ordre des barreaux francophones et germanophone), die ze binnen een maand na afsluiting van het examen ter kennis brengt van de gegadigden. <W 2001-07-04/41, art. 8, 090; Inwerkingtreding : onbepaald>
Tegen de beslissingen van de examencommissie kan binnen een maand na de kennisgeving ervan beroep tot vernietiging worden ingesteld bij de commissie van beroep. Dit beroep mag enkel de wettelijkheid van de beslissing van de examencommissie betreffen. Wordt de beslissing vernietigd, dan verwijst de commissie van beroep de zaak naar de examencommissie, anders samengesteld, voor welke de gegadigde het examen kan afleggen.
Art. 428octies. (ingevoegd bij KB 1996-05-02/43, art. 7, Inwerkingtreding : 01-08-1996)
Het is niet toegelaten tegelijk lid te zijn van de examencommissie en van de commissie van beroep.
De advocaten die deel uitmaken van de examencommissie en de stafhouders die zitting hebben in de commissie van beroep en tevens lid zijn van de raad van de Orde van Advocaten, welke beslist over de inschrijving van de gegadigde op het tableau of op de lijst van deze Orde, of van de raad van beroep, die het hoger beroep tegen de beslissing van de raad van de Orde behandelt, moeten zich onthouden wanneer deze raden hun bevoegdheid uitoefenen.
Art. 428nonies. <Ingevoegd bij KB 1996-05-02/43, art. 8, Inwerkingtreding : 01-08-1996> Ten aanzien van de gegadigden aan wie de (Orde van Vlaamse balies respectievelijk de Ordre des barreaux francophones et germanophone) ter kennis heeft gegeven dat zij van de bekwaamheidsproef zijn vrijgesteld of dat zij voor die proef zijn geslaagd, is artikel 432 van toepassing. <W 2001-07-04/41, art. 9, 090; Inwerkingtreding : onbepaald>
Art. 428decies. <KB 1998-03-27/46, art. 7, 059; Inwerkingtreding : 12-05-1998> De kennisgevingen en mededelingen bedoeld in de artikelen 428bis tot 428nonies worden aan de gegadigden op het door hen opgegeven adres toegezonden bij ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs.
Art. 429. De aanneming (van de eedaflegging van de advocaat) heeft plaats in openbare zitting van het hof van beroep, op de voordracht van een advocaat die sedert ten minste tien jaar op het tableau van een balie van het rechtsgebied is ingeschreven, in tegenwoordigheid van de stafhouder der Orde van advocaten in de zetel van het hof van beroep en op vordering van het openbaar ministerie. <W 2001-11-22/39, art. 3, 096; Inwerkingtreding : 30-12-2001>
De recipïendus legt de eed af in de volgende bewoordingen:
"Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgische volk, dat ik niet zal afwijken van de eerbied aan het gerecht en de openbare overheid verschuldigd, en geen zaak zal aanraden of verdedigen die ik naar eer en geweten niet geloof rechtvaardig te zijn."
De griffier maakt van dat alles proces-verbaal op en bevestigt op de keerzijde van het diploma dat de formaliteiten vervuld zijn.
Art. 430. <W 2001-11-22/39, art. 4, 096; Inwerkingtreding : 30-12-2001> 1. In de hoofdplaats van ieder gerechtelijk arrondissement wordt uiterlijk op 1 december van elk jaar een tableau opgemaakt van de Orde van advocaten, een lijst van de advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie en een lijst van stagiairs, die hun kantoor in het arrondissement hebben.
Het tableau en de lijsten worden aangeplakt of bekendgemaakt door toedoen van de stafhouder, die ervoor zorgt dat zij worden bijgewerkt.
2. Evenwel zijn er in het gerechtelijk arrondissement Brussel twee Orden : de Franse Orde van advocaten bij de balie te Brussel en de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel.
De Franse Orde van advocaten bij de balie te Brussel bestaat uit de advocaten die hun kantoor hebben in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad en die zijn ingeschreven op het tableau, op de lijst van de advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie of op de lijst van de stagiairs.
De Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel bestaat uit de advocaten die hun kantoor hebben in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad en in het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde en die zijn ingeschreven op het tableau, op de lijst van de advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie of op de lijst van de stagiairs.
De Franse Orde van advocaten bij de balie te Brussel maakt de lijst op van de advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie, alsook de lijst van de stagiairs die hun kantoor gevestigd hebben in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad.
De Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel maakt de lijst op van de advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie, alsook de lijst van de stagiairs die hun kantoor gevestigd hebben in de administratieve arrondissementen Brussel-Hoofdstad en Halle-Vilvoorde.
3. In het gerechtelijk arrondissement Brussel worden de adviezen bedoeld in de artikelen 66, 88, § 1, en 195 gegeven door de stafhouder van elk van de twee ordes van advocaten.
Art. 431. <W 2001-07-04/41, art. 11, 089; Inwerkingtreding : 25-07-2001> De Orde van Advocaten bestaat uit de advocaten die op het tableau (, op de lijst van de advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie) of op de lijst van de stagiairs zijn ingeschreven. Zij bezit rechtspersoonlijkheid. <W 2001-11-22/39, art. 5, 096; Inwerkingtreding : 30-12-2001>
Art. 432. <W 1992-11-19/34, art. 1, 026; Inwerkingtreding : 1992-12-28> (Over de inschrijving op het tableau, op de lijst van de advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie en voor de stage beslist de raad van de Orde, die meester is over het tableau, over voornoemde lijst en over de lijst van de stagiairs.) <W 2001-11-22/39, art. 6, 096; Inwerkingtreding : 30-12-2001>
Art. 433. <W 04-05-1984, art. 2> (De advocaten die ingeschreven zijn geweest op het tableau van de Orde en die, overeenkomstig artikel 432, hun wederinschrijving verkrijgen op dat tableau of hun inschrijving op het tableau van een andere balie, kunnen er ingeschreven worden met de rang van hun eerste inschrijving.) <W 1992-11-19/34, art. 2, 026; Inwerkingtreding : 1992-12-28>
Hetzelfde geldt voor de advocaten van de balie te Brussel, ook voor hen die, vóór de oprichting van twee afzonderlijke Orden in het gerechtelijk arrondissement Brussel, reeds ingeschreven waren op het tableau van de Orde van advocaten te Brussel.
Art. 434. <W 2001-11-22/39, art. 7, 096; Inwerkingtreding : 30-12-2001> Om op het tableau van de Orde te worden ingeschreven moeten, onder voorbehoud van de toepassing van artikel 428bis, tweede lid, drie jaar stage worden verricht of voor personen ingeschreven op de lijst van de advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie, moet voldaan zijn aan de voorwaarden gesteld in artikel 477nonies.
Art. 435. De stageverplichtingen worden vastgesteld door de raad van de Orde, onverminderd de macht verleend aan de algemene raad krachtens artikel 494.
Behoudens vrijstelling verleend door de overheid van de Orde, mag de stage niet worden onderbroken of geschorst.
Art. 436. De raad van de Orde kan doctors in de rechten die ten minste tien jaar op het tableau van de Orde ingeschreven zijn geweest en het beroep van advocaat niet meer uitoefenen, machtigen om de titel van ere-advocaat te voeren.
In uitzonderlijke omstandigheden kan hij de voorgeschreven termijn inkorten.
Alleen de raad van de Orde in wiens gebied de betrokkene het laatst het beroep van advocaat heeft uitgeoefend, kan deze machtiging verlenen onder de voorwaarden in zijn reglement bepaald.
De lijst van de ere-advocaten wordt achteraan op het tableau van de Orde geplaatst.
Bij niet-nakoming van de regels van rechtschapenheid en kiesheid, of bij niet-voldoening aan de voorwaarden voor toekenning van de titel, kan de raad van de Orde die machtiging tot het voeren van de titel van ere-advocaat heeft verleend, ze te allen tijde intrekken, de betrokkene opgeroepen of gehoord; deze kan zich doen bijstaan door een raadsman. Tegen de beslissing staat geen verzet open.
Art. 437. Het beroep van advocaat is onverenigbaar:
1° met het beroep van werkend magistraat, van griffier en van staatsambtenaar;
2° met de ambten van notaris en van gerechtsdeurwaarder;
3° met het drijven van handel of nijverheid;
4° met alle bezoldigde betrekkingen of werkzaamheden, openbare of particuliere, tenzij ze noch de onafhankelijkheid van de advocaat, noch de waardigheid van de balie in gevaar brengen.
Indien er een reden van onverenigbaarheid bestaat, wordt de weglating van het tableau (, van de lijst van de advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie) of van de lijst van stagiairs uitgesproken door de raad van de Orde, hetzij op het verzoek van de betrokken advocaat, hetzij ambtshalve, en in dit laatste geval volgens de rechtspleging in tuchtzaken. <W 2001-11-22/39, art. 8, 096; Inwerkingtreding : 30-12-2001>
Art. 438. Advocaten die lid zijn van een der Wetgevende Kamers, mogen niet worden aangesteld als vast advocaat van openbare besturen, noch in enige zaak in geschil pleiten of optreden in het belang van de Staat of van een van de instellingen bedoeld in artikel 1, littera A en B, van de wet van 16 maart 1954 betreffende het toezicht op sommige instellingen van openbaar nut, noch hun in zodanige zaak van advies of van raad dienen, behalve onbezoldigd.
Hetzelfde verbod geldt voor de provincieraadsleden en de gemeenteraadsleden met betrekking tot zaken ingeleid voor de provincie of voor of tegen de gemeente waar zij verkozen zijn.
HOOFDSTUK II. - Rechten en plichten van de advocaten.
Art. 439. Advocaten, ingeschreven op het tableau van de Orde (, op de lijst van de advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie) of op de lijst van stagiairs, mogen pleiten voor alle gerechten van het Rijk, onverminderd de bijzondere bepalingen betreffende het Hof van Cassatie (...). <W 1999-05-25/44, art. 30, 074; Inwerkingtreding : 02-07-1999>
Art. 440. Vóór alle gerechten, behoudens de uitzonderingen bij de wet bepaald, hebben alleen de advocaten het recht te pleiten.
De advocaat verschijnt als gevolmachtigde van de partij zonder dat hij van enige volmacht moet doen blijken, behalve indien de wet een bijzondere lastgeving eist.
Art. 441. In hun ambtsverrichtingen dragen de advocaten de kledij die de Koning voorschrijft.
Art. 442. In de gevallen bij de wet bepaald, worden zij geroepen om rechters en ambtenaren van het openbaar ministerie te vervangen; zij mogen niet weigeren zonder reden van verschoning of van verhindering.
Art. 443. De raad van de Orde kan de op het tableau ingeschreven advocaten, (de advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie) de advocaten-stagiairs en de ereadvocaten verplichten tot het betalen van de bijdragen die hij bepaalt. <W 2001-11-22/39, art. 10, 096; Inwerkingtreding : 30-12-2001>
Hij waakt voor het nakomen van de wetten en verordeningen betreffende de betaling van de bijdragen aan de voorzorgsinstellingen van de balie.
Art. 444. De advocaten oefenen vrij hun ambt uit ter verdediging van het recht en van de waarheid.
Zij moeten er zich van onthouden enig ernstig feit tegen de eer en de faam van personen aan te voeren, tenzij dit voor de zaak volstrekt noodzakelijk is, onder het voorbehoud van tuchtrechtelijke vervolgingen en toepassing van artikel 445 indien daartoe grond bestaat.
Art. 445. Indien een advocaat in zijn pleidooien of in zijn geschriften kwaadwillig de Monarchie, de Grondwet, de wetten van het Belgische volk of het gevestigd gezag aanvalt, kan de rechtbank of het hof waarvoor de zaak aanhangig is, door de griffier proces-verbaal doen opmaken en het incident brengen voor de raad van de Orde waaronder de betrokkene ressorteert.
Art. 446. De ambtshalve aangewezen advocaat mag zijn ambtelijke tussenkomst niet weigeren, zonder zijn redenen van verschoning of van verhindering te doen goedkeuren door de overheid die hem heeft aangewezen.
Indien een partij niet de bijstand van een advocaat verkrijgt in burgerlijke zaken, stelt het hoofd van de Orde ambtshalve een advocaat aan, indien daartoe grond bestaat.
Art. 446bis. <Ingevoegd bij W 1998-11-23/34, art. 2; Inwerkingtreding : 01-09-1999> De advocaten verlenen de juridische eerstelijnsbijstand op de in artikel 508/5 bedoelde zitdagen.
Zij verlenen de in artikel 508/7 bedoelde juridische tweedelijnsbijstand.
Onder de in artikel 508/19 bedoelde voorwaarden, kent het Rijk vergoedingen toe aan de advocaten voor hun prestaties inzake juridische bijstand.
HOOFDSTUK III. _ Stafhouder en Raad van de Orde.
Art. 447. De stafhouder is het hoofd van de Orde.
Hij roept de algemene vergadering van de advocaten en de raad van de Orde bijeen en zit deze voor.
Bij overlijden of verhindering van de stafhouder wordt hij voorlopig vervangen zoals bepaald is in het reglement van de raad van de Orde; anders door de oudstbenoemde stafhouder die lid is van de raad of bij gebreke daarvan door het oudste aanwezige lid van de raad.
Art. 448. (Voor elke balie wordt een Raad van de Orde gevormd. Evenwel voor de Balie te Brussel hebben de beide bij artikel 430, 2°, bedoelde orden ieder hun eigen Raad.) <W 04-05-1984, art. 3>
Is de raad van de Orde bij de heropening van de hoven en de rechtbanken niet wettelijk gevormd of vernieuwd, dan worden zijn werkzaamheden voorlopig verricht door de aftredende raad van de Orde.
Art. 449. De raad van de Orde bestaat uit de stafhouder en :
(uit zestien leden, indien vijfhonderd of meer advocaten ingeschreven zijn op het tableau, op de lijst van de advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie en op de lijst van de stagiairs;) <W 2001-11-22/39, art. 11, 096; Inwerkingtreding : 30-12-2001>
uit veertien leden, indien dit aantal honderd of meer bedraagt;
uit acht leden, indien dit aantal vijftig of meer bedraagt;
uit zes leden, indien het dertig of meer bedraagt;
uit vier leden, indien het vijftien of meer bedraagt;
uit twee leden, indien het minder is dan vijftien.
Art. 450. (De raadsleden worden rechtstreeks gekozen door de vergadering van de Orde, waarvoor alle op het tableau ingeschreven advocaten (, alle advocaten ingeschreven op de lijst van de advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie) en alle (...) op de lijst van de stagiairs ingeschreven advocaten, worden opgeroepen.) <W 1985-02-07/33,art.2,1°, 003> <W 2001-07-04/41, art. 12, 089; Inwerkingtreding : 25-07-2001> <W 2001-11-22/39, art. 12, 096; Inwerkingtreding : 30-12-2001>
(De stafhouder en de leden van de raad van de Orde worden gekozen uit de leden van de balie ingeschreven op het tableau of op de lijst van de advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie.) <W 2001-11-22/39, art. 12, 096; Inwerkingtreding : 30-12-2001>
De stafhouder en de raadsleden worden gekozen bij gelijktijdige, maar afzonderlijke lijststemming, de stafhouder bij volstrekte meerderheid van stemmen en de raadsleden bij betrekkelijke meerderheid, op dag en uur bepaald door de raad van de Orde en met inachtneming van de regels die deze vaststelt.
Nadat de stemming gesloten is verklaard, wordt de uitslag ervan in de algemene vergadering door haar voorzitter afgekondigd.
Is een lid van de balie tegelijk tot stafhouder en tot lid van de raad der Orde gekozen, dan wordt deze laatste verkiezing als onbestaande beschouwd en de advocaat die na hem de meeste stemmen heeft behaald, wordt in zijn plaats verkozen verklaard.
De uitslag van de raadsverkiezing wordt afgekondigd na de verkiezing van de stafhouder.
Indien bij de stemming voor de verkiezing van de stafhouder geen volstrekte meerderheid wordt bereikt, heeft dadelijk of in een latere vergadering een herstemming plaats over de twee kandidaten op wie het grootste aantal stemmen is uitgebracht.
Indien de kandidaten bij de herstemming een gelijk aantal stemmen behalen, is de op het tableau oudstingeschreven kandidaat gekozen.
Indien bij de verkiezingen voor de raad van de Orde de stemmen staken voor het laatste te begeven mandaat, is de oudste naar rangorde op het tableau gekozen.
Van de verrichtingen wordt proces-verbaal opgemaakt.
(Kan een lid van de Raad van de Orde zijn mandaat niet voleindigen dan wordt het vervangen door een advocaat die na de verkozen leden de meeste stemmen heeft behaald bij de jongste verkiezing.) <W 24-05-1978, art. 1>
Art. 451. (....) De raad van de Orde kan bepalen op welke wijze en onder welke voorwaarden de kandidaten voor het stafhouderschap en voor de raad worden voorgedragen. <W 04-05-1984, art. 4, 1>
Hij kan beslissen dat een van de plaatsen in de raad wordt toegekend volgens de regels die inzake voordracht en stemming voor de aanwijzing van de stafhouder zijn voorgeschreven.
De stemmen die worden uitgebracht voor die plaats, mogen niet aangerekend worden voor de verkiezing in een andere plaats in de raad van de Orde.
§ 2. (.....) <W 04-05-1984, art. 4, 2>
Art. 452. De secretaris van de raad vervult ook het ambt van secretaris van de Orde.
Art. 453. De raad van de Orde kan alleen dan beraadslagen en besluiten wanneer de meerderheid van zijn leden aanwezig is.
Art. 454. De raden van de Orde worden vóór het einde van ieder gerechtelijk jaar vernieuwd, om hun ambt te vervullen dadelijk na het begin van het nieuw gerechtelijk jaar.
De lijst van de leden waaruit de raad van de Orde bestaat, wordt binnen acht dagen na de verkiezing gezonden aan de procureur-generaal bij het hof van beroep van het rechtsgebied.
Art. 455. (Opgeheven) <W 1998-11-23/34, art. 3, 065; Inwerkingtreding : 31-12-1999>
Art. 455bis. (Opgeheven) <W 1998-11-23/34, art. 3, 065; Inwerkingtreding : 31-12-1999>
HOOFDSTUK IV. - Tucht.
Art. 456. De raad van de Orde heeft opdracht om :
de eer van de Orde van advocaten op te houden;
de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid die aan hun beroep ten grondslag liggen, te handhaven;
de inbreuken daarop en de tekortkomingen tuchtrechtelijk te beteugelen of te straffen, onverminderd het optreden van de rechtbanken, indien daartoe grond bestaat.
Hij waakt voor het nakomen van alle verplichtingen van de stage, waarvan hij de duur eventueel kan verlengen, onverminderd het recht om de opneming in het tableau te weigeren.
Hij richt conferenties in, die de jonge advocaten-stagiairs moeten bijwonen ten einde zich vertrouwd te maken met de regels van het beroep en zich in het pleiten te oefenen.
Ieder stagiair die uiterlijk vijf jaar na zijn toelating niet doet blijken dat hij alle door zijn balie gestelde verplichtingen heeft nagekomen, kan uit de lijst worden weggelaten.
Art. 457. De raad van de Orde neemt, door toedoen van de stafhouder, kennis van de tuchtzaken, hetzij ambtshalve, hetzij op klacht, hetzij op schriftelijke aangifte door de procureur-generaal.
Art. 458. Aan de advocaten die bij de uitoefening van hun werkzaamheid in een ander arrondissement dan dat waar zij ingeschreven zijn, de tuchtregels niet in acht nemen, kan verbod worden opgelegd de partijen bij te staan en te pleiten vóór de gerechten waarvan de zetel aldaar gevestigd is.
Dit verbod, dat niet langer dan drie jaar mag duren, wordt uitgesproken, de betrokken advocaat vooraf opgeroepen voor de raad van de Orde van het arrondissement waar de overtreding is begaan.
Tegen de beslissing staat verzet en hoger beroep open.
Een afschrift van de beslissing wordt gezonden aan de stafhouder van de Orde waaronder de betrokkene ressorteert, onverminderd de tuchtmaatregelen die de overheid van die balie kan nemen.
Art. 459. De advocaten begroten hun ereloon met de bescheidenheid die van hun ambt moet worden verwacht. Een beding daaromtrent, dat verbonden is aan de uitslag van het geschil, is verboden.
(Ingeval de begroting niet met een billijke gematigdheid is vastgesteld, wordt zij door de raad van de Orde verminderd, met inachtneming onder meer van de belangrijkheid van de zaak en de aard van het werk, onder voorbehoud van de teruggave die hij beveelt en van de tuchtstraffen die hij oplegt, indien daartoe grond bestaat, dit alles onverminderd het recht van de partij om zich tot het gerecht te wenden indien de zaak niet aan een scheidsgerecht is onderworpen.) <W 1992-11-19/34, art. 3, 1°, 026; Inwerkingtreding : 1992-12-28>
(Wordt de zaak voor de rechtbank gebracht, dan wordt zij in openbare zitting behandeld, tenzij de partijen eenstemmig vragen dat zij in raadkamer wordt behandeld.
De rechtbank mag daarenboven, op verzoek van de meest gerede partij, bij een met redenen omklede beslissing, gelasten dat de zaak in raadkamer wordt behandeld gedurende de gehele rechtspleging of een gedeelte ervan, in het belang van de goede zeden of van de openbare orde, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé-leven van partijen bij het proces dit vereisen of, in de mate als door de rechtbank onder bepaalde omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer openbaarheid de belangen van de rechtsbedeling zou schaden.) <W 1992-11-19/34, art. 3, 2°, 026; Inwerkingtreding : 1992-12-28>
Art. 460. De raad van de Orde kan naar gelang van het geval waarschuwen, censureren, berispen, schorsen voor een termijn van ten hoogste één jaar, van het tableau (, van de lijst van advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie) of van de lijst van stagiairs schrappen. <W 2001-11-22/39, art. 13, 096; Inwerkingtreding : 30-12-2001>
De schorsing of de schrapping wordt naast de naam van de betrokkene vermeld in een op het secretariaat van de balie gehouden register, waarvan de advocaten inzage kunnen nemen. De raad van de Orde kan bij de berisping of de schorsing bovendien verbod opleggen om gedurende ten hoogste drie jaar in geval van berisping, en gedurende ten hoogste vijf jaar in geval van schorsing deel te nemen aan de in artikel 450 bedoelde stemming, alsmede de onmogelijkheid gedurende dezelfde tijd verkozen te worden tot stafhouder of tot lid van de raad van de Orde.
De raad van de Orde besluit, indien hij het dienstig acht, zijn beslissingen geheel of gedeeltelijk aan te plakken of ze bekend te maken, zonder dat de naam van de betrokken advocaat daarin mag worden vermeld.
Art. 461. De raad van de Orde is bevoegd om uitspraak te doen over tuchtrechtelijke vervolgingen die ingesteld zijn wegens feiten gepleegd vóór de beslissing waarbij de verdachte uit het tableau van de Orde (, van de lijst van advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie) of de lijst van stagiairs is weggelaten, indien het onderzoek uiterlijk drie maanden na die beslissing is geopend. <W 2001-11-22/39, art. 14, 096; Inwerkingtreding : 30-12-2001>
Art. 462. Ieder advocaat die voor de tweede maal geschorst wordt, kan krachtens dezelfde beslissing van het tableau (, van de lijst van advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie of van de lijst van stagiairs) worden geschrapt. <W 2001-11-22/39, art. 15, 096; Inwerkingtreding : 30-12-2001>
Art. 463. De geschorste advocaat moet zich tijdens de duur van zijn straf van iedere beroepswerkzaamheid onthouden.
Art. 464. Wanneer het wegens de aan een advocaat ten laste gelegde feiten te vrezen is dat zijn latere beroepswerkzaamheid nadeel kan toebrengen aan derden of de eer van de Orde kan schaden, kan de stafhouder de bewarende maatregelen nemen die de voorzichtigheid eist en zelfs aan de advocaat verbieden het gerechtsgebouw te betreden gedurende ten hoogste drie maanden. Deze termijn kan worden verlengd bij een met redenen omklede beslissing van de raad van de Orde. Deze is bij voorraad uitvoerbaar, niettegenstaande het hoger beroep waarvoor zij vatbaar is.
Art. 465. De advocaat wordt binnen vijftien dagen gedagvaard bij een ter post aangetekende brief met bericht van ontvangst.
Op zijn verzoek wordt hem bovendien een termijn toegestaan om zijn verdediging voor te bereiden.
(De raad van de Orde, zitting houdend in tuchtzaken of zoals in tuchtzaken, behandelt de zaak in openbare zitting, tenzij de verdachte advocaat of de persoon die om zijn inschrijving of wederinschrijving verzoekt, de behandeling met gesloten deuren vraagt.
De raad van de Orde mag eveneens met gesloten deuren zitting houdende gedurende de gehele rechtpleging of een gedeelte ervan, in het belang van de goede zeden of van de openbare orde, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé-leven van de verdachte advocaat of van de persoon die om zijn inschrijving of wederinschrijving verzoekt, dit vereisen of, in de mate als door de raad van de Orde onder bepaalde omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer openbaarheid de belangen van de rechtsbedeling zou schaden.) <W 1992-11-19/34, art. 4, 026; Inwerkingtreding : 1992-12-28>
Art. 466. Binnen acht dagen na de uitspraak geeft de secretaris van de Orde van iedere beslissing in tuchtzaken kennis aan de procureur-generaal en aan de advocaat bij een ter post aangetekende brief.
Art. 467. Is de beslissing bij verstek gewezen, dan kan de verdachte advocaat verzet doen binnen vijftien dagen, te rekenen van de dag waarop hem daarvan is kennis gegeven.
Laattijdig verzet wordt niet-ontvankelijk verklaard tenzij de raad de verzetdoende advocaat van het verval ontheft. Hierover oordeelt hij in hoogste feitelijke aanleg en zonder dat hiertegen enig rechtsmiddel openstaat.
Het verzet wordt bij een ter post aangetekende brief aan de secretaris van de Orde gezonden.
Degene die verzet heeft gedaan, wordt door de raad opgeroepen in de vorm en binnen de termijnen van de oorspronkelijke oproeping. De raad doet uitspraak, zelfs in diens afwezigheid. De beslissing geldt in ieder geval als op tegenspraak gewezen.
Art. 468. Tegen alle beslissingen in tuchtzaken, (die met redenen moeten worden omkleed,) gewezen door de raad van de Orde en houdende veroordeling of vrijspraak, kan de betrokken advocaat of de procureur-generaal hoger beroep instellen. <W 2001-11-22/39, art. 16, 096; Inwerkingtreding : 30-12-2001>
Art. 469. Van het hoger beroep wordt aan de secretaris van de raad van de Orde bij ter post aangetekende brief kennis gegeven binnen vijftien dagen, te rekenen van de dag waarop de kennisgeving van de beslissing is opgestuurd.
Nadat de secretaris kennis heeft gekregen van het hoger beroep, doet hij daarvan bij ter post aangetekende brief aangifte, naar gelang van het geval, aan de procureur-generaal of aan de verdachte advocaat. Vervolgens stuurt hij het dossier aan de secretaris van de raad van beroep.
Zowel de procureur-generaal als de advocaat kunnen tegenberoep instellen.
Art. 469bis. <ingevoegd bij W 1992-11-19/34, art. 5, 026; Inwerkingtreding : 1992-12-28>
Hij die om inschrijving verzoekt kan eveneens hoger beroep instellen tegen de beslissingen die de raad van de Orde op grond van de artikelen 432 en 433 of van artikel 471 heeft genomen.
Van het hoger beroep wordt aan de secretaris van de raad van de Orde bij ter post aangetekende brief kennis gegeven binnen vijftien dagen, te rekenen van de dag waarop aan de betrokkene kennis is gegeven van de beslissing.
De secretaris stuurt het dossier aan de secretaris van de raad van beroep."
Art. 470. De procureur-generaal zorgt voor de tenuitvoerlegging van de beslissingen tot schorsing en tot schrapping.
Art. 471. Een geschrapt advocaat kan op een tableau van de Orde of (op een lijst van advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie of) op een lijst van stagiairs niet worden ingeschreven dan na het verstrijken van een termijn van tien jaar nadat de beslissing tot schrapping in kracht van gewijsde is gegaan en indien buitengewone omstandigheden het wettigen. <W 2001-11-22/39, art. 17, 096; Inwerkingtreding : 30-12-2001>
(De inschrijving is niet geoorloofd dan na met redenen omkleed advies van de raad van de Orde van de balie waartoe de advocaat behoorde.
De weigering van inschrijving moet met redenen worden omkleed.) <W 1992-11-19/34, art. 6, 026; Inwerkingtreding : 1992-12-28>
HOOFDSTUK V. _ Tuchtraden van beroep.
Art. 472. In de zetel van ieder hof van beroep wordt een tuchtraad van beroep gevormd.
Art. 473. De tuchtraad van beroep wordt voorgezeten door de eerste voorzitter van het hof van beroep.
Hij bestaat uit een of meer kamers.
Iedere kamer houdt zitting met een voorzitter, vier assessoren en een secretaris. Het voorzitterschap wordt waargenomen door de eerste voorzitter van het hof van beroep of door de kamervoorzitter die de eerste voorzitter aanwijst.
De procureur-generaal of het lid van zijn parket dat hij aanwijst, oefent het openbaar ministerie uit.
Bij het begin van ieder jaar maken de stafhouders van het rechtsgebied van het hof van beroep samen onder het voorzitterschap van de eerste voorzitter van het hof een of twee lijsten op naargelang het rechtsgebied eentalig of tweetalig is, van de advocaten die kunnen geroepen worden om als assessor zitting te nemen. De rang van de op die lijsten ingeschreven advocaten wordt bepaald met inachtneming van een billijk evenwicht tussen de balies van het rechtsgebied, rekening gehouden met het aantal van hun leden.
De assessoren worden, buiten beletsel, geroepen om zitting te nemen in de orde van voorrang op lijsten bedoeld in het 5e lid. Twee assessoren van de balie van de verdachte advocaat maken deel uit van het college.
De leden van de raad van de Orde, die de beslissing heeft gewezen waartegen hoger beroep is ingesteld, mogen van de zaak geen kennis nemen in hoger beroep.
Art. 474. De rechtspleging voor de tuchtraad van beroep wordt gevoerd in de taal van de beslissing waartegen hoger beroep. Alle leden van het college moeten de taal van de rechtspleging kennen. De eerste voorzitter stelt met inachtneming van deze regel het college samen, zoals is bepaald in artikel 473.
Art. 475. De vergadering van de stafhouders van de balies van het rechtsgebied van het hof van beroep, voorgezeten door de eerste voorzitter van het hof, benoemt, voor een duur van twee jaar, in de tuchtraad van beroep een of twee secretarissen naargelang het rechtsgebied eentalig of tweetalig is, en plaatsvervangende secretarissen die leden of oudleden zijn van een raad van de orde. Die mandaten zijn hernieuwbaar.
Het secretariaat is gevestigd in het gerechtsgebouw van het hof van beroep van het rechtsgebied.
Art. 476. <W 1992-11-19/34, art. 7, 026; Inwerkingtreding : 1992-12-28> De debatten voor de tuchtraad van beroep worden gehouden zoals voorgeschreven door artikel 465, derde en vierde lid.
Art. 477. Van de beslissingen van de tuchtraad van beroep geeft de secretaris kennis aan de advocaat bij een ter post aangetekende brief.
De advocaat komt tegen de beslissingen, door de tuchtraad van beroep bij verstek gewezen, in verzet in dezelfde vorm en binnen dezelfde termijnen als voor de akte van beroep. Het verzet wordt behandeld en berecht met inachtneming van de regels die in eerste aanleg zijn toegepast.
De advocaat of de procureur-generaal kunnen binnen de termijn van een maand de beslissing van de tuchtraad van beroep aan het Hof van Cassatie voorleggen in de vormen van de voorzieningen in burgerlijke zaken.
Tenzij de beslissing anders luidt, heeft de voorziening schorsende kracht.
Wordt de beslissing vernietigd, dan verwijst het Hof van Cassatie de zaak naar de tuchtraad van beroep, anders samengesteld.
TITEL 1bis. <W 2001-11-22/39, art. 18, 096; Inwerkingtreding : 30-12-2001> - Uitoefening in België van het beroep van advocaat door advocaten die onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie.
HOOFDSTUK I. <Ingevoegd bij W 2001-11-22/39, art. 18; Inwerkingtreding : 30-12-2001> - Vrij verrichten van diensten.
Art. 477bis. <W 2001-11-22/39, art. 18, 096; Inwerkingtreding : 30-12-2001> § 1. Personen die onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie en aldaar overeenkomstig richtlijn 77/249/EEG van de Raad van 22 maart 1977 tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening door advocaten van het vrij verrichten van diensten gerechtigd zijn een titel te voeren welke overeenstemt met die van advocaat, kunnen in België van die titel gebruik maken.
De persoon bedoeld in het eerste lid is diegene die, in de lidstaat van herkomst gerechtigd is door de bevoegde overheid van deze lidstaat er zijn beroep uit te oefenen onder de titel die overeenstemt met die van advocaat, na een opleiding te hebben genoten of alle formaliteiten met een gelijkwaardig effect te hebben vervuld die door de wetgeving van deze lidstaat kunnen worden opgelegd.
§ 2. De in de eerste paragraaf bedoelde personen moeten bij het verrichten van een dienst in België gebruik maken van hun titel uitgedrukt in de taal of in een van de talen van de lidstaat waar zij gevestigd zijn, alsook melding maken van de beroepsorganisatie waarvan zij afhangen of van het gerecht waarbij zij volgens de wettelijke regeling van die Staat zijn toegelaten.
Bij die dienstverlening kan hen worden gevraagd van hun hoedanigheid van advocaat te doen blijken.
Art. 477ter. <W 2001-11-22/39, art. 18, 096; Inwerkingtreding : 30-12-2001> § 1. De in artikel 477bis bedoelde personen kunnen in België dezelfde beroepswerkzaamheden uitoefenen als leden van Belgische balies.
Voor handelingen van vertegenwoordiging en verdediging in rechte moeten zij evenwel :
1° handelen in samenwerking met een advocaat die ingeschreven is op het tableau;
2° voor de terechtzitting door die advocaat worden voorgesteld :
a) aan de stafhouder van de balie bij het betrokken gerecht;
b) aan de voorzitter van het gerecht waarbij hij optreedt.
§ 2. Onverminderd de verplichtingen die hen worden opgelegd in de lidstaat van herkomst, worden de beroepswerkzaamheden van de in artikel 477bis bedoelde personen uitgeoefend met inachtneming van de regels, van welke oorsprong ook, die in België op het beroep van toepassing zijn, met uitzondering van elke voorwaarde van verblijf of inschrijving.
Ten aanzien van andere werkzaamheden dan vertegenwoordiging en verdediging in rechte zijn die personen, onverminderd de beroepsvoorwaarden en -regels van de lidstaat van herkomst, onderworpen aan de in het eerste lid bedoelde regels op voorwaarde dat :
1° een niet in België gevestigd advocaat hen kan naleven;
2° zulks objectief gerechtvaardigd is als waarborg voor de correcte uitoefening van de beroepswerkzaamheden van een advocaat, voor de waardigheid van het beroep en voor de inachtneming van de regels inzake onverenigbaarheid.
§ 3. De uitoefening van het beroep van advocaat bij de in artikel 477bis bedoelde personen, is onverenigbaar met alle bezoldigde betrekkingen of werkzaamheden, openbare of particuliere, tenzij ze noch de onafhankelijkheid van de advocaat, noch de waardigheid van de balie in gevaar brengen.
Art. 477quater. <W 2001-11-22/39, art. 18, 096; Inwerkingtreding : 30-12-2001> § 1. De artikelen 437, eerste lid, 445 en 761 alsook de bepalingen van hoofdstuk IV, behalve de artikelen 458 en 471, en van hoofdstuk V van titel I van Boek III zijn van toepassing op de in artikel 477bis bedoelde personen, zulks onverminderd de beroeps- en gedragsregels waaraan zij in de lidstaat van herkomst zijn onderworpen.
De in artikel 477bis bedoelde personen die, bij de uitoefening van hun werkzaamheid in een gerechtelijk arrondissement, de tuchtregels niet in acht nemen, kan verbod worden opgelegd de partijen bij te staan en te pleiten voor de gerechten waarvan de zetel aldaar gevestigd is. Dit verbod, dat niet langer dan drie jaar mag duren, wordt uitgesproken, de betrokken persoon vooraf opgeroepen. Tegen de beslissing staat verzet en hoger beroep open.
Ten aanzien van die personen wordt de schrapping vervangen door het verbod om in België de beroepswerkzaamheden van een advocaat uit te oefenen. Na het verstrijken van een termijn van tien jaar te rekenen van de dag waarop de beslissing houdende verbod in kracht van gewijsde is gegaan kunnen zij erom verzoeken het op te heffen.
§ 2. Terzake bevoegd is de raad van de Orde van de balie van het rechtsgebied waar de feiten zijn gepleegd die strafbaar zijn met een tuchtstraf.
De raad kan aan de autoriteit van de Staat waar de persoon die een tuchtstraf kan oplopen gevestigd is, rechtstreeks alle professionele inlichtingen betreffende die persoon vragen. Hij stelt die autoriteit in kennis van iedere beslissing. Die kennisgevingen zijn vertrouwelijk.
HOOFDSTUK II. <Ingevoegd bij W 2001-11-22/39, art. 18; Inwerkingtreding : 30-12-2001> - Vrijheid van vestiging.
Art. 477quinquies. <W 2001-11-22/39, art. 18, 096; Inwerkingtreding : 30-12-2001> § 1. Personen die onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie en aldaar overeenkomstig richtlijn 98/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 ter vergemakkelijking van de permanente uitoefening van het beroep van advocaat in een andere lidstaat dan die waar de beroepskwalificatie is verworven gerechtigd zijn een titel te voeren welke overeenstemt met die van advocaat, kunnen dit beroep in België onder hun oorspronkelijke beroepstitel permanent uitoefenen.
De persoon bedoeld in het eerste lid is diegene die, in de lidstaat van herkomst, gerechtigd is door de bevoegde overheid van deze lidstaat er het beroep uit te oefenen onder de titel die overeenstemt met die van advocaat, na een opleiding te hebben genoten of alle formaliteiten met een gelijkaardig effect te hebben vervuld die door de wetgeving van deze lidstaat kunnen worden opgelegd.
§ 2. De in de eerste paragraaf bedoelde personen moeten :
1° zich inschrijven overeenkomstig artikel 432 en aan de raad van de Orde het bewijs van hun inschrijving bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst overleggen;
2° hun inschrijving bij de bevoegde autoriteit van die laatste Staat handhaven;
3° het beroep onder hun oorspronkelijke beroepstitel uitoefenen.
Het bewijs bedoeld in het eerste lid, 1°, mag niet meer dan drie maanden voor de overlegging ervan zijn opgesteld en maakt melding van de tuchtprocedures ingesteld in de lidstaat van herkomst.
De raad van de Orde stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst in kennis van de inschrijving.
§ 3. In alle documenten en stukken, daaronder begrepen die op elektronische dragers, die betrokkene in het kader van zijn beroepswerkzaamheden aanwendt, moeten volgende gegevens worden vermeld :
a) de balie waarbij hij is ingeschreven;
b) zijn oorspronkelijke beroepstitel;
c) de beroepsorganisatie waartoe hij in de lidstaat van herkomst behoort of het gerecht waarbij hij overeenkomstig de wettelijke regeling van de lidstaat van herkomst is toegelaten.
De oorspronkelijke beroepstitel en de vermeldingen bedoeld in het eerste lid zijn opgesteld in de officiële taal of in een van de officiële talen van de lidstaat van herkomst en ten minste in de taal of in de talen van het gerechtelijk arrondissement waar de balie gevestigd is waarbij de advocaat ingeschreven is.
Art. 477sexies. <W 2001-11-22/39, art. 18, 096; Inwerkingtreding : 30-12-2001> § 1. De in artikel 477quinquies bedoelde personen kunnen in België dezelfde beroepswerkzaamheden uitoefenen als leden van Belgische balies.
Voor handelingen van vertegenwoordiging en verdediging in rechte moeten zij evenwel optreden in samenwerking met een advocaat die is ingeschreven op het tableau. Voor de terechtzitting wordt hij door die advocaat voorgesteld aan de voorzitter van het gerecht waarbij hij optreedt.
§ 2. De beroepswerkzaamheden van de in artikel 477quinquies bedoelde personen worden uitgeoefend met inachtneming van de beroepsregels, van welke oorsprong ook, die in België van toepassing zijn, zulks onverminderd de beroeps- en gedragsregels waaraan zij in de lidstaat van herkomst zijn onderworpen.
§ 3. De raad van de Orde kan onder de voorwaarden die hij stelt de in artikel 477quinquies bedoelde personen verplichten hun beroepsaansprakelijkheid te dekken door een beroepsaansprakelijkheidsverzekering.
In voorkomend geval wordt met het bestaan van een verzekering of van een garantie overeenkomstig de regels van de lidstaat van herkomst rekening gehouden indien zij een gelijkwaardige dekking biedt als die bedoeld in het eerste lid.
Indien de dekking slechts gedeeltelijk gelijkwaardig is, kan de raad van de Orde met betrekking tot de elementen die niet zijn gedekt door een verzekering of garantie aangegaan in de lidstaat van herkomst, een verzekering of, indien de persoon het vraagt, een aanvullende garantie eisen.
§ 4. De uitoefening van het beroep van advocaat bij de in artikel 477quinquies bedoelde personen, is onverenigbaar met alle bezoldigde betrekkingen of werkzaamheden, openbare of particuliere, tenzij ze noch de onafhankelijkheid van de advocaat, noch de waardigheid van de balie in gevaar brengen.
Art. 477septies. <Ingevoegd bij W 2001-11-22/39, art. 18; Inwerkingtreding : 30-12-2001> De bepalingen van de hoofdstukken IV en V van Titel I van Boek III zijn van toepassing op de personen bedoeld in artikel 477quinquies, zulks onverminderd de beroeps- en gedragsregels waaraan zij in de lidstaat van herkomst zijn onderworpen.
Alvorens een tuchtprocedure ten aanzien van voornoemde personen in te stellen, geeft de stafhouder van de Orde waarbij zij zijn ingeschreven, daarvan zo spoedig mogelijk kennis aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst, verstrekt deze staat schriftelijk alle dienstige inlichtingen, inzonderheid over het betrokken tuchtdossier, de toepasselijke procedureregels en de termijnen om beroep in te stellen, en treft de nodige schikkingen om die autoriteit de mogelijkheid te bieden haar opmerkingen kenbaar te maken voor de beroepsinstanties. Hij geeft haar schriftelijk kennis van iedere beslissing.
Het tijdelijke of het definitieve verbod om het beroep van advocaat in de lidstaat van herkomst uit te oefenen heeft van rechtswege het tijdelijke of het definitieve verbod dat beroep in België uit te oefenen tot gevolg.
Art. 477octies. <Ingevoegd bij W 2001-11-22/39, art. 18; Inwerkingtreding : 30-12-2001> § 1. Eén of meer personen ingeschreven op de lijst van de advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie en leden van éénzelfde groep in de lidstaat van herkomst mogen hun beroepswerkzaamheden in België uitoefenen in het kader van een filiaal of een bijkantoor. Indien de basisregels die op deze groep in de lidstaat van herkomst van toepassing zijn evenwel onverenigbaar zijn met de basisregels die voortvloeien uit de wettelijke of reglementaire Belgische bepalingen, zijn laatstgenoemde bepalingen van toepassing voor zover de naleving ervan door het algemeen belang dat met de bescherming van de cliënt en van derden is gemoeid, wordt gerechtvaardigd.
§ 2. Twee of meer personen afkomstig uit éénzelfde groep of éénzelfde lidstaat van herkomst en die ingeschreven zijn op de lijst van de advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie kunnen hun beroep in groepsverband uitoefenen onder de voorwaarden bepaald voor de advocaten ingeschreven op het tableau van een Belgische Orde.
§ 3. De paragrafen 1 en 2 zijn eveneens van toepassing op de beroepsuitoefening in groepsverband in België :
a) van meerdere personen die hun beroep uitoefenen onder hun oorspronkelijke beroepstitel en uit verschillende lidstaten komen;
b) van één of meer personen bedoeld onder a) hierboven en één of meer advocaten ingeschreven op het tableau van een Belgische Orde.
§ 4. De persoon die onder zijn oorspronkelijke beroepstitel werkzaam wenst te zijn stelt de Orde waar hij zijn inschrijving vraagt overeenkomstig artikel 477quinquies in kennis van het feit dat hij in de lidstaat van herkomst deel uitmaakt van een groep en verstrekt over die groep alle dienstige inlichtingen.
§ 5. In afwijking van de paragrafen 1 tot en met 4 kan de raad van de Orde waar de persoon is ingeschreven of zijn inschrijving vraagt op de lijst van de advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie, hem het recht ontzeggen in België, het beroep van advocaat uit te oefenen in hoedanigheid van lid van een groep waarvan buiten het beroep staande personen deel uitmaken.
De groep bedoeld in het eerste lid bestaat uit buiten het beroep staande personen indien ten minste aan één van de volgende voorwaarden is voldaan :
1° het geheel of een deel van het kapitaal van de groep is in handen van personen die niet de hoedanigheid van advocaat bezitten in de zin van de bepalingen van dit Wetboek;
2° de benaming waaronder de groep werkzaam is wordt gebruikt door de personen bedoeld in 1°;
3° de zeggenschap binnen de groep wordt feitelijk of rechtens uitgeoefend door de personen bedoeld in 1°.
De raad van Orde van elk arrondissement kan zich eveneens verzetten tegen de opening van een filiaal of een bijkantoor of een agentschap van een groep van advocaten die zich wensen in te schrijven op de lijst van de advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie indien blijkt dat deze groep van advocaten buiten het beroep staande personen omvat in de zin van het lid hierboven.
§ 6. De personen ingeschreven op de lijst van de advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie die lid zijn van een groep kunnen, in alle documenten en stukken, daaronder begrepen die op elektronische dragers, die betrokkene in het kader van zijn beroepswerkzaamheden aanwendt, de benaming van de groep waartoe zij behoren in de lidstaat van herkomst vermelden. In dat geval vermelden zij de rechtsvorm van de groep in de lidstaat van herkomst alsook, in voorkomend geval, de namen van de leden van de groep die het beroep van advocaat in België uitoefenen.
Art. 477nonies. <Ingevoegd bij W 2001-11-22/39, art. 18; Inwerkingtreding : 30-12-2001> § 1. Benevens de personen bedoeld in de artikelen 428bis en volgende, kunnen de personen bedoeld in artikel 477quinquies die aan de raad van de Orde bewijzen dat zij in België gedurende ten minste drie jaar werkelijk en regelmatig een werkzaamheid op het stuk van het Belgisch recht, met inbegrip van het gemeenschapsrecht, hebben verricht, de titel van advocaat voeren, dat beroep uitoefenen en met het oog daarop om hun inschrijving op het tableau verzoeken overeenkomstig artikel 432 en de eed afleggen bedoeld in artikel 429. Daartoe bezorgen zij de raad van de Orde alle nodige inlichtingen en stukken betreffende het aantal en de aard van de behandelde dossiers.
De raad van de Orde gaat na of de kandidaten bedoeld in het eerste lid de werkzaamheid werkelijk en regelmatig hebben uitgeoefend en verzoekt hen, indien nodig, mondeling of schriftelijk nadere gegevens te verstrekken.
Onder de werkelijk en regelmatig uitgeoefende werkzaamheid wordt de werkelijke uitoefening verstaan van de werkzaamheid zonder andere onderbrekingen dan die voortvloeiend uit de gebeurtenissen van het dagelijkse leven.
§ 2. Benevens de personen bedoeld in de artikelen 428bis en volgende, kunnen de personen bedoeld in artikel 477quinquies die bewijzen dat zij in België gedurende ten minste drie jaar werkelijk en regelmatig een werkzaamheid hebben verricht, maar voor een kortere duur met betrekking tot het Belgisch recht, eveneens de titel van advocaat voeren, dat beroep uitoefenen en met het oog daarop om hun inschrijving op het tableau verzoeken overeenkomstig artikel 432 en de eed afleggen bedoeld in artikel 429, op voorwaarde dat de raad van de Orde terzake gunstig oordeelt.
Daartoe bezorgen zij de raad van de Orde alle nodige inlichtingen en stukken, onder meer die betreffende de behandelde dossiers.
De raad van de Orde houdt rekening met de werkelijk en regelmatig uitgeoefende werkzaamheid gedurende de periode bedoeld in het eerste lid, met de kennis en de beroepservaring op het stuk van het Belgisch recht, alsook met de deelname aan cursussen of studiedagen over het Belgisch recht, daaronder begrepen de beroeps- en gedragsregels.
De in België werkelijk en regelmatig uitgeoefende werkzaamheid en de bekwaamheid om haar voort te zetten worden beoordeeld tijdens een gesprek met de stafhouder van de Orde. Deze laatste brengt daarover verslag uit bij de raad.
Onder de werkelijk en regelmatig uitgeoefende werkzaamheid wordt de werkelijke uitoefening verstaan van de werkzaamheid zonder andere onderbrekingen dan die voortvloeiend uit de gebeurtenissen van het dagelijkse leven.
§ 3. De raad van de Orde is de autoriteit bevoegd om de verzoeken van de kandidaten bedoeld in de paragrafen 1 en 2 in ontvangst te nemen.
De verzoeken en documenten bedoeld in de paragrafen 1 en 2 moeten worden gesteld in de taal of een van de talen van het gerechtelijk arrondissement waar de Orde gevestigd is waaraan de kandidaten hun verzoek richten of gaan vergezeld van een eensluidend verklaarde vertaling in die taal.
§ 4. De inschrijving op het tableau kan slechts worden geweigerd indien het bewijs van de gestelde voorwaarden niet is geleverd of indien blijkt dat afbreuk wordt gedaan aan de openbare orde, onder meer wegens een tuchtprocedure, klachten of incidenten.
§ 5. De personen bedoeld in de §§ 1 en 2 die hun inschrijving hebben verkregen, kunnen naast de titel van advocaat gebruik maken van hun oorspronkelijke beroepstitel indien zij hun inschrijving bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst handhaven. Deze titel wordt vermeld in de officiële taal of in een van de officiële talen van die laatste staat.
TITEL II. _ Advocaten bij het Hof van Cassatie.
Art. 478. (Voor het Hof van Cassatie kunnen in burgerlijke zaken alleen advocaten optreden en conclusies nemen, die de titel van advocaat bij het Hof van Cassatie voeren. De voorgaande bepaling geldt niet voor de burgerlijke partij in strafzaken. Het aantal advocaten wordt, na advies van het Hof van Cassatie, bepaald door de Koning, die hen benoemt uit een lijst van drie kandidaten, door het hof in algemene vergadering vastgesteld voor ieder van de te begeven plaatsen; de uitgifte van de beslissing wordt door het hof aan de minister van Justitie gezonden.) <W 1997-05-06/38, art. 23, 052; Inwerkingtreding : 05-07-1997>
De kandidaten moeten sedert ten minste tien jaar bij de balie ingeschreven zijn.
Alvorens de advocaten bij het Hof van Cassatie hun ambt aanvaarden, leggen zij vóór het hof de in artikel 429 voorgeschreven eed af.
Art. 479. In alle zaken die aan het hof worden onderworpen, vertegenwoordigt de advocaat bij het Hof van Cassatie de partij op geldige wijze zonder dat hij van enige volmacht moet doen blijken.
De advocaten bij het Hof van Cassatie hebben het recht te pleiten vóór alle gerechten van het Rijk.
Art. 480. Indien een partij in burgerlijke zaken geen bijstand van een advocaat bij het Hof van Cassatie verkrijgt, stelt de stafhouder van de Orde ambtshalve een advocaat aan, indien daartoe grond bestaat, een en ander onverminderd de bepalingen inzake rechtsbijstand.
Art. 481. De advocaten bij het Hof van Cassatie vormen de Orde van advocaten bij het Hof van Cassatie; de leiding berust bij het hoofd van de Orde, dat de titel van stafhouder voert; er is in de Orde een tuchtraad, bestaande uit vijf leden, de stafhouder daaronder begrepen. De algemene vergaderingen worden bijeengeroepen hetzij door de stafhouder, hetzij door de procureur-generaal.
Art. 482. Ieder jaar tijdens de laatste maand van het gerechtelijk jaar komen de advocaten bij het Hof van Cassatie in algemene vergadering bijeen om bij afzonderlijke stemmingen eerst de stafhouder, bij volstrekte meerderheid, en vervolgens de leden van de raad van de Orde, bij betrekkelijke meerderheid, te verkiezen.
Deze vergadering wordt voorgezeten door de oudste advocaat in jaren, bijgestaan als secretaris door de jongste advocaat in jaren.
Indien bij de stemming voor de verkiezing van de stafhouder geen volstrekte meerderheid wordt bereikt, heeft in een latere vergadering een herstemming plaats over de twee kandidaten op wie het grootste aantal stemmen is uitgebracht.
Indien bij de herstemming de stemmen staken, is de kandidaat verkozen die het eerst voorkomt in de orde van de lijst.
Voor een geldige beslissing van de algemene vergadering en van de tuchtraad moet de meerderheid van de leden tegenwoordig zijn.
Art. 483. Behoudens het bepaalde in artikel 482, zit de stafhouder de algemene vergadering van de advocaten en de raad van de Orde voor.
Is de stafhouder overleden of verhinderd, dan wordt hij voorlopig vervangen door het op het tableau oudstingeschreven lid van de raad van de Orde.
Art. 484. Het tableau waarop de advocaten bij het Hof van Cassatie zijn ingeschreven volgens de orde van hun eedaflegging.
Wordt ieder jaar aan de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie gezonden.
Art. 484bis. <Ingevoegd bij W 2001-07-04/41, art. 13; Inwerkingtreding : 25-07-2001> In de betrekkingen tussen de advocaten bij het Hof van Cassatie en de leden van de onderscheiden balies, moeten de voor deze laatsten toepasselijke reglementen, als bedoeld in artikel 496, in acht worden genomen.
In de betrekkingen tussen de advocaten bij het Hof van Cassatie onderling, gelden de door de Orde van Advocaten bij het Hof van Cassatie vastgestelde regels en reglementen.
Art. 485. In tuchtzaken kan de raad van de Orde, naar gelang van het geval, waarschuwen, censureren of berispen.
De procureur-generaal kan zich een uitgifte van alle beraadslagingen der algemene vergadering en van alle beslissingen van de raad van de Orde doen afgeven.
Het recht tot schorsing of schrapping komt toe aan de Koning.
Art. 486. De procureur-generaal bij het Hof van Cassatie en de betrokken advocaat hebben beiden het recht tegen een beslissing van de raad van de Orde hoger beroep in te stellen binnen vijftien dagen na de dag waarop van de beslissing kennis is gegeven.
Het hoger beroep wordt voor het Hof van Cassatie gebracht; het wordt ingesteld bij verzoekschrift gericht aan de eerste voorzitter; een afschrift van dat verzoekschrift wordt binnen acht dagen aan de stafhouder gestuurd; de betrokken partijen worden door de griffier opgeroepen om in raadkamer te worden gehoord; zij kunnen ter griffie inzage nemen van het in hoger beroep gewezen arrest.
Art. 487. De regels van titel I, voor zover deze titel er niet van afwijkt, zijn van toepassing op de Orde van advocaten bij het Hof van Cassatie.
TITEL III. _ (Orde van Vlaamse Balies en Ordre des Barreaux francophones et germanophone.) <W 2001-07-04/41, art. 14; Inwerkingtreding : 25-07-2001>
HOOFDSTUK I. - (Algemene bepalingen.) <W 2001-07-04/41, art. 14, 089; Inwerkingtreding : 25-07-2001>
Art. 488. <W 2001-07-04/41, art. 14, 089; Inwerkingtreding : 25-07-2001> De Orde van Advocaten te Antwerpen, Brugge, Dendermonde, Gent, Hasselt, leper, Kortrijk, Leuven, Mechelen, Oudenaarde, Tongeren, Turnhout en Veurne vormen samen met de Nederlandse Orde van Advocaten bij de balie te Brussel de Orde van Vlaamse Balies.
De Orde van Advocaten te Aarlen, Bergen, Charleroi, Dinant, Doornik, Hoei, Luik, Marche-en-Famenne, Namen, Neufchateau, Nijvel, Verviers en Eupen vormen samen met de Franse Orde van Advocaten bij de balie te Brussel de Ordre des Barreaux francophones et germanophone.
De Orde van Vlaamse Balies en de Ordre des Barreaux francophones et germanophone bezitten rechtspersoonlijkheid en zijn gevestigd te Brussel.
Art. 489. <W 2001-07-04/41, art. 14, 089; Inwerkingtreding : 25-07-2001> De organen van de Orde van Vlaamse Balies en de Ordre des Barreaux francophones et germanophone zijn :
1° de algemene vergadering;
2° de Raad van bestuur.
Art. 490. <W 2001-07-04/41, art. 14, 089; Inwerkingtreding : 25-07-2001> De stafhouder van de Orde van Advocaten bij het Hof van Cassatie of zijn vertegenwoordiger, lid van de raad van zijn orde, heeft zitting met raadgevende stem in de algemene vergaderingen van de Orde van Vlaamse Balies en van de Ordre des Barreaux francophones et germanophone.
HOOFDSTUK II. - (Organisatie en werking.) <W 2001-07-04/41, art. 14; Inwerkingtreding : 25-07-2001>
Art. 491. <W 2001-07-04/41, art. 14, 089; Inwerkingtreding : 25-07-2001> De organisatie en de werking van de Orde van Vlaamse Balies en de Ordre des Barreaux francophones et germanaphone worden vastgesteld in een reglement van orde, dat wordt besproken door de balies die er deel van uitmaken, en goedgekeurd door de bevoegde organen bedoeld in artikel 489, en, na advies van de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie, bekrachtigd door de Koning binnen 30 dagen.
Het reglement van orde bepaalt minstens :
1° de samenstelling, de wijze van verkiezing, aanwijzing of benoeming van de leden van de organen bedoeld in artikel 489 en de duur van de mandaten;
2° de werking en de wijze van beraadslagen met eerbiediging van de vertegenwoordiging van de advocaten van de onderscheiden balies;
3° de wijze waarop de reglementen aangenomen worden;
4° de wijze waarop de bijdrage, die de balies jaarlijks dienen te betalen, vastgesteld wordt;
5° de regels voor het opstellen en aanwenden van de jaarlijkse begroting;
6° de algemene organisatie van het secretariaat;
7° de wijze van aanwijzing van de vertegenwoordigers in de wettelijk opgerichte organen.
Art. 492. <W 2001-07-04/41, art. 14, 089; Inwerkingtreding : 25-07-2001> Het reglement van orde bepaalt op welke wijze en met welke meerderheden het kan worden gewijzigd.
Art. 493. <W 2001-07-04/41, art. 14, 089; Inwerkingtreding : 25-07-2001> De Raad van bestuur vertegenwoordigt de orde waartoe hij behoort bij alle gerechtelijke en buitengerechtelijke handelingen, door toedoen van de voorzitter. Alle gerechtelijke en buitengerechtelijke handelingen worden in naam van de orde verricht.
Art. 494. <W 2001-07-04/41, art. 14, 089; Inwerkingtreding : 25-07-2001> De voorzitters van de raden van bestuur vertegenwoordigen de Orde van Vlaamse Balies en de Ordre des Barreaux francophones et germanophone in hun betrekkingen met de overheid en de balies.
HOOFDSTUK III. - (Bevoegdheden.) <W 2001-07-04/41, art. 14, 089; Inwerkingtreding : 25-07-2001>
Art. 495. <W 2001-07-04/41, art. 14, 089; Inwerkingtreding : 25-07-2001> De Orde van Vlaamse Balies en de Ordre des Barreaux francophones et germanophone hebben, elk voor de balies die er deel van uitmaken, de taak te waken over de eer, de rechten en de gemeenschappelijke beroepsbelangen van hun leden en zijn bevoegd voor de juridische bijstand, de stage, de beroepsopleiding van de advocaten-stagiairs en de vorming van alle advocaten behorende tot de balies die er deel van uitmaken.
Ze nemen initiatieven en maatregelen die nuttig zijn voor de opleiding, de tuchtrechtelijke regels en de loyauteit in het beroep en voor de behartiging van de belangen van de advocaat en van de rechtzoekende.
Elk van beide kan betreffende die aangelegenheden voorstellen doen aan de bevoegde overheden.
Art. 496. <W 2001-07-04/41, art. 14, 089; Inwerkingtreding : 25-07-2001> Met betrekking tot de bevoegdheden bepaald in artikel 495, stellen de Orde van Vlaamse Balies en de Ordre des Barreaux francophones et germanophone passende reglementen vast.
Met het oog op de betrekkingen tussen de leden van de onderscheiden balies die er deel van uitmaken, bepalen zij de regels en gebruiken van het beroep van advocaat en brengen er eenheid in. Te dien einde, stellen zij passende reglementen vast.
Art. 497. <W 2003-12-22/53, art. 18, 116; Inwerkingtreding : 10-01-2004> De reglementen bedoeld in artikel 496 worden in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt zodra ze volgens de geldende regels zijn aangenomen.
Art. 498. <W 2001-07-04/41, art. 14, 089; Inwerkingtreding : 25-07-2001> De reglementen, die, overeenkomstig artikel 496, aangenomen zijn, (zijn van toepassing op) alle advocaten van de balies, die ofwel van de Orde van Vlaamse Balies, ofwel van de Ordre des Barreaux francophones et germanophone deel uitmaken, al naar gelang voornoemde reglementen door de ene dan wel door de andere orde werden aangenomen. <W 2003-12-22/53, art. 19, 116; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
Art. 499. <W 2001-07-04/41, art. , 089; Inwerkingtreding : 25-07-2001> De raden van de Orde van Advocaten van de balies waken over de toepassing van de in voorgaande artikelen bedoelde reglementen. Zij alleen zijn bevoegd in tuchtzaken.
Art. 500. <W 2001-07-04/41, art. 14, 089; Inwerkingtreding : 25-07-2001> Indien op door het reglement van orde bedoeld in artikel 491 bepaalde wijze reglementen worden vastgesteld, zijn deze dwingend voor de balies die tot de betrokken orde behoren, welke voor die aangelegenheden alleen aanvullende reglementen kunnen uitvaardigen.
Art. 501. <W 2003-12-22/53, art. 20, 116; Inwerkingtreding : 10-01-2004> § 1. De in artikel 611 bedoelde vordering wordt binnen drie maanden na de in artikel 497 bedoelde bekendmaking ingesteld door de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie.
Zij wordt ter kennis gebracht aan de Orde van Vlaamse Balies en aan de " Ordre des Barreaux francophones et germanophone ".
Dezelfde vordering kan eveneens worden ingesteld, binnen de termijn voorzien in het eerste lid, door een advocaat van de Orde van Vlaamse Balies of van de " Ordre des Barreaux francophones et germanophone " of door iedere persoon die de hoedanigheid en het belang heeft om te vorderen in de zin van de artikelen 17 en 18. In dit geval wordt de vordering ingeleid bij verzoekschrift bij ter post aangetekende brief aan de griffie van het Hof van Cassatie of neergelegd ter griffie. Op straffe van nietigheid bevat het verzoekschrift de middelen en is het ondertekend door een advocaat bij het Hof van Cassatie. De vordering wordt vooraf bij ter post aangetekende brief ter kennis gebracht aan de Orde van Vlaamse Balies en aan de " Ordre des Barreaux francophones et germanophone ". Het bewijs van deze kennisgeving wordt op straffe van nietigheid aan het verzoekschrift toegevoegd.
§ 2. Tijdens de in § 1 bedoelde termijn en, indien de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie de vordering instelt bedoeld in artikel 611, tot de uitspraak van het arrest worden de toepassing van een reglement en van de in artikel 502, § 1, eerste lid, bedoelde termijn voor het instellen van de vordering geschorst.
§ 3. Wanneer de in § 1 bedoelde vordering is ingesteld, kunnen de Orde van Vlaamse Balies en de " Ordre des Barreaux francophones et germanophone " in de procedure tussenkomen door middel van een verzoekschrift, overeenkomstig artikel 813. Deze tussenkomst moet binnen twee maanden na de in § 1, tweede of derde lid, bedoelde kennisgeving plaatsvinden.
In dat geval, kunnen de Orde van Vlaamse Balies en de " Ordre des Barreaux francophones et germanophone " nieuwe middelen aanvoeren gegrond op een bevoegdheidsoverschrijding, de strijdigheid met de wetten of de onregelmatige aanneming van het bestreden reglement.
Art. 502. <W 2003-12-22/53, art. 21, 116; Inwerkingtreding : 10-01-2004> § 1. Onverminderd het bij artikel 505 verplicht gestelde voorafgaande overleg, kunnen de Orde van Vlaamse Balies en de " Ordre des Barreaux francophones et germanophone " een vordering tot nietigverklaring instellen tegen alle reglementen die, overeenkomstig artikel 496, werden aangenomen. Die vordering wordt ingesteld bij een scheidsgerecht samengesteld uit zeven leden van wie er drie voor een duur van twee jaar worden aangewezen door de Orde van Vlaamse Balies, en drie, voor een duur van twee jaar, door de " Ordre des Barreaux francophones et germanophone ". Zij wijzen in onderlinge overeenstemming een zevende lid aan, dat het voorzitterschap zal waarnemen. Indien er geen overeenstemming wordt bereikt, wordt het scheidsgerecht voorgezeten door de pro-stafhouder van de Orde van Advocaten bij het Hof van Cassatie of, zo die verhinderd is, door diens voorganger.
Als een arbiter dient te worden vervangen, wordt zijn opvolger slechts aangewezen om het oorspronkelijke mandaat te voltooien.
Het mandaat van arbiter staat open voor advocaten die sedert ten minste vijftien jaar lid zijn van de balie of die gedurende ten minste drie jaar stafhouder of lid zijn geweest van de Raad van de orde van een balie, of die lid zijn geweest van de Raad van de Orde van Advocaten bij het Hof van Cassatie. De arbiters mogen niet betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van de betwiste beslissing.
§ 2. De in § 1 bedoelde vordering kan worden ingesteld tegen alle reglementen die :
- zouden neerkomen op een bevoegdheidsoverschrijding, strijdig zouden zijn met de wetten of op onregelmatige wijze zouden zijn aangenomen;
- een gevaar zouden betekenen voor de eer van de Orde van Advocaten en voor de handhaving van de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid die aan het beroep van advocaat ten grondslag liggen, zoals omschreven in artikel 456, eerste lid, en in de internationale deontologische voorschriften.
Als de in artikel 611 bedoelde vordering wordt ingesteld, mag het scheidsgerecht zich niet uitspreken over middelen geput uit een bevoegdheidsoverschrijding, de niet-naleving van de wetten of het onregelmatige aannemen van het aangevochten reglement.
§ 3. Het scheidsgerecht doet uitspraak in eerste en in laatste aanleg. Het kan een aangevochten reglement slechts geheel of gedeeltelijk vernietigen voor zover vijf leden zich voor de vernietiging uitspreken; bij de arbitrale uitspraak kan een minderheidsnota worden gevoegd.
§ 4. Voor alles wat niet uitdrukkelijk wordt geregeld door dit boek, zijn de bepalingen van het zesde deel van dit Wetboek van overeenkomstige toepassing op de procedure.
§ 5. De vordering wordt betekend aan de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie en aan de andere Orde.
Art. 503. <W 2001-07-04/41, art. 14, 089; Inwerkingtreding : 25-07-2001> De federale Raad van de balies bestaat uit tien leden van wie er telkens vijf respectievelijk, voor een termijn van twee jaar, éénmaal hernieuwbaar, afgevaardigd worden door de Orde van Vlaamse Balies en de Ordre des Barreaux francophones et germanophone. De raad wordt voorgezeten door de stafhouder van de Orde van Advocaten bij het Hof van Cassatie.
De zetel is gevestigd bij de Orde van Advocaten bij het Hof van Cassatie en het secretariaat wordt waargenomen door haar diensten, behoudens andersluidend akkoord tussen de respectieve ordes.
Indien een afgevaardigd lid dient te worden vervangen, wordt zijn opvolger slechts aangewezen om het oorspronkelijke mandaat te voltooien.
Art. 504. <W 2001-07-04/41, art. 14, 089; Inwerkingtreding : 25-07-2001> § 1. Elke orde, alsook elke balie die van die orde deel uitmaakt, en de Orde van Advocaten bij het Hof van Cassatie kunnen bij de federale Raad van de balies aangelegenheden aanhangig maken met betrekking tot de balie in het algemeen en de goede rechtsbedeling.
De procedure voor de federale Raad van de balies is een procedure op tegenspraak.
De Federale Raad brengt adviezen uit die worden aangenomen met ten minste drie vijfde van de stemmen in elke taalgroep.
§ 2. De vertegenwoordiging bij de Raad van de balies van de Europese Unie wordt waargenomen door een commissie van vier leden, van wie er twee door de Orde van Vlaamse Balies worden aangewezen en twee door de Ordre des Barreaux francophones et germanophone.
Die commissie voert de opdrachten uit die de federale Raad van de balies haar toevertrouwt, krachtens een beslissing die werd genomen met een meerderheid van ten minste drie vijfde van de stemmen in elke taalgroep.
Art. 505. <W 2001-07-04/41, art. 14, 089; Inwerkingtreding : 25-07-2001> Voor zij de vordering tot nietigverklaring als bedoeld in artikel 502 instellen, moeten de Orde van Vlaamse Balies en de Ordre des Barreaux francophones et germanophone de zaak (binnen drie maanden vanaf de in artikel 497 bedoelde bekendmaking) aanhangig maken bij de federale Raad van de balies. <W 2003-12-22/53, art. 22, 116; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
De Federale Raad van de balies brengt zijn advies ter kennis binnen een maand na de aanhangigmaking. De in artikel 502 bedoelde vordering moet binnen twee maanden na voornoemde kennisgeving worden ingesteld, dan wel, bij gebrek aan een kennisgeving, binnen drie maanden na de aanhangigmaking bij de federale Raad van balies en onverminderd artikel 501, §§ 2 en 3.
HOOFDSTUK IV. - (Overgangsbepalingen.) <W 2001-07-04/41, art. 14; Inwerkingtreding : 25-07-2001>
Art. 506. <W 2001-07-04/41, art. 14, 089; Inwerkingtreding : onbepaald> (NOTA : artikel 506, zoals vervangen bij W 2001-07-04/41, art. 14, treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand na die waarin de koninklijke besluiten ter bekrachtiging van de reglementen van orde van de Orde van Vlaamse Balies en de Ordre des Barreaux francophones et germanophone, zoals bedoeld in artikel 491, eerste lid, van het gerechtelijk Wetboek, in het Belgisch Staatsblad zijn bekendgemaakt.) De Belgische nationale Orde van Advocaten wordt ontbonden. De laatst verkozen deken en vice-deken staan gezamenlijk in voor de vereffening van deze instelling.
De baten of passiva worden evenredig verdeeld over de balies in verhouding tot het aantal aangesloten advocaten.
Art. 507. <W 2001-07-04/41, art. 14, 089; Inwerkingtreding : 25-07-2001> De door de Belgische nationale Orde van Advocaten regelmatig aangenomen reglementen blijven bindend voor alle advocaten tot de bevoegde instellingen, overeenkomstig artikel 496, nieuwe reglementen vaststellen, onverminderd overleg en instemming van de Orde der Advocaten bij het Hof van Cassatie met betrekking tot het wijzigen van de reglementen die haar aanbelangen.
Art. 508. <W 2001-07-04/41, art. 14, 089; Inwerkingtreding : 25-07-2001> De door de Belgische nationale Orde van Advocaten toegekende mandaten in bij wet opgerichte commissies en instellingen blijven geldig en worden geacht gezamenlijke mandaten te zijn van de Orde van Vlaamse Balies en de Ordre des Barreaux francophones et germanophone totdat zij, overeenkomstig hun eigen reglementen en overeenkomstig de wettelijke bepalingen, hun eigen vertegenwoordigers aanwijzen.
BOEK IIIbis. - (JURIDISCHE EERSTE- EN TWEEDELIJNSBIJSTAND). <Ingevoegd bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999>
HOOFDSTUK I. - (Algemene bepaling). <Ingevoegd bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999>
Art. 508/1. <Ingevoegd bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999> Voor de toepassing van dit boek wordt verstaan onder :
1° juridische eerstelijnsbijstand : de juridische bijstand die verleend wordt in de vorm van praktische inlichtingen, juridische informatie, een eerste juridisch advies of de verwijzing naar een gespecialiseerde instantie of organisatie;
2° juridische tweedelijnsbijstand : de juridische bijstand die wordt verleend aan een natuurlijke persoon in de vorm van een omstandig juridisch advies, bijstand al dan niet in het kader van een procedure of bijstand bij een geding met inbegrip van de vertegenwoordiging in de zin van artikel 728;
3° commissie voor juridische bijstand : de commissie bedoeld in artikel 508/2;
4° bureau voor juridische bijstand : het bureau bedoeld in artikel 508/7;
5° organisatie voor juridische bijstand : elke organisatie die in een gerechtelijk arrondissement juridische eerstelijnsbijstand verleent.
HOOFDSTUK II. - (Commissie voor juridische bijstand). <Ingevoegd bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999>
Art. 508/2. <Ingevoegd bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999> § 1. In elk gerechtelijk arrondissement is er een commissie voor juridische bijstand. In het gerechtelijk arrondissement Brussel zijn er twee commissies : de Nederlandse commissie voor juridische bijstand en de Franse commissie voor juridische bijstand.
De commissie voor juridische bijstand heeft rechtspersoonlijkheid en stelt haar huishoudelijk reglement op.
§ 2. De commissie heeft haar zetel in de hoofdplaats van het arrondissement of in enige andere plaats die zij aanwijst.
§ 3. De commissie is paritair samengesteld uit eensdeels vertegenwoordigers van de balie die worden aangewezen door de Orde van Advocaten van het betrokken gerechtelijk arrondissement en anderdeels vertegenwoordigers van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en erkende organisaties voor juridische bijstand.
De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit de nadere regels van erkenning van de organisaties voor juridische bijstand, de samenstelling en de werking van de commissie.
Art. 508/3. <Ingevoegd bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999> De commissie voor juridische bijstand heeft tot taak :
1° de zitdagen voor juridische eerstelijnsbijstand van advocaten te organiseren en ervoor te zorgen dat die diensten indien nodig worden gedecentraliseerd;
2° het overleg en de coördinatie te bevorderen tussen de organisaties voor juridische bijstand, en de doorverwijzing naar gespecialiseerde organisaties te vergemakkelijken, zulks onder meer door het sluiten van overeenkomsten in de hand te werken;
3° te zorgen voor de verspreiding van informatie over het bestaan van en de toegangsvoorwaarden tot de juridische bijstand, in het bijzonder bij de sociaal meest kwetsbare groepen.
Die verspreiding geschiedt op de plaatsen waar de juridische bijstand wordt verleend evenals onder meer in de griffies, bij de parketten, de gerechtsdeurwaarders, in de gemeentebesturen en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het gerechtelijk arrondissement;
4° de aanbevelingen te doen die zij nodig acht rekening houdend met de verslagen die bedoeld zijn in de artikelen 508/6 en 508/11, en die aanbevelingen en verslagen over te zenden aan de Minister van Justitie.
Art. 508/4. <Ingevoegd bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999> Het Rijk kent een subsidie toe aan de commissies voor juridische bijstand op basis van objectieve criteria, vastgesteld bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit.
HOOFDSTUK III. - (Juridische eerstelijnsbijstand). <Ingevoegd bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999>
Art. 508/5. <Ingevoegd bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999> § 1. Onverminderd de door andere organisaties voor juridische bijstand verleende juridische eerstelijnsbijstand worden de zitdagen voor juridische eerstelijnsbijstand gehouden door advocaten.
De Orde van Advocaten stelt jaarlijks een lijst op met de advocaten die prestaties wensen te verrichten in het raam van de juridische eerstelijnsbijstand.
De lijst vermeldt de voorkeurmateries die de advocaten opgeven en die zij staven of waarvoor zij zich ertoe verbinden een opleiding te volgen die door de Raad van de Orde of de in artikel 488 bedoelde overheden wordt georganiseerd.
Tegen de weigering tot inschrijving op de lijst kan beroep worden ingesteld overeenkomstig artikel 469bis.
De Orde zendt de lijst van de advocaten over naar de commissie voor juridische bijstand.
(§ 2. Onverminderd de door andere organisaties voor juridische bijstand verleende juridische bijstand, worden geen kosten of erelonen aangerekend door de advocaten aan de rechthebbende van de juridische bijstand.) <W 2003-12-22/42, art. 373, 117; Inwerkingtreding : 01-01-2004>nde juridische bijstand te dekken, zal aan de aanvrager een vaste bijdrage worden gevraagd die de Koning vaststelt nadat Hij het advies heeft ingewonnen van de in artikel 488 bedoelde overheden. Die bijdrage is niet verschuldigd door de personen wier inkomsten onvoldoende zijn noch door de met hen gelijkgestelde personen.
De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit het bedrag van die inkomsten, welke bewijsstukken moeten worden overgelegd en wie de gelijkgestelde personen zijn.
De controle op het feit of is voldaan aan de voorwaarden inzake kosteloosheid van de juridische eerstelijnsbijstand geschiedt door de advocaat.
§ 3. Indien de doorverwijzing naar een organisatie voor juridische bijstand of naar de juridische tweedelijnsbijstand aangewezen lijkt, wordt zulks onmiddellijk medegedeeld aan de aanvrager. De organisatie of het bureau voor juridische bijstand worden hiervan onverwijld in kennis gesteld.
§ 4. De Orde van Advocaten ziet toe op de kwaliteit van de prestaties die door de advocaten worden verstrekt in het kader van de juridische eerstelijnsbijstand.
In geval van tekortkoming kan de Raad van de Orde met een met redenen omklede beslissing een advocaat schrappen van de in § 1 bedoelde lijst, volgens de bij de artikelen 465 tot 469 bepaalde procedure.
Art. 508/6. <Ingevoegd bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999> Onverminderd de regels inzake beroepsgeheim, zijn de advocaten die juridische eerstelijnsbijstand verlenen ertoe gehouden om, volgens de nadere regels die door de Minister van Justitie worden vastgesteld in overleg met de in artikel 488 bedoelde overheden, aan de commissie voor juridische bijstand een jaarverslag over te zenden over hun prestaties in dat verband.
Zij doen aan het bureau beknopt verslag over de consulten die zij hebben gegeven.
HOOFDSTUK IV. - (Gedeeltelijk of volledig kosteloze juridische tweedelijnsbijstand.) <Ingevoegd bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999>
Afdeling I. - (Organisatie.) <Ingevoegd bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999>
Art. 508/7. <Ingevoegd bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999> Bij elke balie stelt de Raad van de Orde van Advocaten een bureau voor juridische bijstand in volgens de nadere regels en de voorwaarden die hij bepaalt.
Het bureau heeft onder meer tot taak om wachtdiensten te organiseren.
De Orde van Advocaten stelt jaarlijks een lijst op met de advocaten die in hoofdzaak of in bijkomende orde prestaties wensen te verrichten in het kader van de door het bureau georganiseerde juridische tweedelijnsbijstand.
De lijst vermeldt de voorkeurmateries die de advocaten opgeven en die zij staven of waarvoor zij zich ertoe verbinden een opleiding te volgen die door de Raad van de Orde of de in de artikel 488 bedoelde overheden wordt georganiseerd.
Tegen de weigering tot inschrijving op de lijst kan beroep worden ingesteld overeenkomstig artikel 469bis.
Het bureau zendt de lijst van de advocaten over aan de commissie voor juridische bijstand.
Art. 508/8. <Ingevoegd bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999> De Orde van Advocaten ziet toe op de kwaliteit van de prestaties die door de advocaten worden verstrekt in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand.
In geval van tekortkoming kan de Raad van de Orde van Advocaten met een met redenen omklede beslissing een advocaat schrappen van de in artikel 508/7 bedoelde lijst, volgens de bij de artikelen 465 tot 469 bepaalde procedure.
Art. 508/9. <Ingevoegd bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999> § 1. Voor het verkrijgen van gedeeltelijk of volledig kosteloze juridische tweedelijnsbijstand verwijzen de personen die de juridische eerstelijnsbijstand verlenen de aanvrager door naar het bureau.
Het bureau wijst een advocaat aan, die de aanvrager heeft gekozen op de in artikel 508/7 bedoelde lijst. Het bureau stelt de advocaat in kennis van zijn aanwijzing.
De advocaat wiens naam op de lijst voorkomt en tot wie een rechtzoekende zich heeft gewend zonder zich eerst bij het bureau aan te melden, vraagt aan het bureau de toestemming om aan zijn cliënt de juridische tweedelijnsbijstand te verlenen, indien hij van oordeel is dat deze aanspraak kan maken op gedeeltelijke of volledige kosteloosheid. De advocaat zendt de in artikel 508/13 bedoelde stukken over aan het bureau.
In spoedeisende gevallen mag de persoon die geen advocaat heeft zich rechtstreeks tot de advocaat van de wachtdienst wenden. Die advocaat verleent hem juridische bijstand en vraagt aan het bureau bevestiging van zijn aanwijzing.
§ 2. Een advocaat die optreedt met toepassing van dit hoofdstuk, mag zich in geen geval rechtstreeks tot de rechthebbende richten met het oog op de betaling van de honoraria en kosten, tenzij het bureau hem in spoedeisende gevallen toestemming verleent om voorschotten te innen.
Art. 508/10. <Ingevoegd bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999> Wanneer de begunstigde de taal van de procedure niet spreekt, stelt het bureau hem voor zover mogelijk een advocaat voor die zijn taal spreekt of een andere taal die hij begrijpt en bij ontstentenis hiervan een tolk, overeenkomstig de bepalingen van artikel 184bis van het Wetboek van strafvordering, ongeacht de aard van de procedure.
Art. 508/11. <Ingevoegd bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999> De advocaten moeten geregeld aan het bureau verslag doen, op de wijze die door de Minister van Justitie wordt bepaald in overleg met de in artikel 488 bedoelde overheden.
Het bureau zendt jaarlijks een verslag inzake de werking van de juridische tweedelijnsbijstand over aan de commissie voor juridische bijstand en aan de Minister van Justitie, op de wijze die deze laatste bepaalt.
Art. 508/12. <Ingevoegd bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999> Behalve in spoedeisende gevallen of wanneer het bureau er uitdrukkelijk mee heeft ingestemd, is het de advocaten verboden juridische tweedelijnsbijstand te verlenen voor de zaken waarin ze zijn opgetreden in het raam van de in artikel 508/4 bedoelde juridische eerstelijnsbijstand.
Afdeling II. - (Toekenning van de gedeeltelijke of volledige kosteloosheid.) <Ingevoegd bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999>
Art. 508/13. <Ingevoegd bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999> De juridische tweedelijnsbijstand kan gedeeltelijk of volledig kosteloos zijn voor wie over onvoldoende inkomsten beschikt en voor de met hen gelijkgestelde personen.
De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit het bedrag van die inkomsten, de over te leggen bewijsstukken en wie gelijkgesteld wordt met de personen met onvoldoende inkomsten.
Het bureau gaat na of voldaan is aan de voorwaarden inzake kosteloosheid.
Het bureau bewaart een afschrift van de stukken.
Art. 508/14. <Ingevoegd bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999> De aanvraag tot gedeeltelijke of volledige kosteloosheid wordt mondeling of schriftelijk gedaan door de aanvrager of zijn advocaat wiens naam voorkomt op de lijst bedoeld in artikel 508/7.
Behalve in spoedeisende gevallen worden alle in artikel 508/13 bedoelde bewijsstukken bij de aanvraag gevoegd.
In spoedeisende gevallen kan door het bureau het voordeel van de gedeeltelijke of volledige kosteloosheid voorlopig worden toegekend aan de aanvrager In dat geval bepaalt het bureau de termijn voor het indienen van de in artikel 508/13 bedoelde bewijsstukken.
Het bureau oordeelt op stukken bij zijn beslissing over de aanvraag tot gedeeltelijke of volledige kosteloosheid. De aanvrager of, in voorkomend geval, zijn advocaat, wordt gehoord op zijn verzoek of indien het bureau dat nodig acht.
Kennelijk ongegronde aanvragen worden geweigerd.
Art. 508/15. <W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999> Behoudens in spoedeisende gevallen wordt aan de aanvrager en, in voorkomend geval, aan zijn advocaat kennis gegeven van de beslissing binnen vijftien dagen na de aanvraag.
Elke beslissing tot weigering wordt met redenen omkleed.
De kennisgeving ervan moet nuttige informatie bevatten om het beroep bepaald bij artikel 508/16 in te stellen.
Art. 508/16. <Ingevoegd bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999> De aanvrager kan binnen een maand na de in artikel 508/15 bedoelde kennisgeving beroep instellen bij de arbeidsrechtbank tegen een beslissing tot weigering.
Art. 508/17. <Ingevoegd bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999>Zo de aanvrager gedeeltelijk of volledig kosteloze juridische tweedelijnsbijstand is toegekend en hij een verzoek tot rechtsbijstand wenst in te dienen, zendt zijn advocaat de voor de toekenning van de juridische bijstand ingediende stukken onverwijld over aan de bevoegde rechtbank.
Art. 508/18. <Ingevoegd bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999> Het bureau kan een einde maken aan de juridische tweedelijnsbijstand wanneer de begunstigde niet langer voldoet aan de voorwaarden bepaald bij artikel 508/13 of wanneer hij kennelijk geen medewerking verleent bij de verdediging van zijn belangen.
De advocaat dient daartoe een gemotiveerd verzoek in bij het bureau.
Het bureau geeft de begunstigde kennis van het verzoek en nodigt hem uit zijn opmerkingen te maken.
Elke beslissing tot ontheffing wordt bij een ter post aangetekende brief ter kennis van de begunstigde gebracht. Tegen die beslissing kan beroep worden ingesteld.
De artikelen 508/15 en 508/16 zijn van toepassing.
HOOFDSTUK V. - (De vergoeding van de advocaten). <Ingevoegd bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999>
Art. 508/19. <Ingevoegd bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999> § 1. De advocaten belast met de gedeeltelijk of volledig kosteloze juridische tweedelijnsbijstand doen verslag aan het bureau over elke behandelde zaak waarvoor zij in dit raam prestaties hebben verricht.
Het bureau kent voor die prestaties aan de advocaten punten toe en het doet hierover verslag aan de stafhouder.
De stafhouder deelt het totaal van de punten van de balie mee aan de in artikel 488 bedoelde overheden die het totaal van de punten van alle balies meedelen aan de Minister van Justitie.
§ 2. Zodra hij de mededeling heeft ontvangen van de informatie bedoeld in § 1, kan de Minister van Justitie een controle laten uitvoeren op de wijze die hij bepaalt na raadpleging van de in artikel 488 bedoelde overheden. Hij gelast de betaling van de vergoeding aan die overheden die via de Ordes van Advocaten voor de verdeling ervan zorgen.
HOOFDSTUK VI. - (Terugvordering van de rijksvergoeding. - Recht van de advocaat op de volledige betaling van honoraria en kosten). <Ingevoegd bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999>
Art. 508/20. <Ingevoegd bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999> § 1. Onverminderd strafrechtelijke sancties kan de vergoeding verleend voor de juridische tweedelijnsbijstand door de Schatkist van de bijgestane persoon worden teruggevorderd :
1° indien blijkt dat zich een wijziging heeft voorgedaan in zijn vermogen, inkomsten of lasten en hij derhalve in staat is te betalen;
2° wanneer de rechtzoekende voordeel heeft gehaald uit het optreden van de advocaat, zodanig dat, mocht dat voordeel hebben bestaan op de dag van de aanvraag, die bijstand hem niet zou zijn toegekend;
3° indien de bijstand is verleend op grond van valse verklaringen of door andere bedrieglijke middelen is verkregen.
In dat geval bepaalt het bureau de staat van kosten en honoraria die de advocaat nog kan vorderen van de begunstigde.
§ 2. Ingeval de begunstigde recht heeft op een tegemoetkoming binnen het raam van een rechtsbijstandverzekering, stelt de aangewezen advocaat het bureau hiervan in kennis en treedt de Schatkist in de rechten van de begunstigde ten belope van het door haar gedragen bedrag van de verleende juridische bijstand.
Ingeval de begunstigde voornoemde tegemoetkoming heeft ontvangen, vordert de Schatkist op hem het bedrag van de verleende juridische bijstand terug.
Ingeval de advocaat van de begunstigde voornoemde tegemoetkoming heeft ontvangen, vordert de Schatkist op hem het bedrag van de verleende juridische bijstand terug.
§ 3. De terugvordering bedoeld in § 1 van dit artikel verjaart na een termijn van vijf jaar te rekenen van de beslissing tot verlening van de gedeeltelijk of volledig kosteloze juridische bijstand, zonder dat de verjaringstermijn korter kan zijn dan één jaar, te rekenen van de ontvangst van de vergoeding door de advocaat.".
HOOFDSTUK VI. - (De ambtshalve toevoeging van advocaten). <Ingevoegd bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999>
Art. 508/21. <Ingevoegd bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999> Telkens wanneer krachtens de wet een advocaat ambtshalve moet worden toegevoegd, gebeurt de aanwijzing door de stafhouder of door het bureau, behoudens de uitzonderingen waarin de wet voorziet.
Art. 508/22. <Ingevoegd bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999> Wanneer de persoon die moet worden bijgestaan niet voldoet aan de in artikel 508/13 bedoelde inkomensvoorwaarden, wijst de stafhouder naar keuze van die persoon een advocaat aan. In de gevallen die hij spoedeisend acht, wijst de stafhouder een advocaat aan. die deelneemt aan de in artikel 508/7 bedoelde wachtdiensten.
Artikel 459 is van toepassing op de honoraria van deze advocaat.
Ingeval de bijgestane persoon nalaat of weigert te betalen, wordt aan de ambtshalve toegevoegde advocaat een rijksvergoeding toegekend wegens de werkzaamheden waarvoor de toevoeging heeft plaatsgehad.
In geval van gedeeltelijke betaling van de honoraria door de bijgestane persoon wordt de vergoeding verminderd met het betaalde bedrag.
Wanneer een vergoeding wordt toegekend, zijn de hoofdstukken V en VI van toepassing.
Art. 508/23. <Ingevoegd bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999> Wanneer de bijgestane persoon voldoet aan de bij artikel 508/13 bepaalde inkomensvoorwaarden, wijst het bureau een advocaat aan uit de in artikel 508/7 bedoelde lijst.
In de gevallen die hij spoedeisend acht, wijst de stafhouder een advocaat aan die is ingeschreven op de in artikel 508/7 bedoelde lijst en geeft hij hiervan kennis aan het bureau.
Voor het overige zijn de hoofdstukken IV tot VI van toepassing.
BOEK IV. - GERECHTSDEURWAARDERS.
HOOFDSTUK I. - Titel, benoeming, eed en standplaats.
Art. 509. Er zijn gerechtsdeurwaarders in elk arrondissement. Zij worden door de Koning benoemd uit de kandidaten voorgedragen overeenkomstig de regels bepaald in artikel 512.
Art. 510. <W 1992-04-06/30, art. 1, 024; Inwerkingtreding : 1992-05-23>
Om tot gerechtsdeurwaarder benoemd te kunnen worden moet men :
1° vijfentwintig jaar oud zijn;
2° houder zijn van het diploma van doctor of licentiaat in de rechten;
3° een getuigschrift kunnen voorleggen van goed zedelijk gedrag, uitgereikt door het gemeentebestuur van de woonplaats;
4° aan de eisen van de dienstplichtwetten hebben voldaan;
5° in één of meer gerechtsdeurwaarderskantoren een effectieve gehomologeerde stage hebben doorgemaakt van twee volle jaren zonder onderbreking; de legerdienst en de burgerdienst worden niet geacht de stage te hebben onderbroken. Ook andere, zwaarwichtige omstandigheden die tot onvermijdelijke onderbreking van de stage leiden, kunnen door de Koning worden geacht niet te gelden als een onderbreking van de stage.
Art. 511. <W 1992-04-06/30, art. 2, 024; Inwerkingtreding : 1992-05-23>
De Koning bepaalt de wijze waarop de stage wordt georganiseerd, alsmede de samenstelling en de werking van de commissie die met de homologatie van de stage belast is.
De kandidaat-stagiair moet zijn stage doormaken bij één of meer gerechtsdeurwaarders die zelf minstens drie volle jaren het beroep van gerechtsdeurwaarder als titularis hebben uitgeoefend.
De kandidaat-stagiair dient houder te zijn van het diploma van doctor of licentiaat in de rechten en moet een getuigschrift kunnen voorleggen als bepaald in artikel 510, 3°.
De stage mag niet plaatshebben tijdens de studietijd voor het verkrijgen van de in het derde lid bepaalde diploma's en de kanditaat-stagiair moet eerst houder zijn van één van die diploma's. De commissie kan een afwijking toestaan indien de kandidaat-stagiair minstens vijf jaar een verantwoordelijke opdracht in een gerechtsdeurwaarderskantoor heeft waargenomen.
Art. 512. <W 1992-04-06/30, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 1992-05-23> § 1. De kandidaat voor een ambt van gerechtsdeurwaarder richt zijn aanvraag bij een ter post aangetekende brief tot de Minister van Justitie en tot de voorzitter van de Nationale Kamer van de gerechtsdeurwaarders en zendt eveneens aangetekend een afschrift ervan samen met zijn dossier, bevattende de documenten die staven dat hij voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 510, aan de syndicus-voorzitter van de raad van de arrondissementskamer waar hij solliciteert.
(De voormelde kandidaturen moeten op straffe van verval worden ingediend binnen een termijn van één maand na de bekendmaking van de vacature in het Belgisch Staatsblad.
De bekendmaking kan geschieden op zijn vroegst zes maanden voor het ontstaan van de vacature.
Geen benoeming kan geschieden dan nadat de termijn bepaald in het tweede lid is verlopen.) <W 1997-02-17/50, art. 89, 045; ED : 01-07-1997>
§ 2. De Minister van Justitie wint het met redenen omkleed advies van de procureur-generaal, van de procureur des Konings en van de raad van de arrondissementskamer in over de verdiensten en de bekwaamheid van de kandidaten.
Na ontvangst van de aanvraag om advies zendt de syndicus-voorzitter van de raad van de arrondissementskamer een afschrift van de aanvraag over aan de voorzitter van de Nationale Kamer van de gerechtsdeurwaarders.
§ 3. De kandidaat wordt in kennis gesteld van de adviezen. Hij beschikt over een termijn van 10 dagen om zijn opmerkingen aan de om advies gevraagde instanties voor te leggen en te vragen gehoord te worden, in voorkomend geval bijgestaan door een raadsman van zijn keuze.
Het definitieve advies van de raad van de arrondissementskamer wordt aan de voorzitter van de Nationale Kamer van de gerechtsdeurwaarders overgezonden.
De definitieve adviezen worden aan de Minister van Justitie medegedeeld, door respectievelijk de procureur-generaal, de procureur des Konings en de voorzitter van de Nationale Kamer van de gerechtsdeurwaarders, of door hun gemachtigde vertegenwoordiger, binnen een termijn van 40 dagen te rekenen van de datum van ontvangst van de aanvraag om advies, of, indien de betrokkene gebruik heeft gemaakt van de in § 3, eerste lid, bedoelde mogelijkheid, binnen een termijn van 30 dagen te rekenen van de datum van ontvangst van zijn opmerkingen of van de datum waarop hij door de om advies verzochte overheid werd gehoord.
Terzelfder tijd zendt de voorzitter van de Nationale Kamer van de gerechtsdeurwaarders het door de syndicus-voorzitter samengestelde dossier van de kandidaat over aan de Minister van Justitie.
§ 4. Nadat de Minister van Justitie de definitieve adviezen en het dossier heeft ontvangen, draagt hij een kandidaat ter benoeming voor aan de Koning.
§ 5. De Koning bepaalt de procedure en de regels voor de voortzetting van het deurwaarderskantoor in geval van ontslag, overlijden, schorsing of afzetting.
Art. 513. <W 1992-04-06/30, art. 4, 024; Inwerkingtreding : 1992-05-23> Het koninklijk besluit tot benoeming bepaalt in welk gerechtelijk arrondissement de gerechtsdeurwaarder zijn ambt zal uitoefenen en moet kantoor houden.
De gerechtsdeurwaarder mag slechts één kantoor hebben, dat gevestigd wordt in de gemeente die de Minister van Justitie aanwijst. Deze aanwijzing kan worden gewijzigd op verzoek van de betrokkene.
De gerechtsdeurwaarder mag zijn ambt slechts uitoefenen in het gerechtelijk arrondissement dat bij het koninklijk besluit tot benoeming is bepaald.
(De gerechtsdeurwaarders met kantoor in de gerechtelijke arrondissementen van Antwerpen, Brugge en Veurne, zijn bevoegd om hun ambt uit te oefenen in de territoriale zee bedoeld bij artikel 1 van de wet van 6 oktober 1987 tot vaststelling van de breedte van de territoriale zee van België, evenals in de exclusieve economische zone, bedoeld in artikel 2 van de wet van 22 april 1999 betreffende de exclusieve economische zone van België in de Noordzee.) <W 1999-04-22/47, art. 51, 076; Inwerkingtreding : 20-07-1999>
Art. 514. De gerechtsdeurwaarder meldt zich binnen een maand nadat hij in kennis werd gesteld van het besluit van zijn benoeming, ter openbare terechtzitting aan bij de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar hij zijn ambt zal uitoefenen; hij legt er de eed af van trouw aan de Koning en van gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgisch volk, alsmede die zich te zullen schikken naar de wetten en verordeningen van zijn ambt en zijn functies stipt en nauwgezet uit te oefenen.
Art. 515. De Koning bepaalt het aantal gerechtsdeurwaarders per arrondissement, nadat hij het advies heeft ingewonnen van de procureur-generaal bij het hof van beroep, van de procureur des Konings (van de vaste raad van de Nationale Kamer) en van de raad van de arrondissementskamer van de gerechtsdeurwaarders. <W 1992-04-06/30, art. 5, 024; Inwerkingtreding : 23-05-1992>
(In het door de Koning bepaalde aantal gerechtsdeurwaarders zijn zij die de ouderdom van 70 jaar hebben overschreden, niet inbegrepen.) <W 26-02-1981, art. 1>
Indien er meer gerechtsdeurwaarders in functie zijn dan het getal dat door de Koning is bepaald, geschiedt de vermindering tot laatstbedoeld getal slechts bij overlijden, ontslag of afzetting.
HOOFDSTUK II. - Taak van de gerechtsdeurwaarder.
Art. 516. <W 1992-04-06/30, art. 6, 024; Inwerkingtreding : 1992-05-23>
Behoudens andersluidende wettelijke bepalingen zijn alleen de gerechtsdeurwaarders bevoegd tot het opstellen en betekenen van alle exploten en tot het tenuitvoerleggen van alle gerechtelijke beslissingen, akten of titels in uitvoerbare vorm.
Zij kunnen aangesteld worden om vaststellingen te doen van zuiver materiële feiten, zonder enig advies uit te brengen met betrekking tot de gevolgen in feite of in rechte die daaruit zouden kunnen voortvloeien; zij kunnen ook op verzoek van particulieren tot die vaststellingen overgaan. Zij doen ook de vaststellingen die tot de wettelijke uitoefening van hun ambt behoren.
Zij kunnen ter griffie de uitgiften, afschriften en uittreksels van alle processtukken lichten en de verzoekschriften indienen die zij krachtens de wet kunnen ondertekenen; zij kunnen tevens, op verzoek van de advocaten van de partijen, alle andere verzoekschriften ter griffie neerleggen.
Zij kunnen de afschriften en vertalingen van documenten in hun bezit voor eensluidend tekenen en kunnen uittreksels opstellen van alle akten van hun ambt.
De gerechtsdeurwaarders verrichten, evenals de notarissen, de schattingen en openbare verkopingen van meubelen en roerende goederen, met inachtneming van de ter zake geldende wetten en verordeningen.
De raad van de arrondissementskamer stelt de rol vast van de gerechtsdeurwaarders die belast zijn met de betekening van de akten van strafzaken.
Art. 517. <W 15-07-1970, art. 28> De gerechtsdeurwaarder is verplicht zijn ambt uit te oefenen telkens als hij erom wordt verzocht en voor ieder die erom verzoekt. Hij mag echter niet optreden voor zijn echtgenoot noch voor zijn bloed- en aanverwanten in de rechte lijn of die van zijn echtgenoot, noch voor zijn bloed- en aanverwanten in de zijlijn, tot in de vierde graad.
HOOFDSTUK III. _Onverenigbaarheden.
Art. 518. Het is elke gerechtsdeurwaarder verboden om zelf of door een tussenpersoon enig ander beroep uit te oefenen.
De procureur-generaal bij het hof van beroep kan, in bijzondere gevallen, na het advies van de procureur des Konings en van de raad van de arrondissementskamer te hebben ingewonnen, de gerechtsdeurwaarder toestaan (bestuurder) (...) van een handelsvennootschap te zijn, evenwel zonder dat hij zaakvoerder, afgevaardigde-beheerder of vereffenaar mag zijn. <W 1992-04-06/30, art. 7, 024; Inwerkingtreding : 23-05-1992>
HOOFDSTUK IV. _ Tarief.
Art. 519. <W 1998-05-20/56, art. 2, 064 ; Inwerkingtreding : 1999-01-01> De Koning stelt het tarief voor alle akten van de gerechtsdeurwaarders en van de vergoedingen voor reiskosten.
Art. 520. (Opgeheven) <W 1998-05-20/56, art. 3, 064 ; Inwerkingtreding : 1999-01-01>
Art. 521. De Koning kan een vereveningsfonds voor de vervoerkosten instellen. Dit fonds betaalt aan de gerechtsdeurwaarders de hun verschuldigde vervoerkosten terug naar het door de Koning vastgestelde tarief.
Het fonds int, door bemiddeling van de gerechtsdeurwaarders, een door de Koning bepaald vast recht dat in rekening wordt gebracht in elke akte of proces-verbaal door die (gerechtsdeurwaarder) gesteld. <W 1992-04-06/30, art. 8, 024; Inwerkingtreding : 23-05-1992>
Het huishoudelijk reglement van het Vereveningsfonds voor de vervoerkosten wordt opgemaakt door de vaste raad van de nationale kamer van gerechtsdeurwaarders; het wordt door de Koning goedgekeurd na advies van de procureurs-generaal bij de hoven van beroep.
Art. 522. (Opgeheven) <W 1998-05-20/56, art. 3, 064 ; Inwerkingtreding : 1999-01-01>
Art. 523. Buiten de vermelding van het bedrag van hun vergoeding die de gerechtsdeurwaarders onderaan op het origineel en op het afschrift van elke akte moeten aanbrengen, dienen ze op de kant van het origineel het aantal bladen van de afschriften der stukken te vermelden en alle posten van de kostennota voor de akte op te geven.
HOOFDSTUK V _ Plaatsvervanging.
Art. 524. <W 1992-04-06/30, art. 9, 024; Inwerkingtreding : 1992-05-23> De gerechtsdeurwaarder die vakantie neemt of verhinderd is om zijn ambt uit te oefenen, moet zich laten vervangen door een confrater of een plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder.
Art. 525. De plaatsvervangende gerechtsdeurwaarder wordt door de procureur des Konings benoemd. Hij dient de in artikel 510 bepaalde benoemingsvoorwaarden te vervullen en mag zijn ambt slechts uitoefenen na de bij artikel 514 bedoelde eer te hebben afgelegd.
Zolang hij plaatsvervanger is, heeft hij dezelfde rechten en prerogatieven, heeft hij dezelfde bevoegdheden en verplichtingen, en is hij aan dezelfde tucht onderworpen als de gerechtsdeurwaarder die hij vervangt.
Art. 526. De aanvraag om vervanging (door een kandidaat-gerechtsdeurwaarder) wordt aan de procureur des Konings gericht door tussenkomst van de syndicus van de arrondissementskamer. <W 1992-04-06/30, art. 10, 024; Inwerkingtreding : 23-05-1992>
De gerechtsdeurwaarder voegt bij zijn aanvraag:
1° de verklaring van de kandidaat-plaatsvervanger, dat hij aanvaardt hem te vervangen;
2° de documenten waaruit blijkt dat de kandidaat-plaatsvervanger aan de in artikel 510 gestelde benoemingsvoorwaarden voldoet.
(Indien de gerechtsdeurwaarder nalaat of niet bij machte is de aanvraag om vervanging door een kandidaat-gerechtsdeurwaarder te doen of indien de procureur des Konings weigert de vervanging toe te staan, dan wordt het verzoek door de syndicus gedaan aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg die beslist op de conclusie van het openbaar ministerie, de gerechtsdeurwaarder en zijn syndicus gehoord of opgeroepen.) <W 1992-04-06/30, art. 10, 2°, 024; Inwerkingtreding : 1992-05-23>
Art. 527. In de beslissing wordt de duur van de plaatsvervanging vastgesteld.
Deze beslissing kan te allen tijde worden ingetrokken, hetzij op verzoek van de vervangen gerechtsdeurwaarder, hetzij van ambtswege.
De duur van de plaatsvervanging kan worden verlengd door de procureur des Konings of, al naar het geval, door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg.
Art. 528. Op straffe van tuchtmaatregelen is het de vervangen gerechtsdeurwaarder verboden gedurende de vervangingstermijn zijn ambt uit te oefenen.
De plaatsvervanger die na het verstrijken van de gestelde termijn een handeling verricht welke tot het ambt van gerechtsdeurwaarder behoort, wordt gestraft met de straffen bepaald in artikel 262 van het Strafwetboek.
Niet-naleving van deze verbodsbepalingen heeft geen nietigheid van de handeling tot gevolg.
Art. 529. De eed, door de plaatsvervangende gerechtsdeurwaarder afgelegd, blijft geldig voor eventuele latere vervangingsopdrachten.
In dat geval moeten de stukken bepaald in artikel 526, lid 2, 2°, slechts voorgebracht worden op verzoek van de procureur des Konings.
Art. 530. <W 1992-04-06/30, art. 11, 024; Inwerkingtreding : 1992-05-23>
De plaatsvervangende gerechtsdeurwaarder benoemd op grond van artikel 524, eerste lid, houdt gedurende de gehele vervangingstermijn de repertoria van de vervangen gerechtsdeurwaarder bij.
De gerechtsdeurwaarder aangewezen op basis van de regels die de Koning op grond van artikel 512, § 5, heeft vastgesteld, houdt gedurende de gehele termijn van het beheer de repertoria van de ontslagen, overleden, geschorste of afgezette gerechtsdeurwaarder bij.
De plaatsvervangende gerechtsdeurwaarder vermeldt op alle akten die hij opmaakt, zijn hoedanigheid van plaatsvervanger en de naam van de gerechtsdeurwaarder die hij vervangt.
HOOFDSTUK VI. _ Tucht.
Art. 531. <W 1992-04-06/30, art. 12, 024; Inwerkingtreding : 1992-05-23>
De raad van de arrondissementskamer kan de volgende tuchtstraffen opleggen :
1° aan de gerechtsdeurwaarder-titularis :
a) terechtwijzing;
b) enkele censuur;
c) censuur met berisping door de syndicus ten overstaan van de raad van de arrondissementskamer;
d) niet-toelating tot de raad van de arrondissementskamer en tot de vaste raad van de Nationale Kamer gedurende ten hoogste drie jaar, de eerste maal, en ten hoogste zes jaar in geval van herhaling;
2° aan de plaatsvervangende gerechtsdeurwaarder, een der tuchtstraffen gesteld onder 1°, a, b of c.
De raad van de arrondissementskamer behandelt de zaak in openbare zitting, tenzij de verdachte gerechtsdeurwaarder de behandeling met gesloten deuren vraagt.
De raad van de arrondissementskamer mag eveneens met gesloten deuren zitting houden gedurende de gehele rechtspleging of een gedeelte ervan, in het belang van de goede zeden of van de openbare orde, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privéleven van de verdachte gerechtsdeurwaarder dit vereisen of, in de mate als door de raad van de arrondissementskamer onder bepaalde omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van de rechtsbedeling zou schaden.
De beslissing die bij verstek is uitgesproken, wordt aan de gerechtsdeurwaarder of de plaatsvervangende gerechtsdeurwaarder betekend door de secretaris van de raad van de arrondissementskamer of door een ander lid van deze raad.
Art. 531bis. <ingevoegd bij W 1992-04-06/30, art. 13, 024; Inwerkingtreding : 1992-05-23>
Tegen een tuchtstraf uitgesproken overeenkomstig artikel 531, is hoger beroep mogelijk bij een raad van beroep voor gerechtsdeurwaarders.
In het rechtsgebied van elk hof van beroep wordt een raad ingesteld. Deze vergadert op de plaats waar de zetel van het hof van beroep is gevestigd. In het rechtsgebied van het hof van beroep te Brussel is er een Nederlandstalige en een Franstalige raad. De raad bestaat uit drie assessoren en drie plaatsvervangende assessoren, gekozen onder de gerechtsdeurwaarders, waarbij zowel de assessoren als de plaatsvervangende assessoren tot drie verschillende gerechtelijke arrondissementen behoren. De raad wordt voorgezeten door een raadsheer van het bevoegde hof van beroep, daartoe aangewezen door de eerste voorzitter.
De assessoren worden jaarlijks verkozen door de vaste raad, bij geheime stemming. Zij zijn herkiesbaar.
Onder de assessoren worden een secretaris en een rapporteur aangewezen.
Een lid van het directiecomité kan, op verzoek van de raad, gehoord worden zonder aan de beraadslaging te mogen deelnemen.
De assessoren worden voor de eerste maal aangesteld door de eerste voorzitter van het bevoegde hof van beroep, op voordracht van de betrokken arrondissementskamer.
Art. 531ter. <ingevoegd bij W 1992-04-06/30, art. 13, 024; Inwerkingtreding : 1992-05-23> Het hoger beroep dient door de betrokken titularis of plaatsvervangende gerechtsdeurwaarder ingesteld te worden bij een gemotiveerd verzoekschrift in de taal van de bestreden beslissing. Dit verzoekschrift wordt bij een ter post aangetekende brief gericht of tegen ontvangstbewijs overhandigd aan de secretaris van de raad van de arrondissementskamer binnen een maand na de dag van de uitspraak, indien ze op tegenspraak is gewezen of, indien ze bij verstek is gewezen, binnen een maand na de datum van de betekening aan de betrokkene door de secretaris van de raad van de arrondissementskamer of door een ander lid van deze raad.
Artikel 50 van dit Wetboek is van overeenkomstige toepassing.
Art. 531quater. <ingevoegd bij W 1992-04-06/30, art. 13, 024; Inwerkingtreding : 1992-05-23> Het hoger beroep is opschortend.
De leden van de raad van beroep die voldoen aan een van de voorwaarden gesteld in artikel 828, evenals de leden van de arrondissementskamer die de tuchtstraf heeft uitgesproken, worden ambtshalve gewraakt.
Art. 531quinquies. <ingevoegd bij W 1992-04-06/30, art. 13, 024; Inwerkingtreding : 1992-05-23> De appellant wordt door de secretaris bij een ter post aangetekende brief opgeroepen om voor de raad van beroep te verschijnen.
De termijn van verschijning bedraagt ten minste vijftien dagen. Tenzij de appellant uitdrukkelijk de behandeling met gesloten deuren vraagt, hebben de debatten plaats in openbare terechtzitting.
De raad van beroep mag eveneens met gesloten deuren zitting houden gedurende de gehele rechtspleging of een gedeelte ervan, in het belang van de goede zeden of van de openbare orde, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privéleven van de verdachte gerechtsdeurwaarder dit vereisen of, in de mate als door de raad van beroep onder bepaalde omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer openbaarheid de belangen van de rechtsbedeling zou schaden.
De beslissing van de raad van beroep wordt bij een ter post aangetekende brief gericht aan de appellant en aan de secretaris van de raad van de arrondissementskamer door de secretaris van de raad van beroep.
Art. 532. Schorsing, afzetting en veroordeling tot geldboeten worden tegen de gerechtsdeurwaarders uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg van hun standplaats, ten verzoeke van de procureur des Konings.
De duur van de straf van de schorsing mag niet meer dan een jaar bedragen.
Tegen deze vonnissen staat hoger beroep open.
Art. 533. De gerechtsdeurwaarders mogen zichzelf rechtstreeks noch onrechtstreeks de roerende goederen toewijzen, waarvan de verkoop hun is opgedragen.
Iedere overtreding van deze bepaling wordt gestraft met schorsing van de gerechtsdeurwaarder gedurende drie maanden en met geldboete van duizend frank voor elk door hem gekocht voorwerp, onverminderd de toepassing van de strafwetten.
Herhaling heeft steeds afzetting tot gevolg.
Art. 534. De raad van de kamer mag de tuchtstraffen eerst toepassen na de beklaagde gerechtsdeurwaarder te hebben gehoord of, als hij niet is verschenen, op de vergadering die in de dagvaarding is bepaald.
De dagvaarding geschiedt met een termijn van acht dagen, bij ter post aangetekende brief die de reden van de oproeping vermeldt en de handtekening draagt van de verslaggever. Deze doet er aantekening van op een daartoe gehouden register. Dat register wordt genummerd en geparafeerd door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg.
HOOFDSTUK VII. _ Arrondissementskamer van gerechtsdeurwaarders.
Art. 535. In elk arrondissement is er een arrondissementskamer van gerechtsdeurwaarders, met zetel in de hoofdplaats van het arrondissement. Zij bestaat uit de gerechtsdeurwaarders van het arrondissement. Zij bezit rechtspersoonlijkheid.
Art. 536. <W 29-11-1979, art. 1> De arrondissementskamer wordt beheerd door een raad, waarvan het aantal leden vastgesteld is op:
negen in de arrondissementen met meer dan vijftig gerechtsdeurwaarders;
zeven in de arrondissementen met dertig tot vijftig gerechtsdeurwaarders;
vijf in de arrondissementen met meer dan tien gerechtsdeurwaarders;
vier in de arrondissementen met vijf tot tien gerechtsdeurwaarders;
één eenheid minder dan het totaal van het aantal gerechtsdeurwaarders voorzien in het arrondissement indien er dat vier of minder zijn.
Art. 537. De leden van de raad van de arrondissementskamer worden gekozen door de algemene vergadering, bijeengeroepen en voorgezeten door de syndicus.
(Deze algemene vergadering kiest eveneens de afgevaardigde en de plaatsvervangende afgevaardigde van de gerechtsdeurwaarders van het arrondissement bij de vaste raad van de Nationale Kamer.) <W 1992-04-06/30, art. 14, 024; Inwerkingtreding : 1992-05-23>
Art. 538. De raad van de arrondissementskamer wordt ieder jaar voor een derde vernieuwd.
De eerste twee vernieuwingen geschieden naar de orde van anciënniteit van benoeming.
Aftredende leden kunnen worden herkozen.
Art. 539. De raad van de arrondissementskamer bestaat uit de syndicus, de verslaggever, de penningmeester, de secretaris en de gewone leden, binnen de grenzen van artikel 536.
(Wanneer het aantal leden van de arrondissementskamer minder dan vier bedraagt, mogen voornoemde functies gecumuleerd worden; de functies van syndicus en verslaggever zullen evenwel steeds door verschillende personen worden uitgeoefend.) <W 29-11-1979, art. 2>
Art. 540. De verkiezing van de leden van de raad van de arrondissementskamer geschiedt bij geheime stemming. Zij heeft ieder jaar plaats in de maand juni.
Bijzondere stemmingen worden gehouden voor de verkiezing van de syndicus, de penningmeester, de verslaggever en de secretaris.
Indien bij de eerste stemming geen kandidaat de meerderheid der stemmen van de aanwezige leden behaalt, wordt herstemd tussen de twee kandidaten die de meeste stemmen behaalden; bij staking van stemmen wordt de voorkeur gegeven aan de kandidaat met de meeste anciënniteit.
De overige leden van de raad worden verkozen bij stemming op een lijst, waarbij voor de geldigheid van elk stembiljet vereist is dat het evenveel namen bevat als er te begeven plaatsen zijn.
Al die verkiezingen geschieden bij volstrekte meerderheid van de geldige stemmen.
De leden van de raad treden in functie op één september.
Art. 541. De raad vergadert ten minste eenmaal per maand, op bijeenroeping door de syndicus.
De syndicus roept een buitengewone vergadering bijeen, als hij dit geraden acht, of op gemotiveerd verzoek van twee andere leden of op verzoek van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg of de procureur des Konings.
Art. 542. De raad van de arrondissementskamer heeft opdracht:
1° orde en tucht onder de gerechtsdeurwaarders van het arrondissement te handhaven en de toepassing van de hen betreffende wetten en verordeningen te verzekeren;
2° de tot zijn bevoegdheid behorende tuchtstraffen op te leggen en aan de procureur des Konings de feiten aan te geven die naar zijn oordeel aanleiding zouden kunnen geven tot tuchtstraffen die buiten de bevoegdheid van de raad vallen;
3° de hem onderworpen klachten te onderzoeken betreffende het door de gerechtsdeurwaarders gevorderde bedrag van alle kosten en uitgaven en de terugbetaling van alle onrechtmatig geinde kosten of uitgaven te bevelen;
4° telkens wanneer dit van hem wordt gevorderd door de hoven en rechtbanken of door de procureur des Konings, advies uit te brengen, met name over alle geschillen die kunnen oprijzen hetzij tussen gerechtsdeurwaarders, hetzij tussen hen en hun opdrachtgevers en over alle klachten of bezwaren betreffende fouten of nalatigheden in de uitoefening van hun functies;
5° alle geschillen, die tussen gerechtsdeurwaarders kunnen rijzen betreffende hun rechten, functies en plichten, te voorkomen of bij te leggen.
6° ieder jaar, op de algemene vergadering, het bedrag van de door de gerechtsdeurwaarders te betalen bijdrage vast te stellen;
7° de gelden van de kamer te beheren en er, met haar instemming, over te beschikken als uitkeringsfonds ten behoeve van gerechtsdeurwaarders of oud-gerechtsdeurwaarders, hun weduwen en wezen.
8° (de veilingzaal van de gerechtsdeurwaarders te beheren of daarop toezicht te houden en de straal te bepalen binnen welke het gebruik van deze zaal zal verplicht zijn.) <W 28-6-1974, art. 2>
(9° aan de secretaris van de raad van beroep de dossiers in tuchtzaken over te zenden waarin hoger beroep werd aangetekend, binnen acht dagen te rekenen van de kennisgeving van dat hoger beroep aan de secretaris van de raad van de arrondissementskamer. Deze termijn wordt tijdens de gerechtelijke vakantie opgeschort tot de vijftiende dag van het nieuwe gerechtelijk jaar.) <ingevoegd bij W 1992-04-06/30, art. 15, 024; Inwerkingtreding : 1992-05-23>
Art. 543. De syndicus handhaaft de orde in de raad.
Hij stelt de te behandelen onderwerpen voor, verricht de stemopneming en maakt de uitslag bekend.
Hij leidt alle vorderingen en vervolgingen welke door de raad dienen ingesteld te worden en handelt in alle gevallen in zijn naam, overeenkomstig hetgeen deze heeft beslist.
Hij alleen is gerechtigd om in naam van de raad briefwisseling te voeren met de voorzitters van de rechtbanken en met de procureur des Konings, tenzij er wegens verhindering, aan de verslaggever opdracht is verleend.
Art. 544. De verslaggever verwijst, hetzij ambtshalve hetzij op verzoek van betrokken partijen of van een der leden van de kamer, naar de raad alle feiten die aanleiding kunnen zijn tot tuchtmaatregelen.
Hij verzamelt inlichtingen over deze feiten alsook over alle aangelegenheden welke aan de raad ter kennis dienen gebracht te worden, en brengt bij deze verslag uit.
Hij vervangt de syndicus wanneer deze afwezig of belet is.
(In de gevallen waarin het onmogelijk blijkt te voldoen aan de bepalingen van artikel 547, eerste lid, wordt in tuchtzaken de verslaggever vervangen door de adjunct-verslaggever. Deze heeft dan dezelfde bevoegdheden als de verslaggever. Hij wordt jaarlijks verkozen door de algemene vergadering. Hij mag geen lid zijn van de raad van de arrondissementskamer.) <W 1992-04-06/30, art. 16, 024; Inwerkingtreding : 1992-05-23>
Art. 545. De secretaris stelt de beslissingen van de raad op schrift.
Deze beslissingen worden in een door de syndicus genummerd en geparafeerd register opgenomen en door al de medebeslissende leden ondertekend.
De secretaris bewaart het archief. Hij geeft door hem ondertekende uitgiften af.
Art. 546. De personen die moeten gehoord worden of dit vragen met betrekking tot bezwaarschriften of klachten, die aan de raad van de arrondissementskamer zijn gericht, worden opgeroepen op de wijze bepaald in artikel 534.
Partijen mogen zich uit eigen beweging, zonder voorafgaande dagvaarding, ter vergadering van de raad aanmelden.
Art. 547. De raad kan over geen enkele aangelegenheid een beslissing nemen of een advies uitbrengen dan na de verslaggever te hebben gehoord.
Hij kan slechts op geldige wijze beslissen wanneer ten minste twee derden van zijn leden aan de stemming deelnemen.
De beslissingen worden genomen bij volstrekte meerderheid van stemmen. Bij staking van stemmen beslist de stem van de syndicus.
Art. 548. De raad is gehouden de registers met zijn beslissingen en alle overige in zijn archief berustende stukken aan de procureur-generaal of aan de procureur des Konings voor te leggen, telkens als zij erom verzoeken.
HOOFDSTUK VIII. _ Nationale kamer van gerechtsdeurwaarders.
Art. 549. Alle gerechtsdeurwaarders van het land vormen samen de nationale kamer, die rechtspersoonlijkheid geniet. Zij is gevestigd (in het gerechtelijk arrondissement Brussel) en wordt beheerd door een vaste raad. <W 1992-04-06/30, art. 17, 024; Inwerkingtreding : 23-05-1992>
Art. 550. De nationale kamer heeft tot taak:
1° te waken voor de eenvormigheid van de tucht (en van de regels van deontologie) onder haar leden en voor de uitvoering van de hen betreffende wetten en verordeningen; <W 1992-04-06/30, art. 18, 1°, 024; Inwerkingtreding : 23-05-1992>
2° de belangen van haar leden te verdedigen en hen in alle omstandigheden te vertegenwoordigen;
3° de verkiezing van de leden van de vaste raad te organiseren;
4° jaarlijks de rekeningen die de vaste raad haar voorlegt, alsmede de begroting goed te keuren;
5° jaarlijks het bedrag van de bijdrage vast te stellen;
6° het reglement voorgesteld door de vaste raad, goed te keuren.
(7° in de afgifte van het stage- en praktijkboekje te voorzien.) <ingevoegd bij W 1992-04-06/30, art. 18, 2°, 024; Inwerkingtreding : 1992-05-23>
Art. 551. De vaste raad kan de bevoegdheden van de nationale kamer uitoefenen, die bepaald zijn in nrs. 1°, 2° (, 3° en 7°) van artikel 550. <W 1992-04-06/30, art. 19, 1°, 024; Inwerkingtreding : 23-05-1992>
(Hij richt tot de syndici van de arrondissementskamers, en zo nodig tot de leden van de Nationale Kamer, de daarop betrekking hebbende richtlijnen of aanbevelingen;) <W 1992-04-06/30, art. 19, 2°, 024; Inwerkingtreding : 1992-05-23>
(...) <W 1992-04-06/30, art. 19, 3°, 024; Inwerkingtreding : 1992-05-23>
Art. 552. De vaste raad bestaat uit evenveel leden als er arrondissementen zijn, naar rata van één gewoon en één plaatsvervangend lid, gekozen door iedere arrondissementskamer.
Hij vergadert ten minste eenmaal per kwartaal, op bijeenroeping door zijn voorzitter of op verzoek van drie leden.
Art. 553. <W 1992-04-06/30, art. 20, 024; Inwerkingtreding : 1992-05-23>
De vaste raad kiest onder de gerechtsdeurwaarders een directiecomité bestaande uit een voorzitter, een ondervoorzitter, een secretaris, een rapporteur en een penningmeester.
Alleen tot voorzitter of ondervoorzitter kan gekozen worden een gerechtsdeurwaarder die minstens twee jaar vast lid is geweest van het directiecomité of van de vaste raad.
Het directiecomité wordt om de twee jaar voor een derde vernieuwd. De eerste twee vernieuwingen geschieden naar de orde van anciënniteit van benoeming als gerechtsdeurwaarder. Aftredende leden kunnen worden herkozen.
Het in artikel 550, 6°, bedoelde reglement stelt onder meer de werking en de bevoegdheid van het directiecomité vast.
Het directiecomité regelt zo mogelijk door verzoening de beroepsgeschillen tussen gerechtsdeurwaarders uit verschillende arrondissementen.
Art. 554. De nationale kamer beraadslaagt in beide landstalen. De verslagen en besluiten worden in (het Nederlands en het Frans) beide landstalen gesteld, zonder voorrang van de ene tekst boven de andere. <W 1985-09-23/33, art. 47, 008>
Art. 555. De vaste raad van de nationale kamer is gehouden de registers met zijn beslissingen en alle overige in zijn archief berustende stukken aan de procureurs-generaal bij de hoven van beroep voor te leggen, wanneer deze erom verzoeken.
HOOFDSTUK IX. _ <W 1985-09-23/33, art. 48, 008> Bepalingen eigen aan de gerechtsdeurwaarders van de gerechtelijke arrondissementen Verviers en Eupen.
Art. 555bis. <W 1985-09-23/33, art. 48, 008> In afwijking van de artikelen 513 en 516 mogen de gerechtsdeurwaarders met standplaats in het gerechtelijk arrondissement Verviers of in het gerechtelijk arrondissement Eupen, alle exploten in die twee arrondissementen verrichten.
Art. 555ter. <W 1985-09-23/33, art. 48, 008> In afwijking van artikel 535 is er één enkel gemeenschappelijke arrondissementskamer voor de gerechtelijke arrondissementen Verviers en Eupen. Zij draagt de benaming "kamer voor de arrondissementen Verviers en Eupen" en is gevestigd te Verviers. Zij bestaat uit de gerechtsdeurwaarders van de twee arrondissementen. Zij bezit rechtspersoonlijkheid.
Voor de toepassing van artikel 536 worden de twee arrondissementen geacht maar één arrondissement te vormen.
Art. 555quater. <ingevoegd bij W 1992-04-06/30, art. 21, 024; Inwerkingtreding : 1992-05-23>
De kandidaten voor het ambt van gerechtsdeurwaarder die voldoen aan de voorwaarden van het oud artikel 510 op de datum van de inwerkingtreding van de wet van 6 april 1992 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot het statuut van de gerechtsdeurwaarders, zijn vrijgesteld van de verplichtingen opgelegd door dit nieuw artikel, voor zover zij hun stageboekje binnen drie maanden na de dag van de inwerkingtreding van de voormelde wet laten valideren door de procureur des Konings van het arrondissement waar de kamer zitting houdt die het stageboekje heeft afgegeven.
In afwijking van het nieuw artikel 510, zijn de kandidaten voor het ambt van gerechtsdeurwaarder, die op de dag van de afschaffing van het oud artikel 510, 2°, b), ere-gerechtsdeurwaarder zijn of houder zijn van het getuigschrift van kandidaat-gerechtsdeurwaarder afgegeven overeenkomstig de wet van 5 juli 1963 tot regeling van het statuut der gerechtsdeurwaarders of overeenkomstig het oud artikel 510, vrijgesteld van de verplichting voorgeschreven bij het nieuw artikel 510, 2°. Dezelfde bepaling geldt voor de aanstelling tot plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder.
De andere bepalingen van de wet van 6 april 1992 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot het statuut van de gerechtsdeurwarders die betrekking hebben op de benoemingsprocedure, zijn van toepassing op alle kandidaten voor het ambt van gerechtsdeurwaarder.
Het oud artikel 510, eerste lid, 2°, b), en het oud artikel 511 worden opgeheven op het einde van het achtste kalenderjaar na het van kracht worden van de wet van 6 april 1992 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot het statuut van de gerechtsdeurwaarders. Gedurende deze overgangsperiode is de stage omschreven bij het nieuw artikel 511 toegankelijk voor de houders van het getuigschrift van hoger secundair onderwijs of van een van de daarmee gelijkgestelde bekwaamheidsbewijzen bedoeld in de op 31 december 1949 gecoördineerde wetten op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens.
De bepalingen van het nieuwe artikel 510, 5°, en van het nieuwe artikel 511, eerste lid, betreffende de stage zijn echter onmiddellijk van toepassing.
De voor het van kracht worden van de wet van 6 april 1992 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot het statuut van de gerechtsdeurwaarders volbrachte stage mag in mindering gebracht worden van de stage bepaald bij het nieuw artikel 510, 5°.

 

 

Nog dit: 

gerechtelijk wetboek overzicht gesolideerde onderdelen

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:16
Laatst aangepast op: vr, 22/01/2010 - 19:00

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.