-A +A

Geen uitstel meer mogelijk voor vervangende gevangenisstraf

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

 

Bij artikel 37 van de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie (BS 19 februari 2016) werd artikel 8 van de probatiewet van 29 juni 1964 gewijzigd. Overeenkomstig de actuele regeling voorzien in artikel 8, § 1, derde lid (van toepassing sinds 29 februari 2016) kan de tenuitvoerlegging van de veroordeling tot een vervangende straf in geen enkel geval worden uitgesteld.

In artikel 8, §1 zoals van toepassing tot 29 februari 2016 was de mogelijkheid tot het verlenen van uitstel van de tenuitvoerlegging voor vervangende straffen of een gedeelte ervan uitdrukkelijk voorzien.

De nieuwe regeling waarbij het uitstel van tenuitvoerlegging voor vervangende straffen wordt afgeschaft dient te worden beschouwd als een strengere strafbepaling die in toepassing van artikel 2 Sw., artikel 7 EVRM en artikel 15 BUPO geen retroactieve werking kan kennen. Deze uitsluiting van het uitstel dient aldus niet te worden toegepast op feiten die gepleegd werden en voltooid zijn voor 29 februari 2016.

Deze geldboete wordt deels effectief opgelegd teneinde de straf ook een onmiddellijk voelbaar effect te verlenen, rekening houdende met de door de beklaagde aangevoerde elementen over zijn sociale toestand en diens financiële draagkracht.

(Hof van Beroep Gent 20/09/2016, 2015/NT/706, juridat)

 

Meer en meer groeit het besef dat gevangenisstraffen weinig bijdrage tot de correctie van de dader. Niet alleen wordt de hele familie mee gestraft, maar bovendien komt een gevangene slechter in de maatschappij uit de gevangenis dan dat hij er ingekomen is. De gevangenis is een totaal eigen wereld met eigen wetten en met een hiërarchie onder de gevangenen waar ook de tijd een andere dementie heeft. Het samen brengen van personen die misdaden of misdrijven gepleegd hebben, doet nieuwe banden ontstaan die best vermeden kunnen worden en verschaft kennis over het crimineel milieu en de wijze van het plegen van misdrijven. Gevangenissen zijn dan ook inspiratiebronnen voor nieuwe misdrijven en worden vaak de universiteiten van de onderwereld genoemd.

De wetgever heeft daarom voorzien in een aantal alternatieve straffen waaronder het elektronisch toezicht (binnen kort als autonome straf), het probatieuitstel en probatieopschorting, de autonome werkstraf.

De autonome werkstraf kan slechts worden opgelegd voor die misdrijven die strafbaar gesteld worden met gevangenisstraffen van 1 dag tot 5 jaar.

Niet alleen de correctionele rechter maar ook de politierechter kan werkstraffen uitspreken. Een werkstraf is steeds gekoppeld aan een vervangende gevangenisstraf of geldboete die zal worden uitgevoerd wanneer de werkstraf niet of gebrekkig wordt uitgevoerd. Een werkstraf kan worden uitgesproken ook ten aanzien van personen met een strafrechtelijk verleden. Bij de opbouw van een verdediging is het steeds aangewezen dat een advocaat in overleg met de cliënt een te volgen strategie uitstippelt waarbij natuurlijk de eerste en cruciale vraag is of er schuldig dan wel onschuldig zal gepleit worden.

Het licht van de zon erkennen heeft echter geen enkele zin. Wanneer de schuld onomstotelijk vast staat heeft het geen zin om de vrijspraak te vorderen. Ook een pleidooi voor een milde bestraffing bij extreem ernstige feiten kan totaal in het verkeerde keelgat schieten bij de rechter. Dit pleidooi houdt immers in dat de beklaagde onvoldoende inzicht heeft in de ernst van de gepleegde feiten en de schade die hij het slachtoffer en de gemeenschap heeft berokkend. Een goed strafpleidooi waarin schuldig wordt gepleit, vat derhalve best aan met de benadrukking van het schuldbesef van de beklaagde dat oprecht dient te zijn.

Uit morele overwegingen kan een dader beslissen om schuld te bekennen, ook al is er geen bewijs tegen hem. Bij afwezigheid van bewijzen staat het evenwel de verdediging totaal vrij om de vrijspraak te vragen, gezien de bewijslast rust bij het Parket.

Bovendien kan niet voldoende benadrukt worden dat een bekentenis op zich geen bewijs is. Men kan bekennen om honderden redenen die niets met de eigen schuld te maken hebben, zo ondermeer om de werkelijke dader uit de wind te zetten, om de druk van de verhoren te ontlopen …

Zo zijn ook bekentenissen tijdens het onderzoek gedaan steeds herroepbaar, zelfs ter zitting. Vanzelfsprekend zal de verdediging dan dienen toe te lichten waarom er aanvankelijk bekend werd.

Bij de opbouw van de strategie kan ook besloten worden om schuldig te pleiten wanneer de schuld vaststaat en het pleidooi volledig te concentreren op de strafmaat en de soort straf.

Het schuldinzicht is hierbij een belangrijk criterium om de strafmaat te verzachten. De stappen die de dader reeds heeft genomen tot herstel van de schade en herstel van zijn persoon (bijvoorbeeld het zelf volgen van een therapie, begeleiding, onthouding van bepaalde middelen …) kan hierbij eveneens zeer nuttig zijn.

Zoals de rechter beschikt over een waaier aan mogelijkheden bij de bestraffing, zo ook heeft de verdediging de mogelijkheid om een straf voor te stellen. Dit voorstel wordt best niet alleen uitvoerig uitgewerkt maar ook gemotiveerd.

Bij het pleidooi in zake probatieuitstel of probatieopschorting wordt vaak het argument gebruikt van het Zwaard van Damocles. Het spreekwoordelijk zwaard dat met een zijde draadje boven het hoofd van de veroordeelde hangt tijdens een bepaalde proefperiode waarin hij zich dient te bewijzen dat hij de gunst van het probatieuitstel of probatieopschorting inderdaad verdient, zodat de betrokkene kan werken aan zichzelf en aan de vergoeding van het slachtoffer.

Zo ook kan de verdediging pleiten voor de autonome werkstraf op basis van de overweging dat een effectieve gevangenisstraf een vermogensvernietigend effect heeft hetgeen de slachtoffers niet ten goede komt en hetgeen de totale familie straft.

Wanneer een advocaat of de beklaagde zelf vraagt om een autonome werkstraf dan kan de rechter deze vraag niet zomaar negeren. De weigering om een autonome werkstraf uit te spreken dient door de rechter gemotiveerd te worden.

De rechter kan zich laten bijstaan door de justitieassistent ten einde in een beknopt voorlichtingsverslag te vernemen of de betrokkene in staat is om de werkstraf als alternatieve maatregel uit te voeren, rekening houdende met zijn fysieke en intellectuele capaciteiten, zijn beroepssituatie, zijn gezinssituatie, zijn gezondheidstoestand…

Justitieassistent kan ook de opdracht krijgen een maatschappelijke enquête uit te voeren waarbij de dader opnieuw met de feiten wordt geconfronteerd door de justitieassistent en waarbij hij geholpen wordt teneinde de impackt van zijn daden ten aanzien van de maatschappij en zichzelf beter te kunnen inschatten. Aan de hand van deze gesprekken en aan de hand van het voorlichtingsverslag kan de justitieassistent een aangepaste geïndividualiseerde maatregel voorstellen.

Wanneer de rechter een werkstraf uitspreekt, bepaalt hij niet de aard van de werkstraf. Ook de advocaat dient in conclusies niet een specifieke soort werkstraf voor te stellen. De veroordeelde wordt verwezen naar de justitieassistent van het justitiehuis van zijn verblijfplaats die dan de werkstraf bepaalt zoals deze door de veroordeelde kan worden uitgevoerd in functie van de beschikbaarheid. De justitieassistent brengt de probatiecommissie ter kennis van de wijze waarop de werkstraf wordt uitgeoefend waarbij deze probatiecommissie toezicht houdt op de uitvoering van de autonome werkstraf.

Bij eventuele problemen is de justitieassistent het aanspreekpunt van de veroordeeld.

De probatiecommissie kan kennis nemen van een verslag van de justitieassistent inhoudende deze problemen en eventueel de inhoud van de staf aanpassen of verduidelijken.

Maar de probatiecommissie kan ook bij haar tussentijdse evaluaties ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de veroordeelde, tot aanpassing of verduidelijking van de inhoud van de werkstraf overgaan.

Wanneer de werkstraf niet, slecht of gedeeltelijk uitgevoerd wordt zal de justitieassistent dit onmiddellijk melden in een verslag aan de probatiecommissie.

De veroordeelde zal dan dienen te verschijnen voor de probatiecommissie met recht op bijstand van een advocaat die het dossier kan inzien gedurende 5 dagen die voorafgaan aan de zitting van de probatiecommissie op het secretariaat van de probatiecommissie.

Van zelfsprekend is er een recht op verdediging waarbij de beklaagde of diens advocaat de moeilijkheden binnen de uitvoering van de werkstraf kan uitleggen.

De probatiecommissie maakt dan een verslag op dat wordt gezonden aan de Procureur des Konings, naar de justitieassistent en naar de veroordeelde.

Het Parket kan dan beslissen om de vervangende gevangenisstraf of de vervangende geldboete uit te voeren.

Wanneer reeds een gedeelte van de werkstraf werd uitgevoerd, zal hiermee rekening worden gehouden voor de resterende boete of de resterende gevangenisstraf.

De maximum duur van de autonome werkstraf is 300 uur. Het minimum is 20 uur. Bij recidive ( herhaling) kan een werkstraf worden opgelegd tot 600 uur.

Werkstraffen van meer dan 45 uur zijn correctionele straffen en werkstraffen van minder dan 45 uur zijn politiestraffen.

Wettelijke bron wet van 17 april 2002 tot invoering van de werkstraf als autonome straf in correctionele zaken en in politiezaken. 

uittreksel uit het strafwetboek:

AFDELING VBIS. - DE WERKSTRAF <Ingevoegd bijW 2002-04-17/33, art. 3; Inwerkingtreding : 07-05-2002>

Art. 37ter. <Ingevoegd bij W 2002-04-17/33, art. 3; Inwerkingtreding : 07-05-2002> § 1. Indien een feit van die aard is om door een politiestraf of een correctionele straf gestraft te worden, kan de rechter als hoofdstraf een werkstraf opleggen. Binnen de perken van de op het misdrijf gestelde straffen, alsook van de wet op grond waarvan de zaak voor hem werd gebracht, voorziet de rechter in een gevangenisstraf of in een geldboete die van toepassing kan worden ingeval de werkstraf niet wordt uitgevoerd.
De werkstraf mag niet worden uitgesproken voor de feiten die bedoeld zijn in :
- artikel 347bis ;
- de artikelen 375 tot 377;
- de artikelen 379 tot (387) , indien de feiten zijn gepleegd op of met behulp van minderjarigen; <W 2006-05-17/35, art. 103, 058; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
- de artikelen 393 tot 397;
- artikel 475.
§ 2. De duur van een werkstraf bedraagt minstens twintig uren en ten hoogste driehonderd uren. Een werkstraf van vijfenveertig uren of minder is een politiestraf. Een werkstraf van meer dan vijfenveertig uren is een correctionele straf.
De werkstraf moet worden uitgevoerd binnen twaalf maanden na de dag waarop de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan. De probatiecommissie kan die termijn ambtshalve of op verzoek van de veroordeelde verlengen.
§ 3. Indien een werkstraf door de rechter wordt overwogen, door het openbaar ministerie wordt gevorderd of door de beklaagde wordt gevraagd, licht de rechter deze laatste vóór de sluiting van de debatten in over de draagwijdte van een dergelijke straf en hoort hem in zijn opmerkingen. De rechter kan hierbij eveneens rekening houden met de belangen van de eventuele slachtoffers. De rechter kan de werkstraf slechts uitspreken als de beklaagde op de terechtzitting aanwezig of vertegenwoordigd is en nadat hij, hetzij in persoon, hetzij via zijn raadsman, zijn instemming heeft gegeven.
De rechter die weigert een werkstraf uit te spreken, moet zijn beslissing met redenen omkleden.
§ 4. De rechter bepaalt de duur van de werkstraf en kan aanwijzingen geven omtrent de concrete invulling van de werkstraf.

Art. 37quater. <Ingevoegd bij W 2002-04-17/33, art. 3; Inwerkingtreding : 07-05-2002> § 1. De veroordeelde verricht de werkstraf kosteloos tijdens de vrije tijd waarover hij naast zijn eventuele school- of beroepsactiviteiten beschikt.
De werkstraf mag uitsluitend worden verricht bij openbare diensten van de Staat, de gemeenten, de provincies, de gemeenschappen en de gewesten, dan wel bij verenigingen zonder winstoogmerk of bij stichtingen met een sociaal, wetenschappelijk of cultureel oogmerk.
De werkstraf mag niet bestaan uit een activiteit die, in de aangewezen overheidsdienst of vereniging, doorgaans door bezoldigde werknemers wordt verricht.
§ 2. Met het oog op de toepassing van artikel 37ter, kunnen het openbaar ministerie, de onderzoeksrechter, de onderzoeksgerechten en de vonnisgerechten aan de afdeling van de Dienst justitiehuizen van het (FOD Justitie) van het gerechtelijk arrondissement van de verblijfplaats van de inverdenkinggestelde, de beklaagde of de veroordeelde de opdracht geven een beknopt voorlichtingsverslag op te stellen en/of een maatschappelijke enquête uit te voeren. <W 2006-12-27/33, art. 35, 1°, 061; Inwerkingtreding : 07-01-2007>
(De Koning bepaalt de nadere regels inzake het beknopt voorlichtingsrapport en de maatschappelijke enquête.
Deze rapporten en deze onderzoeken mogen alleen de pertinente elementen bevatten die van aard zijn de overheid die het verzoek tot de dienst van de justitiehuizen richtte in te lichten over de opportuniteit van de overwogen maatregel of straf.) <W 2006-12-27/33, art. 35, 2°, 061; Inwerkingtreding : 07-01-2007>
§ 3. (Elke arrondissementele afdeling van de Dienst Justitiehuizen van de FOD Justitie stelt tweemaal per jaar een verslag op van bestaande activiteiten waaruit de werkstraf kan bestaan.) De afdeling bezorgt een afschrift van dit verslag aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg en aan de procureur des Konings van het betrokken arrondissement en, op eenvoudig verzoek, aan al wie van een belang kan doen blijken. <W 2006-12-27/33, art. 35, 3°, 061; Inwerkingtreding : 07-01-2007>
(§ 4. Op federaal en lokaal niveau worden overlegstructuren inzake de toepassing van de werkstraf opgericht. Deze overlegstructuren hebben tot taak de instanties die betrokken zijn bij de uitvoering van de werkstraf, op regelmatige basis samen te brengen teneinde hun samenwerking te evalueren. De Koning bepaalt de nadere regels inzake de samenstelling en de werking van deze overlegstructuren.) <W 2006-12-27/33, art. 35, 4°, 061; Inwerkingtreding : 07-01-2007>

Art. 37quinquies. <Ingevoegd bij W 2002-04-17/33, art. 3; Inwerkingtreding : 07-05-2002> § 1. Wie overeenkomstig artikel 37ter tot een werkstraf is veroordeeld, wordt gevolgd door een justitieassistent van de Dienst justitiehuizen van (FOD Justitie) van het gerechtelijk arrondissement van zijn verblijfplaats. <W 2006-12-27/33, art. 36, 1°, 061; Inwerkingtreding : 07-01-2007>
Op de tenuitvoerlegging van de werkstraf wordt toegezien door de probatiecommissie van de verblijfplaats van de veroordeelde, waaraan de justitieassistent rapporteert.
§ 2. Wanneer de rechterlijke beslissing waarbij de werkstraf wordt uitgesproken in kracht van gewijsde is gegaan, bezorgt de griffier daarvan binnen vierentwintig uur een uitgifte aan de voorzitter van de bevoegde probatiecommissie, alsook aan de (bevoegde arrondissementele afdeling van de Dienst Justitiehuizen van de FOD Justitie), die onverwijld de in § 1 bedoelde justitieassistent aanwijst. De identiteit van de justitieassistent wordt schriftelijk meegedeeld aan de probatiecommissie, die er binnen zeven werkdagen de veroordeelde in kennis van stelt (bij gewone brief) en in voorkomend geval zijn raadsman bij gewone brief. <W 2006-12-27/33, art. 36, 2° en 3°, 061; Inwerkingtreding : 07-01-2007>
(De territoriale bevoegdheid van de probatiecommissie wordt bepaald door de verblijfplaats van de veroordeelde op het ogenblik van het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis of arrest. Indien de betrokkene zijn verblijfplaats heeft buiten het grondgebied van het Rijk, is de territoriaal bevoegde probatiecommissie die van de plaats waar de veroordeling in eerste aanleg uitgesproken werd.
Indien de commissie het in uitzonderlijke gevallen voor een tot een werkstraf veroordeelde persoon, die daartoe een gemotiveerde aanvraag indient, aangewezen acht om de bevoegdheid over te dragen aan de probatiecommissie van zijn nieuwe verblijfplaats, neemt zij een gemotiveerde beslissing nadat die andere commissie binnen de twee maanden een eensluidend advies heeft uitgebracht. Voor een persoon zonder verblijfplaats in het Rijk kan volgens dezelfde procedure de bevoegdheid naar een andere probatiecommissie worden overgedragen, zonder dat het in dat geval de commissie van zijn nieuwe verblijfplaats moet zijn.) <W 2006-12-27/33, art. 36, 4°, 061; Inwerkingtreding : 07-01-2007>
§ 3. De justitieassistent bepaalt na de veroordeelde gehoord te hebben en rekening houdend met zijn opmerkingen de concrete invulling van de straf, met naleving van de aanwijzingen bedoeld in artikel 37ter , § 4, onder toezicht van de probatiecommissie die hierin te allen tijde, en eveneens met naleving van de aanwijzingen bedoeld in artikel 37ter , § 4, preciseringen of wijzigingen kan aanbrengen, hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van het openbaar ministerie, hetzij op verzoek van de veroordeelde.
(De concrete invulling van de werkstraf wordt vastgelegd in een door de veroordeelde te ondertekenen overeenkomst waarvan de justitieassistent hem een kopie overhandigt. De justitieassistent deelt eveneens een kopie van de ondertekende overeenkomst mee aan de probatiecommissie binnen de drie werkdagen.) <W 2006-12-27/33, art. 36, 5°, 061; Inwerkingtreding : 07-01-2007>eestdagen niet inbegrepen.
§ 4. Ingeval de werkstraf niet of slechts gedeeltelijk wordt uitgevoerd, meldt de justitieassistent dit onverwijld aan de probatiecommissie. Meer dan tien dagen vóór de datum die werd vastgesteld om de zaak te behandelen, roept de commissie de veroordeelde bij aangetekende brief op en stelt zijn raadsman ervan in kennis. Het dossier van de commissie wordt gedurende vijf dagen ter beschikking gehouden van de veroordeelde en zijn raadsman.
De commissie, die zitting houdt zonder dat het openbaar ministerie daarbij aanwezig is, stelt, naargelang van het geval, een beknopt of met redenen omkleed verslag op, met het oog op de toepassing van de vervangende straf.
(Het verslag wordt bij gewone brief ter kennis gebracht van de veroordeelde, het openbaar ministerie en de justitieassistent.) <W 2006-12-27/33, art. 36, 6°, 061; Inwerkingtreding : 07-01-2007>
In dit geval kan het openbaar ministerie beslissen de in de rechterlijke beslissing voorziene gevangenisstraf of geldboete uit te voeren, waarbij rekening wordt gehouden met de werkstraf die reeds door de veroordeelde is uitgevoerd. 

Rechtsleer en rechtspraak: RABG 2003/6 p. 285 e.v.

•• Arbitragehof 11 januari 2007 R.W. Jaargang : 2007-2008 (71) Pagina : 359 met noot

1. en 2. In zoverre de wet van 17 april 2002 tot invoering van de werkstraf als autonome straf in correctionele zaken en in politiezaken de beklaagde die bij verstek is veroordeeld tot een geldboete niet toestaat op verzet te vragen dat een werkstraf wordt uitgesproken, schendt zij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Parlementaire vraag inzake werkstraffen:

Samengevoegde vragen van

- mevrouw Sabien Lahaye-Battheu aan de viceeerste minister en minister van Justitie en Institutionele Hervormingen over "dewerkstraffen" (nr. 5905)

- de heer Bart Laeremans aan de vice-eerste minister en minister van Justitie en Institutionele Hervormingen over "de nietuitvoering van werkstraffen" (nr. 6180)

11/06/2008 CRIV 52 COM 256

KAMER-2E ZITTING VAN DE 52E ZITTINGSPERIODE 2007 2008 CHAMBRE-2E SESSION DE LA 52E LEGISLATURE 22

 (n° 6180)  

09.01 Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld):

Mijnheer de minister, in antwoord op een schriftelijke vraag mocht ik vernemen dat er in 2006 in ons land bijna 10.000 werkstraffen werden uitgesproken, 9.687 meer bepaald. Dat zijn er 1.000 meer dan in 2005 en ruim 2.300 meer dan in 2004. 57% van de werkstraffen werd opgelegd door een correctionele rechter, 43% door een politierechter, wat in de lijn ligt van de verhoudingen tot 2005 en 2004. De stijging manifesteert zich niet alleen in correctionele zaken, ook de politierechter vindt een werkstraf steeds vaker doeltreffender dan een boete of een gevangenisstraf.

Opvallend is wel dat de Waalse politierechters veel vaker werkstraffen opleggen dan hun Vlaamse collega’s, in totaal voor het jaar 2006 2.546 tegenover 693. Ter illustratie, in Verviers, een arrondissement met bijna 200.000 inwoners, werden er in 2006 door de politierechters 248 werkstraffen uitgesproken en in Oudenaarde geen enkele.

Uit navraag blijkt dat de Vlaamse politierechter omzichtig omspringt met werkstraffen omdat ze niet altijd in functie staan van het verhogen van de verkeersveiligheid en omdat er onvoldoende aanbod van werkstraffen zou zijn. Ook is het zo dat een beklaagde vaak niet weet dat hij of zij zelf een werkstraf kan vragen aan de rechter.

Mits de justitiehuizen over voldoende middelen beschikken om meer werkgestraften op te volgen, zou een eventuele informatiecampagne mensen ertoe kunnen aansporen om een werkstraf te vragen.

Mijnheer de minister, ik had graag uw reactie gehad op deze cijfers. Ik wou u ook vragen of u maatregelen plant om het aanbod aan werkstraffen uit te breiden.

09.02 B.L. (V.N.):

Mijnheer de minister, ondertussen is de situatie al wat concreter geworden dan wat mevrouw Lahaye-Battheu schetst omdat er een heel opmerkelijk artikel is verschenen in Het Laatste Nieuws, een soort interview of een uitgebreid artikel met politierechter D’Hondt van Dendermonde. Het was een artikel om van achterover te slaan.

In de praktijk blijkt dat er van de vele werkstraffen die hij in het verleden heeft opgelegd uiteindelijk niets wordt uitgevoerd.

Bijgevolg legt hij ook geen alternatieve straffen meer op omdat dit geen enkele indruk meer maakt. Hij ziet recidivisten voor zich verschijnen die vlakaf tegen hem verklaren dat er nooit werk is gemaakt van de uitvoering van de werkstraf.

Hij staat daarin wellicht niet alleen. In Vlaanderen wordt in de praktijk veel minder toepassing gemaakt van dit soort straffen.

Mijnheer de staatssecretaris, kunt u bevestigen dat de opgelegde werkstraffen in sommige arrondissementen nauwelijks worden uitgevoerd?

Beschikt u over cijfers over de uitvoering in bijvoorbeeld het arrondissement Dendermonde, Sint-Niklaas, Oudenaarde? Zijn er vergelijkbare cijfers in andere arrondissementen? Hoe verklaart u deze straffeloosheid? Welke initiatieven werden reeds genomen om aan deze straffeloosheid een einde te stellen? Wat gebeurt er met de straffen die tot op heden niet zijn uitgevoerd, in de mate dat ze nog niet zijn verjaard? Zal men deze straffen alsnog uitvoeren? Het is immers echt onaanvaardbaar dat men dergelijke straffen oplegt en men er zelfs geen begin van uitvoering aan verbindt.  

09.03 Staatssecretaris Melchior Wathelet:

Mijnheer de voorzitter, aangezien vraag nr. 5923 van de heer Clarinval niet werd gesteld, zal ik alleen antwoorden op de vragen van mevrouw Lahaye-Battheu en de heer L.

De voorzitter: Vraag nr. 5923 van de heer Clarinval is inderdaad teruggetrokken.

09.04 Staatssecretaris Melchior Wathelet:

Mevrouw Lahaye-Battheu, mijnheer L., sinds de invoering van de autonome werkstraf in 2002 kent deze maatregel een opmerkelijke opmars. Het aantal dossiers bij de justitiehuizen steeg van 556 in 2002 naar een kleine 10.000 in 2007.

Er zijn inderdaad verschillen waarneembaar per gerechtelijk arrondissement. Met trots merk ik dat u het arrondissement Verviers hebt genoemd.

Toch blijft het de autonome bevoegdheid van de rechter om te oordelen welke straf hij het meest adequaat vindt.

Het KB met betrekking tot het in de wet voorziene overlegplatform volgens artikel 37quater is in volle voorbereiding. In dit overlegplatform kan de samenwerking tussen de justitiehuizen en de diverse opdrachtgevers worden verbeterd en kan er een kwaliteitsvol, rechtszeker en rechtsgelijkbeleid komen.

Voorzie ik in maatregelen om het aanbod aanwerkstraffen uit te breiden? Om het aanbod aan prestatieplaatsen blijvend te garanderen en tekunnen evalueren naar een ruimere toepassing van de werkstraf, moet het huidige, versnipperde en ingewikkelde subsidiesysteem voor diensten ter omkadering van de werkstraf worden vereenvoudigd. Mijn beleidscel is bezig om op dit punt een uniform, transparant en modern subsidiesysteem uit te werken.

Tevens werd een expertopdracht uitgeschreven om duidelijkheid te creëren in het juridisch statuut ofvan de werkstraffen inzake welzijn op het werk en de bepalingen van de daaraan verbonden financiële kosten. Dat resultaat zal worden geïntegreerd in het subsidiesysteem dat wordt uitgewerkt.

Mijnheer Laeremans, ik bevestig uw stelling niet, aangezien het niet de realiteit is.

Ik wil er in eerste instantie op wijzen dat het aantal werkstraffen wel degelijk nog in stijgende lijn zit en dat er mij geen gevallen bekend zijn van een arrondissement waar er nauwelijks werkstraffen zouden worden uitgevoerd. Het aantal dossiers steeg van 556 in 2002 naar 9.568 in 2007;

daarmee antwoord ik nog meer precies dan op de vraag van mevrouw Lahaye-Battheu.

Wel klopt het dat er zich enkele problemen voordoen die een impact hebben op het uitvoeringssysteem van de werkstraffen.

Een eerste belangrijke punt in dat verband is het gebrek aan prestatieplaatsen. Wij stellen vast dat het aantal te presteren uren dat binnen het raam van een werkstraf wordt opgelegd, stijgt. Dat heeft onder meer als gevolg dat de uitvoering van werkstraffen verloopt over een langere termijn.

Daardoor wordt er binnen de verscheidene arrondissementen regelmatig een tekort aan prestatieplaatsen gesignaleerd, en dan meer specifiek een gebrek aan weekend- en avondplaatsen.

Ook zijn er problemen die kaderen in het statuut van de werkgestrafte binnen de welzijnsreglementering, wat vooral in Wallonië gevoelig ligt. Het gaat daarbij onder andere om kosten inzake gezondheidszorgtoezicht, de aankoop van de werkkledij, persoonlijke beschermingsmiddelen, enzovoort. De vigerende wetgeving ter zake bepaalde dat die kosten gedragen dienen te worden door de vanaf prestatieplaatsen, aangezien die worden beschouwd als werkgevers. In de praktijk heeft het ertoe geleid dat een aanzienlijk aantal prestatieplaatsen de samenwerking met Justitie heeft stopgezet, wat eveneens een belangrijk impact heeft op de uitvoering van de werkstraffen.

Door het gedaalde aantal prestatieplaatsen, is het zowel voor de justitiehuizen als voor de omkaderingsdiensten veel moeilijker om nog voldoende prestatieplaatsen te vinden, waardoor er wachtlijsten kunnen ontstaan.

Een tweede punt gaat over de uitvoering van de reglementering in het kader van welzijn op het werk, waarop ik zonet reeds dieper inging.

Ten derde, een aantal andere zaken bemoeilijken de uitvoering van de werkstraffen. Op die manier ontstaat er bijvoorbeeld een grotere doorverwijzing van justitiabelen met meer complexe, individuele problemen of met zwaardere, achterliggende problematieken. Voor personen met een dergelijk profiel kan veel moeilijker een aangepaste prestatieplaats worden gevonden.

Personele omkadering vormt een vierde punt. De stijgende vraag naar werkstraffen vergt eveneens een stijging van personele middelen binnen de justitiehuizen. Derhalve werd in het personeelsplan 2008 een verhoging gevraagd van het personeelseffectief voor de justitiehuizen, onder meer in Dendermonde.

Ik kan u enkel een zicht geven op de justitiehuizen waar er al dan niet grote wachtlijsten zijn voor het opstarten van een uitgesproken werkstraf. In Vlaanderen is er bijvoorbeeld een grote wachtlijst in Antwerpen, Dendermonde – 95 dossiers – en in mindere mate in Turnhout en Brussel. In de andere arrondissementen is het dossier reeds opgestart door justitieassistenten. In Wallonië zijn er grote wachtlijsten, met name in Brussel, Charleroi, Luik, Verviers en in mindere mate in Doornik, Hoei, Aarlen, Eupen, Nijvel en Bergen.

Ik kan u geen algemeen overzicht geven van de registratie tussen de uitspraak van een werkstraf tot en met het afhandelen van een werkstraf, en het al dan niet moeten overgaan tot het opleggen van een vervangende gevangenisstraf.

Ondanks alle voornoemde elementen herhaal ik dat er in geen geval kan worden gesteld dat werkstraffen niet of nauwelijks worden uitgevoerd.

Het extra personeel dat wordt aangeworven via het personeelsplan 2008 voor justitiehuizen zal worden ingezet om de wachtlijsten van werkstraffen, elektronisch toezicht en burgerlijke opdrachten weg te werken. Indien een werkstraf problematisch verloopt en niet, of slechts gedeeltelijk, wordt uitgevoerd, bepaalt de wetgeving dat de justitieassistent hiervoor een verslag dient op te maken voor de probatiecommissie die zonodig kan beslissen het dossier over te maken aan het openbaar ministerie, met het oog op de toepassing van de vervangende straf. 

 

09.05 Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld):

Mevrouw de voorzitter, mijnheer de staatssecretaris, ik dank u voor uw antwoord.

Ik meen er te kunnen uit opmaken dat de werkstraffen die zoals u zelf hebt gezegd, de voorbije jaren een enorme vlucht hebben genomen, het slachtoffer dreigen te worden van hun succes. Er worden soms niet genoeg prestatieplaatsen gevonden. U hebt het voorbeeld gegeven van werkgevers die afhaken omwille van kosten die door hen moeten worden gemaakt.

Zowel in Vlaanderen als in Wallonië zijn er wachtlijsten zodat de uitvoeringstermijn vaak niet wordt gehaald. Een werkstraf moet immers worden uitgevoerd binnen het jaar na het definitief worden van het vonnis. Dat vermindert weerom fel het effect.

Er is een probleem van werken na de gewone werkuren, ’s avonds en in het weekend, waarvoor men ook niet genoeg prestatieplaatsen vindt.

Ik ben wel bezorgd als ik uw antwoord hoor, vooral vanuit de filosofie dat een werkstraf wordt opgelegd aan een veroordeelde die een effectieve gevangenisstraf zou kunnen krijgen, maar waar de rechter hem niet naar de gevangenis stuurt maar opdraagt te werken ten voordele van de maatschappij.

Daarom is het volgens mij belangrijk dat dergelijke straffen tijdig en correct worden uitgevoerd. Ik ben ongerust als ik uw antwoord hoor. Ik denk dat we dit in de gaten zullen moeten houden en nagaan of er niet verder moet worden bijgestuurd.  

09.06 B.L. (V.BB):

Mevrouw de voorzitter, mijnheer de staatssecretaris, uw antwoord was uitvoerig, maar bevatte toch een aantal tegenstrijdigheden.

Enerzijds zegt u dat het helemaal niet zo is dat er nauwelijks straffen worden uitgevoerd en, anderzijds bevestigt u dat er ernstige problemen zijn. Als ik in de krant lees dat bijvoorbeeld de heer D’hondt, die toch wel gekend is als een politierechter met heel veel dossiers die ongetwijfeld al heel wat alternatieve straffen heeft uitgesproken, zegt dat er niets van hem wordt uitgevoerd, zal dat wel waar zijn. Als een rechter zoiets zegt, hecht ik daaraan veel belang.

Voorzitter: Sabien Lahaye-Battheu, voorzitter.

Présidente: Sabien Lahaye-Battheu, présidente.

Ik wil echter niet veralgemenen. U zegt dat het een probleem is in sommige arrondissementen. Ik neem aan dat het in een aantal andere arrondissementen minder problematisch is. Dat wil echter niet zeggen dat men niet moet ingrijpen op die plaatsen waar dat wel het geval is.

U zegt dat er heel wat obstakels zijn. Dan moet er echt iets gebeuren opdat die obstakels kunnen worden weggewerkt en werkstraffen kunnen worden uitgevoerd.

Mijnheer de staatssecretaris, ik vind het heel erg dat de minister van Justitie niet in de mogelijkheid is om een behoorlijke cijfermatige analyse te maken van de situatie, van het aantal opgelegde straffen versus de uitvoering.

Het heeft geen enkele zin om het aantal opgelegde straffen op te drijven en te beweren dat het een groot succes is, en tegelijkertijd vast te stellen dat slechts een klein gedeelte van wat is opgelegd, wordt uitgevoerd. Men zou het tenminste cijfermatig moeten kunnen nagaan zodat men weet of en waar er zich problemen voordoen.

Zolang dat niet gebeurt en zolang die cijfers niet voorhanden zijn, doet men aan struisvogelpolitiek.

Dat is onaanvaardbaar. Ik stel dan ook voor dat men, zeker in de arrondissementen waar zich problemen voordoen, geen politiek meer voert van uitbreiding van het aantal werkstraffen, maar dat men alles in het werk stelt opdat het systeem behoorlijk zou functioneren, cijfers, werkstraffen, locaties en al wat daarbij komt incluis.

Ik hoop dat daarvan ernstig werk wordt gemaakt en dat men die zaken niet langer op de lange baan schuift. 

 

09.07 Staatssecretaris Melchior Wathelet:

Het klopt dat er verschillende problemen zijn. Ik heb er een lijst van gemaakt. De minister bekijkt al die problemen en probeert ze op te lossen. Ik verwijs bijvoorbeeld naar de werkplaatsen, de omkadering en het statuut van de werkgevers die iemand in dienst nemen die een werkstraf uitvoert.

Men kan niet zeggen dat ze niet worden uitgevoerd. Ze worden wel uitgevoerd. Soms moet er inderdaad worden gewacht. Er zullen altijd wachtlijsten zijn en in bepaalde arrondissementen zijn ze groter dan in andere. Het verschilt van arrondissement tot arrondissement, omdat het van de beslissing van de rechter afhangt. Het hangt af van het vonnis. Het is normaal dat het niet wordt geharmoniseerd door alle rechters. Dat is niet de bedoeling. Het hangt af van de dossiers die worden behandeld door de rechter.

Het is heel moeilijk om statistieken te maken, omdat het altijd afhangt van de situatie sui generis. Is de werkstraf goed voor de persoon die wordt veroordeeld? Gaat de rechter daarmee akkoord? Is het een vraag van de beklaagde?

Gaat hij akkoord met een werkstraf? Er zijn verschillende mogelijkheden.

Via het personeelsplan 2008 werd er meer personeel ter beschikking gesteld van de justitiehuizen om de werkstraffen uit te voeren. Als de werkstraf niet goed verloopt, dan voorziet de wet in een procedure om een verslag te bezorgen aan de probatiecommissie. Die probatiecommissie moet een beslissing nemen, als de straf niet binnen de termijn wordt uitgevoerd. Dat is de procedure waarin de wet voorziet. Die moet worden gevolgd.

09.08 B. L. (V.B.)

Ik neem aan dat er in heel wat situaties wordt uitgevoerd, maar als een magistraat zegt dat ze in zijn geval niet zijn uitgevoerd, dan zal er wel een probleem zijn. U zegt dat er moet worden nagekeken of de straf wel goed is, of ze relevant is en of ze kan worden uitgevoerd, maar ik meen, mijnheer de staatssecretaris, dat het toch niet zo moeilijk kan zijn om, enerzijds, een register bij te houden van de werkstraffen die zijn opgelegd, en, anderzijds, een register bij te houden van werkstraffen die al dan niet zijn uitgevoerd.

Cijfermatig kan men dat toch nagaan? Dat lijkt mij niet zo moeilijk. Daarmee staat of valt uw systeem.

Als de minister zelfs nog niet kan zien of er naleving is en, zo ja, in welke mate, dan kunt u onmogelijk in algemeenheid zeggen dat het systeem werkt en in orde is. U verwijst ook naar de probatiecommissie, als het mislukt. Dat is allemaal juist, maar dat is theorie. Als u niet kunt zeggen in hoeveel gevallen de probatiecommissie daarover samenkomt, daadwerkelijk remedieert en zorgt dat er toch een vervangende gevangenisstraf wordt uitgevoerd, dan is dit allemaal theorie.

Ik hoop dat men op het terrein meer aan inventarisatie doet, zodat de minister behoorlijk kan worden ingelicht. Ik blijf het betreuren dat u ons hierover geen behoorlijke cijfers kunt geven.

L'incident est clos.

Het incident is gesloten.   

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: di, 28/11/2017 - 15:12
Laatst aangepast op: di, 28/11/2017 - 15:12

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.