-A +A

Geen RPV voor taxatieprocedure ereloon deskundigenonderzoek

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Hof van Beroep te Brussel, 20e Kamer – 15 mei 2012, RW 2013-2014, 27

Samenvatting

Art. 991, § 2, vierde lid Ger.W. luidt: “De rechter verklaart het vonnis uitvoerbaar tegen de partij of partijen zoals bepaald voor de consignatie van het voorschot” (in het Frans: “(...) contre la ou les parties, ainsi qu’il est prévu pour la consignation de la provision”).

Deze tekst is dubbelzinnig

Ofwel verwijst de hierboven geciteerde wettekst naar art. 987 en 988 Ger.W., waarin wordt bepaald dat het de rechter toekomt de partij of partijen aan te duiden die het voorschot moeten consigneren. “Zoals bepaald voor de consignatie van het voorschot” betekent dan “wat bepaald is in art. 987 en 988”, en, zoals reeds geschreven, wordt in deze artikelen bepaald dat het de rechter toekomt de partij of partijen aan te duiden die het voorschot moeten consigneren.

Ofwel verwijst de hierboven geciteerde wettekst naar “wat in de zaak bepaald werd (door de rechter) voor de consignatie van het voorschot”. In dat geval heeft de taxatierechter geen beoordelingsvrijheid en moet de partij, die instond voor het betalen van het voorschot, ook instaan voor het betalen van de eindstaat.

Uit de parlementaire voorbereidingsstukken blijkt dat de partij of de partijen bedoeld in art. 991, § 2, vierde lid Ger.W. die zijn welke werden aangeduid om het voorschot te consigneren (D. Mougenot, “La rémunération de l’expert dans la loi du 15 mai 2007 modifiant les règles relatives à l’expertise” in H. Boularbah (ed.), Le nouveau droit de l’expertise judiciaire en pratique, 2008, p. 130; B. Vanlerberghe, “De wet van 15 mei 2007 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek betreffende het deskundigenonderzoek”, RW 2007-08, 608).

De procedure tot taxatie geeft geen aanleiding tot de toekenning van een rechtsplegingsvergoeding. De begroting van de staat van de deskundige is een onderdeel van een lopend geschil en geldt niet als een geschil tussen partijen. De gerechtsdeskundige is geen gedingpartij en er is geen sprake van een in het ongelijk gestelde partij (Antwerpen 14 december 1993, P & B 1994, 24).

tekst arrest

BVBA Architectenbureau H. t/ M.R. e.a.

I. De procedure

1. In deze zaak oordeelt het hof over het hoger beroep ingesteld tegen een taxatiebeslissing gewezen na tegenspraak ten aanzien van de consorten G.-De G. en bij verstek ten aanzien van de andere partijen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel op 8 oktober 2009. Een dergelijke beslissing is vatbaar voor hoger beroep met toepassing van art. 963, § 1 Ger.W.

...

II. Het deskundigenonderzoek in eerste aanleg en wat voorafging

5. Bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel van 4 april 2008 werd gerechtsdeskundige G.R. aangesteld in een zaak met betrekking tot de bouw van een gezinswoning te S., hangende tussen:

– de opdrachtgevers: G. en De G.;

– de architect: BVBA Architectenbureau H.;

– de aannemer ruwbouwwerken: M.R.

De rechtbank bepaalde dat het te consigneren voorschot “door de eisende partijen” moest worden betaald. De “eisende partijen” waren de opdrachtgevers G.-De G.

Nadat de gerechtelijke deskundige een bijkomend voorschot vroeg, veroordeelde de rechtbank op 26 september 2008 de opdrachtgevers G.-De G. tot het betalen van een bijkomende provisie.

Bij vonnis van 2 januari 2009 werd beslist dat de gerechtsdeskundige zijn opdracht in aanwezigheid van ingenieur A. De B., die de stabiliteitsstudie verrichtte, zou hernemen. Gelijktijdig werd deze opdracht ook uitgebreid.

De gerechtelijke deskundige legde zijn verslag neer op 24 april 2009, samen met zijn staat van kosten en ereloon.

Met een brief van 16 april 2009 vroeg de gerechtsdeskundige de taxatie van zijn ereloon-onkostenstaat “zodat de openstaande ereloon-onkostenstaat kan betaald worden door wie het behoort”.

Architect H. en ingenieur De B. lieten schriftelijk weten geen opmerkingen te hebben en ter zitting van 24 september 2009 deelden de opdrachtgevers G.-De G. eveneens mee geen opmerkingen te hebben. Aannemer M.R. bezorgde geen opmerkingen aan de rechtbank.

De eerste rechter begrootte de staat van de erelonen en kosten van gerechtsdeskundige G.R. en verklaarde zijn beslissing voor het deel dat de reeds ontvangen provisie oversteeg, “uitvoerbaar tegen de heer M.R. en tegen de BVBA Architectenbureau H.”. Deze beslissing werd omstandig gemotiveerd.

III. Het hoger beroep

6. Architect H. stelt hoger beroep in teneinde “de bestreden beslissing te vernietigen op de gevatte punten en doende wat de eerste rechter had behoren te doen, opnieuw recht te spreken en alzo het vonnis houdende begroting van het ereloon en de kosten van gerechtsdeskundige G.R. uitvoerbaar te verklaren tegen bouwheer G.-De G.” en deze laatsten te veroordelen tot de kosten van het geding verbonden aan de beroepsprocedure.

De opdrachtgevers G.-De G. besluiten tot de ongegrondheid van het hoger beroep.

IV. De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen

De partij of de partijen tegen wie de taxatiebeslissing uitvoerbaar wordt verklaard

7. De eerste rechter verklaarde zijn taxatiebeslissing uitvoerbaar tegen aannemer M.R. en architect H. voor het deel dat de reeds ontvangen provisie van 3.993 euro overstijgt [dit is 5.033,60 euro – 3.993,00 euro = 1.040,60 euro].

Zoals blijkt uit het bovenstaande (punt II), duidde de rechtbank van eerste aanleg de opdrachtgevers G.-De G. aan als de partij die het voorschot en het bijkomende voorschot moest consigneren ter griffie (art. 987-988 Ger.W.).

Architect H. voert aan dat de eerste rechter zijn taxatiebeslissing uitvoerbaar had moeten verklaren tegen de partij die de voorschotten moet consigneren, namelijk opdrachtgevers G.-De G., en dit met toepassing van art. 991, § 2, vierde lid Ger.W. De opdrachtgevers G.-De G. betwisten de interpretatie van deze bepaling door architect H.

8. Art. 991, § 2, vierde lid Ger.W. luidt: “De rechter verklaart het vonnis uitvoerbaar tegen de partij of partijen zoals bepaald voor de consignatie van het voorschot” (in het Frans: “(...) contre la ou les parties, ainsi qu’il est prévu pour la consignation de la provision”).

In tegenstelling tot wat architect H. beweert, is het hof van oordeel dat de tekst van de wet niet duidelijk is.

Ofwel verwijst de hierboven geciteerde wettekst naar art. 987 en 988 Ger.W., waarin wordt bepaald dat het de rechter toekomt de partij of partijen aan te duiden die het voorschot moeten consigneren. “Zoals bepaald voor de consignatie van het voorschot” betekent dan “wat bepaald is in art. 987 en 988”, en, zoals reeds geschreven, wordt in deze artikelen bepaald dat het de rechter toekomt de partij of partijen aan te duiden die het voorschot moeten consigneren.

Ofwel verwijst de hierboven geciteerde wettekst naar “wat in de zaak bepaald werd (door de rechter) voor de consignatie van het voorschot”. In dat geval heeft de taxatierechter geen beoordelingsvrijheid en moet de partij, die instond voor het betalen van het voorschot, ook instaan voor het betalen van de eindstaat.

Uit de parlementaire voorbereidingsstukken blijkt dat de partij of de partijen bedoeld in art. 991, § 2, vierde lid Ger.W. die zijn welke werden aangeduid om het voorschot te consigneren (D. Mougenot, “La rémunération de l’expert dans la loi du 15 mai 2007 modifiant les règles relatives à l’expertise” in H. Boularbah (ed.), Le nouveau droit de l’expertise judiciaire en pratique, 2008, p. 130; B. Vanlerberghe, “De wet van 15 mei 2007 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek betreffende het deskundigenonderzoek”, RW 2007-08, 608).

Architect H. moet dus worden gevolgd in zijn interpretatie van het artikel in kwestie, hoewel de wetgever, indien hij wenste dat de taxatierechter, in afwijking van wat bepaald is in art. 987 en 988 Ger.W., geen beslissingsvrijheid mocht hebben bij het aanduiden van de partij of partijen die het ereloonsaldo van de deskundige moeten betalen, in afwachting van de eindbeslissing (zie art. 991, § 3 Ger.W.), had kunnen schrijven: “De rechter verklaart het vonnis uitvoerbaar tegen de partij of partijen gehouden tot het consigneren van het voorschot”. Dit zou veel duidelijker zijn geweest.

Het hoger beroep van architect H. is gegrond.

De kosten van het taxatiegeding

9. Architect H. vordert de veroordeling van de opdrachtgevers G.-De G. tot de kosten van het geding in hoger beroep en begroot zijn rechtsplegingsvergoeding op 1.200 euro.

De eerste rechter hield de beslissing betreffende de kosten aan.

10. De procedure tot taxatie geeft geen aanleiding tot de toekenning van een rechtsplegingsvergoeding. De begroting van de staat van de deskundige is een onderdeel van een lopend geschil en geldt niet als een geschil tussen partijen. De gerechtsdeskundige is geen gedingpartij en er is geen sprake van een in het ongelijk gestelde partij (Antwerpen 14 december 1993, P & B 1994, 24).

De rolstellingskosten in hoger beroep werden veroorzaakt door de houding van de opdrachtgevers G.-De G., die ter zitting in eerste aanleg staande hielden dat het betalen van het ereloonsaldo voor hen een “bijzonder zware inspanning zou betekenen”, waarop de eerste rechter besliste om zijn taxatiebeslissing uitvoerbaar te verklaren tegen aannemer M.R. en architect H., zonder deze partijen de kans te geven over deze aangelegenheid standpunt in te nemen. De rolstellingskosten in hoger beroep vallen ten laste van de opdrachtgevers G.-De G.

 

 

 

 
Nog dit: 

Hof van Beroep te Brussel, 20e Kamer – 11 juni 2013, RW 2014-2015, 183

A.W.

...

II. De geldsom-appellabiliteit van de bestreden taxatiebeslissing

6. Art. 616 Ger.W. bepaalt dat tegen ieder vonnis hoger beroep kan worden ingesteld, tenzij de wet anders bepaalt. Het beginsel van de appellabiliteit geldt enkel voor “vonnissen”, dit zijn beslissingen uitgaande van een jurisdictioneel orgaan die een jurisdictioneel karakter hebben. De kenmerken van een dergelijke beslissing zijn dat zij gewezen wordt door een onafhankelijke en onpartijdige rechter, die daarbij een geschil beslecht of het bestaan van een bepaalde aanspraak beoordeelt, met andere woorden “rechtspreekt” door toepassing van een rechtsregel en met naleving van een aantal fundamentele procedureregels.

Krachtens art. 963 Ger.W. zijn “de beslissingen die het verloop van de procedure van het deskundigenonderzoek regelen” niet vatbaar voor verzet of hoger beroep, met uitzondering van de beslissingen genomen met toepassing van de artikelen 971 (wraking), 979 (vervanging deskundige), 987, eerste lid (bepaling voorschot en wie moet consigneren) en 991 (taxatie) Ger.W.

Art. 617 Ger.W. bepaalt dat de vonnissen van de rechtbank van eerste aanleg en van de rechtbank van koophandel, waarbij uitspraak wordt gedaan over een vordering waarvan het bedrag 1.860 euro niet overschrijdt, gewezen worden in laatste aanleg.

De wettelijke regels inzake de toelaatbaarheid van het hoger beroep in burgerlijke zaken raken de openbare orde (Cass. 13 december 1991, Arr.Cass. 1991-92, 346).

7. De taxatieprocedure, geregeld door art. 991 en art. 973, § 2 Ger.W., is van bijzondere aard.

7.1. Reeds vóór de hervorming van het deskundigenonderzoek van 2007 (wet van 15 mei 2007 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek betreffende het deskundigenonderzoek, zoals aangevuld en gewijzigd door de wet van 30 december 2009 houdende diverse bepalingen Justitie II) kwam de beoordeling van de staat van ereloon en kosten toe aan de rechter en werd aangenomen dat de gerechtelijke deskundige geen afspraken kan maken met de partijen over zijn ereloon en kosten (P. Rouard, Traité élémentaire de droit judiciaire privé, IV, Brussel, Bruylant, nr. 221).

De hervorming van 2007 ging uit van drie krachtlijnen:

– de subsidiariteit van het deskundigenonderzoek;

– de actieve tussenkomst van de rechter;

– de hervorming van de begroting van de kosten en de verplichte consignatie.

De derde krachtlijn bevestigt alleen maar de rol van de rechter bij de (controle op de) begroting van de staat van kosten en ereloon van de gerechtelijke deskundige (zie art. 987 tot art. 991bis Ger.W.). Art. 991, § 1 Ger.W. bepaalt thans dat, zelfs indien er geen betwisting is van de partijen, de rechter het bedrag van het ereloon en de kosten begroot. Art. 991, § 2 Ger.W. bepaalt dat de rechter het bedrag van de kosten en het ereloon vaststelt.

De bedoeling is dat het rechtstreeks debat tussen de partijen en de deskundige over zijn betaling, ook na de beëindiging van zijn opdracht, wordt vermeden (vgl. X. Malengreau, “Les frais et honoraires des experts: le point de vue d’un juge” in H. Boularbah, Le nouveau droit de l’expertise judiciaire en pratique, Brussel, Larcier, 2008, p. 135-137, randnrs. 13-19).

7.2. De deskundige is geen gedingpartij en mag het ook niet worden. Art. 991, zowel § 1 als § 2 Ger.W. bepaalt dat het de rechter is die het bedrag van de kosten en het ereloon begroot. De deskundige kan, naar aanleiding van de behandeling van het geschil tussen de gedingpartijen, ertoe geroepen worden om een aanvullend verslag op te stellen of om ter zitting de nodige uitleg te verschaffen (art. 984 en 985 Ger.W.). Het debat over de hoogte van de staat van kosten en ereloon van de gerechtelijke deskundige zou zijn onpartijdigheid onder druk kunnen zetten.

Krachtens art. 991, § 3 en art. 1018, 4o Ger.W. maakt (alleen) het bedrag van het ereloon en de kosten van de gerechtelijke deskundige “een kost van het geding” uit in de zin van art. 1017 Ger.W. (zie ook verder).

De opdracht aan de deskundige heeft geen “contractuele” basis, noch voor de keuze van de expert, noch voor zijn vergoeding, noch voor de omvang van zijn prestaties. Een deskundige die aanvaardt om een gerechtelijke opdracht uit te voeren, heeft geen lucratieve bedoelingen.

7.3. Op grond van dit alles moet worden besloten dat de taxatieprocedure geen “rechtsgeding” inhoudt tussen de gerechtelijke deskundige en de gedingpartijen in de zin van art. 12 Ger.W. De gerechtelijke deskundige “vordert” niets van de partijen, maar verzoekt de rechter het bedrag van de kosten en het ereloon te begroten. Binnen het kader van art. 973, § 2 Ger.W. worden ook geen “tussenvorderingen ingesteld bij conclusies“ (cf. art. 809 Ger.W.).

8. In de regel komt het recht op hoger beroep uitsluitend toe aan wie in eerste aanleg gedingpartij was, maar in het algemeen wordt het recht van de gerechtelijke deskundige om hoger beroep in te stellen tegen een taxatiebeslissing die hem benadeelt, aanvaard.

Het hof is van oordeel dat deze mogelijkheid van hoger beroep voor de gerechtelijke deskundige hem ook in hoger beroep geen gedingpartij maakt. De aard van de procedure voor de eerste rechter verandert niet door het instellen van het hoger beroep. Wat de deskundige niet was in eerste aanleg, wordt hij ook niet in hoger beroep.

9. Hierboven werd vastgesteld dat de gerechtelijke deskundige niets “vordert” van de partijen, maar dat hij de rechter verzoekt het bedrag van de kosten en het ereloon te begroten, dat vervolgens, als een kost van het geding, tussen de gedingpartijen in rekening zal worden gebracht.

Op grond hiervan is het hof van oordeel dat art. 617 Ger.W. niet van toepassing is en dat art. 963 Ger.W., dat expliciet in het hoger beroep tegen een taxatiebeslissing voorziet als een uitzondering op de regel van de niet-appellabiliteit van de beslissingen van de controlerechter van het onderzoek, volle werking geniet.

De bestreden taxatiebeslissing is appellabel.

...

IV. De beslissing met betrekking tot de partijen die het ereloonsaldo (voorlopig) moeten betalen

11. Het hoger beroep van de gerechtelijke deskundige is gericht tegen de modaliteiten van de uitvoerbaarverklaring van de bestreden beslissing.

De gerechtelijke deskundige verzoekt de appelrechter om beide gedingpartijen in solidum te veroordelen tot het betalen van het saldo van zijn ereloonstaat en subsidiair vordert de gerechtelijke deskundige de veroordeling van de partij Van N. tot het betalen van het leeuwendeel van zijn staat van kosten en ereloon.

In het vonnis van 26 februari 2010, waarbij de gerechtelijke deskundige werd aangesteld, besliste de rechtbank dat de BVBA P. 80% van het voorschot moest consigneren en mevrouw Van N. 20% (cf. art. 987 Ger.W.).

De taxatierechter was van oordeel dat er geen wettelijke basis is voor een veroordeling in solidum en dat er geen reden is om af te wijken van de verdeelsleutel zoals beslist in het aanstellingsvonnis (8/10 voor BVBA P. en 2/10 voor Van N.).

12. Art. 991, § 2, vierde lid Ger.W. luidt: “De rechter verklaart het vonnis uitvoerbaar tegen de partij of partijen zoals bepaald voor de consignatie van het voorschot“ (in het Frans: “(...) contre la ou les parties, ainsi qu’il est prévu pour la consignation de la provision”).

De tekst van de wet is niet zo duidelijk:

– Ofwel verwijst de hierboven geciteerde wettekst naar art. 987 en 988 Ger.W., waarin wordt bepaald dat het de rechter toekomt de partij of partijen aan te duiden die het voorschot moeten consigneren. “Zoals bepaald voor de consignatie van het voorschot” betekent dan “wat bepaald is in art. 987 en 988”. In deze artikelen wordt bepaald dat het de rechter toekomt de partij of partijen aan te duiden die het voorschot moeten consigneren.

– Ofwel verwijst de hierboven geciteerde wettekst naar “wat in de zaak bepaald werd (door de rechter) voor de consignatie van het voorschot”. In dat geval heeft de taxatierechter geen beoordelingsvrijheid en moet de partij, die instond voor het betalen van het voorschot, ook instaan voor het betalen van de eindstaat.

Uit de parlementaire voorbereidingsstukken blijkt dat de partij of de partijen bedoeld in art. 991, § 2, vierde lid Ger.W. die zijn welke werden aangeduid om het voorschot te consigneren (D. Mougenot, “La rémunération de l’expert dans la loi du 15 mai 2007 modifiant les règles relatives à l’expertise” in H. Boularbah (ed.), Le nouveau droit de l’expertise judiciaire en pratique, 2008, p. 130; B. Vanlerberghe, “De wet van 15 mei 2007 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de deskundigenonderzoek”, RW 2007-08, 608). De taxatierechter beschikt dus niet, wat de beslissing betreft nopens de partij of partijen tegen wie moet worden uitgevoerd, over een beoordelingsmarge. Men moet bijgevolg art. 991, § 2, vierde lid Ger.W. eigenlijk lezen als volgt: “De rechter verklaart het vonnis uitvoerbaar tegen de partij of partijen gehouden tot het consigneren van het voorschot”.

De bestreden beslissing van de taxatierechter was conform de wet en er is alleszins geen grond tot hervorming van de bestreden beslissing op dit punt.

13. Bij wijze van incidenteel hoger beroep werpt de partij Van N. op dat bij beslissing van 10 juni 2010 de taxatierechter de BVBA P. veroordeelde tot een “bijkomend voorschot” van 1.200 euro en dat hij dit blijkbaar uit het oog verloor.

Het hof leest in de beschikking van 10 juni 2010, die betrekking had op het door de gerechtelijke deskundige gevraagde bijkomende voorschot: “Partijen hebben geen bezwaren geformuleerd. De advocaat van BVBA P. stelt voor om het bijkomend voorschot van 1.200 euro ten laste van zijn cliënte te leggen. (...) (De rechtbank) wijst partijen erop dat de deskundige zijn werkzaamheden kan schorsen zolang de eerste en/of de tweede provisie niet zijn betaald”. En in het beschikkende gedeelte: “De rechtbank (...) bepaalt het bijkomend voorschot op 1.200 euro (btw in) te betalen door (de BVBA P.)”.

Een dergelijke beslissing over een vraag tot het verkrijgen van een bijkomend voorschot, genomen met toepassing van art. 988 Ger.W., houdt geen uitvoerbaarverklaring in en moet niet in aanmerking of in rekening worden genomen voor de toepassing van art. 991, § 2, vierde lid Ger.W.

Voor de berekening van het bedrag tot beloop waarvan de taxatiebeslissing uitvoerbaar moet worden verklaard, wordt alleen rekening gehouden met het getaxeerde bedrag en met de geconsigneerde bedragen. Alleen de partij Van N. consigneerde een bedrag van 200 euro en de taxatierechter beval de vrijgave van dit bedrag aan de gerechtelijke deskundige. Bijgevolg moest hij zijn beslissing uitvoerbaar verklaren tot beloop van (1.135 – 200 =) 1.115 euro.

Met betrekking tot de partijen tegen wie de uitvoerbaarverklaring moet geschieden is de taxatierechter gehouden door de verdeelsleutel zoals bepaald in het aanstellingsvonnis.

Terecht volgde de taxatierechter in eerste aanleg de volgende afrekening:

– de partij Van N. moet krachtens het aanstellingsvonnis 20% ten laste nemen of (1.315 x 20% =) 263 euro en daarvan consigneerde zij reeds 200 euro, zodat nog rest te betalen door de partij Van N.: (263 – 200 =) 63 euro;

– de partij BVBA P. moet krachtens het aanstellingsvonnis 80% ten laste nemen of (1.315 x 80% =) 1.052 euro, waarvan zij niets betaalde.

Bijgevolg verklaarde de taxatierechter in eerste aanleg terecht het nog te betalen saldo van 1.115 euro uitvoerbaar tegen de partij Van N. voor 63 euro en tegen de partij BVBA P. voor 1.052 euro.

De beslissing van de taxatierechter werd genomen overeenkomstig de aanstellingsbeslissing en bevatte evenmin enige afrekeningsvergissing. Er is geen grond tot hervorming van de bestreden beslissing op dit punt.

V. De kosten van het taxatiegeding

14. De procedure tot taxatie geeft geen aanleiding tot de toekenning van een rechtsplegingsvergoeding. De begroting van de staat van de deskundige is een onderdeel van een lopend geschil en geldt niet als een geschil tussen gedingpartijen (zie supra, randnrs. 7-9). De gerechtsdeskundige is geen gedingpartij en er is geen sprake van een in het ongelijk gestelde partij (cf. Antwerpen 14 december 1993, P & B 1994, 24). Er bestaat tussen de gerechtelijke deskundige en de gedingpartijen geen daadwerkelijke procesverhouding (vgl. Cass. 25 januari 2013, RW 2012-13, 1584).

...

Nuttige tips: 

Hof van Beroep te Brussel, 20e Kamer – 15 mei 2012, RW 2013-2014, 27

Samenvatting

Art. 991, § 2, vierde lid Ger.W. luidt: “De rechter verklaart het vonnis uitvoerbaar tegen de partij of partijen zoals bepaald voor de consignatie van het voorschot” (in het Frans: “(...) contre la ou les parties, ainsi qu’il est prévu pour la consignation de la provision”).

Deze tekst is dubbelzinnig

Ofwel verwijst de hierboven geciteerde wettekst naar art. 987 en 988 Ger.W., waarin wordt bepaald dat het de rechter toekomt de partij of partijen aan te duiden die het voorschot moeten consigneren. “Zoals bepaald voor de consignatie van het voorschot” betekent dan “wat bepaald is in art. 987 en 988”, en, zoals reeds geschreven, wordt in deze artikelen bepaald dat het de rechter toekomt de partij of partijen aan te duiden die het voorschot moeten consigneren.

Ofwel verwijst de hierboven geciteerde wettekst naar “wat in de zaak bepaald werd (door de rechter) voor de consignatie van het voorschot”. In dat geval heeft de taxatierechter geen beoordelingsvrijheid en moet de partij, die instond voor het betalen van het voorschot, ook instaan voor het betalen van de eindstaat.

Uit de parlementaire voorbereidingsstukken blijkt dat de partij of de partijen bedoeld in art. 991, § 2, vierde lid Ger.W. die zijn welke werden aangeduid om het voorschot te consigneren (D. Mougenot, “La rémunération de l’expert dans la loi du 15 mai 2007 modifiant les règles relatives à l’expertise” in H. Boularbah (ed.), Le nouveau droit de l’expertise judiciaire en pratique, 2008, p. 130; B. Vanlerberghe, “De wet van 15 mei 2007 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek betreffende het deskundigenonderzoek”, RW 2007-08, 608).

De procedure tot taxatie geeft geen aanleiding tot de toekenning van een rechtsplegingsvergoeding. De begroting van de staat van de deskundige is een onderdeel van een lopend geschil en geldt niet als een geschil tussen partijen. De gerechtsdeskundige is geen gedingpartij en er is geen sprake van een in het ongelijk gestelde partij (Antwerpen 14 december 1993, P & B 1994, 24).

tekst arrest

BVBA Architectenbureau H. t/ M.R. e.a.

I. De procedure

1. In deze zaak oordeelt het hof over het hoger beroep ingesteld tegen een taxatiebeslissing gewezen na tegenspraak ten aanzien van de consorten G.-De G. en bij verstek ten aanzien van de andere partijen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel op 8 oktober 2009. Een dergelijke beslissing is vatbaar voor hoger beroep met toepassing van art. 963, § 1 Ger.W.

...

II. Het deskundigenonderzoek in eerste aanleg en wat voorafging

5. Bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel van 4 april 2008 werd gerechtsdeskundige G.R. aangesteld in een zaak met betrekking tot de bouw van een gezinswoning te S., hangende tussen:

– de opdrachtgevers: G. en De G.;

– de architect: BVBA Architectenbureau H.;

– de aannemer ruwbouwwerken: M.R.

De rechtbank bepaalde dat het te consigneren voorschot “door de eisende partijen” moest worden betaald. De “eisende partijen” waren de opdrachtgevers G.-De G.

Nadat de gerechtelijke deskundige een bijkomend voorschot vroeg, veroordeelde de rechtbank op 26 september 2008 de opdrachtgevers G.-De G. tot het betalen van een bijkomende provisie.

Bij vonnis van 2 januari 2009 werd beslist dat de gerechtsdeskundige zijn opdracht in aanwezigheid van ingenieur A. De B., die de stabiliteitsstudie verrichtte, zou hernemen. Gelijktijdig werd deze opdracht ook uitgebreid.

De gerechtelijke deskundige legde zijn verslag neer op 24 april 2009, samen met zijn staat van kosten en ereloon.

Met een brief van 16 april 2009 vroeg de gerechtsdeskundige de taxatie van zijn ereloon-onkostenstaat “zodat de openstaande ereloon-onkostenstaat kan betaald worden door wie het behoort”.

Architect H. en ingenieur De B. lieten schriftelijk weten geen opmerkingen te hebben en ter zitting van 24 september 2009 deelden de opdrachtgevers G.-De G. eveneens mee geen opmerkingen te hebben. Aannemer M.R. bezorgde geen opmerkingen aan de rechtbank.

De eerste rechter begrootte de staat van de erelonen en kosten van gerechtsdeskundige G.R. en verklaarde zijn beslissing voor het deel dat de reeds ontvangen provisie oversteeg, “uitvoerbaar tegen de heer M.R. en tegen de BVBA Architectenbureau H.”. Deze beslissing werd omstandig gemotiveerd.

III. Het hoger beroep

6. Architect H. stelt hoger beroep in teneinde “de bestreden beslissing te vernietigen op de gevatte punten en doende wat de eerste rechter had behoren te doen, opnieuw recht te spreken en alzo het vonnis houdende begroting van het ereloon en de kosten van gerechtsdeskundige G.R. uitvoerbaar te verklaren tegen bouwheer G.-De G.” en deze laatsten te veroordelen tot de kosten van het geding verbonden aan de beroepsprocedure.

De opdrachtgevers G.-De G. besluiten tot de ongegrondheid van het hoger beroep.

IV. De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen

De partij of de partijen tegen wie de taxatiebeslissing uitvoerbaar wordt verklaard

7. De eerste rechter verklaarde zijn taxatiebeslissing uitvoerbaar tegen aannemer M.R. en architect H. voor het deel dat de reeds ontvangen provisie van 3.993 euro overstijgt [dit is 5.033,60 euro – 3.993,00 euro = 1.040,60 euro].

Zoals blijkt uit het bovenstaande (punt II), duidde de rechtbank van eerste aanleg de opdrachtgevers G.-De G. aan als de partij die het voorschot en het bijkomende voorschot moest consigneren ter griffie (art. 987-988 Ger.W.).

Architect H. voert aan dat de eerste rechter zijn taxatiebeslissing uitvoerbaar had moeten verklaren tegen de partij die de voorschotten moet consigneren, namelijk opdrachtgevers G.-De G., en dit met toepassing van art. 991, § 2, vierde lid Ger.W. De opdrachtgevers G.-De G. betwisten de interpretatie van deze bepaling door architect H.

8. Art. 991, § 2, vierde lid Ger.W. luidt: “De rechter verklaart het vonnis uitvoerbaar tegen de partij of partijen zoals bepaald voor de consignatie van het voorschot” (in het Frans: “(...) contre la ou les parties, ainsi qu’il est prévu pour la consignation de la provision”).

In tegenstelling tot wat architect H. beweert, is het hof van oordeel dat de tekst van de wet niet duidelijk is.

Ofwel verwijst de hierboven geciteerde wettekst naar art. 987 en 988 Ger.W., waarin wordt bepaald dat het de rechter toekomt de partij of partijen aan te duiden die het voorschot moeten consigneren. “Zoals bepaald voor de consignatie van het voorschot” betekent dan “wat bepaald is in art. 987 en 988”, en, zoals reeds geschreven, wordt in deze artikelen bepaald dat het de rechter toekomt de partij of partijen aan te duiden die het voorschot moeten consigneren.

Ofwel verwijst de hierboven geciteerde wettekst naar “wat in de zaak bepaald werd (door de rechter) voor de consignatie van het voorschot”. In dat geval heeft de taxatierechter geen beoordelingsvrijheid en moet de partij, die instond voor het betalen van het voorschot, ook instaan voor het betalen van de eindstaat.

Uit de parlementaire voorbereidingsstukken blijkt dat de partij of de partijen bedoeld in art. 991, § 2, vierde lid Ger.W. die zijn welke werden aangeduid om het voorschot te consigneren (D. Mougenot, “La rémunération de l’expert dans la loi du 15 mai 2007 modifiant les règles relatives à l’expertise” in H. Boularbah (ed.), Le nouveau droit de l’expertise judiciaire en pratique, 2008, p. 130; B. Vanlerberghe, “De wet van 15 mei 2007 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek betreffende het deskundigenonderzoek”, RW 2007-08, 608).

Architect H. moet dus worden gevolgd in zijn interpretatie van het artikel in kwestie, hoewel de wetgever, indien hij wenste dat de taxatierechter, in afwijking van wat bepaald is in art. 987 en 988 Ger.W., geen beslissingsvrijheid mocht hebben bij het aanduiden van de partij of partijen die het ereloonsaldo van de deskundige moeten betalen, in afwachting van de eindbeslissing (zie art. 991, § 3 Ger.W.), had kunnen schrijven: “De rechter verklaart het vonnis uitvoerbaar tegen de partij of partijen gehouden tot het consigneren van het voorschot”. Dit zou veel duidelijker zijn geweest.

Het hoger beroep van architect H. is gegrond.

De kosten van het taxatiegeding

9. Architect H. vordert de veroordeling van de opdrachtgevers G.-De G. tot de kosten van het geding in hoger beroep en begroot zijn rechtsplegingsvergoeding op 1.200 euro.

De eerste rechter hield de beslissing betreffende de kosten aan.

10. De procedure tot taxatie geeft geen aanleiding tot de toekenning van een rechtsplegingsvergoeding. De begroting van de staat van de deskundige is een onderdeel van een lopend geschil en geldt niet als een geschil tussen partijen. De gerechtsdeskundige is geen gedingpartij en er is geen sprake van een in het ongelijk gestelde partij (Antwerpen 14 december 1993, P & B 1994, 24).

De rolstellingskosten in hoger beroep werden veroorzaakt door de houding van de opdrachtgevers G.-De G., die ter zitting in eerste aanleg staande hielden dat het betalen van het ereloonsaldo voor hen een “bijzonder zware inspanning zou betekenen”, waarop de eerste rechter besliste om zijn taxatiebeslissing uitvoerbaar te verklaren tegen aannemer M.R. en architect H., zonder deze partijen de kans te geven over deze aangelegenheid standpunt in te nemen. De rolstellingskosten in hoger beroep vallen ten laste van de opdrachtgevers G.-De G.

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: zo, 01/09/2013 - 21:27
Laatst aangepast op: vr, 03/10/2014 - 00:58

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.