-A +A

Geen hoedanigheid niet betalen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Wie geen hoedanigheid als handelaar heeft of niet het aangepaste ondernemingsnummer heeft of niet over de vereiste aansluitingen of machtigingen beschikt kan geen betaling van u afdwingen voor een commerciële transactie

Wie niet ingeschreven is in de KBO en geen ondernemingsnummmer heeft of geen nummer voor de betreffende activiteit, kan geen vordering tot betaling instellen voor deze activiteiten. Zie ondermeer Gent 12 april 2012, NJW 2013, 79 

Let wel, het gebrek aan inschrijving in de KBO dient in limine litis, dus voor elk ander verweer ingeroepen.

Tip Geen hoedanigheid: niet betalen  

Volgende vraag werd ons voorgelegd:

Ik ben in contact geraakt met een persoon die mijn bedrijf, een stuk grond of een gebouw van mij wou verkopen. Ik hoopte 400.000 euro te bekomen. Hij stelde mij de mooie vraagprijs voor van 500.000 euro en stelde voor dat al hetgeen boven de 400.000 euro kon bekomen worden zijn commissie zou zijn. Dit alles werd op papier gesteld en de verkoop werd afgesloten na 1 week voor 500.000 euro. Hij stuurt mij thans een factuur van 100.000 euro. Dit lijkt mij toch wat veel. Kan ik hier iets tegen doen?

Antwoord:

Zeer zeker. Vooreerst kunnen de commissielonen van makelaars gematigd worden door de rechtbank. Volgens recente rechtspraak kan wel degelijk een dergelijk exorbitant hoog commissieloon verminderd worden tot de gebruikelijke 3%.

Bovendien kan geargumenteerd worden dat de makelaar in deze zaak meer gedaan heeft dan zijn eigenlijke opdracht, met name, koper en verkoper met mekaar in contact te brengen. In dit geval heeft hij eigenlijk geparticipeerd in de transactie, waardoor hij zij taak niet naar behoren heeft uitgeoefend. Dit kan niet alleen deontologisch ten aanzien van diens beroepsvereniging worden uitgespeeld, maar ook ten aanzien van de rechtbank.

In deze werkelijk bestaande zaak bleek er nog meer onregelmatig te zijn; De briefwisseling van de makelaar bleek doorspekt met taalfouten. De advocaat die met de zaak belast was, stelde zich hierdoor de bedenking of de makelaar wel een erkend makelaar was die aldus ingeschreven was in het handelsregister, lees een ondernemingsnummer had met toegelaten beroepsactiviteit als makelaar. De betrokken makelaar bleek op het eerste zicht geen BTW nummer te hebben wat op het eerst zicht verdacht leek. Even verdacht was dat hij elke betaling zonder factuur wou en ondanks het geschreven contract tot verregaande toegeving bereid was, mits contante betaling.

Met dit verweer geconfronteerd stuurde de zogeheten makelaar een factuur uitgaande van zijn schoonzus, die wel BTW plichtig was, doch een tuinbouwbedrijuf voerde (en dus geen makelaar was).

Na enig onderzoek bleek de zogeheten makelaar een loutere particulier te zijn die zich zelf had uitgeroepen tot zakenman, weze het zonder enige inschrijving. In het Vlaams een handige arrangeur.

De advocaat van de verkoper riep met succes in dat de makelaar in kwestie geen hoedanigheid had om als makelaar op te treden en dus ook geen vordering kon instellen. Aan de vermeende makelaar werd geen centiem betaald, zonder dat deze zich voor de rechtbank hiertegen kon beklagen. De schriftelijke overeenkomst kon dus niet voor de rechtbank worden hard gemaakt. In het recht heet dit dat de makelaar geen rechtsvordering kon instellen.

Tip: Ga steeds na in hoeverre uw zakenpartner beschikt over een inschrijving in de kruispuntbank der ondernemingen met een ondernemingsnummer (art. 14 wet 16 januari 2003), voorheen  het handelsregister voor de activiteit die hij u factureert. Bij gebreke hieraan kan hij geen eis tot betaling tegen u stellen. Om een en ander na te gaan zie de handelsinlichtingen die u kan kan bekomen op het net: vb. via www.Vanhecke.com

Rechtsleer: de bijzondere ontvankelijkheidssanctie wegens niet-inschrijving in het handelsregister van een handelsvennootschap en of niet vermelding van het handelsregister in de inleidende dagvaarding. Zie B. Tilleman in Proceshandelingen van en tegen vennootschappen, p. 230.

Rechtspraak:

•• Burgerlijke Rechtbank te Antwerpen, 9e B-Kamer – 12 december 2007, RW 2007-2008, 1510

...

Eisende partij stond aan verwerende partij een lening toe.

De eisende partij liet een dagvaarding betekenen teneinde betaling te verkrijgen van het saldo van de lening.

Verwerende partij voert aan dat eisende partij geen rechtmatig belang in de zin van art. 17 Ger. W. heeft om haar vordering in te stellen. Ze voert aan dat eisende partij de werkzaamheden van een kredietinstelling uitoefent zonder dat ze daarvoor de bij wet van 22 maart 1993 vereiste vergunning van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen heeft verkregen.

Eisende partij betwist niet dat ze niet over deze vergunning beschikt, maar voert aan dat ze niet onderworpen is aan de wet en bijgevolg geen vergunning als kredietinstelling moet hebben.

Art. 1 van de wet van 22 maart 1993 definieert een kredietinstelling als een onderneming waarvan de werkzaamheden bestaan in het van het publiek in ontvangst nemen van gelddeposito‘s of van andere terugbetaalbare gelden en het verlenen van kredieten voor eigen rekening.

Anders dan eisende partij aanvoert, maakt de wet geen onderscheid naargelang de kredieten al dan niet aan «gewone consumenten» dan wel aan consumenten in het raam van hun beroepsactiviteiten wordt verleend. Zodra men deposito‘s opneemt en kredieten verleent, zijn de twee essentiële voorwaarden om als een kredietinstelling te worden gekwalificeerd vervuld.

De door verwerende partij overgelegde stukken tonen aan dat eisende partij zowel deposito‘s opneemt als kredieten verleent (zie het stuk van eisende partij dat aantoont dat ze binnen het verwezenlijken van haar maatschappelijk doel – «aan het handels-, nijverheids- of financieel krediet een hulp te verlenen die ertoe strekt zijn verwezenlijking mogelijk te maken» – leningen op afbetaling kan toestaan, hypotheekleningen en kredietopeningen kan toestaan, en in het algemeen financiële verrichtingen kan verwezenlijken zoals krediet, kortingen, hypotheken enzovoort).

Het beantwoorden aan de definitie van een kredietinstelling in de zin van voormelde bepaling heeft tot gevolg dat eisende partij alle verplichtingen voortspruitend uit de wet van 22 maart 1993 moet naleven, wat ze duidelijk niet gedaan heeft.

Art. 7 van de wet van 22 maart 1993 bepaalt dat iedere kredietinstelling naar Belgisch recht die haar activiteiten in België wenst uit te oefenen vooraleer haar activiteiten aan te vatten een vergunning moet verkrijgen van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen. Het niet naleven van deze bepaling wordt strafrechtelijk beteugeld in art. 104, 2o, van de wet.

De rechtbank oordeelt dat het feit dat eisende partij niet beschikt over een vergunning als kredietinstelling, maakt dat ze zich bevindt in een onwettige toestand die de openbare orde raakt en die haar het legitieme belang ontneemt om vorderingen die voortspruiten uit overeenkomsten die werden aangegaan zonder dat men hiervoor over de vereiste vergunning beschikt, in te stellen.

De rechtbank besluit dan ook tot de onontvankelijkheid van de vordering van eisende partij.
 

 • Cassatie 28/05/2010 AR C.09.0528.F juridat

samenvatting:

Blijkens de parlementaire voorbereiding wilde de wetgever dat de grond van niet-ontvankelijkheid, die hieruit is afgeleid dat de vordering van een de handels- of ambachtsonderneming die in deze hoedanigheid is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, die gebaseerd is op een activiteit waarvoor zij op de datum van de inleiding van de vordering niet is ingeschreven of die niet valt onder het maatschappelijk doel waarvoor zij op deze datum is ingeschreven, slechts vóór elke andere exceptie of elk ander verweer mag worden aangevoerd.

uittreksel uit het arrest:

Nr. C.09.0528.F
S. B.,

tegen
PIRONT ROLF, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 26 februari 2009 gewezen door het hof van beroep te Luik.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 14, eerste en vierde lid, van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen;
- de artikelen 4 en 30 van de Grondwet;
- artikel 76 van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap;
- de artikelen 1 en 7 van de wet van 31 mei 1961 betreffende het gebruik der talen in wetgevingszaken, het opmaken, bekendmaken en inwerkingtreden van wetten en verordeningen.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart de vordering van de verweerster ontvankelijk en gegrond en veroordeelt de eiseres tot betaling van 19.504 euro aan de verweerster. Het verwerpt het middel waarin de eiseres aanvoerde dat verweersters vordering niet-ontvankelijk is, dit om de onderstaande redenen:
"De (eiseres) voert aan dat de oorspronkelijke vordering niet ontvankelijk is omdat de (verweerster), volgens de Kruispuntbank van Ondernemingen, ingeschreven is voor de activiteiten van ‘Exploitatie van bossen', ‘Zagen en schaven van hout'. Zij houdt staande dat zij dat middel terecht heeft aangevoerd vóór elke discussie over de zaak zelf in limine litis;

De (eiseres) verliest echter uit het oog dat de voorwaarde, waarin het oud artikel 42 van de wet van 18 augustus (lees: 20 juli) 1964 betreffende het handelsregister voorzag pour la couverture de l'irrecevabilité, namelijk dat de niet-ontvankelijkheid vóór elke discussie over de zaak zelf (‘in limine litis') aangevoerd moet worden, welke voorwaarde zij in haar samenvattende conclusie vermeldt en waarnaar de door de (eiseres) geciteerde rechtsleer en rechtspraak verwijzen, niet langer geldt sinds de inwerkingtreding, op 1 juli 2003, van artikel 14, laatste lid, van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen;

Die bepaling luidt als volgt: (Duitse vertaling B.S. 1 december 2003): ‘Indien de handels- of ambachtsonderneming wel in deze hoedanigheid is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, maar haar vordering gebaseerd is op een activiteit waarvoor de onderneming op de datum van de inleiding van de vordering niet is ingeschreven of die niet valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de onderneming op deze datum is ingeschreven, is de vordering van die onderneming eveneens onontvankelijk. De onontvankelijkheid is evenwel gedekt, indien de onontvankelijkheid niet voor elke andere exceptie of verweermiddel wordt ingeroepen.' (In het Frans: ‘L'irrecevabilité est cependant couverte si aucune autre exception ou aucun autre moyen de défense n'est opposé comme fin de non-recevoir');

Die nieuwe wetsbepaling verwijst niet naar de voorwaarde dat het middel betreffende de ontstentenis van inschrijving moet aangevoerd worden vóór elke discussie over de zaak zelf, maar naar het opwerpen van andere middelen van niet-ontvankelijkheid van de vordering (zie Voglet B., ‘L'irrecevabilité de l'action (en justice) d'une société pour l'inadéquation de l'activité fondant cette action avec l'activité inscrite à la B.C.E. ou dans son objet social', J.D.S.C., 2004, 126-127) ;

De (eiseres) werpt geen andere gronden van niet-ontvankelijkheid op in de zin van die bepaling;
De oorspronkelijke vordering is dus ontvankelijk".

Grieven

Artikel 14, eerste en vierde lid, van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen bepaalt dat elk op verzoek van een handels- of ambachtsonderneming betekend deurwaardersexploot steeds het ondernemingsnummer vermeldt. Indien de handels- of ambachtsonderneming wel in deze hoedanigheid is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, maar haar vordering gebaseerd is op een activiteit waarvoor de onderneming op de datum van de inleiding van de vordering niet is ingeschreven of die niet valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de onderneming op deze datum is ingeschreven, is de vordering van die onderneming onontvankelijk.

De laatste zin van artikel 14, vierde lid van die wet, bepaalt in de Franse versie ervan dat " l'irrecevabilité est cependant couverte si aucune autre exception ou aucun autre moyen de défense n'est opposé comme fin de non-recevoir".

De Nederlandse versie van de laatste zin van artikel 14, vierde lid, van die wet luidt als volgt: "de onontvankelijkheid is evenwel gedekt, indien de onontvankelijkheid niet voor elke andere exceptie of verweermiddel wordt ingeroepen".

De Duitse versie van de laatste zin van artikel 14, vierde lid, van die wet luidt als volgt: "die Unzulässigkeit ist jedoch gedeckt, wenn keine andere Einrede Beziehungsweise kein anderes Verteidigungsmittel als Unzulässigkeitsgrund geltend gemacht wird" (vrij vertaald: de vordering is evenwel ontvankelijk, indien geen enkele andere exceptie of geen enkel ander verweermiddel als grond van niet-ontvankelijkheid wordt opgeworpen).

Hoewel het Duits, volgens de artikelen 4 en 30 van de Grondwet, een van de landstalen, alsook een van de officiële talen van België is, zijn enkel de Nederlandse en de Franse tekst van de wet authentiek, terwijl de Duitse teksten officiële vertalingen zijn.

Artikel 1 van de wet van 31 mei 1961 betreffende het gebruik der talen in wetgevingszaken, het opmaken, bekendmaken en inwerkingtreden van wetten en verordeningen bepaalt immers dat de wetten in het Nederlands en in het Frans worden gestemd, bekrachtigd, afgekondigd en bekendgemaakt.

Artikel 76 van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap bepaalt dat de wetten afkomstig van de federale overheid, binnen de perken van de begrotingskredieten, in het Duits worden vertaald. De Centrale Dienst voor Duitse vertaling van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken staat in voor die vertaling (artikel 1 van de wet van 31 mei 1961 betreffende het gebruik der talen in wetgevingszaken, het opmaken, bekendmaken en inwerkingtreden van wetten en verordeningen).

Eventuele verschillen tussen de Nederlandse en de Franse tekst hebben zonder onderscheid betrekking op alle adressaten van de wet. Die verschillen worden opgelost naar de wil van de wetgever, die bepaald wordt volgens de gewone interpretatie en zonder dat aan de ene tekst de voorkeur wordt gegeven boven de andere (artikel 7 van die wet van 31 mei 1961).

In de memorie van toelichting voor het ontwerp van wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen heeft de wetgever vermeld dat hij het vroegere artikel 42 van het koninklijk besluit van 20 juli 1964 betreffende het handelsregister niet wilde wijzigen maar die bepaling enkel wilde herformuleren. Artikel 42 van de op 20 juli 1964 gecoördineerde wetten betreffende het handelsregister luidt als volgt: "Onontvankelijk is elke hoofdeis, tegeneis of eis tot tussenkomst welke zijn grond vindt in een handelswerkzaamheid waarvoor de verzoeker niet ingeschreven was bij het instellen van de vordering. De niet-ontvankelijkheid is gedekt indien zij niet vóór iedere manier exceptie of verweermiddel wordt voorgesteld".

Nog steeds in de memorie van toelichting voor het ontwerp van wet tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen heeft de wetgever uitdrukkelijk gepreciseerd dat in het geval waarin de handels- of ambachtsonderneming in die hoedanigheid in de Kruispuntbank van Ondernemingen is ingeschreven, maar haar vordering gebaseerd is op een activiteit waarvoor de onderneming op de datum van de inleiding van de vordering niet is ingeschreven, de onontvankelijkheid voor elke andere exceptie of verweermiddel moet worden ingeroepen (Doc. Kamer 50 2058/001, p. 23).

Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dus dat de wetgever wel degelijk wilde dat de uit artikel 14, vierde lid, de wet van 16 januari 2003 voortvloeiende grond van niet-ontvankelijkheid in limine litis aangevoerd moest zijn, en niet dat voornoemde grond van niet-ontvankelijkheid gepaard moest gaan met andere gronden van niet-ontvankelijkheid.

Het arrest beslist dat de uit artikel 14, vierde lid, van de wet van 16 januari 2003 afgeleide onontvankelijkheid gedekt is, op grond dat er geen enkele andere exceptie of geen enkel ander verweermiddel als grond van niet-ontvankelijkheid is opgeworpen.

Het arrest schendt bijgevolg artikel 14, eerste en vierde lid, van de wet van 16 januari 2003, naar luid waarvan de onontvankelijkheid gedekt is, indien zij niet voor elke andere exceptie of verweermiddel wordt ingeroepen, en, voor zoveel als nodig, de artikelen 4 en 30 van de Grondwet, 76 van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap, 1 en 7 van de wet van 31 mei 1961 betreffende het gebruik der talen in wetgevingszaken, het opmaken, bekendmaken en inwerkingtreden van wetten en verordeningen.

III BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Het middel
Krachtens artikel 14, vierde lid, van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen, is, indien de handels- of ambachtsonderneming in deze hoedanigheid is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, maar haar vordering gebaseerd is op een activiteit waarvoor de onderneming op de datum van de inleiding van de vordering niet is ingeschreven of die niet valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de onderneming op deze datum is ingeschreven, is de vordering van die onderneming eveneens onontvankelijk. "De onontvankelijkheid is evenwel gedekt, indien de onontvankelijkheid niet voor elke andere exceptie of verweermiddel wordt ingeroepen", wat betekent dat de vordering wel ontvankelijk is als zij niet vóór elke andere exceptie of verweer wordt opgeworpen.

De Franse tekst van die bepaling luidt echter als volgt: "L'irrecevabilité est cependant couverte si aucune autre exception ou aucun autre moyen de défense n'est opposé comme fin de non-recevoir".

Overeenkomstig artikel 7 van de wet van 31 mei 1961 betreffende het gebruik der talen in wetgevingszaken, het opmaken, bekendmaken en inwerkingtreden van wetten en verordeningen, worden eventuele verschillen tussen de Nederlandse en de Franse tekst van de wetten, die overeenkomstig artikel 1, eerste lid, van die wet, in het Nederlands en in het Frans worden gestemd, bekrachtigd, afgekondigd en bekendgemaakt, opgelost naar de wil van de wetgever, die bepaald wordt volgens de gewone interpretatie en zonder dat aan de ene tekst de voorkeur wordt gegeven boven de andere.

Bijgevolg moet worden nagegaan welke bedoeling de wetgever had, veeleer dan te blijven vasthouden aan de letterlijke betekenis van de gebruikte bewoordingen.

Blijkens de parlementaire voorbereiding wilde de wetgever dat de in artikel 14, vierde lid, van de wet van 16 januari 2003 bedoelde grond van niet-ontvankelijkheid slechts vóór elke andere exceptie of elk ander verweer mocht worden aangevoerd.

Indien die grond van niet-ontvankelijkheid enkel zou worden aangenomen als er andere gronden van niet-ontvankelijkheid zouden worden aangevoerd, zou trouwens de bepaling waarin zulks is vastgelegd elke betekenis verliezen.

Het arrest dat de grond van niet-ontvankelijkheid, aangevoerd tegen de rechtsvordering verwerpt op grond dat "de eiseres geen andere grond van niet-ontvankelijkheid opwerpt", schendt artikel 14, vierde lid, van de wet van 16 januari 2003.

Het middel is gegrond.
Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het principaal hoger beroep ontvankelijk verklaart.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het anders samengestelde hof van beroep te Luik.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel

• Burgerlijke Rechtbank te Gent, 14e Kamer – 1 maart 2011, RW 2012-2013, 837

Samenvatting:

Een tussenpersoon die niet ingeschreven is bij het Beroepsinstituut van Vastgoedmakelaars vastgoedmakelaarsverrichtingen doet, handelt in strijd met rechtsregels die de openbare orde aanbelangen en kan tegen zijn klanten geen aanspraken tot betaling laten gelden.

Tekst vonnis:

D. t/ V.

...

De vordering van de eiseres strekt tot veroordeling van de verweerster om aan de eiseres te betalen een (commissie)loon ten bedrage van 25.000 euro (vermeerderd met de interesten) wegens beweerde (vastgoed)verrichtingen (...).

De verweerster neemt conclusie tot afwijzing van deze vordering.

De eiseres baseert haar vordering tot betaling van een (commissie)loon op beweerde (vastgoed)verrichtingen (ogenschijnlijk) aangaande een aantal (op te meten en te verkavelen) gronden te E. en aangaande de verkoop van de bedrijfsgebouwen van de NV B. Zij legt dienaangaande enkele volmachten (over de opmeting en de verkaveling van gronden te E.) over. Zij legt voorts een handbeschreven agendabladzijde (van 25 oktober 2008) over waarbij de verweerster zich ertoe zou verbinden om aan de eiseres een bedrag van 25.000 euro te betalen bij de verkoop van de gebouwen van de NV B.

De aangevoerde contractuele grondslag is ongeldig, minstens zo onzuiver dat voormelde vordering hoe dan ook niet kan slagen.

Wanneer de eiseres beweert (als professioneel persoonlijk) vastgoedmakelaarsverrichtingen te hebben gedaan, blijkt zij, bij gebrek aan inschrijving bij het Beroepsinstituut van Vastgoedmakelaars, de beroepstitel van vastgoedmakelaar te miskennen (Cass. 24 maart 2005, Arr. Cass. 2005, 707). Ingevolge art. 3 van de wet van 1 maart 1976 “tot reglementering van de bescherming van de beroepstitel en van de uitoefening van de dienstverlenende intellectuele beroepen” en art. 2 van het KB van 6 september 1993 “tot bescherming van de beroepstitel en de uitoefening van het beroep van vastgoedmakelaar” mag niemand als zelfstandige in hoofdberoep of bijberoep het beroep van vastgoedmakelaar uitoefenen tenzij hij is ingeschreven op het tableau van de beoefenaren van het beroep of op de lijst van stagiairs die door het Beroepsinstituut van Vastgoedmakelaars worden bijgehouden. De uitoefening van het gereglementeerde beroep van vastgoedmakelaar is onderworpen aan de in art. 5 en 6 van het KB van 6 september 1993 opgesomde voorwaarden. Deze bepalingen, die ertoe strekken de toegang tot de markt te regelen met het oog op de kwaliteit van de dienstverlening ter bescherming van het publiek, betreffen de economische grondslagen van de maatschappij en raken bijgevolg de openbare orde. De beweerde vastgoedmakelaarsverrichtingen zijn nietig en kunnen geen aanspraken meebrengen (Cass. 29 november 2007, TBO 2008, 213).

Daar komt bij dat geen geldige vastgoedmakelaarsovereenkomst (in de zin van het KB van 12 januari 2007 “betreffende het gebruik van bepaalde bedingen in de bemiddelingsovereenkomsten van vastgoedmakelaars”) voorligt.

Hoe dan ook bewijst de verweerster de bedoelde vastgoedverrichtingen niet.

Wat de vastgoedverrichtingen betreft aangaande de gronden te E., ontbreekt elke band met de eiseres. En de bedrijfsgebouwen van de NV B. zijn door toedoen van notaris V. openbaar verkocht op 20 januari 2010. Ook daar ontbreekt blijkbaar elke band met de eiseres.

De verweerster bewijst evenmin andere prestaties die de bedoelde aanspraak op (commissie)loon zouden kunnen verantwoorden.

Noot ook de tussenpersonen van de erkende makelaar dienen over de nodige inschrijvingen te beschikken.... 

Nog dit: 

• Hof van Cassatie, 3e Kamer – 9 januari 2017, RW 2016-2017, 1500

Samenvatting

Uit art. 14, vierde lid KBO-Wet (huidig art. III.26, § 2 in fine WER) volgt dat de niet-ontvankelijkheid van de vordering van een onderneming die is ingeschreven in de KBO, maar die niet is gebaseerd op een activiteit waarvoor deze op de datum van de inleiding is ingeschreven of die niet valt onder het maatschappelijk doel, gedekt is indien zij niet vóór elke andere exceptie of verweermiddel wordt ingeroepen. De rechter dient deze bepaling ambtshalve toe te passen.

Tekst arrest

AR nr. C.16.0135.N

M.P. t/ P.P.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Gent van 5 februari 2016.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Krachtens art. 14, eerste lid van de wet van 16 januari 2003 “tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen” (hierna: “KBO-wet”), vermeldt elk op verzoek van een handels- of ambachtsonderneming betekend deurwaardersexploot steeds het ondernemingsnummer.

Krachtens art. 14, vierde lid KBO-wet, is de vordering onontvankelijk indien de handels- of ambachtsonderneming wel in deze hoedanigheid is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, maar haar vordering gebaseerd is op een activiteit waarvoor de onderneming op de datum van de inleiding van de vordering niet is ingeschreven of die niet valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de onderneming op deze datum is ingeschreven. De onontvankelijkheid is evenwel gedekt, indien zij niet voor elke andere exceptie of verweermiddel wordt ingeroepen.

2. Uit die bepalingen volgt dat de niet-ontvankelijkheid van de vordering van een handels- of ambachtsonderneming die is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen maar die niet gebaseerd is op een activiteit waarvoor de onderneming op de datum van de inleiding is ingeschreven of die niet valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de onderneming op deze datum is ingeschreven, gedekt is indien zij niet vóór elke andere exceptie of verweermiddel wordt ingeroepen.

3. De rechter is ertoe gehouden om, mits hij het recht van verdediging eerbiedigt, de rechtsnorm te bepalen die van toepassing is op de bij hem ingestelde rechtsvordering en die norm toe te passen. De loutere afwezigheid van verweer tegen de ingeroepen niet-ontvankelijkheid, ontslaat hem daarvan niet.

4. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de verweerster voor de eerste rechter niet heeft besloten tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering van de eiseres.

5. De appelrechters die vaststellen dat de eiseres zich niet beroept op de laatste zin van art. 14, vierde lid KBO-Wet en oordelen dat zij deze bepaling niet ambtshalve dienen toe te passen, verantwoorden hun beslissing dat de vordering van de eiseres niet ontvankelijk is, niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Tweede onderdeel

6. De rechter is ertoe gehouden het geschil te beslechten overeenkomstig de daarop toepasselijke rechtsregels. Hij moet de juridische aard van de door partijen aangevoerde feiten en handelingen onderzoeken en mag, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven, de door hen aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen, op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, dat hij zich enkel baseert op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, dat hij het voorwerp van de vordering niet wijzigt en dat hij daarbij het recht van verdediging van de partijen niet miskent.

7. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de verweerster zich heeft beroepen op de door de appelrechters onder 2.2.2. van hun arrest vermelde rechtsregels op grond waarvan zij beslissen dat:

– de eiseres, aangezien zij geen inschrijving heeft in de Kruispuntbank voor Ondernemingen voor de gefactureerde werken, evenmin kan laten gelden dat zij voldoet aan de van openbare orde gestelde vereisten inzake ondernemersvaardigheden teneinde op rechtmatige en ontvankelijke wijze haar gefactureerde aanspraken ter zake te kunnen laten gelden tegen de verweerster;

– hoe dan ook geen dekking mogelijk is van de niet-ontvankelijkheid van de vordering, gelet op het handelen tegen de openbare orde.

8. De appelrechters die aldus de vordering van de eiseres mede op deze gronden niet ontvankelijk verklaren, zonder deze aan tegenspraak te onderwerpen, miskennen het recht van verdediging.

Het onderdeel is gegrond.

 

Commentaar: 

GwH 160/2016, 14 december 2016, juridat

Samenvatting

Artikel III.26, § 2, van het Wetboek van economisch recht schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Tekst arrest

Het Grondwettelijk Hof,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 23 oktober 2015 in zake de bvba « Algemene Verbouwingswerken LUBO » tegen Eli Verhasselt, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 19 november 2015, heeft de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld :
« Schendt artikel III.26, § 2, van het Wetboek van Economisch Recht de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, samengelezen met artikel 6, § 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat het de onderneming die een vordering baseert op een activiteit waarvoor zij op de datum van de inleiding niet is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, sanctioneert met de niet-ontvankelijkheid van de vordering, zonder mogelijkheid tot regularisatie tijdens het geding, hetgeen een onevenredig zware sanctie lijkt te zijn rekening houdend met het doel van de maatregel ? ».
(...)

III. In rechte
(...)

B.1. De aan het Hof voorgelegde prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid van artikel III.26, § 2, van het Wetboek van economisch recht met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat het de onderneming die een rechtsvordering baseert op een activiteit waarvoor zij op datum van de inleiding niet is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, de sanctie oplegt van niet-ontvankelijkheid van de vordering, zonder mogelijkheid tot regularisatie tijdens het geding, « hetgeen een onevenredig zware sanctie lijkt te zijn rekening houdend met het doel van de maatregel ».

Derhalve wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of de in het geding zijnde bepaling een verschil in behandeling instelt, doordat aan een partij de uitoefening van een grondrecht, te weten het recht op toegang tot de rechter, wordt ontzegd, terwijl dat grondrecht voor elke andere burger wordt gewaarborgd.

B.2. Artikel III.26 van het Wetboek van economisch recht bepaalt :

« § 1. Elk op verzoek van een handels- of ambachtsonderneming betekend deurwaardersexploot vermeldt steeds het ondernemingsnummer.
Bij gebreke aan vermelding van het ondernemingsnummer op het deurwaardersexploot, verleent de rechtbank uitstel aan de handels- of ambachtsonderneming om haar inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen op de datum van het inleiden van de vordering te bewijzen.

Indien de handels- of ambachtsonderneming haar inschrijving in deze hoedanigheid in de Kruispuntbank van Ondernemingen op de datum van het inleiden van haar vordering niet bewijst binnen de door de rechtbank gestelde termijn of indien blijkt dat de onderneming niet ingeschreven is in de Kruispuntbank van Ondernemingen, verklaart de rechtbank van ambtswege de vordering van de handels- of ambachtsonderneming onontvankelijk.

§ 2. Indien de handels- of ambachtsonderneming wel in deze hoedanigheid is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, maar haar hoofdvordering, tegenvordering of vordering tot tussenkomst, ingediend bij verzoekschrift, bij conclusie of deurwaardersexploot, gebaseerd is op een activiteit waarvoor de onderneming op de datum van de inleiding van die vordering niet is ingeschreven of die niet valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de onderneming op deze datum is ingeschreven, is de vordering van die onderneming onontvankelijk. De onontvankelijkheid is evenwel gedekt, indien ze niet voor elke andere exceptie of verweermiddel wordt ingeroepen ».

B.3. De in artikel III.26 van het Wetboek van economisch recht omschreven sancties vinden hun oorsprong in artikel 14 van de wet van 16 januari 2003 « tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen » en betreffen « een herformulering van de artikelen 41 en 42 van het koninklijk besluit van 20 juli 1964 betreffende het handelsregister en de artikelen 28 en 29 van de wet van 18 maart 1965 op het ambachtsregister » (Parl. St., Kamer, 2002-2003, DOC 50-2058/001, p. 23).

Artikel 42 van de bij koninklijk besluit van 20 juli 1964 gecoördineerde wetten betreffende het handelsregister, dat zelf teruggrijpt naar artikel 37 van de wet van 3 juli 1956 op het handelsregister (Belgisch Staatsblad, 25 juli 1956), bepaalde, vóór het met ingang van 1 juli 2003 (artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 15 mei 2003, Belgisch Staatsblad, 19 mei 2003, tweede editie) werd opgeheven bij artikel 72, 2°, van de voormelde wet van 16 januari 2003 :

« Onontvankelijk is elke hoofdeis, tegeneis of eis tot tussenkomst welke zijn grond vindt in een handelswerkzaamheid waarvoor de verzoeker niet ingeschreven was bij het instellen van de vordering.

De niet-ontvankelijkheid is gedekt indien zij niet vóór iedere andere exceptie of verweermiddel wordt voorgesteld ».

B.4.1. Het recht op toegang tot de rechter, dat een onderdeel is van het recht op een eerlijk proces, kan worden onderworpen aan ontvankelijkheidsvoorwaarden.

Die voorwaarden mogen echter niet ertoe leiden dat het recht op zodanige wijze wordt beperkt dat de kern ervan wordt aangetast. Dit zou het geval zijn wanneer de beperkingen geen wettig doel nastreven of indien er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel. De verenigbaarheid van die beperkingen met het recht op toegang tot een rechterlijke instantie hangt af van de bijzonderheden van de in het geding zijnde procedure en wordt beoordeeld in het licht van het proces in zijn geheel (EHRM, 24 februari 2009, L'Erablière t. België, § 36; 29 maart 2011, R.T.B.F. t. België, § 69).

B.4.2. Meer in het bijzonder zijn de regels betreffende de vormvoorschriften gericht op een goede rechtsbedeling en het weren van de risico's van rechtsonzekerheid. Die regels mogen de rechtzoekenden echter niet verhinderen hun rechten te doen vrijwaren.

Bovendien « dienen de rechtbanken, door de procedureregels toe te passen, zowel een overdreven formalisme dat afbreuk zou doen aan het eerlijke karakter van de procedure, als een buitensporige soepelheid die zou leiden tot het afschaffen van de bij de wet vastgestelde procedurele vereisten, te vermijden » (EHRM, 25 mei 2004, Kadlec en anderen t. Tsjechische Republiek, § 26; 26 juli 2007, Walchli t. Frankrijk, § 29). « Het recht op toegang tot een rechter wordt immers aangetast wanneer de reglementering ervan niet langer de doelstellingen van de rechtszekerheid en de behoorlijke rechtsbedeling dient en een soort van hinderpaal vormt die de rechtzoekende verhindert zijn geschil ten gronde door het bevoegde rechtscollege beslecht te zien » (EHRM, 13 januari 2011, Evaggelou t. Griekenland, § 19; 24 mei 2011, Sabri Gunes t. Turkije, § 58).

B.5. Het in het geding zijnde verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk de al dan niet volledige inschrijving van de onderneming of vestigingseenheid in de Kruispuntbank van Ondernemingen.

B.6.1. Het vereiste dat de ingestelde vordering, wil zij ontvankelijk zijn, moet zijn gebaseerd op een activiteit waarvoor de onderneming op de datum van de inleiding van de vordering is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen of op een activiteit die valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de onderneming op die datum is ingeschreven, gaat terug op de algemene doelstelling die aan de wet van 3 juli 1956 op het handelsregister ten grondslag ligt. Met die wetgeving beoogde de wetgever immers het zwartwerk te bestraffen van diegenen die een handelswerkzaamheid uitoefenen zonder de juridische, sociale en fiscale gevolgen ervan te dragen en de maatregel strekte ertoe die handelaars de toegang tot de rechtszaal te ontzeggen (Hand., Senaat, 1955-1956, zitting van 29 november 1956, p. 47; Pasin., 1956, pp. 519-520). Aldus droeg die maatregel bij tot het bestrijden van de oneerlijke concurrentie.
B.6.2.

Die zorg blijft gelden voor vorderingen die gebaseerd zijn op een andere activiteit dan die waarvoor de onderneming op de datum van inleiding van de vordering is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, ook al kan de Kruispuntbank van Ondernemingen zijn taken in dat geval reeds naar behoren uitvoeren (artikel III.15 van het Wetboek van economisch recht).

B.6.3. De in het geding zijnde vereiste is niet onevenredig. De onontvankelijkheid van de vordering wordt immers gedekt indien de exceptie niet in limine litis wordt opgeworpen (artikel III.26, § 2, van het Wetboek van economisch recht).

B.7. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,
het Hof
zegt voor recht :

Artikel III.26, § 2, van het Wetboek van economisch recht schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 14 december 2016.

Rechtsleer:

E. Brewaeys, Opletten met vermelding van ondernemingsregsiter in dagvaarding, Juristenkrant 8 februari 2016, p. 6.
 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:15
Laatst aangepast op: za, 27/05/2017 - 10:45

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.