-A +A

Garantie op eerste verzoek

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Rechtsleer:

• Philippe Colle, De garantie op eerste verzoek in Kroniek handels- en distributieovereenkomsten, R.W. 2007-2008, 179.

• Wymeersch E, Garanties op eerste verzoek (klik hier), TPR 1986, 471

• Emiliy Nordin, Het abstract, autonoom en letterlijk karakter van de bankgarantie op eerste verzoek, RW 2010-2011, 1282

Bij de garantie op eerste verzoek verbindt de garant zich ertoe om aan de begunstigde van de garantie en op diens eenvoudig verzoek een welbepaald bedrag te zullen betalen.

De begunstigde beslist op eigen initiatief  om tot afroep van de garantie al dan niet over te gaan, zonder dat hiertoe bewijs moet geleverd van een wanprestatie en zonder dat de garant enige exceptie mag opwerpen op basis van de onderliggende verbintenis. Excepties die grondslag vinden in de exceptiebrief zelf kunnen wel worden ingeroepen.

De garantie op eerste verzoek wordt meestal verleend door een bank onder de vorm van een bankwaarborg of bankgarantie. De bank die een dergelijke garantie verleent, is verbonden door een persoonlijke, onherroepelijke, onvoorwaardelijke, autonome verbintenis.

Bij de beoordeling van de draagwijdte van de garantieplicht dient uitgegaan te worden van de tekst van de gestelde waarborg die in tempore non suspecto werd aanvaard. De eventuele betalingsverbintenis van de bankier is een zelfstandige verbintenis, die losstaat van de contractuele relatie van de partijen bij het onderliggend contract.

Rechtspraak: :

• • Rechtbank van Koophandel te Brussel, 25e Kamer – 16 juni 2008
NV S. e.a. t/ NV P.I., RW 2008-2009, Jaargang : 2008-2009 (72), Pagina : 759

Feiten en retroacta

1. De relevante feiten, nuttig voor de beoordeling van de zaak, zoals zij uit de stukken en uit de conclusies van partijen blijken, kunnen als volgt worden samengevat.

De NV S. is een bedrijf dat op satelliettechnologie gebaseerde totaaloplossingen voor tracking en tracing van voertuigen ontwikkelt en commercialiseert, voornamelijk in de trailer- en containermarkt. Eiseressen op hoofdeis waren de oprichters, alsook de aandeelhouders van de NV S.

Bij onderhandse overeenkomst van 31 januari 2006 verkochten eiseressen op hoofdeis aan de NV P.T. alle 2.127 aandelen van de NV S. tegen de basisprijs van 6.750.000 euro, eventueel te verhogen met een bonus of te verminderen met een malus.

De basisprijs diende voldaan te worden in twee schijven: enerzijds een eerste schijf van 4.000.000 euro, te voldoen op datum van de overdracht, en anderzijds, een tweede schijf van 2.750.000 euro, in voorkomend geval vermeerderd met een bonus of verminderd met een malus, te voldoen uiterlijk op 31 januari 2007.

In uitvoering van het art. 7.4 van de koopovereenkomst verstrekte verweerster op hoofdeis op 31 januari 2006 een garantie onder de volgende bewoordingen:

«P. (verweerster op hoofdeis) verklaart hierbij bij wijze van zelfstandige verbintenis de volgende garantie (hierna «Garantie») te verlenen.

1. P. verbindt zich ertoe op eerste verzoek met een aangetekend schrijven van de verkopers, om alle verplichtingen van de koper waarvoor de koper in gebreke blijft in uitvoering van de overeenkomst tegenover de verkopers na te komen. In het bijzonder verbindt P. zich ertoe om bij ontvangst van het aangetekend schrijven aan de verkopers onmiddellijk alle schulden waarvoor de koper in gebreke blijft t.a.v. de verkopers uit hoofde van de overeenkomst te voldoen.

...

3. (...). Deze garantie blijft geldig tot de koper al zijn verplichtingen krachtens de overeenkomst ten aanzien van de verkopers heeft nageleefd. De begrippen «koper» en «prijs» hebben in deze garantie dezelfde betekenis als in de overeenkomst».

Op 20 februari 2007 werd de NV P.T. door de raadsman van eiseressen op hoofdeis aangemaand om het bedrag van 2.750.000 euro onmiddellijk te voldoen.

Op diezelfde datum werd verweerster op hoofdeis door diezelfde raadsman aangetekend aangemaand om bij gebrek aan ontvangst van een bericht van betaling van de NV P.T. het genoemde bedrag binnen verloop van drie dagen na ontvangst van de aanmaning te voldoen.

Aangezien de NV P.T. en verweerster op hoofdeis geen gevolg gaven aan voornoemde brieven, hebben eiseressen op hoofdeis bij deurwaardersexploot van 26 februari 2007 huidige procedure aanhangig gemaakt.

Betreffende de vorderingen

2. De hoofdeis strekt ertoe om:

a) verweerster op hoofdeis te horen veroordelen tot betaling van de som van 2.750.000 euro, vermeerderd met de nalatigheidsinteresten sedert 31 januari 2007;

b) eiseressen op hoofdeis akte te horen verlenen van het voorbehoud dat zij formuleren betreffende de schade die zij ondervinden ingevolge de tergende procesvoering door verweerster op hoofdeis;

...

Beoordeling

...

Nopens de kwalificatie van de garantieverbintenis

6. Verweerster op hoofdeis verwijst, voor de kwalificatie van haar verbintenis, naar de borgtocht en dringt aan op het noodzakelijkerwijze accessoir karakter ervan.

Eiseressen op hoofdeis kwalificeren de verbintenis van verweerster op hoofdeis daarentegen als een autonome garantie op eerste verzoek.

De rechtbank dient na te gaan wat de bedoeling van verweerster op hoofdeis is geweest, veeleer dan zich te houden aan de letterlijke betekenis van de woorden van de akte van 31 januari 2006.

Meer bepaald in het geval twee bedingen elkaar uitsluiten, zal de rechtbank voorrang dienen te geven aan dat beding dat het nauwst aansluit bij de bedoeling van verweerster of hoofdeis.

Om de bedoeling van verweerster op hoofdeis op te sporen, mag de rechtbank rekening houden met buiten de te interpreteren akte liggende en dus extrinsieke elementen en omstandigheden, zoals daar zijn de context van de akte, de begeleidende omstandigheden en de wijze waarop zij werd uitgevoerd.

Te dezen liggen niet alleen de akte van 31 januari 2006 voor, maar ook een hele reeks externe elementen, waaronder de koopovereenkomst van dezelfde datum.

Luidens het art. 7.4. van de koopovereenkomst diende de koper – de NV P.T. – ervoor zorg te dragen dat er bij de ondertekening van de koop aan de verkopers – eiseressen op hoofdeis – een «onvoorwaardelijke garantie op eerste verzoek» werd afgegeven waarin verweerster op hoofdeis alle verbintenissen aangegaan door de koper aan het adres van de verkopers waarborgde, in het bijzonder betaling van de tweede schijf van de koopprijs.

Luidens de tweede en de derde overweging van de garantieverbintenis verklaarde verweerster op hoofdeis, met uitdrukkelijke verwijzing naar het genoemde art. 7.4 van de koopovereenkomst, zich bereid om zich «onvoorwaardelijk garant te stellen voor de juiste nakoming van de verplichtingen van de koper» krachtens de koopovereenkomst.

Luidens het art. 1 van de garantieverbintenis zelf verbond verweerster op hoofdeis er zich «bij wijze van zelfstandige verbintenis» toe «op eerste verzoek middels een aangetekend schrijven van de verkopers, om alle verplichtingen van de koper waarvoor de koper in gebreke blijft in uitvoering van de overeenkomst tegenover de verkopers na te komen».

Het gebruik van de termen «onvoorwaardelijke garantie op eerste verzoek», «onvoorwaardelijk», «zelfstandige verbintenis» en «op eerste verzoek» wijzen duidelijk op een zogenaamde garantie op eerste verzoek.

De vermelding dat de garantieverbintenis slechts «geldig blijft tot de koper al zijn verplichtingen krachtens de overeenkomst ten aanzien van de verkopers heeft nageleefd», belet naar het oordeel van de rechtbank niet dat verweerster op hoofdeis een van de onderliggende verhoudingen geabstraheerde garantie verstrekte.

Verweerster op hoofdeis heeft met de geciteerde passage, ongeacht de ietwat ongelukkige woordkeuze, enkel willen beklemtonen dat haar garantieverbintenis onbeperkt in de tijd was.

De garantie verleend door verweerster op hoofdeis maakt dan ook een garantie op eerste verzoek uit.

Verweerster op hoofdeis heeft er zich namelijk toe verbonden ten aanzien van eiseressen op hoofdeis om, mits het vervuld zijn van bepaalde formaliteiten, onmiddellijk alle schulden waarvoor de NV P.T. in gebreke blijft te voldoen op eerste verzoek en zonder dat de gegrondheid ervan betwist kon worden.

De verbintenis die verweerster op hoofdeis aanging in het raam van de garantie wordt volgens de tekst zelf gekenmerkt door haar zelfstandig en abstract karakter; dat zij immers losstaat, zowel van de verhouding tussen haar en de opdrachtgever (dekkingsverhouding), als van de verhouding tussen de opdrachtgever en de begunstigde (valutaverhouding), zodat zij in beginsel niet aangevochten kan worden op grond van gebreken in of excepties geput uit die onderliggende verhoudingen.

De verbintenis van de borg is daarentegen naar haar aard een bijkomende verbintenis. Een verbintenis die volledig wordt geabstraheerd van de valutaverhouding, is in strijd met het wezen van de borgtocht zelf en kan dan ook geen borgtocht zijn (Cass. 16 december 1994, R.W. 1995-96, 322, noot E. Dirix).

Verweerster op hoofdeis beroept zich dan ook volledig onterecht op de wettelijke bepalingen die de borgstelling beheersen.

Nopens de afroep

7. Verweerster op hoofdeis moet noch mag onderzoeken of de verbintenissen, voortvloeiende uit de koopovereenkomst, rechtsgeldig werden aangegaan, nog bestaande zijn of werden uitgevoerd.

8. De garant mag enkel een autonome garantie op eerste verzoek weigeren te honoreren in geval van kennelijk, manifest, onbetwistbaar en zonneklaar bedrog of misbruik (Brussel 2 maart 2001, T.B.H. 2002, 484, noot W. Derycke).

De afroep is derhalve niet onderworpen aan de voorwaarde dat de schuldvordering van de begunstigde van de garantie onbetwistbaar of onbetwist is (Brussel 7 juni 1995, R.W. 1995-96, 1239). Er anders over oordelen zou erop neerkomen dat het voldoende is allerlei betwistingen op te werpen, zoals verweerster op hoofdeis het te dezen doet, om de opschorting van de gegeven garantie, waardoor nochtans van in het begin het onderzoek naar de grond van de zaak werd uitgesloten, te bereiken en zodoende van haar nut uit te hollen.

Verweerster op hoofdeis dient dan ook het bewijs te leveren van een overduidelijk en in het oog springend bedrog of misbruik, quod non in casu. Verweerster op hoofdeis beroept zich dan ook onterecht op misbruik van afroeprecht begaan door eiseressen op hoofdeis.

Nopens de gevraagde akteverlening van een voorbehoud

9. Er is geen enkele grond aanwezig om het verzoek van eiseressen op hoofdeis om hen akte te verlenen van het voorbehoud dat zij formuleren betreffende de schade die zij ondervinden ingevolge de tergende procesvoering door verweerster op hoofdeis in te willigen.

Een dergelijk verzoek houdt namelijk geen enkele vordering in tot de rekening van enig recht of tot de veroordeling tot enige prestatie en kan niet als een rechtsvordering worden gekwalificeerd. Voor zover een dergelijk verzoek ertoe strekt de wederpartij aan te zeggen dat er ter zake geen rechten worden prijsgegeven kan dit gebeurlijk gelden als mededeling van partij tot partij, maar dit staat buiten elke tussenkomst van de rechter en beoogt niet de beslechting van een actueel geschil omtrent een subjectief recht.

...

Overige rechtspraak:

• Hof van Beroep te Antwerpen, 8e Kamer – 16 februari 2011, R.W. 2012-2013, 547

BVBA A.C. t/ Belgische Staat, FOD Financiën, en NV K.B.

1. BVBA A.C. is een douane-expediteur. In het jaar 2000 heeft zij vier aangiften T1-documenten gedaan strekkende tot het vervoer van textiel en gasaanstekers onder douaneregeling voor extern communautair douanevervoer, waarvoor de K.B. als borg is opgetreden. De T1-documenten werden niet regelmatig aangezuiverd.

Het douanekantoor Antwerpen D startte daarom een procedure conform art. 450quater van het Communautair Uitvoeringswetboek (Vo (EG) nr. 2787/2000).

...

2. De eerste rechter verklaart de vordering ontvankelijk maar ongegrond. De eerste rechter overwoog dat er geen bewijs voorhanden is van kennelijke onredelijkheid van de douaneadministratie...

4. De Belgische Staat concludeert tot de bevestiging van de bestreden beschikking. Hij argumenteert dat de douaneschuld vaststaand en opeisbaar is en dat K.B. zich verbonden heeft door de lopende zekerheidstelling om als communautaire borg op het eerste verzoek de gevorderde bedragen te betalen....

1. Op verzoek van de aangever kunnen de douaneoverheden vereenvoudigingen toestaan, zoals het gebruik van een doorlopende zekerheid. De doorlopende zekerheid wordt door een borg gesteld door middel van een akte van borgtocht waarvan het model in bijlage 48 is opgenomen (Vo (EEG) nr. 2454/93).

In een communautaire borgstelling verbindt de bank zich ertoe op het eerste schriftelijk verzoek van de bevoegde overheden de gevorderde bedragen te betalen, zulks tot het vermelde maximumbedrag en zonder de termijn van dertig dagen vanaf het tijdstip na de datum van het verzoek te kunnen overschrijden.

12. K.B. argumenteert dat, in tegenstelling tot de garantie (op eerste verzoek) de borgtocht een accessoire overeenkomst is. Aangezien zij slechts verbonden is als borg, houdt dit in dat zij enkel dient te betalen indien er een opeisbare en vaststaande schuld van de hoofdschuldenaar is. Gezien de nog hangende procedures heeft zij redenen om hieraan te twijfelen.

13. Het wezen van de bankgarantie op het eerste verzoek bestaat in het autonoom karakter ervan, dat de uitvoering enkel en alleen afhankelijk is van het loutere verzoek daartoe van de begunstigde na voorlegging van een voor eensluidend verklaard afschrift van een definitief vonnis, uitvoerbaar in België.

De verwijzing naar de onderliggende rechtsverhouding waarvoor zij als zekerheid dient, doet geen afbreuk aan het strikte formalisme en betekent geenszins dat van de begunstigde ook zou kunnen worden geëist dat hij zou aantonen dat zijn beroep op de bankgarantie kadert binnen de onderliggende rechtsverhouding en dus effectief betrekking heeft op het door die zekerheid gedekte risico.

De bank kon volstaan met de formele verificatie van de regelmatigheid van de afroep op grond van de voorwaarden van de garantiebrief. Alleen in het geval van bedrog of kennelijk rechtsmisbruik zou de bank aan de begunstigde betaling kunnen weigeren. Dan nog kan de opdrachtgever maar de opschorting ervan vragen wanneer voldoende vaststaat dat de afroep op bedrieglijke wijze gebeurt of een kennelijk misbruik van recht inhoudt, of wanneer de onderliggende verhouding tussen de opdrachtgever en de begunstigde ongeoorloofd of nietig is (zie ook: Brussel 7 juni 1995, DAOR, nr. 37, 74).

14. De verplichting tot zekerheidstelling vloeit voort uit de bepalingen van het Communautair Douanewetboek (Vo (EEG) nr. 2913/92) dat de modaliteiten ervan heeft vastgelegd.

Art. 95, eerste lid van het Communautair Douanewetboek bepaalt uitdrukkelijk dat de borg zich schriftelijk ertoe dient te verbinden het bedrag waarvoor zekerheid is gesteld, hoofdelijk met de schuldenaar te betalen, indien de douaneschuld opeisbaar wordt.

Om opeisbaar te zijn dient elk bedrag aan invoerrechten dat voortvloeit uit een douaneschuld door de douaneoverheden te worden berekend zodra deze over de nodige gegevens beschikken, en dient het in de boekhouding te worden geregistreerd. Het bedrag wordt onmiddellijk na de boeking aan de schuldenaar meegedeeld. Aan deze voorwaarden lijkt te zijn voldaan bij proces-verbaal nr. 326/00 van 2 juli 2004 en ingevolge de dagvaarding van 30 mei 2006 tot invordering van de verschuldigde invoerrechten.

15. K.B. heeft zich blijkbaar volgens de bewoordingen van de akte van borgtocht op het eerste schriftelijk verzoek ertoe verbonden een douaneschuld, die opeisbaar is, te betalen en dit binnen de limieten van de zekerheidstelling. Gelet op het verloop van de gevoerde procedures lijkt deze invordering geenszins kennelijk onredelijk....
 

• Cass. 13 november 1953, Pas. 1954, I, 190;
• Rb. Brussel 3 september 1983, TBH 1994, 1126
• Cass. 24 april 2009 RW 2010-2011, met noot, 1301
• Cass. fr. 19 april 2005, Bull.civ. 2005, IV, p. 94, nr. 91
• Cass. 13 november 1969, Arr.Cass. 1970, 261, RCJB 1970, 326, noot P. VAN OMMESLAGHE;
• Cass. 5 november 1976, Arr.Cass. 1977, 268, RW 1977-78, 440, noot J. THIELEMANS.
• Brussel 25 februari 1982, BRH 1982, 349; Antwerpen 13 oktober 1982, BRH 1982, 642;
• Kh. Brussel 28 april 1983, BRH 1984, 57; P. VANOMMESLAGHE, o.c., RCJB 1970, 361;
• Rb. Brussel 3 september 1993, TBH 1994, 1126
• Gent 25 februari 1998, TBH 1989, 40, noot F. DE LY
• Cass. 12 oktober 2000, Arr.Cass. 2000, 1564, RW 2002-03, 416, noot A. VAN OEVELEN
• Kh. Leuven 18 mei 2004, TBH 2006, 106
• Brussel 14 februari 2000, Rev.not.b. 2000, 403.
• Brussel 26 juni 1992, TBH 1994, 51, noot P. LEFÈVRE;
• Luik 24 september 1999, TBH 2000, 734
• Brussel 14 februari 2000, Rev.not.b. 2000, 403
• Brussel 24 februari 2004, JT 2005, 68 (waarbij de garantie buiten de geldigheidsduur werd afgeroepen);
• Y. POULLET, «La garantie bancaire automatique: présentation de quelques décisions récentes» (noot onder Antwerpen 13 oktober 1982), TBH 1982, (645), p. 650, nrs. 12 e.v.;
• Kh. Leuven 18 mei 2004, TBH 2006, 106; RPDB,
• Luik 24 september 1999, TBH 2000, 734
• Cass. 11 september 2003, Arr.Cass. 2003, 1643, RW 2005-06, 1463, noot E. DE CALUWÉ.
• Parijs 17 december 1991, Dall. 1992, Somm., 240, noot M. VASSEUR.
• Cass. fr. 7 februari 1995, RJDA 1995/6, nr. 754, p. 600
• Cass. 23 januari 1968, Arr.Cass. 1968, 695
• Luik 24 september 1999, TBH 2000, 734
• Cass. 26 juni 1998, Arr.Cass. 1998, 765.

Nog dit: 

Rechtsleer:

• P. COLLE, «Actualia Garanties op eerste verzoek» in Van alle markten. Liber amicorum Eddy Wymeersch, Antwerpen, Intersentia, 2008, (227), p. 227, nr. 1.

• S. PIEDELIÈVRE, «Garantie à première demande» in Rép.Com.Dal. 2008, p. 7, nrs. 32-33.
• G. BOSMAN, «De nieuwe Uniform Rules for Demand Guarantee van de Internationale Kamer van Koophandel: een eerste kennismaking», Bank Fin. 2010, p. 82, nr. 1.
• G. SCHRANS, «Eenvormige regels voor autonome garanties», in Liber amicorum Paul De Vroede, II, Deurne, Kluwer, 1994, (1163), p. 1164, nr. 4.1; 
• M. VAN QUICKENBORNE, Borgtocht in APR, Antwerpen, Story-Scientia, 1999, p. 489, nr. 898).
• RPDB, Compl. VII, Les garanties bancaires, p. 558, nr. 4; 
• L. MERLAND, «Garanties financiers professionnelles» in Rép.Com.Dal. 2009, p. 13, nr. 32.
• L. SIMONT, «De abstracte verbintenis van de bankier naar Belgisch recht», TPR 1985, (691), 693; 
• E. DIRIX en R. DE CORTE, Zekerheidsrechten, Mechelen, Kluwer, 2006, 243 e.v.
• M.E. STORME, Persoonlijke zekerheden, Gent, 2010, www.stor me.be, 3, 9-10. United Nations Convention on Independent Guarantees and Stand-by Letters of Credit omschrijft een bankgarantie in art. 2.
• Y. POULLET, «La garantie bancaire à première demande, un acte unilateral abstrait» in Mélanges Pardon, Brussel, Bruylant, 1996, p. 423-424, nr. 12; 
• RPDB, Compl. VII, Les garanties bancaires, p. 563, nr. 28. 
• L. MERLAND, «Garanties financiers professionnelles», Rép.Com.Dal. 2009, p. 13, nr. 32.
•  P. VAN OMMESLAGHE, «Observations sur la théorie de la cause dans la jurisprudence et dans la doctrine moderne» (noot onder Cass. 13 november 1969), RCJB 1970, (329), 341; 
• W. VAN GERVEN en S. COVEMAEKER, Verbintenissenrecht, Leuven, Acco, 2006, 138-141; E. WYMEERSCH, «Garanties op eerste verzoek», TPR 1986, 490.
• C. BORMS, «Hoe autonoom is de garantieverbintenis?», T.Fin. R. 2007, (75) 81; RPDB, Compl. VII, Les garanties bancaires, p. 563, nr. 28;
• M. VAN QUICKENBORNE, «Delegatie en onrechtsreekse schenkingen, TPR 1969, (175), 177; 
• 18. R. JANSEN «Delegatie», in A. VAN OEVELEN en E. DIRIX (red.), Bijzondere overeenkomsten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 2009, nr. 24;
•  F. T‘KINT en W. DERIJCKE, «La garantie indépendante à l‘ombre des apparances» in Hommages à Jacques Heenen, Brussel, Bruylant, 1994, p. 439, nr. 13.
• RPDB, Compl. VII, Les garanties bancaires, p. 583, nr. 102;
• P. DE VROEDE en M. FLAMÉE, «De garanties op eerste verzoek», TPR 1982, p. 378, nr. 17; 
• S. VELU, «Les garanties à première demande en droit belge» in H. LESGUILLONS (red.), Garanties bancaires dans les contrats internationaux, Parijs, Fondation pour l‘étude du droit et des usages du commerce international, 1981, 231.
• H. DE PAGE, L‘obligation abstraite en droit interne et en droit comparé, Brussel, Bruylant, 1957, 32
• C. DEHOECK, Documentair krediet, Brugge, die Keure, 2007, 443.
•  «Garanties autonomes», Jurisclasseur 2009, p. 7, nr. 11.
• S. PIEDELIÈVRE, «Garantie à première demande» in Rép.Com.Dal., 2008, p. 7, nrs. 31 en 32.
• E. DIRIX, Obligatoire verhoudingen tussen contractanten en derden, Antwerpen, Kluwer, 1984, 161. 
• J. RONSE, Delegatieovereenkomst in APR, Gent, 1954, 72; 
• R. JANSEN, in Bijzondere overeenkomsten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, nr. 24. 
• Y. POULLET, «Les garanties autonomes, les exceptions au devoir de paiement» in Actualités des garanties à première demande, Brussel, Bruylant, 1998, (123), 141.
• RPDB, Compl. VII, Les garanties bancaires, p. 564, nr. 32; 
• C. STUYCK, «Garantie op eerste verzoek: misbruik van afroep en haar bestrijding», Limb.Rechtsl. 1996, (1), 3; 
• RPDB, Compl. VII, Les garanties bancaires, p. 592, nrs. 140 e.v.; art. IV.G. 3:105 DCFR.
•  P. COLLE, o.c., in Van alle markten. Liber amicorum Eddy Wymeersch, p. 234, nr. 10.
•  L. SIMONT, «Les garanties indépendantes», Bank.Fin. 1983, 597.
•  J. BAECK, «De gevolgen tussen partijen (met inbegrip van de aanvullende en beperkende werking van de goede trouw)» in A. VAN OEVELEN en E. DIRIX (red.), Bijzondere overeenkomsten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtsleer en rechtspraak, Mechelen, Kluwer, 2007, (1), 76.
• : P. COLLE, o.c., in Van alle markten. Liber amicorum Eddy Wymeersch, p. 235, nr. 10.
• D. DE MAREZ, «Garantieformalisme als eerste maatstaf bij de beoordeling van een beroep op een bankgarantie en de toepassing van deze regel bij de beoordeling van een «extend or pay»-verzoek», DAOR 2000, (304), 314 en 323.
• RPDB, Compl. VII, Les garanties bancaires, p. 564, nr. 32; 
• C. CAUFFMAN, De verbindende eenzijdige belofte, Antwerpen, Intersentia, 2005, 382-383;
•  «Garanties autonomes», Jurisclasseur 2007, p. 8 en 9, nrs. 17 en 19.
• . «Garanties autonomes», Jurisclasseur 2009, p. 9, nr. 19.
RPBD, Compl. VII, tw. Garanties bancaires autonomes, nr. 26; 
• R.F. BERTRAMS, Bank Guarantees in International Trade, Den Haag, Kluwer Law International, 2006, 139.
• RPDB, Compl. VII, Les garanties bancaires, p. 558, nr. 4; E. WYMEERSCH, o.c., TPR 1986, 479.
• J. DE CONINCK, De voorwaarde in het contractenrecht, Brugge, die Keure, 2007, 140.
• RPDB, Compl. VII, Les garanties bancaires, p. 566, nr. 40. 
• E.L.A. VAN EMDEN, «Arrest verhoogt kans op procedures bij bankgaranties», WPNR 2004, 781-782.
• RPDB, Compl. VII, Les garanties bancaires, p. 566, nr. 40.
• K. VLIEGEN, «Autonome garanties» in E. DIRIX e.a. (red.), Borgtocht en garanties, Antwerpen, Kluwer, 1997, p. 220, nr. 240.
• S. PIEDELIÈVRE, «Garantie à première demande» in Rép.Com.Dal. 2008, p. 9, nrs. 44 en 138; «Garanties autonomes» in Jurisclasseur, banque – crédit – bourse 2009, p. 34, nr. 30.
• P. SIMLER, Cautionnement et garanties autonomes, Parijs, Litec, 2000, 910.
• De garanties op eerste vervalDe Vroede P. en Flamee M. TPR 1982, 365, lees deze bijdrage via TPR online open acces via deze link
Rechtspraak:
 
Cassatie 28/06/2012, AR C.11.0723.N, juridat

Samenvatting

De begunstigde van een bankgarantie op eerste verzoek heeft het recht tot afroep van de garantie zodra de voorwaarden hiertoe zijn vervuld; de opdrachtgever van de garantie is gerechtigd de krachtens de garantie betaalde bedragen van de begunstigde terug te vorderen wanneer de afroep niet terecht is gebeurd; de bewijslast hiervoor berust bij de opdrachtgever

Het OM concludeerde tot verwerping nu het van oordeel was dat ongeacht op wie de rechtbank te dezen de bewijslast laat rusten van de omvang van de huurschade, de rechtbank ook overweegt dat het verslag waarop eiseres zich beriep tot bewijs van de omvang van de huurschade alleen waarschijnlijk maakt dat er enige huurschade is ontstaan, maar geen uitsluitsel biedt over de precieze omvang ervan en de mate waarin zij door verweerster dient te worden gedragen.

Het OM was dan ook van mening dat de kritiek van eiseres niet ontvankelijk was bij gebrek aan belang nu deze het oordeel van de rechtbank over de bewijswaarde van de minnelijke expertise onaangetast laat.

Tekst arrest

Nr. C.11.0723.N
MULTIMODAL LOGISTICS PLATFORM nv, met zetel te 1040 Etterbeek, Louis Schmidtlaan 2, bus 3,
eiseres,

tegen
SCHENKER nv, met zetel te 2030 Antwerpen, Atlantic House, Noorderlaan 147,
verweerster,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van koophandel te Mechelen van 23 december 2010.
...
II. CASSATIEMIDDEL
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste onderdeel
1. De begunstigde van een garantie op eerste verzoek heeft het recht tot afroep van de garantie zodra de voorwaarden hiertoe zijn vervuld. De opdrachtgever van de garantie is gerechtigd de krachtens de garantie betaalde bedragen van de begunstigde terug te vorderen wanneer de afroep niet terecht is gebeurd. De bewijs-last hiervoor berust bij de opdrachtgever.

2. Uit de vaststellingen van de appelrechters blijkt dat:
- de verweerster als huurder van een bedrijfsgebouw aan de eiseres (verhuurder) een bankgarantie op eerste verzoek heeft verstrekt tot waarborg van de eventuele huurschade bij het beëindigen van de overeenkomst;
- de overeenkomst een einde nam op 31 december 2007;
- de verhuurder op 20 mei 2008 overging tot afroep van de bankgarantie;
- de bank aan de verhuurder het overeengekomen bedrag betaalde;
- de huurder het bestaan van huurschade betwist en van de verhuurder de terug-betaling vordert van het door de bank betaalde bedrag;
- tussen de partijen betwisting bestaat over het bestaan en de omvang van de schade.

3. De appelrechters die oordelen dat op de verhuurder als begunstigde van de garantie, de bewijslast rust "van de omvang van het bestaan van de schade, en de omvang ervan", verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.
Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden vonnis.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde vonnis.
Houdt de kosten aan en laat de betwisting daaromtrent over aan de feitenrechter.
Verwijst de zaak naar de rechtbank van koophandel te Turnhout, rechtszitting houdende in hoger beroep.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer

 

 

 

Nuttige tips: 

Een borgsteller op eerste verzoek mag niet tot betaling overgaan wanneer deze borgsteller beschikt over excepties betreffende de hoofdschuld om die betaling te weigeren.

Hof van Beroep Antwerpen 28/11/1995, RW 1996-1997, 259

Commentaar: 

Hof van Cassatie, 1e Kamer – 24 april 2009, R.W. 2010-2011, 1301

Samenvatting 

De garant is bij een bankgarantie op eerste verzoek gehouden  zodra de garantie op eerste verzoek op een geldige wijze wordt afgeroepen.

Deze bankgarantie heeft een autonoom en abstract karakter hetgeen meebrengt dat de gehoudenheid van de garant uitsluitend wordt bepaald door de inhoud en de draagwijdte van de garantieovereenkomst en dat de garant, die met miskenning van de desbetreffende bepalingen heeft betaald, zijn regresvordering op de opdrachtgever verliest.

Hieruit volgt dat een eventueel rechtsmisbruik van de opdrachtgever bij zijn verweer tegen de regresvordering van de garant, dient te worden beoordeeld zonder acht te slaan op de verhouding tussen de opdrachtgever en de begunstigde van de garantie en uitsluitend dient te worden getoetst aan de wijze waarop de opdrachtgever zijn uit de garantieovereenkomst voortvloeiende rechten ten aanzien van de garant uitoefent.

uitreksel uit het arrest

NV L.J.D. t/ NV D.B.B.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 19 oktober 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Derde onderdeel

1. Bij een bankgarantie op eerste verzoek is de garant tot betaling verplicht zodra de garantie op een geldige wijze wordt afgeroepen.

Wanneer de garantieovereenkomst of garantiebrief de overlegging van bepaalde documenten vereist, heeft de garantie een documentair karakter en vindt de afroeping slechts op geldige wijze plaats indien de begunstigde de vereiste documenten overlegt.

2. Het autonoom en abstract karakter van de bankgarantie houdt in dat de gehoudenheid van de garant uitsluitend wordt bepaald door de inhoud en de draagwijdte van de garantieovereenkomst of garantiebrief en dat de garant, die met miskenning van de desbetreffende bepalingen heeft betaald, zijn regresvordering op de opdrachtgever verliest.

Hieruit volgt dat een eventueel rechtsmisbruik van de opdrachtgever bij zijn verweer tegen de regresvordering van de garant, dient te worden beoordeeld zonder acht te slaan op de verhouding tussen de opdrachtgever en de begunstigde van de garantie en uitsluitend dient te worden getoetst aan de wijze waarop de opdrachtgever zijn uit de garantieovereenkomst voortvloeiende rechten ten aanzien van de garant uitoefent.

3. Wanneer de garantieovereenkomst of garantiebrief is aangegaan onder opschortende voorwaarde, houdt ze op te bestaan wanneer de voorwaarde voor een geldige afroeping niet meer in vervulling kan gaan.

De garant, die desondanks heeft betaald en deze betaling wenst te verhalen op de opdrachtgever, kan de opdrachtgever, die zich op het niet in vervulling gaan van de voorwaarde beroept, geen rechtsmisbruik verwijten gebaseerd op de houding ingenomen door de opdrachtgever ten aanzien van de begunstigde.

4. De appelrechters stellen vast dat:

– de verweerster in opdracht van de eiseres op 28 april 1999 een bankgarantie op eerste verzoek verstrekte ten voordele van de RSZ voor schulden van de in staat van faillissement verklaarde C.M.;

– voor de afroeping van de garantie de overlegging vereist was van «het vonnis van de rechtbank van koophandel uitgesproken op 29 april of uiterlijk 6 mei 1999 waarbij het verzet tegen het faillietverklarend vonnis (...) ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en het faillissement van C.M. derhalve ingetrokken wordt»;

– het faillissement van C.M. werd ingetrokken bij vonnis van 20 mei 1999;

– de bankgarantie door de RSZ op 8 februari 2002 werd afgeroepen, waarop de verweerster tot de betaling overging.

Voorts oordelen zij dat de eiseres, die door de verweerster in terugbetaling wordt aangesproken, rechtsmisbruik pleegt door aan te voeren dat het vonnis van 20 mei 1999 niet beantwoordt aan de in de garantie vermelde voorwaarde, daar:

– de eiseres in het raam van het verzet tegen de faillietverklaring van C.M. er blijkbaar niet op wees dat de garantie slechts geldig kon worden afgeroepen onder de strikte voorwaarde dat het vonnis van intrekking uiterlijk op 6 mei 1999 tussenkwam;

– de RSZ, indien de eiseres dit wel had gedaan, zijn akkoord met de intrekking van het faillissement niet zou hebben verleend;

– nu geen van de partijen in de faillissementsprocedure ter zitting van 6 mei 1999 er op aandrong dat nog dezelfde dag vonnis zou worden verleend, zij te kennen gaven dat de datum van het vonnis van intrekking van het faillissement niet essentieel was.

5. Door op die gronden rechtsmisbruik te aanvaarden in de verhouding tussen de eiseres als opdrachtgever en de verweerster als garant, miskennen de appelrechters de bindende kracht van de overeenkomst van 28 april 1999 tussen de eiseres en de verweerster en oordelen ze op onwettige wijze dat de eiseres ten opzichte van de verweerster rechtsmisbruik pleegt.

Het onderdeel is gegrond.
 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:14
Laatst aangepast op: ma, 09/10/2017 - 14:06

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.