-A +A

exoneratiebeding

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Een exoneratiebeding is een contractueel beding waarbij een partij stipuleert geheel of gedeeltelijk bevrijd te zullen zijn indien zijn contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheid in het gedrang komt[.

Op grond van de beginselen van wilsautonomie en contractsvrijheid is exoneratie principieel mogelijk zowel aangaande contractuele aansprakelijkheid als buitencontractuele aansprakelijkheid. Vanzelfsprekend zal het bewijs moeten geleverd worden dat de exoneratie aanvaard werd.

Op de principiële geldigheid bestaan drie uitzonderingen:

   1.exoneratiebedingen die strijdig zijn met dwingend recht of recht dat raakt aan de openbare orde en de goede zeden

   2. exoneratiebedingen die de schuldenaar bevrijden van zijn aansprakelijkheid voor zijn eigen opzet; Maar sinds het cassatiearrrest van 25 september 1959 zijn exoneratiebedingen voor eigen zware fout toegelaten en wordt dus geen gevolg gegeven aan het adagium Culpa lata dolo aequiparatur dat vóór dat cassatiearrest door het grootste gedeelte van de rechtsleer en rechtspraak werd onderschreven. Exoneratie voor opzet en zware fout van aangesteldcen is eveneens toegelaten.

   3.de exoneratiebedingen die de overeenkomst uithollen.



Rechspraak:

Een exoneratiebeding is ongeldig wanneer het afbreuk doet aan wettelijke bepalingen van dwingend recht of van openbare orde, wanneer het betrekking heeft op een persoonlijke opzettelijke fout en wanneer het zo ruim is opgesteld dat het voorwerp van de overeenkomst wordt aangetast (W. De Bus, «Bespreking van een aantal gebruikelijke bepalingen in algemene voorwaarden», in S. Ongena (red.), Algemene voorwaarden, Mechelen, Kluwer, 2006, 109).

Bovendien is een exoneratiebeding een uitzondering op de gemeenrechtelijke aansprakelijkheid, wat meebrengt dat exoneratieclausules beperkend geïnterpreteerd moeten worden. Bedingen die afwijken van de gemeenrechtelijke aansprakelijkheid moeten duidelijk zijn en mogen geen twijfel laten over de inhoud ervan. Bij gebreke daarvan kunnen zij geen toepassing vinden (W. Geldof, «Exoneratie moet precies zijn of ze werkt niet», De Juristenkrant 2001, afl. 33, 4).

• Burgerlijke Rechtbank te Antwerpen, 14e B Kamer – 24 april 2009, R.W. 2010-2011, 68


I. Probleemstelling

1. Voor een overzicht van de feiten en de vordering verwijst de rechtbank naar het tussenvonnis van 19 september 2008. De betwisting kan als volgt worden samengevat.

Op 29 januari 2006 is door een breuk in de huisaansluiting van de waterleiding waterschade ontstaan in de CBS B. in de Schupstraat 1-7 te Antwerpen. De vereniging van mede-eigenaars van de CBS B. (hierna: de VME) wenst deze schade te verhalen op A.W.W. Voormelde huisaansluiting is immers aangesloten op het waterleidingnet van de A.W.W.

2. Bij tussenvonnis van 19 september 2008 heeft de rechtbank geoordeeld dat:

– De VME niet bewijst dat de A.W.W. op reglementaire basis gehouden zou kunnen zijn om de schade van de VME te vergoeden.

– De VME evenmin aantoont dat de A.W.W. jegens haar zou gehouden zijn op grond van art. 1382 B.W.

De VME had in conclusies voor het tussenvonnis ook aangevoerd dat de A.W.W. aansprakelijk was op grond van art. 544 en/of 1384, eerste lid, B.W.

Omdat de VME echter niet besprak of de voorwaarden voor toepassing van deze rechtsgronden vervuld waren en er daarnaast nog opheldering moest worden gegeven over de eventuele exoneratie van de A.W.W., de mogelijke medeaansprakelijkheid van de VME en de precieze schadebegroting, heeft de rechtbank het debat heropend om hierover verduidelijking te verkrijgen.

II. Beoordeling

A. Aansprakelijkheid van de A.W.W. op basis van art. 1384, eerste lid, B.W.

1. Was A.W.W. bewaarder?

Op grond van art. 1384, eerste lid, B.W. is enkel gehouden degene die een zaak in feite, voor eigen rekening, gebruikt, ervan geniet of behoudt, met de macht er toezicht, bewaking en leiding op uit te oefenen (Cass. 25 maart 1999, A.J.T. 1999-2000, 410).

In haar tussenvonnis van 19 september 2008 heeft de rechtbank geoordeeld dat de VME eigenaar is van de huisaansluiting waar zich het lek heeft voorgedaan waardoor de waterschade is ontstaan. Het is echter niet omdat men eigenaar is van een zaak dat men er ook bewaarder van is in de zin van art. 1384, eerste lid, B.W. Er moet steeds worden nagegaan wie de zaak in feite voor eigen rekening gebruikt, ervan geniet of ze behoudt met de macht er toezicht en bewaking op uit te oefenen.

Ter zake voert de VME aan dat de A.W.W. bewaker van de huisaansluiting was omdat zij op basis van art. 3.3 van de algemene voorwaarden, die door de VME worden voorgelegd, exclusief instaat voor het onderhoud van de huisaansluiting, Hiertegen werpt de A.W.W. op dat art. 3.2 van de desbetreffende voorwaarden duidelijk bepaalt dat de huisaansluiting onder toezicht en verantwoordelijkheid van de abonnee, dus van de VME, staat.

Het is niet de rechtsbevoegdheid die determineert of men bewaarder is van een zaak maar wel de effectieve feitelijke macht om gebruik, leiding en controle uit te oefenen. De enkele vermelding in algemene voorwaarden dat de leiding onder toezicht en verantwoordelijkheid van de abonnee staat, is dus niet voldoende om aan te nemen dat deze abonnee de feitelijke bewaarder is van de leiding, als tevens vaststaat dat enkel de A.W.W. de waterleiding mag onderhouden en herstellen.

Algemeen wordt aangenomen dat de abonnee de bewaarder is van de aansluitingen op de openbare leidingen die zich in het gebouw bevinden, ook als alleen het nutsbedrijf deze leidingen mag onderhouden en herstellen. In dat geval heeft het nutsbedrijf immers geen vrije toegang tot deze leidingen en is het bedrijf van de abonnee afhankelijk om toegang te krijgen tot het gebouw om de leidingen te onderhouden en te herstellen. Gelet op deze beperkte toegangsmogelijkheid, kan niet worden gesproken van een effectieve leidings- en toezichtbevoegdheid van het nutsbedrijf (Cass. 22 maart 2004, www.juridat.be en D. De Maeseneire, noot onder Gent 20 maart 2003, De Verz. 2005, 149).

Gaat het evenwel over dat gedeelte van de huisaansluiting dat onder de openbare weg is gelegen, dan is het nutsbedrijf niet afhankelijk van de abonnee om dit te onderhouden en te herstellen. Het exclusieve onderhouds- en herstellingsrecht van de A.W.W. in verband met dit gedeelte van de huisaansluiting brengt dan ook mee dat de A.W.W. daarvan de feitelijke bewaarder is.

Uit alle voorliggende stukken in deze zaak blijkt dat het lek waardoor de schade is ontstaan zich heeft voorgedaan in het deel van de huisaansluiting gelegen onder het voetpad. Gelet op wat hierboven werd uiteengezet, was de A.W.W. bewaarder van dit gedeelte van de aansluiting in de zin van art. 1384, eerste lid, B.W.

2. Gebrek

De A.W.W. voert nog aan dat niet bewezen is dat de leiding behept was met een gebrek, zijnde een abnormaal kenmerk dat van aard was om aan derden schade te berokkenen.

Uit het deskundigenonderzoek dat werd uitgevoerd door een expert aangesteld door de verzekeringsmaatschappij van de A.W.W., blijkt duidelijk dat de oorzaak van de waterschade een breuk in de huisaansluiting DN50 was en dan met name een dwarse barst op de buis (zie verslag p. 3). De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke breuk een abnormaal kenmerk is van een waterleidingbuis en bijgevolg een gebrek van die buis uitmaakt.

Dat dit gebrek mogelijk zijn oorzaak vindt in oud puin dat druk heeft uitgeoefend op de waterleiding waardoor deze is gebarsten, is irrelevant voor de beoordeling van deze breuk als een gebrek van de waterleiding. De verdere oorzaak van het gebrek speelt geen rol bij de toepassing van art. 1384, eerste lid, B.W. (H. Vandenberghe, M. Van Quickenborne, L. Wynant en M. Debaene, «Overzicht van rechtspraak. Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (1994-1999)», T.P.R. 2000, 1740-1741).

3. Exoneratie

1. Hierboven heeft de rechtbank geoordeeld dat de A.W.W. de bewaarder was van het gedeelte van de waterleiding waar de breuk zich heeft voorgedaan. In beginsel kan de A.W.W. dan ook op grond van art. 1384, eerste lid, B.W. worden aangesproken voor de schade die werd veroorzaakt door deze gebroken waterleiding.

Art. 3.2 van de door de VME voorgelegde voorwaarden van de A.W.W. bepaalt evenwel dat de VME verantwoordelijk is voor de huisaansluiting, dus ook voor dat gedeelte waarvan de A.W.W. de bewaarder is, dit is het gedeelte dat onder de openbare weg is gelegen. De vraag rijst bijgevolg of de A.W.W. zich door deze bepaling heeft geëxonereerd van haar aansprakelijkheid op grond van art. 1384, eerste lid, B.W.

Hierbij gaat de rechtbank uit van de toepasselijkheid van deze algemene voorwaarden, omdat ook beide partijen dit uitdrukkelijk doen nadat de rechtbank hen bij tussenvonnis had gevraagd of deze voorwaarden (nog) wel toepasselijk waren op het ogenblik van het schadegeval.

2. Een exoneratiebeding is ongeldig wanneer het afbreuk doet aan wettelijke bepalingen van dwingend recht of van openbare orde, wanneer het betrekking heeft op een persoonlijke opzettelijke fout en wanneer het zo ruim is opgesteld dat het voorwerp van de overeenkomst wordt aangetast (W. De Bus, «Bespreking van een aantal gebruikelijke bepalingen in algemene voorwaarden», in S. Ongena (red.), Algemene voorwaarden, Mechelen, Kluwer, 2006, 109).

Bovendien is een exoneratiebeding een uitzondering op de gemeenrechtelijke aansprakelijkheid, wat meebrengt dat exoneratieclausules beperkend geïnterpreteerd moeten worden. Bedingen die afwijken van de gemeenrechtelijke aansprakelijkheid moeten duidelijk zijn en mogen geen twijfel laten over de inhoud ervan. Bij gebreke daarvan kunnen zij geen toepassing vinden (W. Geldof, «Exoneratie moet precies zijn of ze werkt niet», De Juristenkrant 2001, afl. 33, 4).

3. Als de rechtbank art. 3.2 van de voorgelegde algemene voorwaarden leest, dat bepaalt dat de aansluiting onder toezicht en verantwoordelijkheid van de abonnee staat, waarbij de abonnee ieder zichtbaar en waarneembaar gebrek onmiddellijk aan de AWW moet melden, kan de rechtbank daaruit niet met zekerheid afleiden dat hierdoor de aansprakelijkheid van de A.W.W. als bewaarder van de betrokken aansluiting op grond van art. 1384, eerste lid, B.W. wordt uitgesloten.

Uit dit artikel kan enkel worden afgeleid dat de abonnee een concrete meldingsplicht heeft in verband met zichtbare of waarneembare gebreken aan de leiding. Dit sluit de aansprakelijkheid van de A.W.W. op grond van art. 1384, eerste lid, B.W. niet uit als een dergelijk gebrek zich voordoet. De rechtbank merkt daarbij nog op dat het toezicht en de verantwoordelijkheid van de abonnee volgens deze bepaling enkel gelden voor zichtbare en waarneembare gebreken. Een breuk in een ondergrondse huisaansluiting buiten de eigendom van de abonnee kan bezwaarlijk als een dergelijk zichtbaar of waarneembaar gebrek worden beschouwd.

Art. 32, 27°, van de Handelspraktijkenwet verbiedt daarenboven bedingen waardoor op ongepaste wijze de wettelijke rechten van de consument ten aanzien van de verkoper of een andere partij in geval van volledige of gedeeltelijke wanprestatie of van gebrekkige uitvoering door de verkoper van één van diens contractuele verplichtingen worden uitgesloten of beperkt. De rechtbank is van oordeel dat, als art. 3.2 ertoe leidt dat de A.W.W. niet aansprakelijk is voor een breuk in een ondergrondse leiding gelegen onder de openbare weg, ten aanzien waarvan de abonnee geen enkele reële toezichtmogelijkheid heeft, dit artikel op ongepaste wijze de wettelijke rechten van de abonnee beperkt. Zo geïnterpreteerd is dit beding dan ook nietig (art. 33 W.H.P.C.) en kan het bijgevolg niet worden toegepast.

4. Niet-gedichte muurdoorgang

1. De rechtbank is bijgevolg tot het besluit gekomen dat de A.W.W. in beginsel kan worden aangesproken op grond van art. 1384, eerste lid, B.W. De eventuele gehoudenheid van de A.W.W. op grond van art. 544 B.W. hoeft bijgevolg niet meer onderzocht te worden.

Gelet op het vermoeden van aansprakelijkheid van art. 1384, eerste lid, B.W., kan de A.W.W. zich slechts van haar aansprakelijkheid bevrijden door aan te tonen dat de schade werd veroorzaakt door een vreemde oorzaak, zijnde overmacht, een daad van een derde of van het slachtoffer (Cass. 14 mei 1999, www.juridat. be).

De vermelding in het expertiseverslag dat het water in het gebouw is gelopen langs de niet-gedichte muurdoorgang van de waterleiding, weerlegt het aansprakelijkheidsvermoeden dat op de A.W.W. rust niet. Aan de hand van de voorgelegde stukken kan immers niet worden uitgemaakt dat er zonder deze niet-afgesloten muurdoorgang geen water zou zijn binnengedrongen.

2. Dat de niet-gedichte muurdoorgang er niet toe leidt dat de A.W.W. bevrijd is van haar aansprakelijkheid, neemt niet weg dat, als de A.W.W. een fout van de benadeelde aantoont die de schade mee heeft veroorzaakt, dit leidt tot een gedeelde aansprakelijkheid (Cass. 26 maart 1992, Arr. Cass. 1991-92, 721).

De VME lijkt de realiteit van de niet-gedichte muurdoorgang te betwisten, omdat zij aanvoert dat de expertise eenzijdig door de A.W.W. werd uitgevoerd en door haar niet werd aanvaard. Uit het verslag en de gevoegde briefwisseling blijkt dat de expertise ter plaatse werd uitgevoerd met medeweten van de VME, haar verzekeraar, diverse mede-eigenaars en hun verzekeraars en in aanwezigheid van diverse partijen, hun makelaars en experten. Uit niets blijkt dat deze partijen in tempore non suspecto de realiteit van de niet-gedichte muurdoorgang hebben betwist. De rechtbank acht deze dan ook bewezen door het deskundigenverslag.

In strijd met wat de VME in conclusie beweert, kan de rechtbank uit dit verslag duidelijk afleiden dat de niet-gedichte muurdoorgang zich bevond in de voormuur van het gebouw beheerd door de VME. Bijgevolg is bewezen dat de muurdoorgang waardoor het water in het gebouw is gelopen de muurdoorgang van het gebouw aan de Schupstraat 1-7 was.

Het is de A.W.W. die het exclusieve recht heeft om de waterleidingen te herstellen en te onderhouden. Het is bijgevolg niet uitgesloten dat het niet dicht zijn van de muurdoorgang het gevolg is van door de A.W.W. in het verleden uitgevoerde plaatsings- of herstellingswerken. Dit neemt evenwel niet weg dat de VME had moeten opmerken dat de muurdoorgang niet (meer) dicht was en als beheerder van het gebouw de nodige stappen had moeten ondernemen om de muurdoorgang opnieuw te dichten.

Hoewel het niet vaststaat dat de waterschade zich zonder de niet-gedichte muurdoorgang niet zou hebben voorgedaan (zie supra) is het wel duidelijk dat de niet-gedichte muurdoorgang de waterinsijpeling heeft vergemakkelijkt. De VME is dan ook medeaansprakelijk voor de veroorzaakte schade. Bij onmogelijkheid om het precieze aandeel van beide oorzaken in de schade met mathematische precisie te bepalen, verdeelt de rechtbank de aansprakelijkheid bij helften.

...
Exoneratiebeding waardoor iedere zin of betekenis aan de overeenkomst wordt ontnomen is ongeoorloofd

Rechtspraak

• Rechtbank van Koophandel Gent Afdeling Oostende, 7e Kamer – 6 oktober 2016, RW 2017-2018, 1151

Samenvatting

Een contractspartij kan zich exonereren voor haar eigen zware fout (Cass. 25 september 1959, RW 1959-60, 1255).

In die omstandigheden moet er geoordeeld worden dat een contractspartij zich a fortiori principieel kan exonereren voor haar nalatigheid.

Dit is evenwel anders indien het exoneratiebeding aan de overeenkomst iedere zin of betekenis ontneemt omdat het betrekking heeft op een verbintenis die een wezenlijke prestatie van de overeenkomst vormt.


Tekst vonnis

BVBA L.V. t/ BVBA F.B.D.-C.

...

2. Relevante feitelijke gegevens en standpunt van de partijen

2.1. L. zet uiteen dat zij een beroep deed op D. voor het leveren van boekhoudkundige prestaties en in het bijzonder voor de aangifte van de vennootschapsbelasting voor aanslagjaar 2014.

Volgens L. heeft D. de aangifte voor het aanslagjaar 2014 ingediend, waarna er op 12 december 2014 een aanslagbiljet volgde op grond waarvan zij een bedrag verschuldigd was van 27.410,03 euro aan belastingen.

2.2. Bij e-mail van 17 december 2014 schreef D. aan de fiscus dat zij bij het invullen van de vennootschapsbelasting een materiële vergissing had begaan in die zin dat de vennootschap aanspraak kon maken op het verlaagd tarief.

De fiscus antwoordde bij e-mail van 7 januari 2015 dat de interne jaarrekening voor 2014 niet gevoegd was. Zij vroeg om deze door te sturen.

2.3. Als gevolg hiervan heeft de fiscus een rechtzetting doorgevoerd.

Bij aanslagbiljet van 20 april 2015 werd de vennootschapsbelasting voor het aanslagjaar 2014 bepaald op 24.010,69 euro i.p.v. op 27.410,03 euro. Dit was dus een vermindering met 3.399,34 euro.

2.4. L. voert aan dat zij het toch vreemd vond dat zij zoveel belastingen moest betalen. Om die reden zou zij een fiscalist geraadpleegd hebben. Dit was het fiscaal kantoor V. Dit kantoor heeft volgens L. heel wat boekhoudkundige vergissingen vastgesteld.

2.5. Volgens L. heeft zij D. hierop gewezen met als gevolg dat deze eenzijdig een einde heeft gemaakt aan de samenwerkingsovereenkomst. D. zou aanvankelijk tevens geweigerd hebben om de boekhoudkundige stukken terug te geven.

2.6. Bij aangetekende brief van 25 februari 2015 heeft de advocaat van L.C., de zaakvoerder van L., D in gebreke gesteld om een aantal boekhoudkundige stukken af te geven.

Bij e-mail van 25 februari 2015 heeft D. deze ingebrekestelling betwist.

L. erkent dat haar advocaat op 5 maart 2015 de resterende stukken heeft ontvangen.

2.7. L. voert aan dat V. op 2 april 2015 een bezwaarschrift heeft ingediend tegen het aanslagbiljet voor het aanslagjaar 2014. Hierin schreef V. dat er na de door hem doorgevoerde rechtzetting van «fouten» nog een winst was (vóór belastingen) van 28.758,64 euro i.p.v. een belastbare winst van 77.567,21 euro zoals berekend door D.

Volgens V. moest er op de door hem berekende winst van 28.758,64 euro nog een bedrag aan belastingen van 8.719,11 euro betaald worden.

2.8. Volgens L. heeft haar advocaat bij e-mail van 7 april 2015 de bevindingen van V. bezorgd aan D. en heeft zij voorbehoud gemaakt om een schadevergoeding van haar te vorderen.

2.9. Bij aangetekende brief van 2 april 2015 heeft de fiscus beslist tot een ontheffing voor een bedrag van 15.095,40 euro. In deze brief schreef de fiscus o.m. dat zij de belastbare grondslag van de vennootschapsbelasting van het aanslagjaar 2014 bepaalde zoals vastgesteld in het bezwaarschrift en dat er een belastingverhoging van 10% werd toegepast.

2.10. Bij e-mail van 6 oktober 2015 schreef de advocaat van L. aan D. dat zijn cliënte «om kort proces te maken» bereid was om haar schadevergoedingsaanspraak te beperken tot de kosten van V. (drie facturen), op voorwaarde dat D. binnen tien dagen haar akkoord gaf.

2.11. Bij e-mail van 21 oktober 2015 heeft de advocaat van L. aan D. een herinnering gestuurd van dit minnelijk voorstel.

2.12. Bij e-mail van 21 oktober 2015 heeft D. deze e-mail betwist.

2.13. De advocaat van L. heeft deze e-mail bij brief van 28 oktober 2015 betwist. Tevens herhaalde hij nog eens het minnelijk voorstel van zijn cliënte.

2.14. Bij e-mail van 20 november 2015 heeft de advocaat van L. nog eens een herinnering gestuurd naar D.

Bij e-mail van dezelfde dag antwoordde D. Dat zij geen weet had van de bijlagen waarnaar de advocaat van L. verwees.

...

2.18. Bij brief van 18 december 2015 heeft de advocaat van D. iedere aansprakelijkheid van zijn cliënte betwist.

2.19. Bij e-mail van dezelfde dag heeft de advocaat van L. hierop gereageerd en heeft hij aangekondigd dat er zou worden gedagvaard.

2.20. Op 29 december 2015 heeft L. D. laten dagvaarden.

2.21. D. betwist de vordering. Zij voert hiertoe o.m. de volgende argumenten aan:

– er is een exoneratiebeding dat haar aansprakelijkheid beperkt;

– zij heeft enkel de cijfers van de vorige boekhouder ingeboekt;

– zij heeft slechts een inspanningsverbintenis.

3. De vorderingen

3.1. In haar conclusies van 9 mei 2016, die gelden als syntheseconclusies in de zin van art. 748bis Ger.W., vordert L. de veroordeling van D. tot betaling van een bedrag van 2.060 euro, te vermeerderen met rente en de kosten van het geding.

4. Beoordeling

4.1. Als eerste verweermiddel beroept D. zich op het exoneratiebeding dat is opgenomen in art. 5 van de volmacht die L. haar op 10 maart 2014 heeft gegeven. Dit artikel luidt als volgt: «Exoneratiebeding. Nalatigheid van de volmachtdrager zal nooit, om gelijk welke redenen, kunnen worden ingeroepen. De gegeven volmacht houdt niet in dat de volmachtdrager aansprakelijk kan worden gesteld, zowel burgerlijk als strafrechtelijk, voor belastingfraude, -ontduiking of -ontwijking.»

4.2. L. voert aan dat dit exoneratiebeding niet rechtsgeldig is.

Volgens D. is een dergelijk beding evenwel perfect rechtsgeldig op grond van art. 33 van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen.

D. verwijst evenwel ten onrechte naar art. 33 van deze wet. Dit artikel heeft immers betrekking op de accountants en de belastingconsulenten.

De rechtbank stelt evenwel vast dat D. een inschrijving heeft onder (...) bij het Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten (hierna «BIBF»). Zij is bijgevolg geen accountant of een belastingconsulent, maar wel een erkend boekhouder.

De rechtsgeldigheid van exoneratiebedingen die een erkend boekhouder sluit, wordt geregeld door o.m. art. 50 (en niet art. 33) van de wet van 22 april 1999. Art. 50, § 1 van deze wet bepaalt:

Ǥ 1. Om erkend te worden en te blijven als boekhouder of als boekhouder-fiscalist, moet de betrokkene aan volgende voorwaarden voldoen:

«1° instaan, in overeenstemming met het gemeen recht, voor de uitvoering van de professionele opdrachten die hij vervult en zijn burgerlijke beroepsaansprakelijkheid verzekeren door een verzekeringsovereenkomst goedgekeurd door de Nationale Raad van het Beroepsinstituut

«Het is hem verboden, zich aan deze aansprakelijkheid te onttrekken, zelfs gedeeltelijk, door een bijzondere overeenkomst in geval van een fout gepleegd met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden.

«Telkens als een opdracht bedoeld in artikel 49 wordt gegeven aan een door het instituut erkende rechtspersoon, moet die onder haar vennoten, zaakvoerders of bestuurders een door het instituut erkende vertegenwoordiger-natuurlijke persoon aanduiden die instaat voor de uitvoering van de opdracht in naam en voor rekening van deze vennootschap. Voor die vertegenwoordiger gelden dezelfde voorwaarden en dezelfde tuchtrechtelijke aansprakelijkheid als wanneer hij die opdracht in eigen naam en voor eigen rekening zou vervullen.»

4.3. In zoverre het exoneratiebeding uit art. 5 van de volmacht D. enkel vrijstelt van aansprakelijkheid in geval van nalatigheid, is dit artikel niet in strijd met art. 50, § 1 van de wet van 22 april 1999. Dit artikel verbiedt immers enkel de vrijstelling van aansprakelijkheid in geval van een fout gepleegd met bedrieglijk opzet. L. voert niet aan dat de fouten die D. zou hebben begaan, met bedrieglijk opzet zijn gepleegd.

4.4. De vraag rijst evenwel of deze clausule geldig is in het kader van het gemene recht.

Een contractspartij kan zich exonereren voor haar eigen zware fout (Cass. 25 september 1959, RW 1959-60, 1255).

In die omstandigheden moet er geoordeeld worden dat een contractspartij zich a fortiori principieel kan exonereren voor haar nalatigheid.

Dit is evenwel anders indien het exoneratiebeding aan de overeenkomst iedere zin of betekenis ontneemt omdat het betrekking heeft op een verbintenis die een wezenlijke prestatie van de overeenkomst vormt (W. Van Gerven en S. Covemaeker, Verbintenissenrecht, Leuven, Acco, 2006, 181).

De rechtbank is van oordeel dat het exoneratiebeding uit art. 5 van de overeenkomst inderdaad iedere zin of betekenis aan deze overeenkomst zou ontnemen. Indien een dergelijk beding toegelaten zou zijn, zou een erkend boekhouder bijvoorbeeld bij het indienen van een belastingaangifte kunnen aanvoeren dat hij door de enkele indiening van de aangifte zijn verplichtingen is nagekomen, maar dat hij voor eventuele fouten die te wijten zijn aan zijn nalatigheid, geen enkele aansprakelijkheid kan dragen. Dit gaat niet op en zou ieder vertrouwen van de klanten in erkende beroepsbeoefenaren zoals D. ontnemen.

De rechtbank verwijst naar een auteur die erop wijst dat een boekhouder bij het opstellen van een exoneratiebeding erover moet waken dat die beperking geen zuivere en eenvoudige vrijstelling van aansprakelijkheid wordt (S. Moris, «Nieuwe regels inzake aansprakelijkheid van de beoefenaars van cijferberoepen: de wet van 18 januari 2010 betreffende de uitoefening van een vrij en gereglementeerd cijferberoep door een rechtspersoon» in Instituut van de Bedrijfsrevisoren, IAB-IEC, BIBF, De nieuwe aansprakelijkheidsregeling voor economische beroepen: rechtspersonen en natuurlijke personen, Antwerpen, Intersentia, 2013, (83) 93).

Deze auteur lijkt de rechtbank een onverdachte bron, aangezien zij op het ogenblik van de redactie van voormelde bijdrage blijkbaar juriste was bij het BIBF.

In voormelde bijdrage raadt Moris aan om de aansprakelijkheid bijvoorbeeld te beperken tot het bedrag dat gedekt is door de beroepsaansprakelijkheidsverzekering of tot een plafond gelijk aan x maal het ereloon of tot een forfaitair bedrag.

De exoneratieclausule uit art. 5 houdt geen rekening met deze richtlijnen. Zij ontneemt, zoals gesteld, iedere zin en betekenis aan de verbintenissen van D. en is bijgevolg nietig.

4.5. De rechtbank erkent dat D. als boekhouder slechts een inspanningsverbintenis had om de aangifte voor het M. zo correct mogelijk in te vullen.

Op grond van de stukken van het dossier en in het bijzonder van het bezwaarschrift van V. van 2 april 2015, is de rechtbank evenwel van oordeel dat D. haar opdracht niet heeft uitgevoerd zoals van een normaal en zorgvuldig boekhouder mag worden verwacht. In dit bezwaarschrift worden diverse verrichtingen vermeld die D. volgens L. foutief heeft uitgevoerd. L. heeft deze beweerde fouten herhaald in haar conclusie van 9 mei 2016. De rechtbank stelt vast dat D. over deze verrichtingen in haar conclusie geen enkel inhoudelijk verweer voert.

Voorts heeft de fiscus de belastbare grondslag voor het aanslagjaar 2014 in haar bericht van ontheffing van 25 september 2015 bepaald zoals vastgesteld in het bezwaarschrift V. (nl. op een bedrag van 32.750,53 euro).

In die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de verrichtingen die V. heeft opgesomd in het bezwaarschrift van 2 april 2015 inderdaad beroepsfouten uitmaken aan de zijde van D. Zij heeft bijgevolg een contractuele wanprestatie begaan.

4.6. D. toont voor het overige niet aan dat zij slechts «beperkt gemandateerd» was en dat zij gewoon de gegevens heeft overgenomen die door de vorige boekhouder van L. (...) waren ingegeven. L. betwist dit overigens.

D. heeft de aangifte voor het aanslagjaar 2014 ingediend. Hierdoor heeft zij de juridische verantwoordelijkheid op zich genomen om deze zo correct mogelijk in te vullen. Indien zij haar opdracht wenste te beperken tot het louter materiële werk van het ingeven van cijfers die zouden opgesteld zijn door de vorige boekhouder van L., had zij L. hier uitdrukkelijk op moeten wijzen. Zij heeft dit niet gedaan.

4.7. Aan het bovenstaande wordt evenmin afbreuk gedaan doordat de algemene vergadering van L. op 20 september 2014 de door D. opgestelde jaarrekening heeft goedgekeurd. Hieruit kunnen enkel bepaalde gevolgen afgeleid worden voor o.m. de wijze waarop de aandeelhouders de winst hebben willen bestemmen.

De aandeelhouders mogen er evenwel van uitgaan dat de boekhouder van de vennootschap de boekhoudkundige gegevens op een correcte wijze verwerkt heeft. Er anders over oordelen zou betekenen dat zij vooraleer de jaarrekening goed te keuren, deze eerst nog eens zouden moeten laten nazien door een andere boekhouder ...

De vergelijking kan worden gemaakt met een advocaat die zijn ontwerp van conclusie ter goedkeuring voorlegt aan zijn cliënt. Door de goedkeuring van het ontwerp bevestigt de cliënt dat de feitelijke uiteenzetting in deze conclusie correct is. Het blijft evenwel de taak van de advocaat als specialist om alle nuttige juridische argumenten in te roepen die de stelling van zijn cliënt kunnen ondersteunen.

Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat zij overigens vaststelt dat L. op 2 april 2015 een «verbeterde jaarrekening» heeft neergelegd (www.nbb.be).

4.8. Ook het vragen van afbetalingstermijnen aan de fiscus kan niet worden gezien als een bevestiging door L. dat D. haar opdracht correct heeft uitgevoerd.

4.9. Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat D. geen bewijs levert van de door haar aangevoerde «frauduleuze intenties» van L.

...

4.11. Als schadevergoeding vordert L. de betaling van de drie facturen die V. aan haar heeft gericht voor een bedrag van 2.060 euro, exclusief BTW.

4.12. Bij contractuele aansprakelijkheid ligt de maat met behulp waarvan de schadevergoeding wordt berekend in een vergelijking van de situatie waarin de schuldeiser zich zou bevonden hebben zo het contract naar behoren zou zijn uitgevoerd met de situatie waarin de schuldeiser zich nu bevindt ingevolge de niet- of slechts gedeeltelijke nakoming van de verbintenis (W. Van Gerven en S. Covemaeker, Verbintenissenrecht, Leuven, Acco, 2006, 186).

4.13. De rechtbank erkent dat D. aan L. slechts een beperkt bedrag gefactureerd heeft, nl. 950 euro, exclusief btw. Dit neemt evenwel geenszins weg dat D. wel degelijk aansprakelijk blijft voor haar fouten. Dit gegeven kan dan ook enkel een impact hebben op de omvang van de schadevergoeding.

De rechtbank is van oordeel dat indien D. haar werk naar behoren had uitgevoerd, dit aanleiding zou hebben gegeven tot meer prestaties die zij aan L. zou aangerekend hebben. Wel is het volgens de rechtbank zo dat als een boekhouder het werk van een collega moet controleren en rechtzetten, hij hier doorgaans meer werk mee heeft dan wanneer deze collega zijn werk van meet af aan correct zou hebben uitgevoerd.

Om die reden kent de rechtbank slechts de helft toe van de factuur van V. van 28 februari 2015. Deze factuur heeft integraal betrekking op het nazicht van de boekhouding en het herwerken van het resultaat voor het aanslagjaar 2014.

In zijn factuur van 31 maart 2015 rekent V. voor het nazicht van de boekhouding voor het boekjaar 1 oktober 2012-31 maart 2014 een bedrag van 508,75 euro aan. Ook hiervan kent de rechtbank slechts de helft toe.

De overige posten uit deze factuur kunnen wel integraal worden toegekend. Zonder de contractuele fout van D. zouden er immers geen bezwaarschrift, verbeterde jaarrekening, enz. vereist geweest zijn.

Het bedrag van de factuur van V. van 21 september 2015 kan daarentegen wél integraal worden toegekend. Ook deze factuur heeft immers betrekking op de bezwaarprocedure.

...
 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:14
Laatst aangepast op: za, 10/03/2018 - 20:40

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.