-A +A

Exceptie van dading

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Art. 2044 tot 2058 Burgerlijk Wetboek

Stand Wetgeving 03/06/05

exceptie van dading.

Een dading maakt een beslechting van het geschil uiy in laatste aanleg. Wie na de dading het geschil doet herleven kan enkel de rechtsgeldigheid van de dading betwisten. Voorzover de tegenpartij hierin faalt kan de exceptie van dading art. 2052 BW worden ingeroepen. Deze exceptie houdt in dat het geschil ingevolge de dading niet meer vastbaar is voor betwisting.

 

Een exceptie van dading is slechts werkzaam indien de nadien ingestelde vordering dezelfde partijenconstellatie, hetzelfde voorwerp en dezelfde oorzaak als de geldige dading betreft.

Krachtens art. 2053, tweede lid BW is een dading vernietigbaar in geval van bedrog. Deze bepaling bevat een herhaling van art. 1116 BW.

Uittreksel uit het burgerlijk wetboek

TITEL XV. - DADING.

Art. 2044. Dading is een contract, waarbij partijen een gerezen geschil beëindigen, of een toekomstig geschil voorkomen.
Dit contract moet schriftelijk opgemaakt worden.

Art. 2045. Om een dading aan te gaan, moet men bekwaam zijn om te beschikken over de voorwerpen die in de dading begrepen zijn.
De voogd kan voor de minderjarige of voor de onbekwaamverklaarde alleen met inachtneming van de vormen omschreven in artikel 410, § 1, een dading aangaan en hij kan met de meerderjarig geworden minderjarige over de voogdijrekening alleen overeenkomstig artikel 416, eerste lid, een dading aangaan.

De gemeenten en de openbare instellingen kunnen geen dading aangaan (dan met de machtiging voorgeschreven bij artikel 49 van de organieke wet van 10 maart 1925 op de openbare onderstand.

Art. 2046. Dading kan worden aangegaan over de burgerlijke belangen die uit een misdrijf ontstaan.

Zij verhindert de vervolging van het openbaar ministerie niet.

Art. 2047. Aan een dading kan een strafbeding worden toegevoegd tegen hem die mocht in gebreke blijven de dading na te komen.

Art. 2048. Dadingen blijven beperkt tot hun voorwerp : wordt daarbij afstand gedaan van alle rechten, vorderingen en eisen, dan geldt zulks alleen voor hetgeen betrekking heeft op het geschil dat tot de dading aanleiding heeft gegeven.

Art. 2049. Dadingen regelen slechts de geschillen die daarin zijn begrepen, hetzij partijen hun bedoeling in bijzondere of in algemene bewoordingen hebben uitgedrukt, hetzij die bedoeling als een noodzakelijk gevolg wordt afgeleid van hetgeen is uitgedrukt.

Art. 2050. Hij die een dading heeft aangegaan over een recht dat hem uit eigen hoofde toebehoorde, en die vervolgens een dergelijk recht van een ander verkrijgt, is, met betrekking tot het nieuw verkregen recht, door de vorige dading geenszins gebonden.

Art. 2051. Een dading, door een van de belanghebbenden aangegaan, verbindt de overige belanghebbenden niet, en kan door hen niet worden ingeroepen.

Art. 2052. Dadingen hebben tussen partijen kracht van gewijsde in hoogste aanleg.
Men kan er niet tegen opkomen uit hoofde van dwaling omtrent het recht of uit hoofde van benadeling.

Art. 2053. Niettemin kan een dading vernietigd worden, wanneer er dwaling heeft plaatsgehad in de persoon of omtrent het voorwerp van het geschil.

Zij kan vernietigd worden in alle gevallen waarin bedrog of geweld heeft plaatsgehad.

Art. 2054. Vernietiging van een dading kan eveneens gevorderd worden, wanneer de dading is aangegaan ter uitvoering van een titel die nietig was, behalve in het geval dat partijen uitdrukkelijk over de nietigheid een dading hebben aangegaan.

Art. 2055. Een dading, aangegaan op grond van stukken die naderhand vals bevonden zijn, is geheel nietig.

Art. 2056. Een dading over een geding dat reeds beëindigd is door een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan en waarvan partijen of een van hen geen kennis droegen, is nietig.

Indien het vonnis waarvan partijen onkundig waren, voor hoger beroep vatbaar was, is de dading geldig.

Art. 2057. Wanneer partijen een dading hebben aangegaan in het algemeen over alle zaken die zij met elkaar uitstaande mochten hebben, leveren de titels die hun toen onbekend waren en die naderhand ontdekt zijn, geen grond op tot vernietiging, tenzij die titels door toedoen van een der partijen waren achtergehouden.

Maar de dading is nietig, indien zij slechts een enkele zaak betreft en uit naderhand ontdekte titels blijkt dat een van de partijen daarop niet het minste recht had.

Art. 2058. Een rekenfout, bij een dading gemaakt, moet verbeterd worden.

Nog dit: 

De exceptie van dading is niet zo evident, Gezien de discussie of een betwisting reeds geregeld werd door een dading of niet een geschil is mbt de grond van de zaak.

Zie Vredegerecht Roeselare, 28 april 2011, RW 2012-2013, 838

L.G. t/ B.K.

...

Toelaatbaarheid

Verweerster formuleert een “exceptie van dading”, zich beroepende op de formulering van de akte vereffening en verdeling van de ontbonden gemeenschap van partijen in de volgende bewoordingen: (...).

Deze vereffening omvat volgens verweerster alle actieve en passieve posten, zodat aanlegger indien hij nog meende gerechtigd te zijn op 900 euro, deze in mindering zou hebben gebracht op de 97.510,32 euro die hij verweerster diende uit te betalen, quod non. Er is dus geen sprake van onverschuldigde betaling.

Huidige vordering heeft volgens aanlegger niets te maken met de vordering van vereffening en verdeling. Het onderhoudsgeld betreft een persoonlijke vordering, een gevolg van het huwelijk en voortspruitende uit de verplichting tot onderhoud en bijstand, en dit is geen onderdeel van gemeenschappelijk huwelijksvermogen of van postcommunautaire onverdeeldheid.

De ingeroepen dading betreft geen procestechnische exceptie in de bewoordingen van art. 17 en 18 of art. 851 e.v. Ger.W.

De dading is overeenkomstig art. 2044 BW een contract waarbij partijen een gerezen geschil beëindigen of een toekomstig geschil voorkomen en heeft tussen partijen kracht van gewijsde in hoogste aanleg (art. 2052, eerste lid BW).

Deze termen hebben aldus het effect van de exceptie van gerechtelijk gewijsde op grond van art. 23 Ger.W., maar ressorteren er als dusdanig niet onder, aangezien er van geen voorafgaande beslissing sprake is.

De “vergelijkbaarheid” tussen beide excepties volstaat naar de mening van deze rechtbank in casu evenwel niet om de exceptie van dading als een verweermiddel van niet-ontvankelijkheid te kwalificeren (“meerderheidsopvatting” omschreven in Tilleman, Claeys, Coudron en Loontjens, Dading in APR, p. 426, nr. 879 aanhef).

Het onderzoek of het gevorderde ressorteert onder de door de verwerende partij ingeroepen dading, betreft een onderzoek ten gronde, waarbij een antwoord dient te worden gegeven op de vraag “of de (nieuwe) vordering dient afgewezen te worden of op de verbindende kracht van de dading”, met name “wegens de bij de dading opgenomen verplichtingen” (Dading in APR, ibidem, in fine) waarvan het voorwerp, de precieze draagwijdte en het verbindend karakter onderzocht dienen te worden, net als bij eender welke andere contractuele aangelegenheid.

De rechtbank besluit dan ook dat aanlegger over hoedanigheid en belang beschikt om de vordering te stellen die bij deze toelaatbaar wordt verklaard.
 

Franse term: 
exception de l'extinction du procès par transaction, exception de transaction
Gerelateerd
0
Aangemaakt op: zo, 13/01/2013 - 14:11
Laatst aangepast op: wo, 01/11/2017 - 13:26

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.