-A +A

Europese betalingsbevelprocedure

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Verordening (EG) nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure (van kracht vanaf 12 december 2008)

Verordening (EG) nr. 861/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen (van toepassing vanaf 1 januari 2009).


De verordening tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure

Opzet:

Deze procedure resulteert in een "Europese titel" middels eenvoudige, snelle en goedkope betalingsbevelprocedure.

De procedure kan enkel worden aangewend in grensoverschrijdende zaken en kan ook niet aangewend om in een procedure tussen 2 landgenoten een uitvoering in de EG mogelijk te maken in een andere lidstaat.

De procedure is optioneel naast de bestaande procedures.

toepassingsgebied: burgerlijke zaken en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht, meer bepaald  inning van liquide geldvorderingen voor een specifiek bedrag, die opeisbaar zijn op het tijdstip waarop het verzoek om een Europees betalingsbevel wordt ingediend.

uitsluitingen :

- fiscale zaken,
- douanezaken
- bestuursrechtelijke aangelegenheden
- aansprakelijkheid van de staat wegens handelingen of omissies bij de uitoefening van het staatsgezag
- goederenrechtelijke gevolgen van huwelijken en soortgelijke relaties, testamenten en erfenissen,
- faillissementen
- sociale zekerheid.
- de Europese betalingsbevelprocedure kan enkel worden aangewend ter inning van originele geldvorderingen en niet ter inning van geldsommen die in een rechterlijke of arbitrale beslissing werden toegekend

bevoegdheid:

bepaald volgens de EEX- Verordening

vorderingen mbt een overeenkomst gesloten door een persoon, de consument-verweerder zulen aldus ingesteld moeten worden voor de gerechten van de lidstaat waarin de verweerder zijn woonplaats

procedure:

De door een Europees betalingsbevel gevatte rechtbank stelt een onmiddellijk onderzoek in op basis van een aanvraagformulier of aan alle voorwaarden is voldaan en of het verzoek gegrond lijkt. Deze procedure heeft derhalve eerder  eerder een louter administratief karakter.

verhaal:

Wordt het betalingsbevel verleend dan verneemt de verweerder in het bevel, dat hij tegen het in het betalingsbevel verzet kan aan te tekenen bij het gerecht die het betalingsbevel verleende binnen dertig dagen nadat het bevel aan de verweerder is betekend (volgens de regels van het nationale recht van de verweerder met een aantal minimuymnormen) of ter kennis gebracht. In het bevel wordt uitdrukkelijk vermeld dat het bevel is verleend uitsluitend op basis van de door eiser verstrekte informatie is, waarbij de eis  niet door het gerecht is geverifieerd.

Wanneer verzet wordt aangetekend wordt de procedure gevoerd volgens het gewone burgerlijk procesrecht. De eiser heeft het recht om na verzet aan zijn eis te verzaken.

Het verweerschrift (lees verzet) dient niet gemotiveerd, de loutere melding van betwisting volstaat.

Uitvoerbaarverklaring

In afwezigheid van tijdig verweer verklaart het gerecht van oorsprong het Europees betalingsbevel uitvoerbaar door middel van een standaardformulier dat toegezonden wordt aan de eiser, die het kan uitvoeren zonder dat een verdere uitvoerbaarverklaring nodig is.

Verhaal tegen uitvoerbaarverklaring:

1 de verweerder kan tegen de tenuitvoerlegging opkomen wanneer het Europees betalingsbevel niet verenigbaar is met een in een lidstaat of in een derde land gegeven eerdere beslissing of eerder bevel, op voorwaarde dat de eerdere beslissing of het eerdere bevel, tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak rust en de eerdere beslissing of het eerdere bevel aan de voorwaarden voor erkenning in de lidstaat van tenuitvoerlegging voldoet en de onverenigbaarheid in de gerechtelijke procedure in de lidstaat van oorsprong niet als verweer had kunnen worden aangevoerd.

2. de verweerder kan  de tenuitvoerlegging eveneens doen weigeren wanneer hij het bewijs van betaling levert.

Heroverweging

De verweerder heeft het recht om onverwijld na de termijn van verweer van dertig dagen het bevoegde gerecht van de lidstaat van oorsprong om heroverweging van het Europees betalingsbevel te verzoeken, indien het betalingsbevel is betekend zonder bewijs van ontvangst door de verweerder en de betekening of kennisgeving (van het verzet) buiten zijn schuld niet tijdig geschied is of indien de verweerder de vordering niet heeft kunnen betwisten wegens overmacht of wegens buitengewone omstandigheden, buiten zijn schuld of wanneer het betalingsbevel kennelijk ten onrechte is toegekend.

In deze procedures is geen vertegenwoordiging door een advocaat vereist.

De verordening tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen

voorwerp:

- grensoverschrijdende zaken
- uitschakeling exequatuur
- procedure via standaardformulieren

Rechtspraak:

Vredegerecht Genk, 22/11/2011, RW 2011-2012, 1312

Vennootschap naar Nederlands recht VOF O.A.M. t/ NV F.

De NV F. had op 22 januari 2010 overeenkomstig art. 7 van de Verordening (EG) nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en van de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure het verzoek om een Europees betalingsbevel neergelegd (formulier A). Op dit formulier had de eiser vermeld dat de door partijen overeengekomen keuze van het gerecht de grond vormde voor de bevoegdheid van de rechterlijke instantie (mogelijkheid nr. 12).

De vrederechter van het kanton Genk heeft op 22 januari 2010 overeenkomstig art. 12 van de Verordening (EG) nr. 1896/2006 het Europees betalingsbevel uitgevaardigd (formulier E) voor de som van 1.460,58 euro, te vermeerderen met een interest van 8% per jaar op de hoofdsom van 1.121,44 euro vanaf 7 december 2008.

Op dit formulier E wordt aan de verweerder de belangrijke informatie verstrekt dat hij (i) hetzij het in het betalingsbevel vermelde bedrag aan de eiser kan betalen; (ii) hetzij verweer kan voeren tegen het bevel bij het gerecht dat dit bevel heeft uitgevaardigd en dit binnen een termijn van dertig dagen nadat het bevel aan hem is betekend. Het formulier vermeldt tevens dat het bevel uitsluitend op basis van de door eiser verstrekte informatie is uitgevaardigd en niet door het gerecht is geverifieerd. Het formulier vermeldt ten slotte dat het bevel uitvoerbaar wordt tenzij tijdig verweer werd gevoerd en dat bij verweer de procedure voor het bevoegde gerecht van de lidstaat waar dit bevel is uitgevaardigd wordt voortgezet volgens de regels van de gewone civiele procedure....

Mr. M.H., gerechtsdeurwaarder te M., heeft overeenkomstig art. 14 van de Verordening (EG) nr. 1896/2006 dit Europees betalingsbevel op 12 februari 2010 betekend aan P.P.N. (...).

De griffier van het vredegerecht heeft ten slotte overeenkomstig art. 18 van de Verordening (EG) nr. 1896/2006 dit Europees betalingsbevel op 9 februari 2011 uitvoerbaar verklaard (formulier G)...

Mr. P.T., gerechtsdeurwaarder te M., heeft op 7 juni 2011 de dagvaarding betekend tot heroverweging van het Europees betalingsbevel van de vrederechter van het kanton Genk van 22 januari 2010....

Art. 14 van de Verordening (EG) nr. 1896/2006 betreft de betekening of kennisgeving zonder bewijs van ontvangst door de verweerder....

Vanaf de rechtsgeldige betekening liep de termijn van dertig dagen waarbinnen de verweerder overeenkomstig art. 16 van de Verordening (EG) nr. 1896/2006 een verweerschrift tegen het Europees betalingsbevel kon indienen (formulier F), wat nooit is gebeurd.

Art. 20.1 van de Verordening (EG) nr. 1896/2006 bepaalt dat de verweerder het recht heeft om, na het verstrijken van de termijn voor het verweerschrift, het bevoegde gerecht van de lidstaat van oorsprong om heroverweging van het Europees betalingsbevel te verzoeken, als aan de volgende voorwaarden is voldaan: (a) het betalingsbevel is op een van de in art. 14 genoemde wijzen betekend of ter kennis gebracht en de betekening of kennisgeving is buiten zijn schuld niet zo tijdig geschied als met het oog op zijn verdediging nodig was, of (b) de verweerder heeft de vordering niet kunnen betwisten wegens overmacht of wegens buitengewone omstandigheden, buiten zijn schuld, mits hij in beide gevallen onverwijld handelt.

Art. 20.2 van de Verordening (EG) nr. 1896/2006 bepaalt dat de verweerder tevens het recht heeft om, na het verstrijken van de termijn voor het verweerschrift, het bevoegde gerecht in de lidstaat van oorsprong om heroverweging van het Europees betalingsbevel te verzoeken, indien het Europees betalingsbevel kennelijk ten onrechte is toegekend, gelet op de voorschriften van deze verordening, of vanwege andere uitzonderlijke omstandigheden.

Art. 20.3 van de Verordening (EG) nr. 1896/2006 bepaalt ten slotte dat indien het gerecht het verzoek van de verweerder weigert omdat geen van de in de leden 1 en 2 bedoelde heroverwegingsgronden van toepassing is, het Europees betalingsbevel van kracht blijft, maar dat indien het gerecht besluit dat heroverweging om een van de in de leden 1 en 2 bedoelde redenen gegrond is, het Europees betalingsbevel nietig is.

De eiser voert terecht aan dat er geen buitengewone omstandigheden aanwezig zijn in de zin als bedoeld in art. 20.1 van de Verordening (EG) nr. 1896/2006 temeer omdat de verweerder niet onverwijld heeft gehandeld: de verweerder heeft zijn verzoek tot heroverweging bijna een jaar na de rechtsgeldige betekening van het Europees betalingsbevel ingediend.

De eiser voert eveneens aan dat er geen sprake kan zijn van het kennelijk ten onrechte toekennen van het Europees betalingsbevel of van een andere uitzonderlijke omstandigheid in de zin als bedoeld in art. 20.2. van de Verordening (EG) nr. 1896/2006.

De aanwijzing van de vrederechter van het kanton Genk was niet kennelijk onredelijk: art. 6.1 van de Verordening (EG) nr. 1896/2006 bepaalt dat voor de toepassing van deze verordening de rechterlijke bevoegdheid wordt bepaald volgens de ter zake geldende regels van het Gemeenschapsrecht, en met name Verordening (EG) nr. 44/2001. Art. 5.1.a van de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken bepaalt dat ten aanzien van verbintenissen een persoon uit een lidstaat in een andere lidstaat kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. Daar de aanneming te Genk werd uitgevoerd, was de vrederechter van het kanton Genk territoriaal bevoegd.

Het toekennen van de factuurbedragen, verhoogd met een forfaitaire schadevergoeding wegens wanbetaling van 10% en met een interest van 8% per jaar vanaf de vervaldata van de facturen was evenmin kennelijk onredelijk. De factuur van 5 maart 2008 van 150,39 euro voor “de prestaties geleverd tot en met 2008 – belastingsaangifte” werd zonder enig protest betaald. De betwiste factuur van 19 augustus 2008 van 138,75 euro voor “de prestaties geleverd tot en met augustus 2008 – opzoekingen, prestaties juridische dienst” stemt overeen met de betaalde factuur. De betwiste factuur van 7 november 2008 van 982,69 euro is weliswaar het zesvoudige van de vorige facturen. Bij nazicht van de tijdstabel blijkt dat nog prestaties in mei, juni en juli 2008 werden aangerekend die het voorwerp kunnen vormen van de tweede factuur. Maar daarom is deze factuur niet kennelijk onredelijk. Als accountant en belastingsadviseur kende de Nederlandse opdrachtgever de tarieven van zijn Belgische opdrachthouder en omgekeerd. De toegekende forfaitaire schadevergoeding en de toegekende interest beantwoorden aan de Belgische wet van 2 augustus 2002 tot bestrijding van de betalingsachterstand in handelstransacties.

Zodoende staat nog enkel de andere uitzonderlijke omstandigheid ter discussie. Overweging 25 van de Verordening (EG) nr. 1896/2006 geeft als voorbeeld van een andere buitengewone omstandigheid de situatie dat het Europees betalingsbevel gebaseerd was op verkeerde informatie in het aanvraagformulier. De verweerder wijst terecht op het feit dat de eiser doelbewust heeft verzwegen dat de verweerder de facturen van 19 augustus 2008 van 138,75 euro en van 7 november 2008 van 982,69 euro met zijn e-mailbericht van 4 februari 2009 had geprotesteerd wegens de exorbitante prijs voor de geleverde prestaties.

Overweging 6 van de Verordening (EG) nr. 1896/2006 bepaalt dat de snelle en efficiënte invordering van openstaande schulden die niet het voorwerp van een juridisch geschil zijn, van het grootste belang is voor het bedrijfsleven in de Europese Unie, aangezien betalingsachterstanden een belangrijke oorzaak zijn van insolventie die het voortbestaan van bedrijven, vooral kleine en middelgrote bedrijven, in gevaar brengt en tot een groot verlies aan banen leidt.

De beide facturen waarvoor het Europees betalingsbevel werd uitgevaardigd, waren geprotesteerd en vormden dus wel het voorwerp van een juridisch geschil. Het doelbewust verzwijgen van dit protest – ook al was het protest ontijdig of ongegrond – vormde een grond voor het tijdig voeren van een verweer. Maar dit doelbewust verzwijgen is geen andere buitengewone omstandigheid die een grondslag vormt tot een heroverweging van het Europees betalingsbevel.

Hieruit volgt dat het Europees betalingsbevel dat de vrederechter van het kanton Genk overeenkomstig art. 12 van de Verordening (EG) nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en van de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure, op 22 januari 2010 had uitgevaardigd voor de som van 1.460,58 euro, te vermeerderen met een interest van 8% per jaar op de hoofdsom van 1.121,44 euro vanaf 7 december 2008, van kracht blijft. 



Sinds 14 juli 2017 treedt de nieuwe Europese smalllclaimsprocedure in werking (voor een eerste commentaar zie Marek Veroeveb, Nieuwe Europese Smallclaimprocedure, JUristenkrant 352, 28 juni 2017, pagina 1

Uittreksel uit het Publicatieblad van de Europese Unie

L 341/1

VERORDENING (EU) 2015/2421 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 16 december 2015

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 861/2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen en Verordening (EG) nr. 1896/2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 81,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),
Overwegende hetgeen volgt:
(1)
Bij Verordening (EG) nr. 861/2007 van het Europees Parlement en de Raad (3) is een Europese procedure voor geringe vorderingen ingevoerd. Die verordening is van toepassing op betwiste en onbetwiste grensoverschrijdende burgerlijke en commerciële vorderingen waarvan de waarde niet meer bedraagt dan 2 000 EUR. De verordening zorgt er ook voor dat de volgens deze procedure gegeven beslissingen ten uitvoer kunnen worden gelegd zonder intermediaire procedure, met name zonder een verklaring van uitvoerbaarheid in de lidstaat van tenuitvoerlegging (afschaffing van het exequatur). Het algemene doel van Verordening (EG) nr. 861/2007 was de toegang tot de rechter voor consumenten en ondernemingen te verbeteren door de kosten te beperken en de burgerlijke procedures sneller te maken wat betreft de binnen haar toepassingsgebied vallende vorderingen.
(2)
Volgens het verslag van de Commissie van 19 november 2013 over de toepassing van Verordening (EG) nr. 861/2007 heeft de Europese procedure voor geringe vorderingen in het algemeen de grensoverschrijdende procesvoering voor geringe vorderingen in de Unie vergemakkelijkt. Maar dat verslag stelt tevens vast door welke belemmeringen het volledige potentieel van de Europese procedure voor geringe vorderingen voor consumenten en ondernemingen, in het bijzonder de kleine en middelgrote ondernemingen, niet kan worden benut. In dat verslag wordt onder meer geconstateerd dat het lage plafond vervat in Verordening (EG) nr. 861/2007, inzake de waarde van de vordering veel mogelijke eisers belet om in grensoverschrijdende geschillen van een vereenvoudigde procedure gebruik te maken. Voorts wordt gesteld dat verschillende elementen van de procedure verder kunnen worden vereenvoudigd om de procesvoering goedkoper en korter te maken. De conclusie van het verslag van de Commissie luidt dat deze belemmeringen het doeltreffendst kunnen worden weggenomen door Verordening (EG) nr. 861/2007 te wijzigen.
(3)
De consumenten moeten ten volle kunnen profiteren van de door de interne markt geboden mogelijkheden, en hun vertrouwen mag niet worden beperkt door het gebrek aan doeltreffende rechtsmiddelen voor geschillen met een grensoverschrijdend element. De in deze verordening voorgestelde verbeteringen aan de Europese procedure voor geringe vorderingen hebben als doel de consumenten doeltreffende rechtsmiddelen te bieden, en dragen zo bij tot de handhaving van hun rechten in de praktijk.
(4)
Een verhoging van het plafond inzake de waarde van een vordering tot 5 000 EUR zou een doeltreffend en kostenefficiënt rechtsmiddel voor grensoverschrijdende geschillen toegankelijker maken, vooral voor kleine en middelgrote ondernemingen. Betere toegang tot de rechter zou het vertrouwen in grensoverschrijdende transacties doen toenemen en zou ertoe bijdragen dat de door de interne markt verschafte mogelijkheden ten volle worden benut.
(5)
Deze verordening moet uitsluitend van toepassing zijn op grensoverschrijdende zaken. Als grensoverschrijdende zaak moet worden beschouwd een zaak waarin ten minste een van de partijen haar woonplaats of haar gewone verblijfplaats heeft in een andere, door deze verordening gebonden lidstaat dan de lidstaat van het aangezochte gerecht.
(6)
De Europese procedure voor geringe vorderingen moet verder worden verbeterd door gebruik te maken van de technologische ontwikkelingen op het gebied van justitie en van nieuwe aan de gerechten ter beschikking staande instrumenten die ertoe kunnen bijdragen de geografische afstand te overbruggen en de daaruit voortvloeiende gevolgen als hoge kosten en lange procedures te ondervangen.
(7)
Om de kosten van procesvoering en de duur van de procedures verder te verminderen, moet het gebruik van moderne communicatietechnologie door de partijen en de gerechten verder worden aangemoedigd.
(8)
Voor stukken die aan de partijen in de Europese procedure voor geringe vorderingen moeten worden betekend of ter kennis gebracht, moet de elektronische betekening of kennisgeving op gelijke voet staan met betekening of kennisgeving per post. Daartoe moet deze verordening een algemeen kader scheppen dat het gebruik van elektronische betekening of kennisgeving mogelijk maakt als de benodigde technische middelen beschikbaar zijn en als het gebruik van elektronische betekening of kennisgeving verenigbaar is met de nationale procedurevoorschriften van de betrokken lidstaten. Wat betreft alle andere schriftelijke communicatie tussen de partijen of andere bij de procedure betrokken personen en de gerechten, moeten elektronische middelen zoveel mogelijk de voorkeur krijgen, voor zover zij beschikbaar en toelaatbaar zijn.
(9)
Tenzij de partijen of andere geadresseerden op grond van het nationaal recht verplicht zijn elektronische middelen te aanvaarden, moeten zij de keuze hebben tussen elektronische middelen, voor zover die beschikbaar en toelaatbaar zijn, en traditionelere middelen voor betekening of kennisgeving van stukken of voor andere schriftelijke communicatie met het gerecht. De aanvaarding door een partij van een betekening of kennisgeving met elektronische middelen doet geen afbreuk aan haar recht om een stuk te weigeren dat niet gesteld is in, of niet vergezeld gaat van een vertaling in, de officiële taal van de lidstaat waar zij haar woonplaats of haar gewone verblijfplaats heeft, of, indien er in die lidstaat verscheidene officiële talen zijn, de officiële taal of een van de officiële talen van de plaats waar die partij haar woonplaats of haar gewone verblijfplaats heeft, of in een taal die zij begrijpt.
(10)
Wanneer voor de betekening of kennisgeving van stukken of voor andere schriftelijke communicatie gebruik wordt gemaakt van elektronische middelen, moeten de lidstaten de beproefde beste praktijken volgen teneinde te waarborgen dat de inhoud van de ontvangen stukken en andere schriftelijke communicatie overeenstemt met die van de verzonden stukken en andere schriftelijke communicatie en dat de gevolgde ontvangstbevestigingsmethode een bewijs levert van de ontvangst door de geadresseerde en van de datum van ontvangst.
(11)
De Europese procedure voor geringe vorderingen is in wezen een schriftelijke procedure. Mondelinge behandeling moet alleen bij wijze van uitzondering plaatsvinden, namelijk wanneer het niet mogelijk is om uitspraak te doen op basis van het schriftelijk bewijs of wanneer een gerecht instemt met het verzoek van een partij om mondelinge behandeling.
(12)
Om personen in de gelegenheid te stellen te worden gehoord zonder dat zij naar het gerecht hoeven te reizen, moeten mondelinge behandeling en bewijsverkrijging door het horen van getuigen, deskundigen of partijen plaatsvinden met behulp van passende technieken voor communicatie op afstand, die het gerecht ter beschikking staan, tenzij het gebruik van dergelijke technologie, wegens de bijzondere omstandigheden van de zaak, niet passend zou zijn met het oog op een eerlijke rechtspleging. Wat personen betreft die hun woonplaats of hun gewone verblijfplaats hebben in een andere lidstaat dan de lidstaat van het aangezochte gerecht, moet de mondelinge behandeling worden georganiseerd met behulp van de procedures bepaald in Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad (4).
(13)
De lidstaten moeten het gebruik van technologie voor communicatie op afstand bevorderen. Met het oog op mondelinge behandeling moeten zodanige regelingen worden getroffen dat de gerechten die bevoegd zijn met betrekking tot de Europese procedure voor geringe vorderingen toegang hebben tot passende technologie voor communicatie op afstand, opdat een eerlijke rechtsprocedure kan worden gegarandeerd, met het oog op de bijzondere omstandigheden van de zaak. Met betrekking tot videoconferenties moet rekening worden gehouden met de op 15 en 16 juni 2015 door de Raad aangenomen aanbevelingen van de Raad over grensoverschrijdende videoconferenties en met de in het kader van de Europese e-justitie verrichte werkzaamheden.
(14)
De mogelijke kosten van procesvoering kunnen een rol spelen bij het besluit van de eiser om een gerechtelijke vordering in te leiden. Naast andere kosten kunnen de gerechtskosten de eiser ontmoedigen om gerechtelijke actie te ondernemen. De in een lidstaat aangerekende gerechtskosten voor de Europese procedure voor geringe vorderingen mogen niet in wanverhouding staan tot de vordering en mogen niet hoger zijn dan de gerechtskosten die worden aangerekend voor nationale vereenvoudigde procedures in die lidstaat, om de toegang tot de rechter voor grensoverschrijdende geringe vorderingen te waarborgen. Hiermee mag evenwel niet worden belet dat er redelijke minimale gerechtskosten worden aangerekend en mag geen afbreuk worden gedaan aan de mogelijkheid om, onder dezelfde voorwaarden, een afzonderlijke vergoeding aan te rekenen voor een beroepsprocedure tegen een in het kader van een Europese procedure voor geringe vorderingen gegeven beslissing.
(15)
Voor de toepassing van deze verordening omvatten de gerechtskosten de aan het gerecht te betalen vergoedingen en kosten, waarvan het bedrag overeenkomstig het nationale recht wordt vastgesteld. Zij mogen bijvoorbeeld niet de bedragen omvatten die in de loop van de procedure aan derden worden overgedragen, zoals honoraria van advocaten, de kosten van vertalingen, kosten van betekening of kennisgeving van stukken door andere entiteiten dan een gerecht of aan deskundigen of getuigen betaalde kosten.
(16)
Daadwerkelijke toegang tot de rechter in de hele Unie is een belangrijke doelstelling. Om effectieve toegang te garanderen in het kader van de Europese procedure voor geringe vorderingen, moet in rechtsbijstand worden voorzien overeenkomstig Richtlijn 2003/8/EG van de Raad (5).
(17)
De betaling van de gerechtskosten mag niet vereisen dat de eiser naar de lidstaat van het aangezochte gerecht reist of daartoe een advocaat in de arm neemt. Om ervoor te zorgen dat doeltreffende toegang tot de procedure ook wordt verleend aan eisers die zich bevinden in een andere lidstaat dan de lidstaat waarin het aangezochte gerecht is gevestigd, moeten de lidstaten minimaal ten minste één van de in deze verordening bepaalde methoden voor betaling op afstand aanbieden.
(18)
Er moet duidelijk worden gemaakt dat een gerechtelijke schikking die in het kader van de Europese procedure voor geringe vorderingen door een gerecht is goedgekeurd of voor een gerecht is getroffen, op dezelfde wijze uitvoerbaar is als een in die procedure gegeven beslissing.
(19)
Teneinde de behoefte aan vertaling en de daarmee gepaard gaande kosten zoveel mogelijk te beperken, moet het gerecht bij de afgifte van een in een andere dan zijn eigen taal gesteld certificaat van tenuitvoerlegging van een beslissing die in een Europese procedure voor geringe vorderingen is gegeven, dan wel van een gerechtelijke schikking die in het kader van die procedure door een gerecht is goedgekeurd of voor een gerecht is getroffen, gebruikmaken van de betrokken taalversie van het standaardformulier voor het certificaat die in een dynamisch onlineformaat op het Europees e-justitieportaal verkrijgbaar is. Daarbij moet men kunnen vertrouwen op de nauwkeurigheid van de vertaling die op dat portaal beschikbaar is. Eventuele noodzakelijke vertaalkosten voor teksten die in de vrije tekstvelden van het certificaat worden ingevuld, dienen te worden toegerekend volgens het recht van de lidstaat waar het gerecht is gevestigd.
(20)
De lidstaten moeten praktische bijstand aan de partijen verlenen bij het invullen van de in het kader van de Europese procedure voor geringe vorderingen verstrekte standaardformulieren. Voorts moeten zij algemene informatie verstrekken over het toepassingsgebied van de Europese procedure voor geringe vorderingen en over de gerechten die daarvoor bevoegd zijn. Deze verplichting mag evenwel niet de verlening van rechtsbijstand of van juridisch advies in de vorm van een juridische beoordeling van een specifieke zaak met zich mee brengen. Het moet de lidstaten vrij staan te besluiten welke de meest passende manieren zijn om dergelijke praktische hulp en algemene informatie te verstrekken en het komt toe aan de lidstaten te besluiten welke organen zij die verplichtingen opleggen. Die algemene informatie over het toepassingsgebied van de Europese procedure voor geringe vorderingen en over de bevoegde gerechten kan ook worden verstrekt via verwijzing naar informatie in brochures of handboeken, op nationale websites of op het Europees e-justitieportaal, of door passende ondersteunende organisaties, zoals het netwerk van Europese Consumentencentra.
(21)
De informatie over gerechtskosten en betalingswijzen alsmede over de autoriteiten of organisaties die bevoegd zijn om praktische bijstand in de lidstaten te verlenen, moet transparanter worden gemaakt en gemakkelijk op het internet te vinden zijn. Daartoe moeten de lidstaten de Commissie die informatie meedelen; de Commissie moet er op haar beurt voor zorgen dat de informatie openbaar wordt gemaakt en ruim verspreid wordt via alle passende middelen, in het bijzonder via het Europees e-justitieportaal.
(22)
In Verordening (EG) nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad (6) moet worden aangegeven dat wanneer een geschil binnen het toepassingsgebied van de Europese procedure voor geringe vorderingen valt, die procedure ook openstaat voor een eiser in een Europese betalingsbevelprocedure indien de verweerder tegen het Europees betalingsbevel een verweerschrift heeft ingediend.
(23)
Om de toegang tot de Europese procedure voor geringe vorderingen verder te vergemakkelijken, moet het standaardvorderingsformulier niet alleen beschikbaar worden gesteld aan de gerechten die bevoegd zijn met betrekking tot de Europese procedure voor geringe vorderingen, maar ook toegankelijk worden gemaakt via passende nationale websites. Aan deze verplichting zou kunnen worden voldaan door op de desbetreffende nationale websites een link naar het Europees e-justitieportaal te plaatsen.
Om de verweerder beter te beschermen, moeten de standaardformulieren waarin Verordening (EG) nr. 861/2007 voorziet, informatie bevatten over de gevolgen voor de verweerder indien hij geen bezwaar aantekent tegen de vordering of geen gehoor geeft aan een oproep om een mondelinge behandeling bij te wonen, met name wat betreft de mogelijkheid dat een beslissing jegens hem wordt gegeven of ten uitvoer wordt gelegd en dat hij de kosten van de procedure dient ten laste te nemen. Daarnaast moet het standaardformulier vermelden dat de in het gelijk gestelde partij de kosten van de procedure wellicht niet kan terugvorderen voor zover deze onnodig zijn gemaakt of niet in verhouding staan tot de waarde van de vordering.
(24)
Teneinde de standaardformulieren voor de Europese procedure voor geringe vorderingen en de Europese betalingsbevelprocedure actueel te houden, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) handelingen vast te stellen ten aanzien van wijzigingen in de bijlagen I tot en met IV bij Verordening (EG) nr. 861/2007 en ten aanzien van wijzigingen in de bijlagen I tot en met VII bij Verordening (EG) nr. 1896/2006. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig aan het Europees Parlement en de Raad worden toegezonden.
(25)
Het Verenigd Koninkrijk en Ierland hebben, overeenkomstig artikel 3 van Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en aan het VWEU, kennis gegeven van hun wens deel te nemen aan de vaststelling en toepassing van deze verordening.
(26)
Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het VEU en het VWEU, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van deze verordening; deze is bijgevolg niet bindend voor noch van toepassing in deze lidstaat.
(27)
Verordening (EG) nr. 861/2007 en Verordening (EG) nr. 1896/2006 moeten derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1

Verordening (EG) nr. 861/2007 wordt als volgt gewijzigd:
1)
Artikel 2 wordt vervangen door:
„Artikel 2

Toepassingsgebied

1. Deze verordening is, in grensoverschrijdende zaken als gedefinieerd in artikel 3, van toepassing in burgerlijke en handelszaken ongeacht de aard van het gerecht, indien de waarde van een vordering, alle rente, kosten en uitgaven niet meegerekend, op het tijdstip dat het vorderingsformulier door het bevoegde gerecht wordt ontvangen, niet meer bedraagt dan 5 000 EUR. Zij heeft in het bijzonder geen betrekking op fiscale zaken, douanezaken en bestuursrechtelijke zaken, of op de aansprakelijkheid van de staat wegens handelingen of omissies bij de uitoefening van het staatsgezag (acta jure imperii).
2. Deze verordening is niet van toepassing op zaken met betrekking tot:
a)
de staat en de bevoegdheid van natuurlijke personen;
b)
het huwelijksvermogensrecht of het vermogensrecht ter zake van relatievormen waaraan volgens het hierop toepasselijke recht gevolgen worden verbonden die vergelijkbaar zijn met die van het huwelijk;
c)
onderhoudsverplichtingen die voortvloeien uit familiebetrekkingen, bloedverwantschap, huwelijk of aanverwantschap;
d)
testamenten en erfenissen, met inbegrip van onderhoudsverplichtingen die ontstaan als gevolg van overlijden;
e)
het faillissement, akkoorden en andere soortgelijke procedures;
f)
de sociale zekerheid;
g)
arbitrage;
h)
arbeidsrecht;
i)
huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende zaken, met uitzondering van vorderingen van geldelijke aard, of
j)
inbreuken op de persoonlijke levenssfeer en op de persoonlijkheidsrechten, met inbegrip van laster.”.
2)
In artikel 3 worden de leden 2 en 3 vervangen door:
„2. De woonplaats wordt bepaald overeenkomstig de artikelen 62 en 63 van Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad (7).
3. De datum waarop het vorderingsformulier door het bevoegde gerecht wordt ontvangen, is het relevante tijdstip om te bepalen of een zaak een grensoverschrijdende zaak is.
(7) Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB L 351 van 20.12.2012, blz. 1).”."
3)
Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:
a)
aan lid 4, tweede alinea, wordt de volgende zin toegevoegd:
„Het gerecht stelt de eiser van die afwijzing in kennis en deelt mee of er tegen deze afwijzing rechtsmiddelen openstaan.”;
b)
lid 5 wordt vervangen door:
„5. De lidstaten zorgen ervoor dat het standaardvorderingsformulier A beschikbaar is bij ieder gerecht waarbij de Europese procedure voor geringe vorderingen kan worden ingeleid, en dat het toegankelijk is via de relevante nationale websites.”.
4)
In artikel 5 wordt lid 1 vervangen door:
„1. De Europese procedure voor geringe vorderingen is een schriftelijke procedure.
1 bis. Het gerecht houdt uitsluitend een mondelinge behandeling indien het van oordeel is dat er geen uitspraak kan worden gedaan op basis van het schriftelijk bewijs of indien een partij daarom verzoekt. Het gerecht kan een dergelijk verzoek weigeren indien het, gezien de omstandigheden van de zaak, van oordeel is dat een eerlijke rechtspleging in deze zaak geen mondelinge behandeling vergt. De redenen voor afwijzing van het verzoek worden schriftelijk gegeven. Tegen de weigering kan geen rechtsmiddel worden aangewend zonder betwisting van de beslissing zelf.”.
5)
Artikel 8 wordt vervangen door:
„Artikel 8

Mondelinge behandeling

1. Wanneer een mondelinge behandeling overeenkomstig artikel 5, lid 1 bis, nodig wordt geacht, wordt daarvoor gebruikgemaakt van elke passende technologie voor communicatie op afstand, zoals videoconferentie of teleconferentie, die het gerecht ter beschikking staat, tenzij het gebruik van deze technologie, wegens de bijzondere omstandigheden van de zaak, niet passend is met het oog op een eerlijke rechtspleging.
Als de te horen persoon zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft in een andere lidstaat dan de lidstaat van het aangezochte gerecht, wordt de aanwezigheid van die persoon bij een mondelinge behandeling via videoconferentie, teleconferentie of een andere passende technologie voor communicatie op afstand georganiseerd door gebruik te maken van de procedures van Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad (8).
2. Elke partij die wordt opgeroepen om in persoon een mondelinge behandeling bij te wonen, kan om het gebruik van technologie voor communicatie op afstand verzoeken, mits dergelijke technologie de rechtbank ter beschikking staat, op grond van het feit dat de regelingen om in persoon aanwezig te zijn, in het bijzonder wat betreft de eventueel door die partij te maken kosten, niet in verhouding staan tot de vordering.
3. Elke partij die wordt opgeroepen om met behulp van technologie voor communicatie op afstand een mondelinge behandeling bij te wonen, kan verzoeken in persoon bij die behandeling aanwezig te mogen zijn. Aan de hand van het standaardvorderingsformulier A en het standaardantwoordformulier C, die zijn opgesteld overeenkomstig de in artikel 27, lid 2, bedoelde procedure, wordt de partijen ter kennis gebracht dat de terugvordering van eventuele kosten die door een partij zijn gemaakt ten gevolge van haar verzoek om de mondelinge behandeling in persoon bij te wonen, onderworpen is aan de voorwaarden vastgelegd in artikel 16.
4. Tegen de beslissing van het gerecht over een verzoek bepaald in de leden 2 en 3, kan geen rechtsmiddel worden aangewend zonder betwisting van de beslissing zelf.
(8) Verordening (EG) Nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken (PB L 174 van 27.6.2001, blz. 1).”."
6)
Artikel 9 wordt vervangen door:
„Artikel 9

Bewijsverkrijging

1. Het gerecht bepaalt met welke middelen het bewijs wordt verkregen en welk bewijs het overeenkomstig de voorschriften inzake de toelaatbaarheid van bewijs nodig heeft om een uitspraak te kunnen doen. Het kiest de eenvoudigste en minst bezwarende wijze van bewijsverkrijging.
2. Het gerecht kan bewijsverkrijging door middel van een schriftelijke verklaring van getuigen, deskundigen of partijen toelaten.
3. Wanneer de bewijsverkrijging met zich meebrengt dat een persoon wordt gehoord, verloopt deze mondelinge behandeling volgens de in artikel 8 opgenomen voorwaarden.
4. Het gerecht kan een deskundigenonderzoek of een mondelinge getuigenis slechts gelasten indien het niet mogelijk is uitspraak te doen op basis van ander bewijs.”.
7)
Artikel 11 wordt vervangen door:
„Artikel 11

Bijstand aan de partijen

1. De lidstaten zorgen ervoor dat het voor de partijen bij het invullen van de formulieren mogelijk is om zowel praktische bijstand als algemene informatie over het toepassingsgebied van de Europese procedure voor geringe vorderingen te verkrijgen, naast algemene informatie over welke gerechten in de betrokken lidstaat bevoegd zijn uitspraak te doen in een Europese procedure voor geringe vorderingen. Die bijstand wordt kosteloos verleend. Niets in dit lid verplicht de lidstaten tot verlening van rechtsbijstand of juridisch advies in de vorm van een juridische beoordeling van een specifieke zaak.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat informatie over de autoriteiten en organisaties die bevoegd zijn overeenkomstig lid 1 bijstand te verlenen, beschikbaar is bij elk gerecht waarbij de Europese procedure voor geringe vorderingen kan worden ingeleid, en toegankelijk is via de relevante nationale websites.”.
8)
Artikel 13 wordt vervangen door:
„Artikel 13

Betekening of kennisgeving van stukken en andere schriftelijke mededelingen

1. De betekening of kennisgeving van de in artikel 5, leden 2 en 6, vermelde stukken en van overeenkomstig artikel 7 gegeven beslissingen geschiedt:
a)
per post, of
b)
met elektronische middelen:
i)
indien deze middelen technisch beschikbaar zijn en toelaatbaar overeenkomstig de procedurevoorschriften van de lidstaat waar de Europese procedure voor geringe vorderingen wordt gevoerd, en, indien de partij waaraan de betekening of kennisgeving moet geschieden haar woonplaats of haar gewone verblijfplaats in een andere lidstaat heeft, overeenkomstig de procedurevoorschriften van die lidstaat, en
ii)
indien de partij waaraan de betekening of kennisgeving moet geschieden, van tevoren uitdrukkelijk met betekening of kennisgeving van stukken met elektronische middelen heeft ingestemd, of krachtens de procedurevoorschriften van de lidstaat waar die partij haar woonplaats of haar gewone verblijfplaats heeft, wettelijk verplicht is die specifieke wijze van betekening of kennisgeving te aanvaarden.
De betekening of kennisgeving van stukken geschiedt met bericht van ontvangst met vermelding van de datum van ontvangst.
2. Alle niet in lid 1 bedoelde schriftelijke communicatie tussen het gerecht en de partijen of andere bij de procedure betrokken personen wordt met elektronische middelen verricht met een bericht van ontvangst indien deze middelen technisch beschikbaar zijn en toelaatbaar overeenkomstig de procedurevoorschriften van de lidstaat waar de Europese procedure voor geringe vorderingen wordt gevoerd, op voorwaarde dat de partij of persoon deze communicatiemiddelen vooraf heeft aanvaard, of overeenkomstig de procedurevoorschriften van de lidstaat waar die partij of persoon haar of zijn woonplaats of haar of zijn gewone verblijfplaats heeft, wettelijk verplicht is deze communicatiemiddelen te aanvaarden.
3. Naast elk ander overeenkomstig de procedurevoorschriften van de lidstaten beschikbaar middel voor het kenbaar maken van de krachtens de leden 1 en 2 vereiste voorafgaande aanvaarding van het gebruik van elektronische middelen, kunnen ook het standaardvorderingsformulier A en het standaardantwoordformulier C worden gebruikt om die aanvaarding kenbaar te maken.
4. Indien de betekening of kennisgeving overeenkomstig lid 1 niet mogelijk is, kan zij geschieden op een van de wijzen waarin artikel 13 of 14 van Verordening (EG) nr. 1896/2006 voorziet.
Indien mededeling overeenkomstig lid 2 niet mogelijk is, of, wegens de bijzondere omstandigheden van de zaak, niet geschikt is, kan gebruik worden gemaakt van alle andere communicatiemiddelen die toelaatbaar zijn uit hoofde van het recht van de lidstaat waar de Europese procedure voor geringe vorderingen wordt gevoerd.”.
9)
Het volgende artikel wordt ingevoegd:
„Artikel 15 bis

Gerechtskosten en wijzen van betaling

1. De in een lidstaat aangerekende gerechtskosten voor de Europese procedure voor geringe vorderingen staan niet in wanverhouding tot de vordering en zijn niet hoger dan de gerechtskosten die worden aangerekend voor nationale vereenvoudigde procedures in die lidstaat.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat de partijen de gerechtskosten via methoden voor betaling op afstand kunnen betalen, zodat de partijen de betaling ook kunnen verrichten vanuit een andere lidstaat dan de lidstaat waar het gerecht is gevestigd, en bieden hiertoe ten minste een van de volgende betaalwijzen aan:
a)
bankoverschrijving;
b)
betaling met credit- of debetkaart, of
c)
automatische afschrijving (domiciliëring) van de bankrekening van de eiser.”.
10)
In artikel 17 wordt lid 2 vervangen door:
„2. De artikelen 15 bis en 16 zijn van toepassing op een beroepsprocedure.”.
11)
Artikel 18 wordt vervangen door:
„Artikel 18

Heroverweging van de beslissing in uitzonderlijke gevallen

1. Een verweerder die niet is verschenen, kan het bevoegde gerecht in de lidstaat waar de beslissing is gegeven, om heroverweging van de in een Europese procedure voor geringe vorderingen gegeven beslissing verzoeken indien:
a)
het vorderingsformulier niet tijdig aan hem is betekend of ter kennis is gebracht, of, in geval van een mondelinge behandeling, hij niet tijdig voor die mondelinge behandeling is opgeroepen, en op zodanige wijze dat hij zijn verweer niet kan regelen, of
b)
de verweerder de vordering niet heeft kunnen betwisten wegens overmacht of wegens buitengewone omstandigheden buiten zijn schuld,
tenzij de verweerder geen rechtsmiddel tegen de beslissing heeft aangewend toen hij dit kon doen.
2. De termijn om een heroverweging te vragen is 30 dagen. De termijn gaat in op de dag waarop de verweerder daadwerkelijk kennis heeft gekregen van de inhoud van de beslissing en in staat was om op te treden, maar niet later dan de dag van de eerste tenuitvoerleggingsmaatregel waardoor hij de beschikking over zijn goederen geheel of gedeeltelijk verliest. De termijn mag niet worden verlengd.
3. Indien het gerecht het in lid 1 bedoelde verzoek tot heroverweging afwijst omdat geen van de aldaar genoemde gronden voor heroverweging van toepassing is, blijft de beslissing van kracht.
Indien het gerecht besluit dat heroverweging om een van de in lid 1 bepaalde gronden gerechtvaardigd is, is de in de Europese procedure voor geringe vorderingen gegeven beslissing nietig. De eiser verliest echter geen voordelen van enige stuiting van de verjarings- of vervaltermijnen ingeval stuiting op grond van het nationaal recht van toepassing is.”.
12)
In artikel 20 wordt lid 2 vervangen door:
„2. Op verzoek van een partij verstrekt het gerecht een certificaat betreffende een in de Europese procedure voor geringe vorderingen gegeven beslissing zonder extra kosten door gebruik te maken van het standaardformulier D van bijlage IV. Het gerecht verstrekt die partij desgevraagd het certificaat in een andere officiële taal van de instellingen van de Unie en maakt daarbij gebruik van het meertalig dynamisch standaardformulier dat op het Europees e-justitieportaal beschikbaar is. Niets in deze verordening verplicht het gerecht tot verstrekking van een vertaling en/of transliteratie van de tekst in de vrije tekstvelden van dat certificaat.”.
13)
In artikel 21, lid 2, wordt punt b) vervangen door:
„b)
het in artikel 20, lid 2, bedoelde certificaat en, indien nodig, een vertaling daarvan in de officiële taal van de lidstaat van tenuitvoerlegging, of indien er in die lidstaat verscheidene officiële talen bestaan, in de officiële taal of een van de officiële rechtstalen van de plaats van tenuitvoerlegging overeenkomstig het recht van die lidstaat, of in een andere taal die de lidstaat van tenuitvoerlegging heeft verklaard te aanvaarden.”.
14)
Het volgende artikel wordt ingevoegd:
„Artikel 21 bis

Taal van het certificaat

1. Elke lidstaat kan aangeven welke officiële talen van de instellingen van de Unie hij, naast zijn eigen taal, voor het in artikel 20, lid 2, bedoelde certificaat aanvaardt.
2. De informatie over de inhoud van een beslissing, die wordt verstrekt in een certificaat als bedoeld in artikel 20, lid 2, wordt vertaald door een in een van de lidstaten tot het maken van vertalingen bevoegde persoon.”.
15)
Het volgende artikel wordt ingevoegd:
„Artikel 23 bis

Gerechtelijke schikkingen

Een gerechtelijke schikking die is goedgekeurd door of getroffen voor een gerecht tijdens de Europese procedure voor geringe vorderingen en die uitvoerbaar is in de lidstaat waar de procedure is gevoerd, wordt in een andere lidstaat erkend en ten uitvoer gelegd onder dezelfde voorwaarden als een beslissing die is gegeven in de Europese procedure voor geringe vorderingen.
Het bepaalde in hoofdstuk III is van overeenkomstige toepassing op gerechtelijke schikkingen.”.
16)
Artikel 25 wordt vervangen door:
„Artikel 25

Door de lidstaten te verstrekken gegevens

1. Uiterlijk op 13 januari 2017 doen de lidstaten de Commissie mededeling van:
a)
de gerechten die bevoegd zijn om een beslissing te geven in een Europese procedure voor geringe vorderingen;
b)
de communicatiemiddelen die overeenkomstig artikel 4, lid 1, ten behoeve van de procedure worden aanvaard en de gerechten ter beschikking staan;
c)
de autoriteiten of organisaties die bevoegd zijn om praktische bijstand te verlenen overeenkomstig artikel 11;
d)
de middelen voor elektronische betekening en kennisgeving en elektronische communicatie die technisch beschikbaar zijn en uit hoofde van hun procedurevoorschriften toelaatbaar zijn overeenkomstig artikel 13, leden 1, 2 en 3, en de eventuele middelen om voorafgaande aanvaarding van het gebruik van elektronische middelen kenbaar te maken, krachtens artikel 13, leden 1 en 2, die hun krachtens het nationale recht ter beschikking staan;
e)
de eventuele personen of beroepscategorieën die wettelijk verplicht zijn betekening en kennisgeving van documenten en andere schriftelijke communicatie met elektronische middelen te aanvaarden overeenkomstig artikel 13, leden 1 en 2;
f)
de gerechtskosten voor de Europese procedure voor geringe vorderingen en de wijze waarop die worden berekend, alsmede de betaalwijzen die worden aanvaard voor de betaling van de gerechtskosten overeenkomstig artikel 15 bis;
g)
het beroep dat krachtens hun procesrecht overeenkomstig artikel 17 mogelijk is, de termijn waarbinnen dit beroep dient te worden ingesteld en het gerecht waarbij dit kan worden ingesteld;
h)
de procedures voor een verzoek om heroverweging als bedoeld in artikel 18 en de gerechten die voor deze heroverweging bevoegd zijn;
i)
de talen die zij ingevolge artikel 21 bis, lid 1, aanvaarden, en
j)
de instanties die bevoegd zijn voor de tenuitvoerlegging en de instanties die bevoegd zijn voor de toepassing van artikel 23.
De lidstaten stellen de Commissie in kennis van iedere wijziging van die informatie.
2. De Commissie maakt de overeenkomstig lid 1 meegedeelde informatie openbaar met passende middelen, zoals via het Europees e-justitieportaal.”.
17)
Artikel 26 wordt vervangen door:
„Artikel 26

Wijziging van de bijlagen

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 27 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de wijziging van de bijlagen I tot en met IV.”.
18)
Artikel 27 wordt vervangen door:
„Artikel 27

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2. De in artikel 26 genoemde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd, vanaf 13 januari 2016.
3. Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 26 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
5. Een overeenkomstig artikel 26 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.”.
19)
Artikel 28 wordt vervangen door:
„Artikel 28

Evaluatie

1. Uiterlijk op 15 juli 2022 dient de Commissie bij het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité een verslag in over de toepassing van deze verordening, dat een evaluatie bevat van de vraag:
a)
of een verdere verhoging van het in artikel 2, lid 1, vermelde maximum passend is voor het verwezenlijken van de doelstelling van deze verordening, namelijk de toegang tot de rechter vergemakkelijken voor burgers en kleine en middelgrote ondernemingen in grensoverschrijdende zaken, en
b)
of een uitbreiding van het toepassingsgebied van de Europese procedure voor geringe vorderingen, in het bijzonder tot vorderingen inzake bezoldigingen, passend is om de toegang tot de rechter te vergemakkelijken voor werknemers in grensoverschrijdende arbeidsgeschillen met hun werkgever, na afweging van het volledige effect van die uitbreiding.
Dat verslag gaat zo nodig vergezeld van wetgevingsvoorstellen.
Te dien einde en uiterlijk op 15 juli 2021 verstrekken de lidstaten de Commissie informatie over het aantal vorderingen krachtens de Europese procedure voor geringe vorderingen en het aantal verzoeken om tenuitvoerlegging van in een Europese procedure voor geringe vorderingen gegeven beslissingen.
2. Uiterlijk op 15 juli 2019 dient de Commissie bij het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité een verslag in over de verspreiding van informatie over de Europese procedure voor geringe vorderingen in de lidstaten, en kan zij aanbevelingen doen over manieren om die procedure meer bekend te maken.”.
Artikel 2

Verordening (EG) nr. 1896/2006 wordt als volgt gewijzigd:
1)
In artikel 7 wordt lid 4 vervangen door:
„4. In een aanhangsel bij het verzoek kan de eiser aan het gerecht aangeven welke van de in artikel 17, lid 1, onder a) en b), vermelde procedures hij eventueel in een latere civielrechtelijke procedure op zijn vordering toegepast wil zien als de verweerder een verweerschrift tegen het Europees betalingsbevel indient.
In het in de eerste alinea bedoelde aanhangsel kan de eiser tevens aan het gerecht aangeven dat hij bezwaar maakt tegen een overgang naar een civielrechtelijke procedure in de zin van artikel 17, lid 1, onder a) of onder b), in geval van verweer door de verweerder. De eiser kan dit ook in een later stadium doen, doch in elk geval voordat het betalingsbevel wordt uitgevaardigd.”.
2)
Artikel 17 wordt vervangen door:
„Artikel 17

Gevolgen van de indiening van een verweerschrift

1. Indien binnen de in artikel 16, lid 2, gestelde termijn een verweerschrift is ingediend, wordt de procedure voortgezet voor de bevoegde gerechten van de lidstaat van oorsprong, tenzij de eiser uitdrukkelijk heeft verzocht de procedure in dat geval te staken. De procedure wordt voortgezet volgens de regels van:
a)
de in Verordening (EG) nr. 861/2007 vastgelegde Europese procedure voor geringe vorderingen, indien van toepassing, of
b)
een passende nationale civielrechtelijke procedure.
2. Indien de eiser niet heeft aangegeven welke van de in lid 1, onder a) en b), vermelde procedures hij op zijn vordering toegepast wil zien in de procedure die volgt bij indiening van een verweerschrift, of indien de eiser heeft verzocht om toepassing van de in Verordening (EG) nr. 861/2007 vastgestelde Europese procedure voor geringe vorderingen op een vordering die niet onder het toepassingsgebied van die verordening valt, gaat de procedure over naar de dienstige nationale civielrechtelijke procedure, tenzij de eiser uitdrukkelijk heeft verzocht die overgang niet te laten plaatsvinden.
3. Indien de eiser zijn vordering door middel van de Europese betalingsbevelprocedure geldend heeft gemaakt, laat het nationaal recht zijn positie in de daaropvolgende civielrechtelijke procedure onverlet.
4. De overgang naar de civielrechtelijke procedure in de zin van lid 1, onder a) en b), wordt beheerst door het recht van de lidstaat van oorsprong.
5. Aan de eiser wordt medegedeeld of de verweerder een verweerschrift heeft ingediend en of er naar een civielrechtelijke procedure wordt overgegaan in de zin van lid 1.”.
3)
In artikel 25 wordt lid 1 vervangen door:
„1. Indien in een lidstaat de gerechtskosten voor een civielrechtelijke procedure in de zin van artikel 17, lid 1, onder a) of b), naargelang van het geval, gelijk zijn of hoger dan die voor de Europese betalingsbevelprocedure, mogen de totale gerechtskosten voor een Europese betalingsbevelprocedure en voor de civielrechtelijke procedure die daar overeenkomstig artikel 17, lid 1, op volgt indien een verweerschrift is ingediend, niet hoger zijn dan de kosten voor een procedure waaraan in die lidstaat geen Europese betalingsbevelprocedure is voorafgegaan.
Voor de civielrechtelijke procedure die na de indiening van een verweerschrift volgt in overeenstemming met artikel 17, lid 1, onder a) of b), naargelang van het geval, mogen in een lidstaat geen extra gerechtskosten worden aangerekend indien de gerechtskosten voor een dergelijke procedure in die lidstaat lager zijn dan die voor de Europese betalingsbevelprocedure.”.
4)
Artikel 30 wordt vervangen door:
„Artikel 30

Wijziging van de bijlagen

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 31 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de wijziging van de bijlagen I tot en met VII.”.
5)
Artikel 31 wordt vervangen door:
„Artikel 31

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2. De in artikel 30 genoemde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van 13 januari 2016.
3. Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 30 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
5. Een overeenkomstig artikel 30 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.”.
Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van 14 juli 2017, met uitzondering van artikel 1, punt 16, tot wijziging van artikel 25 van Verordening (EG) nr. 861/2007, dat van toepassing is met ingang van 14 januari 2017.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.
Gedaan te Straatsburg, 16 december 2015.
Voor het Europees Parlement
De voorzitter
M. SCHULZ
Voor de Raad
De voorzitter
N. SCHMIT
(1) PB C 226 van 16.7.2014, blz. 43.
(2) Standpunt van het Europees Parlement van 7 oktober 2015 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 3 december 2015.
(3) Verordening (EG) nr. 861/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen (PB L 199 van 31.7.2007, blz. 1).
(4) Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de rechtbanken van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken (PB L 174 van 27.6.2001, blz. 1).
(5) Richtlijn 2003/8/EG van de Raad van 27 januari 2003 tot verbetering van de toegang tot de rechter bij grensoverschrijdende geschillen, door middel van gemeenschappelijke minimumvoorschriften betreffende rechtsbijstand bij die geschillen (PB L 26 van 31.1.2003, blz. 41).
(6) Verordening (EG) nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure (PB L 399 van 30.12.2006, blz. 1).

 

Nuttige tips: 

Europese betalingsbevelprocedure dient niet ter uivoering van rechterlijke of arbitrale beslissingen.

Zij dient enkel ter inning van originele geldvorderingen

Rechtspraak:

Rechtbank van Koophandel te Turnhout, 1e Kamer – 15 oktober 2012, RW 2013-2014, 149

J. Van Der L. t/ Vennootschap naar Nederlands recht BV I.N.

...

Art. 4 Betalingsbevelverordening bepaalt: “De Europese betalingsbevelprocedure wordt ingevoerd voor de inning van liquide geldvorderingen voor een specifiek bedrag, die opeisbaar zijn op het tijdstip waarop het verzoek om een Europees betalingsbevel wordt ingediend”.

De Betalingsbevelverordening preciseert in haar overweging 9: “Doel van deze vordering is de beslechting van een geschil in grensoverschrijdende zaken met betrekking tot niet-betwiste geldvorderingen te vereenvoudigen, te versnellen en goedkoper te maken door een Europese betalingsbevelprocedure in te voeren, en het vrije verkeer van Europese betalingsbevelen tussen de lidstaten te bewerkstelligen door minimumnormen te stellen waarvan de naleving tot gevolg heeft dat in de lidstaat van tenuitvoerlegging voorafgaand aan de erkenning en de tenuitvoerlegging geen intermediaire procedure hoeft te worden ingeleid”.

J. Van Der L. argumenteert terecht dat het bijgevolg moet gaan om originele geldvorderingen, dit wil zeggen dat de Betalingsbevelverordening niet kan worden gebruikt voor de inning van geldsommen die in een rechterlijke of arbitrale beslissing werden toegekend (vgl. H. Storme, “Europese betalingsbevelprocedure”, NJW 2009, 98-117).

De rechtbnak stelt vast dat het verzoek van BV I.N. tot het verkrijgen van een Europees betalingsbevel verwijst naar een vonnis van 14 februari 2007 van de Rechtbank Rotterdam, dat tussen partijen in het geding (bij verstek ten opzichte van J. Van Der L.) blijkt te zijn gewezen.

Aldus is er op het tijdstip van het verzoek van BV I.N. geen sprake meer van de beslechting van een geschil, aangezien het geschil werd beslecht door gezegd vonnis.

Het komt de rechtbank voor dat BV I.N. aldus poogt de regeling inzake exequatur en grensoverschrijdende tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen te omzeilen (Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EEX-Verordening) en de Verordening (EG) nr. 805/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen (EET-Verordening)). Dit beantwoordt niet aan de doelstelling van de Betalingsbevelverordening.

De rechtbank is daarom van oordeel dat het Europees betalingsbevel van 3 augustus 2011 kennelijk ten onrechte is toegekend, omdat het verzoek geen betrekking heeft op de beslechting van een geschil, maar alleen tot doel heeft de bepalingen van de EEX-Verordening en de EET-verordening te omzeilen.

De rechtbank acht bijgevolg alleen reeds om de hierboven vermelde redenen het verzoek tot heroverweging gegrond, zodat het Europees betalingsbevel van 3 augustus 2011 nietig is. 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:13
Laatst aangepast op: di, 25/07/2017 - 19:48

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.