-A +A

Elk van de in het ongelijk gestelde partijen dient aan de in het gelijk gestelde partij rechtsplegingsvergoeding betalen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

 

voor de bedragen van de rechtsplegingsvergoeding: klik hier

 

 

Hof van Cassatie, 3e Kamer – 20 juni 2011, RW, 2012-2013, 372


Art. 1017, eerste lid Ger.W. bepaalt dat, tenzij bijzondere wetten anders bepalen, ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwijst, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt.

Krachtens art. 1018, 6o Ger.W. omvatten de kosten de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in art. 1022 Ger.W.

Krachtens art. 1022, eerste lid Ger.W. is de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.

14. Uit deze bepalingen volgt dat de partij tegen wie verschillende partijen onderscheiden vorderingen hebben ingesteld, gerechtigd is op een rechtsplegingsvergoeding van elk van de in het ongelijk gestelde partijen afzonderlijk.

15. De appelrechters stellen vast dat:

– de eerste en de tweede verweerster tijdens de beroepsprocedure elk de veroordeling vorderden van de eiseres tot betaling van een schadevergoeding van 86.123,01 euro, vermeerderd met de interest sinds 26 mei 2005 en de gedingkosten;

– de eiseres de veroordeling vorderde van de eerste en de tweede verweerster tot de gedingkosten.

De appelrechters hebben de vorderingen van de eerste en de tweede verweerster tegen de eiseres tot betaling van een schadevergoeding afgewezen en hebben enkel de eerste verweerster veroordeeld tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan de eiseres.

Door aldus te oordelen, schenden zij art. 1017, eerste lid Ger.W.

Het middel is in zoverre gegrond.

 

 

 

Nog dit: 

Geen rechtsplegingsvergoeding voor hoofd- en tegenvordering afzonderlijk

Wordt een partij op hoofdvordering en op de tegenvordering in het gelijk gesteld, dan heeft zij slechts recht op één enkele rechtsplegingsvergoeding per aanleg, die wordt berekend op basis van het bedrag van de hoofdvordering.

• Cass. 10 januari 2011, RW 2010-2011, 1057

NV Vlaamse Vervoermaatschappij De Lijn en Van Der V. t/ E.G.R. en Stad Antwerpen
I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen van 23 maart 2009.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Art. 1017, eerste lid, Ger.W. bepaalt dat, tenzij bijzondere wetten anders bepalen, ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwijst, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt.

Krachtens art. 1017, vierde lid, Ger.W. kunnen de kosten worden omgeslagen zoals de rechter het raadzaam oordeelt, hetzij wanneer de partijen onderscheidenlijk omtrent enig geschilpunt in het ongelijk zijn gesteld, hetzij over echtgenoten, bloedverwanten in de opgaande lijn, broeders en zusters of aanverwanten in dezelfde graad.

Krachtens art. 1018, eerste lid, 6o, Ger.W. omvatten de kosten de rechtsplegingsvergoeding zoals bepaald in art. 1022 Ger.W.

Volgens art. 1022, eerste lid, Ger.W. is de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.

Art. 1, tweede lid, van het KB van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat, bepaalt dat de bedragen vastgesteld worden per aanleg.

Luidens art. 2, tweede lid, van voornoemd koninklijk besluit wordt de rechtsplegingsvergoeding berekend op basis van het bedrag van de vordering dat wordt vastgesteld overeenkomstig de artikelen 557 tot 562 en 618 Ger.W. in verband met de bepaling van de bevoegdheid en de aanleg.

2. Uit het geheel van deze bepalingen volgt dat de in het gelijk gestelde partij slechts recht heeft op één rechtsplegingsvergoeding per aanleg, die berekend wordt op basis van het bedrag van de hoofdvordering.

3. Na te hebben vastgesteld dat de verweersters zowel wat de hoofdvordering als de tegenvordering betreft in het gelijk worden gesteld, oordelen de appelrechters dat zij aanspraak kunnen maken op twee afzonderlijke rechtsplegingsvergoedingen, met name zowel voor de hoofd- als voor de tegenvordering en willigen zij zodoende het incidenteel beroep in.

Het bestreden vonnis verantwoordt aldus zijn beslissing niet naar recht.

• Politierechtbank Brugge, 6 januari 2011, RW 2011-2012, 457

Als in het ongelijk gestelde partij moet verweerder instaan voor de gedingkosten.

In dat verband blijkt dat eiser aanspraak maakt op twee rechtsplegingsvergoedingen: één van 900 euro voor de toekenning van de hoofdeis en één van 3.000 euro voor de afwijzing van de tegeneis. Verweerder van zijn kant vordert één enkele rechtsplegingsvergoeding, die hij begroot op 3.000 euro.

In verband met de vraag wat er moet gebeuren bij een hoofd- en tegeneis werden diverse standpunten verdedigd, en onder meer ook het standpunt (dat eiser impliciet lijkt aan te hangen) dat elke vordering recht geeft op een rechtsplegingsvergoeding, zodat bij een hoofdvordering en een tegenvordering dus twee rechtsplegingsvergoedingen spelen.

In het Belgisch Staatsblad van 11 maart 2010 verscheen de wet van 21 februari 2010 tot wijziging van de artikelen 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en 162bis van het Wetboek van Strafvordering. De wetgever had de bedoeling een aantal technische onvolmaaktheden en onbillijkheden uit te vlakken waartoe de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat aanleiding had gegeven.

De wet van 21 februari 2010 is tot op vandaag nog steeds niet in werking getreden omdat het uitvoeringsbesluit door de val van de regering in juni 2010 nog steeds niet gepubliceerd is. Dat neemt niet weg dat de wet – en de parlementaire voorbereidingen – soelaas kunnen brengen in de discussie die is ontstaan over de pluraliteit van vorderingen en procespartijen. De wetgever van 2010 geeft immers aan wat hij met de wet van 21 april 2007 voor ogen had.

De essentie is dat één rechtsplegingsvergoeding verschuldigd is per «gerechtelijke band» aan de binnen die «band» in het gelijk gestelde partij die wordt bijgestaan door een advocaat, en dit ongeacht het aantal tussenvorderingen, tussengeschillen en partijen binnen die «gerechtelijke band».

Art. 1022, vijfde lid (nieuw) Ger.W. luidt: «Wanneer binnen eenzelfde gerechtelijke band meerdere partijen de rechtsplegingsvergoeding ten laste van één of meer in het ongelijk gestelde partijen genieten, bedraagt het bedrag ervan maximum het dubbel van de maximale rechtsplegingsvergoeding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen aanspraak kan maken. Ze wordt door de rechter tussen de partijen verdeeld».

De wetgever verduidelijkt – echter zonder de wet van 21 februari 2010 als een interpretatieve wet te kwalificeren – dat de bijgestelde regels de oorspronkelijke opzet van de wet van 21 april 2007 en het KB van 26 oktober 2007 weerspiegelen (Verslag, Parl.St. Kamer 2009-10, nr. 52K2313/004, p. 14).

Per «gerechtelijke band» is een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd. Het begrip «gerechtelijke band» mag dan al een nieuw begrip zijn dat in het Gerechtelijk Wetboek wordt geïntroduceerd, vast staat voor deze rechtbank dat een tegenvordering geen aanleiding geeft tot een nieuwe of bijkomende «gerechtelijke band» en dus ook niet tot een afzonderlijke rechtsplegingsvergoeding (V. Pire, «Le nouveau droit de la répétibilité des frais et honoraires d’avocat», RGAR 2010, nr. 14.659).

Blijft dan natuurlijk de vraag hoe de ene rechtsplegingsvergoeding die verschuldigd is begroot moet worden: Op de hoofdvordering? Op de tegenvordering? Of op de vordering van de winnende partij zoals voorgesteld door V. Pire (randnr. 19)? In dit dossier betekent dat op de hoofdvordering een basisbedrag van 900 euro speelt (vordering binnen de vork tussen 5.000,01 en 10.000 euro), terwijl op de tegenvordering een basisbedrag van 3.000 euro speelt (vordering binnen de vork tussen 60.000,01 en 100.000 euro). Als men vertrekt van «de winnende vordering» speelt eveneens een basisbedrag van 900 euro.

Art. 2 van het KB van 26 oktober 2007 verwijst naar de artikelen 557 tot 559, 561, 562 en 618, tweede lid, Ger.W., die uitsluitend betrekking hebben op de hoofdvordering. De ene rechtsplegingsvergoeding die speelt, moet dus worden begroot op basis van het bedrag van de hoofdvordering.

De rechtbank dient het basisbedrag toe te kennen en kan daarvan enkel afwijken als een partij het vraagt en haar vraag motiveert aan de hand van één van de limitatief in de wet opgesomde criteria. In dit dossier vraagt eiser niet om af te wijken van het basisbedrag. Hij krijgt bijgevolg het door hem gevorderde bedrag van 900 euro. 

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: zo, 28/10/2012 - 16:22
Laatst aangepast op: zo, 28/10/2012 - 16:22

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.