-A +A

Eenheid van opzet zwaarste straf

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Krachtens artikel 65, eerste lid, Strafwetboek, kan de rechter die oordeelt dat meerdere misdrijven de uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet, slechts één straf opleggen, namelijk de zwaarste; de toepassing van deze regel verplicht de rechter ertoe de voor de lichtere misdrijven voorgeschreven straffen buiten beschouwing te laten, zelfs als die straffen voorzien in een zwaardere vervangende sanctie dan die, welke samen met de zwaarste hoofdstraf kan worden opgelegd

• Hof van Cassatie, 16/06/2016, AR P.14.1159.N, juridat

Nr. P.14.1159.N
1. S A A N,
beklaagde,
2. V D M bvba,
beklaagde en burgerrechtelijk aansprakelijke partij,
eisers.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
De cassatieberoepen zijn gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correcti-onele rechtbank te Antwerpen van 12 juni 2014.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen

1. Het bestreden vonnis spreekt de eiser 1 vrij voor de telastleggingen C en E en de eiseres 2 voor de telastleggingen K, L en N.
In zoverre tegen die beslissingen gericht, zijn de cassatieberoepen niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.

Ambtshalve middel

Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 40, eerste lid, en 65 Strafwetboek;
- artikel 69bis Wegverkeerswet;
- de artikelen 56 en 57, § 1, 6°, van het Decreet van het Vlaams Parlement van 19 december 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999.

2. Krachtens artikel 65, eerste lid, Strafwetboek, kan de rechter die oordeelt dat meerdere misdrijven de uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet, slechts één straf opleggen, namelijk de zwaarste.

3. De toepassing van deze regel verplicht de rechter ertoe de voor de lichtere misdrijven voorgeschreven straffen buiten beschouwing te laten, zelfs als die straffen voorzien in een zwaardere vervangende sanctie dan die, welke samen met de zwaarste hoofdstraf kan worden opgelegd.

4. Het bestreden vonnis oordeelt dat de feiten A, B, D, F, G, H en I zich ver-mengen "tot één feit, omdat ze gepleegd zijn met eenzelfde strafbaar opzet" en veroordeelt de eiser 1 tot een geldboete van zevenhonderd vijftig euro met gedeel-telijk uitstel van tenuitvoerlegging en bepaalt dat bij gebrek aan tijdige betaling de boete conform artikel 69bis Wegverkeerswet kan vervangen worden door een rij-verbod van dertig dagen, waarvan vijftien dagen betrekking hebben op het met uitstel verleende gedeelte.

5. Te dezen is de zwaarste straf deze welke staat op het in artikel 56 van het Decreet van het Vlaams Parlement van 19 december 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999 omschreven misdrijf, dat ingevolge artikel 57, § 1, 6°, van dat decreet strafbaar is met een gevangenisstraf van acht dagen tot één jaar en een geldboete van zevenhonderdvijftig tot vijfenzeventigduizend euro, of met één van die straffen alleen.

6. Artikel 69bis Wegverkeerswet, zoals hier toepasselijk, bepaalt dat voor de toepassing van de Wegverkeerswet en in afwijking van artikel 40 Strafwetboek de boete, bij gebrek aan betaling binnen de termijn van twee maanden na het arrest of het vonnis, indien op tegenspraak, of te rekenen vanaf de betekening, indien het bij verstek is gewezen, kan worden vervangen door een verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig waarvan de duur zal worden bepaald door het vonnis of arrest van veroordeling, en die niet langer dan een maand en niet korter dan acht dagen zal zijn.

7. Deze bepaling is niet van toepassing op de inbreuken op artikel 56 van het Decreet van het Vlaams Parlement van 19 december 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999.

8. Door de eiser 1 te veroordelen tot een vervangend rijverbod in plaats van tot een vervangende gevangenisstraf schendt het bestreden vonnis de voormelde wetsbepalingen.

Omvang van de cassatie

9. De vernietiging van de beslissing tot het opleggen van een vervangend rij-verbod voor de feiten van de telastleggingen A, B, D, F, G, H en I samen, laat de beslissing over de schuld, de geldboete en het uitstel van tenuitvoerlegging on-aangetast.
Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering voor het overige

10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het de eiser 1 voor de telastleggingen A, B, D, F, G, H en I samen, veroordeelt tot een vervangend rijverbod.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde bestreden vonnis.
Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige.
Veroordeelt de eisers elk tot twee achtsten van de kosten.
Laat de overige kosten ten laste van de Staat.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank Antwerpen, an-ders samengesteld.
Bepaalt de kosten op 111,93 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer


• Hof van Cassatie, 2e Kamer – 8 november 2011, RW 2012-2013, 17

AR nr. P.10.0399.N

Procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Gent t/ P.P.V.D.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer, van 28 januari 2010.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Tweede middel

1. Het middel voert schending aan van art. 65, eerste lid Sw.: het arrest dat oordeelt dat alle bewezen telastleggingen met eenzelfde misdadig opzet werden gepleegd zodat slechts één straf dient te worden opgelegd, legt de verweerder de straf op voor de telastlegging C, terwijl, rekening houdend met het aantal werknemers ten opzichte van wie het misdrijf is gepleegd, het zwaarste feit dat van de telastlegging B betreft.

2. De verweerder is onder meer vervolgd voor:

– laattijdige elektronische melding aan de RSZ van de beëindiging van de tewerkstelling met betrekking tot vier werknemers (telastlegging B), dit zijn overtredingen van art. 9 KB van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van art. 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels (hierna: Dimona-aangiftebesluit);

– verhinderen van toezicht (telastlegging C), dit is een overtreding van art. 15, 2o van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie (hierna: Arbeidsinspectiewet).

3. Krachtens art. 12bis, § 1, 1o Dimona-aangiftebesluit wordt de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die zich niet schikt naar de bepalingen van dit besluit en de uitvoeringsbesluiten ervan, gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met een geldboete van 500 tot 2.500 euro, of met een van die straffen alleen, en wordt de geldboete zoveel maal toegepast als er werknemers zijn ten opzichte van wie een misdrijf is gepleegd, zonder dat het totaal bedrag van de geldboeten evenwel hoger mag zijn dan 125.000 euro.

Krachtens art. 15, 2o Arbeidsinspectiewet wordt al wie het krachtens deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan geregelde toezicht verhindert, gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met een geldboete van 1.000 tot 5.000 euro, of met een van die straffen alleen.

4. Wanneer de strafrechter aan wie gelijktijdig verschillende misdrijven worden voorgelegd, oordeelt dat deze de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet, mag hij overeenkomstig art. 65, eerste lid Sw. daarvoor slechts één straf, namelijk de zwaarste, uitspreken.

Wanneer misdrijven met dezelfde maximumgevangenisstraffen worden bestraft, is de hoogste maximumgeldboete beslissend voor het bepalen van de zwaarste straf.

Zo een misdrijf strafbaar is gesteld met een geldboete die zoveel keer moet worden toegepast als er werknemers zijn ten aanzien van wie de overtreding werd begaan, wordt de maximumgeldboete voor dat misdrijf vastgesteld, rekening houdend met het aantal in de telastlegging betrokken werknemers.

5. De aan de verweerder ten laste gelegde overtredingen van het Dimona-aangiftebesluit (telastlegging B) en de Arbeidsinspectiewet (telastlegging C) worden bestraft met dezelfde minimum- en maximumgevangenisstraffen.

De maximumgeldboete voor de telastlegging B waarin hier vier werknemers zijn betrokken, bedraagt viermaal 2.500 euro, dit is 10.000 euro.

De maximumgeldboete voor de telastlegging C bedraagt 5.000 euro.

Hieruit volgt dat de straf voor de feiten van de telastlegging B de zwaardere straf is.

6. Het arrest oordeelt dat alle bewezen telastleggingen met eenzelfde misdadig opzet werden gepleegd, zodat slechts één straf dient te worden opgelegd, namelijk de zwaarste, en het zwaarste feit dit van de telastlegging C betreft. Het veroordeelt de verweerder voor alle feiten samen tot een geldboete van 1.000 euro, verhoogd met vijftien opdeciemen en alzo gebracht op 2.500 euro, en legt aldus een onwettige straf op.

Het middel is gegrond.

...


Cassatie 3 januari 2012, RW 2012-2013, 1186

AR nr. P.10.1294.N

C.A.M.M. en S.V.P.M. t/ Openbaar ministerie

I. Rechtspleging voor het Hof

De cassatieberoepen zijn gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer, van 17 juni 2010.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste middel

3. Het middel dat alleen de eerste eiser betreft, voert schending aan van art. 65, eerste lid Sw. en art. 12bis, § 1, 1o en § 4, eerste lid van het KB van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van art. 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels (hierna: Dimona-aangiftebesluit): het arrest dat oordeelt dat alle bewezen verklaarde feiten verbonden zijn door eenheid van opzet, zodat slechts één straf moet worden opgelegd, veroordeelt de eerste eiser tot een geldboete van veertien maal 500 euro (te verhogen met de opdeciemen), terwijl de geldboete voor de feiten die aanleiding konden geven tot de zwaarste straf, namelijk de feiten van de telastlegging A in dossier S/15/08, slechts vermenigvuldigd kon worden met het aantal in overtreding met de betreffende reglementering bevonden werknemers, namelijk elf.

4. Het arrest verklaart de volgende telastleggingen bewezen ten laste van de eerste eiser:

– te late elektronische melding aan de RSZ van de aanvang van de tewerkstelling, voor elf werknemers, dit zijn overtredingen van art. 4 tot 8 en 9bis Dimona-aangiftebesluit (telastlegging A in dossier S/15/08);

– niet opmaken van een arbeidsovereenkomst voor studenten uiterlijk op het tijdstip van indiensttreding, voor drie werknemers, dit zijn overtredingen van art. 6 Sociale Documentenwet (telastlegging B in dossier S/15/08);

– te late elektronische melding aan de RSZ van de aanvang van de tewerkstelling, voor drie werknemers, dit zijn overtredingen van art. 4 tot 8 en 9bis Dimona-aangiftebesluit (telastlegging A in dossier S/486-521-570/07);

– niet opmaken van een arbeidsovereenkomst voor studenten uiterlijk op het tijdstip van indiensttreding, voor een werknemer, dit is een overtreding van art. 6 Sociale Documentenwet (telastlegging B in dossier S/486-521-570/07);

– niet bijhouden van een afschrift van het arbeidsreglement op elke plaats van tewerkstelling, dit is een overtreding van art. 15, zesde lid Arbeidsreglementenwet (telastlegging C in dossier S/486-521-570/07).

5. Overeenkomstig art. 12bis, § 1, 1o Dimona-aangiftebesluit wordt de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die zich niet schikt naar de bepalingen van dit besluit en de uitvoeringsbesluiten ervan, gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met een geldboete van 500 tot 2.500 euro, of met een van die straffen alleen, en wordt de geldboete zoveel maal toegepast als er werknemers zijn ten opzichte van wie een inbreuk is gepleegd, zonder dat het totaal bedrag van de geldboeten evenwel hoger mag zijn dan 125.000 euro.

Krachtens art. 11, § 2, eerste lid, a), en tweede lid Sociale Documentenwet worden de werkgever, zijn aangestelden of zijn lasthebbers die het in art. 6 bedoelde geschrift niet opmaken, gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met een geldboete van 500 tot 2.500 euro, of met een van die straffen alleen, en wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal werknemers voor wie de bepalingen zijn overtreden, zonder dat deze geldboete meer dan 100.000 euro mag bedragen.

Krachtens art. 25, 1o Arbeidsreglementenwet worden de werkgever, zijn aangestelden of zijn lasthebbers die de bepalingen van deze wet en van de uitvoeringsbesluiten ervan hebben overtreden, gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een maand en met geldboete van 26 tot 500 euro, of met een van die straffen alleen.

6. Wanneer de strafrechter aan wie gelijktijdig verschillende misdrijven worden voorgelegd, oordeelt dat deze de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet, mag hij overeenkomstig art. 65, eerste lid Sw. daarvoor slechts één straf, namelijk de zwaarste, uitspreken.

7. Bij samenloop van misdrijven die strafbaar zijn met een geldboete die zoveel maal wordt toegepast als er werknemers bij het misdrijf betrokken zijn, wordt de geldboete zoveel maal toegepast als het totaal aantal werknemers dat bij die misdrijven betrokken is.

Deze regel kan alleen maar worden toegepast voor zover de onderscheiden feiten gelijksoortig zijn, met dezelfde misdrijfomschrijving, en alle strafbaar zijn gesteld door dezelfde wettelijke bepaling.

8. Het arrest veroordeelt de eerste eiser, met toepassing van art. 65, eerste lid Sw., wegens het geheel van de bewezen verklaarde feiten van de telastleggingen tot één enkele straf, namelijk een geldboete van 500 euro, vermenigvuldigd met een factor veertien en vermeerderd met opdeciemen, in totaal 38.500 euro, met uitstel voor een termijn van drie jaar voor de helft ervan. Daarin zijn begrepen feiten van te late Dimona-melding, vastgesteld op onderscheiden tijdstippen en plaatsen van tewerkstelling, waarbij respectievelijk elf (feiten A in dossier S/15/08) en drie (feiten A in dossier S/486-521-570/07) werknemers betrokken zijn.

9. Bij vergelijking is de zwaarste straf, zoals bedoeld in art. 65 Sw., deze bepaald in art. 12bis, § 1, 1o Dimona-aangiftebesluit.

10. De feiten A in dossier S/15/08 en de feiten A in dossier S/486-521-570/07 zijn gelijksoortig, met dezelfde misdrijfomschrijving, en zijn alle strafbaar gesteld door art. 12bis, § 1, 1o Dimona-aangiftebesluit.

11. De appelrechters die aldus met toepassing van art. 65, eerste lid Sw. en op grond van art. 12bis, § 1, 1o Dimona-aangiftebesluit, een enige geldboete opleggen, houden naar recht rekening met het totaal (14) van de bij het geheel van die vermengde feiten betrokken werknemers.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

12. Het middel dat alleen de tweede eiser betreft, voert schending aan van art. 149 Gw. en art. 12bis, § 1, 1o Dimona-aangiftebesluit: het arrest antwoordt niet op het verweer van de tweede eiser dat hij zich niet inhield met de personeelsadministratie en meer in het bijzonder met de Dimona-aangiften, minstens volstaan de door de appelrechters vermelde feiten en omstandigheden niet om wettig te kunnen besluiten dat de tweede eiser strafrechtelijk verantwoordelijk was in de zin van art. 12bis, § 1, 1o Dimona-aangiftebesluit.

13. Anders dan het middel aanvoert, beantwoordt het arrest met de redenen die het bevat en die het middel weergeeft, het bedoelde verweer.

Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.

14. Met de termen “aangestelden of lasthebbers” worden in de in randnr. 5 vermelde strafbepalingen alleen die aangestelden of lasthebbers bedoeld die bekleed zijn met het gezag of de nodige bevoegdheid om effectief over de naleving van de wet te waken, zelfs al is die bevoegdheid in de tijd of naar de plaats beperkt.

15. Uit art. 12bis, § 1, 1o Dimona-aangiftebesluit volgt aldus dat de zaakvoerder van een vennootschap die bekleed is met het gezag of de nodige bevoegdheid om effectief over de naleving van de bepalingen van dit besluit te waken, maar dit nalaat, daarvoor strafrechtelijk verantwoordelijk is.

In zoverre het middel ervan uitgaat dat de zaakvoerder van een vennootschap die bekleed is met het gezag of de nodige bevoegdheid om effectief over de naleving van de wet te waken en aldus door de wet als strafrechtelijk toerekenbare persoon wordt aangewezen, niettemin niet strafrechtelijk verantwoordelijk is voor binnen de vennootschap begane schendingen van het Dimona-aangiftebesluit wanneer hij zich niet inlaat met het personeelsbeleid en de sociale administratie, faalt het naar recht.

16. De rechter oordeelt onaantastbaar of een aangestelde of lasthebber van een werkgever bekleed is met het gezag of de nodige bevoegdheid om effectief over de naleving van de wet te waken. Het Hof onderzoekt alleen of de rechter uit de door hem in aanmerking genomen omstandigheden, wettig heeft kunnen afleiden of dit al dan niet het geval is.

17. Op grond van de feiten en omstandigheden die zij vaststellen en die het middel weergeeft, konden de appelrechters wettig oordelen dat de tweede eiser als zaakvoerder die de handelsuitbating van “De C.” runt, bekleed is met het gezag of de nodige bevoegdheid om effectief over de naleving van de wet te waken en verantwoorden zij naar recht hun beslissing dat de tweede eiser strafrechtelijk verantwoordelijk is voor de bewezen verklaarde misdrijven.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
 


Overige rechtspraak:

Cass. 5 juni 1979, Arr.Cass. 1978-79, 1159; Cass. 5 oktober 1990, Arr.Cass. 1990-91, 119.

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: zo, 02/09/2012 - 18:04
Laatst aangepast op: za, 29/10/2016 - 12:09

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.