-A +A

Eén rechtsplegingsvergoeding per aanleg

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

rechtsleer: Verhaalbaarheid advocatenkosten Wet 21 april 2007, NJW 2007, 163, 434 en NJW 172, 886

voor de bedragen van de rechtsplegingsvergoeding: klik hier

 

 

Geen rechtsplegingsvergoeding voor hoofd- en tegenvordering afzonderlijk

Wordt een partij op hoofdvordering en op de tegenvordering in het gelijk gesteld, dan heeft zij slechts recht op één enkele rechtsplegingsvergoeding per aanleg, die wordt berekend op basis van het bedrag van de hoofdvordering.

• Cass. 10 januari 2011, RW 2010-2011, 1057

NV Vlaamse Vervoermaatschappij De Lijn en Van Der V. t/ E.G.R. en Stad Antwerpen
I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen van 23 maart 2009.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Art. 1017, eerste lid, Ger.W. bepaalt dat, tenzij bijzondere wetten anders bepalen, ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwijst, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt.

Krachtens art. 1017, vierde lid, Ger.W. kunnen de kosten worden omgeslagen zoals de rechter het raadzaam oordeelt, hetzij wanneer de partijen onderscheidenlijk omtrent enig geschilpunt in het ongelijk zijn gesteld, hetzij over echtgenoten, bloedverwanten in de opgaande lijn, broeders en zusters of aanverwanten in dezelfde graad.

Krachtens art. 1018, eerste lid, 6o, Ger.W. omvatten de kosten de rechtsplegingsvergoeding zoals bepaald in art. 1022 Ger.W.

Volgens art. 1022, eerste lid, Ger.W. is de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.

Art. 1, tweede lid, van het KB van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat, bepaalt dat de bedragen vastgesteld worden per aanleg.

Luidens art. 2, tweede lid, van voornoemd koninklijk besluit wordt de rechtsplegingsvergoeding berekend op basis van het bedrag van de vordering dat wordt vastgesteld overeenkomstig de artikelen 557 tot 562 en 618 Ger.W. in verband met de bepaling van de bevoegdheid en de aanleg.

2. Uit het geheel van deze bepalingen volgt dat de in het gelijk gestelde partij slechts recht heeft op één rechtsplegingsvergoeding per aanleg, die berekend wordt op basis van het bedrag van de hoofdvordering.

3. Na te hebben vastgesteld dat de verweersters zowel wat de hoofdvordering als de tegenvordering betreft in het gelijk worden gesteld, oordelen de appelrechters dat zij aanspraak kunnen maken op twee afzonderlijke rechtsplegingsvergoedingen, met name zowel voor de hoofd- als voor de tegenvordering en willigen zij zodoende het incidenteel beroep in.

Het bestreden vonnis verantwoordt aldus zijn beslissing niet naar recht.

• Politierechtbank Brugge, 6 januari 2011, RW 2011-2012, 457

Als in het ongelijk gestelde partij moet verweerder instaan voor de gedingkosten.

In dat verband blijkt dat eiser aanspraak maakt op twee rechtsplegingsvergoedingen: één van 900 euro voor de toekenning van de hoofdeis en één van 3.000 euro voor de afwijzing van de tegeneis. Verweerder van zijn kant vordert één enkele rechtsplegingsvergoeding, die hij begroot op 3.000 euro.

In verband met de vraag wat er moet gebeuren bij een hoofd- en tegeneis werden diverse standpunten verdedigd, en onder meer ook het standpunt (dat eiser impliciet lijkt aan te hangen) dat elke vordering recht geeft op een rechtsplegingsvergoeding, zodat bij een hoofdvordering en een tegenvordering dus twee rechtsplegingsvergoedingen spelen.

In het Belgisch Staatsblad van 11 maart 2010 verscheen de wet van 21 februari 2010 tot wijziging van de artikelen 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en 162bis van het Wetboek van Strafvordering. De wetgever had de bedoeling een aantal technische onvolmaaktheden en onbillijkheden uit te vlakken waartoe de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat aanleiding had gegeven.

De wet van 21 februari 2010 is tot op vandaag nog steeds niet in werking getreden omdat het uitvoeringsbesluit door de val van de regering in juni 2010 nog steeds niet gepubliceerd is. Dat neemt niet weg dat de wet – en de parlementaire voorbereidingen – soelaas kunnen brengen in de discussie die is ontstaan over de pluraliteit van vorderingen en procespartijen. De wetgever van 2010 geeft immers aan wat hij met de wet van 21 april 2007 voor ogen had.

De essentie is dat één rechtsplegingsvergoeding verschuldigd is per «gerechtelijke band» aan de binnen die «band» in het gelijk gestelde partij die wordt bijgestaan door een advocaat, en dit ongeacht het aantal tussenvorderingen, tussengeschillen en partijen binnen die «gerechtelijke band».

Art. 1022, vijfde lid (nieuw) Ger.W. luidt: «Wanneer binnen eenzelfde gerechtelijke band meerdere partijen de rechtsplegingsvergoeding ten laste van één of meer in het ongelijk gestelde partijen genieten, bedraagt het bedrag ervan maximum het dubbel van de maximale rechtsplegingsvergoeding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen aanspraak kan maken. Ze wordt door de rechter tussen de partijen verdeeld».

De wetgever verduidelijkt – echter zonder de wet van 21 februari 2010 als een interpretatieve wet te kwalificeren – dat de bijgestelde regels de oorspronkelijke opzet van de wet van 21 april 2007 en het KB van 26 oktober 2007 weerspiegelen (Verslag, Parl.St. Kamer 2009-10, nr. 52K2313/004, p. 14).

Per «gerechtelijke band» is een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd. Het begrip «gerechtelijke band» mag dan al een nieuw begrip zijn dat in het Gerechtelijk Wetboek wordt geïntroduceerd, vast staat voor deze rechtbank dat een tegenvordering geen aanleiding geeft tot een nieuwe of bijkomende «gerechtelijke band» en dus ook niet tot een afzonderlijke rechtsplegingsvergoeding (V. Pire, «Le nouveau droit de la répétibilité des frais et honoraires d’avocat», RGAR 2010, nr. 14.659).

Blijft dan natuurlijk de vraag hoe de ene rechtsplegingsvergoeding die verschuldigd is begroot moet worden: Op de hoofdvordering? Op de tegenvordering? Of op de vordering van de winnende partij zoals voorgesteld door V. Pire (randnr. 19)? In dit dossier betekent dat op de hoofdvordering een basisbedrag van 900 euro speelt (vordering binnen de vork tussen 5.000,01 en 10.000 euro), terwijl op de tegenvordering een basisbedrag van 3.000 euro speelt (vordering binnen de vork tussen 60.000,01 en 100.000 euro). Als men vertrekt van «de winnende vordering» speelt eveneens een basisbedrag van 900 euro.

Art. 2 van het KB van 26 oktober 2007 verwijst naar de artikelen 557 tot 559, 561, 562 en 618, tweede lid, Ger.W., die uitsluitend betrekking hebben op de hoofdvordering. De ene rechtsplegingsvergoeding die speelt, moet dus worden begroot op basis van het bedrag van de hoofdvordering.

De rechtbank dient het basisbedrag toe te kennen en kan daarvan enkel afwijken als een partij het vraagt en haar vraag motiveert aan de hand van één van de limitatief in de wet opgesomde criteria. In dit dossier vraagt eiser niet om af te wijken van het basisbedrag. Hij krijgt bijgevolg het door hem gevorderde bedrag van 900 euro.

• Cass. 24/03/2016, AR C.14.0282.N, juridat

Samenvatting

Uit de bepalingen van artikel 1022, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, artikel 1, tweede lid, koninklijk besluit Tarief Rechtsplegingsvergoeding, en in het bijzonder artikel 2, tweede lid, van voornoemd koninklijk besluit dat niet verwijst naar artikel 620 Gerechtelijk Wetboek, volgt dat de in het gelijk gestelde partij slechts recht heeft op één rechtsplegingsvergoeding per aanleg, die berekend wordt op basis van het bedrag van de hoofdvordering (1). (1) Cass. 10 januari 2011, AR C.09.0456. N, AC 2011, nr. 22.

Tekst arrest

Nr. C.14.0282.N
LELIVELD VERHUUR BV, vennootschap naar Nederlands recht, met zetel te 2461 EC Ter Aar (Nederland), Westkanaalweg 1,
eiseres,

tegen
ROOFVOGELS INTERNATIONAL RASSALLE, gcv, met zetel te 7700 Moeskroen, Olympiadestraat 6,
verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 16 december 2013.

II. CASSATIEMIDDELEN
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het bewijs van de levering kan geleverd worden door alle middelen rech-tens, waaronder vermoedens.

2. De appelrechter kon, mede op grond van de redengeving van de eerste rech-ter die wordt overgenomen en na te hebben vastgesteld dat de overeenkomst voor de levering van lichamelijke roerende goederen nadere aanduidingen geeft en dat voor de levering van de betrokken goederen, te weten know-how, orderpor-tefeuille en klantenbestand, door de eiseres eerst werd geklaagd in de loop van de procedure, naar recht oordelen dat de levering ervan plaatsvond bij de con-tractsluiting.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

3. Het arrest oordeelt dat de afwezigheid van enige ingebrekestelling in een onverdachte periode opvalt, waarin de [eiseres] zou kunnen gewezen hebben op de tekortkomingen en dat "Achteraf beweringen altijd makkelijk [zijn], doch zij verkrijgen een overtuigingskracht wanneer degene die beweert ook één of meer-dere ingebrekestellingen kan voorleggen die verstuurd zijn in ‘onverdachte perio-de'. Een schuldvordering van de transportonderneming Empire Chefs Catering Services LLC ten laste van de [verweerster] of een met de [verweerster] verbonden (rechts)persoon, is in onverdachte periode niet door [de eiseres] ter sprake gebracht".

Hiermee geeft het arrest te kennen dat er geen bewijs van enige rechtsstoornis voorligt.

4. Het middel dat aanvoert dat het arrest oordeelt dat een vordering tot vrijwa-ring wegens uitwinning niet kan worden ingewilligd tenzij er sprake is van een contractuele fout of nalatigheid van de verkoper en dat het de vrijwaringsvorde-ring afwijst zonder dat uit de gedane vaststellingen blijkt dat de verweerster enig specifiek middel aanreikte dat de eiseres met zekerheid had toegelaten de aan-spraken van Empire Chefs Catering af te wijzen, berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag.

Derde middel

5. Volgens artikel 1022, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, is de rechtsple-gingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.

Artikel 1, tweede lid, koninklijk besluit Tarief Rechtsplegingsvergoeding bepaalt dat de bedragen vastgesteld worden per aanleg.

Krachtens artikel 2, tweede lid, van voornoemd koninklijk besluit wordt de rechtsplegingsvergoeding berekend op basis van het bedrag van de vordering dat wordt vastgesteld overeenkomstig de artikelen 557 tot 562 en 618 Gerechtelijk Wetboek in verband met de bepaling van de bevoegdheid en de aanleg.

6. Uit deze bepalingen, in het bijzonder uit artikel 2, tweede lid, koninklijk be-sluit Tarief Rechtsplegingsvergoeding dat niet verwijst naar artikel 620 Gerechte-lijk Wetboek, volgt dat de in het gelijk gestelde partij slechts recht heeft op één rechtsplegingsvergoeding per aanleg, die berekend wordt op basis van het bedrag van de hoofdvordering.

7. Het arrest dat alle vorderingen samenvoegt, om het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding te bepalen en zodoende het incidenteel beroep inwilligt, is niet naar recht verantwoord.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre dit de eiseres veroordeelt tot een rechts-plegingsvergoeding in eerste aanleg en in hoger beroep

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer


 

VOORZIENING IN CASSATIE

VOOR: De besloten vennootschap Leliveld Verhuur, vennoot-schap naar Nederlands recht, met zetel te Nederland, 2461 EC Ter Aar, Westkanaalweg 1, ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van koophandel voor Den Haag onder nr. 28043860,

Eiseres tot cassatie

TEGEN: De gewone commanditaire vennootschap Roofvogels Internati¬onal Rassalle, in het kort RIR, met maat-schappelijke zetel voor¬heen te 8930 Menen, Lauwestraat 14a en thans te 7700 Moes¬kroen, Olympiadestraat 6, ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder nummer 0810.254.262,

Verweerster in cassatie,

Aan de Heren Eerste Voorzitter en Voorzitter, de Dames en He-ren Raadsheren, leden van het Hof van Cassatie,

Hooggeachte Dames en Heren,

Eiseres tot cassatie heeft de eer het arrest, gewezen op 16 de-cember 2013 door de zevende bis kamer van het Hof van beroep te Gent (2012/AR/1481), aan het toezicht van Uw Hof te onderwerpen.

FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

Bij schriftelijke overeenkomst van 25 juni 2009 droeg verweerster haar handelsfonds, bestaande uit een stofferingsbedrijf, onder de benaming RIR over aan eiseres voor de prijs van 210.000 euro, excl. btw in toepassing van artikel 11 van het Btw-wetboek.

Een eerste schijf van 175.000 euro werd betaald op 25 juni 2009. De tweede schijf ten bedrage van 35.000 euro diende te worden betaald "bij afhaling van de goederen uit het tussenmagazijn op een nader tussen partijen af te spreken datum".

Naderhand rees er discussie over de plaats waar de goederen door de koper dienden te worden afgehaald.

Verweerster ging op 29 april 2009 over tot dagvaarding van eise-res en vorderde haar veroordeling tot betaling van het bedrag van 35.000 euro in hoofdsom.

Eiseres betwistte de betaling verschuldigd te zijn aangezien zij niet in het bezit kon komen van de ‘bill of lading' betreffende de twee contai¬ners die vanuit het magazijn vanuit Dubai werden verscheept, zodat zij de con¬tainers niet kon afhalen. Zij vorderde bij tegeneis de nietigverklaring van de overeenkomst tot overdracht van het han-delsfonds op basis van artikel 1116 van het Burgerlijk Wetboek en de veroordeling van verweerster tot betaling van een schadevergoeding ten bedrage van 62.814,90 euro.

Bij vonnis van 16 april 2012 weerde de Rechtbank van koophan-del te Kortrijk stuk 10 van eiseres, zowel de geluidsdrager als de uitgetikte versie, uit de debatten, verklaarde de vordering van ver-weerster ontvankelijk en ten dele gegrond, veroordeelde eiseres tot het betalen van de som van 35.000 euro, meer de moratoire intresten overeenkomstig de rentevoet in toe¬passing van artikel 5 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de beta-lingsachterstand bij handelstransacties vanaf 2 februari 2011 tot 29 april 2011, meer de gerechtelijke rente overeenkomstig de rentevoet in toepassing van artikel 5 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de be¬strijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties vanaf 29 april 2011 tot datum der volledige betaling, verklaarde de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond en veroordeelde haar tot de kosten van het ge¬ding in hoofde van verweerster begroot op de dagvaardingskosten van 357,86 euro en de rechts-plegingsvergoeding van 2.200 euro.

Eiseres stelde tegen voornoemd vonnis hoger beroep in.

Bij arrest van 16 december 2013 verklaarde het Hof van beroep te Gent het principaal beroep ontvankelijk doch ongegrond, het inci-denteel be¬roep ontvankelijk en gegrond, bevestigde het bestreden vonnis, behalve wat betreft de rechtsplegingsvergoeding van 2.200 euro, die verhoogd werd tot 7.700 euro, en veroordeelde eiseres tot de gerechtskosten verbonden aan de beroepsprocedure, vastgesteld aan de zijde van verweerster op 7.700 euro rechtsplegingsvergoeding.

Eiseres meent tegen dat arrest volgende middelen tot cassatie te kunnen aanvoeren.

EERSTE MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden bepalingen

- artikelen 1184, 1315, tweede lid, 1582, 1583, 1604, 1606, 1607, 1610, 1611, 2262bis §1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek,
- artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissing

Bij het bestreden arrest van 16 december 2013 verklaart het Hof van beroep te Gent eiseres' principaal beroep ongegrond en het incidenteel beroep gegrond, bevestigt het bestreden vonnis, dat ei-seres veroordeelde tot het betalen van de som van 35.000 euro, meer de moratoire intresten en de gerechtelijke rente en haar vordering strekkende tot de ontbinding van de overeenkomst en de betaling van een schadevergoeding van 62.814,90 euro ongegrond verklaarde en haar veroordeelde tot de kosten van het geding, be¬halve wat betreft de rechtsplegingsvergoeding van 2.200 euro, die verhoogd wordt tot 7.700 euro, en veroordeelt eiseres tot de gerechtskosten verbonden aan de beroepsprocedure, vastgesteld aan de zijde van verweerster op 7.700 euro rechtsplegingsvergoeding. Deze beslissing is onder meer gestoeld op volgende overwegingen:

 

"IV.
De eerste rechter overweegt verder - waarbij de "eiseres" moet wor-den gele¬zen als de "geïntimeerde" en de "verweerster" als "de appel-lante":

"Artikel 5.1 van de overeenkomst bepaalt:
"De eigendom van het materieel, de lichamelijke roerende goederen en de voorraden vermeld in bijlage 1 en gekend door partijen, die zich in het gebouw van de handelszaak van de Verkoper bevinden gaat over na de ondertekening van deze overeenkomst en na betaling van de 1ste schijf".

(Verweerster) stelt dat slechts een fractie van de overeengekomen zaken wer¬den bekomen, zodat zij geen betaling van de resterende schijf verschuldigd kan zijn.

Zij stelt de orderportefeuille, het klantenbestand, de know-how en de twee containers met goederen (volgens eiseres: alu profielen voor feesttenten en een aantal volants: waarde 8.000,00 euro) niet te hebben ontvangen.
Dit argument wordt pas voor het eerst in het kader van huidige pro-cedure en dus manifest laattijdig ingeroepen.

Besluit:
- De materieel roerende goederen werden geleverd te Lauwe;
- De immaterieel roerende goederen werden overgedragen met de over¬eenkomst;
- De roerende goederen die zich initieel op de uitbating van ei-seres te Dubai bevonden, werden afgeleverd in het transitma-gazijn te Dubai.

Eiseres is haar verbintenissen nagekomen en is derhalve gerechtigd op beta¬ling van het saldo van de verkoopprijs."

De eerste rechter heeft (eiseres) terecht veroordeeld tot de betaling van het saldo van euro 35.000,00 meer de intresten." ‘(p. 12 en 13)

"...

VII. Het bestreden vonnis wordt bevestigd, behalve wat de gerechts-kosten be¬treft." (p. 15)
Grief

Naar luid van artikel 1582, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek is de koop een overeenkomst waarbij de ene partij zich verbindt om een zaak te leveren, en de andere om daarvoor een prijs te betalen.

Artikel 1583 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de koop tus-sen partijen is voltrokken, en de koper verkrijgt van rechtswege de eigendom ten aanzien van de verkoper, zodra er overeenkomst is omtrent de zaak en de prijs, hoewel de zaak nog niet geleverd en de prijs nog niet betaald is.

Levering en eigendomsoverdracht vallen derhalve niet noodzake-lijk samen.

Volgens artikel 1604, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek is levering de overdracht van de verkochte zaak in de macht en het bezit van de koper.

Blijkens artikel 1606 van het Burgerlijk Wetboek geschiedt de le-vering van roerende goederen :
- of door de werkelijke overgave,
- of door afgifte van de sleutels van de gebouwen waarin zij zich bevin¬den,
- of zelfs door de enkele toestemming van de partijen, indien de overgave niet kan geschieden op het ogenblik van de koop, of indien de koper de goederen reeds in een andere hoedanigheid in zijn macht had.

Blijkens artikel 1607 van het Burgerlijk Wetboek geschiedt de overgave van onlichamelijke rechten ofwel door de afgifte van de ti-tels, ofwel door het gebruik dat de koper, met toestemming van de verkoper, daarvan maakt.

Artikel 1610 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat wanneer de verkoper in gebreke blijft de levering te doen binnen de tussen partijen bedon¬gen tijd, de koper de keus heeft om ontbinding van de koop ofwel inbezitstel¬ling te vorderen, indien de vertraging alleen aan de verkoper te wijten is.

Artikel 1611 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt voorts dat in elk geval de verkoper tot schadevergoeding veroordeeld kan worden, indien de koper schade lijdt doordat de levering niet op het bedongen tijdstip heeft plaatsgehad.

Meer in het algemeen stelt artikel 1184 van het Burgerlijk Wet-boek dat in wederkerige contracten de ontbindende voorwaarde altijd stilzwij¬gend is begrepen, voor het geval dat een van beide partijen haar verbintenis niet nakomt. In dit geval is het contract niet van rechtswege ontbonden. De partij jegens wie de verbintenis niet is uitgevoerd, heeft de keuze om ofwel de andere partij te noodzaken de overeenkomst uit te voeren, wanneer de uitvoe¬ring mogelijk is, ofwel de ontbinding van de overeenkomst te vorderen, met schade-vergoeding.

In deze bepalingen wordt geen enkele termijn voorgeschreven.

Uit artikel 2262bis, § 1 van het Burgerlijk Wetboek volgt wel dat deze persoonlijke rechtsvordering verjaart door verloop van tien jaar, zodat de enkele omstandigheid de verkoper niet onmiddellijk in ge-breke gesteld te heb¬ben de koper niet kan verhinderen om zich in het kader van een gerechtspro¬cedure te beroepen op de niet-levering van bepaalde bestanddelen van de verkochte zaak, mits de termijn van verjaring niet is verstreken.

Te dezen voerde eiseres in haar beroepsconclusie op pagina 21 aan dat zij bij brief van 7 februari 2011 uitdrukkelijk stelde dat de bestanddelen knowhow, orderportefeuille en klantenbestand haar nooit worden overgedra¬gen en zij zodoende wel degelijk gewag had gemaakt van het gebrek aan le¬vering van die bestanddelen.

Zij vervolgde dat klantenbestand en orderportefeuille niet als im-materiële roerende goederen kunnen worden gekwalificeerd, vermits het ge¬schriften zijn en dus wel degelijk materiële bestanddelen, die het immateriële bestanddeel cliënteel materialiseren. Teneinde het bestanddeel cliënteel over te dragen dienden bijgevolg het klan-tenbestand en de orderportefeuille te wor¬den geleverd, wat evenwel nooit gebeurde.

Uit artikel 1606 van het Burgerlijk Wetboek volgt dat de levering van deze documenten slechts kon gebeuren door hun werkelijke overgave.

Wat betreft de knowhow liet eiseres op pagina 22 van haar be-roepsconclusie gelden deze nooit ontvangen te hebben, alhoewel ook deze knowhow materialiseerbaar is door geschriften die de knowhow aantonen en aldus kunnen worden aangewend om de overdracht ervan mogelijk te maken, zoals brevetten, plannen, testproducten, ontwerpen van lastenboeken, versla¬gen, etc., zoals wordt bevestigd bij artikel 1607 van het Burgerlijk Wetboek dat preciseert dat de overgave van onlichamelijke rechten geschiedt ofwel door de afgifte van de titels, ofwel door het gebruik dat de koper, met toestemming van de verkoper, daarvan maakt

Het kwam derhalve overeenkomstig artikel 1315, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek aan verweerster die beweerde haar leveringsplicht te zijn nagekomen toe hiervan het bewijs te leveren.

De enkele vermelding in de overeenkomst van de plaats en het tijdstip van eigendomsoverdracht van de verschillende bestanddelen van de overgedragen zaak hield alleszins nog geen bewijs in dat deze bestanddelen daadwerkelijk op dat tijdstip en op die plaats werden geleverd aan de koper.

Op grond van de gedane vaststellingen, welke enerzijds het tijd¬stip waarop eiseres de niet-nakoming van de leveringsplicht aangaande be¬paalde bestanddelen van de handelszaak inriep, an-derzijds artikel 5.1 van de overeenkomst van overdracht, dat enkel het tijdstip van eigendomsoverdracht betrof, vermocht het hof van beroep niet wettig te beslissen dat verweerster haar verbintenis tot levering was nagekomen (schending van artikelen 1582, 1583, 1604, 1606, 1607 en 2262bis, § 1, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek) en kon het niet wettig de vordering tot ontbinding en schadevergoeding afwij-zen (schending van artikelen 1184, 1582, 1610 en 1611 van het Burgerlijk Wetboek). In zoverre het hof van beroep aanvaardt dat de diverse bestandde¬len geleverd werden zonder dat uit de gedane vaststellingen bleek dat ver¬weerster hiervan het bewijs bijbracht, miskent het de regels inzake de bewijs¬last (schending van artikelen 1315, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek) en kon het ook om die reden niet wettig de vordering tot ontbinding en schadevergoeding afwijzen (schending van artike¬len 1184, 1582, 1610 en 1611 van het Burgerlijk Wetboek)

 

TOELICHTING

Het hof van beroep aanvaardt zonder meer dat verweerster zich van haar verbintenis tot levering kweet. Daartoe verwijst het naar de afwezig¬heid van tijdige ingebrekestelling, terwijl de wet ter zake geen andere termijn voorschrijft dan deze die volgt uit de verjaringstermijn, en naar de inhoud van artikel 5.1 van de overeenkomst, dat het tijdstip van eigendomsoverdracht be¬treft, niet dat van de levering.

Het bestreden arrest is derhalve niet naar recht verantwoord.

TWEEDE MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden bepalingen

- artikelen 1315, tweede lid, 1582, 1626, 1630, 1636 en 1640 van het Bur¬gerlijk Wetboek,
- artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissing

Bij het bestreden arrest van 16 december 2013 verklaart het Hof van beroep te Gent eiseres' principaal beroep ongegrond en het incidenteel beroep gegrond, bevestigt het bestreden vonnis, dat ei-seres veroordeelde tot het betalen van de som van 35.000 euro, meer de moratoire intresten en de gerechtelijke rente en haar vordering strekkende tot de ontbinding van de overeenkomst en de betaling van een schadevergoeding van 62.814,90 euro ongegrond verklaarde en haar veroordeelde tot de kosten van het geding, be¬halve wat betreft de rechtsplegingsvergoeding van 2.200 euro, die verhoogd wordt tot 7.700 euro, en veroordeelt eiseres tot de gerechtskosten verbonden aan de beroepsprocedure, vastgesteld aan de zijde van verweerster op 7.700 euro rechtsplegingsvergoeding. Deze beslissing is onder meer gestoeld op volgende overwegingen:

"III.
De desbetreffende twee containers zijn verscheept in juni 2009 en kwamen aan in september 2009 in de haven van Rotterdam.
De problemen zijn er ontstaan toen (eiseres) niet in het bezit is gesteld van de laadbrief.

De centrale vraag is of aan (verweerster) enige contractuele fout dan wel con¬tractuele nalatigheid kon worden aangewreven bij de moei-lijkheden die zijn ontstaan te Rotterdam.
(Eiseres) houdt voor dat de onderneming die het transport heeft uit-gevoerd vanuit Dubai, schuldeiseres was van (verweerster), minstens aan een met (verweerster) of diens zaakvoerder verbonden (rechts)persoon, met alle ge¬volgen van dien, meer bepaald de wei-gering door de transportonderneming van afgifte van de laadbrief.

Zoals de eerste rechter terecht aanstipt, valt de afwezigheid op van enige in¬gebrekestelling - in tempore non suspecto - in onverdachte periode - die zou zijn gestuurd door (eiseres) naar (verweerster). Hierin zou (eiseres) kunnen gewezen hebben op die feitelijke alhier beweerde achtergrond en zou zij hier¬omtrent (verweerster in gebreke kunnen hebben gesteld.
De ingebrekestelling heeft ook een bewijsfunctie. Zij is de meest aangepaste handeling in een context waar er problemen tussen de contractanten ontstaan bij de uitvoering van hun overeenkomst.
Achteraf zijn beweringen altijd makkelijk, doch zij verkrijgen een overtuigings¬kracht wanneer degene die beweert ook één of meerdere ingebrekestellingen kan voorleggen die verstuurd zijn in "onverdachte periode'.

Een schuldvordering van de transportonderneming "Empire Chefs Catering Services LLC", ten laste van (verweerster) of een met (ver-weerster) verbonden (rechts)persoon, is in onverdachte periode niet door (eiseres) ter sprake ge¬bracht.
Pas op 15 februari 2010 verwijst (eiseres) naar een geschil tussen Empire Services en "de Belgische leverancier" (stuk nr. 8 dossier Le-liveld).

Het is dan ook een aangelegenheid waar de nalatigheid of fout in hoofde van (verweerster) hoegenaamd niet vast staat.
Mocht het allemaal zo duidelijk zijn geweest, (eiseres) zou stellig niet nagela¬ten hebben (verweerster) tijdig en duidelijk in gebreke gesteld te hebben.

(Eiseres) stelt in onverdachte periode (verweerster) evenmin in ge-breke met betrekking tot het zich beweerd onvoldoende inspannen / bijstand verlenen tot het afgeven van de laadbrief aan (eiseres).

Zoals de eerste rechter terecht besluit:
"(Eiseres) bewijst dus niet dat zij door de fout van (verweerster) niet in het be¬zit van de goederen kwam." (p. 11-12)

(...)

Het staat hoegenaamd niet vast dat de firma Empire Chefs Caterings enige schuldvordering had ten laste van (verweerster) of ten laste van een met (ver¬weerster) gelieerde persoon of onderneming.

(...)

Uit wat voorafgaat volgt dat er geen grond is om de ontbinding van de over¬eenkomst ten laste van (verweerster) te vorderen.

Er is geen fout noch nalatigheid in hoofde van (verweerster) aange-toond, laat staan een fout of nalatigheid die voldoende ernstig zou zijn geweest om de hele overdrachtovereenkomst te ontbinden ten laste van (verweerster).

Zoals de eerste rechter overweegt:
"Blijkbaar nam (eiseres) de aanspraken van haar medecontractant te Dubai (Empire Chefs Catering) voor waar aan, zonder daarvan de nodige bewijzen te vragen."

(Eiseres) toont ook niet aan dat (verweerster) tekort kwam aan haar leverings¬plicht, aangezien de goederen werden geleverd te Dubai door afgifte ervan in het transitmagazijn, waarna het transport op kosten en op risico van (verweer¬ster) is verricht, zoals contractueel overigens was vastgelegd (artikel 5.3 over¬eenkomst - zie ook hierboven II. waar is vastgelegd dat het transitmagazijn wel degelijk een magazijn is in Dubai." (p. 13 tot 14)

VII. Het bestreden vonnis wordt bevestigd, behalve wat de gerechts-kosten be¬treft." (p. 15)

Grief

Naar luid van artikel 1582, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek is de koop een overeenkomst waarbij de ene partij zich verbindt om een zaak te leveren, en de andere om daarvoor een prijs te betalen.

Artikel 1626 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt immers dat, zelfs wanneer bij de koop geen beding omtrent de vrijwaring is gemaakt, de verko¬per van rechtswege verplicht is om de koper te vrijwaren voor de uitwinning die hij ondergaat op het geheel of een gedeelte van de verkochte zaak of voor de lasten die iemand beweert op die zaak te hebben, en die bij de koop niet zijn opgegeven.

De vrijwaring wegens uitwinning heeft tot voorwerp de koper een vreedzaam bezit te verzekeren.

Zij is verschuldigd ingeval de koper in zijn rustig genot van de zaak wordt verstoord, zowel ingevolge het eigen feit van de verkoper als in geval van een rechtsstoornis door een derde.

De vrijwaring voor uitwinning doet een dubbele verbintenis ten las¬te van de verkoper ontstaan wanneer zich een feit voordoet dat daartoe aan¬leiding geeft. De verkoper moet, wanneer de koper een bezitsstoornis onder¬gaat, de koper bijstand verlenen en, indien hij de stoornis niet kan afwenden of, anders gezegd, indien de uitwinning voltrokken is, hem vergoeden.

De omvang van die vergoeding wordt in artikel 1630 van het Bur-gerlijk Wetboek bepaald. Dat artikel stelt dat wanneer vrijwaring beloofd is of wanneer dienaangaande niets is bedongen, de koper, in geval van uitwinning, het recht heeft om van de verkoper te vorderen:
1° teruggave van de prijs;
2° teruggave van de vruchten, wanneer hij verplicht is die aan de uitwinnende eigenaar uit te keren;
3° de kosten van de vordering tot vrijwaring door de koper ingesteld, en de kosten door de oorspronkelijke eiser gemaakt;
4° eindelijk, schadevergoeding, alsook de wettig gemaakte kosten van het contract.

Uit artikel 1636 van het Burgerlijk Wetboek volgt bovendien dat indien slechts een gedeelte van de zaak tegen de koper wordt uit-gewonnen en dat gedeelte, in verhouding tot het geheel, zo belangrijk is dat de koper zonder het uitgewonnen gedeelte niet zou hebben gekocht, hij de koop kan doen ont¬binden.

De gehoudenheid tot vrijwaring door de verkoper is bovendien geenszins onderworpen aan het bestaan van een fout in hoofde van de verko¬per. Hij is vrijwaring aan de koper verschuldigd, ongeacht of hij zelf te goeder trouw of te kwader trouw is.

Blijkens artikel 1640 van het Burgerlijk Wetboek houdt de vrijwa-ring voor uitwinning op wanneer de koper, zonder de verkoper op te roepen, zich heeft laten veroordelen bij een vonnis dat in laatste aanleg is gewezen of waartegen geen hoger beroep meer ontvankelijk is, indien de verkoper bewijst dat er voldoende middelen aanwezig waren om de eis te doen afwijzen.

Deze bepaling sluit weliswaar niet uit dat er evenzeer sprake kan zijn van uitwinning zonder dat een rechterlijke beslissing zulks vaststelt, bij¬voorbeeld wanneer de koper, om een nutteloos proces te vermijden, de zaak vrijwillig afstaat.

Aan de verkoper zal het alsdan toekomen, bij toepassing van de artikelen 1315, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerech¬telijk Wetboek, het bewijs te leveren dat er voldoende middelen voorhanden waren om de uitwinning af te wenden.

Uit een en ander volgt dat de rechter, voor wie een vrijwarings-vor¬dering aanhangig is, eerst zal dienen vast te stellen of er sprake is van uitwin¬ning door een derde.

Eens de uitwinning is vastgesteld, zal hij dienen te onderzoeken of de verkoper bewijst dat er voldoende middelen aanwezig waren om de aan¬spraken van de derde te doen afwijzen.

 

Te dezen voerde eiseres in haar beroepsconclusie op pagina's 25 en volgende aan dat:

- verweerster in ieder geval de verplichting had om haar te vrij-waren voor haar eigen daad evenals voor daden van derden die kunnen leiden tot gehele of gedeeltelijke uitwinning evenals voor lasten waarmee de zaak bezwaard zou zijn en die bij de verkoop niet werden aangegeven (pagi¬na 25, derde alinea),

- de vrijwaring voor de daad van een derde de positieve ver-plichting in¬houdt om te (helpen) vermijden dat het ongestoord bezit van de koper wordt aangetast, wat concreet betekent dat, ingeval de rechterlijke bij¬stand van de koper niets opleverde of zinloos bleek te zijn, schadever¬goeding moet worden betaald wanneer de koper effectief uitgewonnen wordt (pagina 26, derde alinea),

- er daartoe sprake moet zijn van een rechtsstoornis die actueel is, zon¬der dat het noodzakelijk is dat de derde uitwinnende partij de koper dagvaardt: het is voldoende dat de uitwinning door formele aanspraken geconcretiseerd wordt (pagina 26 onderaan),

- er aan deze voorwaarden was voldaan, aangezien Empire een retentie¬recht op de goederenvoorraad liet gelden en er bijgevolg sprake was van een actuele rechtsstoornis en men eiseres moeilijk kan verwijten dat zij de schuld niet in de plaats van verweerster heeft willen betalen en evenmin een procedure tegen Empire heeft willen aanspannen (pagi¬na's 26-27),

- de rechtsstoornis haar oorzaak vond vóór de koop, vermits zij haar oor¬zaak vond in de zakenrelatie tussen Empire en ver-weerster en die za¬kenrelatie reeds vóór de ondertekening van de overeenkomst bestond, getuige daarvan het feit dat de goederenvoorraad zich op het ogenblik van de ondertekening van de overeenkomst reeds bij Empire bevond, wat uiteraard in de zakenrelatie met verweerster kaderde (pagina's 27-28),

- eenmaal de uitwinning voltrokken is de verkoper zijn vrijwa-ringsverplich¬ting bij wijze van equivalent moet nakomen. Bij een gedeeltelijke uitwin¬ning beschikt de koper krachtens artikel 1636 van het Burgerlijk Wet¬boek over de keuze tussen (1) de ontbinding van de koop en (2) het be¬houd van de koop mits betaling van een vergoeding (pagina 28).

Eiseres vorderde bijgevolg, in hoofdorde, op grond van artikel 1636 van het Burgerlijk Wetboek wegens de niet-nakoming van de vrijwa¬ringsplicht door verweerster en de gedeeltelijke uitwinning die daaruit voort¬vloeide de ontbinding van de overeenkomst met een aanvullende schadever¬goeding, ondergeschikt, voor zover het hof van beroep van oordeel zou zijn dat de gedeeltelijke uitwinning niet zwaarwichtig was en dus niet tot de ontbin¬ding van de overeenkomst kon leiden, de veroordeling van verweerster tot be¬taling van een vergoeding voor het uitgewonnen gedeelte en voor de overige door haar geleden schade, begroot op 62.814,90 euro dat de aankoop van nieuwe doeken bij Thema Design bv en de voorgeschoten transportkosten vertegenwoordigde (pagina's 28 en 24).

Het hof van beroep beperkt zich in het bestreden arrest ertoe te onderzoeken of er sprake was in hoofde van verweerster van een contractuele fout dan wel van een contractuele nalatigheid bij de moeilijkheden die zijn ont¬staan te Rotterdam en wijst eiseres' vorde-ring strekkende tot de ontbinding van de overeenkomst, ondergeschikt tot betaling van een schadevergoeding wegens uitwinning af als ongegrond.

In zoverre het hof van beroep aldus oordeelt, impliciet doch ze-ker, dat een vordering tot vrijwaring wegens uitwinning niet kan wor-den ingewilligd, tenzij er sprake is van een contractuele fout of nala-tigheid in hoofde van de verkoper, miskent het de draagwijdte van de op de verkoper rustende vrijwa¬ringsverplichting en verantwoordt het zijn beslissing niet naar recht om de ho¬ger aangehaalde redenen (schending van artikelen 1582, eerste lid, 1626, 1630 en 1636 van het Burgerlijk Wetboek).

In zoverre het de vrijwaringsvordering afwijst omdat eiseres "blijk¬baar de aanspraken van haar medecontractant te Dubai (Empire Chefs Cate¬ring) voor waar aan(nam), zonder daarvan de nodige bewijzen te vragen" en "hoegenaamd niet vast (staat) dat de firma Empire Chefs Caterings enige schuldvordering had ten laste van (verweerster) of ten laste van een met (ver¬weerster) gelieerde per-soon of onderneming", zonder dat weliswaar uit de ge¬dane vaststel-lingen blijkt dat verweerster enig specifiek middel aanreikte, dat eise-res met zekerheid had toegelaten de aanspraken van Empire Chefs Cate¬ring af te wenden, verantwoordt het zijn beslissing tot afwijzing van eiseres' vrijwaringsvordering ook om die reden niet naar recht (schending van artikelen 1315, tweede lid, 1582, eerste lid, 1626, 1630, 1636 en 1640 van het Burger¬lijk Wetboek en 870 van het Ge-rechtelijk Wetboek).

TOELICHTING

De vrijwaring wegens uitwinning heeft tot voorwerp de koper een vreedzaam bezit te verzekeren (H. De Page, Traité élémentaire de droit civil belge, IV, Les principaux contrats (première partie), volume I, bijgewerkt door A. Meinertzhagen-Limpens, Brussel, Bruylant, 1997, 217, nr. 144).

De verkoper moet zich persoonlijk onthouden van elk feit dat het bezit van de koper zou verstoren, de verdediging van de koper waar te nemen indien de bezitsstoornis uitgaat van een derde en de koper te vergoeden, in¬dien de verkoper er niet in slaagt de stoornis te doen ophouden (H. De Page, o.c., 217, nr. 144).

De uitwinning bestaat in een feit, uitgaande van de ver-koper of van een derde, dat tot gevolg heeft aan de koper, geheel of gedeeltelijk, de eigendom of het gebruik van de verkochte zaak te ontzeggen (H. De Page, o.c., 218, nr. 145).

De vrijwaring wegens uitwinning doet een dubbele verbintenis ten laste van de verkoper ontstaan wanneer zich een feit voordoet dat daartoe aanleiding geeft. Deze moet, wanneer de koper een be-zitsstoornis ondergaat, de verkoper bijstand verlenen; indien hij de stoornis niet kan afwenden of, an¬ders gezegd, indien de uitwinning voltrokken is, moet hij hem vergoeden (H. De Page, o.c., 219, nr. 145).

De verplichting om de koper bijstand te verlenen veronderstelt dat de uitwinning dreigend is; de verplichting tot vergoeding veron-derstelt dat zij is voltrokken (H. De Page, o.c., 247, nr. 170).

De verkoper is altijd gehouden tot vrijwaring, ongeacht of hij te goeder trouw of te kwader trouw is, d.w.z. ongeacht of hij de oorzaak van de uitwinning al dan niet kende (H. De Page, o.c., 251, nr. 173).

De verkoper staat in zowel voor uitwinning wegens eigen feit als voor uitwinning door derden.

Indien uit artikel 1640 van het Burgerlijk Wetboek volgt dat de uit-winning door een derde in principe een rechterlijke beslissing ver-onderstelt, wordt er evenwel aanvaard dat er ook van uitwinning sprake kan zijn zonder dat een rechterlijke beslissing zulks vaststelt, bijvoorbeeld wanneer de koper, om een nutteloos proces te vermijden, de zaak vrijwillig afstaat omdat het recht van de derde vanzelf-sprekend is (H. De Page, o.c., 241, nr. 163; zie ook B. Tilleman, Vrijwaring voor uitwinning bij koop, in B. Tilleman en P.-A. Foriers (ed.), De koop, Brugge, die Keure, 2002, 119, nr. 70).

In casu blijkt dat eiseres nooit in het bezit werd gesteld van de laadbrief die haar moest toelaten de vervoerde goederen af te halen, en dit omwille van het retentierecht dat Empire Chefs Catering Ser-vices op de lading liet gelden omwille van een schuldvordering die zij had op verweerster of een met verweerster verbonden (rechts)persoon.

Het hof van beroep beperkt zich ertoe na te gaan of er sprake was van een contractuele fout of nalatigheid vanwege verweerster. Daarbij verliest het hof van beroep uit het oog dat de vrijwaringsver-plichting op de verkoper rust, ongeacht of deze te goeder trouw of te kwader trouw is.

Bovendien eist het hof van beroep dat eiseres het bewijs van de gegrondheid van de aanspraken levert, terwijl het aan de verkoper toekomt aan te tonen dat de koper bepaalde middelen had kunnen aanreiken.

Het bestreden arrest is derhalve niet naar recht verantwoord.

 

 

 

DERDE MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden bepalingen

- artikelen 557 tot 562, 618, 620, 1017, 1018, eerste lid, 6°, 1022, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 10 februari 2010 tot wijziging van de artikelen 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en 162bis van het Wet¬boek van strafvordering, en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek,
- artikelen 1, eerste en tweede lid, en 2 van het Koninklijk besluit van 26 ok¬tober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechts-plegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat.

Aangevochten beslissing

Bij het bestreden arrest van 16 december 2013 bevestigt het Hof van beroep te Gent het bestreden vonnis, behalve wat betreft de rechtsple¬gingsvergoeding van 2.200 euro, die verhoogd wordt tot 7.700 euro, en ver¬oordeelt eiseres tot de gerechtskosten verbonden aan de beroepsprocedure, vastgesteld aan de zijde van verweerster op 7.700 euro rechtsplegingsver¬goeding. Deze beslissing is gestoeld op volgende overweging:

"Indien - zoals het ook hoort - alle in zake zijnde vorderingen worden samen¬geteld, dan komt men tot een bedrag dat tot een basisbedrag van rechtsple¬gingsvergoeding ad 7.700,00 EUR aanleiding geeft".

Grief

Artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat, tenzij bijzondere wetten anders bepalen, ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwijst, onverminderd de over¬eenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt.

Krachtens artikel 1017, vierde lid van het Gerechtelijk Wetboek kunnen de kosten worden omgeslagen zoals de rechter het raadzaam oord¬eelt, hetzij wanneer de partijen onderscheidenlijk omtrent enig geschilpunt in het ongelijk zijn gesteld, hetzij over echtgenoten, bloedverwanten in de op¬gaande lijn, broeders en zusters of aanver-wanten in dezelfde graad.

Krachtens artikel 1018, eerste lid, 6°, van het Gerechtelijk Wet-boek omvatten de kosten de rechtsplegingsvergoeding zoals bepaald in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek.

Volgens artikel 1022, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek is de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en ere¬lonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.

Blijkens artikel 1, eerste lid van het Koninklijk besluit van 26 ok-to¬be¬r 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsver-goeding, be¬doeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat worden de basis-, minimum- en maximum¬bedragen van de rechtsplegingsvergoeding, bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, in dit besluit vastgesteld.

Artikel 1, tweede lid van voornoemd Koninklijk besluit bepaalt dat de bedragen vastgesteld worden per aanleg.

Naar luid van artikel 2, tweede lid van datzelfde koninklijk besluit wordt de rechtsplegingsvergoeding berekend op basis van het bedrag van de vordering dat wordt vastgesteld overeenkomstig de artikelen 557 tot 562 en 618 van het Gerechtelijk Wetboek in verband met de bepaling van de be¬voegdheid en de aanleg.

Uit het geheel van deze bepalingen volgt dat de in het gelijk ge-stelde partij slechts recht heeft op één rechtsplegingsvergoeding per aanleg, die berekend wordt op basis van het bedrag van de hoofd-vordering, en dit met uitsluiting van het bedrag van de tegeneis.

Artikel 2 van het Koninklijk besluit van 26 oktober 2007 verwijst inderdaad uitsluitend naar de bepalingen die de waarde van de hoofdvordering betreffen. Het verwijst niet naar artikel 620 van het Gerechtelijk Wetboek dat ter bepaling van de aanleg preciseert dat in de aldaar geviseerde omstandig¬heden de aanleg wordt bepaald door samenvoeging van het bedrag van de hoofdvordering en het bedrag van de tegenvordering en de vordering tot tus¬senkomst.

Deze regeling geldt bij toepassing van artikel 1042 van het Ge-rechtelijk Wetboek evenzeer in hoger beroep.

Uit de procedurestukken blijkt dat verweerster voor de eerste rechter bij wijze van hoofdeis, ingeleid bij dagvaardingsexploot van 29 april 2011, de veroordeling vorderde van eiseres tot betaling van het bedrag van 35.000 euro in hoofdsom, meer de gerechtelijke rente aan de intrestvoet, voorzien in de wet tot bestrijding van de beta-lingsachterstand inzake handels¬transacties, subsidiair de wettelijke rente vanaf 2 februari 2011 tot datum van dagvaarding, en vervolgens de gerechtelijke rente aan dezelfde principale, minstens subsidiaire intrestvoet.

Zo eiseres een tegeneis instelde, de nietigverklaring van de over-eenkomst tot overdracht van het handelsfonds op basis van artikel 1116 van het Burgerlijk Wetboek en de veroordeling van verweerster tot betaling van een schadevergoeding tot beloop van 62.814,90 euro vorderde, kon de rechtsplegingsvergoeding, waarop verweerster recht had, in toepassing van de hoger aangehaalde bepalingen, uitsluitend worden berekend op basis van het bedrag van de hoofdvordering, hetzij 35.000 euro, meer de intresten tus¬sen 2 februari 2011 en 29 april 2011, datum van dagvaarding.

Bij toepassing van artikel 2, eerste lid van het Koninklijk besluit van 26 oktober 2007 kon verweerster derhalve voor de eerste aanleg slechts aanspraak maken op de rechtsplegingsvergoeding, die beantwoordde aan de schijf gaande van 20.000,01 tot 40.000,00 euro, hetzij het geïndexeerd basis¬bedrag van 2.200 euro.

In hoger beroep handhaafde verweerster haar hoofdeis.

Overeenkomstig artikel 1042 van het Gerechtelijk Wetboek diende de rechtsplegingsvergoeding derhalve op dezelfde wijze als in eerste aanleg te worden bepaald, hetgeen impliceert dat hetzelfde bedrag gold als basisbe¬drag voor de berekening van de rechtsple-gingsvergoeding, hetzij 35.000 euro meer de hoger aangehaalde in-tresten.

Een en ander impliceert dat ook voor de procedure in hoger be-roep verweerster slechts recht had op de rechtsplegingsvergoeding, die be¬antwoordde aan de schijf gaande van 20.000,01 tot 40.000,00 euro, hetzij het geïndexeerd basisbedrag van 2.200 euro.

Uit voorgaande beschouwingen volgt dat, in zoverre het hof van beroep bij het bestreden arrest oordeelt dat ter bepaling van de rechtsple¬gingsvergoeding alle in zake zijnde vorderingen moeten worden samengeteld en het zodoende de rechtsplegingsvergoeding berekent op grond van het sa¬mengetelde bedrag van de hoofd- en tegeneis, en eisers op die grond veroor¬deelt, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, tot betaling van een rechts¬plegingsvergoeding van 7.700 euro, verantwoordt het zijn beslissing niet naar recht om de hierboven aangehaalde redenen (schending van artikelen 557 tot 562, 618, 620, 1017, 1018, eerste lid, 6°, 1022, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 10 februari 2010 tot wijziging van de artikelen 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en 162bis van het Wetboek van strafvordering, en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek, 1, eerste en tweede lid, en 2, tweede lid van het Koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artike¬len 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat).

TOELICHTING

Eiseres verwijst ter zake naar het arrest van 10 januari 2011, waarbij Uw Hof oordeelde dat uit het geheel van de artikelen 1017, eerste en vierde lid, 1018, eerste lid, 6° en 1022, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek en artikelen 1, tweede lid en 2, tweede lid van het Koninklijk besluit van 26 ok¬tober 2007 volgt dat de in het ongelijk gestelde partij slechts recht heeft op één rechtsplegingsvergoeding per aanleg, die berekend wordt op basis van het bedrag van de hoofdvordering (Cass. 10 januari 2011, Arr.Cass. 2011, 83).

 

 

BIJ DEZE BESCHOUWINGEN

Besluit voor eiseres ondergetekende advocaat bij het Hof van Cassatie dat het U behage, Hooggeachte Dames en Heren, het be-streden ar¬rest te vernietigen, de zaak en partijen naar een ander hof van beroep te verwijzen; kosten als naar recht.

Brussel, 6 juni 2014.

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: do, 17/02/2011 - 19:56
Laatst aangepast op: wo, 26/10/2016 - 11:00

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.