-A +A

dwaling

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Dwaling resulteert in de nietigheid van een overeenkomst, onder volgende cumulatief te vervullen voorwaarden:
[1] de dwaling moet bestaan op het ogenblik van de contractsluiting,
[2] de dwaling moet de zelfstandigheid betreffen van de zaak waarover de overeenkomst
[3] de dwaling moet verschoonbaar zijn voor de dwalende partij. Een dwaling is ondermeer niet verschoonbaar indien de dwalende partij zich niet voldoende geïnformeerd heeft alvorens zijn toestemming te geven.
zie Antwerpen 1 maart 2010, NjW 2011, 579.


Verschoonbare dwaling is een wilsgebrek, het is de dwaling die elke redelijke persoon kan begaan.
Onverschoonbare dwaling is geen wilsgebrek, het is de dwaling die geen enkel redelijk mens kan begaan

 

Volgens het art. 1110, eerste lid, B.W. tast de dwaling de geldigheid van een overeenkomst aan, wanneer een contractant zich vergist nopens de zelfstandigheid van de zaak die het voorwerp van het contract uitmaakt.

Dwaling kan worden gedefinieerd als een «verkeerde voorstelling van de werkelijkheid en meer in het bijzonder een verkeerde voorstelling die een partij zich maakte van een bestanddeel van de overeenkomst bij het sluiten van die overeenkomst» (Rauws, W., Civielrechtelijke beëindigingswijzen van arbeidsovereenkomsten, Antwerpen, Kluwer, 1987, 93).

Opdat dwaling als wilsgebrek in aanmerking kan komen, dient zij betrekking te hebben op de zelfstandigheid van de zaak (Cass. 31 oktober 1966, Arr. Cass. 1967, 301; Cass. 3 maart 1967, Arr. Cass. 1967, 829; Cass. 27 oktober 1995, J.T. 1996, 61).

Thans wordt het begrip zelfstandigheid van de zaak hoofdzakelijk als een subjectief en psychologisch gegeven opgevat. De zelfstandigheid van de zaak is ieder element dat de partij er hoofdzakelijk toe bewogen heeft het contract aan te gaan, zodanig dat zonder dit element het contract niet zou zijn gesloten (Antwerpen 17 november 1982, R.W. 1986-87, 1506; Dirix, E. en Van Oevelen, A., «Kroniek van het verbintenissenrecht (1985-1992)», R.W. 1992-1993, p. 1209, nr. 19).

dwaling omtrent de persoon van de wederpartij zal tot een nietigverklaring leiden indien het contract intuitu personae werd aangegaan.

Slechts een verschoonbaar dwaling kan aanleiding geven tot nietigheid. Een verschoonbaar dwaling is een dwaling die een normale zorgvuldige en redelijke persoon geplaatst in dezelfde concrete omstandigheden eveneens zou hebben begaan.

De regels in verband met de dwaling zoals voorzien in het Burgerlijk Wetboek raken de openbare orde niet. Partijen kunnen derhalve hiervan afwijken en het dwalingsrisico tenlasteleggen van een van hen.

Rechtspraak:

•• Hof van beroep Gent zes december 2007, nieuwe juridisch weekblad 186 pagina 599.

Een koper van een woning bleek niet op de hoogte te zijn dat deze woning niet traditioneel gebouwd was maar een prefab woning betrof. Daarnaast was er een afwijking met betrekking tot de vergunde plannen. De rechtbank weerhoudt ter zake de dwaling nadat zij vaststelt dat de dwaling inderdaad niet onverschoonbaar is.

Concreet betekent de vaststelling van het feit dat de dading niet onverschoonbaar was, dat elke gemiddelde normaal denkende mens met normale capaciteiten niet had kunnen vaststellen dat dit om een prefab woning ging met een verkeerde vermelding en inzake de vergunde plannen. Omgekeerd indien zelfs een elfjarige of een hond met een hoed op, een en ander onmiddellijk en op zicht had kunnen vaststellen was de dading onverschoonbaar.

• Hof van Beroep te Antwerpen, 4e Kamer – 12 juni 2006, RW 2008-2009, 279, met noot, Dwaling versus (precontractuele) informatieplicht: the odd couple?

NV S. t/ BVBA S.B.

Appellante dagvaardde bij exploot van 14 oktober 2004 geïntimeerde, ertoe strekkende:

– de tussen partijen gesloten koop/verkoopovereenkomst van 8 september 2004 – waarbij geïntimeerde bij appellante een voertuig Hummer H2, bouwjaar 2003, aankocht tegen de prijs van 54.000 euro, BTW inbegrepen – te horen ontbinden ten laste van geïntimeerde;

– geïntimeerde dienvolgens te horen veroordelen tot betaling aan appellante van een schadevergoeding gelijk aan 30% van de aankoopsom, nl. 16.200 euro, te vermeerderen met de verwijlinteresten vanaf 27 september 2004 tot de dag der algehele betaling, de gerechtelijke interesten en de kosten van het geding;

Geïntimeerde stelt in conclusie een tegenvordering in, ertoe strekkende de koop/verkoopovereenkomst van 8 september 2004 te horen ontbinden wegens niet- conforme levering ten laste van appellante en (...) appellante te horen veroordelen tot betaling van een schadevergoeding, vrijwillig herleid tot 2.500 euro, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten en de kosten van het geding;

Het bestreden vonnis verklaarde de respectieve vorderingen van partijen ontvankelijk, de hoofdvordering van appellante ongegrond en de tegenvordering van geïntimeerde (gedeeltelijk) gegrond;

Het bestreden vonnis verklaarde met name de koop/ verkoopovereenkomst van 8 september 2004 tussen partijen gesloten ontbonden ten laste van appellante, en veroordeelde deze laatste tot betaling aan geïntimeerde van een schadevergoeding van 1.250 euro, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten en de kosten;

Appellante vordert bij hervorming van het bestreden vonnis de toekenning van haar oorspronkelijke hoofdvordering, met uitzondering van de oorspronkelijke gevorderde verwijlinteresten vanaf 27 september 2004 tot de dag der algehele betaling, en de afwijzing van de oorspronkelijke tegenvordering van geïntimeerde.

Geïntimeerde concludeert tot het ongegrond verklaren van het ingestelde hoger beroep en de bevestiging van het bestreden vonnis, behoudens wat betreft de hoegrootheid van de aan haar toegekende schadevergoeding. Zij vraagt bij incidenteel beroep de toekenning van haar oorspronkelijke tegenvordering in betaling van een schadevergoeding van 2.500 euro, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten. Zij stelt subsidiair een nieuwe tegenvordering in hoger beroep in, ertoe strekkende de koop/verkoopovereenkomst van 8 september 2004 voormeld nietig te verklaren op grond van dwaling en appellante te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 2.500 euro, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten en de kosten;

...

De door geïntimeerde beweerde niet-naleving door appellante van haar informatieplicht kan niet gestoeld worden op basis van het niet-nakomen van de leveringsplicht, maar wordt via de dwaling beteugeld.

Bij dwalen heeft men bij het sluiten van het koop/ verkoopcontract een verkeerde voorstelling van een bestanddeel van de overeenkomst die men als partij wil sluiten. Het moet gaan om een dwaling op het ogenblik van het sluiten van het contract. Volgens art. 1110 B.W. is dwaling bovendien enkel een oorzaak van nietigheid, wanneer zij de zelfstandigheid betreft van de zaak die het voorwerp van de overeenkomst uitmaakt. Zij moet derhalve essentieel of doorslaggevend zijn. Ten slotte mag de vergissing niet te wijten zijn aan een fout van de persoon die dwaalt, aangezien de dwaling verschoonbaar dient te zijn.

1. Eerste voorwaarde: het moet gaan om een dwaling die bestaat op het ogenblik van de contractsluiting

Geïntimeerde (koper) beweert dat appellante (verkoper) is tekortgeschoten in haar precontractuele informatieverplichting door haar, voorafgaandelijk aan en minstens op het ogenblik van het sluiten van de koop/ verkoopovereenkomst op 8 september 2004 met betrekking tot het voertuig Hummer H2, niet in kennis te hebben gesteld van het feit dat het verkochte voertuig een vrachtwagen was en geen lichte vrachtwagen of bestelwagen, alsmede van het feit dat voor het besturen van het kwestieuze voertuig een rijbewijs C vereist is.

Ter zake rijst, zoals terecht opgemerkt door de eerste rechter, de vraag wie de bewijslast heeft van de bewering van de koper (geïntimeerde) dat de verkoper hem voorafgaandelijk aan of ten laatste op het ogenblik van het tot stand komen van de koop/verkoopovereenkomst niet heeft medegedeeld dat het verkochte voertuig diende te worden ingeschreven als vrachtwagen en dat voor het besturen ervan een rijbewijs C vereist is.

Op grond van art. 1315 B.W. draagt elke partij de bewijslast van de feiten waarop zij zich beroept. Bijgevolg dient in casu in principe de koper (geïntimeerde) het bewijs te leveren van het bovenvermeld beweerd niet nakomen door appellante als verkoper van haar precontractuele informatieverplichting.

Nochtans dient men voor ogen te houden dat het bewijs van het niet nakomen van een informatieverplichting te beschouwen is als het bewijs van een zogenaamd negatief bewijs, zodat algemeen wordt aanvaard dat de rechter ter zake een zekere soepelheid in acht neemt en de vrijheid heeft het bewijs van niet- nakoming af te leiden uit vermoedens die volgen uit de omstandigheden van de zaak, en die met andere woorden op een voldoende waarschijnlijkheid van het beweerde feit wijzen.

De hierna vermelde elementen – a) de advertentie van appellante, waarin het voertuig Hummer H2 wordt omschreven als «auto», b) de uitprinten van websites van appellante en haar zustervennootschap te Geel, waarin het voertuig werd omschreven als «lichte bestelwagen» en «4x4», en c) het ontbreken van elk nuttig gegeven in de bestelbon omtrent het kwestieuze voertuig – leveren samen voldoende overeenstemmende aanwijzingen en zwaarwichtige vermoedens op om met afdoende zekerheid te kunnen besluiten dat appellante noch vóór noch op het ogenblik zelf van het sluiten van de koop/verkoopovereenkomst op 8 september 2004 geïntimeerde heeft ingelicht omtrent de volgende essentiële elementen: dat het kwestieuze voertuig een vrachtwagen betrof (meer in het bijzonder andere auto‘s dan die van categorie D, met een maximum toegelaten massa van meer dan 3.500 kg oftewel voertuigen met een massa van meer dan 3.500 kg) en als zodanig diende te worden ingeschreven en dat voor het besturen van dit voertuig een rijbewijs C is vereist (art. 2, § 1, 5o, van het K.B. van 23 augustus 1998 betreffende het rijbewijs).

Appellante heeft weliswaar in een brief van 15 september 2004 geschreven dat die informatie wel werd verstrekt aan geïntimeerde, maar dit werd door geïntimeerde tegengesproken op 7 oktober 2004.

Appellante is derhalve tekortgeschoten aan haar precontractuele informatieverplichting, daar de goede trouw vereist dat een beroepsverkoper van auto‘s, wanneer hij contracteert met een leek als geïntimeerde, zorgt voor een nauwkeurige en ondubbelzinnige redactie van de contractuele informatie, en dit des te meer geldt wanneer het gaat om een uitzonderlijk voertuig, zoals de Hummer H2.

Geïntimeerde had aldus bij het sluiten van het koop/ verkoopcontract een verkeerde voorstelling van een bestanddeel van de overeenkomst die zij als partij wilde sluiten, namelijk dat het kwestieuze voertuig ging om wat men onder een normaal voertuig (auto, 4x4, lichte bestelwagen) dient te verstaan, waarvoor een rijbewijs B is vereist, terwijl het in werkelijkheid ging om een vrachtwagen, waarvoor een rijbewijs C is vereist om het te mogen besturen.

Het gaat derhalve bij geïntimeerde om een dwaling die bestaat op het ogenblik van de contractsluiting, zodat de eerste voorwaarde van dwaling is vervuld.

2. Tweede voorwaarde: het moet gaan om een essentiële of substantiële dwaling

Teneinde het rechtsverkeer en de rechtszekerheid niet in het gedrang te brengen heeft de wetgever inzake dwaling een restrictie ingebouwd, in die zin dat dwaling door één van de partijen begaan alleen tot nietigverklaring van het contract kan leiden indien het gaat om een dwaling nopens de zelfstandigheid van de zaak.

Onder de «zelfstandigheid van de zaak» moet worden verstaan «ieder element dat een partij er hoofdzakelijk toe geleid heeft het contract aan te gaan, zodanig dat zonder dit element het contract niet zou zijn gesloten» of nog «ieder element dat doorslaggevend is geweest voor de partij om het contract aan te gaan, zodanig dat het contract zonder dat element niet zou zijn gesloten».

Opdat de vergissing als een rechtens relevante dwaling in aanmerking zou kunnen komen, is dus vereist dat ze betrekking heeft op een element dat determinerend (doorslaggevend) is voor de toestemming van de partij, zodanig dat zonder dat element, het contract niet zou zijn gesloten.

Toegepast op de informatieplicht waarvan de niet- naleving via de dwaling wordt beteugeld, betekent dit dat de informatieplicht inhoudelijk (materieel) enkel betrekking kan hebben op elementen die doorslaggevend zijn geweest om het contract te sluiten. Informatieplichten met betrekking tot bijkomende eigenschappen, waarvan de toestemming van de dwalende niet afhankelijk was, kunnen derhalve niet in aanmerking worden genomen.

Om het doorslaggevende karakter te beoordelen, dient in concreto te worden gepeild naar de intentie van de dwalende zelf. Met andere woorden, de zelfstandigheid van de zaak is een relatief begrip met een psychologische en subjectieve draagwijdte, waarbij naar de intentie van de dwalende moet worden gepeild. De bewijslast rust dus bij de partij die de dwaling inroept.

De wederpartij moet op de hoogte zijn of behoorde op de hoogte te zijn van het doorslaggevend belang dat een partij aan een bepaald element hechtte, opdat een dwaling aangaande dat element als een wilsgebrek zou gelden. Met andere woorden, het determinerend karakter van een bepaald element moet zijn opgenomen in de contractuele sfeer. De partij die de dwaling inroept, moet aldus aantonen dat ze een determinerend element betrof en dat tevens aan het kenbaarheidsvereiste is voldaan.

Om te bepalen of men al dan niet met een essentieel, dit is bij de contractsluiting doorslaggevend, element te maken heeft, moet rekening worden gehouden met onder meer het speciaal belang dat een partij – op een voor de wederpartij kenbare manier – aan de zaak hechtte, of de bijzondere bestemming die zij aan de zaak wilde geven. In dat geval heeft de dwalende een precontractuele spreekplicht: hij moet zijn wederpartij op de hoogte brengen van het belang dat hij aan een bepaald element hecht, omdat, gelet op de aard van het contract of de omstandigheden van de contractsluiting, dit element normalerwijze niet als doorslaggevend wordt bestempeld.

Bij het ontbreken van een bijzondere aanduiding, zoals in casu, zijn de volgens algemene opvattingen belangrijke eigenschappen en/of de normale bestemming in een contract van die aard als doorslaggevend te beschouwen.

In casu had geïntimeerde de voor dat soort contract normale substantiële hoedanigheden op het oog. Zij had de aankoop van een voertuig dat onder de categorie «auto», en meer in het bijzonder een voertuig dat onder het type «4x4» valt, op het oog, waarvoor voor het besturen het normale rijbewijs B vereist is.

Geïntimeerde geniet aldus het voordeel van een algemeen vermoeden dat iedere partij, bij het sluiten van een overeenkomst, steeds minstens die hoedanigheden nastreeft die normaal te vinden zijn bij een overeenkomst van die aard. Met andere woorden, appellante – zijnde de wederpartij van geïntimeerde – wordt dan ook vermoed hiervan op de hoogte te zijn. Appellante moet aldus geacht worden op de hoogte te zijn geweest van de behoefte van geïntimeerde, nl. de aankoop van een voertuig 4x4 of van een voertuig gelijkwaardig aan een voertuig 4x4, waarvoor voor het besturen ervan het normale gangbare rijbewijs B geldt.

De niet-vermelding van het feit dat een Hummer H2 onder de categorie «vrachtwagen» valt en dat voor het besturen ervan een rijbewijs C vereist is, houdt aldus een duidelijke tekortkoming in van de precontractuele informatieverplichting van appellante omtrent een element dat essentieel was voor geïntimeerde, aangezien de zaakvoerder van geïntimeerde, die enkel over een rijbewijs B beschikte, met een nauwkeurige en ondubbelzinnige contractuele informatie, met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet zou hebben gecontracteerd met betrekking tot een voertuig waarvoor hij niet over het vereiste rijbewijs beschikte.

Bijgevolg, daar, zoals hierboven aangetoond, appellante als verkoper op de hoogte was of moest zijn van de behoeften van geïntimeerde als koper, en wanneer, zoals in casu achteraf blijkt dat het verkochte voertuig daaraan niet voldoet, beroept geïntimeerde zich terecht op dwaling.

Er is in casu wel degelijk sprake van een essentiële dwaling, omdat geïntimeerde steeds de intentie heeft gehad een voertuig aan te kopen dat «onder de categorie auto» kan worden gecatalogeerd en appellante aan geïntimeerde een voertuig heeft verkocht dat daaraan op geen enkele wijze voldoet, omdat het valt onder de categorie «vrachtwagen», waarvoor het besturen ervan een rijbewijs C vereist is.

Bijgevolg is eveneens de tweede voorwaarde van de dwaling, nl. het vereiste van een essentiële of substantiële dwaling, vervuld.

3. Derde voorwaarde: de dwaling moet verschoonbaar zijn in de persoon van de dwalende partij

De dwalende partij kan de vernietiging van het contract maar verkrijgen indien ook een redelijk persoon in soortgelijke omstandigheden zou hebben gedwaald. Diegene die zich op de dwaling beroept, heeft de bewijslast van haar verschoonbaar karakter.

Elke contractant heeft een onderzoeksplicht of een verplichting om voldoende informatie in te winnen. Doet hij dat niet, dan is zijn dwaling niet verschoonbaar. Maar op de wederpartij rust ook een verplichting om informatie te verstrekken. Is een dwaling het gevolg van een fout van de wederpartij, dan is zij vaak verschoonbaar voor de dwalende partij. Hierbij dient evenwel eerst te worden nagegaan of men kan besluiten tot het bestaan van een informatieplicht voor de ene partij (aan de hand van het criterium van de bonus pater familias geplaatst in dezelfde omstandigheden), waarna vervolgens moet worden beoordeeld of de wederpartij volledig op deze meegedeelde informatie mag vertrouwen (eigen onderzoeksplicht).

Rekening houdend met de bijzondere aard van het voertuig, voorwerp van de koop/verkoop (lichte vrachtwagen, waarvoor een rijbewijs C is vereist) en de deskundigheid van partijen (geïntimeerde zijnde leek op het gebied van voertuigen) dient te worden aangenomen dat enerzijds appellante een informatieplicht had op deze punten en een fout heeft begaan door deze informatie niet te verstrekken aan geïntimeerde voorafgaandelijk aan de koop/verkoopovereenkomst en anderzijds dat de door geïntimeerde aangevoerde dwaling (het niet weten en/of onderkennen dat de Hummer H2 een lichte vrachtwagen betrof in plaats van een «autovoertuig», en dat hiervoor een rijbewijs C is vereist), om de redenen hierboven en hierna vermeld, door elk behoorlijk zorgvuldig persoon die hetzelfde beroep uitoefent als geïntimeerde in dezelfde omstandigheden zou zijn begaan, en dat het gedrag van geïntimeerde die de dwaling aanvoert, niet foutief was.

a) De bewering van appellante dat de zaakvoerder van geïntimeerde in zijn hoedanigheid van handelaar geacht moet worden voldoende kennis te hebben van datgene wat hij aankoopt, houdt geen steek. De zaakvoerder van geïntimeerde mag enkel als professioneel worden bestempeld met betrekking tot de activiteit die hij uitoefent, omdat hij alleen daaromtrent kan worden geacht de nodige kennis te bezitten. Ten aanzien van andere goederen en diensten kan hij net zozeer behoefte hebben aan informatie van een professioneel- deskundige op dat terrein.

Bijgevolg neemt het feit dat de zaakvoerder van geïntimeerde de hoedanigheid van handelaar heeft, en dat hij meer bepaald zaakvoerder is van een onderneming met als activiteit «meldkamer voor beveiligingsinstallaties», niet weg dat hij leek is of als zodanig dient te worden beschouwd op het gebied van voertuigen, en dus niet op de hoogte is of moet zijn van alles wat zich afspeelt in de autobranche, noch kennis moet hebben van de specificaties van allerhande voertuigen, laat staan van eerder uitzonderlijke voertuigen, zoals de Hummer H2. Een handelaar, wiens activiteit totaal vreemd is aan de autobranche, is zo goed als ieder particulier een leek op het gebied van voertuigen, en zeker wat betreft speciale en uitzonderlijke voertuigen.

b) Appellante beweert eveneens ten onrechte dat geïntimeerde zeer goed wist welk soort voertuig zij zich zou aanschaffen, daarbij verwijzend naar het door geintimeerde gedane bod op het voertuig en het feit dat zij bovendien twee proefritten met het voertuig maakte. Het is niet omdat geïntimeerde een bod doet op een voertuig dat haar om een of andere reden aanspreekt, dat zij moet weten tot welke categorie dat voertuig behoort, terwijl het feit dat haar zaakvoerder met het voertuig twee proefritten heeft gemaakt op zichzelf er evenmin op wijst dat zij wist welk soort voertuig de Hummer H2 betrof, omdat de zaakvoerder van geïntimeerde de proefritten enkel heeft gedaan in de waan dat het een normaal voertuig betrof en dat zijn rijbewijs aan de vereiste voorwaarden voldeed voor het besturen van dit voertuig.

c) Appellante beweert eveneens ten onrechte dat geïntimeerde wist of moest weten om welk soort voertuig het ging, aanvoerende dat het voertuig Hummer H2 sedert het jaar 2002 wordt verkocht en zeer populair is geworden in België, aangezien – afgezien van het feit dat het niet is omdat een voertuig goed gekend zou zijn dit tevens betekent dat het publiek ook alle specifieke kenmerken van dat voertuig moet kennen –, het geenszins vaststaat dat dit voertuig reeds afdoende gekend was ten tijde van de kwestieuze koop/verkoop, omdat een dergelijk voertuig zelfs tot op heden eerder uitzonderlijk in het straatbeeld opduikt.

De omstandigheden dat enkele dagen vóór het debat in eerste aanleg een speciaal televisieprogramma werd gewijd aan dit voertuig – dat overigens nog niet uitgezonden was op het ogenblik dat geïntimeerde zich het voertuig wilde aanschaffen – wijst, in tegenstelling tot de bewering van appellante, erop dat dit voertuig niet of nauwelijks gekend was door het brede publiek. Een dergelijk programma is er immers precies op gericht om nieuwe voertuigen op de markt bij het publiek bekend te maken. Het is immers evident dat geen speciaal programma zou worden gewijd aan het kwestieuze voertuig indien het bij het publiek goed gekend was.

Appellante voert voorts aan dat het voertuig, wegens de hoge kostprijs, het zeer hoog verbruik van meer dan 20 liter brandstof per 100 km, en de hoge verzekeringspremie enkel gekocht wordt door een select publiek en aldus dit publiek weet of moet weten wat het koopt.

Geïntimeerde vecht terecht deze stelling aan. Immers, afgezien van het feit dat uit geen enkel element blijkt of kan worden afgeleid dat geïntimeerde behoort tot een select publiek dat vertrouwd is met dergelijke speciale voertuigen, is het zo dat iedereen, om een of andere reden, kan geïnteresseerd zijn in het aanschaffen van een voertuig als de Hummer 2, zoals geïntimeerde die blijkbaar naar een eerder opvallend voertuig op zoek was met het oog op het voeren van reclame voor haar bedrijf.

d) Gelet op het bovenstaande dient derhalve te worden geconcludeerd dat de door geïntimeerde aangevoerde dwaling wel degelijk door ieder redelijk persoon kan worden begaan, en derhalve in de persoon van geïntimeerde verschoonbaar is.

4. Dwaling is een oorzaak van nietigheid van de overeenkomst wanneer zij de zelfstandigheid betreft van de zaak die het voorwerp van de overeenkomst uitmaakt. Onder zelfstandigheid van de zaak wordt verstaan ieder element dat doorslaggevend is geweest voor de partij om het contract aan te gaan, zodat het contract zonder dat element niet zou zijn gesloten.

Rekening houdend met het niet informeren door appellante als professionele verkoper van voertuigen van een leek als geïntimeerde van het feit dat het kwestieuze voertuig dient te worden ingeschreven als vrachtwagen of met andere woorden een vrachtwagen betrof, alsmede van het feit dat voor het besturen van dat voertuig een rijbewijs C vereist is, dient te worden aangenomen dat het voorwerp van het koop/verkoopcontract het door geïntimeerde nagestreefde doel niet verwezenlijkt en appellante moet worden geacht het belang te kennen dat geïntimeerde hechtte aan deze gebrekkige hoedanigheid, zodat de toestemming van geïntimeerde door een dwaling over de zelfstandigheid was aangetast.

5. Gelet op het bovenstaande dient derhalve de hoofdvordering van appellante als ongegrond te worden afgewezen, en de tegenvordering van geïntimeerde strekkende tot nietigverklaring van de tussen partijen gesloten koop/verkoopovereenkomst ten laste van appellante op grond van dwaling gegrond te worden verklaard.

Geïntimeerde vordert bij diezelfde tegenvordering een schadevergoeding van 2.500 euro, aanvoerende dat zij schade heeft geleden wegens het feit dat zij tijd en moeite heeft moeten steken in de aankoop en de financiering van het voertuig, wat achteraf nutteloos is gebleven, alsmede wegens het feit dat zij ten onrechte werd gedagvaard en bovendien nog in een procedure in hoger beroep werd betrokken.

Het slachtoffer van een dwaling kan een bijkomende schadevergoeding op grond van art. 1382-1383 B.W. verkrijgen, indien de nietigverklaring niet van aard is de gehele schade te vergoeden De precontractuele fout bestaande in de schending van een precontractuele informatieverplichting door de informatieschuldenaar (in casu appellante) kan pas aanleiding geven tot aansprakelijkheid op grond van art. 1382-1383 B.W., indien zij de oorzaak is van de schade opgelopen door de informatieschuldeiser (in casu geïntimeerde).

Het oorzakelijk verband kan naar Belgisch recht worden geconcretiseerd aan de hand van de equivalentieleer: een fout wordt als oorzaak in aanmerking genomen indien, zonder die fout, de schade zich niet zou hebben voorgedaan zoals ze zich in concreto voordeed.

Uit de feitelijke elementen van onderhavige zaak kan worden afgeleid dat, indien de informatieschuldeiser (geïntimeerde) de voormelde informatie wel zou hebben ontvangen, zij met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid het contract tot aankoop van het kwestieuze voertuig niet zou hebben gesloten, aangezien mag worden aangenomen dat ieder voorzichtig en zorgvuldig zaakvoerder geen voertuig gaat aankopen voor een vennootschap (geïntimeerde), waarvoor hij niet over het vereiste rijbewijs beschikt en dat dus op stal zou moeten blijven.

Geïntimeerde als informatieschuldeiser zou er bijgevolg beter aan toe zijn geweest indien hij het contract niet zou hebben gesloten, omdat zij alsdan in ieder geval geen tijd zou hebben moeten besteden aan de aankoop en de financiering van het voertuig (wat achteraf allemaal nutteloos bleek), zodat er wel degelijk sprake is van schade geleden door geïntimeerde.

In principe moet de gehele schade worden vergoed. De vergoeding moet de benadeelde zo goed mogelijk in de toestand brengen waarin hij zich zou hebben bevonden indien de fout niet was begaan, en dit ten laste van de aansprakelijke.

Rekening houdend met de door geïntimeerde verloren tijd met betrekking tot de aankoop en financiering van het voertuig (bestaande in o.a. onderhandelingen, verplaatsingen, briefwisseling enz.) komt de door geïntimeerde gevorderde schadevergoeding van 2.500 euro, ex aequo et bono herleid op 1.250 euro, billijk en gerechtvaardigd voor.

• Hof van Beroep te Antwerpen, 2e Kamer – 17 mei 2006, RW 2008-2009, 1053

1. Een zaakvoerder van een transportvennootschap vergist zich meer dan veertien dagen na de beweerde diefstal van een aan deze vennootschap toebehorende trekker, z omtrent het al dan niet verzekerd zijn van deze trekker tegen diefstal; aldus begaat hij een onverschoonbare dwaling.

2. Er is sprake van een buitengerechtelijke bekentenis wanneer een persoon een voor hem nadelig feit beaamt, in dit geval dat een hem toebehorende trekker op het ogenblik van de beweerde diefstal niet verzekerd was tegen diefstal, hoewel hij er belang bij had dit feit te ontkennen.



1. Wat voorafgaat

1.1. In de inleidende dagvaarding van 3 februari 1999 om te verschijnen voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt voert BVBA T.R.B. aan dat zij voor haar wagenpark diverse polissen afsloot met NV F.A., waaronder een trekker type Mercedes, bouwjaar 1993 met nummerplaat (...) en dit onder de polis (...). Zij beweert dat in deze polis tevens de waarborg diefstal werd opgenomen. Zij houdt staande dat zij bij brief van 2 april 1997 gericht aan NV F.A. diverse polissen, waaronder de voormelde polis, heeft opgezegd tegen 22 april 1998.

Zij voert aan dat deze trekker op 2 april 1998 gestolen werd te Hasselt, Lummense Kiezel, waar dit voertuig door een van haar werknemers was geparkeerd. Zij wijst erop dat uit het geseponeerd strafdossier duidelijk is gebleken dat het hier gaat om een diefstal. Zij voegt eraan toe dat zij de diefstal aangaf bij NV F.A., maar dat deze tussenkomst weigerde, aanvoerende dat de verzekeringsovereenkomst bij gemeen akkoord was geschorst sedert 21 april 1997. Zij voert aan daarmee niet akkoord te gaan, omdat door haar opzeg werd betekend tegen 22 april 1998 en omdat zij nooit enig bericht zou hebben ontvangen dat de polis bij overeenkomst tegen een eerdere datum dan 22 april 1998 zou zijn beëindigd of geschorst.

Zij eist de nakoming van de verzekeringsprestatie van NV F.A.

...

1.2. In het beroepen vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt van 24 februari 2005 verklaart de eerste rechter de eis van BVBA T.B.R. ontvankelijk en deels gegrond. Zij veroordeelt NV F.A. haar tussenkomst te verlenen op grond van de voormelde polis ingevolge de diefstal van de trekker Mercedes met nummerplaat (...).

2. Met een verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd op de griffie van dit Hof op 25 maart 2005, heeft NV F.A. een naar vorm en termijn regelmatig en toelaatbaar hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.

...

4. Beoordeling

Ten aanzien van het geschil over de vraag of het diefstalrisico van de trekker Mercedes met nummerplaat (...), dat zich beweerdelijk heeft voorgedaan op 2 april 1998, op die datum al dan niet verzekerd was bij NV F.A.

4.1. NV F.A. roept tegen BVBA T.B.R. de buitengerechtelijke bekentenis uitgaande van BVBA T.B.R. in.

BVBA T.B.R. betwist niet dat haar zaakvoerder tijdens een verhoor in het geseponeerd strafdossier met betrekking tot de beweerde diefstal van de trekker Mercedes op 21 april 1998 verklaard heeft aan de verbalisant: «Ik kan u tevens nog mededelen dat zowel de trekker als de oplegger niet verzekerd waren tegen diefstal». Deze verklaring werd door de zaakvoerder van BVBA T.B.R. ondertekend.

4.2. BVBA T.B.R. voert aan dat de wilsuiting in voormelde verklaring van haar zaakvoerder niet geldig was wegens dwaling omtrent de feiten. Zij voert aan dat de verklaring eerder berust op een vergissing of onvoldoende nazicht van de polis. Zij voert aan dat zij bij het afleggen van de verklaring niet zeker was van de geldingsduur van de betreffende polis, daar verschillende polissen met verschillende vervaldata door haar bij NV F.A. waren opgezegd.

4.3. BVBA T.B.R. bewijst hier niet dat wegens dwaling de geldigheidsvoorwaarden van haar toestemming in de door haar zaakvoerder als haar orgaan ondertekende verklaring van 21 april 1998 niet vervuld zijn. Zij bewijst niet dat de verklaring berust op een vergissing of op een onvoldoende nazicht van de polis. Zij bewijst niet dat haar zaakvoerder bij het afleggen van de verklaring van 21 april 1998 niet zeker was van de geldingsduur van de polis. Het Hof stelt ten overvloede vast dat, zelfs in de hypothese dat bewezen zou geraken dat BVBA T.B.R. zou bewijzen, quod non, dat haar zaakvoerder bij het afleggen van de verklaring van 21 april 1998 zich heeft vergist omtrent de feiten, dan nog de geldigheidsvoorwaarden van zijn toestemming in de verklaring van 21 april 1998 vervuld blijven. Om de geldigheid van de toestemming aan te tasten moet de dwaling verschoonbaar zijn. Een dergelijke dwaling is immers onverschoonbaar, omdat een redelijke zaakvoerder van een transportvennootschap zich in soortgelijke omstandigheden, namelijk meer dan veertien dagen na de diefstal van een trekker, niet zou hebben vergist over de kwestie of die trekker al dan niet op de datum van de diefstal tegen diefstal verzekerd was. Een zaakvoerder van een transportvennootschap als die van de BVBA T.B.R. dwaalt niet over de kwestie of zijn trekkers al dan niet verzekerd zijn tegen diefstal.

Het Hof komt dus tot de conclusie dat de toestemming van de zaakvoerder van BVBA T.B.R. in de verklaring van 21 april 1998 geldig is.

4.4. De verklaring van 21 april 1998 van de zaakvoerder als orgaan van BVBA T.B.R. is een buitengerechtelijke bekentenis. BVBA T.B.R. verklaart daarmee immers dat de trekkers Mercedes op het ogenblik van de beweerde diefstal niet verzekerd was, ofschoon zij er belang bij had dit te ontkennen. Het is precies omdat de verklaring tot nadelige rechtsgevolgen voor de auteur, hier BVBA T.B.R., kan leiden dat aan haar verklaring bijzondere bewijswaarde toekomt.

4.5. De eerste rechter heeft overwogen dat voormelde verklaring van de zaakvoerder van BVBA T.B.R. niet beschouwd kan worden als een bekentenis, daar hij voordien op 3 april 1998 verklaard heeft dat de trekker wel verzekerd was. De eerste rechter heeft overwogen dat uit tegenstrijdige verklaringen geen bekentenis van de BVBA T.B.R. kan worden afgeleid.

4.6. De verklaring van de zaakvoerder van de BVBA T.B.R. van 3 april 1998, gehoord als slachtoffer: «de trekker is verzekerd tegen diefstal bij de maatschappij F.A. onder de polis (...) voor een som van 3.600.000 Belgische fr.» maakt geen deel uit van de verklaring van 21 april 1998. De verklaring van 3 april 1998 laat het bestaan van de buitengerechtelijke bekentenis van 21 april 1998 onverkort. Het Hof stelt vast dat er slechts één buitengerechtelijke bekentenis is, namelijk de door de zaakvoerder ondertekende verklaring van 21 april 1998 waarin hij als orgaan van BVBA T.B.R. een voor hem nadelig feit beaamt. Het Hof neemt de verklaring van 21 april 1998 in haar geheel, zoals ze is, zonder ze te splitsen, namelijk een verklaring van het orgaan van BVBA T.B.R. inhoudende dat de trekker niet verzekerd was tegen diefstal. De verklaring van 21 april 1998 is niet complex. Het is niet omdat de verklaring tegenstrijdig is met een andere verklaring op een vroeger tijdstip dat de verklaring van 21 april 1998 niet gekwalificeerd kan worden als een buitengerechtelijke bekentenis, omdat de eerdere verklaring van 3 april 1998, die geen buitengerechtelijke bekentenis inhield, op 21 april 1998 geldig herroepen is.

4.7. Wat de NV F.A. aanvoert, namelijk dat er op 2 april 1998 geen diefstalverzekering was voor die trekker, wordt bewezen door de buitengerechtelijke bekentenis van de zaakvoerder van BVBA T.B.R. van 21 april 1998. De wijziging in de rechtsverhouding tussen partijen tot stand gekomen na het aangaan in 1996 van de verzekeringsovereenkomst (...) mag worden bewezen door een buitengerechtelijke bekentenis. Het rechtsfeit dat er op 2 april 1998 geen diefstalverzekering was voor de trekker, die beweerdelijk op 2 april 1998 werd gestolen, kan voorwerp uitmaken van een buitengerechtelijke bekentenis.

Nu de NV F.A. het bewijs levert van de buitengerechtelijke bekentenis, waarin BVBA T.B.R. beaamt dat er op het ogenblik van de beweerde diefstal van de trekker geen diefstalverzekering was, heeft de NV F.A. geen verdere bewijslast van het rechtsfeit dat er op het ogenblik dat de beweerde diefstal van de trekker heeft plaatsgevonden geen diefstalverzekering voor die trekker was. Ingevolge de buitengerechtelijke bekentenis van 21 april 1998 bestaat er geen meningsverschil meer over de kwestie of de beweerd gestolen trekker op 2 april 1998, datum van de beweerde diefstal, al dan niet verzekerd was tegen diefstal.

Het Hof dient dan ook niet verder te onderzoeken of NV F.A. al dan niet bewijst dat een overeenkomst is tot stand gekomen, die als rechtsgevolg heeft dat er op 2 april 1998 geen aanspraak meer kon worden gemaakt op dekking voor het risico diefstal met betrekking tot de trekker, die volgens de BVBA T.B.R. op 2 april 1998 gestolen werd.

4.8. Het Hof komt dus tot de conclusie dat het hoger beroep van de NV F.A. gegrond is, omdat de NV F.A. met de buitengerechtelijke bekentenis van 21 april 1998 bewijst dat er geen betwisting meer bestaat over het rechtsfeit dat er op 2 april 1998 geen diefstalverzekering was voor de trekker, die beweerdelijk op 2 april 1998 werd gestolen. De toepassingsvoorwaarde voor de herroeping van de buitengerechtelijke bekentenis van 21 april 1998, namelijk dwaling, is hier niet vervuld. De aangevoerde dwaling is hier onverschoonbaar. De dwaling is onverschoonbaar omdat een redelijke zaakvoerder van een transportvennootschap, zoals die van de BVBA T.B.R. zich niet vergist over de kwestie of en welke trekkers op een bepaalde datum, namelijk hier 2 april 1998, al dan niet verzekerd zijn tegen diefstal. Het feit dat de zaakvoerder verschillende polissen met diverse vervaldata heeft opgezegd, maakt de dwaling niet verschoonbaar, omdat een redelijk zaakvoerder van een dergelijke transportvennootschap veertien dagen na een beweerde diefstal weet of behoort te weten welke trekkers al dan niet verzekerd zijn tegen diefstal.

...
• Cass.  27 juni 2008, RW 2009-2010, 1735

Dwaling vormt een oorzaak van nietigheid van de overeenkomst wanneer zij de zelfstandigheid betreft van de zaak die het voorwerp van de overeenkomst uitmaakt. De zelfstandigheid van de zaak is elk gegeven dat doorslaggevend is geweest voor de partij om de overeenkomst aan te gaan, waarvan de wederpartij op de hoogte hoorde te zijn en zonder hetwelk de overeenkomst niet zou zijn gesloten


 

Nog dit: 

Cassatie, 28/11/2013, C.12.0556.N, juridat

Samenvatting

De rechter beoordeelt in feite of de dwaling van de persoon die ze aanvoert verschoonbaar is; het volstaat dat uit de vaststellingen van de rechter volgt dat de dwaling door een redelijk persoon kan worden begaan; het cassatiemiddel dat opkomt tegen de beoordeling in feite van het verschoonbaar karakter van de aangevoerde dwaling is niet ontvankelijk (1). (1) Zie Cass. 28 juni 1996, AR C.95.0137.F, AC 1996, nr. 267.

Tekst arrest

AR nr. C.12.0556.N

J. e.a. t/ S. en R.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Gent van 19 juni 2012.

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Tweede middel

3. Krachtens art. 1109 BW is geen toestemming geldig, indien zij alleen door dwaling is gegeven, door geweld afgeperst of door bedrog verkregen.

4. Krachtens art. 1110 BW is dwaling alleen dan oorzaak van nietigheid van de overeenkomst, wanneer zij de zelfstandigheid betreft van de zaak die het voorwerp van de overeenkomst uitmaakt.

5. De onverschoonbare dwaling, namelijk de dwaling die geen redelijk mens zou begaan, is geen gebrek in de toestemming in de zin van art. 1109 en 1110 BW en kan niet tot grondslag dienen voor de bij art. 1117 BW bedoelde vordering tot nietigverklaring.

6. De rechter beoordeelt in feite of de dwaling van de persoon die ze aanvoert verschoonbaar is. Het volstaat dat uit de vaststellingen van de rechter volgt dat de dwaling door een redelijk persoon kan worden begaan.

7. De appelrechter oordeelt dat “niet (moet) worden verwacht dat een normaal zorgvuldige en redelijke potentiële koper van een kantoorruimte, in de besproken omstandigheden, gaat nazien of wat hem te koop wordt aangeboden wel werd opgericht op een in de bouwvergunning voorziene wijze” en wijst hierbij in het bijzonder op het feit dat in de notariële aankoopakte wordt gewaarborgd dat er een bouwvergunning is voor wat wordt aangekocht.

8. Het middel dat opkomt tegen de beoordeling in feite van het verschoonbare karakter van de aangevoerde dwaling, is niet ontvankelijk.

Derde middel

9. Krachtens art. 1117 BW levert een overeenkomst die door dwaling, geweld of bedrog is aangegaan, grond op voor een vordering tot nietigverklaring of tot vernietiging in de gevallen en op de wijze bepaald in afdeling VII van hoofdstuk V van deze titel.

10. De nietigverklaring van de overeenkomst houdt in dat partijen, zo mogelijk, in dezelfde toestand worden geplaatst als die waarin zij zich zouden bevinden indien zij niet hadden gecontracteerd.

11. Wanneer de nietigverklaring de restitutie van een geldsom tot gevolg heeft, dient enkel het nominale bedrag teruggegeven te worden zonder rekening te houden met de waardevermindering van de geldsom.

12. De appelrechter die enkel op grond van de restitutieplicht ingevolge de vernietiging van de overeenkomst de eisers veroordeelt tot het betalen van een vergoeding voor de munterosie die de terug te geven koopsom heeft ondergaan, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Vierde middel

13. Een nietig verklaarde overeenkomst kan voor partijen geen grondslag van rechten en verplichtingen zijn.

14. De appelrechter oordeelt dat:

– de “schadeposten, gevolg van de waterindringing, (niet) kunnen (...) kaderen in de restitutieverbintenis die gevolg is van de nietigverklaring van de verkoopovereenkomst’;

– deze schadeposten “evenmin (...) het gevolg van de precontractuele fout van de verkopers wegens onvoldoende voorlichting zijn”;

– in de verkoopovereenkomst een beding is opgenomen waarbij wordt bepaald dat de verkoper hoofdelijk aansprakelijk is met de architect en de aannemer voor de gebreken waarvoor deze laatsten na de oplevering krachtens art. 1792 en 2270 BW instaan;

– de eisers als verkopers, gelet op dit beding, hoofdelijk met de aannemer tot vergoeding van deze schade gehouden zijn.

15. De appelrechter die aldus rechtsgevolgen toekent aan de nietig verklaarde overeenkomst, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Nuttige tips: 

Bedrog is meer dan een loutere verkeerde voorstelling.

Bedrog veronderstelt het bewijs van kunstgrepen of listen die door de wederpartij werden aangewend om een partij een verkeerde voorstelling van zaken op te verschaffen dan wel middels kunstgrepen of listen een partij tot contracteren te bewegen.

Dwaling daarentegen

resulteert in de nietigheid van een overeenkomst, onder volgende cumulatief te vervullen voorwaarden:
[1] de dwaling moet bestaan op het ogenblik van de contractsluiting,
[2] de dwaling moet de zelfstandigheid betreffen van de zaak waarover de overeenkomst
[3] de dwaling moet verschoonbaar zijn voor de dwalende partij. Een dwaling is ondermeer niet verschoonbaar indien de dwalende partij zich niet voldoende geïnformeerd heeft alvorens zijn toestemming te geven.

Rechtsleer

C.L. Vernietiging overeenkomst wegens dwaling: verschoonbaarheid versus informatieplicht, NJW 2011, 581

• Revue trimestrielle de droit familial [RTDF] ANDRE-DUMONT, A.-P.; Note sous cassation 2015, n° 4, p. 970-973.

• Rechtskundig Weekblad [RW] TERMONIA, Anne; Noot 'Rechtsdwaling als oorzaak van de dwaling betreffende de oorzaak' 2013-14, nr. 9, p. 342-346.

• Cassatie, 12/02/2015, C.14.0330.F, juridat en TBBR 2018-1, 35

Rechtspraak

samenvatting

De zelfstandigheid van de zaak bestaat in elk gegeven dat een partij ervan heeft overtuigd de overeenkomst te sluiten, dat de medecontracterende partij moest kennen en waarzonder de overeenkomst niet zou zijn gesloten.

De onverschoonbare dwaling is geen wilsgebrek in de zin van de artikelen 1109 en 1110 van het Burgerlijk Wetboek en kan niet als grondslag dienen voor de in artikel 1117 van dat wetboek bedoelde rechtsvordering tot nietigverklaring.

Tekst arrest

Nr. C.14.0330.F
J. L.,
tegen
1. M. T.,
2. P. G,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 15 november 2013.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen
- artikel 149 van de Grondwet;
- de artikelen 1101, 1102, 1108, 1109, 1110, 1116, 1117, 1134, 1168, 1169, 1179, 1181, 1304, 1582 en 1583 van het Burgerlijk Wetboek;
- artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek;
- artikel 98, § 1, 5°, van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening van 9 april 2004 (Bwro);
- artikel 84, § 1, 5°, van de Brusselse ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw;
- algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk afstand van een recht niet kan worden vermoed en strikt moet worden uitgelegd.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart het hoger beroep van de eiser ongegrond, bevestigt het vonnis van de eerste rechter dat de rechtsvordering van de eiser ontvankelijk maar ongegrond verklaart en deze verwerpt, behalve in zoverre het uitspraak doet over de kosten, en veroordeelt de eiser tot de kosten. Die beslissing steunt op de volgende overwegingen:

"(De eiser) moet het bewijs leveren van hetzij de verzwijgingen of bedrieglijke kunstgrepen (van de eerste verweerder), hetzij van een dwaling omtrent een substantiële eigenschap van het verkochte goed, waardoor hij verschoond kan worden.

Uit de stukken waarvan het hof [van beroep] kennis heeft, blijkt het volgende:
- de advertentie die in de ‘Vlan' is verschenen met het oog op de verkoop, spreekt van ‘een gelijkvloerse verdieping + gerenoveerde kelderverdieping, met mog. handelszaak';
- het wordt niet betwist dat het goed, in de voorgevel, een groot venster bevat van het type dat men bij winkels aantreft, waaruit zijn oorspronkelijke bestemming blijkt;
- van bij de ondertekening van de koopovereenkomst op 2 september 2002 heeft de koper verklaard te hebben kennisgenomen van de basisakte en van het huishoudelijk reglement; de basisakte geeft uitdrukkelijk de inhoud weer van de brief die op 29 januari 1999 aan de [tweede verweerder] is gestuurd door de dienst stedenbouw van de gemeente Sint-Gillis, die bevestigt dat het goed sinds 28 december 1961 bestemd is ‘als handelszaak op de benedenverdieping + magazijn achterin en woonruimte op de verdiepingen';
- de opschortende voorwaarde in de onderhandse koopovereenkomst betreffende de verificatie van de stedenbouwkundige toestand van het goed stond de koper toe inlichtingen in te winnen en met kennis van zaken te beslissen of hij het al dan niet zou kopen;
- de ontwerpakte die aan de eiser was voorgelegd en de authentieke akte die hij heeft ondertekend, bevatten niet langer het beding betreffende de zekerheid van de bestemming of de verklaring van de verkoper volgens welke hij alle nodige vergunningen voor de bouwwerkzaamheden had verkregen en vermelden, met betrekking tot de stedenbouwkundige toestand van het goed, dat de partijen verklaren volkomen op de hoogte te zijn van het antwoord van de gemeente van 26 september 2002, omdat zij daarvan een afschrift hebben ontvangen;
- in die brief van 26 september 2002 preciseerde de gemeente opnieuw ‘dat de bestemming van de benedenverdieping, vooraan als handelszaak en achteraan als magazijn, en van de verdiepingen als woonruimte, als regelmatig kan worden aangemerkt sinds 28 december 1961';
- volgens de [tweede verweerder] had het vraagstuk van de bestemming van het goed bij het ondertekenen van de koopakte voor discussie gezorgd tussen de partijen;
- de authentieke akte werd door (de eiser) ondertekend op 25 november 2002, zonder het minste voorbehoud.

Bijgevolg is niet bewezen dat (de eiser) door bedrieglijke kunstgrepen of verzwijgingen zou zijn overgehaald om het goed te kopen.

Evenmin is aangetoond dat hij een verschoonbare dwaling zou hebben begaan.

Integendeel, aangezien (de eiser) tijdig alle nodige en wenselijke inlichtingen had verkregen over de appartementen die hij wenste te kopen, wist hij of had hij moeten weten, gezien de wijzigingen in de akten tussen de onderhandse koopovereenkomst en de authentieke akte, dat het goed was verbouwd en een nieuwe bestemming had gekregen als woonst, waarvoor hij, in voorkomend geval, niet over de vereiste vergunningen beschikte (...).

Ten overvloede moet erop gewezen worden dat de eerste rechters terecht hebben gepreciseerd dat (de eiser) niet aantoonde dat de wijziging van de bestemming van handelsruimte naar woonruimte een vergunning vereiste of dat de toestand niet geregulariseerd kon worden".

Grieven
(...)

Tweede onderdeel

Luidens artikel 1101 van het Burgerlijk Wetboek is een contract een overeenkomst waarbij een of meer personen zich jegens een of meer andere verbinden iets te geven, te doen, of niet te doen.

Artikel 1102 van dat wetboek bepaalt dat een contract wederkerig of tweezijdig is wanneer de contractanten zich over en weder jegens elkaar verbinden.

Zo bepaalt artikel 1582 van het Burgerlijk Wetboek dat koop een overeenkomst is waarbij de ene partij zich verbindt om een zaak te leveren, en de andere om daarvoor een prijs te betalen.

Luidens artikel 1583 van het Burgerlijk Wetboek is een koop tussen partijen voltrokken, en verkrijgt de koper van rechtswege de eigendom ten aanzien van de verkoper, zodra er overeenkomst is omtrent de zaak en de prijs, hoewel de zaak nog niet geleverd en de prijs nog niet betaald is. Hij kan bij authentieke of bij onderhandse akte worden aangegaan.

Hoewel de koopovereenkomst betreffende een onroerend goed voor de partijen betekent dat zij moeten samenwerken met het oog op het verlijden van de authentieke akte, teneinde die akte te doen overschrijven in het daartoe bestemde register op het bureau van bewaring der hypotheken, overeenkomstig artikel 1, eerste lid, van de Hypotheekwet van 16 december 1851, belet zulks niet dat de koopovereenkomst bestaat zodra de onderhandse koopovereenkomst is ondertekend.

Uit artikel 1108 van het Burgerlijk Wetboek blijkt dat een geldige overeenkomst de toestemming vereist van de partij die zich verbindt.

Artikel 1109 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt met name dat geen toestemming geldig is indien zij alleen door dwaling is gegeven, door geweld afgeperst of door bedrog verkregen.

Luidens artikel 1110, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek is dwaling alleen dan een oorzaak van nietigheid van de overeenkomst, wanneer zij de zelfstandigheid betreft van de zaak die het voorwerp van de overeenkomst uitmaakt.

Artikel 1116 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat bedrog een oorzaak van nietigheid van de overeenkomst is wanneer de kunstgrepen, door een van de partijen gebezigd, van dien aard zijn dat de andere partij zonder die kunstgrepen klaarblijkelijk het contract niet zou hebben aangegaan. Bedrog wordt niet vermoed, het moet worden bewezen.

Het bestaan van een geldige toestemming wordt beoordeeld op de datum waarop de overeenkomst werd gesloten.
Hieruit volgt dat het bestaan van het aangevoerde wilsgebrek beoordeeld moest worden op de datum van de ondertekening van de koopovereenkomst, namelijk op 2 september 2002.

Aangezien de eiser aanvoerde dat hij meende twee appartementen te hebben gekocht in een pand gelegen ...straat te S., die als zodanig waren omschreven in de onderhandse koopovereenkomst en in de basisakte, terwijl achteraf is gebleken dat de benedenverdieping bestemd was om vooraan als handelszaak en achteraan als magazijn te dienen, en dat de binnenplaats van het gebouw op onrechtmatige wijze was overdekt, diende de feitenrechter te bepalen of de toestemming van de eiser op 2 september 2002 was aangetast hetzij door bedrog hetzij door dwaling, zoals hij beweerde, door acht te slaan op de inlichtingen waarover hij destijds beschikte of kon beschikken.

In dit geval verwijst het arrest even goed naar feiten die dagtekenen van vóór de ondertekening van de onderhandse koopovereenkomst als naar feiten van na die overeenkomst, namelijk :
- enerzijds, de advertentie die in de ‘Vlan' is verschenen met het oog op de verkoop, spreekt van ‘een gelijkvloerse verdieping + gerenoveerde kelderverdieping, met mog. handelszaak', het feit dat niet wordt betwist dat het goed, in de voorgevel, een groot venster bevat van het type dat men bij winkels aantreft, waaruit zijn oorspronkelijke bestemming blijkt, en het feit dat de koper, van bij de ondertekening van de onderhandse koopovereenkomst op 2 september 2002, verklaard heeft te hebben kennisgenomen van de basisakte, die uitdrukkelijk de inhoud weergeeft van de brief die op 29 januari 1999 aan de [tweede verweerder] is gestuurd door de dienst stedenbouw van de gemeente Sint-Gillis, die bevestigt dat het goed sinds 28 december 1961 bestemd is ‘als handelszaak op de benedenverdieping + magazijn achterin en woonruimte op de verdiepingen', alsook van het bestaan van een opschortende voorwaarde en van het huishoudelijk reglement;
- anderzijds, de ontwerpakte, d.i. de authentieke akte, die aan de eiser was voorgelegd en de authentieke akte die hij heeft ondertekend, de brief van 26 september 2003 van de gemeente Sint-Gillis en de brieven van de [tweede verweer-der] volgens welke het vraagstuk van de bestemming van het goed bij het onderte-kenen van de koopakte voor discussie had gezorgd tussen de partijen, en uiteindelijk de ondertekening, door de eiser, van de authentieke akte van 25 november 2002, zonder het minste voorbehoud.

Welnu, hoewel de eerste categorie feiten de koper inlichtte dat het goed op een bepaald tijdstip had gediend als handelszaak en dat er daarin nog steeds handel kon worden gedreven, blijkt uit geen van die gegevens dat de koper wist of diende te weten dat de twee appartementen, die in de onderhandse koopovereenkomst van 2 september 2002 waren aangeduid als appartement "A01" en appartement "A02", destijds geenszins waren bedoeld als woonruimte maar hun oorspronkelijke bestemming als handelszaak en magazijn hadden behouden, en evenmin dat de eerste verweerder hem erop gewezen had dat de ruimten die bestemming hadden behouden.

Uit de tweede categorie feiten, die allemaal dagtekenen van na de ondertekening van de onderhandse koopovereenkomst, blijkt evenmin dat de eiser van die zaken weet had op het ogenblik van de ondertekening van de onderhandse koopovereenkomst of dat de eerste verweerder hem daarvan tijdig op de hoogte had gebracht.

Daaruit volgt dat het arrest, in zoverre het tot de slotsom komt dat er geen sprake is van een wilsgebrek aan de zijde van de eiser, door te verwijzen naar feiten die hetzij betrekking hebben op de bestemming die het goed had vóór de verkoop, hetzij dagtekenen van na de ondertekening van de onderhandse koopovereenkomst, niet wettig het bestaan heeft kunnen uitsluiten van het aangevoerde wilsgebrek dat de koopovereenkomst van 2 september 2002 ongeldig zou hebben gemaakt (schending van de artikelen 1101, 1102, 1108, 1109, 1110, 1116, 1582 en 1583 van het Burgerlijk Wetboek).

Derde onderdeel

Uit de artikelen 1101, 1102 en 1108 van het Burgerlijk Wetboek blijkt dat een wederkerige overeenkomst bestaat zodra de wederzijdse toestemmingen zijn betuigd.

Het bestaan van een geldige toestemming moet worden beoordeeld op de datum waarop die overeenkomst is gesloten, te weten die waarop de wederzijdse toestemmingen zijn betuigd, zelfs als de overeenkomst werd gesloten onder een opschortende voorwaarde.

Zo bepaalt artikel 1582 van het Burgerlijk Wetboek dat koop een overeenkomst is waarbij de ene partij zich verbindt om een zaak te leveren en de andere om daarvoor een prijs te betalen, terwijl artikel 1583 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een koop tussen partijen is voltrokken en de koper van rechtswege de eigendom ten aanzien van de verkoper verkrijgt, zodra er overeenkomst is omtrent de zaak en de prijs, hoewel de zaak nog niet geleverd en de prijs nog niet betaald is. Hij kan bij authentieke of bij onderhandse akte worden aangegaan.

Het bestaan van een opschortende voorwaarde wijkt daar niet van af.

Volgens artikel 1168 van het Burgerlijk Wetboek is een verbintenis voorwaardelijk wanneer men deze doet afhangen van een toekomstige en onzekere gebeurtenis, hetzij door de verbintenis op te schorten totdat de gebeurtenis zal plaatshebben, hetzij door ze teniet te doen, naargelang de gebeurtenis plaatsheeft of niet plaatsheeft. Luidens artikel 1169 van het Burgerlijk Wetboek is de toevallige voorwaarde die welke van een louter toeval afhangt en geenszins in de macht is van de schuldeiser of van de schuldenaar.

Een voorwaarde kan opschortend of ontbindend zijn.

Luidens artikel 1181 van het Burgerlijk Wetboek is een verbintenis voorwaardelijk wanneer ze afhangt ofwel van een toekomstige en onzekere gebeurtenis, ofwel van een gebeurtenis die reeds heeft plaatsgehad maar aan partijen nog onbekend is. In het eerste geval kan aan de verbintenis pas na de gebeurtenis worden voldaan. In het tweede geval heeft de verbintenis uitwerking op de datum waarop ze is aangegaan.

Artikel 1179 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de vervulde voorwaarde terugwerkt tot op de dag waarop de verbintenis is aangegaan. Indien de schuldeiser overleden is voordat de voorwaarde vervuld is, gaan zijn rechten over op zijn erfgenaam.

Hieruit volgt dat, indien de onder een opschortende voorwaarde gesloten overeenkomst pas moet worden uitgevoerd wanneer de opschortende voorwaarde is vervuld, die overeenkomst vanaf haar ondertekening bestaat en voor de partijen bindend is met toepassing van artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek en de schuldenaar ze zal moeten nakomen zodra de opschortende voorwaarde is vervuld, zonder te mogen beslissen dat hij de overeenkomst niet meer wil sluiten.

Te dezen blijkt uit de feitelijke vaststellingen van het arrest dat de onderhandse koopovereenkomst werd gesloten onder een opschortende voorwaarde, te weten "de verificatie van de huidige stedenbouwkundige toestand van het goed".

Bijgevolg bestond de koopovereenkomst vanaf de ondertekening van de onderhandse koopovereenkomst, namelijk op 2 september 2002, en moest zij wor-den uitgevoerd zodra de opschortende voorwaarde was vervuld.

Het arrest, dat overweegt dat de eiser de mogelijkheid had de koop niet te sluiten wegens de opschortende voorwaarde in de onderhandse koopovereenkomst van 2 september 2002 met betrekking tot de stedenbouwkundige verificatie van het goed, die hem in staat stelde inlichtingen in te winnen en met kennis van zaken te beslissen, miskent derhalve de gevolgen van de opschortende voorwaarde (schending van de artikelen 1168, 1169, 1179 en 1181 van het Burgerlijk Wetboek) en miskent aldus de verbindende kracht van de overeenkomst, die bestaat zodra de onderhandse koopovereenkomst is ondertekend (schending van de artikelen 1101, 1102, 1108, 1134, 1582 en 1583 van het Burgerlijk Wetboek).
(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Derde onderdeel

Het arrest stelt vast dat de onderhandse koopovereenkomst preciseert dat "de ver-koper verklaart dat het goed bestemd is om als woning gebruikt te worden en biedt de koper de garantie dat de voormelde goederen als woning zijn bestemd" en dat "de verkoper verklaart alle vereiste vergunningen te hebben verkregen voor de constructies, werkzaamheden en handelingen die hij zou hebben verricht en waarvoor de wet een vergunning vereist" en erop wijst dat "de onderhandse koopovereenkomst een opschortende voorwaarde betreffende, onder meer, de ve-rificatie van de huidige stedenbouwkundige toestand van het goed bevat".

Het overweegt dat "de opschortende voorwaarde in de onderhandse koopover-eenkomst betreffende de verificatie van de stedenbouwkundige toestand van het goed stond de koper toe inlichtingen in te winnen en met kennis van zaken te be-slissen of hij het al dan niet zou kopen".

Het arrest, dat de opschortende voorwaarde uit de koopakte zodanig uitlegt dat het de litigieuze koop onderwerpt aan de voorwaarde dat de stedenbouwkundige toestand van het goed moet overeenstemmen met die welke was bedongen in de onderhandse koopovereenkomst, zonder te worden verweten dat het de bewijs-kracht van dat beding miskent, overweegt door de bovenstaande vermelding dat, indien die stedenbouwkundige toestand niet overeenkwam met de bedongen toe-stand, de eiser mocht weigeren de koop te sluiten en met name mocht weigeren de authentieke akte te verlijden, door daartegen in te brengen dat de voorwaarde niet was vervuld.

Het arrest miskent derhalve niet de gevolgen van de opschortende voorwaarde en miskent noch de verbindende kracht van de overeenkomst noch de in dat onderdeel bedoelde wettelijke bepalingen.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

Krachtens artikel 1109 Burgerlijk Wetboek is geen toestemming geldig, indien zij alleen door dwaling is gegeven, door geweld afgeperst of door bedrog verkregen.

Luidens artikel 1110, eerste lid, van hetzelfde wetboek is dwaling alleen dan een oorzaak van nietigheid van de overeenkomst, wanneer zij de zelfstandigheid be-treft van de zaak die het voorwerp van de overeenkomst uitmaakt.

De zelfstandigheid van de zaak bestaat in elk gegeven dat een partij ervan heeft overtuigd de overeenkomst te sluiten, dat de medecontracterende partij moest kennen en waarzonder de overeenkomst niet zou zijn gesloten.

De onverschoonbare dwaling is geen wilsgebrek in de zin van de voormelde arti-kelen 1109 en 1110 en kan niet als grondslag dienen voor de in artikel 1117 van dat wetboek bedoelde rechtsvordering tot nietigverklaring.

Overeenkomstig artikel 1315 Burgerlijk Wetboek moet degene die beweert een dwaling te hebben begaan die dwaling en het verschoonbaar karakter ervan bewijzen.

Artikel 1116 van dat wetboek bepaalt dat bedrog een oorzaak is van nietigheid van de overeenkomst, wanneer de kunstgrepen, door een van de partijen gebruikt, van dien aard zijn dat de andere partij zonder die kunstgrepen klaarblijkelijk het contract niet zou hebben aangegaan. Bedrog wordt niet vermoed, het moet worden bewezen.

De geldigheidsvoorwaarden van een overeenkomst worden weliswaar beoordeeld op het tijdstip dat zij wordt gesloten. Bij die beoordeling kan de rechter evenwel rekening houden met bewijselementen die dagtekenen van na het sluiten van de overeenkomst.

Het arrest overweegt wat volgt:

- "de advertentie die in de ‘Vlan' is verschenen met het oog op de verkoop, spreekt van ‘een gelijkvloerse verdieping + gerenoveerde kelderverdieping, met mog. handelszaak'";
- "het wordt niet betwist dat het goed, in de voorgevel, een groot venster bevat van het type dat men bij winkels aantreft, waaruit zijn oorspronkelijke bestem-ming blijkt";
- "van bij de ondertekening van de koopovereenkomst op 2 september 2002 heeft de koper verklaard te hebben kennisgenomen van de basisakte en van het huis-houdelijk reglement; de basisakte geeft uitdrukkelijk de inhoud weer van de brief die op 29 januari 1999 aan de notaris [tweede verweerder] is gestuurd door de dienst stedenbouw van de gemeente Sint-Gillis, die bevestigt dat het goed sinds 28 december 1961 bestemd is ‘als handelszaak op de benedenverdieping + magazijn achterin en woonruimte op de verdiepingen'";
- "de opschortende voorwaarde in de onderhandse koopovereenkomst betreffen-de de verificatie van de stedenbouwkundige toestand van het goed stond de ko-per toe inlichtingen in te winnen en met kennis van zaken te beslissen of hij het al dan niet zou kopen";
- "de ontwerpakte die aan de eiser was voorgelegd en de authentieke akte die hij heeft ondertekend, bevatten niet langer het beding betreffende de zekerheid van de bestemming of de verklaring van de verkoper volgens welke hij alle nodige vergunningen voor de bouwwerkzaamheden had verkregen en vermelden, met betrekking tot de stedenbouwkundige toestand van het goed, dat de partijen verklaren volkomen op de hoogte te zijn van het antwoord van de gemeente van 26 september 2002, omdat zij daarvan een afschrift hebben ontvangen";
- "in die brief van 26 september 2002 preciseerde de gemeente opnieuw ‘dat de bestemming van de benedenverdieping, vooraan als handelszaak en achteraan als magazijn, en van de verdiepingen als woonruimte, als regelmatig kan wor-den aangemerkt sinds 28 december 1961'";
- "volgens de notaris [tweede verweerder] had het vraagstuk van de bestemming van het goed bij het ondertekenen van de koopakte voor discussie gezorgd tussen de partijen";
- "de authentieke akte werd door (de eiser) ondertekend op 25 november 2002, zonder het minste voorbehoud".
- "aangezien [de eiser] tijdig alle nodige en wenselijke inlichtingen had verkregen over de appartementen die hij wenste te kopen, wist hij of had hij moeten weten, gezien de wijzigingen in de akten tussen de onderhandse koopovereenkomst en de authentieke akte, dat het goed was verbouwd en een nieuwe bestemming had gekregen als woonst, waarvoor hij, in voorkomend geval, niet over de vereiste vergunningen beschikte".

Het arrest heeft uit die feitelijke overwegingen naar recht kunnen afleiden dat de eiser, na alle inlichtingen over de stedenbouwkundige toestand en de bestemming van het goed te hebben verkregen of te hebben kunnen verkrijgen, de koop heeft gesloten door de authentieke akte zonder het minste voorbehoud te ondertekenen, dat "niet bewezen is dat [de eiser] door bedrieglijke kunstgrepen of verzwijgingen zou zijn overgehaald om het goed te kopen" en dat "evenmin is aangetoond dat hij een verschoonbare dwaling zou hebben begaan".

Het arrest verantwoordt derhalve naar recht zijn beslissing om de vordering van de eiser tot nietigverklaring van de litigieuze koop wegens wilsgebrek ongegrond te verklaren.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.
(...)

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, en in openbare terechtzitting van 12 februari 2015 uitgesproken

 

Commentaar: 

Rechtsleer: R. Van Ransbeeck, Wilsgebreken, Die Keure 2006

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:14
Laatst aangepast op: do, 07/06/2018 - 11:39

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.