-A +A

In dubio pro reo

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Het vermoeden van onschuld in strafzaken

presumptio innocentiae


In dubio pro reo is een algemeen rechtsbeginsel waardoor twijfel de beklaagde ten goede komt.

Het vermoeden van onschuld of "presumptio innocentiae" is een rechtstreeks uitvloeisel en een essentieel aspect van het algemeen beginsel van het recht van verdediging.

Artikel 6.2 EVRM omschrijft het beginsel als volgt: "eenieder, die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld volgens de wet bewezen wordt".

Artr. 14. EVRM stelt: 

1. Allen zijn gelijk voor de rechtbanken en de rechterlijke instanties. Bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging, of het vaststellen van zijn rechten en verplichtingen in een rechtsgeding, heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling door een bevoegde, onafhankelijke en onpartijdige bij de wet ingestelde rechterlijke instantie. De toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende het gehele proces of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of de nationale veiligheid in een democratische samenleving, of wanneer het belang van het privé leven van de partijen bij het proces dit eist, of in die mate als door de rechter onder bepaalde omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer openbaarmaking de belangen van de rechtspraak zou schaden; evenwel dient elk vonnis dat wordt gewezen in een strafzaak of een rechtsgeding openbaar te worden gemaakt, tenzij het belang van jeugdige personen zich daartegen verzet of het proces echtelijke twisten of het voogdijschap over kinderen betreft.

2. Een ieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd wordt voor onschuldig gehouden, totdat zijn schuld volgens de wet is bewezen.

3. Bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging heeft een ieder, in volle gelijkheid, recht op de volgende minimumgaranties :

a) onverwijld en in bijzonderheden, in een taal die hij verstaat, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging;

b) te beschikken over voldoende tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging en zich te verstaan met een door hemzelf gekozen raadsman;

c) zonder onredelijke vertraging te worden berecht;

d) in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, zichzelf te verdedigen of de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze; ingeval hij geen rechtsbijstand heeft, van dat recht op de hoogte te worden gebracht; rechtsbijstand toegewezen te krijgen, indien het belang van de rechtspraak dit eist, en zonder dat daarover betaling van hem kan worden verlangd, indien hij niet over voldoende middelen beschikt;

e) de getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden op dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge;

f) zich kosteloos te doen bijstaan door een tolk, indien hij de taal die ter zitting wordt gebezigd niet verstaat of niet spreekt;

g) niet te worden gedwongen tegen zichzelf te getuigen of een bekentenis af te leggen.

4. Wanneer het jeugdige personen betreft, dient rekening te worden gehouden met hun leeftijd en de wenselijkheid hun reclassering te bevorderen.

5. Een ieder die wegens een strafbaar feit is veroordeeld heeft het recht zijn veroordeling en vonnis opnieuw te doen beoordelen door een hoger rechtscollege overeenkomstig de wet.

6. Indien iemand bij een einduitspraak wegens een strafbaar feit is veroordeeld en het vonnis vervolgens is vernietigd, of indien hem daarna gratie is verleend, op grond van de overweging dat een nieuw of een pas aan het licht gekomen feit onomstotelijk aantoont dat van een gerechtelijke dwaling sprake is, wordt degene die, als gevolg van die veroordeling, straf heeft ondergaan, overeenkomstig de wet schadeloos gesteld, tenzij wordt aangetoond dat het niet tijdig bekend worden van het onbekende feit geheel of gedeeltelijk aan hemzelf te wijten was.

7. Niemand mag voor een tweede keer worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het procesrecht van elk land bij einduitspraak is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken.

Door het vermoeden van onschuld dient de inverdenkinggestelde niets dient te bewijzen en zelfs niet op enigerlei wijze deel te nemen aan de bewijsvoering of aan de ontdekking van de waarheid.

Tegenspraaak ten aanzien van de verbalisanten. Het vermoeden van onschuld wordt gewaarborgd o.m. door de tegenspraak die de beklaagde m.b.t. de vaststellingen van de verbalisanten vermag te voeren, waaronder het al of niet objectief karakter van deze vaststellingen, en door de onpartijdigheid waarmede de rechter de bewijswaarde van deze vaststellingen beoordeelt (Cass. 4 februari 1997, A.C. 1997, nr. 62; 22
juni 1999, A.C. 1999, nr. 386).

Vermoeden van onschuld en aangehaalde rechtvaardigingsgrond: Het vermoeden van onschuld impliceert dat een beklaagde niet het bewijs moet leveren van de werkelijkheid van een door hem aangevoerde rechtvaardigingsgrond en die niet van alle geloofwaardigheid is ontbloot (Cass. 21 april 1998, A.C. 1998, nr. 202).

Vermoeden van onschuld en houding van de rechter: Het vermoeden van onschuld wordt miskend door de de rechter die reeds voor de behandeling van de zaak zijn mening over de handelwijze van de beklaagde heeft gevormd, hetgeen ondermeer  kan blijken uit de vermelding dat het herhaald uitstel van de zaak was bedoeld om de beklaagde tot betere inzichten te brengen (Cass. 8 december 1998, A.C. 1998, nr. 509).

Het voordeel van de twijfel is beperkt tot de tenlaste gelegde feiten: Cass. 16 mei 2001: de twijfel die de beklaagde ten goede moet komen, is de twijfel die naar het oordeel van de rechter betrekking heeft op de schuld van de vervolgde persoon aan de hem ten laste gelegde feiten en niet de twijfel over de feitelijke beoordeling van een middel van nietigheid, die niet kan leiden tot vrijspraak van de beklaagde.

Het Hof oordeelde eerder in dezelfde zin in het arrest van 8 december 1999 (A.C. 1999, nr. 669) en 2 mei 1990 (A.C. 1989-90, nr. 515) waarbij het nog oordeelde dat het algemeen rechtsbeginsel in dubio pro reo geen betrekking heeft op de twijfel die bij de beklaagde rijst omtrent een bestanddeel van het misdrijf;

Het voordeel van de twijfel komt enkel de beklaagde ten goede: Cassatie 25 mei 1994, A.C. 1994, nr. 261: de twijfel die de beklaagde ten goede moet komen is de twijfel van de rechter en niet die van een ander persoon van welke hoedanigheid ook, inzonderheid de twijfel van een deskundige die slechts een advies uitbrengt.

De beoordeling van de rechter:

Cassatie 10 november 1992, A.C. 1991-92, nr. 726 De rechter beoordeelt de schuld van de beklaagde volgens zijn innerlijke overtuiging. Hij veroordeelt hem wanneer hij de menselijke zekerheid heeft dat de beklaagde schuldig is aan het hem ten laste gelegde feit; Van Overbeke, S., "In dubio pro reo", R.W. 1994-95, 1190. Ook al komt de twijfel komt ten goede aan de beschuldigde, toch blijft als belangrijkste betrachting van het strafproces de afweging van twijfel en zekerheid, met de bedoeling dat de rechter zich een overtuiging vormt.

Het algemeen beginsel van het recht van verdediging verplicht de rechter niet om de denkwijze waarmee hij tot zijn overtuiging is gekomen, aan de tegenspraak van de partijen te onderwerpen (Cass. 10 november 1999, A.C. 1999, nr. 599; Cass. 5 januari 2000, A.C. 2000,nr. 7).

Vermoeden van onschuld en beroep tegen verwijzing

Tegen een beslissing van verwijzing (art. 130 Wetboek van strafvordering) door de raadkamer kan door de inverdenkinggestelde principieel geen hoger beroep worden ingesteld behoudens in geval van onregelmatigheden, verzuimen of nietighedenverwijzingsbeschikking. Deze uitzonderingsregel zal kunnen toegepast in het geval bij miskenning van het vermoeden van onschuld, in welk geval er dus wel beroep kan ingesteld tegen de verwijzing
(Cass. 5 maart 2003, P.03.0086.F; zie ook Cass. 23 mei 2001, A.C. 2001, nr. 307, met conclusie van advocaat-generaal Loop; Vgl: Cass. 26 juni 2002, P.02.0866.F).

Vermoeden van onschuld en assisen.

De discretionaire macht waarover de voorzitter van het hof van assisen krachtens artikel 258 van het Wetboek van Strafvordering beschikt, geeft hem niet het recht om aan de juryleden zijn mening te kennen te geven over de aan de beschuldigde verweten feiten (Cass. 8 mei1996, A.C. 1996, nr. 162).

Vermoeden van onschuld en beoordeling van eerdere feiten bij de bepaling van de strafmaat of de toekenning van de gunst van opschorting.

Bij de bepaling van de strafmaat mag de rechter slechts rekening houden waarvoor de beklaagde reeds vroeger bij een ander vonnis is veroordeeld, doch deze veroordeling dient dan wel kracht van gewijsde te hebben. Met feiten die nog in onderzoek zijn of die nog niet geresulteerd hebben in een vonnis dat nog geen kracht van gewijsde heeft mag de rechter geen rekening houden met de bepaling van de strafmaat anders wordt de in artikel 6.2 EVRM neergelegde regel, dat onschuld wordt vermoed, miskend (Cass. 25 april 1990, A.C. 1989-90, nr. 500).


Voor een zelfde toepassing inzake het al dan niet toestaan van de gunst van opschorting zie Cass.13 oktober 1998, A.C. 1998, nr. 441

Vermoeden van onschuld en bepaling van de strafmaat door het behoud van een strafbare toestand

Het vermoeden van onschuld wordt miskend door de rechter die bij de bepaling van strafmaat of de verhoging ervan in graad van beroep de opgelegde straf laat steunen op de feitelijke omstandigheid dat de beklaagde "nog steeds geen einde heeft gesteld" aan de wederrechtelijke toestand die het gevolg is van het misdrijf. Het bewezen karakter van het misdrijf kan immers pas vastgesteld in de definitieve veroordeling wegens die feiten. Voor een toepassing in bouwmisdrijven zie: Cass. 25 juni 1996, A.C. 1996, nr. 258.

toepassing in het jeugdrecht: De jeugdrechter die vaststelt dat er in het strafdossier tegen de minderjarige aanwijzingen van schuld zijn, en, zonder voorafgaande beslissing ten gronde, diens behoud in zijn milieu afhankelijk stelt van de uitvoering van prestatie van opvoedkundige aard, legt hem aldus een maatregel op, die een sanctionerend karakter heeft, wat het oordeel inhoudt dat hij het als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd. Zodoende miskent de jeugdrechter het vermoeden dat de minderjarige geacht wordt onschuldig te zijn (Cass. 4 maart 1997, A.C. 1997, nr. 123
met conclusie van advocaat-generaal Dubrulle; zie ook Cass. 21 mei 2003, P.03.0524.F).

zie ook bewijs in strafzaken

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:14
Laatst aangepast op: wo, 09/08/2017 - 14:51

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.