-A +A

Doorzoeking van een voertuig

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Uittreksel uit de ministeriële omzendbrief van 07/09/06 GPI 52 inzake de wet van 1 april 2006 betreffende de agenten van politie, hun bevoegdheden en de voorwaarden waaronder hun opdrachten worden vervuld

7.7. Tegenhouden van een voertuig/vervoersmiddel (artikel 44/15, derde lid, WPA)
Naast het recht om een op heterdaad betrapt persoon tegen te houden en de naar aanleiding hiervan uitgevoerde bestuurlijke fouille (veiligheidsfouille), maakt het nieuwe artikel 44/15 WPA (22) met betrekking tot de bevoegdheden van de agenten van politie in geval van heterdaad, deze laatsten ook bevoegd om in deze omstandigheid het voertuig of het transportmiddel tegen te houden waarvan vermoed wordt dat het door de betrokken persoon werd gebruikt, als er redelijke gronden op basis van materiële aanwijzingen zijn, om te vermoeden dat dit voertuig gediend heeft om :
- een inbreuk te plegen
- of er voor de openbare orde gevaarlijke voorwerpen, overtuigingsstukken of bewijselementen van het misdrijf mee te vervoeren.
De agent van politie gaat niet over tot de doorzoeking van het voertuig; hij houdt het slechts tegen tot een politieambtenaar tussenkomt, en desgevallend overgaat tot de nodige bestuurlijke of gerechtelijke zoeking.

Rechtsleer:

• F. Goossens, Politiebevoegdheden en mensenrechten, 660.

Rechtspraak:

• Hof van Beroep te Atwerpen, 20/02/1996, RW 1996-1997, 398, met noten, L. Arnou, Over de zoeking in voertuigen, M. Gelders Zoeking in voertuigen en identiteitscontrole

De C.

Overwegende dat het Hof recht doende over de feiten deze beoordeelt volgens de terecht ambtshalve geherkwalificeerde te last legging ten opzichte van beklaagde zoals deze blijkt uit het zittingsblad als een overtreding van artikel 7 van de wet van 3 januari 1933: te Heist-op-den-Berg op 12 mei 1993, in overtreding met artikel 17 van de wet van 3 januari 1933 een verweerwapen, te weten een matrak, te hebben gedragen zonder wettige reden en zonder vergunning van de gouverneur van de provincie van zijn woonplaats (artikel 7); dat beklaagde zich op de geherkwalificeerde feiten heeft verdedigd;

Overwegende dat uit het proces-verbaal dat werd opgesteld niets anders blijkt dan dat het voertuig van beklaagde werd doorzocht door de verbaliserende rijkswachter met dienst binnen de gemeente Heist-op-den-Berg, Liersesteenweg ter hoogte van dancing Egypte, en zulks in samenwerking met de leerlingen van de Koninklijke Rijkswachtschool, eventueel in het kader van hun opleiding en zonder dat een reden werd gegeven tot het doorzoeken van het voertuig waarbij de matrak in het voertuig van beklaagde werd aangetroffen;

Overwegende dat het doorzoeken van het voertuig bij afwezigheid van enige redengeving niet in overeenstemming is met de bepalingen van artikel 29, alinea 1, van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt en dat met name uit het opgestelde proces-verbaal niet kan worden nagegaan of het doorzoeken van het voertuig geschiedde volgens de in het betrokken artikel vastgestelde normen; dat de redelijke gronden van de gedragingen van beklaagde en de materiële omstandigheden van tijd en plaats niet worden aangegeven in het proces-verbaal die zouden toestaan te denken dat het voertuig werd gebruikt of zou kunnen worden gebruikt om een van de in het artikel aangegeven feitelijkheden te plegen (sub 1°, 2° en 3°);

dat het enkele feit dat de controle en zoeking plaatsvond in de nabijheid van een dansgelegenheid, zonder verdere aanwijzingen geen redelijke grond uitmaakt;

Overwegende dat een voertuig enkel zal mogen worden doorzocht wanneer er tenminste een aanwijzing bestaat, dat het voertuig zou worden gebruikt om een van de drie redenen in het eerste lid van het artikel opgesomd; dat geen dezer aanwezig blijkt te zijn geweest en niets daarover is aangewezen in het proces-verbaal (Politiestudies — Fynaut & Hutsebaut, blz. 110);

Overwegende dat het doorzoeken van het voertuig een in de aangewezen wet voorwaardelijke controle is en niet vervat is in een bijzondere wet welke eventueel impliciet aanleiding kan geven tot onvoorwaardelijke controles;

Overwegende dat overigens ook aan het vereiste van redelijke grond tot identiteitscontrole niet blijkt te zijn voldaan zoals neergelegd in de bepalingen van artikel 34 van de wet op het politieambt;

Overwegende dat, zo de beoordeling en afweging of de politieambtenaar tot een controle overgaat, eigenmachtig doch niet willekeurig kan zijn, toch nog de reden en bevonden redelijke grond uit het proces-verbaal dat eventueel wordt opgesteld moet blijken;

Overwegende dat nu in casu niet kan worden nagegaan in het procesverbaal wat de aanleiding was tot het uitgeoefende politionele dwangmiddel bij miskenning van de bepalingen van artikel 29 van de wet op het politieambt, het bewijs van de ten laste gelegde feiten op een onrechtmatige manier is verkregen en nietig is;

Overwegende dat er geen andere regelmatig opgeleverde elementen zijn die een voldoende grond opleveren voor een schuldigverklaring aan de feiten en een veroordeling;

Nog dit: 

Hof van Cassatie 08/05/2012, P.11.1908.N, juridat

samenvatting:

Een voertuig dat zich niet bevindt in een woning of aanhorigheden ervan waar een huiszoeking regelmatig wordt uitgevoerd, kan enkel het voorwerp uitmaken van een doorzoeking door een politieambtenaar wanneer deze daartoe opdracht gekregen heeft van de onderzoeksrechter, mits uitdrukkelijke toestemming van de eigenaar, bestuurders en passagiers, of, onverminderd andere hier niet toepasselijke wetsbepalingen, in de gevallen en mits naleving van de voorwaarden bepaald in artikel 29 Wet Politieambt, dat bepaalt dat de politieambtenaren kunnen overgaan tot het doorzoeken van een voertuig indien zij, op grond van de gedragingen van de bestuurder of de passagiers, van materiële aanwijzingen of van omstandigheden van tijd en plaats, redelijke gronden hebben te denken dat het voertuig werd gebruikt, wordt gebruikt of zou kunnen worden gebruikt om een misdrijf te plegen, om opgespoorde personen of personen die aan een identiteitscontrole willen ontsnappen, een schuilplaats te geven of te vervoeren, of om een voor de openbare orde gevaarlijk voorwerp, overtuigingstukken of bewijsmateriaal in verband met een misdrijf op te slaan of te vervoeren; daarentegen volstaat het niet dat de eigenaar van het voertuig geen protest, verzet of aanmerking uit opdat de politieambtenaren geldig zouden overgaan tot de doorzoeking.

tekst arrest

Nr. P.11.1908.N

I

R. L. M. P., 

inverdenkinggestelde.

eiser, 

met als raadsman mr. Michaël Verstraeten, advocaat bij de balie te Gent.

II

M. G. J. A. C., 

inverdenkinggestelde,

eiseres, 

met als raadsman mr. Dominique Blommaert, advocaat bij de balie te Brussel.

III

1. E. M. W., 

inverdenkinggestelde,

eiseres,

met als raadsman mr. Carlos Teurelincx, advocaat bij de balie te Antwerpen,

2. L. W., 

inverdenkinggestelde,

eiseres,

met als raadsman mr. Carlos Teurelincx, advocaat bij de balie te Antwerpen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep van de eiser I is gericht tegen het arrest nr. 4216 (folio 2475) van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 27 oktober 2011.

Het cassatieberoep van de eiseres II is gericht tegen het arrest nr. 4218 (folio 2477) van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 27 oktober 2011.

De cassatieberoepen van de eiseressen III.1 en III.2 zijn gericht tegen het arrest nr. 4217 (folio 2476) van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 27 oktober 2011.

In afzonderlijke memories die aan dit arrest zijn gevoegd, voeren de eiser I en de eiseres II elk acht middelen aan en de eiseres III,1 en III.2 elk zeven gelijkluidende middelen aan.

Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de memories

1. De eerste memorie van de eiseres II is getekend mr. Céline Van Camp (loco) Dominique Blommaert en de memories van de eiseressen III.1 en III.2 zijn getekend Mr. Céline Van Camp loco (Gent) mr. Carlos Teurelincx, zonder vermelding van de hoedanigheid van de ondertekenaar.

Die memories zijn niet ontvankelijk.

2. De tweede memorie van de eiseres II werd per fax gestuurd aan de procureur-generaal die ze overgemaakt heeft aan de griffie van het Hof. Dergelijke memorie, die geen originele handtekening bevat, is evenmin ontvankelijk. 

Eerste middel van de eiser I

Eerste onderdeel

3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 135 Wetboek van Strafvordering: het arrest beantwoordt eisers verweer niet dat de huiszoekingen die aan de basis van het onderzoek liggen, onregelmatig zijn.

4. In zijn voor de kamer van inbeschuldigingstelling neergelegde conclusie heeft de eiser aangevoerd dat de uitgevoerde huiszoekingen onregelmatig zijn onder meer omdat:

- de huiszoekingen werden uitgevoerd met schending van de artikelen 37 en 39 Wetboek van Strafvordering, daar de aangehouden verdachte niet aanwezig was bij de inbeslagname en de in beslag genomen stukken hem niet werden vertoond en hem niet gevraagd werd de stukken te paraferen, bij het beslag geen proces-verbaal werd opgesteld met inventaris van de in beslag genomen stukken; in de later opgestelde processen-verbaal werden de in beslag genomen voorwerpen en documenten niet geïndividualiseerd en van het proces-verbaal werd geen kopie aan de eiser overhandigd;

- de huiszoekingen een schending uitmaken van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM daar zij niet overeenkomstig de wet uitgevoerd werden;

- de huiszoekingen een schending uitmaken van artikel 8 EVRM daar door de bijzondere brede omschrijving van de feiten waarvoor de huiszoekingen werden bevolen, de controle op de omvang van de huiszoekingen onmogelijk was; evenmin was er een beperking met betrekking tot de in beslag te nemen stukken;

- de uitvoering van de huiszoekingen een schending uitmaken van artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR, alsmede van diverse bepalingen van de Wet Politieambt .

5. Het arrest nr. 4216 oordeelt: "De onderzoeksrechter heeft in het raam van zijn dossier 2001/005 op regelmatige wijze beschikkingen tot huiszoekingen verleend bij [de eiseressen III.1 en III.2 en bij [de eiser I]; de betrokken processen-verbaal werden door de onderzoeksrechter conform artikel 56, § 1, zesde lid, Wetboek van Strafvordering op 1 februari 2005 aan de procureur des Konings medegedeeld, die hem bij vordering van 24 februari 2005 en bijkomende vordering van 28 april 2006 gelast heeft een gerechtelijk onderzoek te voeren naar de feiten die het voorwerp uitmaken van onderhavig dossier." Het oordeelt ook: "Overigens heeft het [hof van beroep] reeds vastgesteld in zijn arrest dd. 11 mei 2004, gewezen op grond van artikel 136 Wetboek van Strafvordering in het raam van het dossier 2001/005 (...) dat het gerechtelijk onderzoek, met inbegrip van de door de onderzoeksrechter gelegde beslagen, door geen enkele onregelmatigheid, verzuim of nietigheid als bedoeld in artikel 131, § 1, Wetboek van Strafvordering behept is; bovendien, in het raam van haar ambtshalve toezicht, stelt [de kamer van inbeschuldigingstelling] vast dat onderhavig onderzoek evenmin met enige onregelmatigheid, verzuim of nietigheid is aangetast." 

6. Met die redenen beantwoordt het arrest niet het bedoelde verweer.

Het onderdeel is gegrond.

Zesde middel van de eiser I 

7. Het middel voert schending aan van artikel 29 Wet Politieambt: het arrest oordeelt dat de doorzoeking van het voertuig van de eiseres III.1 regelmatig is daar deze geen enkel bezwaar, protest of aanmerking heeft geuit; het proces-verbaal van doorzoeking bevat geen aanwijzing dat het voertuig werd gebruikt of kon gebruikt worden voor één van de redenen opgesomd in artikel 29 Wet Politieambt; het niet uiten van een bezwaar, protest, verzet of aanmerking, is geen toestemming noch een aanwijzing als bedoeld in die wetsbepaling. 

8. Een voertuig dat zich niet bevindt in een woning of aanhorigheden ervan waar een huiszoeking regelmatig wordt uitgevoerd, kan enkel het voorwerp uitmaken van een doorzoeking door een politieambtenaar wanneer deze daartoe opdracht gekregen heeft van de onderzoeksrechter, mits uitdrukkelijke toestemming van de eigenaar, bestuurders en passagiers, of in de gevallen en mits naleving van de voorwaarden bepaald in artikel 29 Wet Politieambt, onverminderd andere hier niet toepasselijke wetsbepalingen. 

9. Artikel 29 Wet Politieambt bepaalt dat de politieambtenaren kunnen overgaan tot het doorzoeken van een voertuig indien zij, op grond van de gedragingen van de bestuurder of de passagiers, van materiële aanwijzingen of van omstandigheden van tijd en plaats, redelijke gronden hebben te denken dat het voertuig werd gebruikt, wordt gebruikt of zou kunnen worden gebruikt om een misdrijf te plegen, om opgespoorde personen of personen die aan een identiteitscontrole willen ontsnappen, een schuilplaats te geven of te vervoeren, of om een voor de openbare orde gevaarlijk voorwerp, overtuigingstukken of bewijsmateriaal in verband met een misdrijf op te slaan of te vervoeren. 

Daarentegen volstaat het niet dat de eigenaar van het voertuig geen protest, verzet of aanmerking uit opdat de politieambtenaren geldig zouden overgaan tot de doorzoeking. 

10. Met de redenen die het bevat stelt het arrest niet vast dat de politieambtenaren redelijke gronden hadden zoals bedoeld in artikel 29 Wet Politieambt om het voertuig te doorzoeken, noch dat dit voertuig zich bevond in de aanhorigheden van de woning waar een huiszoeking werd uitgevoerd, noch dat de politieambtenaren van de onderzoeksrechter opdracht gekregen hadden om dat voertuig te doorzoeken, noch dat de eiseres III.1 uitdrukkelijk haar toestemming voor de doorzoeking heeft verleend. Het oordeelt enkel dat de eiseres III.1 geen bezwaar, protest of aanmerking heeft geuit met betrekking tot de doorzoeking van haar voertuig en tot de documenten die erin gevonden werden zodat die doorzoeking regelmatig was. Aldus is de beslissing niet naar recht verantwoord.

Het middel is gegrond.

Eerste ambtshalve middel

Geschonden wettelijke bepaling:

- artikel 135, § 2, Wetboek van Strafvordering

11. In hun voor de kamer van inbeschuldigingstelling neergelegde conclusie hebben de eiseressen II, III.1 en III.2 aangevoerd dat de uitgevoerde huiszoekingen onregelmatig zijn onder meer omdat:

- de huiszoekingen werden uitgevoerd met schending van de artikelen 37 en 39 Wetboek van Strafvordering, daar de verdachten niet aanwezig waren bij de inbeslagname en de in beslag genomen stukken hen niet werden vertoond en hen niet gevraagd werd de stukken te paraferen, bij het beslag geen proces-verbaal werd opgesteld met inventaris van de in beslag genomen stukken; in de later opgestelde processen-verbaal werden de in beslag genomen voorwerpen en documenten niet geïndividualiseerd en van het proces-verbaal werd geen kopie aan de eiseressen overhandigd;

- de huiszoekingen een schending uitmaken van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM daar zij niet overeenkomstig de wet uitgevoerd werden;

- de huiszoekingen een schending uitmaken van artikel 8 EVRM daar door de bijzondere brede omschrijving van de feiten waarvoor de huiszoekingen werden bevolen, de controle op de omvang van de huiszoekingen onmogelijk was; evenmin was er een beperking met betrekking tot de in beslag te nemen stukken;

- de uitvoering van de huiszoekingen een schending uitmaken van artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR, alsmede van diverse bepalingen van de Wet Politieambt.

De arresten 4217 en 4218 oordelen elk: "De onderzoeksrechter heeft in het raam van zijn dossier 2001/005 op regelmatige wijze beschikkingen tot huiszoekingen verleend bij [de eiseres III.1] en bij [de eiser I]; de betrokken processen-verbaal werden door de onderzoeksrechter conform artikel 56, § 1, zesde lid, Wetboek van Strafvordering op 1 februari 2005 aan de procureur des Konings medegedeeld, die hem bij vordering van 24 februari 2005 en bijkomende vordering van 28 april 2006 gelast heeft een gerechtelijk onderzoek te voeren naar de feiten die het voorwerp uitmaken van onderhavig dossier." Ze oordelen ook: "Overigens heeft het [hof van beroep] reeds vastgesteld in zijn arrest dd. 11 mei 2004, gewezen op grond van artikel 136 Wetboek van Strafvordering in het raam van het dossier 2001/005 (...) dat het gerechtelijk onderzoek, met inbegrip van de door de onderzoeksrechter gelegde beslagen, door geen enkele onregelmatigheid, verzuim of nietigheid als bedoeld in artikel 131, § 1, Wetboek van Strafvordering behept is; bovendien, in het raam van haar ambtshalve toezicht, stelt [de kamer van inbeschuldigingstelling] vast dat onderhavig onderzoek evenmin met enige onregelmatigheid, verzuim of nietigheid is aangetast." 

12. Met die redenen beantwoorden die arresten niet het bedoelde verweer.

Tweede ambtshalve middel

Geschonden wettelijke bepaling: 

- artikel 29 Wet Politieambt

13. De arresten 4217 en 4218, oordelen enkel dat de eiseres III.1 geen bezwaar, protest of aanmerking heeft geuit met betrekking tot de doorzoeking van haar voertuig BMW en tot de documenten die erin gevonden werden zodat die doorzoeking regelmatig was. 

14. Op grond van de redenen vermeld in het antwoord op het zesde middel van de eiser I, zijn die beslissingen niet naar recht verantwoord.

Overige grieven

15. De grieven kunnen niet leiden tot cassatie zonder verwijzing en behoeven bijgevolg geen antwoord.

Omvang van de cassatie 

16. De hierna uit te spreken vernietiging van de beslissingen waarbij de arresten uitspraak doen met toepassing van artikel 135 Wetboek van Strafvordering, brengt de vernietiging met zich mee van de beslissingen van die arresten waarbij de hogere beroepen, in zoverre gericht tegen de beslissingen waarbij de verwijzingsbeschikking oordeelt dat er ten aanzien van de eisers voldoende bezwaren bestaan en hen naar de correctionele rechtbank verwijst, niet ontvankelijk verklaart, gelet op het nauwe verband tussen die beslissingen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt de bestreden arresten. 

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde arresten.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de zaken naar het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld.

Bepaalt de kosten in het geheel op 862,20 euro waarvan de eisers I, II en III elk 287,40 euro verschuldigd zijn.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer

0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:15
Laatst aangepast op: wo, 11/10/2017 - 15:13

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.