-A +A

Diefstal

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Diefstal is een aflopend of ogenblikkelijk misdrijf.

Enkelvoudige diefstal (wanbedrijf).

Wettelijke definitie:
Hij die een zaak die hem niet toebehoort, bedrieglijk wegneemt, is schuldig aan diefstal.

Art. 461. Strafwetboek: Hij die een zaak die hem niet toebehoort, bedrieglijk wegneemt, is schuldig aan diefstal.

Met diefstal wordt gelijkgesteld het bedrieglijk wegnemen van andermans goed voor een kortstondig gebruik.(gebruiksdiefstal vb. joy-riding)

materieel element:

 = het wegnemen is ontvreemden
 de diefstal kan enkel betrekking hebben op roerende goederen.
 In principe kunnen enkel lichamelijke, materiële zaken ontvreemd worden.
 Er mag geen toestemming zijn van de eigenaar van de zaak.
 De wegneming en m.a.w. de diefstal is voltrokken van zodra de dader de zaak in zijn bezit, in zijn macht heeft gebracht.

Het moreel element zijnde de wil om de diefstal te plegen.
 Diefstal vereist een bijzonder opzet, zijnde het inzicht om zichzelf en/of anderen een onrechtmatig voordeel te verschaffen
 Dit bedrieglijk opzet (bv.: winstbejag, geldzucht, kwaadwilligheid, jaloersheid,..) moet aanwezig zijn op het ogenblik van de feiten.

De zaak moet eigendom zijn van iemand anders.
 De identiteit van de benadeelde moet niet gekend zijn.
 Zelfs wanneer men mede-eigenaar is van een zaak, kan men deze laatste stelen.
 Zaken die aan niemand toebehoren kunnen niet worden gestolen.

Verschoningsgronden bij diefstal:
De strafvordering lastens de daders is onontvankelijk wanneer een strafuitsluitende verschoningsgrond kan worden ingeroepen.
De verschoningsgrond betekent dat geen straf kan worden uitgesproken, dit belet evenwel niet dat op burgerrechtelijk vlak de dader kan worden veroordeeld tot een schadevergoeding.

Worden verschoond volgens art. 462 S.W.:

dit artikel stelt:

"Art. 462. Diefstallen gepleegd door een gehuwde ten nadele van zijn echtgenoot, door een weduwnaar of een weduwe wat zaken betreft die aan de overleden echtgenoot hebben toebehoord, door afstammelingen ten nadele van hun bloedverwanten in de opgaande lijn, door bloedverwanten in de opgaande lijn ten nadele van hun afstammelingen, of door aanverwanten in dezelfde graden, geven alleen aanleiding tot burgerrechtelijke vergoeding.
Ieder ander persoon die aan deze diefstallen deelneemt of die de gestolen voorwerpen of een gedeelte ervan heeft, wordt gestraft alsof de vorige bepaling niet bestond".


Diefstal ten aanzien van schoonbroer en schoonzuster is wel strafbaar

 deze verschoningsgronden zijn ook van toepassing op: heling, oplichting,en misbruik van vertrouwen, diefstallen met geweld, afpersing en de zware diefstallen.
 deze strafuitsluitende verschoningsgrond en zijn persoonlijk. Voor de mededaders of de eventuele medeplichtigen blijven de feiten strafbaar.

Gewone diefstal

Art. 463. Diefstallen, in dit hoofdstuk niet nader omschreven, worden gestraft met gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank.
In het geval bedoeld bij artikel 461, tweede lid (gebruiksdiefstal)  bedraagt de gevangenisstraf echter niet meer dan drie jaren.


Huisdiefstal of loondiefstal ART.464 S.W.

Het betreft hier een gewone diefstal, maar met een persoonlijke (subjectieve) verzwarende omstandigheid, nl. het dienstverband in hoofde van de dader.

 Diefstal gepleegd ten nadele van je werkgever
 Diefstal gepleegd ten nadele van het cliënteel van de werkgever
 Diefstal gepleegd op de werkplaats of werkuren ten nadele van een collega
 Diefstal gepeelgd door een zelfstandige die iets ontvreemd van zijn  opdrachtgever.

Art. 464. Strafwetboek:

"De gevangenisstraf is ten minste drie maanden, indien de dief een dienstbode of een loondienaar is, zelfs wanneer hij de diefstal gepleegd heeft ten nadele van andere personen dan die welke hij diende, maar die zich bevonden hetzij in het huis van de meester, hetzij in het huis waar hij hem vergezelde, of indien de dief een werkman, gezel of leerling is, die de diefstal heeft gepleegd in het huis, het werkhuis of het magazijn van zijn meester, of ook indien de dief een persoon is die gewoonlijk arbeid verricht in de woning waar hij gestolen heeft.
Art. 465. In de gevallen van de vorige artikelen kunnen de schuldigen bovendien worden veroordeeld tot ontzetting van rechten overeenkomstig artikel 33"


Poging tot diefstal. = art. 466 s.w.

Doordat diefstal een wanbedrijf is, is ook de poging strafbaar, nu de strafbaarstelling van de poging uitdrukkelijk in de wet werd bepaald.

De poging tot diefstal veronderstelt dat alle bestanddelen van het misdrijf  voltrokken zijn, doch de bedrieglijk wegneming of ontvreemding van de zaak niet voltooidis en aldus  het misdrijf niet voltrokken is door één of meerdere omstandigheden, onafhankelijk van de wil van de dader.

Art. 466 SWB Poging tot een van de diefstallen, in de vorige artikelen vermeld, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot driehonderd frank.


Gekwalificeerde of zware diefstal
= een misdaad, maar toch wordt deze gecorrectionaliseerd.
Het betreft hier diefstallen met verzwarende omstandigheden van braak, inklimming of valse sleutels.

Diefstal d.m.v. braak

uittreksel uit het strafwetboek :

Art. 484. Braak bestaat in het openbreken, stukbreken, beschadigen, afbreken of wegnemen van om het even welke in- of uitwendige sluiting van enig huis, gebouw, bouwwerk of aanhorigheden, van een vaartuig, een wagon, een voertuig; in het openbreken van gesloten kasten of meubels, bestemd om ter plaatse te blijven en om de daarin besloten voorwerpen te beveiligen.
Art. 485. Met diefstal door middel van braak worden gelijkgesteld :
Het wegnemen van de meubels waarvan sprake in het vorige artikel;
De diefstal gepleegd met zegelverbreking.

De dader moet hierbij een of meerdere hindernissen overwinnen en maakt daarvoor gebruik van middelen die de rechtmatige eigenaar niet moet aanwenden.
Onderscheid wordt gemaakt tussen:
• Uitwendige braak:
Dit is het openbreken, stukbreken, beschadigen, afbreken of wegnemen van eender welke in- of uitwendige sluiting van enig huis, gebouw, bouwwerk of aanhorigheden, van een vaartuig, een wagon, een voertuig.
• Inwendige braak:
Dit betreft het openbreken van gesloten kasten of meubelen bestemd om ter plaatse te blijven en om de daarin besloten voorwerpen te beveiligen.
• Het wegnemen van de meubelen:
bv.: het wegnemen van een brandkast, zelfs zonder braak, en deze later openen (art. 485 SWB)
• De diefstal gepleegd door zegelverbreking:
De diefstal gepleegd door zegelverbreking die art. 485 S.W. gelijk stelt met diefstal door middel van braak kan enkel weerhouden worden wanneer de zegels door de overheid of op haarbevel werden gepleegd.
OPGELET: wanneer de braak gebeurd om het pand te verlaten van binnen naar buiten dan spreekt men van een gewone diefstal.

vb. braak middels een klopsleutel

uittreksel uit het strafwetboek:

"Art. 485. Met diefstal door middel van braak worden gelijkgesteld :
Het wegnemen van de meubels waarvan sprake in het vorige artikel;
De diefstal gepleegd met zegelverbreking."


Diefstal d.m.v. inklimming:

uittreksel uit het strafwetboek:

"Art. 486. Inklimming wordt genoemd :
Het binnenkomen over muren, deuren, daken of om het even welke andere afsluiting, in huizen, gebouwen, binnenplaatsen, neerhoven, bouwwerken van welke aard ook, tuinen, parken, besloten erven;
Het binnenkomen door een ondergrondse opening die niet gemaakt is om tot toegang te dienen."

 


Het binnenkomen over het even welke afsluiting is inklimming. Ook het binnenkomen door een ondergrondse opening die niet gemaakt is om tot toegang te dienen wordt inklimming genoemd.
•  De inklimming moet voor doel en gevolg hebben de dief toe te laten in één der plaatsen opgesomd in art. 486 S.W.:
huizen, gebouwen, binnenplaatsen, neerhoven, bouwwerken, van welke aard ook, tuinen, perken, besloten erven, muren, daken of om het even welke andere afsluiting. Door een ondergrondse opening (keldergat)
• De inklimming moet steeds gebeuren van buiten naar binnen.

Diefstal d.m.v. valse sleutels:
 

uittreksel uit het strafwetboek:

"Art. 487. Valse sleutels worden genoemd :
Alle haken, opstekers, lopers, nagebootste, nagemaakte of vervalste sleutels;
Sleutels die door de eigenaar, huurder, logementhouder, of kamerverhuurder niet bestemd zijn voor de sloten, hangsloten of voor welk sluitwerk ook, waartoe de schuldige ze gebruikt;
Verloren, zoekgeraakte of weggenomen sleutels die tot het plegen van de diefstal dienen.
Evenwel is het gebruik van valse sleutels alleen dan een verzwarende omstandigheid, wanneer zij dienen om voorwerpen te openen, waarvan de braak een verzwaring van straf ten gevolge zou hebben."
 

Het strafwetboek onderscheidt drie soorten valse sleutels:
• Echte valse sleutels: een nagemaakte, nagebootste of vervalste sleutel, een loper, alle haken.
• Sleutels gebruikt waarvoor ze niet bestemd zijn: de sleutel is slechts echt wanneer hij gebruikt wordt voor z’n echte bestemming
• Verloren of weggenomen sleutels: het betreft hier het gebruik van de echte sleutel, doch de sleutel is op een onrechtmatige manier in het bezit van de dader gekomen.
• Een bankkaarten maakt een sleutel uit: Het leeghalen van een Bancontact of Mister Cash geldautomaat d.m.v. een gestolen of gevonden bankkaart betreft een diefstal d.m.v. valse sleutel: een bankkaart + code dient immers om toegang te krijgen tot het systeem.

vb. valse sleutel: klopsleutel


Diefstal gepleegd in de hoedanigheid van openbaar ambtenaar die een diefstal pleegt door middel van zijn ambtsbediening (art. 471)

Het betreft hier verdachten, personen die belast zijn met een openbare dienst en die bekleed zijn met een deel van de openbare macht of gezag, d.w.z. dat hij de macht heeft om andere burgers te bevelen of hen dwingende maatregelen op te leggen.
 Diefstal gebeurt door middel van zijn ambtsbediening
 Ofwel wanneer gij schijnbaar als dusdanig optrad.

De omstandigheid dat de dader of één van hen de titel of de kentekens van een openbaar ambtenaar aannemen of een vals bevel van het openbaar gezag inroepen.



Diefstal door middel van geweld en/of bedreiging.

Geweld en bedreiging om een diefstal te plegen zijn objectief verzwarende omstandigheden.

uittreksel uit het Strafwetboek:
Art. 483. Onder geweld verstaat de wet daden van fysieke dwang gepleegd op personen.
Onder bedreiging verstaat de wet alle middelen van morele dwang door het verwekken van vrees voor een dreigend kwaad.



Diefstal d.m.v. geweld/bedreiging bestraffing en diefstal met bijkomende verzwarende omstandigheden:

1) ART.471 S.W.: 6 verzwarende omstandigheden:
= na correctionalisering van min. 6maand


 Indien gepleegd d.m.v. braak, inklimming of valse sleutels
 Indien gepleegd door een openbaar ambtenaar d.m.v. zijn ambtsbediening
 Indien de schuldigen of één van hen de titel of kentekens van een openbaar ambtenaar aannemen of een vals bevel van het openbaar gezag inroepen.
 Indien hij gepleegd wordt bij nacht.
 Indien hij gepleegd wordt door 2 of meer personen
 Indien de schuldige, om de diefstal te vergemakkelijken of zijn vlucht te verzekeren, gebruik maakt van een voertuig of enig ander al dan niet met een motor aangedreven tuig.
Het begrip “nacht” betreft een diefstal, gepleegd meer dan een uur voor zonsopgang en meer dan een uur na zonsondergang.

2) ART. 472 S.W.: 5 verzwarende omstandigheden:
= na correctionalisering van min. 2jaar


 Indien gepleegd onder 2 van de in art.471 S.W. vermelde omstandigheden
 Indien wapens (wat zijn wapens) of op wapens gelijkende voorwerpen werden gebruikt of getoond of indien de schuldige doet geloven dat hij gewapend is.
 Indien de schuldige om de diefstal te plegen, of zijn vlucht te verzekeren, gebruik maakt van:
* weerloosmakende of giftige stoffen
* een gestolen voertuig of enig ander al dan niet met een motor aangedreven gestolen tuig.
* een motorvoertuig of enig ander met een motor aangedreven tuig voorzien van de kentekens of toestellen waardoor verwarring kan ontstaan met een motorvoertuig of enig ander met een motor aangedreven tuig van de ordediensten.


3) ART.473 S.W. Diefstal met extreme gevolgen of diefstal met foltering art. 417 ter S.W :
De diefstal heeft zwaar fysisch letsel voor gevolg. Dit art. is van toepassing indien het geweld en/of de bedreigingen:
 Een blijvende fysieke of psychische ongeschiktheid
 Een verlies van een orgaan
 Een zware verminking
 Een ongeneeslijke ziekte
○ Of werd gepleegd met foltering
straffen van 15 tot 20 jaar

afpersing

oplichting

misbruik van vertrouwen

heling

uittreksel uit het strafwetboek


HOOFDSTUK I. - DIEFSTAL EN AFPERSING.
Art. 461. Hij die een zaak die hem niet toebehoort, bedrieglijk wegneemt, is schuldig aan diefstal.
(Met diefstal wordt gelijkgesteld het bedrieglijk wegnemen van andermans goed voor een kortstondig gebruik.) <W 25-06-1964, art. 1>
Art. 462. Diefstallen gepleegd door een gehuwde ten nadele van zijn echtgenoot, door een weduwnaar of een weduwe wat zaken betreft die aan de overleden echtgenoot hebben toebehoord, door afstammelingen ten nadele van hun bloedverwanten in de opgaande lijn, door bloedverwanten in de opgaande lijn ten nadele van hun afstammelingen, of door aanverwanten in dezelfde graden, geven alleen aanleiding tot burgerrechtelijke vergoeding.
Ieder ander persoon die aan deze diefstallen deelneemt of die de gestolen voorwerpen of een gedeelte ervan heeft, wordt gestraft alsof de vorige bepaling niet bestond.
AFDELING I. - DIEFSTAL ZONDER GEWELD OF BEDREIGING.
Art. 463. Diefstallen, in dit hoofdstuk niet nader omschreven, worden gestraft met gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank.
(In het geval bedoeld bij artikel 461, tweede lid, bedraagt de gevangenisstraf echter niet meer dan drie jaren.) <W 25-06-1964, art. 2>
Art. 464. De gevangenisstraf is ten minste drie maanden, indien de dief een dienstbode of een loondienaar is, zelfs wanneer hij de diefstal gepleegd heeft ten nadele van andere personen dan die welke hij diende, maar die zich bevonden hetzij in het huis van de meester, hetzij in het huis waar hij hem vergezelde, of indien de dief een werkman, gezel of leerling is, die de diefstal heeft gepleegd in het huis, het werkhuis of het magazijn van zijn meester, of ook indien de dief een persoon is die gewoonlijk arbeid verricht in de woning waar hij gestolen heeft.
Art. 465. In de gevallen van de vorige artikelen kunnen de schuldigen bovendien worden veroordeeld tot ontzetting van rechten overeenkomstig artikel 33 (...). <W 09-04-1930, art. 32>
Art. 466. Poging tot een van de diefstallen, in de vorige artikelen vermeld, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot driehonderd frank.
Art. 467. (Zie NOTA 1 onder TITEL) Diefstal wordt gestraft met (opsluiting van vijf jaar tot tien jaar) : <W 2003-01-23/42, art. 75, 041; Van kracht : 13-03-2003>
Indien hij gepleegd wordt door middel van braak, inklimming of valse sleutels;
Indien hij gepleegd wordt door een openbaar ambtenaar door middel van zijn ambtsbediening;
Indien de schuldigen of een van hen de titel of de kentekens van een openbaar ambtenaar aannemen of een vals bevel van het openbaar gezag inroepen.
AFDELING II. - DIEFSTAL DOOR MIDDEL VAN GEWELD OF BEDREIGING GEPLEEGD EN AFPERSING.
Art. 468. (Zie NOTA 1 onder TITEL) Hij die een diefstal pleegt door middel van geweld of bedreiging, wordt gestraft met (opsluiting van vijf jaar tot tien jaar). <W 2003-01-23/42, art. 75, 041; Van kracht : 13-03-2003>
Art. 469. Met diefstal gepleegd door middel van geweld of bedreiging wordt gelijkgesteld het geval waarin de dief op heterdaad betrapt wordt en geweld of bedreigingen gebruikt hetzij om in het bezit van de weggenomen voorwerpen te kunnen blijven, hetzij om zijn vlucht te verzekeren.
Art. 470. Met de straffen, bij het artikel 468 bepaald, wordt gestraft alsof hij een diefstal met geweld of bedreiging had gepleegd, bij die met behulp van geweld of bedreiging afperst, hetzij gelden, waarden, roerende voorwerpen, schuldbrieven, biljetten, promessen, kwijtingen, hetzij de ondertekening of de afgifte van enig stuk dat een verbintenis, beschikking of schuldbevrijding inhoudt of teweegbrengt.
Art. 471. (Zie NOTA 1 onder TITEL) <W 2001-12-11/50, art. 3, 033; Van kracht : 17-02-2002> In de gevallen van de artikelen 468, 469 en 470 is de straf de ops luiting van tien jaar tot vijftien jaar :
indien het misdrijf wordt gepleegd door middel van braak, inklimming of valse sleutels;
indien het misdrijf wordt gepleegd door een openbaar ambtenaar door middel van zijn ambtsbediening;
indien de schuldigen of een van hen de titel of de kentekens van een openbaar ambtenaar aannemen of een vals bevel van het openbaar gezag inroepen;
indien het misdrijf gepleegd wordt bij nacht;
indien het misdrijf gepleegd wordt door twee of meer personen;
indien de schuldige, om het misdrijf te vergemakkelijken of zijn vlucht te verzekeren, gebruik maakt van een voertuig of enig ander al of niet met een motor aangedreven tuig.
Art. 472. (Zie NOTA 1 onder TITEL) <W 2001-12-11/50, art. 4, 033; Van kracht : 17-02-2002> In de gevallen van de artikelen 468, 469 en 470 is de straf de opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar :
indien het misdrijf wordt gepleegd onder twee van de in artikel 471 vermelde omstandigheden;
indien wapens of op wapens gelijkende voorwerpen worden gebruikt of getoond, of indien de schuldige doet geloven dat hij gewapend is;
indien de schuldige, om het misdrijf te plegen of zijn vlucht te verzekeren, gebruik maakt van weerloos makende of giftige stoffen;
indien de schuldige, om het misdrijf te vergemakkelijken of zijn vlucht te verzekeren, gebruik maakt van een voertuig of enig ander al of niet met een motor aangedreven tuig, dat verkregen is door een misdaad of een wanbedrijf;
indien de schuldige, om het misdrijf te vergemakkelijken of zijn vlucht te verzekeren, gebruik maakt van een motorvoertuig of enig ander met een motor aangedreven tuig voorzien van kentekens of toestellen waardoor verwarring kan ontstaan met een motorvoertuig of enig ander met een motor aangedreven tuig van de ordediensten.
Art. 473. (Zie NOTA 1 onder TITEL) <W 02-07-1975, art. 4> In de gevallen van de artikelen 468, 469, 470 en 471 is de straf (opsluiting) van vijftien jaar tot twintig jaar, indien het geweld of de bedreiging, hetzij een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een blijvende fysische of psychische ongeschiktheid, hetzij het volledig verlies van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking ten gevolge heeft. <W 2002-06-14/42, art. 8, 036; Van kracht : 24-08-2002>
Dezelfde straf wordt toegepast, indien de boosdoeners de personen (hebben onderworpen aan de handelingen bedoeld in artikel 417ter, eerste lid.) <W 2002-06-14/42, art. 8, 036; Van kracht : 24-08-2002>
In de gevallen van artikel 472 wordt de straf op levenslange dwangarbeid gebracht.
Art. 474. (Zie NOTA 1 onder TITEL) Indien het geweld of de bedreiging gepleegd wordt zonder het oogmerk om te doden, en toch de dood veroorzaakt, worden de schuldigen veroordeeld tot (opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar). <W 2003-01-23/42, art. 76, 041; Van kracht : 13-03-2003>
(Lid 2 opgeheven) <W 02-07-1975, art. 6>
Art. 475. Doodslag, gepleegd om diefstal of afpersing te vergemakkelijken of om de straffeloosheid ervan te verzekeren, wordt gestraft met (levenslange opsluiting). <W 1996-07-10/42, art. 15, 018; Van kracht : 11-08-1996>
Art. 476. De straffen, bij de artikelen 473 en 474 bepaald, worden zelfs dan toegepast wanneer de voltooiing van de diefstal of van de afpersing wordt verhinderd door omstandigheden, onafhankelijk van de wil van de schuldigen.
AFDELING IIbis. - (DIEFSTAL EN AFPERSING VAN KERNMATERIAAL). <W 17-04-1986, art. 2>
Art. 477. (Zie NOTA 1 onder TITEL) <W 17-04-1986, art. 2> Diefstal van kernmateriaal wordt gestraft met (opsluiting van vijf jaar tot tien jaar). <W 2003-01-23/42, art. 77, 041; Van kracht : 13-03-2003>
Art. 477bis. (Zie NOTA 1 onder TITEL) <W 17-04-1986, art. 2> De diefstal van kernmateriaal wordt gestraft met (opsluiting) van tien jaar tot vijftien jaar : <W 2003-01-23/42, art. 78, 041; Van kracht : 13-03-2003>
1° indien hij gepleegd wordt door middel van geweld of bedreiging;
2° indien hij gepleegd wordt door middel van braak, inklimming of valse sleutels;
3° indien hij gepleegd wordt door een openbaar ambtenaar door middel van zijn ambtsbediening;
4° indien de schuldigen of een van hen de titel of de kentekens van een openbaar ambtenaar hebben aangenomen of een vals bevel van het openbaar gezag hebben ingeroepen.
Art. 477ter. (Zie NOTA 1 onder TITEL) <W 17-04-1986, art. 2> Afpersing van kernmateriaal door middel van geweld of bedreiging wordt gestraft met (opsluiting) van tien jaar tot vijftien jaar. <W 2003-01-23/42, art. 78, 041; Van kracht : 13-03-2003>
Art. 477quater. <W 17-04-1986, art. 2> Met diefstal of afpersing van kernmateriaal, gepleegd door middel van geweld of bedreiging, wordt gelijkgesteld het geval waarin de dief of de afperser op heterdaad betrapt, geweld heeft gepleegd of bedreigingen heeft geuit, ofwel om het ontvreemde kernmateriaal in zijn bezit te houden, ofwel om zijn vlucht te dekken.
Art. 477quinquies. (Zie NOTA 1 onder TITEL) <W 17-04-1986, art. 2> De diefstal of de afpersing van kernmateriaal gepleegd door middel van geweld of bedreiging, alsmede het feit bedoeld in artikel 477quater; worden gestraft met (opsluiting) van vijftien tot twintig jaar : <W 2003-01-23/42, art. 78, 041; Van kracht : 13-03-2003>
1° indien zij gepleegd worden door middel van braak, inklimming of valse sleutels;
2° indien zij gepleegd worden door een openbaar ambtenaar door middel van zijn ambtsbediening;
3° indien de schuldigen of een van hen de titel of de kentekens van een openbaar ambtenaar aannemen of een vals bevel van het openbaar gezag inroepen;
4° indien zij gepleegd worden bij nacht;
5° indien zij gepleegd worden door twee of meer personen;
6° indien de schuldige, om de afpersing te vergemakkelijken of zijn vlucht te verzekeren, gebruik maakt van een voertuig of enig ander al dan niet met een motor aangedreven tuig.
Art. 477sexies. (Zie NOTA 1 onder TITEL) <W 17-04-1986, art. 2> § 1. De diefstal of de afpersing van kernmateriaal met behulp van geweld of bedreiging alsmede het feit bedoeld in artikel 477quater, worden gestraft met (opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar) : <W 2003-01-23/42, art. 79, 041; Van kracht : 13-03-2003>
1° indien zij gepleegd worden onder twee van de omstandigheden vermeld in artikel 477quinquies;
2° indien wapens of op wapens gelijkende voorwerpen worden gebruikt of getoond, of indien de schuldige doet geloven dat hij gewapend is;
3° indien de schuldige, om het feit te plegen of zijn vlucht te verzekeren, gebruik maakt van weerloosmakende of giftige stoffen;
4° indien de schuldige, om het feit te vergemakkelijken of zijn vlucht te verzekeren, gebruik maakt van een gestolen voertuig of enig ander al dan niet met een motor aangedreven gestolen tuig;
5° indien de schuldige, om het feit te vergemakkelijken of zijn vlucht te verzekeren, gebruik maakt van een motorvoertuig of enig ander met een motor aangedreven tuig voorzien van kentekens of toestellen waardoor de verwarring kan ontstaan met een motorvoertuig of enig ander met een motor aangedreven tuig van de ordediensten.
§ 2. Dezelfde feiten worden gestraft met dezelfde straf :
1° indien het geweld of de bedreiging, hetzij een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een blijvende lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid, hetzij het volledig verlies van het gebruik van een orgaan of een zware verminking heeft veroorzaakt;
2° (indien de boosdoeners de personen aan de handelingen bedoeld in artikel 417ter, eerste lid, hebben onderworpen); <W 2002-06-14/42, art. 9, 036; Van kracht : 24-08-2002>
3° indien het geweld of de bedreiging gepleegd zonder het oogmerk te doden, toch de dood heeft veroorzaakt.
§ 3. De straf bepaald bij § 2 wordt zelfs dan toegepast wanneer de voltooiing van de diefstal of van de afpersing wordt verhinderd door omstandigheden, onafhankelijk van de wil van de schuldigen.
AFDELING III. - (BETEKENIS VAN SOMMIGE IN DIT WETBOEK VOORKOMENDE UITDRUKKINGEN). <W 02-07-1975, art. 5>
Art. 478. Diefstal bij nacht is de diefstal gepleegd meer dan een uur voor zonsopgang en meer dan een uur na zonsondergang.
Art. 479. Als bewoond huis wordt beschouwd elk gebouw, appartement, verblijf, loods, elke zelfs verplaatsbare hut of elke andere gelegenheid die tot woning dient.
Art. 480. Als aanhorigheden van een bewoond huis worden beschouwd de binnenplaatsen, neerhoven, tuinen en alle andere besloten erven, alsook de schuren, stallen en alle andere bouwwerken die zich daarin bevinden, onverschillig waarvoor zij gebruikt worden, zelfs wanneer zij een afzonderlijke ruimte vormen binnen de algemene omheining.
Art. 481. Verplaatsbare omheiningen, bestemd om vee in het open veld ingesloten te houden, op welke wijze ook gemaakt, worden als aanhorigheden van een bewoond huis beschouwd, wanneer zij staan op hetzelfde stuk grond als de verplaatsbare hutten of andere schuilplaatsen, bestemd voor de veehoeders.
Art. 482. Onder het woord wapens worden begrepen de voorwerpen, bedoeld in artikel 135 van dit wetboek.
Art. 483. Onder geweld verstaat de wet daden van fysieke dwang gepleegd op personen.
Onder bedreiging verstaat de wet alle middelen van morele dwang door het verwekken van vrees voor een dreigend kwaad.
Art. 484. Braak bestaat in het openbreken, stukbreken, beschadigen, afbreken of wegnemen van om het even welke in- of uitwendige sluiting van enig huis, gebouw, bouwwerk of aanhorigheden, van een vaartuig, een wagon, een voertuig; in het openbreken van gesloten kasten of meubels, bestemd om ter plaatse te blijven en om de daarin besloten voorwerpen te beveiligen.
Art. 485. Met diefstal door middel van braak worden gelijkgesteld :
Het wegnemen van de meubels waarvan sprake in het vorige artikel;
De diefstal gepleegd met zegelverbreking.
Art. 486. Inklimming wordt genoemd :
Het binnenkomen over muren, deuren, daken of om het even welke andere afsluiting, in huizen, gebouwen, binnenplaatsen, neerhoven, bouwwerken van welke aard ook, tuinen, parken, besloten erven;
Het binnenkomen door een ondergrondse opening die niet gemaakt is om tot toegang te dienen.
Art. 487. Valse sleutels worden genoemd :
Alle haken, opstekers, lopers, nagebootste, nagemaakte of vervalste sleutels;
Sleutels die door de eigenaar, huurder, logementhouder, of kamerverhuurder niet bestemd zijn voor de sloten, hangsloten of voor welk sluitwerk ook, waartoe de schuldige ze gebruikt;
Verloren, zoekgeraakte of weggenomen sleutels die tot het plegen van de diefstal dienen.
Evenwel is het gebruik van valse sleutels alleen dan een verzwarende omstandigheid, wanneer zij dienen om voorwerpen te openen, waarvan de braak een verzwaring van straf ten gevolge zou hebben.
Art. 487bis. <W 17-04-1986, art. 3> Onder kernmateriaal wordt verstaan plutonium, met uitzondering van plutonium waarvan de isotoopconcentratie aan plutonium - 238 hoger is dan 80 %; uranium - 233; uranium, verrijkt in de isotopen 235 of 233; uranium, bestaande uit een mengsel van isotopen, zoals deze in de natuur voorkomen anders dan in de vorm van erts of ertsresidu, en elke stof die een of meer van de hierboven genoemde isotopen bevat.
BIJZONDERE BEPALING.
Art. 488. Hij die bedrieglijk sleutels namaakt of vervalst, wordt veroordeeld tot gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar en tot geldboete van zesentwintig frank tot tweehonderd frank.
Indien de schuldige slotenmaker van beroep is, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van twee jaar tot vijf jaar en met geldboete van tweehonderd frank tot duizend frank.
HOOFDSTUK Ibis. - (EXTERNE BEVEILIGING VAN KERNMATERIAAL). <W 17-04-1986, art. 4>
Art. 488bis. (Zie NOTA 1 onder TITEL) <W 17-04-1986, art. 4> § 1. Hij die opzettelijk en zonder vergunning, verleend door het bevoegd gezag, of niet op de voorwaarden daarin gesteld, zich kernmateriaal laat afgeven, dan wel zodanig materiaal verkrijgt, in zijn bezit houdt, gebruikt, verandert, afstaat, achterlaat, vervoert of verspreidt, wordt gestraft met (opsluiting van vijf jaar tot tien jaar). <W 2003-01-23/42, art. 80, 041; Van kracht : 13-03-2003>
§ 2. De straf is (opsluiting) van tien jaar tot vijftien jaar, indien het strafbaar feit voor een ander heeft veroorzaakt : <W 2003-01-23/42, art. 80, 041; ED : 13-03-2003>
1° hetzij een ongeneeslijk lijkende ziekte, een blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid, het volledig verlies van het gebruik van een orgaan of een zware verminking;
2° de algemene of gedeeltelijke vernietiging van gebouwen, bruggen, dijken, straatwegen, spoorwegen, sluizen, magazijnen, werkplaatsen, loodsen, schepen, vaartuigen, vliegtuigen of andere kunstwerken of bouwwerken die aan een ander toebehoren.
§ 3. Indien het strafbaar feit, gepleegd zonder het oogmerk om te doden, toch de dood heeft veroorzaakt, wordt de schuldige gestraft met (opsluiting) van vijftien tot twintig jaar. <W 2003-01-23/42, art. 80, 041; Van kracht : 13-03-2003>
HOOFDSTUK II. - BEDROG.
AFDELING I. - (Misdrijven die verband houden met de staat van faillissement.) <W 1997-08-08/80, art. 117, Van kracht : 01-01-1998>
Art. 489. (Zie NOTA 1 onder TITEL) <W 1997-08-08/80, art. 118, 019; Van kracht : 01-01-1998> Met gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met geldboete van honderd frank tot honderdduizend frank of met een van die straffen alleen worden gestraft de kooplieden die zich in staat van faillissement bevinden in de zin van artikel 2 van de faillissementswet, of de bestuurders ", in rechte of in feite, van handelsvennootschappen die zich in staat van faillissement bevinden, die :
1° zonder voldoende tegenprestatie, ten behoeve van derden met inachtneming van de financiële toestand van de onderneming te aanzienlijke verbintenissen hebben aangegaan
2° zonder wettig verhinderd te zijn, verzuimd hebben de verplichtingen gesteld bij artikel 53 van de faillissementswet na te leven.
Art. 489bis. <inséré par L 1997-08-08/80, art. 119, 019; Van kracht : 01-01-1998> Met gevangenisstraf van een maand tot twee jaar en met geldboete van honderd frank tot vijfhonderdduizend frank of met een van die straffen alleen worden gestraft de personen bedoeld in artikel 489 die :
1° met het oogmerk om de faillietverklaring uit te stellen, aankopen hebben gedaan tot wederverkoop beneden de koers of toegestemd hebben in leningen, effectencirculaties en andere al te kostelijke middelen om zich geld te verschaffen;
2° verdichte uitgaven of verliezen hebben opgegeven of geen verantwoording hebben verschaft van het bestaan of van de aanwending van de activa of een deel ervan, zoals zij uit de boekhoudkundige stukken blijken op de datum van staking van betaling, en van alle goederen van welke aard ook, die zij naderhand zouden hebben verkregen;
3° met het oogmerk om de faillietverklaring uit te stellen, een schuldeiser ten nadele van de boedel betaald of bevoordeeld hebben;
4° met hetzelfde oogmerk, verzuimd hebben binnen de bij artikel 9 van de faillissementswet gestelde termijn aangifte te doen van het faillissement; wetens verzuimd hebben naar aanleiding van de aangifte van het faillissement de inlichtingen vereist bij artikel 10 van dezelfde wet te verstrekken; wetens naar aanleiding van de aangifte van het faillissement of naderhand, op de vragen van de rechter-commissaris of van de curators, onjuiste inlichtingen hebben verstrekt.
Art. 489ter. <ingevoegd bij W 1997-08-08/80, art. 120, 019; Van kracht : 01-01-1998> Met gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en met geldboete van honderd frank tot vijfhonderdduizend frank worden gestraft de in artikel 489 bedoelde personen die met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden :
1° een gedeelte van de activa hebben verduisterd of verborgen;
2° de boeken of bescheiden bedoeld in hoofdstuk I van de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen, geheel of gedeeltelijk hebben doen verdwijnen; poging tot die wanbedrijven wordt gestraft met gevangenisstraf van een maand tot drie jaar en met geldboete van honderd frank tot vijfhonderdduizend frank.
Zij die zich aan die wanbedrijven of poging daartoe schuldig hebben gemaakt, kunnen bovendien worden veroordeeld tot ontzetting van rechten overeenkomstig artikel 33.
Art. 489quater. <ingevoegd bij W 1997-08-08/80, art. 121, 019; Van kracht : 01-01-1998> De strafvordering terzake van de strafbare feiten omschreven in de artikelen 489, 489bis en 489ter wordt vervolgd los van enige vordering die bij de rechtbank van koophandel mocht zijn ingesteld. Nochtans kan de staat van faillissement voor de strafrechter niet worden betwist wanneer hij vastgesteld is bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing van de rechtbank van koophandel of van het hof van beroep aan het slot van een procedure waarbij de beklaagde partij was, hetzij persoonlijk, hetzij als vertegenwoordiger van de gefailleerde vennootschap.
Art. 489quinquies. <ingevoegd bij W 1997-08-08/80, art. 122, 019; Van kracht : 01-01-1998> Met gevangenisstraf van een maand tot twee jaar en met geldboete van honderd frank tot vijfhonderdduizend frank of met een van die straffen alleen worden gestraft zij die bedrieglijk :
1° in het belang van de failliet verklaarde koopman of handelsvennootschap, zelfs zonder de medewerking van de koopman of van de bestuurders, in rechte of in feite, van de vennootschap, de activa geheel of ten dele wegnemen, verbergen of helen;
2° verdichte of overdreven schuldvorderingen bij het faillissement indienen en bevestigen in eigen naam of door tussenpersonen.
Art. 489sexies. <ingevoegd bij W 1997-08-08/80, art. 123, 019; Van kracht : 01-01-1998> Met gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en met geldboete van honderd frank tot vijfhonderdduizend frank wordt gestraft de curator die zich schuldig maakt aan ontrouw in zijn beheer. Hij wordt daarenboven veroordeeld tot teruggave en schadeloosstelling die aan de boedel is verschuldigd. De schuldige kan bovendien veroordeeld worden tot ontzetting van rechten overeenkomstig artikel 33.
Art. 490. <W 1997-08-08/80, art. 124, 019; Van kracht : 01-01-1998> Alle arresten of vonnissen van veroordeling tot een gevangenisstraf, uitgesproken krachtens de artikelen 489, 489bis en 489ter, bevelen dat de beslissing op kosten van de veroordeelde bij uittreksel zal worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
Het uittreksel bevat :
1° de naam, de voornamen, de plaats en datum van geboorte, alsmede het adres en het inschrijvingsnummer in het handelsregister, van de veroordeelden en, in voorkomend geval, de handelsnaam of de benaming en de zetel van de faillietverklaarde handelsvennootschappen waarvan zij in rechte of in feite bestuurder zijn;
2° de datum van het arrest of van het vonnis van veroordeling en het gerecht dat het heeft uitgesproken;
3° de strafbare feiten die tot de veroordelingen aanleiding hebben gegeven en de uitgesproken straffen; wanneer, wegens eenheid van opzet, een enkele straf is uitgesproken uit hoofde van een van de voornoemde strafbare feiten en uit hoofde van andere strafbare feiten, vermelden de uittreksels alle strafbare feiten die met deze ene straf worden gestraft.
Art. 490bis. <W 1997-08-08/80, art. 141, 019; Van kracht : 01-01-1998> Met gevangenisstraf van een maand tot twee jaar en met geldboete van honderd frank tot vijfhonderdduizend frank of met een van die straffen alleen wordt gestraft hij die bedrieglijk zijn onvermogen heeft bewerkt en aan de op hem rustende verplichtingen niet heeft voldaan.
Dat de schuldenaar zijn onvermogen heeft bewerkt, kan worden afgeleid uit enige omstandigheid waaruit blijkt dat hij zich onvermogend heeft willen maken.
Ten aanzien van de derde die mededader of medeplichtig is, vervalt de strafvordering wanneer hij de hem overhandigde goederen teruggeeft.
AFDELING II. - MISBRUIK VAN VERTROUWEN.
Art. 491. Hij die ten nadele van een ander goederen, gelden, koopwaren, biljetten, kwijtingen, geschriften van om het even welke aard, die een verbintenis of een schuldbevrijding inhouden of teweegbrengen en die hem overhandigd zijn onder verplichting om ze terug te geven of ze voor een bepaald doel te gebruiken of aan te wenden, bedrieglijk verduistert of verspilt, wordt gestraft met gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank.
De schuldige kan bovendien worden veroordeeld tot ontzetting van rechten overeenkomstig artikel 33.
Art. 492. De bepaling van artikel 462 is toepasselijk op het misdrijf in het vorige artikel omschreven.
Art. 492bis. <ingevoegd bij W 1997-08-08/80, art. 142, Van kracht : 01-01-1998> Met gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en met geldboete van honderd frank tot vijfhonderdduizend frank worden gestraft de bestuurders, in feite of in rechte, van burgerlijke en handelsvennootschappen, alsook van verenigingen zonder winstoogmerk, die met bedrieglijk opzet en voor persoonlijke rechtstreekse of indirecte doeleinden gebruik hebben gemaakt van de goederen of van het krediet van de rechtspersoon, hoewel zij wisten dat zulks op betekenisvolle wijze in het nadeel was van de vermogensbelangen van de rechtspersoon en van die van zijn schuldeisers of vennoten.
De schuldigen kunnen daarenboven veroordeeld worden tot ontzetting van hun rechten overeenkomstig artikel 33.
Art. 493. (Met gevangenisstraf van drie maanden tot vijf jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank wordt gestraft hij die misbruik maakt van de behoeften, de zwakheden, (de hartstochten of de onwetendheid) van een minderjarige om hem, te zijnen nadele, verbintenissen, kwijtingen, schuldbevrijdingen, handelspapieren of enig ander verbindend papier te doen tekenen, in welke vorm deze handeling ook verricht of vermomd mag zijn.) <KB148 18-03-1935, art. 1>
De schuldige kan bovendien worden veroordeeld tot ontzetting van rechten overeenkomstig artikel 33.
Art. 494. <KB148 18-03-1935, art. 2> Met gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met geldboete van duizend frank tot tienduizend frank of met een van die straffen alleen wordt gestraft hij die zich wegens een in enigerlei vorm aangegane geldlening voor zichzelf of voor een ander een interest of andere voordelen doet beloven, die de wettelijke interest overschrijden, indien hij er een gewoonte van maakt de zwakheden of de hartstochten van de lener te misbruiken.
Met dezelfde straffen wordt gestraft hij die zich wegens een in enigerlei vorm aangegane geldlening voor zichzelf of voor een ander een interest of andere voordelen doet beloven, die klaarblijkelijk de normale interest en de dekking van het risico van die lening overschrijden, indien hij er een gewoonte van maakt de behoeften of de onwetendheid van de lener te misbruiken.
In de gevallen van dit artikel vermindert de rechter, op vordering van elke benadeelde partij, haar verplichtingen overeenkomstig artikel 1907ter van het Burgerlijk Wetboek.
Art. 495. Hij die, na in een rechtsgeding enige titel, enig stuk of enige memorie te hebben overgelegd, die titel, dat stuk of die memorie, op welke wijze ook, kwaadwillig of bedrieglijk verduistert, wordt gestraft met geldboete van zesentwintig frank tot driehonderd frank.
Deze straf wordt uitgesproken door de rechtbank waarbij het geschil aanhangig is.
Art. 495bis. <W 10-10-1967, art. 144> Met gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot duizend frank, of met een van die straffen alleen, wordt gestraft hij die een stuk dat hij onder zich heeft en waarvan de overlegging in rechte bij een vonnis wordt bevolen, bedrieglijk vernietigt, verandert of verbergt.
AFDELING III. - OPLICHTING EN BEDRIEGERIJ.
Art. 496. Hij die, met het oogmerk om zich een zaak toe te eigenen die aan een ander toebehoort, zich gelden, roerende goederen, verbintenissen, kwijtingen, schuldbevrijdingen doet afgeven of leveren, hetzij door het gebruik maken van valse namen of valse hoedanigheden, hetzij door het aanwenden van listige kunstgrepen om te doen geloven aan het bestaan van valse ondernemingen, van een denkbeeldige macht of van een denkbeeldig krediet, om een goede afloop, een ongeval of enige andere hersenschimmige gebeurtenis te doen verwachten of te doen vrezen of om op andere wijze misbruik te maken van het vertrouwen of van de lichtgelovigheid, wordt gestraft met gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot drieduizend frank.
(Poging tot het wanbedrijf omschreven in het eerste lid wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot tweeduizend frank.) <W 1993-06-16/35, art. 1, 1°, 009; Van kracht : 03-08-1993>
(In de gevallen in de vorige leden omschreven kan de schuldige bovendien worden veroordeeld tot ontzetting van rechten overeenkomstig artikel 33.) <W 1993-06-16/35, art. 1, 2°, 009; Van kracht : 03-08-1993>
Art. 497. Met gevangenisstraf van acht dagen tot drie jaar en met geldboete van vijftig frank tot vijfhonderd frank worden gestraft :
(Zij die met bedrieglijk opzet aan een in België of in het buitenland wettelijk gangbare munt de schijn geven of pogen te geven van een munt van grotere waarde;
Zij die munten uitgeven of pogen uit te geven, waaraan de schijn is gegeven van munten van grotere waarde, of zodanige munten in het land invoeren of pogen in te voeren met het doel die in omloop te brengen.) <W 12-07-1932, art. 1, 12°>
Zij die stukken metaal zonder enige muntslag uitgeven of pogen uit te geven voor muntstukken.
Art. 497bis. <W 12-07-1932, art. 1, 13°> Met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank worden gestraft zij die munten waaraan de schijn is gegeven van munten van grotere waarde, ontvangen of zich aanschaffen met het doel die in omloop te brengen.
Poging wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van zesentwintig frank tot duizend frank.
Art. 498. Met gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met geldboete van vijftig frank tot duizend frank of met een van die straffen alleen wordt gestraft hij die de koper bedriegt :
Omtrent de identiteit van de verkochte zaak, door bedrieglijk een andere zaak te leveren dan het bepaalde voorwerp waarop de overeenkomst slaat;
Omtrent de aard of de oorsprong van de verkochte zaak, door een zaak te verkopen of te leveren, die in schijn gelijk is aan die welke hij heeft gekocht of heeft gemeen te kopen.
Art. 499. <W 17-06-1896, enig art.> Tot gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en tot geldboete van zesentwintig frank tot duizend frank of tot een van die straffen alleen worden veroordeeld zij die door het aanwenden van listige kunstgrepen :
1° De koper of de verkoper omtrent de hoeveelheid van de verkochte zaken bedriegen;
2° De partijen, verbonden door een contract van huur van werk, of een van die partijen, bedriegen, hetzij omtrent de hoeveelheid, hetzij omtrent de hoedanigheid van het geleverde werk, wanneer in dit tweede geval de bepaling van de hoedanigheid van het werk moet dienen om het bedrag van het loon vast te stellen.
Art. 500. Met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van vijftig frank tot duizend frank of met een van die straffen alleen worden gestraft :
Zij die (voedingsmiddelen) bestemd om verkocht of gesleten te worden, vervalsen of doen vervalsen;
Zij die deze zaken verkopen, slijten of te koop stellen, wetende dat zij vervalst zijn; <W 24-01-1977, art. 24, 1°>
Zij die door aanplakbiljetten of door berichten, al dan niet gedrukt, kwaadwillig of bedrieglijk het procédé om diezelfde zaken te vervalsen, verbreiden of bekendmaken.
Art. 501. Met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank of met een van die straffen alleen wordt gestraft hij bij wie (voedingsmiddelen gevonden worden) bestemd om verkocht of gesleten te worden, en die weet dat zij vervalst zijn. <W 24-01-1977, art. 24, 2°>
Art. 501bis. <W 20-06-1964, art. 15> Wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met een geldboete van zesentwintig tot driehonderd frank of met één dezer straffen alleen, hij die, zonder het in artikel 500 vereiste bedrieglijk opzet, vervalste (voedingsmiddelen) heeft verkocht, gesloten of te koop gesteld. <W 24-01-1977, art. 24, 3°>
Art. 502. In de gevallen (van de artikelen 500 en 501) kan de rechtbank bevelen dat het vonnis zal worden aangeplakt op de plaatsen die zij bepaalt, en in zijn geheel of bij uittreksel zal worden opgenomen in de bladen die zij aanwijst; een en ander op kosten van de veroordeelde. <W 24-01-1977, art. 24, 4°>
(Lid 2 opgeheven) <W 29-10-1919, art. 90>
Art. 503. <W 24-01-1977, art. 25> De vervalste voedingsmiddelen die in het bezit van de schuldige worden gevonden, worden in beslag genomen en verbeurd verklaard.
Nochtans moeten die voedingsmiddelen, wanneer zij ingevolge de vervalsing voor de voeding ongeschikt zijn gemaakt en wegens hun aard of toestand niet kunnen worden bewaard, na monsterneming worden vernietigd of gedenatureerd door de bekeurende beambte, bijgestaan door een ambtenaar bedoeld in artikel 11 van de wet betreffende de bescherming van de gezondheid van de verbruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere produkten, welke personen gezamenlijk de processen-verbaal van de inbeslagneming en vernietiging of denaturering van die voedingsmiddelen ondertekenen. In ieder geval wordt de verbeurdverklaring bevolen.
De voedingsmiddelen die niettegenstaande hun vervalsing voor de voeding geschikt blijven, mogen worden overgemaakt aan een van een ondergeschikt bestuur afhangende inrichting voor maatschappelijk dienstbetoon, hetzij onmiddellijk na monsterneming zo het voedingsmiddelen betreft die niet voor bewaring vatbaar zijn, hetzij na rechterlijke beslissing waarbij de verbeurdverklaring wordt bevolen, zo deze voedingsmiddelen vatbaar zijn voor bewaring.
Art. 504. De bepaling van artikel 462 is toepasselijk op de misdrijven, in de artikelen 496, 498 en 499 omschreven.
AFDELING IIIBIS. <Ingevoegd bij W 1999-02-10/39, art. 5; Van kracht : 02-04-1999>
Art. 504bis. <Ingevoegd bij W 1999-02-10/39, art. 5; Van kracht : 02-04-1999> § 1. Passieve private omkoping bestaat in het feit dat een persoon die bestuurder of zaakvoerder van een rechtspersoon, lasthebber of aangestelde van een rechtspersoon of van een natuurlijke persoon is, rechtstreeks of door tussenpersonen, voor zichzelf of voor een derde, een aanbod, een belofte of een voordeel van welke aard dan ook vraagt of aanneemt, om zonder medeweten en zonder machtiging van, naar gelang van het geval, de raad van bestuur of de algemene vergadering, de lastgever of de werkgever, een handeling van zijn functie of een door zijn functie vergemakkelijkte handeling te verrichten of na te laten.
§ 2. Actieve private omkoping bestaat in het rechtstreeks of door tussenpersonen voorstellen aan een persoon die bestuurder of zaakvoerder van een rechtspersoon, lasthebber of aangestelde van een rechtspersoon of van een natuurlijke persoon is, van een aanbod, een belofte of een voordeel van welke aard dan ook voor zichzelf of voor een derde om zonder medeweten en zonder machtiging van, naar gelang van het geval, de raad van bestuur of de algemene vergadering, de lastgever of de werkgever, een handeling van zijn functie of een door zijn functie vergemakkelijkte handeling te verrichten of na te laten.
Art. 504ter. <Ingevoegd bij W 1999-02-10/39, art. 5; Van kracht : 02-04-1999> § 1. In geval van private omkoping is de straf een gevangenisstraf van zes maanden tot twee jaar en een geldboete van 100 frank tot 100 000 frank of één van die straffen.
§ 2. Indien de vraag bedoeld in artikel 504bis, § 1, gevolgd wordt door een voorstel bedoeld in artikel 504bis, § 2, evenals ingeval het voorstel bedoeld in artikel 504bis, § 2, aangenomen wordt, is de straf een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een geldboete van 100 frank tot 50 000 frank of één van die straffen.
AFDELING IIIbis. - Informaticabedrog. <ingevoegd bij W 2000-11-28/34, art. 5; Van kracht : 13-02-2001>
Art. 504quater. § 1. Hij die, voor zichzelf of voor een ander, een bedrieglijk vermogensvoordeel verwerft, door gegevens die worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een informaticasysteem, in een informaticasysteem in te voeren, te wijzigen, te wissen of met enig ander technologisch middel de mogelijke aanwending van gegevens in een informaticasysteem te veranderen, wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot honderdduizend frank of met een van die straffen alleen.
§ 2. Poging tot het plegen van het misdrijf bedoeld in § 1 wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot vijftigduizend frank, of met een van die straffen alleen.
§ 3. De straffen bepaald in de §§ 1 en 2 worden verdubbeld indien een overtreding van een van die bepalingen wordt begaan binnen vijf jaar na de uitspraak houdende veroordeling wegens een van die strafbare feiten of wegens een van de strafbare feiten bedoeld in de artikelen 210bis, 259bis, 314bis of in titel IXbis.
AFDELING IV. - (Heling en andere verrichtingen met betrekking tot zaken die uit een misdrijf voortkomen.) <W 1990-07-17/30, art. 4, 004; Van kracht : 25-08-1990>
Art. 505. <L 1995-04-07/57, art. 7, 004; Van kracht : 20-05-1995 Met gevangenisstraf van vijftien dagen tot vijf jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot honderdduizend frank of met een van die straffen alleen worden gestraft :
1° zij die weggenomen, verduisterde of door misdaad of wanbedrijf verkregen zaken of een gedeelte ervan helen;
2° zij die zaken bedoeld in artikel 42, 3°, hebben gekocht, in ruil of om niet hebben ontvangen, in bezit, bewaring of beheer hebben genomen, ofschoon zij de oorsprong ervan kennen of moesten kennen;
3° zij die de zaken, bedoeld in artikel 42, 3°, omgezet of overdragen hebben met de bedoeling de illegale herkomst ervan te verbergen of te verdoezelen of een persoon die betrokken is bij een misdrijf waaruit deze zaken voortkomen, te helpen ontkomen aan de rechtsgevolgen van zijn daden;
4° zij die de aard, oorsprong, vindplaats vervreemding, verplaatsing of eigendom van de in artikel 42, 3°, bedoelde zaken hebben verheeld of verhuld, ofschoon zij de oorsprong ervan kenden of moesten kennen.
De in 3° en 4° beoogde misdrijven blijven bestaan, ook indien ze gepleegd worden door de dader of mededader van, respectievelijk de medeplichtige aan het misdrijf waaruit de zaken bedoeld in artikel 42, 3° voortkomen.
De zaken bedoeld in 1°, 2°, 3° en 4° van dit artikel maken het voorwerp uit van de misdrijven die gedekt worden door deze bepalingen, in de zin van artikel 42, 1°, en zij worden verbeurdverklaard, ook indien zij geen eigendom zijn van de veroordeelde, zonder dat deze verbeurd verklaring nochtans de rechten van derden op de goederen die het voorwerp kunnen uitmaken van de verbeurd verklaring, schaadt.
Poging tot een van de misdrijven bedoeld in 2°, 3° en 4° van dit artikel wordt bestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot vijftigduizend frank of met een van die straffen alleen.
De personen die krachtens deze bepalingen worden gestraft, kunnen bovendien veroordeeld worden tot ontzetting, overeenkomstig artikel 33.
Art. 506. <W 2003-01-23/42, art. 81, 041; Van kracht : 13-03-2003> Ingeval de straf, toepasselijk op de daders van de misdaad, levenslange opsluiting of opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar is, worden de in het vorige artikel bedoelde helers veroordeeld tot opsluiting van vijf jaar tot tien jaar indien bevonden wordt dat zij ten tijde van de heling kennis droegen van de omstandigheden waaraan de wet levenslange opsluiting of opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar verbindt.
AFDELING V. - ENIGE ANDERE SOORTEN VAN BEDROG.
Art. 507. Met gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank worden gestraft de beslagene en allen die voorwerpen waarop tegen hem beslag is gedaan, in zijn belang bedrieglijk vernietigen of wegmaken.
(Dezelfde bepaling is van toepassing op de echtgenoot of op hen die in zijn belang roerende goederen vernietigen, beschadigen of wegmaken, ten aanzien waarvan een maatregel is uitgevaardigd als bedoeld (in artikel 223 van het Burgerlijk Wetboek)(en in de artikelen 1253septies, tweede lid, en 1280 van het Gerechtelijk Wetboek.)) <W 1990-04-09/35, art. 1, 003; Van kracht : 19-06-1990>
Art. 507bis. <ingevoegd bij W 1998-03-12/39, art. 45; Van kracht : 1998-10-02> Met gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank wordt gestraft hij die de overeenkomstig de artikelen 28sexies en 61quater van het Wetboek van Strafvordering opgelegde voorwaarden bij de opheffing van een opsporings- of onderzoekshandeling niet naleeft.
Art. 508. Met gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank worden gestraft :
Zij die een roerende zaak die aan een ander toebehoort en die zij hebben gevonden of die bij toeval in hun bezit is gekomen, bedrieglijk verbergen of aan derden afgeven;
Zij die zich een door hen ontdekte schat toeëigenen ten nadele van de personen aan wie de wet een deel daarvan toekent.
Art. 508bis. <W 23-03-1936, enig art.> Met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van tweehonderd frank tot vijftienhonderd frank of met een van die straffen alleen wordt gestraft hij die, wetende dat hij in de volstrekte onmogelijkheid verkeert om te betalen, zich in een daartoe bestemde inrichting dranken of spijzen laat opdienen, die hij daar geheel of gedeeltelijk verbruikt, zich logies doet geven in een reizigershotel of in een herberg, of een huurrijtuig huurt.
In geval van herhaling kunnen de straffen worden verdubbeld.
(Lid 3 opgeheven) <W 17-12-1963, art. 2>
Art. 508ter. <W 17-12-1963, art. 1> Met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van tweehonderd frank tot vijftienhonderd frank of met een van die straffen alleen wordt gestraft hij die, na een voertuig van brandstof of smeerolie te hebben laten voorzien, zich bedrieglijk aan de onmiddellijke betaling onttrekt.
Bij herhaling kunnen de straffen worden verdubbeld.
Art. 509. Met gevangenisstraf van een maand tot twee jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot drieduizend frank wordt gestraft hij die zich gelden, waarden of schuldbevrijdingen bedrieglijk aanschaft door middel van een effect, getrokken op een persoon die niet bestaat of van wie hij weet dat hij zijn schuldenaar niet is of op de vervaldag niet zijn zal, en die hem niet heeft gemachtigd op hem te trekken.
De vervolging zal echter niet plaatshebben of zal worden gestaakt, indien het effect betaald is of indien fonds bezorgd is op het ogenblik dat het bedrog ontdekt wordt, tenzij de betrokkene klacht heeft gedaan.
In dat geval wordt de schuldige veroordeeld tot gevangenisstraf van vijftien dagen tot drie maanden en tot geldboete van zesentwintig frank tot driehonderd frank of tot een van die straffen alleen.
Art. 509bis. <W 02-05-1956, art. 28> Met gevangenisstraf van een maand tot twee jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot drieduizend frank wordt gestraft :
1° Hij die wetens en willens een postcheque of een postoverschrijving uitgeeft zonder toereikende, voorafgaande en beschikbare dekking;
2° Hij die een van deze titels overdraagt, wetende dat de dekking niet tevens toereikend en beschikbaar is;
3° Hij die na een van deze titels te hebben uitgegeven, wetens en willens hun dekking geheel of gedeeltelijk afhaalt binnen zes maanden na hun uitgifte;
4° Hij die, na een van deze titels te hebben uitgegeven, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de dekking geheel of ten dele onbeschikbaar maakt.
Art. 509ter. <W 31-03-1958, art. 3> Met gevangenisstraf van een maand tot twee jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot drieduizend frank, of met een van die straffen alleen wordt gestraft :
1° Hij die, na een factuur te hebben geëndosseerd, wetens het bedrag ervan int ten eigen bate;
2° Hij die, na het origineel of een duplicaat van een factuur te hebben geëndosseerd, zich wetens geld doet ter hand stellen of enig voordeel doet toekennen dank zij het endossement van een ander exemplaar (het origineel of een duplicaat) van dezelfde factuur;
3° Hij die zich geld doet afgeven of zich enig voordeel doet toekennen door wetens een factuur betreffende een wettelijk teniet gegane verbintenis te endosseren.
Art. 509quater. (Opgeheven) <W 1990-12-04/32, art. 193, 005; Van kracht : 01-01-1991>
HOOFDSTUK III. - VERNIELING, BESCHADIGING, AANRICHTING VAN SCHADE.
AFDELING I. - BRANDSTICHTING.
Art. 510. (Zie NOTA 1 onder TITEL) <W 07-06-1963, art. 3> Met (opsluiting) van vijftien jaar tot twintig jaar worden gestraft zij die in brand steken : gebouwen, bruggen, dijken, straatwegen, spoorwegen, sluizen, magazijnen, werkplaatsen, loodsen, schepen, vaartuigen, rijtuigen, wagons, vliegtuigen of andere kunstwerken, bouwwerken of motorvoertuigen, indien de dader moest vermoeden dat zich aldaar op het ogenblik van de brand een of meer personen bevonden. <W 2003-01-23/42, art. 82, 041; Van kracht : 13-03-2003>
Art. 511. <W 07-06-1963, art. 4> Met (opsluiting) van tien jaar tot vijftien jaar worden gestraft zij die in brand steken, hetzij de onroerende eigendommen in artikel 510 vermeld, hetzij schepen, vaartuigen en vliegtuigen, maar buiten de gevallen in dat artikel omschreven, hetzij wouden, bossen, schaarhout of vruchten te velde. <W 2003-01-23/42, art. 82, 041; Van kracht : 13-03-2003>
Indien de eigendommen echter uitsluitend toebehoren aan hen die ze hebben in brand gestoken, en de brand met kwaad of bedrieglijk opzet is gesticht, worden de schuldigen gestraft met gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar en met geldboete van tweehonderd frank tot duizend frank.
Art. 512. <W 07-06-1963, art. 5> Met gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar en met geldboete van honderd frank tot duizend frank worden gestraft zij die opzettelijk de roerende goederen die aan een ander toebehoren in brand steken, met uitzondering van schepen, vaartuigen en vliegtuigen, en op voorwaarde dat de daad aan anderen ernstig nadeel kan berokkenen.
Indien de roerende goederen uitsluitend toebehoren aan hen die ze hebben in brand gestoken en de brand met kwaad of bedrieglijk opzet is gesticht, zijn de straffen zes maanden tot drie jaar gevangenisstraf en geldboete van zesentwintig frank tot tweehonderd frank.
Art. 513. (Zie NOTA 1 onder TITEL) <W 2003-01-23/42, art. 83, 041; Van kracht : 13-03-2003> Wordt de brand bij nacht gesticht dan worden de bij de artikelen 510 tot 512 bepaalde straffen vervangen als volgt :
opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar, door opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar;
opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar, door opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar;
de gevangenisstraf en de geldboete, bij artikel 511, tweede lid, en artikel 512, eerst lid, bepaald, door opsluiting van vijf jaar tot tien jaar;
de gevangenisstraf en de geldboete, bij artikel 512, tweede lid, bepaald, door gevangenisstraf van een jaar tot vier jaar en geldboete van vijftig frank tot vijfhonderd frank.
Art. 514. Wanneer op brandstichting gevangenisstraf gesteld is, wordt de poging tot brandstichting gestraft met gevangenisstraf van twee maanden tot twee jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot tweehonderd frank.
Art. 514bis. <Ingevoegd bij W 2003-02-25/37, art. 13; Van kracht : 27-03-2003> In de gevallen bepaald in de artikelen 510 tot 514 kan het minimum van de bij die artikelen bepaalde straffen worden verdubbeld in geval van correctionele straffen en met twee jaar verhoogd in geval van opsluiting, wanneer een van de drijfveren van de misdaad of het wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, zijn huidskleur, zijn afkomst, zijn nationale of etnische afstamming, zijn geslacht, zijn seksuele geaardheid, zijn burgerlijke staat, zijn geboorte, zijn leeftijd, zijn fortuin, zijn geloof of levensbeschouwing, zijn huidige of toekomstige gezondheidstoestand, een handicap of een fysieke eigenschap.
Art. 515. In de gevallen in de vorige artikelen omschreven, kan de schuldige die tot gevangenisstraf veroordeeld wordt, bovendien worden veroordeeld tot ontzetting van rechten overeenkomstig artikel 33 (...). <W 09-04-1930, art. 32>
Art. 516. Hij die, met het oogmerk om een van de feiten te plegen, omschreven in de artikelen 510, 511 en 512, enige zaak in brand steekt, zodanig geplaatst dat de brand zal overslaan op de zaak die hij wil vernielen, wordt gestraft alsof hij rechtstreeks de laatstbedoelde zaak had in brand gestoken of gepoogd in brand te steken.
Art. 517. Wanneer de brand overslaat van de zaak die de schuldige wilde verbranden, op een andere zaak waarvan de vernieling strafbaar is met een zwaardere straf, wordt deze uitgesproken, indien de twee zaken zodanig geplaatst waren dat de brand noodzakelijk van de ene op de andere moest overslaan.
Art. 518. <W 07-06-1963, art. 7> Wanneer de brand verwondingen heeft veroorzaakt aan een of meer personen en de dader van het feit moest vermoeden dat zij zich in de in brand gestoken plaatsen bevonden op het ogenblik van de misdaad of van het wanbedrijf, wordt de schuldige veroordeeld alsof die verwondingen met voorbedachten rade waren toegebracht en wordt de door de wet hierop gestelde straf toegepast, indien deze zwaarder is dan de straf die wegens brandstichting op hem toepasselijk is.
In het tegenovergestelde geval wordt de laatstbedoelde straf tot twee jaar boven het maximum verhoogd, indien zij in opsluiting (van vijftien jaar tot twintig jaar of gedurende een kortere tijd) bestaat. <W 2003-01-23/42, art. 84, 041; Van kracht : 13-03-2003>
Indien het feit de dood ten gevolge heeft, wordt de (levenslange opsluiting) toegepast. <W 1996-07-10/42, art. 15, 018; Van kracht : 11-08-1996>
Art. 519. Met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank of met een van die straffen alleen wordt gestraft het veroorzaken van brand van andermans roerende of onroerende eigendommen, hetzij door ouderdom of gebrek aan herstelling of reiniging van nabijgelegen ovens, schoorstenen, smederijen, huizen of fabrieken, hetzij door het aansteken van vuren op het veld op minder dan honderd meter afstand van huizen, gebouwen, wouden, heiden, bossen, boomgaarden, beplantingen, hagen, mijten, tassen graan, stro, hooi, voeder of van enige andere stapel brandbare stoffen, hetzij door vuur of licht te dragen of te laten staan of vuurwerk aan- of af te steken zonder voldoende voorzorg.
Art. 520. <W 07-06-1963, art. 8> Met de straffen bij de vorige artikelen bepaald, en naar de onderscheidingen aldaar gemaakt, worden gestraft zij die gebouwen, bruggen, dijken, straatwegen, spoorwegen, sluizen, magazijnen, werkplaatsen, loodsen, schepen, vaartuigen, rijtuigen, wagons, vliegtuigen of andere kunstwerken, bouwwerken of motorvoertuigen, door het veroorzaken van een ontploffing, vernielen of pogen te vernielen.
AFDELING II. - VERNIELING VAN BOUWWERKEN, STOOMMACHINES EN TELEGRAAFTOESTELLEN.
Art. 521. (Zie NOTA 1 onder TITEL) <W 07-06-1963, art. 9> Hij die buiten de gevallen in de artikelen 510 tot 520 genoemd, door welk middel ook, gebouwen, bruggen, dijken, straatwegen, spoorwegen, sluizen, magazijnen, werkplaatsen, loodsen, schepen, vaartuigen, vliegtuigen of andere kunstwerken of bouwwerken die aan een ander toebehoren, geheel of ten dele vernielt, wordt gestraft met (opsluiting van vijf jaar tot tien jaar). <W 2003-01-23/42, art. 85, 041; Van kracht : 13-03-2003>
Bij onbruikbaarmaking met het oogmerk om te schaden, is de straf vijftien dagen tot drie jaar gevangenis en geldboete van vijftig frank tot vijfhonderd frank.
De in het tweede lid bedoelde straf is toepasselijk in geval van gehele of gedeeltelijke vernieling of van onbruikbaarmaking, met het oogmerk om te schaden, van rijtuigen, wagons en motorvoertuigen.
Art. 522. De bepaling van artikel 518 is toepasselijk op het geval in het vorige artikel omschreven.
Art. 523. <W 07-06-1963, art. 10> Hij die een machine vernielt, die aan een ander toebehoort en bestemd is voor voortbrenging, omzetting of verdeling van drijfkracht of voor het verbruik ervan voor andere dan louter huishoudelijke doeleinden, wordt veroordeeld tot gevangenisstraf van vijftien dagen tot drie jaar en tot geldboete van vijfhonderd frank.
Vernieling bestaat zodra de werking van de machine geheel of ten dele verhinderd is, onverschillig of het feit de aandrijvende dan wel de aangedreven toestellen betreft.
Art. 524. (Opgeheven) <W 13-10-1930, art. 31>
Art. 525. (Zie NOTA 1 onder TITEL) <W 2003-01-23/42, art. 86, 041; Van kracht : 13-03-2003> Wanneer de feiten, in de twee vorige artikelen omschreven, gepleegd worden in vereniging of in bende en met behulp van gewelddaden, feitelijkheden of bedreigingen, worden de schuldigen gestraft met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar.
De hoofden en de aanstokers worden veroordeeld tot opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar en tot geldboete van vijfhonderd frank tot vijfduizend frank.
AFDELING III. - VERNIELING OF BESCHADIGING VAN GRAVEN, MONUMENTEN, KUNSTVOORWERPEN, TITELS, BESCHEIDEN OF ANDERE PAPIEREN.
Art. 526. Met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank wordt gestraft hij die vernielt, neerhaalt, verminkt of beschadigt :
Grafsteden, gedenktekens of grafstenen;
Monumenten, standbeelden of andere voorwerpen die tot algemeen nut of tot openbare versiering bestemd zijn en door de bevoegde overheid of met haar machtiging zijn opgericht;
Monumenten, standbeelden, schilderijen of welke kunstvoorwerpen ook, die in kerken, tempels of andere openbare gebouwen zijn geplaatst.
Art. 527. Hij die registers, minuten of oorspronkelijke akten van het openbaar gezag, titels, biljetten, wisselbrieven, handels- of bankpapieren, die een verbintenis, beschikking of schuldbevrijding inhouden of teweegbrengen, op enigerlei wijze kwaadwillig of bedrieglijk vernietigt, wordt gestraft alsof hij die stukken had weggenomen, en naar de onderscheidingen in het eerste hoofdstuk van deze titel gemaakt.
AFDELING IV. - VERNIELING OF BESCHADIGING VAN EETWAREN, KOOPWAREN OF ANDERE ROERENDE EIGENDOMMEN.
Art. 528. Elke vernieling, elke beschadiging van andermans roerende eigendommen, gepleegd met behulp van geweld of bedreiging, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank of met een van die straffen alleen.
Art. 529. (Zie NOTA 1 onder TITEL) <W 2003-01-23/42, art. 87, 041; Van kracht : 13-03-2003> Indien het feit gepleegd wordt in vereniging of in bende, is de straf opsluiting van vijf jaar tot tien jaar.
De hoofden en de aanstokers worden gestraft met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar.
Art. 530. (Zie NOTA 1 onder TITEL) <W 2003-01-23/42, art. 88, 041; Van kracht : 13-03-2003> Vernieling of beschadiging van andermans roerende eigendommen, gepleegd met behulp van geweld of bedreiging, in een bewoond huis of in de aanhorigheden ervan en met een van de omstandigheden van artikel 471, wordt gestraft met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar.
De straf zal niet minder zijn dan twaalf jaar indien de misdaad in vereniging of in bende gepleegd wordt.
De hoofden en de aanstokers worden gestraft met opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar.
Art. 531. Indien het geweld of de bedreiging met behulp waarvan de vernieling of de beschadiging wordt gepleegd, een ziekte of een lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 400 ten gevolge heeft, worden de schuldigen gestraft met de straf onmiddellijk hoger dan die waarmee zij op grond van de twee vorige artikelen zouden worden gestraft.
Art. 532. Doodslag gepleegd om de vernieling of de beschadiging te vergemakkelijken of om de straffeloosheid ervan te verzekeren, wordt gestraft met (levenslange opsluiting). <W 1996-07-10/42, art. 15, 018; Van kracht : 11-08-1996>
Art. 532bis. <Ingevoegd bij W 2003-02-25/37, art. 14; Van kracht : 27-03-2003> In de gevallen bepaald in de artikelen 528 tot 532 kan het minimum van de in die artikelen bepaalde straffen worden verdubbeld in geval van correctionele straffen en met twee jaar verhoogd in geval van opsluiting, wanneer een van de drijfveren van de misdaad of het wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, zijn huidskleur, zijn afkomst, zijn nationale of etnische afstamming, zijn geslacht, zijn seksuele geaardheid, zijn burgerlijke staat, zijn geboorte, zijn leeftijd, zijn fortuin, zijn geloof of levensbeschouwing, zijn huidige of toekomstige gezondheidstoestand, een handicap of een fysieke eigenschap.
Art. 533. Hij die koopwaren of stoffen dienende om verwerkt te worden, kwaadwillig of bedrieglijk vervalst of beschadigt, wordt gestraft met gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot driehonderd frank.
De gevangenisstraf is zes maanden tot drie jaar en de geldboete vijftig frank tot vijfhonderd frank, indien het misdrijf wordt gepleegd door iemand die in de fabriek, het werkhuis of het handelshuis werkzaam is.
Art. 534. Hij die de banden of de hindernissen waarmee een vaartuig, een wagon of een voertuig is vastgelegd, kwaadwillig wegneemt, doorsnijdt of vernielt, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar.
AFDELING V. - VERNIELING EN VERWOESTING VAN VELDVRUCHTEN, PLANTEN, BOMEN, ENTEN, GRANEN EN VOEDER, VERNIELING VAN LANDBOUWGEREEDSCHAPPEN.
Art. 535. Met gevangenisstraf van een maand tot drie jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank wordt gestraft hij die vruchten te velde of natuurlijk opgekomen of gepoot plantsoen kwaadwillig afsnijdt of verwoest.
Art. 536. Met gevangenisstraf van een maand tot twee jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot tweehonderd frank wordt gestraft hij die kwaadwillig een bezaaide akker verwoest, zaad van dolik of van enig ander schadelijk kruid of gewas op een akker strooit, landbouwgereedschappen, omheiningen voor het vee of wachtershutten stukbreekt of onbruikbaar maakt.
Art. 537. Hij die kwaadwillig een of meer bomen omhakt of zodanig snijdt, verminkt of ontschorst dat zij vergaan, of een of meer enten vernielt, wordt gestraft :
Voor elke boom, met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van zesentwintig frank tot honderd frank;
Voor elke ent, met gevangenisstraf van acht dagen tot vijftien dagen en met geldboete van zesentwintig frank tot vijftig frank of met een van die straffen alleen.
In geen geval mag de gezamenlijke straf hoger zijn dan drie jaar wat de gevangenisstraf en vijfhonderd frank wat de geldboete betreft.
AFDELING VI. - OMBRENGEN VAN DIEREN.
Art. 538. Hij die paarden of andere trek- of lastdieren, hoornvee, schapen, geiten of varkens vergiftigt, wordt gestraft met gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot driehonderd frank.
Art. 539. Hij die in een rivier, een vaart, een beek, een vijver, een visvijver of een viskom stoffen werpt die de vis kunnen vernielen, en met het oogmerk om die uitslag te bereiken, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van zesentwintig frank tot driehonderd frank.
Art. 540. Zij die buiten noodzaak een van de in artikel 538 vermelde dieren doden of zwaar letsel toebrengen, worden gestraft met de volgende straffen :
Indien het misdrijf wordt gepleegd in gebouwen, besloten erven en aanhorigheden of op gronden waarvan de meester van het gedode of gewonde dier eigenaar, huurder, deelpachter of pachter is, is de straf gevangenisstraf van een maand tot zes maanden en geldboete van vijftig frank tot driehonderd frank;
Indien het gepleegd wordt op plaatsen waarvan de schuldige zelf eigenaar, huurder, deelpachter of pachter is, is de straf gevangenisstraf van acht dagen tot twee maanden en geldboete van zesentwintig frank tot honderd frank;
Indien het gepleegd wordt op enige andere plaats, wordt gevangenisstraf van vijftien dagen tot drie maanden en geldboete van vijftig frank tot tweehonderd frank opgelegd.
Art. 541. Hij die buiten noodzaak een ander huisdier dan de in artikel 538 vermelde doodt of zwaar letsel toebrengt, op een plaats waarvan degene aan wie het dier toebehoort, eigenaar, vruchtgebruiker, gebruiker, huurder, deelpachter of pachter is, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van zesentwintig frank tot tweehonderd frank of met een van die straffen alleen.
Deze straffen worden opgelegd, indien die feiten kwaadwillig gepleegd worden op een tam of een gevangen gehouden dier op de plaatsen waar zij gehouden worden, ofwel op een huisdier op het ogenblik dat het gebruikt wordt tot de dienst waartoe het bestemd is en op een plaats waar zijn meester het recht heeft zich te bevinden.
Art. 542. Indien er in de gevallen van de vorige artikelen schending van afsluiting heeft plaatsgehad, wordt het minimum van de straf verhoogd overeenkomstig artikel 266.
AFDELING VII. - BEPALINGEN AAN DE VORIGE AFDELINGEN GEMEEN.
Art. 543. Indien de feiten, in de afdelingen V en VI van dit hoofdstuk omschreven, gepleegd worden hetzij uit haat tegen een openbaar ambtenaar en uit hoofde van zijn bediening, hetzij bij nacht, wordt het minimum van de straf verhoogd overeenkomstig artikel 266.
Art. 544. (Opgeheven) <W 09-04-1930, art. 32>
AFDELING VIII. - VERNIELING VAN AFSLUITINGEN, VERPLAATSING OF VERWIJDERING VAN GRENSPALEN EN HOEKBOMEN.
Art. 545. Met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboete van zesentwintig frank tot tweehonderd frank of met een van die straffen alleen wordt gestraft hij die geheel of ten dele grachten dempt, levende of dode hagen afhakt of uitrukt, landelijke of stedelijke afsluitingen, uit welke materialen ook gemaakt, vernielt; grenspalen, hoekbomen of andere bomen, geplant of erkend om de grenzen tussen verschillende erven te bepalen, verplaatst of verwijdert.
Art. 546. Wanneer de feiten, in het vorige artikel omschreven, gepleegd worden met het oogmerk om een bezitsaanmatiging op een erf te plegen, is de straf gevangenisstraf van een maand tot een jaar en geldboete van vijftig frank tot tweeduizend frank.
AFDELING IX. - VERNIELING EN SCHADE DOOR OVERSTROMING VEROORZAAKT.
Art. 547. (Zie NOTA 1 onder TITEL) <W 2003-01-23/42, art. 89, 041; Van kracht : 13-03-2003> Met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar worden gestraft zij die kwaadwillig of bedrieglijk de werken van een mijn geheel of ten dele onder water zetten.
Indien de schuldige op grond van de omstandigheden moest vermoeden dat een of meer personen zich op het ogenblik van de overstroming in de mijn bevonden, wordt hij veroordeeld tot opsluiting van vijftien jaar
Art. 548. De bepaling van artikel 518 is toepasselijk op het feit in het vorige artikel omschreven.
Art. 549. Hij die kwaadwillig of bedrieglijk andermans erf onder water zet of er het water op schadelijke wijze op doet lopen, wordt veroordeeld tot geldboete van zesentwintig frank tot driehonderd frank.
Art. 550. Met geldboete van vijftig frank tot vijfhonderd frank worden gestraft de eigenaars, de pachters of alle andere personen die molens, fabrieken of vijvers in gebruik hebben en die andermans wegen of eigendommen onder water zetten door het verhogen van hun overlaten boven het peil dat door de bevoegde overheid is bepaald.
Indien uit die feiten enige beschadiging ontstaat, wordt, naast geldboete, gevangenisstraf van acht dagen tot een maand opgelegd.
TITEL IXbis. - Misdrijven tegen de vertrouwelijkheid, integriteit en beschikbaarheid van informaticasystemen en van de gegevens die door middel daarvan worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen. <ingevoegd bij W 2000-11-28/34, art. 6; Van kracht : 13-02-2001>
Art. 550bis. <ingevoegd bij W 2000-11-28/34, art. 6; Van kracht : 13-02-2001> § 1. Hij die, terwijl hij weet dat hij daar toe niet gerechtigd is, zich toegang verschaft tot een informaticasysteem of zich daarin handhaaft, wordt gestraft met gevangenisstraf van drie maanden tot een jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfentwintig duizend frank of met een van die straffen alleen.
Wanneer het misdrijf, bedoeld in het eerste lid, gepleegd wordt met bedrieglijk opzet, bedraagt de gevangenisstraf zes maanden tot twee jaar.
§ 2. Hij die, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, zijn toegangsbevoegdheid tot een informaticasysteem overschrijdt, wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot twee jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfentwintigduizend frank of met een van die straffen alleen.
§ 3. Hij die zich in een van de gevallen bedoeld in de §§ 1 en 2 bevindt en :
1° hetzij de gegevens die worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van het informaticasysteem op enige manier overneemt;
2° hetzij enig gebruik maakt van een informaticasysteem van een derde of zich bedient van het informaticasysteem om toegang te verkrijgen tot een informaticasysteem van een derde;
3° hetzij enige schade, zelfs onopzettelijk, veroorzaakt aan het informaticasysteem of aan de gegevens die door middel van het informaticasysteem worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen of aan een informaticasysteem van een derde of aan de gegevens die door middel van het laatstgenoemde informaticasysteem worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen;
wordt gestraft met gevangenisstraf van een jaar tot drie jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot vijftigduizend frank of met een van die straffen alleen.
§ 4. Poging tot het plegen van een van de misdrijven, bedoeld in §§ 1 en 2, wordt gestraft met dezelfde straffen.
§ 5. Hij die, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, gegevens die worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een informaticasysteem en waarmee de misdrijven, bedoeld in §§ 1 tot 4, gepleegd kunnen worden, opspoort, verzamelt, ter beschikking stelt, verspreidt of verhandelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot honderdduizend frank of met een van die straffen alleen.
§ 6. Hij die opdracht geeft of aanzet tot het plegen van een van de misdrijven, bedoeld in §§ 1 tot 5, wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar en met geldboete van honderd frank tot tweehonderdduizend frank of met een van die straffen alleen.
§ 7 Hij die, terwijl hij weet dat gegevens bekomen zijn door het plegen van een van de misdrijven bedoeld in §§ 1 tot 3, deze gegevens onder zich houdt, aan een andere persoon onthult of verspreidt, of er enig gebruik van maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot honderdduizend frank of met een van die straffen alleen.
§ 8. De straffen bepaald in de §§ 1 tot 7 worden verdubbeld indien een overtreding van een van die bepalingen wordt begaan binnen vijf jaar na de uitspraak houdende veroordeling wegens een van die strafbare feiten of wegens een van de strafbare feiten bedoeld in de artikelen 210bis, 259bis, 314bis, 504quater of 550ter.
Art. 550ter. <ingevoegd bij W 2000-11-28/34, art. 6; Van kracht : 13-02-2001> § 1. Hij die, met het oogmerk om te schaden, rechtstreeks of onrechtstreeks, gegevens in een informaticasysteem invoert, wijzigt, wist, of met enig ander technologisch middel de mogelijke aanwending van gegevens in een informaticasysteem verandert, wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfentwintigduizend frank of met een van die straffen alleen.
§ 2. Hij die, ten gevolge van het plegen van een misdrijf bedoeld in § 1, schade berokkent aan gegevens in dit of enig ander informaticasysteem, wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfenzeventigduizend frank of met een van die straffen alleen.
§ 3. Hij die, ten gevolge van het plegen van een van de misdrijven bedoeld in § 1, de correcte werking van dit of enig ander informaticasysteem geheel of gedeeltelijk belemmert, wordt gestraft met gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar en met geldboete van zesentwintig f rank tot honderdduizend frank of met een van die straffen alleen.
§ 4. Hij die, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, gegevens die worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een informaticasysteem, ontwerpt, ter beschikking stelt, verspreidt of verhandelt, terwijl hij weet dat deze gegevens aangewend kunnen worden om schade te berokkenen aan gegevens of, geheel of gedeeltelijk, de correcte werking van een informaticasysteem te belemmeren, wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot honderdduizend frank of met een van die straffen alleen.
§ 5. De straffen bepaald in de §§ 1 tot 4 worden verdubbeld indien een overtreding van een van die bepalingen wordt begaan binnen vijf jaar na de uitspraak houdende veroordeling wegens een van die strafbare feiten of wegens een van de strafbare feiten bedoeld in de artikelen 210bis, 259bis, 314bis, 504quater of 550bis.
TITEL X. - OVERTREDINGEN.
HOOFDSTUK I. - OVERTREDINGEN VAN DE EERSTE KLASSE.
Art. 551. Met geldboete van een frank tot tien frank worden gestraft :
1° Zij die nalaten ovens, schoorstenen of fabrieken waar gebruik wordt gemaakt van vuur, te onderhouden, te herstellen of te reinigen;
2° Zij die nalaten te zorgen voor de verlichting waartoe zij gehouden zijn;
3° Zij die nalaten de straten of doorgangen te reinigen in gemeenten waar zulks aan de inwoners is opgelegd;
4° Zij die buiten noodzaak of zonder verlof van de bevoegde overheid straten, pleinen of enig ander deel van de openbare weg belemmeren, hetzij door er materialen, steigers of om het even welke andere voorwerpen achter te laten, hetzij door er uitgravingen te doen;
5° Zij die met overtreding van de wetten en verordeningen nalaten te zorgen voor de verlichting van de materialen, steigers of om het even welke andere voorwerpen, die zij op de straten, pleinen of andere delen van de openbare weg hebben neergelegd of hebben achtergelaten, of voor de verlichting van de uitgravingen die zij daar gedaan hebben;
6° Zij die nalaten of weigeren de wetten, besluiten of verordeningen op de kleine wegen na te komen;
7° Zij die nalaten of weigeren gehoor te geven aan de aanmaning van de administratieve overheid om gebouwen die bouwvallig zijn, te herstellen of te slopen.
Art. 552. Met geldboete van een frank tot tien frank worden eveneens gestraft :
1° Zij die voorwerpen op de openbare weg neerwerpen, plaatsen of achterlaten, die door hun val of door ongezonde uitwasemingen kunnen schaden;
2° Zij die op de openbare straten, wegen, pleinen, plaatsen of op het veld ploegkouters, tangen, staven, stangen, ladders of andere toestellen, gereedschappen of wapens achterlaten, waarvan dieven of andere boosdoeners misbruik kunnen maken. Bovendien worden de voormelde voorwerpen in beslag genomen en verbeurd verklaard;
3° (...); <W 07-10-1886, art. 98, 11°>
4° (...); <W 07-10-1886, art. 98, 11°>
5° Zij die op onvoorzichtige wijze enig voorwerp op iemand werpen, dat hem kan hinderen of bevuilen;
6° Zij die, zonder daartoe gerechtigd te zijn, op andermans grond komen of erover gaan of hun honden erover doen lopen, indien de grond is gereedgemaakt of bezaaid;
7° (...); <W 07-10-1886, art. 98, 11°>
Art. 553. Met geldboete van een frank tot tien frank en met gevangenisstraf van een dag tot drie dagen of met een van die straffen alleen worden gestraft :
1° Zij die het verbod overtreden om op bepaalde plaatsen vuurwapens af te schieten of enig vuurwerk af te steken.
Bovendien worden de in beslag genomen vuurwapens en stukken vuurwerk verbeurd verklaard;
2° (...). <W 07-10-1886, art. 98, 11°>
Art. 554. In geval van herhaling kan, naast geldboete, gevangenisstraf van een dag tot drie dagen worden uitgesproken wegens de overtredingen, in de artikelen 551 en 552 omschreven.
Ten aanzien van de overtredingen, in het vorige artikel omschreven, kan de rechter, in geval van herhaling, naast geldboete, gevangenisstraf van ten hoogste vijf dagen uitspreken.
HOOFDSTUK II. - OVERTREDINGEN VAN DE TWEEDE KLASSE.
Art. 555. (Opgeheven) <B 31-01-1946, art. 4>
Art. 556. Met geldboete van vijf frank tot vijftien frank worden eveneens gestraft :
1° Zij die paarden, trek-, last- of rijdieren, die aan hun zorg zijn toevertrouwd, in een bewoonde plaats doen of laten binnendringen;
2° (Zij die kwaadaardige of woeste dieren, die onder hun bewaring staan, laten rondzwerven;) <W 2002-08-02/67, art. 2, 037; Van kracht : 15-09-2002>
3° Zij die hun honden aanhitsen of niet terughouden, wanneer deze de voorbijgangers aanvallen of vervolgen, zelfs als er geen kwaad of schade uit volgt;
4° Zij die, tenzij anders is overeengekomen, weigeren echte en ongeschonden munten aan te nemen voor de waarde waarvoor zij in België wettelijk gangbaar zijn;
5° (...); <W 06-01-1961, art. 2>
6° Zij die, zonder daartoe gerechtigd te zijn, op andermans grond komen en erover gaan of hun honden erover doen lopen ten tijde dat die grond bezet is met graan op de halm, met druiven of andere voortbrengsels, die rijp of bijna rijp zijn;
7° Zij die vee, trek- last- of rijdieren op andermans grond doen of laten lopen ten tijde dat die grond met veldvruchten bezet is.
Art. 557. Met geldboete van vijf frank tot vijftien frank en met gevangenisstraf van een dag tot vier dagen of met een van die straffen alleen worden gestraft :
1° De bestuurders van om het even welke voertuigen of van lastdieren, die niet voortdurend in de nabijheid blijven van hun paarden, trek- of lastdieren of van hun voertuigen en in staat om ze te besturen of te geleiden; die het midden van de openbare straten, wegen of banen bezetten, wanneer daar andere voertuigen of lastdieren in hun nabijheid op de weg zijn; die nalaten uit te wijken of plaats te maken voor alle andere voertuigen of lastdieren, wanneer deze naderen, en hun ten minste de helft van de weg vrij te laten, of die de desbetreffende verordeningen overtreden;
2° Zij die de verordeningen overtreden hetzij betreffende de snelheid, het slecht besturen of het laden van voertuigen of dieren, hetzij betreffende de stevigheid van de openbare voertuigen, de wijze waarop deze geladen zijn, het getal en de veiligheid van de reizigers;
3° Zij die op de openbare straten, wegen, pleinen of plaatsen loterij- of andere kansspelen aanleggen of houden.
De tafels, werktuigen, toestellen van de spelen of loterijen, evenals de inzetten, de gelden, waren, voorwerpen of loten, aan de spelers voorgesteld, worden bovendien in beslag genomen en verbeurd verklaard;
4° Zij die stenen of andere harde lichamen, of andere voorwerpen die kunnen bevuilen of beschadigen, tegen verende voertuigen, huizen, gebouwen, en afsluitingen van een ander werpen, of in tuinen en besloten erven;
5° Zij die op plaatsen waarvan zij eigenaar, huurder, deelpachter, pachter, vruchtgebruiker of gebruiker zijn, tot andermans nadeel een ander huisdier dan vermeld in artikel 538 kwaadwillig doden of zwaar verwonden;
6° Zij die veldvruchten of andere nuttige voortbrengsels van de bodem die nog niet los van de grond zijn, roven.
Wordt het feit gepleegd hetzij bij nacht, hetzij met behulp van voertuigen of lastdieren, hetzij door twee of meer personen, dan worden de schuldigen gestraft overeenkomstig artikel 463.
Art. 558. In geval van herhaling kan, naast geldboete, gevangenisstraf van één dag tot vier dagen worden uitgesproken wegens de overtredingen, in de artikelen 555 en 556 omschreven.
Ten aanzien van de overtredingen, in het vorige artikel omschreven, kan de rechter, in geval van herhaling, naast geldboete, gevangenisstraf van ten hoogste zeven dagen uitspreken.
HOOFDSTUK III. - OVERTREDINGEN VAN DE DERDE KLASSE.
Art. 559. Met geldboete van tien frank tot twintig frank worden gestraft :
1° Zij die, buiten de gevallen omschreven in boek II, titel IX, hoofdstuk III, van dit wetboek, andermans roerende eigendommen opzettelijk beschadigen of vernielen;
2° Zij die de dood of een zware verwonding van dieren of vee, aan een ander toebehorend, veroorzaken door het laten rondzwerven (...) van kwaadaardige of woeste dieren, of door de snelheid, het slecht besturen of het overmatig laden van voertuigen, paarden, trek-, last- of rijdieren; <W 2002-08-02/67, art. 3, 037; Van kracht : 15-09-2002>
3° Zij die door onvoorzichtigheid of gebrek aan voorzorg onopzettelijk dezelfde schade veroorzaken door het behandelen of gebruiken van wapens of door het werpen van harde lichamen of van om het even welke stoffen;
4° Zij die dezelfde ongevallen veroorzaken door ouderdom, bouwvalligheid, gebrek aan herstelling of onderhoud van huizen of gebouwen, of door een belemmering of een uitgraving of enig ander werk op of nabij openbare straten, wegen, pleinen of banen, zonder de voorgeschreven of gebruikelijke voorzorgsmaatregelen of waarschuwingstekens.
Art. 560. Met geldboete van tien frank tot twintig frank worden eveneens gestraft :
1° Zij die wettig aangebrachte aanplakbiljetten kwaadwillig aftrekken of scheuren;
2° Zij die, zonder daartoe behoorlijk te zijn gemachtigd, graszoden, aarde, stenen of materialen wegnemen op plaatsen die tot het openbaar domein van de Staat, van de provincies of van de gemeenten behoren;
3° (...) <W 07-10-1886, art. 98, 11°>
Art. 561. Met geldboete van tien frank tot twintig frank en met gevangenisstraf van een dag tot vijf dagen of met een van die straffen alleen worden gestraft :
1° Zij die zich schuldig maken aan nachtgerucht of nachtrumoer waardoor de rust van de inwoners kan worden verstoord;
2° (...). <W 20-06-1964, art. 17>
3° (...). <W 20-06-1964, art. 17>
4° Zij die valse gewichten, maten of weegtoestellen hebben in hun magazijnen, winkels of werkhuizen, of in de hallen, op de jaarmarkten of andere markten.
De valse gewichten, maten en weegtoestellen worden verbeurd verklaard;
5° (...). <W 22-03-1929, art. 9>
6° (...). <W 22-03-1929, art. 9>
7° Zij die tegen gestelde lichamen of tegen bijzondere personen andere beledigingen richten dan in boek II, titel VIII, hoofdstuk V, van dit wetboek zijn omschreven.
Art. 562. In geval van herhaling kan, naast geldboete, gevangenisstraf van ten hoogste vijf dagen worden uitgesproken wegens de overtredingen, in de artikelen 559 en 560 omschreven.
Ten aanzien van de overtredingen, in het vorige artikel omschreven, kan de rechter, in geval van herhaling, naast geldboete, gevangenisstraf van ten hoogste negen dagen uitspreken.
HOOFDSTUK IV. - OVERTREDINGEN VAN DE VIERDE KLASSE.
Art. 563. Met geldboete van vijftien frank tot vijfentwintig frank en met gevangenisstraf van een dag tot zeven dagen of met een van die straffen alleen worden gestraft :
1° Zij die een beroep maken van waarzeggen en van voorspellen of van het uitleggen van dromen. De werktuigen, de gereedschappen en de kledij die dienen of bestemd zijn tot het uitoefenen van het beroep van waarzegger, voorspeller of droomuitlegger worden in beslag genomen en verbeurd verklaard;
2° Zij die stedelijke of landelijke afsluitingen, uit welke materialen ook gemaakt, opzettelijk beschadigen;
3° Daders van feitelijkheden of lichte gewelddaden, mits zij niemand gewond of geslagen hebben en mits de feitelijkheden niet tot de klasse van de beledigingen behoren; in het bijzonder zij die opzettelijk, doch zonder het oogmerk om te beledigen, enig voorwerp op iemand werpen dat hem kan hinderen of bevuilen;
4° Hij die opzettelijk en buiten noodzaak hetzij een ander huisdier dan de in artikel 538 vermelde, hetzij een tam dier doodt of zwaar verwondt, elders dan op een plaats waarvan de meester van het dier of de schuldige eigenaar, huurder, pachter, vruchtgebruiker of gebruiker is;
5° (Hij die in een hippodroom weddenschappen heeft aangenomen buiten de uitsluitend daartoe bestemde ruimte.) <W 15-07-1960, art. 2>
Art. 564. In geval van herhaling is de rechtbank bevoegd om, naast geldboete, gevangenisstraf van ten hoogste twaalf dagen uit te spreken.
BEPALINGEN AAN DE VIER VORIGE HOOFDSTUKKEN GEMEEN.
Art. 565. In de gevallen in de vier vorige hoofdstukken omschreven, bestaat herhaling wanneer de overtreder wegens dezelfde overtreding reeds is veroordeeld binnen de twaalf voorafgaande maanden (...). <KB59 10-01-1935, art. 3>
Art. 566. Wanneer in de gevallen in de vier vorige hoofdstukken omschreven, verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, kan de geldboete tot beneden vijf frank verminderd worden, zonder dat zij ooit lager mag zijn dan een frank.

Elfri De Neve
© copyright Elfri De Neve


www.elfri.be
elfri@elfri.be


Stationsstraat 29
9700 Oudenaarde

voor afspraak 055/31.86.47
Fax. 055/31.14.03

Heeft u een concrete vraag in dit verband
klik dan hier








 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:14
Laatst aangepast op: di, 18/03/2014 - 21:32

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.