-A +A

De wet is er om helemaal toegepast te worden en niet een klein beetje

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Bij de beoordeling van een consumentenkrediet dient steeds nagegaan te worden of de kredietovereenkomst voor of na 01.12.2010 werd afgesloten.

Vanaf voormelde datum is op de kredietovereenkomsten vanaf deze datum immers de wet van 13.06.2010 van toepassing tot wijziging van de wet op het consumentenkrediet.

Over deze nieuwe wettelijke regelingen zie: M. De Muyncx, consumentenkrediet, de wet van 13.06.2010 gewikt en gewogen, RABG 2011, 79 N, M. De Muyncx en R. Steennot, de nieuwe wet consumentenkrediet en kredietopeningen: een afdoende bescherming voor de consument, DBH, 2011, 191-214 en Y. Hoornaert, wet op het consumentenkrediet (WCK) andermaal hervormd, bankfin. R. 2010,400-408.

Voor een toepassingsgeval op een consumentenkrediet afgesloten voor 01.12.2010, kan verwezen worden naar het talrijke rechtspraak onder het moto: “de wet is er om nageleefd te worden, niet een beetje maar helemaal.” Deze rechtspraak oordeelde dat de bepaalde verplichte vermeldingen die in een ander lettertype in een ander lid in het vet diende gesteld te worden, niet gelijk gesteld konden worden met drukletters in hetzelfde lettertype of andere lettertypes die niet in het vet gesteld werden, of gewone grote kapitalen. Zie ondermeer rechtbank Brugge, 28.03.2003, jaarboek kredietrecht 2003, 42 en Vredegerecht Izegem 19.05.2004, tijdschrift Vredegerecht 2006, 44, met noot F. De Patou, Vredegerecht Sint-Niklaas, 06.08.2004, D. Vret, 2006, 33, met noot F. De Patou; Vredegerecht Sint-Niklaas, 22.10.2003, jaarboek kredietrecht 2003, 29.

En voor een overzicht rechtspraak zie R. Steennot, overzicht van rechtspraak (1998-2002, consumentenbescherming, TPR, 2004, nr. 292)

Deze rechtspraak werd bevestigd door het Hof van Cassatie in haar arrest van 07.12.2006, Jaarboek kredietrecht, 2006, 48 met noot J. Van Lysbettens, T. Vret, 2007, 410 met noot F. De Patou.

Rechtspraak met betrekking tot de vereiste van het afzonderlijk lid kan teruggevonden worden in ondermeer Vredegerecht Sint-Niklaas, 06.08.2004, T. Vret, 2006, 33, met noot F. De Patou; Vredegerecht Sint-Niklaas, 22.10.2003, jaarboek kredietrecht 2003,29.

Ook de Vrederechter van het vierde kanton te Gent oordeelde op 02.02.2010 dat artikel 14 § 3 van de wet van 16.06.1991 op een consumentenkrediet, zoals nog toepasbaar tot op de dag van vandaag op alle consumentenkredieten afgesloten voor 01.12.2010, dienen te voldoen aan 5 specifieke vermeldingen die in het contract dienen worden opgenomen in:

 

• afzonderlijke leden

• een dik letterteken

• een ander lettertype

 

Deze 3 kenmerken dienen cumulatief aanwezig te zijn voor die overeenkomsten voorafgaand aan 01.12.2010.

Klassiek worden dergelijke argumenten afgewezen als muggenzifterij waarbij gesteld wordt dat het niet gebruiken van een ander lettertype onbelangrijk is zeker niet wanneer de doelstelling van de wet zou bereikt worden.

Maar de Vrederechter van het vierde kanton te Gent oordeelt terecht dat het de wetgever is die het maatschappelijk achtte dat de consument die een krediet wenst aan te gaan duidelijk waarneembaar zou worden gemaakt op welke zaken hij specifiek dient te letten.

Precies om dit te bereiken heeft de wetgever deze 3 cumulatief toe te passen kenmerken voor de verplichte vermeldingen opgenomen in de wet.

De wetgever heeft tenslotte in artikel 86 WCK een sanctie opgenomen indien niet aan deze verplichtingen is voldaan.

De Vrederechter heeft ter zake geen keuzeoptie voor het al dan niet toepassen van de sanctie zoals voorzien in artikel 86 WCK.

Meer zelfs, de Vrederechter kan niet zeggen dat de inbreuk uiterst minimaal is en dat het daarom niet aangewezen is er een sanctie aan te koppelen.

De sanctie van artikel 86 WCK die in praktijk wordt toegepast is dan ook de herleiding van de kredietovereenkomst tot het naakte kapitaal onder aftrek van de reeds betaalde sommen met het behoud van het voordeel van de termijn.

Het nieuwe artikel 14 zoals dit van toepassing is op kredietovereenkomsten afgesloten na 01.12.2010 stelt een veel zwakker formalisme.

Sinds de nieuwe wet van 01.12.2010 is een einde gekomen aan de verplichting om verplichte vermeldingen in vette letters een ander lettertype en in een afzonderlijk lid te plaatsen.

Voor deze nieuwe consumentenkredieten gelden wel nog tal van verplichte vermeldingen die in de kredietovereenkomst dienen opgenomen te worden maar waarbij de wijze van vermelding niet meer wordt vermeld in de wet en ook niet meer zo streng wordt gesantioneerd.

Het nieuwe artikel 86 van de wet op het consumentenkrediet bepaalt dat de rechter een grotere beoordelingsvrijheid krijgt om al dan niet het krediet te herleiden tot het naakte kapitaal onder aftrek van de reeds betaalde sommen.

Een en ander betreft dan de minder belangrijk geachte vermeldingen zoals de geboorteplaats van de consument waarbij de rechter van geval tot geval kan oordelen of er belangenschade is in hoofde van de consument.

Een verplichting tot de goedkeuringsformule van het krediet enerzijds en de toevoeging van de aflossingstabel wordt wel nog steeds imperatief gesanctioneerd door artikel 86 WCK.

Tot op de dag van vandaag zijn er kredietovereenkomsten die niet voorzien zijn van de handtekening van de consument.

Wel nu in deze gevallen kan artikel 16 WCK nog steeds worden toegepast, stellende dat wanneer het kredietbedrag ter beschikking gesteld is alvorens een kredietovereenkomst werd afgesloten, de consument geen enkele terugbetalingsplicht heeft en dus zelfs het kapitaal niet dient terug te betalen.

Opgemerkt dient te worden dat het automatisme van artikel 16 en artikel 89 WCK geen matiging toelaat en er ook geen beroep kan gedaan worden op de onverschuldigde betaling.

Zie ook voor een toepassingsgeval Vredegerecht, vierde kanton, 02.02.2010 en vooral de uitstekende noot van R. Steennot, afschaffing van de strikte formele vereisten in zake consumentenkrediet in een tijdschrift van de Vrederechters 2012, 294 ev.

 

Nog dit: 

R. Steennot, de verplichte vermeldingen in een kredietovereenkomst, T. Vred., 2013-647, onder Vred. Zottegem 13/01/2013

In deze noot ontleedt de auteur de belangrijkste elementen van het vonnis die door de auteur ook ondersteund worden:

• de wet op het consumentenkrediet bevat strikte formele vereisten die geen ruimte laten voor teleologische interpretatie (de wet is er om helemaal toegepast te worden en niet een klein beetje).

Hierbij verwijst de auteur naar de cassatierechtspraak van 07.12.2006, jaarboek kredietrecht, 2006, 48, noot. J. Van Lysbettens, T. Vred., 2007, 410, noot. F. De Patoul en naar Vred. Brasschaat, 13.07.2004, NJW, 2004, 1211, T. Vred. 2006, 49, noot. R. Steennot; Rechtbank Brugge 28.03.2003, Jaarboek kredietrecht 2003, 42; Vred. Izegem, 19.05.2004, T. Vred. 2006, 44, noot. F. De Patoul ; Vred. Sint-Niklaas, 06.08.2004, T. Vred., 2006, 33, noot. F. De Patoul; Vred. Sint-Niklaas, 22.10.2003, jaarboek kredietrecht, 2003, 29.

• de sanctie op de niet-naleving van artikel 14 WCK wordt bepaald door artikel 86 WCK waarbij de rechter ofwel de overeenkomst nietig kan verklaren ofwel kan verminderen tot hoogstens de prijs bij de contante betaling of het ontleende bedrag.

• de auteur benadrukt dat in de rechtspraak de nietigheid in de regel niet wordt uitgesproken omdat dit de consument in een meer ongunstige situatie brengt. Immers, bij de nietigverklaring dienen de partijen in hun oorspronkelijke toestand hersteld te worden hetgeen dan ook betekent dat de consument onmiddellijk het ontleende bedrag zal dienen terug te betalen zonder enig voordeel van de termijn, waardoor de vermindering van de verplichting van de consument er voor de consument een betere uitweg biedt.

De auteur verwijst hierbij naar D. Blommaert en F. Nichels, kroniek van consumentenkrediet (1999-2005), TBH, 2006, 602 en naar de rechtspraak zijnde Vredegerecht Izegem, 23.03.2005, NJW 2005, 711).

De auteur verwijst naar een vonnis van het Vredegerecht te Kortrijk van 01.03.2005, jaarboek kredietrecht 2005, 42, waar er wel tot de nietigheid van de overeenkomst werd overgegaan.

• de auteur bevestigt dat de consument geen schade dient te bewijzen bij de tekortkoming van artikel 14 WCK en verwijst hierbij naar de rechtspraak, zijnde Vredegerecht Izegem, 19.05.2004, T. Vred. 2006, 44 met noot R. De Patoul.

• zelden wordt door de eiser in een zaak met betrekking tot consumentenkrediet opgeworpen dat een verweer rechtsmisbruik uitmaakt. In de behandelde zaak werd dit door de eiser wel ingeroepen maar door de rechter onmiddellijk van de kaart geveegd. De auteur bevestigt dat een consument geen rechtsmisbruik kan plegen door zich zelfs op een minimale schending van de wet te beroepen, zelfs wanneer hij geen schade heeft geleden door de niet-naleving van de wet.

• de auteur behandelt de stelling van de rechter die tot een minimale schending van de wet besluit en hieraan koppelt dat de consument slechts gedeeltelijk dient vrijgesteld te worden van het ontleende bedrag.

Hiertoe ontleedt de auteur artikel 86 WCK stellende: “Onverminderd de gemeenrechterlijke sancties verklaart de rechter de overeenkomst nietig of vermindert hij de verplichtingen van de een consument tot hoogstens de prijs bij contante betaling of tot het ontleende bedrag.

Deze bepaling interpreteert de auteur in die zin dat de rechter het artikel 86 WCK zo dient te lezen dat de maximale sanctie bestaat uit de herleiding tot het loutere ontleende bedrag waardoor de rechter een mildere sanctie zou kunnen opleggen door slechts een gedeelte van de bijkomende kosten en intresten vrij te stellen. Hierbij verwijst de auteur naar de rechtspraak zijnde het Vredegerecht te Waregem, 02.12.2003, jaarboek kredietrecht, 2003-48, met noot D. Blommaert en naar de rechtsleer D. Blommaert en F. Michels, ‘Kroniek van consumentenkrediet (1999-2005)’, TBH, 2006, 602.

Deze stelling kunnen wij evenwel niet delen.

Artikel 86 WCK is misschien voor interpretatie vatbaar, doch louter grammaticaal betekent artikel 86 WCK dat de rechter wanneer hij niet nietig verklaart, de lening dient te verminderen en dat deze vermindering leidt tot hoogstens de prijs bij contante betaling of het ontleende bedrag.

Misschien is de bepaling ongelukkig geformuleerd, maar letterlijk betekent dit dat er geen maximale sanctie werd voorzien maar wel een minimale sanctie en dat dus de rechter wanneer hij vermindert, minstens dient te herleiden tot het naakte ontleende bedrag.

Dit is ook logisch en ook steeds de bedoeling van de wetgever geweest, nu de schade van de consument hoger kan liggen dan het ontleende bedrag. Immers, het toestaan van een krediet brengt de solvabiliteit van een consument in gevaar waardoor de schade wel degelijk kan bestaan uit een belangrijk deel van het ontleende bedrag waardoor de kredietgever kan veroordeeld worden om slechts een deel van het ontleende bedrag terugbetaald te krijgen in toepassing van artikel 86 WCK.

Bovendien voorziet artikel 86 WCK dat er daarnaast en daarbovenop nog eens gemeenrechterlijke sancties kunnen worden bepaald, zoals ondermeer artikel 1382 B.W.

Het was duidelijk de bedoeling van de wetgever dat bij de niet strikte naleving van de vormvoorwaarden er een sanctie diende opgelegd te worden die de kredietgever pijn deed.

Een sanctie dient een afschrikwekkende werking te hebben.

De kosten die voortvloeien uit de schending van de wet moeten hoger liggen dan de voordelen die een schending van de wet oplevert.

Anderzijds heeft de sanctie tot doel dat de wet effectief wordt nageleefd.

Zie G.S. Becker, ‘Crime and punishment: an economic approach, Journal of political economy 1968, 169-217 en R. Van Den Bergh, ‘should consumer protection law be pubilicly enforced?’, in collective enforcement of consumer law, Europa law, publishing, 2007, 196-198.

Bovendien mag niet vergeten worden dat elke bepaling van artikel 14 WCK een bepaald doel nastreeft, met name een volledige instemming en een volledig bewustzijn van de verregaande verplichtingen die de consument aangaat.

De datum is van uitzonderlijk belang met betrekking tot de herroepingsmogelijkheid. Maar ook voor de toepassing van artikel 16 WCK zodat de datum niet kan geanticipeerd worden of gepostdateerd worden.

De wetgever heeft absoluut gewild dat de datum door de consument zelf wordt aangebracht zodat hij ter zake niet kan gemanipuleerd worden of de manipulatie tot een minimum kan beperkt blijven. Het formalisme vervat in artikel 14 WCK is het sluitende luik van de wet op de consumentenkrediet waardoor alle verplichtingen vervat in de wet op het consumentenkrediet worden gewaarborgd zodat er geen sprake kan zijn van een meerdere of mindere schending.

Hierbij mogen we niet uit het oog verliezen dat de kredietverlener een professioneel is die derhalve verondersteld wordt de wet zeer goed te kennen en derhalve als professioneel er geen moeite mee kan hebben om er voor te zorgen dat de eenvoudige vereisten die opgelegd worden in artikel 14 WCK en die kunnen gestandaardiseerd worden in de overeenkomst op een correcte manier kunnen worden nageleefd met de nodige instructies aan hun makelaars of contractsluiters om toe te zien op elk formalisme.

• de auteur behandelt verder het vraagstuk in hoeverre de nietigheid van een kredietovereenkomst kan gedekt worden. Hierbij ondersteunt hij de stelling van de rechter dat de rechter dat de relatieve nietigheid van een overeenkomst kan bevestigd worden. De vraag blijft evenwel of een en ander wel een relatieve nietigheid is.

Maar de auteur voegt er in elk geval aan toe dat welke bevestiging ook dient te gebeuren met kennis van zaken hetgeen betekent dat de bevestiging van een nietigheid een uiting dient te zijn dat de consument instemt met de uitvoering van de overeenkomst met kennis van de specifieke nietigheidsgrond en dus expliciet zegt dat hij van deze of gene nietigheid, lees niet-naleving van het formalisme afziet en aldus de intentie heeft om dit welbepaalde gebrek te dekken.

De vraag kan gesteld worden in hoeverre deze stelling correct is. De wet op het consumentenkrediet draagt immers de openbare orde nu zij de solvabiliteit van de consument beschermt, de vernietiging van zijn vermogen door overkrediet wil tegengaan en mede een hoeksteen is van het economisch bestel. Wanneer de banksector in moeilijkheden geraakt door niet-terugbetaling van krediet treft dit immers de integrale economie hetgeen we reeds voldoende hebben aan den lijve moeten ondervinden met de wereldwijde kredietcrisis en bankencrisis.

Maar de auteur beperkt er zich toe te stellen dat loutere betalingen, zonder verdere expliciete vermeldingen de nietige bepalingen van een overeenkomst niet dekken.

• de auteur wijst erop dat artikel 14 WCK inmiddels gewijzigd is met betrekking tot een verplichte vermelding bij de ondertekening. In de recentste versie dient de vermelding immers niet meer met de hand geschreven te worden. Maar de auteur benadrukt het relatieve onbelang van deze bepaling.

De verplichting blijft immers dat de vermelding door de consument zelf wordt aangebracht.

De enige verandering is dus dat de consument de vermelding ook mag typen. Het is dus niet aan de kredietverlener om voorgedrukt de vermelding te plaatsen. De consument zelf dient de vermelding aan te brengen. Echter wijst de auteur erop dat uit het commissieverslag (parlementaire stukken Kamer nr. 52, 2468/004, 60-61) zou blijken dat de consument ook een louter vakje zou mogen aanvinken op een voorgedrukt formulier, aldus het antwoord van de Minister van Ondernemen en Vereenvoudigen in het commissieverslag met betrekking tot elektronische contractsluiting. Maar de auteur benadrukt dat zulks in strijd is met de bepalingen van de wet en met de doelstelling die de wetgever heeft nagestreefd.

Een consumentenkrediet is een blijft een plechtig contract waarbij de plechtigheid, versta het formalisme, moet waarborgen dat de consument op de meest uitdrukkelijke wijze met zijn neus op het contract wordt gedrukt en met de grootste kennis van zaken en het grootste begrip, beseft wat hij ondertekent.

In diezelfde lijn bestaat de wettelijke verplichting om thans bij elke kredietpubliciteit te vermelden ‘opgelet krediet kost geld’.

• de auteur uit zijn verbazing dat de verplichte vermelding ‘gelezen en goedgekeurd’ niet meer gesanctioneerd wordt in de nieuwste versie van de wet door de nietigverklaring om de vermindering van het krediet, onverminderd de mogelijkheid om loutere civielrechtelijke sancties zoals die van artikel 1382 B.W. toe te passen. Maar in dit geval dient zowel fout als schade en oorzakelijk verband bewezen te worden, hetgeen voor de consument niet evident is.

Bovendien leiden de gemeenrechtelijke sancties tot een loutere schadevergoeding en niet zomaar tot een vermindering van het krediet (de kredietverplichting).

De auteur wijst erop dat de consument zou kunnen argumenten dat de verplichte vermelding ‘gelezen en goedgekeurd’ een geldigheidsvereiste is van de kredietovereenkomst en dat derhalve op basis hiervan de nietigheid zou kunnen vragen, hetgeen dan tot de drastische gevolgen zou leiden dat de consument alles in 1 keer dient terug te betalen.

De auteur vergeet evenwel dat de consument in dit geval de toepassing van artikel 1244 BW. zou kunnen vragen.

In de noot van de auteur wordt geen melding gemaakt van de opmerkelijke uitspraak van de vrederechter waarbij hij op basis van billijkheidsgronden de consument toelaat om het krediet terug te betalen met lagere termijnen dan de oorspronkelijk voorziene termijnen.

Artikel WCK voorziet immers dat in geval van schending van artikel 14 WCK (althans van een aantal bepalingen ervan) de kredietverplichtingen kunnen verminderd worden met het louter behoud van de termijn.

Letterlijk betekent dit dat een consument volgens artikel 86 WCK de lening mag terug betalen met maandelijkse betalingen die overeenstemmen met de vroegere maandelijkse terugbetaling, weliswaar dan dat het krediet eerder zal terugbetaald zijn omdat de totaal terug te betalen schuldmassa verminderd is.

Terecht gaat de Vrederechter verder en stelt deze dat hij verder kan gaan op loutere billijkheidsgronden (in feite kan ook hierbij artikel 1244 B.W. worden aangewend) waardoor er een verdere vermindering mogelijk is van de maandelijks terug te betalen sommen tot een bedrag dat voor de consumenten haalbaar is. Het is steeds de bedoeling geweest of curatief op te treden bij schendingen van de WCK waardoor in de mate van het mogelijke de solvabiliteit van de consument kan hersteld worden.

Wanneer een krediet werd toegestaan dat voor een consument te zwaar was om terug te betalen is het nogal evident dat het behoud van de oorspronkelijke termijn de consument gewoon verder in moeilijkheden brengt en dat er dus een vermindering van de termijn zich opdringt.

Wanneer de intresten evenwel behouden blijven bij een dergelijke sanctie, zou de vermindering van de maandelijks terug te betalen som de consument in een nog slechtere positie kunnen brengen, doordat hij bijvoorbeeld enkel of voornamelijk intresten betaalt. Het is dan ook strikt noodzakelijk dat bij de toepassing van de sanctie van artikel 86 WCK er niet alleen een vermindering is tot het naakte ontleende kapitaal maar ook een uitdrukkelijke vermelding dat elke afbetaling die de consument zal verrichten zal worden aangerekend op het openstaande saldo en er dus geen verdere intresten worden toegestaan, ook geen gerechtelijke waardoor de consument het einde van de tunnel ziet.
 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: za, 02/02/2013 - 02:03
Laatst aangepast op: ma, 05/05/2014 - 14:31

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.