-A +A

De vordering van de onderaannemer tegen de bouwheer

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Art. 1798, eerste lid, BW bepaalt dat metselaars, timmerlieden, arbeiders, vaklui en onderaannemers gebezigd bij het oprichten van een gebouw of voor andere werken die bij aanneming zijn uitgevoerd, een rechtstreekse vordering hebben tegen de bouwheer ten belope van hetgeen deze aan de aannemer verschuldigd is op het ogenblik dat hun rechtsvordering wordt ingesteld.

Het is aangewezen de vordering middels dagvaarding in te stellen, dit niettetegnstaande een arrest van 25/03/2005 van het Hof van Cassatie stelt dat de rechtstreekse vordering aan geen vormveresiten onderworpen is en dus strikt genomen geen dagvaarding vereist is.

Maar strikt genomen is de bouwheer de onderaannemer verplicht te voldoen van zodra hij een aangetekend schrijven hiertoe krijgt. De onderaannemer kan de bouwheer slechts aanspreken binnen de perken van zijn eigen vordering op de hoofdaannemer en slechts voor hetgeen de bouwheer op dat ogenblik nog aan de
hoofdaannemer verschuldigd is.

Bij samenloop tussen de gerechtigden, zal, indien hetgeen de meester van het werk nog verschuldigd is niet toereikend is om ieder het volle pond te geven, pondspondsgewijze verdeeld worden (E. Dirix, «Het voorrecht en de directe vordering van de onderaannemer», R.W., 1989-90, 1232, inz. 1235, nr. 7; Kh. Antwerpen, 24 april 1995, R.W., 1995-96, 264, met noot E. Dirix, «Rechtstreekse vordering en samenloop», inz. blz. 265, nr. 4, F. Poilvache, «La loi du 19 février 1990 sur la protection des sous-traitants, J.T., 1990, 638, inz. 639, voetnoot 14).

 

Rechtspraak Cassatie 18 maart 2010, RW 2010-2011, 998

G.C. en V.R.P. t/ M. en A.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 13 oktober 2008 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Art. 1798, eerste lid, BW bepaalt dat metselaars, timmerlieden, arbeiders, vaklui en onderaannemers gebezigd bij het oprichten van een gebouw of voor andere werken die bij aanneming zijn uitgevoerd, een rechtstreekse vordering hebben tegen de bouwheer ten belope van hetgeen deze aan de aannemer verschuldigd is op het ogenblik dat hun rechtsvordering wordt ingesteld.

2. De rechtstreekse vordering kan niet meer worden ingesteld na het faillissement van de aannemer, aangezien deze vordering enkel kan worden ingesteld wanneer de schuldvordering van de aannemer op de bouwheer nog beschikbaar is in het vermogen van de aannemer.

3. De uitoefening van de rechtstreekse vordering heeft, zoals bij een beslag onder derden, tot gevolg dat de vordering van de aannemer op de bouwheer onbeschikbaar wordt.

Deze onbeschikbaarheid ontstaat slechts wanneer de bouwheer van de uitoefening van de rechtstreekse vordering kennis heeft gekregen of redelijkerwijs ervan kennis heeft kunnen nemen.

4. Krachtens art. 16, eerste lid, van de Faillissementswet verliest de gefailleerde van rechtswege het beheer over al zijn goederen vanaf de dag van het vonnis van faillietverklaring. Deze onbeschikbaarheid treedt in vanaf het uur nul, van de dag van het vonnis van faillietverklaring.

5. Het arrest stelt vast dat:

– de eerste verweerster (bouwheer) met de BVBA V.- en T. V.T.M. een aannemingsovereenkomst heeft gesloten waarbij de tweede verweerster is opgetreden als onderaannemer;

– de tweede verweerster bij aangetekende brief van 3 april 2006 een rechtstreekse vordering instelde tegen de eerste verweerster (bouwheer) voor facturen die nog door de BVBA V.- en T. V.T.M. verschuldigd waren;

– deze brief door de bouwheer werd ontvangen op 4 april 2006;

– de BVBA V.- en T. V.T.M. op 4 april 2006 failliet werd verklaard.

6. Door te oordelen dat de rechtstreekse vordering van de tweede verweerster tijdig, dit is vóór het faillissement van de BVBA V.- en T. V.T.M., werd ingesteld, omdat voor de bepaling van het tijdstip van de uitoefening van de vordering enkel dient te worden acht geslagen op het tijdstip waarop deze vordering wordt ingesteld, zonder dat rekening moet worden gehouden met het tijdstip waarop de bouwheer hiervan kennisneemt, verantwoordt het arrest zijn beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.
 

Noot onder dit arrest van Vincent Sagaert De uitoefening van een (onvolmaakte) rechtstreekse vordering: de kennisgeving aan de onderschuldenaar als peildatum, RW 2010-2011, 998


De uitbrreding van de rechten van de onderaannemer tot de vordering tegen elke schuldenaar van hun schuldenaar

zie Grondwettelijk Hof, 2 februari 2012, RW 2012-2013, 211 en NJW 284, P 419, met noot Rechtstreekse vordering van de onderaannemer in de derde graad en verder

Arrest nr. 12/2012

Onderwerp van de prejudiciële vraag

Bij arrest van 21 februari 2011 heeft het Hof van Beroep te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld: “Schendt art. 1798 BW, zoals gewijzigd bij de wet van 19 februari 1990, art. 10 en 11 van de Grondwet indien het in die zin moet worden geïnterpreteerd dat het een rechtstreekse vordering enkel toekent aan de onderaannemer in de eerste graad ten aanzien van de bouwheer en aan de onderaannemer in de tweede graad ten aanzien van de hoofdaannemer, en niet aan de onderaannemers in de derde graad en verder?”.

...

In rechte

...

B.1. Art. 1798 BW, zoals gewijzigd bij de wet van 19 februari 1990, bepaalt:

“Metselaars, timmerlieden, arbeiders, vaklui en onderaannemers gebezigd bij het oprichten van een gebouw of voor andere werken die bij aanneming zijn uitgevoerd, hebben tegen de bouwheer een rechtstreekse vordering ten belope van hetgeen deze aan de aannemer verschuldigd is op het ogenblik dat hun rechtsvordering wordt ingesteld.

De onderaannemer wordt als aannemer en de aannemer als bouwheer beschouwd ten opzichte van de eigen onderaannemers van de eerstgenoemde”.

B.2. De verwijzende rechter stelt het Hof een vraag over de verenigbaarheid van dat artikel met art. 10 en 11 van de Grondwet “indien het in die zin moet worden geïnterpreteerd dat het een rechtstreekse vordering enkel toekent aan de onderaannemer in de eerste graad ten aanzien van de bouwheer en aan de onderaannemer in de tweede graad ten aanzien van de hoofdaannemer, en niet aan de onderaannemers in de derde graad en verder”.

...

B.4. Zowel uit de titel als uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 19 februari 1990 “tot aanvulling van artikel 20 van de hypotheekwet en tot wijziging van artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek met het oog op de bescherming van de onderaannemers” blijkt dat met de rechtstreekse vordering bedoeld in art. 1798 BW, de bescherming van de onderaannemer wordt nagestreefd omdat de wetgever heeft geoordeeld dat hij, als partij die vanuit economisch en financieel oogpunt als de zwakste en als het eerste slachtoffer van een faillissement van de aannemer wordt beschouwd, een bijzondere bescherming verdiende: “T.o.v. de hoofdaannemer bevindt de onderaannemer zich in een economisch ondergeschikte positie en deze relatie kan vergeleken worden met het arbeidsrecht waarin ook dwingende bepalingen werden opgenomen ten gunste van de economisch zwakkeren” (Parl.St. Kamer 1981-82, nr. 294/3, p. 6).

Een dergelijke doelstelling strekte, overeenkomstig de regeringsverklaring, ertoe een klimaat van vertrouwen in de bouwsector te herstellen met het oog op de relance van de sector (ibid., p. 2). Dezelfde wet voert tevens ten gunste van de onderaannemer een bijzonder voorrecht op roerend goed in: “Aldus beschikt de onderaannemer over twee rechtsmiddelen die elkaar niet uitsluiten” (ibid., p. 8).

De wetgever heeft de positie van de onderaannemer willen versterken door voor hem in het voordeel van een rechtstreekse vordering te voorzien: “Oorspronkelijk werd in 1982 alleen het toekennen van een bijzonder voorrecht voorgesteld, hoewel er steeds discussie zal blijven of zulks nog wenselijk is, omdat het principe van de gelijkheid der schuldeisers steeds verder afbrokkelt. Uit het debat in de Kamercommissie bleek dat de onderaannemers zo nodig met een kleine wijziging in artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek ook een sterkere positie konden winnen. Het resultaat was een wetsontwerp waar beide voorgestelde verbeteringen ten voordele van de onderaannemers werden aanvaard” (Parl.St. Senaat 1989-90, nr. 855/2, p. 2).

B.5. De verwijzende rechter stelt het Hof een vraag over de verenigbaarheid, met art. 10 en 11 van de Grondwet, van art. 1798 BW in zoverre het het voordeel van de rechtstreekse vordering enkel toekent aan de onderaannemer in de eerste graad ten aanzien van de bouwheer en aan de onderaannemer in de tweede graad ten aanzien van de hoofdaannemer, en niet aan de onderaannemers in de derde graad en verder.

B.6. Wanneer de wetgever in een mechanisme van rechtstreekse vordering voorziet, verleent hij aan een derde persoon bij een overeenkomst een eigen en persoonlijk recht dat die persoon uit die overeenkomst put en uitoefent ten aanzien van de schuldenaar van zijn eigen schuldenaar.

B.7. Zoals in de motieven van de verwijzingsbeslissing wordt opgemerkt, interpreteert de verwijzende rechter, zich baserend op de meerderheid van de rechtsleer, art. 1798 BW in die zin dat het het voordeel van de rechtstreekse vordering beperkt tot de onderaannemers in de eerste en de tweede graad. Die interpretatie van de verwijzende rechter is gebaseerd op de tekst van het tweede lid en op het feit dat art. 1798 BW niet ruim kan worden geïnterpreteerd, aangezien een rechtstreekse vordering een van het gemene recht afwijkend instituut is.

In die interpretatie doet art. 1798 BW bijgevolg een verschil in behandeling tussen onderaannemers ontstaan naar gelang van hun plaats in de keten van onderaanneming. Enkel de onderaannemers in de eerste en de tweede graad genieten een rechtstreekse vordering, de eerstgenoemde ten aanzien van de bouwheer, de laatstgenoemde ten aanzien van de hoofdaannemer.

B.8. Uit de in B.4 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever een bescherming die hij reeds had toegekend aan de metselaars, timmerlieden en arbeiders, heeft willen uitbreiden tot de vaklui en onderaannemers, aangezien elk van die categorieën van personen zich in een bijzondere economische positie bevindt om reden van hun afhankelijkheid ten aanzien van de hoofdaannemer. In de parlementaire voorbereiding wijst niets erop dat de wetgever het voordeel van die bescherming heeft willen beperken tot de onderaannemers in de eerste en de tweede graad. Integendeel, de wetgever heeft de onderaannemers willen beschermen wegens hun positie van afhankelijkheid en hun economische en financiële kwetsbaarheid. Het druist in tegen dat doel om het voordeel van de rechtstreekse vordering aan de onderaannemers verder dan in de tweede graad te ontzeggen. Het verschil tussen de onderaannemers kan niet redelijk worden verantwoord.

In die zin geïnterpreteerd dat het de rechtstreekse vordering enkel toekent aan de onderaannemer in de eerste graad ten aanzien van de bouwheer en aan de onderaannemer in de tweede graad ten aanzien van de hoofdaannemer, en niet aan de onderaannemers in de derde graad en verder, is art. 1798 BW niet verenigbaar met art. 10 en 11 van de Grondwet.

B.9. Het Hof merkt evenwel op dat art. 1798 BW ook in die zin kan worden geïnterpreteerd dat het de rechtstreekse vordering toekent aan alle onderaannemers ten aanzien van de schuldenaar van hun schuldenaar, los van hun graad in de keten van onderaanneming. In de parlementaire voorbereiding wijst niets immers erop dat de wetgever de bescherming die hij aan de onderaannemers toekent wegens hun economische afhankelijkheid, heeft willen beperken. Bovendien heeft het tweede lid van dat artikel de begrippen “onderaannemer”, “aannemer” en “bouwheer” in het mechanisme van de rechtstreekse vordering willen toelichten. Het kan in die zin worden geïnterpreteerd dat het de regeling uitsluit waarin alle onderaannemers een rechtstreekse vordering ten aanzien van de bouwheer zouden genieten, en dat het aangeeft dat elke onderaannemer over een rechtstreekse vordering beschikt ten aanzien van de schuldenaar van zijn schuldenaar. In die interpretatie doet art. 1798 BW geen verschil in behandeling tussen de onderaannemers ontstaan en is het niet onverenigbaar met art. 10 en 11 van de Grondwet.


GWH. 02/02/2012 AR 12/2012, juridat

samenvatting

Het Hof zegt voor recht :
- In die zin geïnterpreteerd dat het de rechtstreekse vordering enkel toekent aan de onderaannemer in de eerste graad ten aanzien van de bouwheer en aan de onderaannemer in de tweede graad ten aanzien van de hoofdaannemer, en niet aan de onderaannemers in de derde graad en verder, schendt artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
- In die zin geïnterpreteerd dat het de rechtstreekse vordering toekent aan alle onderaannemers ten aanzien van de schuldenaar van hun schuldenaar, schendt artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

tekst arrest


Het Grondwettelijk Hof,
 
I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging
Bij arrest van 21 februari 2011 in zake de vennootschap naar Roemeens recht « Gabro Job Center SRL SC » tegen de bvba « J.Y.C Concept » en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 28 februari 2011, heeft het Hof van Beroep te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld :
« Schendt artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd bij de wet van 19 februari 1990, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet indien het in die zin moet worden geïnterpreteerd dat het een rechtstreekse vordering enkel toekent aan de onderaannemer in de eerste graad ten aanzien van de bouwheer en aan de onderaannemer in de tweede graad ten aanzien van de hoofdaannemer, en niet aan de onderaannemers in de derde graad en verder ? ».
(...)

III. In rechte
(...)

B.1. Artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd bij de wet van 19 februari 1990, bepaalt :
« Metselaars, timmerlieden, arbeiders, vaklui en onderaannemers gebezigd bij het oprichten van een gebouw of voor andere werken die bij aanneming zijn uitgevoerd, hebben tegen de bouwheer een rechtstreekse vordering ten belope van hetgeen deze aan de aannemer verschuldigd is op het ogenblik dat hun rechtsvordering wordt ingesteld.
De onderaannemer wordt als aannemer en de aannemer als bouwheer beschouwd ten opzichte van de eigen onderaannemers van de eerstgenoemde ».

B.2. De verwijzende rechter stelt het Hof een vraag over de bestaanbaarheid van dat artikel met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet « indien het in die zin moet worden geïnterpreteerd dat het een rechtstreekse vordering enkel toekent aan de onderaannemer in de eerste graad ten aanzien van de bouwheer en aan de onderaannemer in de tweede graad ten aanzien van de hoofdaannemer, en niet aan de onderaannemers in de derde graad en verder ».

B.3.1. De Ministerraad is van mening dat de prejudiciële vraag onontvankelijk moet worden verklaard omdat daarin een kwestie met betrekking tot de interpretatie van een wet aan het Grondwettelijk Hof zou worden voorgelegd.

B.3.2. Het Hof merkt op dat de door de verwijzende rechter gestelde vraag geen betrekking heeft op de interpretatie van artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek, maar op de grondwettigheid ervan in de door die rechter gepreciseerde interpretatie. Een dergelijke vraag behoort tot de bevoegdheid van het Grondwettelijk Hof, zoals zij uit artikel 142, tweede lid, 2°, van de Grondwet voortvloeit.

B.3.3. De prejudiciële vraag is ontvankelijk.

B.4. Zowel uit de titel als uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 19 februari 1990 « tot aanvulling van artikel 20 van de hypotheekwet en tot wijziging van artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek met het oog op de bescherming van de onderaannemers » blijkt dat met de rechtstreekse vordering waarin artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek voorziet, de bescherming van de onderaannemer wordt nagestreefd omdat de wetgever heeft geoordeeld dat hij, als partij die vanuit economisch en financieel oogpunt als de zwakste en als het eerste slachtoffer van een faillissement van de aannemer wordt beschouwd, een bijzondere bescherming verdiende :

« T.o.v. de hoofdaannemer bevindt de onderaannemer zich in een economisch ondergeschikte positie en deze relatie kan vergeleken worden met het arbeidsrecht waarin ook dwingende bepalingen werden opgenomen ten gunste van de economisch zwakkeren » (Parl. St., Kamer, 1981-1982, nr. 294/3, p. 6).
Een dergelijke doelstelling strekte, overeenkomstig de regeringsverklaring, ertoe een klimaat van vertrouwen in de bouwsector te herstellen met het oog op de relance van de sector (ibid., p. 2). Dezelfde wet voert tevens ten gunste van de onderaannemer een bijzonder voorrecht op roerend goed in :
« Aldus beschikt de onderaannemer over twee rechtsmiddelen die elkaar niet uitsluiten » (ibid., p. 8).
De wetgever heeft de positie van de onderaannemer willen versterken door voor hem in het voordeel van een rechtstreekse vordering te voorzien :
« Oorspronkelijk werd in 1982 alleen het toekennen van een bijzonder voorrecht voorgesteld, hoewel er steeds discussie zal blijven of zulks nog wenselijk is, vermits het principe van de gelijkheid der schuldeisers steeds verder afbrokkelt.
Uit het debat in de Kamercommissie bleek dat de onderaannemers zo nodig met een kleine wijziging in artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek ook een sterkere positie konden winnen.
Het resultaat was een wetsontwerp waar beide voorgestelde verbeteringen ten voordele van de onderaannemers werden aanvaard » (Parl. St., Senaat, 1989-1990, nr. 855/2, p. 2).

B.5. De verwijzende rechter stelt het Hof een vraag over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek in zoverre het het voordeel van de rechtstreekse vordering enkel toekent aan de onderaannemer in de eerste graad ten aanzien van de bouwheer en aan de onderaannemer in de tweede graad ten aanzien van de hoofdaannemer, en niet aan de onderaannemers in de derde graad en verder.

B.6. Wanneer de wetgever in een mechanisme van rechtstreekse vordering voorziet, verleent hij aan een derde persoon bij een overeenkomst een eigen en persoonlijk recht dat die persoon uit die overeenkomst put en uitoefent ten aanzien van de schuldenaar van zijn eigen schuldenaar.

B.7. Zoals in de motieven van de verwijzingsbeslissing wordt opgemerkt, interpreteert de verwijzende rechter, steunend op de meerderheid van de rechtsleer, artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek in die zin dat het het voordeel van de rechtstreekse vordering beperkt tot de onderaannemers in de eerste en de tweede graad.

Die interpretatie van de verwijzende rechter is gebaseerd op de tekst van het tweede lid en op het feit dat artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek niet ruim kan worden geïnterpreteerd, aangezien een rechtstreekse vordering een van het gemeen recht afwijkend instituut is.
In die interpretatie doet artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek bijgevolg een verschil in behandeling tussen onderaannemers ontstaan naar gelang van hun plaats in de keten van onderaanneming. Enkel de onderaannemers in de eerste en de tweede graad genieten een rechtstreekse vordering, de eerstgenoemde ten aanzien van de bouwheer, de laatstgenoemde ten aanzien van de hoofdaannemer.

B.8. Uit de in B.4 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever een bescherming die hij reeds had toegekend aan de metselaars, timmerlieden en arbeiders, heeft willen uitbreiden tot de vaklui en onderaannemers, aangezien elk van die categorieën van personen zich in een bijzondere economische positie bevindt om reden van hun afhankelijkheid ten aanzien van de hoofdaannemer. In de parlementaire voorbereiding wijst niets erop dat de wetgever het voordeel van die bescherming heeft willen beperken tot de onderaannemers in de eerste en de tweede graad. Integendeel, de wetgever heeft de onderaannemers willen beschermen wegens hun positie van afhankelijkheid en hun economische en financiële kwetsbaarheid. Het druist in tegen dat doel om het voordeel van de rechtstreekse vordering aan de onderaannemers verder dan in de tweede graad te ontzeggen. Het verschil tussen de onderaannemers kan niet redelijk worden verantwoord.
In die zin geïnterpreteerd dat het de rechtstreekse vordering enkel toekent aan de onderaannemer in de eerste graad ten aanzien van de bouwheer en aan de onderaannemer in de tweede graad ten aanzien van de hoofdaannemer, en niet aan de onderaannemers in de derde graad en verder, is artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.9. Het Hof merkt evenwel op dat artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek ook in die zin kan worden geïnterpreteerd dat het de rechtstreekse vordering toekent aan alle onderaannemers ten aanzien van de schuldenaar van hun schuldenaar, los van hun graad in de keten van onderaanneming. In de parlementaire voorbereiding wijst niets immers erop dat de wetgever de bescherming die hij aan de onderaannemers toekent wegens hun economische afhankelijkheid, heeft willen beperken. Bovendien heeft het tweede lid van dat artikel de begrippen « onderaannemer », « aannemer » en « bouwheer » in het mechanisme van de rechtstreekse vordering willen toelichten. Het kan in die zin worden geïnterpreteerd dat het de regeling uitsluit waarin alle onderaannemers een rechtstreekse vordering ten aanzien van de bouwheer zouden genieten, en dat het aangeeft dat elke onderaannemer over een rechtstreekse vordering beschikt ten aanzien van de schuldenaar van zijn schuldenaar. In die interpretatie doet artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek geen verschil in behandeling tussen de onderaannemers ontstaan en is het niet onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Om die redenen,
het Hof
zegt voor recht :
- In die zin geïnterpreteerd dat het de rechtstreekse vordering enkel toekent aan de onderaannemer in de eerste graad ten aanzien van de bouwheer en aan de onderaannemer in de tweede graad ten aanzien van de hoofdaannemer, en niet aan de onderaannemers in de derde graad en verder, schendt artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
- In die zin geïnterpreteerd dat het de rechtstreekse vordering toekent aan alle onderaannemers ten aanzien van de schuldenaar van hun schuldenaar, schendt artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.
Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof.

De rechtstreekse vordering van onderaannemer tegen bouwheer, de tegenwerpelijkheid van excepties die bestaan op ogenblik van instellen van rechtstreekse vordering en de exceptie van schuldvergelijking.

• Hof van Cassatie, 1e Kamer – 15 mei 2014, RW 2014-2015, 1420
AR nr. C.13.0552.N

BVBA T.D. en BVBA R. t/ Belgische Staat, minister van Landsverdediging, en Faillissement NV E.G. de C.D.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 13 maart 2012.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

...

Tweede onderdeel

2. Art. 1298 BW bepaalt in het algemeen dat geen schuldvergelijking plaatsheeft ten nadele van de verkregen rechten van derden. Hieruit vloeit voort dat schuldvergelijking na faillissement in beginsel uitgesloten is.

Het erkennen van de schuldvergelijking in de gevallen waarin er een nauwe samenhang bestaat tussen de schuldvorderingen, tast echter de regel van de gelijkheid van de schuldeisers bij faillissement niet aan. Aldus is in die omstandigheden de schuldvergelijking mogelijk, ook al zijn de voorwaarden voor schuldvergelijking eerst na het faillissement in vervulling gegaan.

3. Krachtens art. 1798, eerste lid BW hebben metselaars, timmerlieden, arbeiders, vaklui en onderaannemers gebezigd bij het oprichten van een gebouw of voor andere werken die bij aanneming zijn uitgevoerd, tegen de bouwheer een rechtstreekse vordering tot beloop van hetgeen deze aan de aannemer verschuldigd is op het ogenblik dat hun rechtsvordering wordt ingesteld.

De bouwheer tegen wie een rechtstreekse vordering wordt ingesteld, kan aan de onderaannemer in de regel de excepties tegenwerpen waarover hij beschikt op het ogenblik van het instellen van de rechtstreekse vordering. Het recht op schuldvergelijking met een schuldvordering die gegrond is op de onderlinge afhankelijkheid van de wederzijdse verbintenissen van de partijen behoort tot het wezen van de wederkerige overeenkomst, zodat zij bestaat vóór de wanprestatie zelf en vóór de uitoefening van de rechtstreekse vordering.

4. De appelrechters stellen vast dat:

– de hoofdaannemer D. aannemingswerken uitvoerde voor de Belgische Staat;

– de hoofdaannemer een beroep deed op de eiseressen als onderaannemers;

– de eiseressen respectievelijk op 25 juni 1999 en 12 september 1999 een rechtstreekse vordering hebben ingesteld tegen de Belgische Staat;

– de hoofdaannemer op 13 september 1999 failliet werd verklaard;

– na het faillissement, de Belgische Staat overeenkomstig art. 20 van de Algemene aannemingsvoorwaarden (hierna: AAV), maatregelen van ambtswege heeft genomen en boeten heeft opgelegd wegens de laattijdige uitvoering;

– de Belgische Staat overeenkomstig art. 7 AAV is overgegaan tot compensatie met de aannemingsprijs;

– ten gevolge van deze compensatie de hoofdaannemer geen tegoed meer had op de Belgische Staat.

5. De appelrechters oordelen dat de exceptie van niet-nakoming en het recht op compensatie met de schuldvordering die voortvloeit uit de wanprestatie, geacht worden te behoren tot het wezen van de wederkerige overeenkomst, zodat zij bestaan vóór de wanprestatie en vóór de uitoefening van de rechtstreekse vordering en dat de omstandigheid dat er geen vertraging was vóór het faillissement en deze het gevolg was van het faillissement zonder belang is.

6. Door op grond hiervan te beslissen dat de rechtstreekse vorderingen van de eiseressen ongegrond zijn aangezien de hoofdaannemer geen tegoed meer heeft op de Belgische Staat, verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

...

Commentaar: 

Rechtspraak:

Hof van Beroep Antwerpen 01/03/1995, RW 1996-1997, 477

«Dat i.v.m. de toepassing van art. 1798 B.W. door tweede geïntimeerde (als opdrachtgever) wordt beweerd, dat zij op het ogenblik van het instellen van de vordering door eerste geïntimeerde (als onderaannemer) niet meer ‘gehouden‘ was tot betaling aan appellante (als aannemer) en dat zij meer bepaald de exceptio non adimpleti contractus heeft ingeroepen tegen deze aannemer, wegens o.a. gebreken en vertraging in de werken;

«dat eerste geïntimeerde hier ten onrechte aanvoert dat haar rechtstreekse vordering ‘haar definitieve gestalte‘ kreeg op het ogenblik dat zij bij brief van 9 september 1993 tweede geïntimeerde heeft aangesproken tot betaling daar de rechtstreekse vordering ontstaat - volgens art. 1798 B.W. - ‘op het ogenblik dat de rechtsvordering wordt ingesteld‘, hetgeen in casu betekent dat ze is ontstaan op 5 oktober 1993, datum van de inleidende dagvaarding;

«dat, aldus eerste geïntimeerde slechts een rechtstreekse vordering op tweede geïntimeerde heeft als blijkt, dat deze laatste op 5 oktober 1993 nog iets aan appellante verschuldigd was.»

Noot: Geert Baert, Geen vorderingsrecht van de onderaannemer op de hoofdopdrachtgever, zonder een ingestelde rechtsvordering

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: do, 17/02/2011 - 15:20
Laatst aangepast op: vr, 06/10/2017 - 14:48

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.