-A +A

De stilzwijgende aanvaarding van het factuurprotest

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Dat het niet te protesteren van een factuur binnen een redelijke termijn de aanvaarding ervan oplevert, is gesteund door de vertrouwensleer. Door de begeleidende omstandigheden wordt het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat het stilzwijgen als een toestemming moet worden opgevat en dit vertrouwen mag niet worden beschaamd.

Maar uit deze zelfde vertrouwensleer dient te worden afgeleid dat een gebrek aan reactie op een factuurprotest evenzeer als een aanvaarding van het factuurprotest dient aanzien te worden.

In handelszaken wordt omwille van een vlot en efficiënt rechtsverkeer, algemeen aangenomen dat op een handelaar de verplichting rust brieven te reageren wanneer niet wordt ingestemd met de inhoud ervan.

Naar Belgisch recht strekt de stilzwijgende aanvaarding van een factuur door een handelaar zich principieel uit tot alle vermeldingen van die factuur. Dit beginsel moet echter wijken, indien bewezen wordt dat de niet-geprotesteerde factuur verschilt van de daaraan voorafgaande overeenkomst. Indien een dergelijk bewijs wordt geleverd, kan men, wat die punten betreft, uit het zuivere stilzwijgen van een handelaar in beginsel géén aanvaarding afleiden, omdat deze niet dient te worden geacht de clausules op de factuur na te lezen om te controleren of ze wel overeenstemmen met wat vroeger werd afgesproken. Deze laatste mag er immers op vertrouwen dat eerder gemaakte afspraken zullen worden nageleefd (art. 1134, eerste lid, B.W.).

Indien bewezen wordt dat de niet-geprotesteerde factuur verschilt van de daaraan voorafgaande overeenkomst, bijvoorbeeld in het geval van aanvulling of wijziging van de overeenkomst door de op de factuur opgenomen standaardbedingen, moet de aanvaarding dus strenger worden beoordeeld en zijn ook jegens de handelaar, boven op zijn stilzwijgen, bijkomende omstandigheden vereist om tot aanvaarding van de afwijkende vermeldingen te besluiten. Bijgevolg kan de ene partij geen aanvullingen of wijzigingen aanbrengen, zonder er de wederpartij uitdrukkelijk op te wijzen (Storme, M.-E., «Bewijs- en verbintenissenrechtelijke beschouwingen omtrent het stilzitten van de aangesprokene bij een factuur en bij andere vormen van aanspraakbevestiging», T.B.H. 1991, p. 463, nrs. 35 tot 38; Carette, A., noot onder Antwerpen 17 september 1991, R.W. 1991-92, 960).

In dit laatste geval kunnen standaardbedingen die voor het eerst in een factuur opduiken of die afwijken van de bedingen van de initiële overeenkomst, tevens worden geacht deel uit te maken van de contractinhoud, indien de partijen reeds geruime tijd met elkaar handelsrelaties onderhouden en de handelaar de in de factuur voorkomende standaardbedingen stilzwijgend heeft aanvaard, bijvoorbeeld door er na de ontvangst niet onmiddellijk tegen geprotesteerd te hebben (Bergen 12 november 1986, J.T. 1987, 112; Brussel 9 mei 1990, J.L.M.B. 1990, 1490; Dirix, E. en Van Oevelen, A., «Kroniek van het verbintenissenrecht (1985-1992)», R.W. 1992-93, p. 1209, nr. 10).

zie rechtbank Koophandel Brussel 16 augustus 2005, RW 2007-2008, 1460

  

rechtspraak:

•• Kh. Brussel (20e k.) 11 april 2000, R.W. 2003-04, afl. 2, 71.

Ter wille van een vlot en efficiënt rechtsverkeer rust op een handelaar de verplichting om te reageren op brieven, als hij niet akkoord gaat met de inhoud ervan. Het niet protesteren van een factuur binnen een redelijke termijn levert dan ook de aanvaarding ervan op.

•• Vred. Zelzate 18 mei 1995, A.J.T. 1994-95, 577, noot BALLON, G. .

Een factuur vormt op zichzelf geen bewijs van de levering of de uitvoering van de erin vervatte werken. Dit geldt des te meer wanneer de facturen uitdrukkelijk en tijdig werden geprotesteerd.
Het laattijdig inleiden van de vordering tot betalen (bijna 7 jaar na de factuurdatum) van deze geprotesteerde facturen impliceert dat de schuldeiser door zijn stilzitten de rechten van verdediging van de schuldenaar krenkt.

a contrario

•• Kh. Leuven 5 april 1994, R.W. 1994-95, 858.

Uit het stilzwijgen van eiseres op de protestbrief van verweerster kan geen aanvaarding ervan worden afgeleid indien zou blijken dat eiseres van het protest geen kennis had.
Het protest dat in abstracto is geredigeerd in een vooraf geschreven standaardformulier dat geen enkele verwijzing inhoudt naar de geprotesteerde factuur, kan niet worden geacht stilzwijgend te zijn aanvaard daar het de geadresseerde niet in staat stelt de aanspraak te preciseren en/of de juistheid van het protest na te gaan.

•• Vredegerecht van het kanton Oudenaarde-Kruishoutem Algemene rolnummer 07 a 139, RW 2011-2012, 1227 (kantoor inferentie 7215).

Net zoals de ontvanger van een factuur bij stilzitten geacht wordt stilzwijgend te hebben aanvaard, wordt ook de verzender van de factuur geacht akkoord te gaan met een tijdig en gemotiveerd protest indien hij nalaat dit protest te weerleggen. (Antwerpen, 28 mei 2003, Limburgs rechtsleven, 2003, aflevering 4, 260 met noot en vredegerecht Mol, 14 mei 1996, Tijdschrift voor vrederechters, 1997,334).

Krachtens artikel 25 wetboek van koophandel en op grond van de vertrouwensleer wordt inderdaad aangenomen dat een handelaar niet alleen facturen niet te protesteren, maar ook brieven, aanmaningen, rekeninguittreksels, die een aanspraakbevestiging inouden.

Handelaars zijn ertoe gehouden om de facturen of de geschriften die zij ontvangen en wensen te betwisten, onverwijld schriftelijk te protesteren, nu het gebrek aan protest als de aanvaarding geldt, onder voorbehoud van bijzondere omstandigheden, zoals verschoonbaar dwaling, of bedrog of misbruik van omstandigheden door de verzender (Storme M., bewijs en verbintenis,  rechterlijke beschouwingen omtrent het stilzitten van de aangesprokene bij een factuur en bij andere vormen van een aanspraakbevestiging, TBH, 1991, nr 12, pagina 480-481.

•• Hof van Cassatie (1e Kamer) 22 september 2006

«Krachtens art. 25 van titel IV W.Kh. kan het bewijs van handelsverbintenissen worden geleverd door alle bewijsmiddelen, vermoedens inbegrepen.

«Krachtens deze wetsbepaling kan de rechter inzake handelsverrichtingen, zoals de levering van bouwmaterialen, uit het gebrek aan protest van een brief tussen handelaars het feitelijke vermoeden putten en er het bewijs in vinden dat de bestemmeling de inhoud van die brief aanvaardt.

«De rechter beoordeelt zulks naargelang van de feitelijke omstandigheden van het geval».

vergelijk:

•• Cass. 27 januari 2000, R.W. 2000-2001:

De rechter kan inzake handelsverrichtingen zoals aannemingswerken uit de aanneming van de factuur een feitelijk vermoeden putten en er het bewijs in vinden dat de schuldenaar zijn akkoord heeft gegeven met de in de factuur vermelde verbintenis; dit is eveneens het geval wanneer de aangenomen factuur is gestuurd in uitvoering van een schriftelijke overeenkomst, maar daarvan afwijkende verbintenissen inhoudt.

Rechtbank van Koophandel te Oudenaarde 1e Kamer – 1 september 2009, R.W.. 2010-2011, 29

NV D.E. t/ BVBA A.H.B. 

1. De vordering strekt ertoe verweerster te horen veroordelen tot betaling van de som van 2.243,05 euro, vermeerderd met de conventionele rente aan 10% op de som van 2.039,14 euro vanaf de respectieve vervaldag van de facturen tot de datum van dagvaarding, en met de gerechtelijke interesten aan dezelfde conventionele rentevoet vanaf de datum van de dagvaarding tot de datum van volledige betaling.

Deze vordering is gebaseerd op een niet-betaalde factuur nr. 501051 van 31 oktober 2005 en de factuur nr. 600378 van 31 maart 2006 voor levering van drukwerk.

2. Aan de hand van de door de partijen overgelegde stukken en hun uitleg verstrekt in conclusies en ter pleitzitting, kunnen de meest relevante feiten die aan de grondslag liggen van deze zaak als volgt worden samengevat.

Op 31 oktober 2005 schreef eiseres haar factuur nr. 501051 ten bedrage van 334,70 euro uit voor een door verweerster geplaatste bestelling van 3.000 lange omslagen. De factuur nr. 600378 ten bedrage van 1.704,44 euro volgde op 31 maart 2006; deze factuur betrof 50.000 strooifolders in het Nederlands.

Aangezien betaling uitbleef, schakelde eiseres een raadsman in die verweerster bij brief van 16 april 2009 in gebreke stelde om beide facturen alsnog binnen zeven dagen te voldoen.

Omdat ook deze aanmaning zonder reactie bleef, ging eiseres bij exploot van 30 april 2009 over tot invordering in rechte van de facturen, inmiddels verhoogd met interesten en een schadebeding voor een totaalbedrag van 2.243,05 euro.

3. Eiseres voert aan, en de rechtbank resumeert, dat verweerster niet betwist dat zij beide facturen behoorlijk heeft ontvangen. Omdat zij niet werden geprotesteerd, moet verweerster geacht worden deze facturen te hebben aanvaard.

Eiseres zegt geen weet te hebben van enige instructie van verweerster om de factuur van 31 oktober 2005 op een ander adres te factureren.

Tevens betwist eiseres dat de uitvoering van de tweede bestelling, voorwerp van de factuur van 31 maart 2006, niet naar behoren was. Eiseres wijst er in dit verband op dat verweerster de goederen niet heeft terugbezorgd en ze dus heeft aanvaard...

Eiseres erkent voorts dat er enige tijd voorbijging alvorens zij tot dagvaarding is overgegaan. Van rechtsverwerking of verjaring zou evenwel geen sprake zijn.

Eiseres heeft naar eigen zeggen weinig tijd om onbetaalde facturen achterna te lopen en heeft recentelijk haar volledige boekhouding in orde gebracht. Volgens eiseres kan het haar niet ten kwade worden geduid dat verweerster haar betalingsverplichtingen heeft verzuimd.

4. Verweerster voert aan, en de rechtbank resumeert, dat zij de thans ingevorderde facturen ontvangen heeft, maar de betaling weigerde omdat de facturatie in strijd was met de afspraken tussen partijen.

Verweerster legt uit dat zij een vaste klant van eiseres was en alle communicatie tussen hen beiden verliep via de heer F.D., commercieel bediende in dienst van eiseres. Gelet op de vertrouwensband tussen partijen, was het niet de gewoonte om facturen schriftelijk te protesteren, aldus verweerster.

Wat in het bijzonder de factuur nr. 501051 betreft, betoogt verweerster dat deze factuur in werkelijkheid bestemd was voor de BVBA A.H.L. Verweerster legt een schriftelijke verklaring voor van de heer D. waarin dit uitdrukkelijk bevestigd wordt.

In verband met de factuur nr. 600378 benadrukt verweerster dat een driehonderdtal van de geleverde strooifolders een kleurverschil vertoonden. Eiseres zou een tegemoetkoming hebben aangekondigd, maar verweerster mocht nadien naar eigen zeggen niets meer van eiseres vernemen....

Verweerster is voorts van oordeel dat het uitsturen van een ingebrekestelling ruim drie en een half jaar na datum van de eerste factuur, een vorm van rechtsmisbruik uitmaakt. Nog vóór verweerster goed en wel op deze ingebrekestelling kon reageren, werd zij prompt gedagvaard. Verweerster beweert voordien geen enkele herinnering of aanmaning te hebben ontvangen.

Verweerster voegt hier nog aan toe dat het misbruik van recht in dit geval onbetwistbaar is, aangezien de gefactureerde goederen gebreken vertoonden. Na haar mondeling protest, was verweerster naar eigen zeggen gerechtigd om het initiatief van eiseres af te wachten.

Verweerster verzoekt de rechtbank om op grond van de figuur van de rechtsverwerking de vordering van eiseres te matigen. Aan eiseres zou aldus het voordeel van haar vordering moeten worden ontzegd. Subsidiair voert verweerster aan dat zij hoogstens kan worden veroordeeld tot betaling van de conventionele interesten vanaf de datum van ingebrekestelling, respectievelijk de gerechtelijke interesten vanaf de datum van dagvaarding...

Bespreking

Verweerster erkent uitdrukkelijk dat de facturen met nrs. 501051 en 600378 vóór het inleiden van de procedure niet schriftelijk werden geprotesteerd. Pas in het raam van haar conclusies heeft verweerster voor het eerst haar grieven op papier gezet.

De draagwijdte van een te laat geuit protest is evenwel beperkt tot de omkering van de bewijslast. De aanvaarde facturen leveren een bewijskrachtig maar weerlegbaar vermoeden van de gegrondheid van het op de facturen vermelde bedrag. Uit bepaalde omstandigheden, eigen aan de zaak, kan blijken dat het stilzwijgen niet als een aanvaarding kon worden beschouwd (Antwerpen 26 januari 1998, A.J.T. 1998-99, 241, noot D. Blommaert; Gent 4 december 2006, R.A.B.G. 2008, 940).

Uit het stuk nr. 2 van verweerster blijkt dat zij op geregelde basis relatief grote orders plaatste bij eiseres. Partijen waren bijgevolg als gebruikelijke handelspartners met elkaar vertrouwd, met een deformalisering van de onderlinge communicatie als gevolg. Dit blijkt in het bijzonder uit het e-mailverkeer, door eiseres overgelegd als haar stuk nr. 7, waarin de rechtbank leest dat partijen elkaar gewoon met de voornaam aanspraken.

Wanneer twee handelspartners een rechtstreekse communicatielijn hebben waarin het persoonlijk contact centraal staat, is het niet ongewoon dat een eventueel protest van facturen via hetzelfde informele kanaal wordt ter kennis gebracht. Het is bijgevolg aannemelijk dat verweerster zich beperkte tot een mondeling protest, uit vrees dat een formele brief als agressief zou worden ervaren.

Het feit dat ook eiseres aanvankelijk geen enkele aanmaning of herinnering verzond, is een bijkomende aanwijzing dat verweerster haar grieven wel degelijk, zij het dan mondeling, kenbaar heeft gemaakt. Indien verweerster in het geheel niets van zich had laten horen, zou eiseres ongetwijfeld in haar hoedanigheid van schuldeiser de eerste stap hebben gezet om haar contractpartner aan te schrijven. Dat zij pas meer dan drie jaar na de datum van haar facturen tot ingebrekestelling overging, bevestigt dan ook dat de facturen het voorwerp van discussie hebben uitgemaakt.

De rechtbank neemt derhalve aan dat verweerster de facturen van eiseres heeft geprotesteerd, zij het dan mondeling.

Verweerster stipt terecht aan dat zij na het uitbrengen van haar bezwaren de reactie van eiseres mocht afwachten. Niet verweerster maar wel eiseres was toen aan zet.

Eiseres betwist niet dat zij ruim drie jaar liet verstrijken alvorens zij tot ingebrekestelling en vervolgens tot dagvaarding overging.

De verklaring van eiseres dat zij weinig tijd heeft om onbetaalde facturen «achterna te lopen» en pas in 2008 haar boekhouding in orde kon brengen, overtuigt niet. Diligentie in het opvolgen van de eigen administratie is een van de pijlers van een vlot handelsverkeer en zorgt voor rechtszekerheid bij alle betrokken partijen. Eiseres is bovendien aan de boekhoudwetgeving onderworpen, zodat zij minstens bij het opmaken van de jaarrekening geacht wordt haar openstaande vorderingen grondig door te lichten. Indien eiseres het niet eens was met het protest, dan diende zij snel en alert te reageren, hetzij met een schriftelijke weerlegging van de visie van verweerster, hetzij met een aanmaning.

Door maar liefst drie opeenvolgende jaren geen enkel initiatief te nemen heeft eiseres de indruk gewekt dat zij zich met het protest van verweerster verzoend had. Zij heeft aldus een houding aangenomen die niet verzoenbaar is met de huidige vordering. Het aannemen van een houding die tegenstrijdig is met het uitgeoefende recht kan op zichzelf evenwel geen reden zijn om een wederpartij te ontslaan van de verplichting haar verbintenis uit te voeren. In art. 1134, derde lid, B.W. is het beginsel neergelegd van de uitvoering te goeder trouw van de overeenkomsten; een partij schendt noch dat artikel noch dat beginsel wanneer zij gebruik maakt van het recht dat zij uit de wettig aangegane overeenkomst afleidt, en niet is bewezen dat zij er misbruik van heeft gemaakt. Het Burgerlijk Wetboek erkent immers impliciet dat een partij de mogelijkheid heeft om het haar door de overeenkomst verleende recht niet onmiddellijk uit te oefenen door de vaststelling van de regels van de bevrijdende verjaring (Cass. 5 juni 1992, Arr. Cass. 1992, 941, Pas. 1992, I, 876, R. Cass. 1992 (weergave), 215, noot M.E. Storme; Cass. 20 februari 1992, Arr. Cass. 1991-92, 583, J.L.M.B. 1992, 530, J.T. 1992, 454, noot, Pas. 1992, I, 549).

Niettemin kan deze handelwijze in het licht van de begeleidende omstandigheden als een vorm van rechtsmisbruik worden bestraft.

De rechtbank meent dat een vennootschap die gedurende drie jaar niet reageert op het protest van haar vaste handelspartner, om dan plots toch te dagvaarden, wetende dat de tegenpartij mogelijk met bewijsmoeilijkheden zal kampen wegens het tijdsverloop en het ontbreken van een schriftelijk protest, kennelijk tekortschiet aan haar loyaliteitsverplichting en misbruik maakt van het vertrouwen van de tegenpartij (cf. Antwerpen 11 februari 1998, A.J.T. 1998-99, 132, T.B.B.R. 1999 (verkort), 202; Kh. Brussel 19 mei 2008, R.W. 2008-09, 1486, noot; Luik 14 november 1995, R.R.D. 1996, 596).

In geval van rechtsmisbruik dient de uitoefening van het recht te worden gereduceerd binnen de grenzen van een behoorlijke rechtsuitoefening. De rechtbank houdt daarbij in het bijzonder rekening met het feit dat verweerster de geleverde goederen niet heeft terugbezorgd en dus geacht moet worden hiervan gebruik te hebben gemaakt. Zo betrof de factuur nr. 600378 liefst 50.000 strooifolders, waarvan er «slechts» een driehonderd bepaalde gebreken vertoonde. Geen van de folders werd evenwel terugbezorgd. Wat de factuur nr. 501051 betreft, ging het weliswaar om goederen die voor een ander filiaal bestemd waren, maar verweerster heeft er blijkbaar voor geopteerd de omslagen niettemin zelf te gebruiken. De geleverde papierwaren hebben dus onmiskenbaar een zeker nut gehad voor verweerster, zodat het onbillijk voorkomt aan eiseres elke betaling te ontzeggen. Ook verweerster is immers gebonden aan de goede trouw, welke in dit geval meebracht dat zij, consequent met het eigen protest, de levering zou weigeren, minstens de goederen terugzenden.

Op grond van bovenstaande overwegingen besluit de rechtbank de vordering van eiseres in te willigen, met dien verstande dat voor de driehonderd folders met een kleurverschil de som van 10,00 euro (1.704,44 euro / 50.000 x 300) in mindering wordt gebracht en de interesten op de hoofdsom worden beperkt tot gerechtelijke interesten, met ingang van de datum van huidig vonnis. Tevens worden de gerechtskosten ten laste van verweerster beperkt tot de kosten van dagvaarding. 
...

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:15
Laatst aangepast op: wo, 08/03/2017 - 14:15

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.