-A +A

De rechtsgeldigheid van een beding van aanwas

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

De Belgische rechtspraak heeft in tegenstelling tot de Franse rechtspraak steeds de geldigheid van het beding van aanwas aangenomen.

Eigenaardig genoeg menen sommige advocaten het beding van aanwas nog steeds te moeten aanvechten. Tevergeefs.

Het Hof van Beroep te Gent diende zich op 18.12.2003 (CABG 2006/6,pg 2 e.v.) te buigen over de vraag of volgend beding van aanwas al dan niet nietig was :

" De aankoop door twee deelgenoten voor de helft in volle eigendom van een onroerend goed, waarbij uitdrukkelijk werd overeengekomen dat in geval van overlijden van één van de deelgenoten het door de eerst stervende verworven deel zal aangroeien in het voordeel van de langstlevende".

Terecht oordeelde het Hof dat een dergelijk beding niet nietig is als strijdig met art. 1130 B.W., dat een beding omtrent een toekomstige nalatenschap verbiedt.

De rechten die aan de mede contractanten werden toegekend, zijn actuele (en geen eventuele) rechten, die een definitieve verbintenis inhouden, die slechts opeisbaar worden na het overlijden van een partij of waarvan de uitvoering afhankelijk is gesteld van het vooroverlijden van diegene die afstaat. Hoewel partijen in onverdeeldheid zijn, zijn ze evenwel gebonden door deze aangegane definitieve verbintenissen (om met name in onverdeeldheid te blijven tot op het ogenblik van het overlijden van één van hen) waarvan zij zich dienvolgens enkel in gemeen overleg kunnen bevrijden en niet door een éénzijdige vordering tot onuitverdeeldheidstreding via art. 815 Ger.W. (zie D.Michiels,"bedingen van tontine en aanwas", R.W. 1995-1996 (969),980,nr.40).

Het feit dat in casu geen conventionele tijdsbepaling werd voorzien, doet niets af aan hetgeen zonet is gesteld. Het feit dat een dergelijke beperking door de praktijk als nuttig of zelfs raadzaam wordt voorgesteld maakt de litigieuze clausule daarom niet ongeldig.

Een beding van aanwas voorziet best in de uitdrukkelijke formulering van de verzorgingsgedachte tussen de "deelgenoten". Deze veruitwendiging kan er voor zorgen dat een aanwasbeding niet kan gekwalificeerd worden als een oneigenlijke onterving. Hieraan dient onmiddellijk toegevoegd dat de rechtspraak zelfs in aanwezigheid van deze verzorgingsgedachte vorderingen wegens zogenaamde onterving wegens ongeoorloofde oorzaak afwijst.

Bedingen van aanwas en tontine zijn de facto kanscontracten die weliswaar beogen om de deelgenoten te beveiligen voor een goed dat zij samen hebben verworven.

• Hof van Beroep Antwerpen, 03/06/2009? RW 2010-2011, 637

D.P. t/ A.

1. Antecedenten

Partijen hebben een tijdlang een relatie gehad, zonder samenlevingscontract. Uit hun relatie zijn twee kinderen geboren, respectievelijk in 1992 en 1995.

Bij akte verleden voor notaris P.V. op 16 december 1997 kochten zij samen een onroerend goed te (...).

Op 3 oktober 2007 bracht de heer A. een dagvaarding uit tot vereffening en verdeling van deze woning. Bij tegeneis vorderde mevrouw D. P. betaling van 26.494,50 euro provisioneel, vermeerderd met de verwijlinteresten vanaf de respectieve vervaldata van de lening en de gerechtelijke interesten.

Bij vonnis van de Burgerlijke Rechtbank te Antwerpen van 21 maart 2008 werd de hoofdeis gegrond verklaard en een notaris aangesteld voor de vereffening en verdeling van het onverdeelde goed en vastgesteld dat de notaris standpunt dient in te nemen met betrekking tot de ingestelde tegeneis, omdat deze vordering behoort tot de bewerkingen van vereffening en verdeling.

2. Vorderingen in beroep

Tegen dit vonnis tekende mevrouw D. P. beroep aan bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 2 juni 2008. Zij vordert de afwijzing van de oorspronkelijke vordering wegens nietigheid van de ingeroepen opzegbedingen uit de notariële koopovereenkomst, minstens te zeggen voor recht dat het ingeroepen aanwasbeding een verboden erfovereenkomst uitmaakt, minstens rechtsmisbruik aan te nemen en voor zoveel als nodig de oorspronkelijke tegeneis ontvankelijk en gegrond te verklaren, zoals provisioneel thans begroot op 29.336,74 euro, vermeerderd met de interesten.

De heer A. besluit tot ongegrondheid van het hoger beroep en bevestiging van het bestreden vonnis.

...

4. Beoordeling

1. In de notariële koopovereenkomst van 16 december 1997, waarbij partijen het onroerend goed aankochten, tegen de prijs van 47.099,77 euro (1.900.000 fr.), elk voor de onverdeelde helft, werd een beding van aanwas opgenomen, (in essentie) ten titel van wederkerige bepaling en kanscontract dat bij het overlijden van de eerststervende van hen, zijn aandeel in het aangekochte goed zal aangroeien bij dat van de langstlevende, zonder dat deze laatste iets zou verschuldigd zijn aan de nalatenschap van de eerststervende. Aldus staat ieder van de kopers zijn aandeel af aan de andere, onder de opschortende voorwaarde van zijn vóóroverlijden. Als tegenprestatie voor deze afstand verkrijgt degene die afstaat, een gelijke kans om het aandeel van de andere te verwerven, indien hij langst leeft.

In punt 5 van de overeenkomst werden een aantal mogelijkheden tot beëindiging opgenomen, waarvan de hier relevante bepalingen te vinden zijn

– onder B.: het beding van aanwas wordt overeengekomen voor een periode van drie jaar te rekenen vanaf heden. Na het verstrijken van deze termijn wordt de overeenkomst geacht van rechtswege verder te lopen voor een nieuwe periode van drie jaar en zo telkens verder, tenzij één van de partijen minstens drie maanden vóór de driejaarlijkse termijn, bij notariële akte ter overschrijving aan te bieden op het hypotheekkantoor, kennis geeft om een einde te maken aan de overeenkomst van aanwas.

– onder. C. b): afgezien van de opzegmogelijkheden onder B. heeft elke koper bij aankoop door niet-gehuwden het recht na zes maanden feitelijke scheiding – aan te tonen met alle rechtsmiddelen – om de verkoop van het onroerend goed, voorwerp van deze overeenkomst, door alle rechtsmiddelen te vorderen (...) De koper die het eigendom blijft bewonen beschikt over een voorkeurrecht tot overname van het eigendom (...).

Op 16 december 1997 werd eveneens voor notaris P.V. te (...) een hypothecaire lening gesloten tussen enerzijds mevrouw D. P. en anderzijds de NV I. voor een bedrag van 47.099,77 euro (1.900.000 fr.), voor een duur van twintig jaar. In deze leningsakte stelde de heer A. zich hoofdelijk en ondeelbaar borg voor het geleende bedrag.

2. De overeenkomst tot aankoop met een beding van aanwas is op zichzelf een rechtsgeldige overeenkomst, waarbij een onverdeeldheid tussen partijen ontstaat en actuele rechten aan de wederpartij worden toegekend onder de opschortende voorwaarde van het vooroverlijden van de andere. Het beding van aanwas brengt een doelvermogen tussen partijen tot stand betreffende een welbepaald goed, in casu de aangekochte woning, in onverdeeldheid...

4. De beperking in de tijd van het beding van aanwas, met mogelijkheid tot verlenging, brengt de geldigheid van de overeenkomst niet in het gedrang, omdat ook in dat geval de partijen zich nog steeds definitief verbonden hebben met betrekking tot een actueel recht.

5. Tevergeefs voert mevrouw D. P. aan dat de overeenkomst, in zoverre ze eenzijdig opzegbaar is, in geval van een feitelijke scheiding van meer dan zes maanden, dient te worden beschouwd als een verboden erfrechtovereenkomst.

Een verboden erfrechtovereenkomst is elk beding dat tot voorwerp heeft louter eventuele rechten in een nog niet opengevallen nalatenschap of een bestanddeel daarvan toe te kennen, te wijzigen of af te staan.

Een beding van aanwas doet evenwel meteen afdwingbare, zij het voorwaardelijke, verbintenissen ontstaan tussen partijen, onder meer om het goed te behouden, en heeft aldus geen betrekking op een goed in zoverre het deel zal uitmaken van een toekomstige nalatenschap. Partijen kunnen bijgevolg geldig preciseren dat de rechten die voortvloeien uit een beding van aanwas enkel worden toegekend zolang de samenwoning duurt. Dat elke partij op die manier eenzijdig de opzegging van het beding kan uitlokken en na het beëindigen van de samenwoning kan eisen uit de onverdeeldheid te treden, is enkel het gevolg van het feit dat bij het aangaan van de overeenkomst te bezwarenden titel, partijen erover akkoord gingen om een dergelijke ontbindende voorwaarde aan hun overeenkomst te koppelen.

6. De beëindiging van de relatie heeft op grond van de uitdrukkelijke wilsovereenstemming van partijen, zoals die is uitgedrukt in hun overeenkomst van 16 december 1997, de opzegbaarheid van het beding van aanwas tot gevolg. Die beëindiging kan weliswaar tot stand komen door een eenzijdige beslissing van een van de partners, maar heeft zodanige gevolgen op diverse vlakken dat zij niet kan worden beschouwd als een louter potestatieve voorwaarde met het oog op het opzegbaar maken van het beding van aanwas.

Bijgevolg is een aldus opzegbaar beding van aanwas niet in strijd met art. 1174 BW, waarin wordt bepaald dat elke verbintenis nietig is wanneer zij is aangegaan onder een potestatieve voorwaarde van de zijde van degene die zich verbindt....

8. Daar de heer A. enkel gebruik maakt van rechten die hem toegekend zijn in een geldig gesloten wederzijdse overeenkomst en er geen disproportie is tussen het nagestreefde voordeel en het door de andere partij eventueel geleden nadeel, is er geen sprake van rechtsmisbruik. Het tijdsverloop tussen de mogelijkheid om de overeenkomst op te zeggen en de feitelijke opzegging hiervan, doet daaraan trouwens op zichzelf geen afbreuk.

9. Door de geldige opzegging en bijgevolg het wegvallen van het aanwasbeding, ontstaat een gewone onverdeeldheid, waarvan de uitonverdeeldheidtreding kan worden gevraagd.

Bijgevolg heeft de eerste rechter zeer terecht partijen verwezen naar een notaris voor de bewerkingen van vereffening en verdeling van deze onverdeeldheid.

• Cassatie 21 oktober 2016, RW 2017-2018, 979

Samenvatting

Een overeenkomst waarbij twee of meer partijen bepaalde goederen of rechten verwerven onder het beding dat de langstlevende eigenaar of houder wordt van het geheel der goederen of rechten, heeft geen eventuele rechten tot voorwerp en valt bijgevolg niet onder het verbod van 1130, tweede lid, Burgerlijk Wetboek; dit is evenmin het geval wanneer een dergelijk beding van aanwas een vervalbeding of een ontbindende voorwaarde bevat voor het geval dat aan de samenwoning van de partijen een einde komt, aangezien de partijen tijdens de duur van het samenwonen definitief verbonden zijn; de louter omstandigheid dat het beding aldus een potestatief element bevat, heeft niet tot gevolg dat het onder het verbod van artikel 1130, tweede lid, Burgerlijk Wetboek valt; voormelde bedingen zijn te aanzien als ontbindende voorwaarden en vallen evenmin onder het verbod bedoeld in artikel 1174 Burgerlijk Wetboek.

Tekst arrest

AR nr. C.15.0457.N

R.V.R. t/ I.P.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 30 juni 2015.

...

II. Feiten

Uit het arrest blijkt dat:

– de verweerster met haar toenmalige partner P.V.R. in 2000 een woning aankocht te M.;

– beiden dit pand aankochten in «onderverdeeldheid met een beding van aanwas voor het vruchtgebruik op de onverdeelde helft van de overledene, op voorwaarde van blijvend samenwonen tot aan het vooroverlijden»;

– P.V.R. op 9 december 2009 is overleden;

– de verweerster op 17 februari 2011 de eiseres, dochter van P.V.R. en diens enige reservataire erfgenaam, heeft gedagvaard teneinde te horen zeggen voor recht dat zij het volledige vruchtgebruik heeft op het onroerend goed;

– de eiseres de nietigheid of niet-tegenwerpelijkheid van het beding van aanwas opwierp en de verdeling van de onverdeeldheden vorderde.

...

III. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan.

Geschonden wetsbepalingen

- de artikelen 791 en 1130, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek zoals van toepassing voor de wijziging bij artikel 4 van de wet van 22 april 2003 tot wijziging van enkele bepalingen van het Burgerlijk Wetboek in verband met het erfrecht van de langstlevende echtgenoot alsook, voor zoveel als nodig;

- de artikelen 791 en 1130, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek zoals van toepassing na de wijziging bij artikel 4 van de wet van 22 april 2003 tot wijziging van enkele bepalingen van het Burgerlijk Wetboek in verband met het erfrecht van de langstlevende echtgenoot;

- de artikelen 1388, eerste lid en 1600 van het Burgerlijk Wetboek;

- en, voor zoveel als nodig, de artikelen 1170 en 1174 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissing

De appelrechters verklaren het hoger beroep van de verweerster gedeeltelijk gegrond en oordelen dat het door de heer P. V. R. en de verweerster bedongen beding van aanwas voor wat het vruchtgebruik op de onverdeelde helft van de vooroverledene betreft niet nietig is als een verboden overeenkomst over een nog niet opengevallen nalatenschap, en dat de verweerster derhalve vanaf 9 november 2009 vruchtgebruikster is van de woning op en met grond, gelegen te M., ..., gekadastreerd sectie C, nr. 74 W7 groot 177 m² . Deze beslissing steunt op de volgende motieven:

"De bestreden beslissing van de eerste rechter dat het beding van aanwas in zijn geheel nietig is als een overeenkomst over een niet opengevallen nalatenschap wordt niet bijgetreden.

Artikel 1130 Burgerlijk Wetboek luidt: "Toekomstige zaken kunnen het voorwerp van een verbintenis uitmaken. Men kan echter een nalatenschap die nog niet opengevallen is, niet verwerpen en evenmin omtrent zodanige nalatenschap enig beding maken, zelfs niet met toestemming van hem wiens nalatenschap het betreft, tenzij in de gevallen bij wet bepaald.

Artikel 1174 Burgerlijk Wetboek luidt: "Iedere verbintenis is nietig, wanneer zij is aangegaan onder een potestatieve voorwaarde van de zijde van degene die zich verbindt". Die wetsbepaling beoogt louter potestatieve opschortende voorwaarden.

Een overeenkomst over een toekomstige nalatenschap is elk beding waardoor louter eventuele rechten op een niet-opengevallen nalatenschap of een bestanddeel ervan worden toegekend, gewijzigd of afgestaan.

Als uitzondering op het algemene principe van de contractvrijheid is het verbod van erfovereenkomsten limitatief te interpreteren, wat impliceert dat aan alle elementen van de definitie moet voldaan zijn.

Het betrokken beding van aanwas brengt een doelvermogen tussen partijen tot stand betreffende een welbepaald onroerend goed, in casu het vruchtgebruik van de aangekochte woning in onverdeeldheid en heeft niet een toekomstig open te vallen nalatenschap tot voorwerp. In de akte leest men dat het aangekochte goed aan een beding van aanwas wordt onderworpen.

Dat elk van de contractanten eenzijdig een eind kan maken aan hun samenwoning heeft dus niet tot gevolg dat uit die overeenkomst enkel louter eventuele rechten ontstaan in een toekomstige nalatenschap. Het blijft een overeenkomst met betrekking tot een tegenwoordig voorwerp die ontsnapt aan het toepassingsgebied van artikel 1130 Burgerlijk Wetboek maar waaraan bijkomend een (nu ontbindende) voorwaarde van feitelijke scheiding gekoppeld is, die wel als potestatief maar niet als louter potestatief is te bestempelen, nu de eenzijdige wil niet op de verbintenis zelf inwerkt. Die voorwaarde ontsnapt aan artikel 1174 Burgerlijk Wetboek.

Ten overvloede moet naar redelijkheid worden aangenomen dat de beëindiging van de relatie, ook als ze tot stand kan komen door een eenzijdige beslissing van een van de partners, zodanige gevolgen op diverse vlakken heeft dat zij niet kan worden beschouwd als een louter potestatieve voorwaarde met het oog op het opzegbaar maken van het beding van aanwas (zie ook Antwerpen (3de kamer), 3 juni 2009, met noot M. Puelinckx-Coene, "Wordt het beding van aanwas tussen samenwonenden een verboden erfovereenkomst zo het buitenspel gezet wordt bij feitelijke scheiding" T. Not. 2011, afl. 10, 520-530).

De oorzaak van de overeenkomst van de contractanten is manifest gelegen in hun affectieve relatie en heeft als doel het goed samen te kunnen bewonen en beheren en elkaar rechten te garanderen bij het overlijden van één van hen. Die overeenkomst zou alleszins door de beëindiging van hun relatie om een andere reden dan het overlijden, geen bestaansreden meer hebben en een gewone onverdeeldheid doen ontstaan waarvan op grond van artikel 815 Burgerlijk Wetboek de verdeling kan worden gevorderd.

Zelfs bij afwezigheid van de aangevochten clausule "onder ontbindende voorwaarde dat beide kopers blijven samenwonen", zou het beding van aanwas daarom geen uitwerking krijgen bij feitelijke scheiding.

Het beding van aanwas is bijgevolg niet nietig als een verboden overeenkomst over een nog niet opengevallen nalatenschap."

Grieven

Luidens artikel 1170 van het Burgerlijk Wetboek is een potestatieve voorwaarde die welke de uitvoering van de overeenkomst doet afhangen van een gebeurtenis die de ene of de andere van de contracterende partijen vermag te doen plaats hebben of te verhinderen.

Ingevolge artikel 1174 van het Burgerlijk Wetboek is elke verbintenis onder bezwarende titel nietig indien zij is aangegaan onder een louter potestatieve (opschortende) voorwaarde. De louter potestatieve (opschortende) voorwaarde onderscheidt zich van de gewoon potestatieve of gemengd potestatieve (opschortende) voorwaarde doordat haar verwezenlijking uitsluitend van de wil van de schuldenaar afhangt.

Anderzijds volgt uit de artikelen 791 en 1130, tweede lid, 1388, eerste lid en 1600 van het Burgerlijk Wetboek dat elk beding over een toekomstige nalatenschap verboden is. Een beding over een toekomstige nalatenschap onderstelt een beding waardoor louter eventuele rechten op een niet-opengevallen nalatenschap of een bestanddeel ervan worden toegekend, gewijzigd of afgestaan.

Aldus worden slechts louter eventuele rechten toegekend, gewijzigd of afgestaan, indien de toekenning van die rechten afhangt van een gebeurtenis die hij die zich verbindt of de rechten toekent, vermag te doen plaatshebben of te verhinderen, ook al zou diens eenzijdige wilsuiting daartoe niet volstaan. In dat geval heeft laatstgenoemde immers de mogelijkheid om eenzijdig op de overeenkomst terug te komen.

Het is met andere woorden niet vereist dat het beding is aangetast door een louter potestatieve voorwaarde, dat wil zeggen een voorwaarde waarvan de verwezenlijking uitsluitend afhangt van de wil van degene die zich verbindt of de rechten toekent. Een beding maakt eveneens een verboden beding over een toekomstige nalatenschap uit indien de toekenning van de rechten afhangt van het zich voordoen van een externe gebeurtenis waarop de wil van de bedinger vat heeft.

De appelrechters stellen vast dat verweerster en de heer P. V. R. op 8 juni 2001 een woning in onverdeeldheid hebben aangekocht, aangevuld met een beding van aanwas voor wat betreft het vruchtgebruik op de onverdeelde helft van de vooroverledene, zij het op voorwaarde van het blijvend samenwonen tot aan het vooroverlijden.

De appelrechters oordelen vervolgens dat de aldus aan het beding van aanwas verbonden (ontbindende) voorwaarde van feitelijke scheiding als potestatief, zij het weliswaar niet als louter potestatief, is te bestempelen.

De appelrechters stellen derhalve vast dat de rechten die verweerster en de heer Patrick Van Rickstal ingevolge het beding van aanwas over en weer aan elkaar hebben toegekend, afhangen van een (externe) gebeurtenis waarop de wil van degene die zich verbindt of de rechten toekent wel degelijk vat heeft.

Door niettemin te oordelen dat het kwestieuze beding van aanwas niet nietig is als een verboden overeenkomst over een nog niet opengevallen nalatenschap op grond van de overweging dat de uitvoering van dit beding slechts afhankelijk is van een potestatieve voorwaarde maar niet van een louter potestatieve voorwaarde, terwijl een beding eveneens een verboden beding over een toekomstige nalatenschap uitmaakt indien rechten op een bestanddeel van een niet-opengevallen nalatenschap worden toegekend, gewijzigd of afgestaan onder de voorwaarde van het zich voordoen van een (externe) gebeurtenis die hij die zich verbindt of de rechten toekent, vermag te doen plaatshebben of te verhinderen, schenden de appelrechters de artikelen 791 en 1130, tweede lid, 1388, eerste lid en 1600 van het Burgerlijk Wetboek alsook, voor zoveel als nodig, de artikelen 1170 en 1174 van het Burgerlijk Wetboek.

IV. Beslissing van het Hof

1. Krachtens art. 1130, eerste lid BW kunnen toekomstige zaken het voorwerp van een verbintenis uitmaken. Het tweede lid bepaalt dat men een nalatenschap die nog niet is opengevallen, echter niet kan verwerpen noch over zodanige nalatenschap enig beding maken, zelfs niet met toestemming van de persoon wiens nalatenschap het betreft.

2. Een beding over een niet-opengevallen nalatenschap is een beding waardoor louter eventuele rechten op een niet-opengevallen nalatenschap of op een bestanddeel ervan worden toegekend, gewijzigd of afgestaan.

3. Een overeenkomst waarbij twee of meer partijen bepaalde goederen of rechten verwerven onder het beding dat de langstlevende eigenaar of houder wordt van het geheel van de goederen of rechten, heeft geen eventuele rechten tot voorwerp en valt bijgevolg niet onder het verbod van art. 1130, tweede lid BW. Dit is evenmin het geval wanneer een dergelijk beding van aanwas een vervalbeding of een ontbindende voorwaarde bevat voor het geval dat aan de samenwoning van de partijen een einde komt, aangezien de partijen tijdens de duur van het samenwonen definitief verbonden zijn.

De loutere omstandigheid dat het beding aldus een potestatief element bevat, heeft niet tot gevolg dat het onder het verbod van art. 1130, tweede lid BW valt.

Voormelde bedingen zijn te beschouwen als ontbindende voorwaarden en vallen evenmin onder het verbod bedoeld in art. 1174 BW.

4. De appelrechters die oordelen dat «het betrokken beding van aanwas een doelvermogen tussen partijen tot stand [brengt] betreffende een welbepaald onroerend goed, in casu het vruchtgebruik van de aangekochte woning in onverdeeldheid, en niet een toekomstig open te vallen nalatenschap tot voorwerp [heeft]», zodat «het ontsnapt aan het toepassingsgebied van art. 1130 BW» en de voorwaarde van het blijvend samenwonen «ontsnapt aan art. 1174 BW», verantwoorden hun beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Noot

• D. Michels, Beding van aanwas tot einde relatie is rechtsgeldig, RW 2017-2018, 979

• Tijdschrift voor Notarissen [T. Not.] SAGAERT, Vincent; Noot 'Groen licht voor aanwasbedingen die gekoppeld zijn aan de duurtijd van de relatie' 2017, nr. 1, p. 49-62.

 

 

Nog dit: 

Dirk Michiels, Overzicht rechtspraak Tontine en aanwas: CABG 2006/6 en R.W. 1995-96,(969),980, nr.40

TPR 2004, 653-683 en 983

J. Ruysseveldt, Samenwonenden en onroerend goed, in de reeks notariële praktijk studies p. 59 en volgende 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:15
Laatst aangepast op: zo, 11/02/2018 - 15:43

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.