-A +A

De bijzondere procedure voorlopige hechtenis in het douanestrafrecht

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

De voorhechtenis in zaken douane en accijnzen wordt bepaald door de artikelen 113-126 van het wetboek van strafvordering en de artikelen 247-252 AWDA. Deze regeling verschilt van het gewone strafprocesrecht.

Opvallend is het verschil dat de Procureur des Konings binnen de drie dagen kopie krijgt van het proces-verbaal van het douane of accijnzenmisdrijf en hierna enkel een wettigheidstoets uitvoert zonder zich te kunnen uitspreken over de opportuniteit van de aanhouding. Van zodra de Procureur des Konings verwittigd wordt dient hij de aangehouden ter beschikking te stellen van de onderzoeksrechter, die zich binnen de 24 uur na de aanhouding dient uit te spreken over de wettigheid en de opportuniteit.

 

De Procureur des Konings kan hoger beroep aantekenen tegen de beslissing van de onderzoeksrechter binnen een termijn van 15 dagen bij de Kamer van Inbeschuldigingstelling.

De douanedienst kan op elk ogenblik verzaken aan de voorlopige hechtenis middels een verzoek aan de Procureur des Konings die dit verzoek dan overgemaakt aan de onderzoeksrechter, het onderzoek of de vonnisrechters. De administratie van douane en accijnzen kan geen beroep aantekenen tegen een beslissing van de onderzoeksrechter die de betrokkene niet in voorlopige hechtenis stelt.

De douane  dient na de aanhouding door de onderzoeksrechter binnen de 14 dagen een dagvaarding uit te brengen voor de correctionele rechtbank, bij gebreke waaraan de voorlopige hechtenis vervalt (artikel 252 AWDA). Maar eens de betrokkene gedagvaard is blijft hij aangehouden zonder enige tussentijdse controle van de raadkamer tot wanneer de zaak voorkomt of tot wanneer de administratie van douane en accijnzen beslist tot vrijlating.

Tegen de beslissing tot aanhouding door de onderzoeksrechter kan de aangehoudene geen beroep aantekenen.

Wel is de mogelijkheid voorzien om een verzoekschrift neer te leggen conform artikel 113-126 van het Wetboek van strafvordering teneinde in vrijheid gesteld te worden op borgtocht.

De strafvordering in douane en accijnzen wordt uitgeoefend door zowel het Openbaar Ministerie als de administratie voor zover de vervolgde douane en accijnzen-misdrijven met een gevangenisstraf worden bestraft. Het is het Openbaar Ministerie die de strafvordering uitvoert voor het gedeelte wat de hoofd gevangenisstraf betreft maar het eigenlijke initiatief ligt bij de administratie van douane en accijnzen waaraan het Openbaar Ministerie ondergeschikt is. Deze afwijkende procedure is bijzonder verwarrend voor de gewone modale strafpleiter, zeker wanneer hij het Openbaar Ministerie als een amicus curiae dient te aanzien eerder dan de figuur die de strafvordering instelt en verder lijdt, waarbij parket en administratie op dezelfde lijn dienen te staan.

De onderzoeksrechter werkt onder toezicht van de raadkamer en is als enige bevoegd is om kennis te nemen van een verzoek tot invrijheidstelling, zolang de onderzoeksrechters gelast is en er nog niet gedagvaard is voor de correctionele.

In dezelfde periode is de Kamer van Inbeschuldigingstelling bevoegd is om het hoger beroep tegen de beslissing van de raadkamer te behandelen.

Een verzoek tot invrijheidstelling na ontlasting van de onderzoeksrechter door de raadkamer en na betekening van de dagvaarding te gronden door de douane administratie dient gericht aan de correctionele rechtbank.

Wanneer de raadkamer het verzoek van een aanhoudende ontvankelijk maar ongegrond klaagt, terwijl de zaak nog niet onttrokken is aan de onderzoeksrechters en er nog geen dagvaarding te gronden werd betekend, is de Kamer van Inbeschuldigingstelling niet bevoegd om uitspraak te doen over het beroep en is enkel de Correctionele Rechtbank bevoegd om zich over dit beroep uit te spreken.

zie: KI Antwerpen 26 juni 2015 RABG 2016/1 pagina 39 met noot Van Dooren, de appelrechter die onbevoegd wordt. Een curiosum uit het douanestrafrecht.
 

Nog dit: 
Maximale duur van aanhouding:
art 12 Grondwet (24 oktober 2017 tot wijziging van de termijn van 24 uur naar 48 uur)
"Behalve bij ontdekking op heterdaad kan niemand worden aangehouden dan krachtens een met redenen omkleed bevel van de rechter dat uiterlijk binnen achtenveertig uren te rekenen van de vrijheidsberoving moet worden betekend en enkel tot voorlopige inhechtenisneming kan strekken.".
Gerelateerd
0
Aangemaakt op: za, 05/03/2016 - 13:03
Laatst aangepast op: wo, 29/11/2017 - 10:48

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.