-A +A

daden van onderzoek

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Door daden van onderzoek en vervolging wordt de verjaring van de strafvordering gestuit.

 

De stuiting van de verjaring in strafzaken wordt geregeld door de artikelen 22 en 23 van het wetboek van strafvordering

daad van onderzoek:

De verjaring van de strafvordering wordt slechts gestuit door daden van onderzoek of van vervolging (art. 22 Voorafgaande Titel Sv).

Een daad van stuiting werkt in rem, dit betekent dat de stuiting het misdrijf als zodanig beoogt en niet de persoon. Aldus  geldt de stuiting voor alle mededaders en medeplichtigen van hetzelfde misdrijf, zelfs als zij later afzonderlijk worden vervolgd, en strekt zich ook uit tot de samenhangende feiten.

Als een daad van onderzoek wordt aanzien elke handeling die door een bevoegde persoon wordt verricht en die ertoe strekt het strafdossier op een zo volledig mogelijke wijze samen te stellen (bewijzen te verzamelen over de zaak instaat van wijzen te stellen) teneinde de rechter toe te laten te oordelen. De daden van onderzoek zijn dus niet beperkt tot de loutere handelingen die de bedoeling hebben bewijsmateriaal voor het misdrijf te verzamelen. Deze laatste daden vormen slechts een aspect van de samenstelling van het strafdossier. Bovendien wordt er geen onderscheid gemaakt ter zake tussen het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek. Zo kan een daad van onderzoek stuitend werken alvorens er reeds een onderzoeksrechter werd gevorderd. Dit werd bevestigd en cassatiearrest van 23 december 1998, A.J.T. 1998 - 99,541).

Wel wordt vereist dat een daad van onderzoek wordt uitgevoerd door een bevoegde overheid (cassatie 17 december 1985 A.C. 1985-6 nummer 265. Dit kan vooral van belang zijn wanneer vastgesteld wordt dat bepaalde daden gesteld werden door agenten van politie die niet de bevoegdheid hebben om autonoom opsporingsdaden en vaststellingsdaden te stellen, bevoegdheid die wel toekomt aan officieren van gerechtelijke politie die autonoom kunnen optreden. Maar hierbij mag niet uit het oog worden verloren dat tal van wetgevingen aan tal van personen de bevoegdheid geeft van officier van gerechtelijke politie en er zelfs bijzondere wetgeving bestaat die voor bepaalde gevallen ook de gewone politie deze bevoegdheden van de gerechtelijke politie toekent.

Maar er bestaat geen discussie over de vereiste dat een geldige daad van onderzoek een handtekening dient te dragen van de bevoegde persoon (zie hof van beroep Antwerpen 21 maart 1977, R.W. 1977 - 78 en correctionele rechtbank Kortrijk, 8 november 1993, R.W. 1994-1995 1031 met noot.

Een onderzoeksdaad mag evenwel niet getroffen zijn door een nietigheid om de verjaring te stuiten (Brussel 27 april 1999, het tijdschrift voor strafrecht 2000, 36). Voor de lijsten werden diverse voorbeelden van stuitingsdaden van onderzoek en vervolging, zie
handboek strafvordering Raf Verstraeten, pagina 140 en volgende .

Rechtspraak:

 • Hof van Cassatie, 2e Kamer – 22 april 2008, R.W. 2009-2010, 873,

samenvatting:

De verjaring van de strafvordering wordt slechts gestuit door daden van onderzoek of van vervolging (art. 22 Voorafgaande Titel Sv). Daden van onderzoek zijn alle daden die door een bevoegd persoon worden gesteld en die ertoe strekken gegevens te verzamelen om het dossier in staat van wijzen te brengen.
Zo is een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat uitspraak doet op het hoger beroep van de inverdenkinggestelde tot opheffing van een onderzoekshandeling met betrekking tot zijn goederen, is een proceshandeling die verbonden is met het voorbereidend onderzoek tot het in staat stellen van de zaak.


Een daad van stuiting werkt in rem, dit betekent dat de stuiting het misdrijf als zodanig beoogt en niet de persoon. Aldus  geldt de stuiting voor alle mededaders en medeplichtigen van hetzelfde misdrijf, zelfs als zij later afzonderlijk worden vervolgd, en strekt zich ook uit tot de samenhangende feiten.

tekst van het arrest:

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep van de eiser I is gericht tegen de arresten van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 29 maart 2007 en 15 november 2007.

De cassatieberoepen van de eisers II zijn gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 15 november 2007.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste middel van de eiser I

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van art. 22 Voorafgaande Titel Sv. en art. 149 Grondwet: het arrest van de Kamer van inbeschuldigingstelling van 12 oktober 2001, dat enkel uitspraak doet over het verzoek van een «derde» tot opheffing van een onderzoekshandeling, is slechts een «parallel lopende procedure» die de beslissing van de bodemrechter niet kan beïnvloeden, en bijgevolg de verjaring van de strafvordering niet kan stuiten. De motivering van het arrest is daarenboven niet adequaat, tegenstrijdig en onbegrijpelijk.

2. Art. 22 Voorafgaande Titel Sv. bepaalt: «De verjaring van de strafvordering wordt slechts gestuit door daden van onderzoek of van vervolging, verricht binnen de in artikel 21 bepaalde termijn. Met die daden begint een nieuwe termijn van gelijke duur te lopen, zelfs ten aanzien van personen die daarbij niet betrokken zijn».

3. Daden van onderzoek zijn alle daden die door een bevoegd persoon worden gesteld en die ertoe strekken gegevens te verzamelen om het dossier in staat van wijzen te brengen.

4. Een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat uitspraak doet op het hoger beroep van de verzoeker tot opheffing van een onderzoekshandeling met betrekking tot zijn goederen, betreft een proceshandeling die verbonden is met het voorbereidend onderzoek tot het in staat stellen van de zaak. Het onderzoeksgerecht oordeelt immers over de noodzaak tot verdere inbeslagneming van het goed met het oog op de waarheidsvinding of een mogelijke verbeurdverklaring door het vonnisgerecht, wat verder reikt dan de loutere uitoefening door de inverdenkinggestelde van zijn recht van verdediging.

Voor de verjaringstuitende kracht is daarenboven niet vereist dat de uitspraak van de kamer van inbeschuldigingstelling effectief bijdraagt tot of een invloed heeft op de beoordeling van de grondrechter.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

5. Een daad van stuiting werkt in rem, dit wil zeggen ze betreft het misdrijf als zodanig. Zij geldt voor alle mededaders en medeplichtigen van hetzelfde misdrijf, al waren zij in feite vreemd aan de daad van onderzoek en al worden ze pas later en zelfs afzonderlijk vervolgd. De verjaringstuitende kracht van een daad van onderzoek strekt zich ook uit tot de samenhangende feiten.

In zoverre het onderdeel aanvoert dat de stuitende werking alleen geldt wanneer de persoon tegenover wie de daad is gesteld, samen met de overige mededaders of medeplichtigen voor hetzelfde feit of de samenhangende feiten wordt vervolgd, faalt het eveneens naar recht.

6. Voor het overige stellen de appelrechters vast dat niet valt te ontkennen dat er tussen de feiten waarvoor de procureur des Konings de verwijzing vorderde van A S en de feiten waarvoor de eiser thans terechtstaat een intrinsieke samenhang bestond, zodat de verzoeker A S ten onrechte door de eiser als «derde» wordt bestempeld.

In zoverre het onderdeel met «derde» bedoelt een persoon waarop het onderzoek geen betrekking had, mist het feitelijke grondslag.

7. Het is niet tegenstrijdig te overwegen, enerzijds, dat slechts na afhandeling van alle onderzoeksprocedures een beoordeling ten gronde mogelijk is en die procedures daaraan hun verjaringstuitende kracht ontlenen, en anderzijds, dat die stuitende kracht zich kan uitstrekken tot afzonderlijk gevoerde strafvervolgingen. De appelrechters zeggen daardoor niet dat het afzonderlijk verschijnen van een beklaagde voor de bodemrechter voor de andere medeverdachten het verder instellen van procedures voor de onderzoeksgerechten onmogelijk maakt.

In zoverre mist het onderdeel eveneens feitelijke grondslag.

...

Ambtshalve opgesteld proces-verbaal en stuiting

• Cassatie 28/03/2006, juridat P051705N

samenvatting

Een ambtshalve, zonder opdracht van de Procureur des Konings of van de onderzoeksrechter, door een lid van de federale politie van de gerechtelijke dienst van een arrondissement opgesteld proces-verbaal houdende de vaststelling van een gemeenrechtelijk misdrijf is een daad van onderzoek die de verjaring van de strafvordering stuit

tekst arrest

Nr. P.05.1705.N
1. V J A,
2. W E,
inverdenkinggestelden,
eisers.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 6 december 2005.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Enig middel

Tweede onderdeel

1. Het onderdeel voert aan dat het proces-verbaal van een gemeenrechtelijk misdrijf, dat ambtshalve is opgesteld op eigen initiatief zonder opdracht van de procureur des Konings of onderzoeksrechter en buiten het geval van artikel 46 of 49 van het Wetboek van Strafvordering, door een lid van de federale politie, gerechtelijke dienst van het arrondissement Brussel, weze het een hulpofficier van de procureur des Konings, geen daad van onderzoek is in de zin van artikel 22 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, en de verjaring van de op dat ogenblik niet ingestelde strafvordering niet stuit.

2. Een daad van onderzoek in de zin van artikel 22 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering is niet noodzakelijk een daad van de onderzoeksrechter of van de procureur des Konings.

Daden van onderzoek zijn alle daden die door een bevoegd persoon worden gesteld en die ertoe strekken gegevens te verzamelen om het dossier op de gebruikelijke wijze samen te stellen en de zaak in staat van wijzen te brengen. Vereist wordt aldus dat ze gesteld wordt door een persoon die de nodige hoedanigheid bezit om in de strafrechtspleging op te treden en om de noodzakelijke gegevens over de zaak te verzamelen, hetzij in het kader van een opsporingsonderzoek of van een gerechtelijk onderzoek, hetzij in het stadium van het vonnisgerecht.

3. Krachtens artikel 8 Wetboek van Strafvordering spoort de gerechtelijke politie de misdaden, de wanbedrijven en de overtredingen op, verzamelt zij de bewijzen ervan en levert de daders over aan de rechtbanken belast met hun bestraffing.

Krachtens artikel 9 Wetboek van Strafvordering oefenen onder meer de leden van de federale politie en van de lokale politie de gerechtelijke politie uit. Krachtens artikel 15 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt (verder genoemd: Wet Politieambt), hebben de politiediensten bij de parketten als taak onder meer de misdaden, de wanbedrijven en de overtredingen op te sporen, de bewijzen ervan te verzamelen, daarvan kennis te geven aan de bevoegde overheden, de daders ervan te vatten, aan te houden en ter beschikking te stellen van de bevoegde overheid, op de wijze en in de vormen door de wet bepaald.

Overeenkomstig artikel 40 Wet Politieambt worden de bij een politieambtenaar ingediende klachten of aangiften, alsook de over misdrijven verkregen inlichtingen en gedane vaststellingen opgenomen in processen-verbaal die aan de bevoegde gerechtelijke overheden worden toegezonden.

4. Ook het lid van de federale politie, gerechtelijke dienst van het arrondissement Brussel, behoort tot de politiediensten bij de parketten. Hij heeft aldus krachtens voormeld artikel 9 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 15 en 40 Wet Politieambt, als lid van de federale politie, de nodige hoedanigheid om zelfs ambtshalve, zonder opdracht van de procureur des Konings of van de onderzoeksrechter een proces-verbaal van vaststellingen op te stellen dat aan de voorwaarden van artikel 22 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering beantwoordt.

5. Het onderdeel faalt naar recht.

Eerste onderdeel

6. Het onderdeel voert aan dat het bedoelde proces-verbaal niet kan worden aangezien als een daad van vervolging in de zin van artikel 22 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering dat de verjaring zou stuiten.

7. Zoals uit het antwoord op het tweede onderdeel blijkt, is dit proces-verbaal hoe dan ook een geldige daad van onderzoek, die de verjaring kan stuiten.

8. Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden, zodat het niet ontvankelijk is.

Ambtshalve onderzoek van beslissing op de strafvordering

9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt de cassatieberoepen.
Veroordeelt de eisers in de kosten.
Begroot de kosten op 72,80 euro verschuldigd.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, en op de openbare terechtzitting van 28 maart 2006 uitgesproken 

• Cassatie 21/10/2006, AR P060779N, juridat,

Samenvatting

De inverdenkingstelling van een medeverdachte is een daad van onderzoek die de verjaring van de strafvordering stuit; de enkele omstandigheid dat deze inverdenkingstelling eventueel met vertraging is geschied doet daaraan niets af.

Tekst arrest

Nr. P.06.0779.N

I.
D B R C L,
beklaagde,
eiser,
tegen
BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur van de Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie Antwerpen, met kantoor te 2000, Italiëlei 4 bus 5,
burgerlijke partij,
verweerder.
II.
V V G H C,
beklaagde,
eiser,
tegen
BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur van de Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie Antwerpen, met kantoor te 2000, Italiëlei 4 bus 5,
burgerlijke partij,
verweerder.
III.
V F E V,
beklaagde,
eiser,
tegen
1. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur van de Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie Antwerpen, met kantoor te 2000, Italiëlei 4 bus 5,
burgerlijke partij,
2. H K,
burgerlijke partij,
verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
De cassatieberoepen I en II zijn gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 19 oktober 2005.
Het cassatieberoep III is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 19 april 2006.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Voorwerp van de cassatieberoepen

1. Het Hof neemt aan dat de eiser I zijn cassatieberoep niet heeft willen richten tegen de beslissingen van het bestreden arrest van 19 oktober 2005 waarbij de vorderingen van twee burgerlijke partijen tegen hem ongegrond werden verklaard.

Het Hof neemt ook aan dat de eiser III zijn cassatieberoep niet heeft willen richten tegen de beslissingen van het bestreden arrest van 19 april 2006 waarbij hij van bepaalde telastleggingen is vrijgesproken en de vorderingen van twee burgerlijke partijen tegen hem ongegrond zijn verklaard.

Ontvankelijkheid van de memorie van de eiser I

2. De namens de eiser I ter griffie van het Hof neergelegde memorie is niet ondertekend, zodat het Hof niet kan uitmaken of diegene die ze neerlegde, daartoe de bevoegdheid had.

De memorie is niet ontvankelijk.

Een eerste grief van de eiser II

3. De grief voert aan dat het bestreden arrest artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering schendt omdat het bestreden arrest niet antwoordt op eisers betwisting betreffende de incriminatieperiode, minstens "contradictorisch"antwoordt.

Deze grief is tegenstrijdig daar hij tezelfdertijd aanvoert dat er niet en wel is geantwoord.

De grief is in zoverre niet ontvankelijk.

4. De rechter die de redenen opgeeft waarom hij een verweer verwerpt, verwerpt meteen de argumenten ter ondersteuning van dit verweer. Hij is niet verplicht deze argumenten nog eens afzonderlijk en in het bijzonder te verwerpen.

De grief faalt in zoverre naar recht.

Een tweede grief van de eiser II

5. De grief voert aan dat de strafvordering ten onrechte niet verjaard is verklaard.

6. Het bestreden arrest overweegt: "Dat het blijkbaar tot de vaste tactiek van de (eiser) behoort om, teneinde zichzelf uit de wind te zetten, allerhande autoriteiten te belegeren met klachten lastens medebetrokkenen in dit onderzoek of onderzoekers, nu vastgesteld kan worden dat (de eiser: ...)".

7. De grief stelt dat de appelrechters dergelijk verweer niet in aanmerking mochten nemen bij het bepalen van eisers schuld en de hem opgelegde straf.

8. Het bestreden arrest maakt evenwel deze overweging niet om te besluiten tot eisers schuld of om de hem opgelegde straf te verantwoorden, maar enkel om het gebrek aan geloofwaardigheid van eisers verweer aan te tonen.

De grief berust in zoverre op een onjuiste lezing van het arrest en mist dan ook feitelijke grondslag.

9. De grief stelt dat het bestreden arrest de verjaring beoordeelt op grond van de hypothese van het "zo bewezen" van de ten laste gelegde feiten.

10. De vermelding in het bestreden arrest "zo bewezen" is een inleidende veronderstelling die bewaarheid wordt door de verdere overwegingen van het arrest dat ertoe besluit dat de feiten bewezen zijn.

De grief berust in zoverre op een onjuiste lezing van het arrest en mist dan ook feitelijke grondslag.

11. Het Hof is niet bevoegd om een verweer in feite te beoordelen. In zoverre de grief het Hof wil laten oordelen over feitelijke gegevens om eisers stelling te staven dat de strafvordering tegen hem verjaard was, is de grief niet ontvankelijk.

12. Voor het overige wordt overeenkomstig artikel 22 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering de verjaring gestuit door daden van onderzoek of vervolging. De inverdenkingstelling van een medeverdachte is dergelijke daad van onderzoek. De enkele omstandigheid dat deze inverdenkingstelling eventueel met vertraging is geschied, doet daaraan niet af.

De grief faalt in zoverre naar recht.

13. In zoverre de grief een berekening maakt om aan te tonen dat de strafvordering tegen de eiser verjaard is, is hij afgeleid uit de onjuiste onderstelling dat ten onrechte werd aangenomen dat de inverdenkingstelling van een medeverdachte op 28 mei 1999 de verjaring heeft gestuit.

De grief is in zoverre niet ontvankelijk.

Een derde grief van de eiser II

14. De grief voert de schending aan van de Taalwet Gerechtszaken.

15. Het bestreden arrest overweegt: "Met betrekking tot de rogatoire commissie naar Luxemburg: (...) dat het (hof van beroep) verwijst naar de redengeving van de eerste rechter in het bestreden vonnis; dat wanneer de 'ordonnance (de la) chambre du conseil du tribunal d'arrondissement' van 12 januari 1996 vermeldt:

'dit que les pièces ne pourront être utilisées à des fins fiscales administratives, ni à des poursuites judiciaires fiscales' het (hof van beroep) slechts kan vaststellen dat de huidige procedure geen fiscale procedure betreft, maar wel strafrechtelijke vervolgingen, welke niet uitgesloten worden".

16. Het vonnis waarnaar het arrest verwijst, overwoog: "Het voorbehoud dat de Luxemburgse overheid heeft geformuleerd betreft het specialiteitsbeginsel dat toelaat de aangezochte staat de manoeuvreerruimte van de verzoekende staat te (beperken). In casu heeft de Luxemburgse overheid duidelijk gesteld dat de informatie niet mag gebruikt worden in fiscale procedures. Dit voorbehoud belet uiteraard niet dat de verkregen informatie kan aangewend worden in huidige strafzaak dewelke gebaseerd is op de strafbare feiten zoals vermeld in het verzoekschrift gericht aan Luxemburg".

Deze overweging van het beroepen vonnis geeft in het Nederlands de zakelijke inhoud weer van wat de appelrechters nadien in het Frans herhalen.

De grief mist feitelijke grondslag.

Een vierde grief van de eiser II

17. De grief voert de schending aan van het gezag van gewijsde van de beschikking van de Raadkamer te Luxemburg van 12 januari 1996 en van het algemeen beginsel van het recht van verdediging.

18. In strafzaken belet het gezag van gewijsde dat iemand een tweede keer vervolgd of gestraft wordt voor een feit waarvoor hij reeds door een eerder vonnis van een in beginsel Belgische strafrechter definitief gestraft werd. Deze regel heeft geen uitstaans met het eventuele gezag van beslissingen waarbij geen uitspraak werd gedaan over de schuld en de straf.

De grief faalt in zoverre naar recht.

19. De eventuele schending van het gezag van gewijsde is geen miskenning van het recht van verdediging.

De grief faalt in zoverre naar recht.

Een vijfde grief van de eiser II

20. De grief voert de schending aan van artikel 127 en 235bis Wetboek van Strafvordering.

Het bestreden arrest overweegt: "Het (komt) bij verwijzing door de raadkamer aan de bodemrechter enkel (toe) zijn bevoegdheid te onderzoeken doch dat hij niet te oordelen heeft over beweerde onregelmatigheden die aan de verwijzingsbeschikking zouden kleven".

De grief die deze juridisch correcte redengeving betwist, faalt naar recht.

Een zesde grief van de eiser II

21. De grief voert de schending aan van artikel 6 EVRM en van de motiveringsplicht.

22. Het bestreden arrest overweegt dat de eerste rechter bij zijn strafbepaling terecht rekening gehouden heeft met de overschrijding van de redelijke termijn en bevestigt de door hem uitgesproken straffen.

Met deze overweging schendt het arrest artikel 6 EVRM niet maar beantwoordt het wettig eisers verweer betreffende de overschrijding van de redelijke termijn. De appelrechters waren niet verplicht ter zake nog enige bijkomende motivering te geven.

De grief kan niet worden aangenomen.

Een zevende grief van de eiser II

23. De grief voert miskenning van de motiveringsplicht aan omdat het bestreden arrest niet op gefundeerde en gemotiveerde wijze eisers argumenten zou hebben beantwoord met betrekking tot het overschrijden van de redelijke termijn en concludeert dat "klaar en duidelijk" geen rekening werd gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.

24. Het bestreden arrest bevestigt de door de eerste rechter uitgesproken schuldigverklaring van de eiser en de hem opgelegde straf "waarbij (de eerste rechter) rekening hield met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting". Dit vonnis verklaarde de eiser schuldig aan vermengde feiten, waaronder BTW-valsheid in geschrifte en gebruik, die strafbaar zijn met gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en met geldboete van 250 euro tot 12.500 euro of met één van die straffen alleen. Het vonnis sprak tegen de eiser daarvoor een gevangenisstraf van 2 jaar en een geldboete van 200.000 Belgische frank, omgezet in 4.957,87 euro en een vervangende gevangenisstraf van drie maanden uit.

25. Deze uitgesproken straf is verre van de zwaarste die tegen de eiser kon worden uitgesproken en haar toemeting is verenigbaar met de motivering die het opleggen ervan verantwoordt.

De grief kan niet worden aangenomen.
Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

26. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt de cassatieberoepen.
Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep.
Begroot de kosten in het geheel op 408,41 euro, waarvan op het cassatieberoep I 116,28 euro is verschuldigd, op het cassatieberoep II 116,28 euro is verschuldigd en op het cassatieberoep III 175,85 euro is verschuldigd.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, en op de openbare terechtzitting van 31 oktober 2006 uitgesproken

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:13
Laatst aangepast op: wo, 03/01/2018 - 11:56

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.