-A +A

Koninklijk besluit houdende erkenningsvoorwaarden voor inrichtingen voor dieren en de voorwaarden inzake de verhandeling van dieren

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Inhoudstafel 3 uitvoeringbesluiten 3 gearchiveerde versies
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State  

 
Titel
27 APRIL 2007. - Koninklijk besluit houdende erkenningsvoorwaarden voor inrichtingen voor <dieren> en de voorwaarden inzake de <verhandeling> <van> <dieren>.
(NOTA : Raadpleging <van> vroegere versies vanaf 06-07-2007 en tekstbijwerking tot 29-11-2010)

Bron : VOLKSGEZONDHEID, VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN EN LEEFMILIEU
Publicatie : 06-07-2007 nummer : 2007022825 bladzijde : 37170   BEELD
Dossiernummer : 2007-04-27/B0
Inwerkingtreding : 01-10-2007

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Definities.
Art. 1, 1bis
HOOFDSTUK II. - Procedure voor de erkenning van inrichtingen.
Art. 2
HOOFDSTUK III. - Voorwaarden voor de erkenning van inrichtingen.
Art. 3
Afdeling 1. - Algemene voorwaarden.
Onderafdeling 1. - Uitrusting.
Art. 4
Onderafdeling 2. - [1 Verzorging van de dieren en beheer van de inrichting]1
Art. 5-6
Afdeling 2. - Bijzondere voorwaarden voor het houden van honden en katten.
Onderafdeling 1. - Uitrusting.
Art. 7
Onderafdeling 2. - Verzorging van honden en katten.
Art. 8-12
Afdeling 3. - Bijzondere voorwaarden voor het houden van andere dieren.
Onderafdeling 1. - Kleine zoogdieren.
Art. 13
Onderafdeling 2. - Vogels.
Art. 14
Onderafdeling 3. - Reptielen en Amfibieën.
Art. 15
Onderafdeling 4. - Aquariumvissen.
Art. 16
Onderafdeling 5. - Gemeenschappelijke bepalingen.
Art. 17
Afdeling 4. - Bijzondere uitbatingvoorwaarden.
Onderafdeling 1. - [1 Professionele en hobby- honden- en kattenkwekerijen]1
Art. 18-19, 19/1.
Onderafdeling 1/1. - [1 Handelskwekerijen]1
Art. 19/2., 19/3., 19/4., 19/5, 19/6
Onderafdeling 2. - Dierenasielen.
Art. 20-22
Onderafdeling 3. - Dierenpensions.
Art. 23-24
Onderafdeling 4. - Handelszaken voor dieren.
Art. 25-26
HOOFDSTUK IV. - Voorwaarden voor het verhandelen van dieren.
Afdeling 1. - Algemene voorwaarden voor het verhandelen van dieren.
Art. 27, 27/1., 28, 28/1., 28/2
Afdeling 2. - Bijzondere voorwaarden voor <verhandeling> <van> <dieren> door de inrichtingen.
Onderafdeling 1. - Algemene voorwaarden.
Art. 29
Onderafdeling 2. - Bijzondere voorwaarden voor het verhandelen van honden en katten.
Art. 30-33
Onderafdeling 3. - Bijzondere voorwaarden voor het verhandelen van andere dieren.
Art. 34, 34/1.
HOOFDSTUK V. - Overgangsbepalingen.
Art. 35-36, 36/1.
HOOFDSTUK VI. - Slotbepalingen.
Art. 37-39
BIJLAGEN.
Art. N1-N11

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Definities.

  Art. 1.
  <Opgeheven bij KB 2009-03-18/32, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 11-04-2009>

  Art. 1bis.(vroeger art. 1) <KB 2007-09-14/40, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 04-10-2007> Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  1° [1 Inrichting : naargelang het geval hobbykwekerij, professionele kwekerij of handelskwekerij van honden of katten, dierenasiel, dierenpension of handelszaak voor niet voedselproducerende dieren, met uitzondering van de inrichtingen die, wat levende dieren betreft, uitsluitend ongewervelden of vissen verkopen die als visaas dienen en/of levende vissen gehouden in bassins en bestemd om in vijvers te leven;]1
  Inrichtingen waar dieren gehouden zijn met het oog op hun verhandeling op markten, foren en kermissen worden eveneens als dierenhandelszaak beschouwd.
  [1 Derde lid opgeheven]1
  [1 1°/1 Hobbykweker : hij die op hetzelfde postadres ten minste twee vrouwelijke fokdieren houdt en die per jaar niet meer dan tien nesten honden of katten afkomstig uit zijn eigen kwekerij verhandelt;
   1°/2 Professionele kweker : hij die op hetzelfde postadres meer dan vijf vrouwelijke fokdieren houdt en per jaar meer dan tien nesten honden of katten afkomstig uit zijn eigen kwekerij verhandelt;
   1°/3 Kweker-handelaar : hij die nesten verhandelt afkomstig uit andere kwekerijen dan de zijne;
   1°/4 Occasionele kweker : hij die minder dan drie nesten per jaar kweekt;]1
  2° Dierenasiel : al dan niet openbare instelling die beschikt over de gepaste uitrusting om onderdak en nodige zorgen te verschaffen aan verloren, achtergelaten, verwaarloosde, in beslag genomen of verbeurdverklaarde dieren, met uitzondering van de inrichtingen die door de bevoegde overheid erkend zijn voor opvang van uitsluitend dieren die tot de inheemse fauna behoren;
  3° Beheerder : de eigenaar of de zaakvoerder van de inrichting;
  4° Verantwoordelijke : de persoon die in de inrichting aanwezig is en er een direct toezicht uitoefent op de dieren;
  5° Verantwoordelijke van een dier : de persoon, eigenaar of houder van een dier die er gewoonlijk een onmiddellijk beheer of toezicht op uitoefent;
  6° De Minister : de Minister of Staatssecretaris tot wiens bevoegdheid de dierenbescherming behoort;
  7° De Dienst : de Federale Overheidsdienst belast met de dierenbescherming; [1 Naargelang het geval gaat het om de dienst dierenwelzijn of de inspectiedienst dierenwelzijn.]1
  8° De wet : de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren;
  9° Identificatiegegevens : het ras, het geslacht, de geboortedatum, de haarkleur en de vachtsoort en, in voorkomend geval, het identificatieteken;
  10° Contractdierenarts : de dierenarts erkend overeenkomstig artikel 4, vierde lid van de wet van 28 augustus 1991 op de uitoefening van de diergeneeskunde die met de beheerder van een inrichting een contract heeft afgesloten overeenkomstig artikel 6 of als hij niet beschikbaar is, zijn in overleg aangestelde vervanger;
  11° Paspoort : officieel document waarin alle gegevens betreffende de identiteit van een [1 dier]1 en zijn verantwoordelijke worden opgenomen en waarin tevens de gegevens betreffende het gezondheidsstatuut van het dier vermeld worden.
  ----------
  (1)<KB 2009-03-18/32, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 11-04-2009>

  HOOFDSTUK II. - Procedure voor de erkenning van inrichtingen.

  Art. 2.§ 1. Voor de uitbating van een inrichting is de erkenning, bedoeld in artikel 5, § 1, van de wet, vereist.
  De aanvraag tot erkenning wordt, door middel van het formulier waarvan het model is opgenomen in bijlage I, volledig ingevuld en ondertekend door de beheerder, ingediend [1 bij de Dienst]1.
  De aanvrager betaalt de kosten voortvloeiend uit de erkenning zoals hierna bepaald [1 ...]1 door overschrijving op een rekening die door de Minister wordt aangewezen. Het bedrag hangt af van de soort en de grootte van de inrichting :
  1° hondenkwekerij met :
  - tot 10 vrouwelijke fokdieren : 75 euro;
  - meer dan 10 vrouwelijke fokdieren : 250 euro;
  2° kattenkwekerij met :
  - tot 10 vrouwelijke fokdieren : 75 euro;
  - meer dan 10 vrouwelijke fokdieren : 250 euro;
  3° dierenpension : 75 euro;
  4° dierenhandelszaak voor dieren : 75 euro.
  De betaling van deze kosten is niet vereist voor de erkenningsaanvraag voor een dierenasiel.
  Indien zich op hetzelfde adres meerdere erkenningsplichtige inrichtingen bevinden, moeten afzonderlijke aanvragen worden ingediend.
  § 2. [1 Volgende documenten worden bij het aanvraagformulier voor een erkenning gevoegd]1 :
  1° een kopie van het contract bedoeld in artikel 6;
  2° een bewijs van betaling van de kosten zoals bepaald in § 1.
  [1 3° een schematisch plan van de inrichting met vermelding van de functie en de afmetingen van de verschillende lokalen.]1
  § 3. [1 Voor elke verhoging van de maximumcapaciteit voor honden of katten, voor elke wijziging van de soorten gehouden dieren en voor elke uitbreiding van de inrichting wordt een nieuwe erkenningsaanvraag ingediend.]1
  § 4. Elke wijziging van beheerder van de inrichting wordt binnen de twee maanden bij aangetekend schrijven gemeld aan de Dienst. Wanneer de inrichting langer dan twee maanden zonder beheerder blijft, wordt een nieuwe erkenningsaanvraag ingediend.
  Elke stopzetting van activiteit wordt binnen een maand aan de dienst gemeld.
  § 5. [1 Binnen een termijn van twee weken na de ontvangst stuurt de Dienst een ontvangstbevestiging waarin :
   - de aanvrager op de hoogte wordt gebracht van het bepaalde in § 6, eerste en tweede lid, van dit artikel;
   - indien van toepassing, de aanvrager wordt gevraagd zijn dossier aan te vullen;
   - de aanvrager wordt verzocht om al het nodige te doen ten aanzien van de andere administraties voor de vergunningen die niet te maken hebben met het dierenwelzijn;
   Wanneer het administratief dossier volledig is, kan de Dienst een voorlopige erkenning afleveren.]1
  [1 § 5/1. Wanneer het administratief dossier volledig is, verricht de inspectiedienst dierenwelzijn een controlebezoek waarna een advies verleend wordt aan de Minister over het al dan niet toekennen van een definitieve erkenning.]1
  § 6. [1 De Minister verleent de erkenning op advies van de Dienst binnen de vier maanden nadat deze de volledige aanvraag ontving indien aan de voorwaarden gesteld in de wet en haar uitvoeringsbesluiten wordt voldaan. Aan de erkenning kunnen beperkingen met betrekking tot de soorten, rassen en het aantal dieren verbonden worden.
   De beslissing van de Minister wordt geacht positief te zijn wanneer ze niet binnen de bovenvermelde termijn is genomen. In alle gevallen maakt de beslissing over de toekenning of de weigering van een erkenning van rechtswege een einde aan de eventueel afgeleverde voorlopige erkenning.
   De erkenning is geldig voor een periode van maximaal tien jaar en uitsluitend voor de in de erkenning vermelde activiteit, diersoorten en maximale capaciteit op een bepaald adres. Wanneer de inrichting nog steeds voldoet aan de voorwaarden van de wet en haar uitvoeringsbesluiten, wordt een nieuwe erkenning afgeleverd voor de uiterste geldigheidsdatum van de vorige erkenning zonder dat hiervoor de indiening van een nieuwe erkenningsaanvraag of betaling van een retributie vereist is.
   Indien de erkenning geweigerd wordt, wordt de aanvrager hiervan onverwijld op de hoogte gebracht.]1
  § 7. Bij erkenning van een inrichting levert de Minister een " erkenningscertificaat " af.
  [1 § 7/1. Binnen de maand na het afleveren van de erkenning brengt de Dienst het betrokken gemeentebestuur hiervan op de hoogte.]1
  § 8. De Minister kan op ieder ogenblik de erkenning intrekken van een inrichting die niet langer voldoet aan de in de wet en haar uitvoeringsbesluiten gestelde voorwaarden. De betrokkene wordt bij aangetekend schrijven op de hoogte gesteld van het opstarten van deze procedure. Hij beschikt over een termijn van 15 dagen vanaf de ontvangst van het aangetekend schrijven om zijn bemerkingen aan de Dienst over te maken. De beslissing om de erkenning in te trekken wordt pas genomen na het verstrijken van deze termijn.
  § 9. [1 Onverminderd artikel 34, § 2, van de wet, verlenen de verantwoordelijke en de beheerder hun medewerking aan de uitvoering van de controle op het naleven van de voorwaarden gesteld door de wet en haar uitvoeringsbesluiten zelfs als deze controle onaangekondigd plaatsvindt. Dit geldt ook voor de lokalen die tot woning dienen indien deze in de erkenningsaanvraag werden vermeld.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-03-18/32, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 11-04-2009>

  HOOFDSTUK III. - Voorwaarden voor de erkenning van inrichtingen.

  Art. 3. Dit hoofdstuk bepaalt de voorwaarden voor de aflevering en het behoud van een erkenning als bedoeld in artikel 5 van de wet.

  Afdeling 1. - Algemene voorwaarden.

  Onderafdeling 1. - Uitrusting.

  Art. 4.§ 1. De dieren worden op passende wijze gehuisvest. Ze hebben voldoende bewegingsruimte. Bij het ontwerpen en inrichten van de huisvesting wordt rekening gehouden met het soortspecifieke gedrag. Een monotone omgeving wordt vermeden.
  De constructie van de dierenverblijven is stevig en maakt ontsnappen onmogelijk. Indien de dierenverblijven zich buiten bevinden, zijn ze bestand tegen slechte weersomstandigheden. De gebruikte materialen worden zo gekozen en onderhouden dat de dieren er zich niet aan kunnen verwonden of zich er niet door vergiftigen.
  § 2. Indien de dieren voortdurend binnen gehuisvest worden, worden temperatuur en luchtvochtigheid aangepast aan de behoeften van de aanwezige dieren.
  § 3. Het voeder wordt op hygiënische wijze opgeslagen. Voor de opslag van vers vlees, vis of andere bederfbare voedingsmiddelen is een koelinstallatie nodig.
  § 4. Kadavers, afval, strooisel en uitwerpselen worden niet opgeslagen op plaatsen waar levende dieren of voedermiddelen worden ondergebracht. Bovendien worden ze opgeslagen en verwijderd op de wijze bepaald door de bevoegde overheid.
  § 5. [1 De lokalen waarin de dieren worden gehuisvest moeten beschikken over een brandalarmsysteem.
   Wanneer de inrichting niet gelegen is op dezelfde plaats als het woonhuis van de verantwoordelijke of dat van zijn personeel of wanneer er geen permanent toezicht is, wordt een brandalarmsysteem geïnstalleerd dat de omgeving verwittigt. Tevens wordt een telefoonnummer van de persoon die in geval van nood buiten de openingsuren gecontacteerd kan worden op leesbare wijze aangebracht aan de ingang van de inrichting.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-03-18/32, art. 4, 003; Inwerkingtreding : 01-10-2009>

  Onderafdeling 2. - [1 Verzorging van de dieren en beheer van de inrichting]1
  ----------
  (1)<KB 2009-03-18/32, art. 5, 003; Inwerkingtreding : 11-04-2009>

  Art. 5.§ 1. Voor de verzorging van de dieren [1 en het beheer van de inrichting]1 is voldoende en bekwaam personeel ter beschikking. De Minister kan voorwaarden stellen wat aantal en opleiding van dit personeel betreft. Voor de hondenkwekerijen en kattenkwekerijen wordt de minimaal vereiste personeelsbezetting voor verzorging van de dieren vastgesteld in [1 artikel 19/1]1.
  § 2. [1 De dieren beschikken permanent over drinkbaar water.]1 Er wordt hen voldoende voeder verstrekt dat aangepast is aan hun leeftijd, gewicht en activiteitsniveau, evenals aan hun specifieke behoeften.
  Niet opgenomen en bevuild voeder wordt regelmatig verwijderd en drinkwater wordt geregeld ververst.
  § 3. De dieren worden niet voortdurend in de duisternis of in het licht gehouden. Het natuurlijke dag- en nachtritme wordt gerespecteerd zelfs op de sluitingsdagen van de inrichting. Daartoe wordt er voor passend dag- of kunstlicht gezorgd.
  § 4. De dieren worden tenminste tweemaal per dag gecontroleerd. Indien de dieren niet gezond lijken te zijn of gedragsstoornissen vertonen, neemt de verantwoordelijke onmiddellijk de nodige stappen om de oorzaak vast te stellen en dit te verhelpen. Indien nodig doet hij een beroep op de contractdierenarts.
  § 5. De verantwoordelijke treft de nodige voorzorgen en schikkingen om een goede gezondheid van de dieren te waarborgen. Deze omvatten in het bijzonder :
  1° het op passende wijze isoleren van zieke dieren;
  2° een adequaat toezicht op de nieuw binnengekomen dieren die, indien nodig, afgezonderd gehouden worden;
  3° de regelmatige reiniging en ontsmetting van de dierenverblijven en lokalen en van de materialen waarmee de dieren in contact komen;
  4° maatregelen tegen het binnendringen van dieren die ongewenst zijn en ziekten overbrengen;
  5° de bestrijding van inwendige en uitwendige parasieten;
  6° het van elkaar gescheiden houden van soorten of dieren die elkaar, al dan niet van nature, vijandig gezind zijn.
  ----------
  (1)<KB 2009-03-18/32, art. 6, 003; Inwerkingtreding : 11-04-2009>

  Art. 6.§ 1. De beheerder sluit een contract af met een erkende dierenarts waarin deze wordt belast met de regelmatige controle op het welzijn, de gezondheidstoestand, de verzorging en de huisvesting van de dieren evenals met de noodzakelijke vaccinaties. Het model van contract is in bijlage V opgenomen.
  De verantwoordelijke ontbiedt de contractdierenarts voor de controlebezoeken waarvan de minimumfrequentie als volgt is vastgesteld :
  [1 1° in honden- en kattenkwekerijen :
   - hobbykweker : één bezoek per trimester;
   - professionele kweker : één bezoek per maand;
   - kweker-handelaar : ten minste één bezoek per maand;
   2° in dierenasielen :
   - één bezoek per trimester (ongeacht de soorten die er worden gehouden);
   - één bezoek per maand indien er honden of katten worden gehouden;
   3° in dierenpensions :
   - één bezoek per trimester tot 20 plaatsen voor honden of katten;
   - één bezoek per maand indien er meer dan 20 plaatsen voor honden of katten zijn;
   4° in handelszaken voor dieren :
   - één bezoek per jaar in handelszaken die alleen vissen houden;
   - één bezoek per trimester in handelszaken die zoogdieren, vogels, reptielen of amfibieën houden;]1
  § 2. De contractdierenarts noteert ten minste bij elk van deze bezoeken :
  1° de datum van zijn controlebezoek en zijn handtekening;
  2° zijn waarnemingen en opmerkingen;
  3° zijn eventuele aanbevelingen.
  Deze inlichtingen worden in de inrichting in de vorm van een register bewaard en zijn ter beschikking van de controlerende overheid gedurende tenminste 2 jaar.
  § 3. Wanneer de beheerder en/of de verantwoordelijke, de contractdierenarts niet ontbieden voor de regelmatige controle van de inrichting of geen gepast gevolg geven aan zijn opmerkingen en adviezen meldt de contractdierenarts dit schriftelijk aan de Dienst.
  § 4. De erelonen van de contractdierenarts zijn ten laste van de beheerder.
  § 5. Bij verbreking van het in § 1 bedoelde contract wordt de andere partij hiervan bij aangetekend schrijven op de hoogte gebracht met een kopie aan de Dienst. Het lopende contract blijft gelden tot aan de ondertekening van een nieuw contract en ten hoogste dertig dagen na de verbreking. Een kopie van het nieuwe contract wordt binnen de acht dagen na zijn sluiting gezonden aan de Dienst.
  ----------
  (1)<KB 2009-03-18/32, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-10-2009>

  Afdeling 2. - Bijzondere voorwaarden voor het houden van honden en katten.

  Onderafdeling 1. - Uitrusting.

  Art. 7.§ 1. De afmetingen van de verblijven voor honden en katten zijn aangepast aan de grootte van dieren. De vereiste minimumnormen zijn opgenomen in bijlage II. [1 Voor de berekening van de afmetingen van de werphokken wordt alleen rekening gehouden met de grootte van het moederdier. Deze verblijven mogen worden gebruikt door het moederdier vanaf één week vóór het werpen en door de jongen en hun moeder tot aan het spenen. Een honden- of kattenjong jonger dan zeven weken mag niet alleen in een hok worden ondergebracht.]1
  In dierenasielen mag in uitzonderlijke gevallen van overbevolking [1 ...]1 afgeweken worden van de in bijlage II vastgestelde minimumnormen, op voorwaarde dat de dieren niet in hun welzijn geschaad worden en hen dagelijks voldoende lichaamsbeweging gegeven wordt. Deze periode mag in elk geval niet meer dan twee maanden per jaar bedragen.
  [1 Derde lid opgeheven]1
  § 2. De vloer van het hok is effen, goed gedraineerd en makkelijk schoon te maken. Hij zuigt geen water op. Een houten vloer is verboden behalve op de rustplaats. Het gebruik van roostervloeren is slechts toegestaan voor een beperkt gedeelte van de hokoppervlakte en slechts mits ze voldoende steun geven aan de poten.
  Het strooisel wordt geregeld ververst.
  Na gunstig advies van de Dienst, kan een bijkomende ruimte bedekt met gras, grind of een ander adequaat materiaal toegelaten worden.
  De dieren beschikken over een droge en comfortabele rustplaats.
  § 3. Met uitzondering van de hokken waar de dieren werpen, laat tenminste toe één zijde van het hok het dier naar buiten te kijken. Deze opening bedraagt minstens 1/4 van de oppervlakte van deze kant en bevindt zich op ooghoogte van de dieren.
  De afscheiding tussen de hokken is zodanig dat de dieren elkaar niet kunnen verwonden.
  § 4. Hoogdrachtige dieren en vrouwelijke dieren met niet-gespeende jongen beschikken over geschikt nestmateriaal. Tevens is hun verblijf uitgerust met een gepaste verwarmingsbron. Bovendien hebben pups [1 vanaf de leeftijd van vier weken]1 manipuleerbare voorwerpen ter beschikking teneinde hun omgeving te verrijken.
  § 5. [1 Voor katten zijn voorwerpen aanwezig waarop zij kunnen klimmen en voorwerpen waaraan zij hun nagels kunnen scherpen. Er zijn op meerdere niveaus rustplaatsen aanwezig.]1
  Katten in hokken beschikken steeds over een kattenbak met voldoende absorberende vulling.
  § 6. In de inrichtingen waar de dieren binnen gehouden worden is er voldoende natuurlijke lichtinval voor de ontwikkeling van een normaal dag- en nachtritme. De lokalen worden voldoende verlucht en geventileerd om condensatie, te hoge luchtvochtigheid en te hoge concentratie van schadelijke gassen te vermijden.
  § 7. Dieren die buiten gehouden worden, beschikken over een beschaduwde plek gedurende periodes van hoge temperaturen en volle zon, evenals over een tochtvrij schuilhok dat beschutting biedt tegen koude, neerslag en vochtigheid van de bodem. Het schuilhok is voldoende groot opdat het dier er zich vlot in kan bewegen. De opening is voldoende groot opdat het dier er ongehinderd door kan.
  § 8. [2 Inrichtingen voor meer dan vijftig volwassen dieren beschikken over een lokaal voor onderzoek, verzorging en kleinere diergeneeskundige ingrepen.
   Dit lokaal moet uitgerust zijn met :
   - een aftappunt voor stromend water;
   - ontsmettingsproducten;
   - voldoende verlichting om ingrepen te kunnen uitvoeren;
   - een onderzoekstafel;
   - een isoleerkooi;
   - een stopcontact;
   - muren en een vloer die kunnen afgewassen en ontsmet worden.
   Deze inrichtingen beschikken eveneens over een lokaal dat afzondering van bepaalde dieren toelaat. Het afzonderingslokaal is gescheiden van het verzorginglokaal en van de andere dieren en is gelegen buiten de plaatsen waar er veel passage is.
   De muren en de vloer van dit lokaal kunnen afgewassen en ontsmet worden.]2
  § 9. Indien op hetzelfde adres verschillende erkenningsplichtige inrichtingen zijn gelegen, is er een dusdanige scheiding tussen de inrichtingen dat geen enkel rechtstreeks contact plaatsheeft tussen de dieren van dezelfde soort en van verschillende inrichtingen.
  ----------
  (1)<KB 2009-03-18/32, art. 8, 003; Inwerkingtreding : 01-10-2009>
  (2)<KB 2010-11-15/03, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 01-02-2011>

  Onderafdeling 2. - Verzorging van honden en katten.

  Art. 8.Het personeel behandelt dieren met zachtheid en bekwaamheid. Tussen zonsopgang en zonsondergang is een minimale interactieve aanwezigheid verzekerd om gewenning van de dieren aan mensen te bevorderen.
  [1 Tweede, derde en vierde lid opgeheven]1
  ----------
  (1)<KB 2009-03-18/32, art. 9, 003; Inwerkingtreding : 11-04-2009>

  Art. 9.§ 1. Indien meerdere dieren in eenzelfde hok zitten, moeten ze gelijktijdig kunnen eten.
  Het voeder wordt verstrekt in een aangepast en schoon recipiënt.
  Behalve in geval van droogvoeder wordt niet opgenomen voeder uit het hok verwijderd alvorens nieuw voeder te verstrekken.
  Er is steeds drinkbaar water ter beschikking.
  § 2. Volwassen honden beschikken permanent over een geschikt voorwerp om op te knagen. Wanneer ze in groep gehouden worden, wordt dergelijk voorwerp regelmatig, maar enkel onder toezicht, verstrekt.
  § 3. Vanaf het einde van hun derde levensweek hebben de dieren toegang tot niet-vloeibaar voeder. Het volledige spenen van de dieren gebeurt niet voor de leeftijd van [1 zeven]1 weken, tenzij de contractdierenarts een tegengesteld advies geeft.
  ----------
  (1)<KB 2009-03-18/32, art. 10, 003; Inwerkingtreding : 11-04-2009>

  Art. 10. De contractdierenarts schrijft de door hem uitgevoerde vaccinaties in, in het officiële paspoort voor die dieren die daarover moeten beschikken of in het gepersonaliseerd vaccinatieboekje voor de andere dieren, met vermelding van de naam van het vaccin, het lotnummer en de datum van toediening, en dit na verificatie of aanvulling van de identificatiegegevens van het dier. Hij brengt er zijn naam en handtekening in aan.

  Art. 11. Wanneer dieren samen in een hok geplaatst worden, worden de nodige voorzorgen genomen om agressie te vermijden.

  Art. 12. § 1. De nagels van honden worden regelmatig gecontroleerd en indien nodig geknipt.
  § 2. De vacht van de dieren wordt onderhouden en, indien nodig, getrimd, geknipt of geschoren.

  Afdeling 3. - Bijzondere voorwaarden voor het houden van andere dieren.

  Onderafdeling 1. - Kleine zoogdieren.

  Art. 13. § 1. De kooien zijn voorzien van voldoende strooisel aangepast aan de gehouden diersoort. Het strooisel wordt geregeld ververst teneinde voldoende droog te zijn.
  § 2. De minimumnormen voor kooien voor kleine knaagdieren en konijnen worden bepaald in bijlage IV, tabel 1.
  § 3. Voor fretten worden de minimumnormen voor kooien bepaald in bijlage IV, tabel 2.
  Het personeel behandelt de dieren met zachtheid en bekwaamheid om gewenning van de dieren aan mensen te bevorderen.

  Onderafdeling 2. - Vogels.

  Art. 14.§ 1. Kooien hebben tenminste dusdanige afmetingen dat de vogels ongehinderd met de vleugels kunnen klappen en hun veren kunnen verzorgen.
  De minimumnormen die gelden voor het houden van sommige kooi- en volièrevogels zijn opgenomen in bijlage IV, tabel 3. Deze normen gelden niet voor jonge vogels die nog afhankelijk zijn van hun ouders of met de hand gevoed worden.
  § 2. Kooien en volières zijn voorzien van zitstokken waarvan de diameter aangepast is aan de soort en de lengte aan het aantal vogels en die hen toelaten alle gelijktijdig te zitten. Deze zitstokken zijn niet boven het drinkwater of het voeder aangebracht.
  § 3. Aan de vogels wordt de mogelijkheid geboden om een zand- of een waterbad te nemen. Watervogels beschikken over water om in te baden.
   [1 Andere toestellen zoals verstuivers kunnen toegelaten worden indien de beheerder of de verantwoordelijke kan aantonen dat het gebruik ervan aangepast is aan de diersoort.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-03-18/32, art. 11, 003; Inwerkingtreding : 11-04-2009>

  Onderafdeling 3. - Reptielen en Amfibieën.

  Art. 15.§ 1. Vivaria voor amfibieën en reptielen worden [1 verrijkt]1, naargelang de behoeften van de soort, met rotspartijen, takken, planten, en een waterpartij. Zij worden goed geventileerd en zijn uitgerust met een adequaat bevochtigings- en verwarmingssysteem naargelang de behoeften van de soort. [1 Bij hagedissen en plantenetende landschildpadden wordt een UV-verlichting voorzien. Slangen beschikken over de mogelijkheid om zich te verstoppen of om zich enigszins aan het zicht te onttrekken.]1 Waterschildpadden beschikken over een landoppervlakte. Alle vivaria voor landdieren beschikken over een permanent droog landsgedeelte. Het water van de drinkbakjes wordt minstens dagelijks vervangen en de drinkbakjes worden minstens eens per week ontsmet.
  § 2. De dieren beschikken over een gepast substraat dat schoon en vrij van parasieten gehouden wordt. Het substraat wordt minstens één keer per maand volledig vervangen alsmede bij elke vervanging van de soort in het vivarium.
  § 3. [1 Een functionerend druppeldrinkwatersysteem is aanwezig in vivaria waarin kameleons worden gehouden.]1
  § 4. Stress bij de dieren wordt zoveel mogelijk beperkt, in het bijzonder bij het schoonmaken van vivariums.
  § 5. De soorten die verschillende ecologische voorwaarden vereisen, worden niet samen gehouden.
  § 6. Het lokaal waarin de vivaria staan, is schoon en goed geventileerd.
  § 7. Het verstrekte voedsel is aan de behoeften van de soort aangepast. Met uitzondering van ongewervelden en van vissen wordt, indien mogelijk, geen enkel dier levend als voedsel aan reptielen gegeven.
  § 8. Als het nodig is om dieren in winterslaap te laten gaan, gebeurt dit in een aangepaste plaats weg van het publiek.
  § 9. Mannetjes van territoriale soorten worden afzonderlijk gehouden teneinde conflicten te vermijden.
  § 10. De minimumnormen voor vivaria voor hagedissen, schildpadden, slangen en amfibieën zijn opgenomen in tabel 4 van bijlage IV.
  ----------
  (1)<KB 2009-03-18/32, art. 12, 003; Inwerkingtreding : 11-04-2009>

  Onderafdeling 4. - Aquariumvissen.

  Art. 16. § 1. De minimumnormen voor aquaria worden bepaald in bijlage IV, tabel 5.
  § 2. Behalve voor aquaria met de mannelijke Betta splendens wordt het water van elk aquarium gezuiverd door een individueel of gecentraliseerd filtersysteem en is tevens uitgerust met een individuele luchtvoorziening of een ander efficiënt verluchtingssysteem.
  Het gehalte aan nitrieten (NO2-) is lager dan 0,3 mg per liter.
  Het niveau van filtratie en verluchting houdt rekening met het aantal vissen in het aquarium.
  § 3. Het materiaal gebruikt voor de manipulatie van de vissen behoort specifiek tot één aquarium of tot een geheel van aquaria in serie of wordt na elk gebruik schoongemaakt en in een ontsmettingsvloeistof bewaard.

  Onderafdeling 5. - Gemeenschappelijke bepalingen.

  Art. 17. De Minister kan nadere regels vaststellen voor wat betreft de voorwaarden voor het houden en de verzorging van de verschillende diersoorten bedoeld in onderafdelingen 1, 2, 3 en 4.

  Afdeling 4. - Bijzondere uitbatingvoorwaarden.

  Onderafdeling 1. - [1 Professionele en hobby- honden- en kattenkwekerijen]1
  ----------
  (1)<KB 2009-03-18/32, art. 13, 003; Inwerkingtreding : 11-04-2009>

  Art. 18.§ 1. De verantwoordelijke houdt een inventaris bij waarin de gegevens van alle voor het fokken bestemde vrouwelijke dieren zijn opgenomen.
  De vrouwelijke honden geboren vóór 1 september 1998 worden eveneens geïdentificeerd en geregistreerd overeenkomstig de wettelijke procedure voorzien voor identificatie en registratie van honden [1 vanaf de eerste dekking]1.
  Bijlage VI A stelt het model van deze inventaris vast.
  § 2. Daarnaast houdt de verantwoordelijke voor elke worp, een foksteekkaart bij waarvan het model wordt vastgesteld in bijlage VI B.
  De verwerver van een dier kan de gegevens over de worp raadplegen, met uitzondering van de gegevens van de andere verwervers.
  § 3. De gegevens vermeld in §§ 1 en 2 worden binnen de 48 uren na een eventuele wijziging aangepast. Ze worden op elk moment ter beschikking gehouden van de controlerende overheid. Ze worden bewaard tot ten minste 2 jaar nadat het vrouwelijke dier, of het laatste vermelde vrouwelijke dier, de kwekerij heeft verlaten. Deze documenten mogen op geïnformatiseerde wijze worden bijgehouden, op voorwaarde dat de gegevens integraal beschikbaar blijven gedurende de bovenvermelde termijn van 2 jaar.
  ----------
  (1)<KB 2009-03-18/32, art. 14, 003; Inwerkingtreding : 11-04-2009>

  Art. 19. § 1. Het is verboden vrouwelijke dieren meer dan tweemaal per jaar te laten werpen.
  § 2. Het fokken met dieren die een erfelijke aandoening vertonen, waarvan de lijst bepaald is door de Minister is verboden.
  § 3. Het fokken door het kruisen van verschillende rassen is verboden behoudens uitzonderingen die schriftelijk toegestaan werden door de Minister op advies van de Raad voor Dierenwelzijn of van de maatschappijen ter verbetering van de honden- en kattenrassen.

  Art. 19/1. [1 In katten- en hondenkwekerijen houdt bekwaam personeel zich bezig met de verzorging en socialisatie van de dieren. Hierbij wordt tenminste aan de volgende voorwaarden voldaan :
   1° hobbykwekerijen : dagelijks wordt ten minste een uur besteed aan de verzorging en de socialisatie van de dieren;
   2° professionele kwekerijen :
   a) waar minder dan tien vrouwelijke fokdieren worden gehouden : dagelijks wordt ten minste een uur besteed aan de verzorging en de socialisatie van de dieren;
   b) waar tien tot twintig vrouwelijke fokdieren worden gehouden : dagelijks wordt ten minste vier uur besteed aan de verzorging en de socialisatie van de dieren;
   c) waar 21 tot en met 50 vrouwelijke fokdieren worden gehouden : dagelijks wordt ten minste acht uur besteed aan de verzorging en de socialisatie van de dieren;
   d) waar meer dan 50 vrouwelijke fokdieren worden gehouden : voor elke bijkomende groep van maximaal 50 dieren wordt dagelijks vier uur extra besteed aan hun verzorging en socialisatie.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2009-03-18/32, art. 15, 003; Inwerkingtreding : 11-04-2009>

  Onderafdeling 1/1. - [1 Handelskwekerijen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2009-03-18/32{/art}, art. 16, 003; Inwerkingtreding : 11-04-2009>

  Art. 19/2. [1 Een kweker mag alleen honden of katten afkomstig uit andere kwekerijen dan de zijne verhandelen wanneer hij per jaar minstens tien nesten afkomstig uit zijn eigen kwekerij verhandelt.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2009-03-18/32, art. 17, 003; Inwerkingtreding : 11-04-2009>

  Art. 19/3. [1 § 1. Voor de dieren afkomstig uit zijn eigen kwekerij houdt de kweker-handelaar zich aan de voorwaarden bepaald in de artikelen 18, 19 en 19/1.
   § 2. Voor de dieren afkomstig uit andere kwekerijen dan de zijne houdt de kweker-handelaar een register bij dat beantwoordt aan het model in bijlage X.
   § 3. De gegevens vermeld in § 2 worden binnen de 48 uur na elke wijziging van de toestand aangepast. Het register kan te allen tijde worden geraadpleegd door de controlerende overheid en wordt minstens twee jaar bewaard. De gegevens mogen ook op computer worden bijgehouden, op voorwaarde dat ze integraal beschikbaar zijn gedurende de voorrmelde periode.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2009-03-18/32, art. 18, 003; Inwerkingtreding : 11-04-2009>

  Art. 19/4. [1 § 1. Om nesten te verhandelen die afkomstig zijn van andere kwekerijen dan de zijne, beschikt de kweker-handelaar over een quarantainelokaal dat niet hetzelfde is als de lokalen bedoeld in artikel 7, § 8.
   Dit lokaal is afgezonderd van de andere dieren en van het publiek en is gelegen buiten de plaatsen waar er veel passage is. Het is voldoende ruim om er alle dieren afkomstig uit een andere kwekerij tegelijkertijd en met inachtname van de normen opgenomen in bijlage II onder te brengen. Bovendien moet dit quarantainelokaal :
   - voldoende geventileerd zijn;
   - voorzien zijn van een stevige vloer die kan worden schoongemaakt en van muren die tot op een meter hoogte afwasbaar zijn;
   - beschikken over koud en warm water.
   Om kruiscontaminaties te vermijden, worden dieren afkomstig uit verschillende kwekerijen in aparte omheinde ruimtes ondergebracht.
   § 2. De minimale verblijfsduur in het quarantainelokaal bedraagt vijf dagen. Deze periode kan op aanraden van de contractdierenarts of van de Dienst verlengd worden. Geen enkel dier mag het quarantainelokaal verlaten voor de verplichte periode afgelopen is, tenzij met een schriftelijk verantwoording van de contractdierenarts opgenomen in het register van zijn bezoeken.
   § 3. De contractdierenarts onderzoekt de dieren afkomstig van andere kwekerijen en verklaart ze gezond en geschikt voor verhandeling vóór ze verhandeld worden. [2 Hij bevestigt dit in het register bedoeld in artikel 19/3, § 2, of in het register bedoeld in artikel 6, § 2, dat, degelijk ingevuld, geldt als bewijs van dit onderzoek.]2]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2009-03-18/32, art. 19, 003; Inwerkingtreding : 01-10-2009>
  (2)<KB 2010-11-15/03, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 01-02-2011>

  Art. 19/5 [1 Een kweker-handelaar verhandelt enkel honden of katten :
   1° afkomstig uit erkende kwekerijen;
   2° afkomstig van een occasionele kweker, in dit geval noteert hij de gegevens van de overdrager in het register bedoeld in artikel 19/3, § 2, en gaat hij na of deze gegevens overeenstemmen met deze op zijn identiteitskaart;
   3° afkomstig uit het buitenland voor zover :
   de minister vastgesteld heeft :
   a) dat de wetgeving van het land van oorsprong aan zijn honden- en kattenfokkers ten minste de voorwaarden vastgelegd in bijlage III oplegt
   of
   b) dat uit een verklaring van de bevoegde autoriteit van het land van oorsprong die belast is met de controle van het dierenwelzijn in de kwekerij van oorsprong, blijkt dat deze ten minste voldoet aan de voorwaarden vastgelegd in bijlage III.
   De minister publiceert de lijst van landen en van de kwekerijen die voldoen aan de vereiste voorwaarden.
   Als een kweker-handelaar honden of katten wil verhandelen van een land of kwekerij die niet op deze lijst voorkomt, dient hij een aanvraag in bij de Dienst, met daarbij de wetgeving of het origineel van de verklaring samen met een officiële vertaling in één van de nationale talen. De minister geeft zijn advies binnen de drie maanden na ontvangst van de volledige aanvraag.]1
  ----------
  (1)<KB 2010-11-15/03, art. 3, 004; Inwerkingtreding : 01-02-2011>

  Art. 19/6 [1 De kweker-handelaar ziet erop toe dat bekwaam personeel zich bezighoudt met de verzorging en socialisatie van de dieren. Hiertoe wordt per groep van maximum 75 honden of katten afkomstig uit andere kwekerijen ten minste twee uur per dag gespendeerd aan de verzorging en socialisatie van de dieren.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2009-03-18/32, art. 21, 003; Inwerkingtreding : 11-04-2009>

  Onderafdeling 2. - Dierenasielen.

  Art. 20.§ 1. De hoofdactiviteit van een dierenasiel moet zijn de opvang van verloren, achtergelaten, verwaarloosde, in beslag genomen of verbeurdverklaarde dieren. Het asiel tracht, in de mate van het mogelijke, de dieren die hiervoor in aanmerking komen te plaatsen en waakt erover het verblijf van de opgevangen dieren niet nodeloos te verlengen. Het fokken [1 ,het aankopen, het [2 invoeren of aanvoeren uit een ander land]2]1 en het verkopen van dieren door een asiel zijn verboden.
  § 2. Voor soorten waarvoor geen huisvestingsnormen zijn vastgesteld, gaat de Dienst, vooraleer een erkenning wordt afgeleverd, na of de omstandigheden geschikt zijn om de op te vangen dieren te huisvesten.
  § 3. Diersoorten die meer gespecialiseerde kennis vereisen worden in de mate van het mogelijke, opgenomen in een dierenasiel erkend voor deze soorten.
  ----------
  (1)<KB 2009-03-18/32, art. 22, 003; Inwerkingtreding : 11-04-2009>
  (2)<KB 2010-11-15/03, art. 4, 004; Inwerkingtreding : 01-02-2011>

  Art. 21. § 1. Onverminderd een eventuele verbintenis met het gemeentebestuur neemt de verantwoordelijke de hem aangeboden dieren op voor zover hij over de gepaste opvangruimte en kennis beschikt.
  § 2. Bij de aankomst van een dier gaat de verantwoordelijke na of dit een identificatieteken draagt.
  Voor de dieren die een identificatieteken dragen :
  1° neemt de verantwoordelijke in geval van verloren of zwervende dieren onverwijld de nodige stappen voor het terugvinden van de eigenaar van het dier en om deze onmiddellijk te verwittigen;
  2° wanneer het gaat om dieren die spontaan werden afgestaan, verzekert hij zich er van, bij de ontvangst of in ieder geval alvorens het dier uit de inrichting te verwijderen, dat de verantwoordelijke van het dier zelf instemt om dit aan het asiel af te staan.
  § 3. Wanneer de gezondheidstoestand of het gedrag van een dier het noodzaken of wanneer er andere redenen zijn die het plaatsen of adopteren van een dier onmogelijk maken, kan het dier gedood worden met inachtneming van zijn welzijn en in overleg met de contractdierenarts die zelf de nodige euthanasie zal uitvoeren en deze in het register zal vermelden.
  § 4. De verantwoordelijke houdt een overzichtsregister of een register per diersoort overeenkomstig het model in bijlage VII bij waarin wijzigingen binnen de 48 uren worden vermeld.
  § 5. Naast het register houdt de verantwoordelijke voor honden een individueel dossier bij dat bestaat uit drie documenten :
  - een afstandverklaring overeenkomstig het model in bijlage VIII A in te vullen voor de honden die door hun verantwoordelijke worden afgestaan;
  - een beoordelingsfiche van het gedrag in het asiel overeenkomstig het model in bijlage VIII B;
  - een adoptiecontract overeenkomstig het model in bijlage VIII C dat de rubrieken omvat die minimaal vermeld moeten worden.
  Het eerste document bevat gegevens over de voorgeschiedenis met betrekking tot gezondheid, gedrag en omgeving van de hond die wordt afgestaan aan het asiel.
  Het tweede document bevat de waarnemingen over het gedrag van de hond tijdens het verblijf van de hond in het asiel.
  Het derde document bestaat uit het contract dat wordt afgesloten tussen het asiel en de adoptant van de hond.
  Met uitzondering van de identiteit van de vorige eigenaars worden de gegevens die voorkomen op de afstandverklaring van een hond en de beoordelingsfiche van het gedrag in het asiel meegedeeld aan de personen die het dier willen adopteren.
  Het paspoort of het vaccinatieboekje wordt aan de nieuwe verantwoordelijke van het dier meegegeven.
  § 6. De verantwoordelijke geeft de kandidaat adoptant raad bij de keuze van een hond door met hem de lijst door te nemen van vragen die in elk geval gesteld moeten worden vóór de verwerving van een hond en die is opgenomen in bijlage IX. Dit document wordt ter beschikking gesteld van iedere bezoeker van het dierenasiel.
  § 7. De documenten bedoeld in §§ 4 en 5 worden gedurende ten minste 2 jaar na het vertrek van het dier of het laatste dier bewaard. Ze mogen op geïnformatiseerde wijze worden bijgehouden, op voorwaarde dat de gegevens integraal beschikbaar blijven gedurende de bovenvermelde termijn van 2 jaar. Ze worden op elk moment ter beschikking gehouden van de controlerende overheid.

  Art. 22. De bepalingen van deze onderafdeling zijn niet van toepassing op de hokken die in sommige gemeenten bestaan voor een eerste opvang in afwachting van overbrenging naar een erkend asiel.

  Onderafdeling 3. - Dierenpensions.

  Art. 23.[1 § 1. De verantwoordelijke van een handelszaak voor dieren kan als tussenpersoon optreden voor de verhandeling van honden en katten.
   § 2. In de handelszaak voor dieren mogen catalogussen, aankondigingen en advertenties met daarin adressen waar men honden of katten kan kopen ter beschikking worden gesteld van de klanten. Voor elke hond die op die manier wordt verhandeld, wordt het identificatienummer duidelijk vermeld.
   § 3. De catalogussen, de aankondigingen en de advertenties bedoeld in § 2 worden ter beschikking gehouden van de controlerende overheid.
   § 4. Wanneer een inrichting als tussenpersoon optreedt voor de verhandeling van honden, wordt de lijst met vragen opgenomen in bijlage IX aan de klanten overgemaakt.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-03-18/32, art. 23, 003; Inwerkingtreding : 11-04-2009>

  Art. 24. § 1. Bij het in pension nemen van een dier sluit de verantwoordelijke met de eigenaar een overeenkomst, in tweevoud opgemaakt en getekend door beide partijen waarvan een exemplaar voor elke partij.
  De overeenkomst vermeldt :
  - een volgnummer;
  - de naam, adres en het ondernemingsnummer van de inrichting;
  de naam, adres en telefoonnummer van de eigenaar van het dier of indien van toepassing, het ondernemingsnummer van de Kruispuntbank voor ondernemingen;
  - de verblijfsduur van het dier met datum van aankomst en voorziene vertrek;
  - de verbintenis van de verantwoordelijke van het pension om het dier afzonderlijk dan wel in groep te huisvesten, om het dier op een vooraf overeengekomen manier te voederen en om een bepaalde dierenarts te raadplegen indien nodig;
  - de naam, adres en telefoonnummer van een persoon gemandateerd door de eigenaar indien deze niet bereikbaar is;
  - de naam van het dier;
  - het identificatieteken van het dier of bij gebrek daaraan, het signalement;
  - de belangrijke eigenschappen van het dier;
  - de gewoonten van het dier (eetgewoonten, gedrag,);
  - eventuele ziekten of aandoeningen, de te verstrekken behandelingen en, eventueel, de laatst ontvangen behandelingen;
  - de naam van de behandelende dierenarts.
  In de overeenkomst kan tevens overeengekomen worden dat het dier onaangekondigd bezocht kan worden door de eigenaar of een door deze aangewezen persoon.
  De overeenkomsten worden door de verantwoordelijke van de inrichting gedurende ten minste 6 maanden na het vertrek van het dier bewaard en zijn op elk moment ter beschikking van de controlerende overheid.
  De Minister kan het model van de overeenkomst vaststellen.
  § 2. Rekening houdend met het feit dat de dieren zich in een niet-vertrouwde omgeving bevinden, schenken de verantwoordelijke of zijn personeel hen bijzondere aandacht, eventueel door hen vertrouwde voorwerpen (deken, mand, speelgoed) ter beschikking te stellen.

  Onderafdeling 4. - Handelszaken voor dieren.

  Art. 25. § 1. De verantwoordelijke van een handelszaak voor dieren waar honden of katten verhandeld worden, houdt voor elk van deze diersoorten een register bij overeenkomstig het model in bijlage X.
  § 2. De gegevens vermeld in § 1 worden binnen de 48 uren na elke wijziging van de toestand aangepast. Het register is op elk moment ter beschikking van de controlerende overheid en wordt ten minste 2 jaar bewaard. Het mag op geïnformatiseerde wijze worden bijgehouden, op voorwaarde dat de gegevens integraal beschikbaar blijven gedurende de bovenvermelde termijn van 2 jaar.

  Art. 26.[1 § 1. De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op de lokalen van handelszaken die open zijn voor het publiek.
   § 2. Voor andere dieren dan fretten, konijnen, cavia's, hamsters, muizen en ratten wordt de correcte wetenschappelijke naam op leesbare wijze aangebracht op de verblijven waarin de dieren worden gehouden.
   Wanneer een gewone naam bestaat, wordt deze eveneens vermeld en dit ten minste in de taal van de regio waar de handelszaak voor dieren zich bevindt.
   De Minister kan de te hanteren taxonomische lijsten of referentiewerken aanduiden.
   § 3. Dieren die niet verkocht mogen worden, worden niet tentoongesteld.]1
  § 4. Elke soort van reptielen of amfibieën wordt tenminste door zijn wetenschappelijke naam geïdentificeerd. Verder is voor elke soort een [1 praktische]1 beschrijving van de aanbevolen huisvestingsvoorwaarden ter beschikking met betrekking tot :
  1° dag- en nachttemperatuur;
  2° vochtigheidsgraad overdag en 's nachts;
  3° type van vivarium en minimumafmetingen ervan in functie van de gehouden soort.
  [1 Een thermometer en een hygrometer zijn aanwezig en worden ter beschikking gehouden van de controlerende overheid.]1
  § 5. voor elke soort reptielen en amfibieën wordt ook vermeld :
  1° de oorsprong (land van herkomst, gekweekt in gevangenschap of gevangen in de natuur);
  2° het biotoop;
  3° het beschermingsstatuut (CITES);
  4° de voeding van adult en juveniel;
  5° de maximumgrootte van het adult;
  6° eventueel de graad van vereiste kennis van de kopers.
  § 6. Elke vissoort wordt tenminste door zijn wetenschappelijke naam geïdentificeerd. Verder is voor elke vissoort een [1 praktische]1 beschrijving van de aanbevolen huisvestingsvoorwaarden ter beschikking met betrekking tot :
  1° het zoutgehalte of de dichtheid in geval van zeewater;
  2° de pH in geval van zoet water;
  3° de hardheid (gH en kH) of geleidbaarheid voor zoet water;
  4° de temperatuur van het water.
  [1 De adequate meetapparatuur is aanwezig en wordt ter beschikking gehouden van de controlerende overheid.]1
  § 7. Geen enkele vis uit een aquarium dat zieke vissen bevat of in serie verbonden is met een aquarium waarin zich zieke vissen bevinden, mag verkocht worden.
  § 8. De Minister kan nadere regels vaststellen voor wat betreft de voorwaarden voor de tentoonstelling van verschillende soorten van dieren in handelszaken voor dieren.
  ----------
  (1)<KB 2009-03-18/32, art. 24, 003; Inwerkingtreding : 11-04-2009>
  

  HOOFDSTUK IV. - Voorwaarden voor het verhandelen van dieren.

  Afdeling 1. - Algemene voorwaarden voor het verhandelen van dieren.

  Art. 27.§ 1. Verboden is de <verhandeling> <van> :
  - <dieren> met duidelijke ziektesymptomen [1 ...]1;
  - frauduleus ingevoerde dieren en illegaal gehouden dieren;
  - niet of te vroeg gespeende zoogdieren;
  - dieren die een niet toegestane amputatie hebben ondergaan, behalve indien de ingreep werd verricht vóór het verbod van kracht werd.
  § 2. De verkoop van zwervende, verloren of achtergelaten dieren is verboden.
  § 3. De verantwoordelijke van een dier mag geen valse informatie verstrekken over ondermeer de leeftijd, de afkomst of de benaming van een te koop aangeboden dier, noch mag hij bedrieglijke publiciteit voeren om de verkoop van een dier te bevorderen.
  ----------
  (1)<KB 2009-03-18/32, art. 25, 003; Inwerkingtreding : 11-04-2009>

  Art. 27/1. [1 § 1. In alle publiciteit voor de verhandeling van honden vermeldt de verantwoordelijke van het dier, als hij niet erkend is, het identificatienummer van elke verhandelde hond.
   § 2. Advertenties op het internet zijn onderworpen aan dezelfde voorwaarden als die in de gedrukte pers.
   § 3. Onder gespecialiseerde pers of gespecialiseerde website wordt begrepen, een tijdschrift of een website die een gewaarborgd minimum aan regelmatig aangepaste redactionele inhoud omvat in verband met het houden, het kweken of het verhandelen van dieren en waarvan de advertenties uitsluitend de verkoop betreffen van dieren of van voorwerpen die hiermee rechtstreeks verband houden.
   De gespecialiseerde pers bedoeld in de voorgaande alinea kan afzonderlijk door de koper verkregen worden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2009-03-18/32, art. 26, 003; Inwerkingtreding : 11-04-2009>

  Art. 28. Het is verboden om honden of katten te verhandelen :
  - die jonger zijn dan 7 weken;
  - die niet overeenkomstig de wettelijke voorschriften werden geïdentificeerd en geregistreerd;
  - zonder overeenstemmend wettelijk voorgeschreven identificatie- en registratiedocument.

  Art. 28/1. [1 Wanneer hij de hond of kat heeft aangeschaft bij een occasionele kweker, heeft de verwerver in geval van sterfte van het dier recht op de terugbegtaling van de aankoopprijs van het dier. Deze garantie geldt enkel indien een erkende dierenarts de eerste ziektesymptomen heeft vastgesteld binnen de hierna vermelde periode en voor zover vaststaat dat het dier is overleden ten gevolge van een van de volgende aandoeningen :
   1° voor een hond :
   a) hondenziekte (ziekte van Carré) : een periode van tien dagen beginnend op de dag na levering van het dier;
   b) parvovirose : een periode van tien dagen beginnend op de dag na levering van het dier;
   c) hepatitis contagiosa canis : een periode van zes dagen beginnend op de dag na levering van het dier;
   2° voor een kat :
   a) panleucopenie : een periode van tien dagen beginnend op de dag na levering van het dier;
   b) infectieuze peritonitis : een periode van eenentwintig dagen beginnend op de dag na levering van het dier;
   c) feliene leucose : een periode van vijtien dagen beginnend op de dag na levering van het dier.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2009-03-18/32, art. 27, 003; Inwerkingtreding : 11-04-2009>

  Art. 28/2. [1 In alle omstandigheden worden honden en katten niet in uitstalramen of op het voetpad tentoongesteld met het oog op verkoop.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2010-11-15/03, art. 5, 004; Inwerkingtreding : 01-02-2011>

  Afdeling 2. - Bijzondere voorwaarden voor <verhandeling> <van> <dieren> door de inrichtingen.

  Onderafdeling 1. - Algemene voorwaarden.

  Art. 29. § 1. De verantwoordelijke van een kwekerij of een handelszaak geeft aan de koper-particulier de nodige richtlijnen met betrekking tot voeding, huisvesting en verzorging van het dier. Aan de koper wordt op zijn verzoek een gedateerd overdrachtsbewijs overhandigd waarop datum, naam van de verkoper en van de koper, soort en aantal dieren vermeld zijn.
  § 2. De Minister kan de soorten, taxa of categorieën van dieren aanduiden waarvoor de richtlijnen bedoeld in § 1 schriftelijk verstrekt moeten worden en de inhoud of uitwerkingsvoorwaarden van deze richtlijnen vaststellen.
  § 3. De verantwoordelijke van een erkende inrichting hangt het in artikel 2, § 7, bedoelde erkenningscertificaat op zichtbare wijze uit in zijn inrichting.
  § 4. Indien de Dienst (een) gezondheids- of welzijnproble(e)m(en) vaststelt, kan deze een hogere frequentie van bezoeken van de contractdierenarts opleggen dan deze bepaald in artikel 6, § 1, en de nodige maatregelen treffen om de verspreiding van besmettelijke ziekten of lijden te beperken, met inbegrip van een opschorting van de handel.

  Onderafdeling 2. - Bijzondere voorwaarden voor het verhandelen van honden en katten.

  Art. 30.[1 § 1. De verantwoordelijke van de kwekerij of handelszaak geeft bij de verkoop van een hond of een kat een waarborg over de gezondheid van het dier.
   Daartoe overhandigt hij de koper een behoorlijk ingevuld garantiecertificaat dat overeenstemt met het model in bijlage XI. Een exemplaar van dit certificaat wordt gedurende ten minste zes maanden door de verkoper bewaard. Dit exemplaar wordt ter beschikking gehouden van de controlerende overheid.
   § 2. Onverminderd de andere wettelijke bepalingen betreffende de identificatie en registratie van dieren, worden de verhandelde katten geïdentificeerd met een leesbare microchip die beantwoordt aan de ISO-normen 11784 : 1996 (E) en 11785 : 1996 (E) en waarvan het nummer wordt vermeld op het garantiecertificaat bedoeld in § 1.
   § 3. Onverminderd de rechten die de koper zou kunnen laten gelden overeenkomstig de geldende wettelijke rechtsmiddelen, meer bepaald de artikelen 1641 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, laat de garantie aan de koper de keuze tussen de terugbetaling van de verkoopprijs, de vervanging van het dier of de gedeeltelijke terugbetaling van het dier volgens de voorwaarden uiteengezet in het certificaat bedoeld in § 1.
   § 4. Wanneer de verkoper naast de wettelijke voorwaarden een bijkomende waarborg aanbiedt aan de koper, wordt deze vermeld in een afzonderlijk document of in een afzonderlijke rubriek ingelast na de handtekeningen op het garantiecertificaat bedoeld in § 1.
   § 5. Bij aankoop van een hond of kat door de beheerder van een erkende inrichting voor dieren kan deze de verkoper ontheffen van de verplichting om hem de waarborg bedoeld in dit artikel te geven.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-03-18/32, art. 28, 003; Inwerkingtreding : 11-04-2009>

  Art. 31. § 1. Wanneer het om de verhandeling van een hond gaat, worden de richtlijnen zoals bepaald in artikel 29, § 1, schriftelijk meegegeven aan de koper, vergezeld van gepaste schriftelijke richtlijnen goedgekeurd door de Dienst, met betrekking tot de opvoeding van de hond.
  § 2. De verantwoordelijke van de inrichting geeft de kandidaat koper raad bij de keuze van een hond door met hem de lijst door te nemen van vragen die in elk geval gesteld moeten worden vóór de verwerving van een hond en die is opgenomen in bijlage IX. Dit document wordt ter beschikking gesteld van iedere bezoeker van de inrichting.

  Art. 32. § 1. In de erkende inrichtingen, kan de Minister, de vaccinatie van honden en katten verplichten tegen de ziekten die hij bepaalt.
  § 2. De Minister kan maatregelen nemen om bepaalde ziekten in de inrichtingen op te sporen en uit te roeien. Hij kan de methoden en de diagnostische tests vaststellen om deze ziekten aan te tonen.

  Art. 33.§ 1. In alle publiciteit voor de verhandeling van honden of katten in de al dan niet gespecialiseerde pers vermeldt de beheerder van een erkende inrichting, zijn [1 erkenningsnummer]1.
  § 2. [1 ...]1
  § 3. [1 ...]1
  § 4. [1 ...]1
  ----------
  (1)<KB 2009-03-18/32, art. 29, 003; Inwerkingtreding : 11-04-2009>

  Onderafdeling 3. - Bijzondere voorwaarden voor het verhandelen van andere dieren.

  Art. 34. De Minister kan bijzondere voorwaarden vaststellen voor de <verhandeling> <van> andere <dieren> dan honden en katten.

  Art. 34/1. [1 Enkel de bepalingen van hoofdstuk IV, afdeling 1, zijn van toepassing op occasionele kwekers.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2009-03-18/32, art. 30, 003; Inwerkingtreding : 11-04-2009>

  HOOFDSTUK V. - Overgangsbepalingen.

  Art. 35. De erkenningen verleend door de Minister in toepassing van het Koninklijk besluit van 17 februari 1997 houdende erkenningvoorwaarden voor hondenkwekerijen, kattenkwekerijen, dierenasielen, dierenpensions en handelszaken voor <dieren>, en de voorwaarden inzake de <verhandeling> <van> <dieren> blijven geldig tot hun vervaldatum.

  Art. 36.§ 1. De inrichtingen in activiteit die op het ogenblik van de inwerkingtreding van artikel 6 van dit besluit, geen contract met een erkende dierenarts hebben omdat ze geen honden of katten hielden, sluiten een dergelijk contract met een erkende dierenarts en zenden binnen de acht dagen na inwerkingtreding van deze beschikkingen, een kopie hiervan aan de Dienst.
  § 2. [1 ...]1
  ----------
  (1)<KB 2009-03-18/32, art. 31, 003; Inwerkingtreding : 11-04-2009>

  Art. 36/1. [1 De Minister kan, binnen de perken van zijn bevoegdheden, de bijlagen I, V, VI A, VI B, VII, VIII A, VIII B, VIII C, IX, en X wijzigen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2009-03-18/32, art. 32, 003; Inwerkingtreding : 11-04-2009>

  HOOFDSTUK VI. - Slotbepalingen.

  Art. 37. Dit besluit treedt in werking de eerste dag van de derde maand volgend op die gedurende welke het in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt, uitgezonderd hoofdstuk III " Voorwaarden voor de erkenning van inrichtingen " dat in werking treedt de twaalfde maand volgend op die gedurende welke het in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.

  Art. 38. Het koninklijk besluit van 17 februari 1997 houdende erkenningvoorwaarden voor hondenkwekerijen, kattenkwekerijen, dierenasielen, dierenpensions en handelszaken voor <dieren>, en de voorwaarden inzake de <verhandeling> <van> <dieren> wordt opgeheven op de eerste dag <van> de derde maand volgend op die gedurende welke dit besluit in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt uitgezonderd hoofdstuk III " Voorwaarden voor de erkenning van inrichtingen " dat opgeheven wordt de twaalfde maand volgend op die gedurende welke dit besluit in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.

  Art. 39. Onze minister bevoegd voor volksgezondheid, Onze minister van Binnenlandse Zaken, Onze minister van Middenstand, Onze minister van Economie en Onze minister van Consumentenzaken zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
  Gegeven te Brussel, 27 april 2007.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
  R. DEMOTTE
  De Minister van Binnenlandse Zaken,
  P. DEWAEL
  De Minister van Middenstand,
  Mevr. S. LARUELLE
  De Minister van Economie,
  M. VERWILGHEN
  De Minister van Consumentenzaken,
  Mevr. F. VAN DEN BOSSCHE

  BIJLAGEN.

  Art. N1.BIJLAGE I bij het koninklijk besluit van 27 april 2007. - AANVRAAG TOT ERKENNING ALS hondenkwekerij / kattenkwekerij / dierenasiel / dierenpension / handelszaak voor dieren.
  (Model niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 06-07-2007, p. 37207-37209).
  Gewijzigd bij :
  <KB 2009-03-18/32, art. 33, 003; Inwerkingtreding : 11-04-2009>
  Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 27 april 2007.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
  R. DEMOTTE
  De Minister van Binnenlandse Zaken,
  P. DEWAEL
  De Minister van Middenstand,
  Mevr. S. LARUELLE
  De Minister van Economie,
  M. VERWILGHEN
  De Minister van Consumentenzaken,
  Mevr. F. VAN DEN BOSSCHE

  Art. N2.BIJLAGE II bij het koninklijk besluit van 27 april 2007.
   [1 Minimale afmetingen voor het houden van honden en katten
   I. MINIMUMOPPERVLAKTEN (m 2 ) VOOR DE VERBLIJVEN VOOR HONDEN (1) :

  

Aantal honden Schofthoogte
  
 
  kleiner dan 25 cm kleiner dan 30 cm kleiner dan 40 cm kleiner dan 60 cm kleiner dan 75 cm groter dan 75 cm
  
1 1 1,5 2 3 5 7
  
2 1,5 2 2,5 4 7 10
  
3 2 2,5 3 6 10 12
  
4 2,5 3 4 8 12 18
  
5 3 4 5 12 20 24
  
6 4 5 6 18 25 40
  
7 5 6 7 25 42 50
  
8 6 8 12 30 50 65
  
9 8 10 15 34 60 80
  
10 10 12 20 38 70 95

  (1) Indien honden van verschillende grootte samen worden gehouden, wordt voor de berekening van de minimumoppervlakte de schofthoogte van de grootste hond gehanteerd.
   II. MINIMUMOPPERVLAKTE VAN EEN KRAAMHOK VEREIST VOOR EEN TEEF MET PUPS TOT DE LEEFTIJD VAN ZEVEN WEKEN :

  

Schofthoogte van het moederdier
  
kleiner dan 25 cm kleiner dan 35 cm kleiner dan 40 cm kleiner dan 60 cm kleiner dan 75 cm groter dan 75 cm
  
1 m 2 1,5 m 2 2 m 2 3 m 2 3,5 m 2 5 m 2

   III. MINIMUMOPPERVLAKTE VAN EEN KRAAMHOK VEREIST VOOR EEN TEEF MET PUPS TOT DE LEEFTIJD VAN TIEN WEKEN :

  

Schofthoogte van het moederdier
  
kleiner dan 25 cm kleiner dan 35 cm kleiner dan 40 cm kleiner dan 60 cm kleiner dan 75 cm groter dan 75 cm
  
1,5 m 2 3 m 2 4 m 2 6 m 2 7 m 2 10 m 2


]1
  ----------
  (1)<KB 2009-03-18/32, art. 33, 003; Inwerkingtreding : 11-04-2009>
  
  Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 27 april 2007.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
  R. DEMOTTE
  De Minister van Binnenlandse Zaken,
  P. DEWAEL
  De Minister van Middenstand,
  Mevr. S. LARUELLE
  De Minister van Economie,
  M. VERWILGHEN
  De Minister van Consumentenzaken,
  Mevr. F. VAN DEN BOSSCHE
  

  Art. N3.BIJLAGE III bij het koninklijk besluit van 27 april 2007.
  [1 Voorwaarden voor de verhandeling van honden en katten afkomstig uit andere landen
   1° Huisvesting :
   De dieren werden gekweekt in verblijven die aan de volgende voorwaarden voldoen. Het natuurlijke dag-en nachtritme werd gerespecteerd zelfs op de sluitingsdagen van de inrichting.
   I. MINIMUMOPPERVLAKTEN (m 2 ) VOOR DE VERBLIJVEN VOOR HONDEN (1) :
  

  

Aantal honden Schofthoogte
  kleiner dan 25 cm kleiner dan 30 cm kleiner dan 40 cm kleiner dan 60 cm kleiner dan 75 cm groter dan 75 cm
  
1 1 1,5 2 3 5 7
  
2 1,5 2 2,5 4 7 10
  
3 2 2,5 3 6 10 12
  
4 2,5 3 4 8 12 18
  
5 3 4 5 12 20 24
  
6 4 5 6 18 25 40
  
7 5 6 7 25 42 50
  
8 6 8 12 30 50 65
  
9 8 10 15 34 60 80
  
10 10 12 20 38 70 95

  (1) Indien honden van verschillende grootte samen worden gehouden, wordt voor de berekening van de minimumoppervlakte de schofthoogte van de grootste hond gehanteerd
   II. MINIMUMOPPERVLAKTE VAN EEN KRAAMHOK VEREIST VOOR EEN TEEF MET PUPS TOT DE LEEFTIJD VAN ZEVEN WEKEN :
  

  

Schofthoogte van het moederdier
  
kleiner dan 25 cm kleiner dan 35 cm kleiner dan 40 cm kleiner dan 60 cm kleiner dan 75 cm groter dan 75 cm
  
1 m 2 1,5 m 2 2 m 2 3 m 2 3,5 m 2 5 m 2

   III. MINIMUMOPPERVLAKTE VAN EEN KRAAMHOK VEREIST VOOR EEN TEEF MET PUPS TOT DE LEEFTIJD VAN TIEN WEKEN :
  

  

Schofthoogte van het moederdier
  
kleiner dan 25 cm kleiner dan 35 cm kleiner dan 40 cm kleiner dan 60 cm kleiner dan 75 cm groter dan 75 cm
  
1,5 m 2 3 m 2 4 m 2 6 m 2 7 m 2 10 m 2

  IV. MINIMUMHOOGTE VAN VERBLIJVEN VOOR HONDEN :
   Ten minste tweemaal de schofthoogte van de grootste hond in het verblijf met een minimumhoogte van 75 cm.
   V. MINIMUMAFMETINGEN VAN VERBLIJVEN VOOR KATTEN :
   Minimumoppervlakte : 1 m 2 per kat
   Minimumhoogte : 1,80 m
   VI. MINIMUMOPPERVLAKTE VAN EEN KRAAMHOK VEREIST VOOR EEN KAT MET JONGEN TOT DE LEEFTIJD VAN TIEN WEKEN :
   Minimumoppervlakte : 1 m 2 per moeder met haar jongen.
   Minimumhoogte : 1,80 m
   2° Verzorging van de dieren :
   De dieren worden ten minste tweemaal per dag gecontroleerd.
   Vrouwelijke dieren werpen niet meer dan tweemaal per jaar.
   Er is voldoende en bekwaam personeel ter beschikking voor de verzorging van de dieren. Deze personen besteden een bijzondere aandacht aan de socialisatie van de dieren.
   Hoogdrachtige dieren en vrouwelijke dieren met niet-gespeende jongen beschikken over geschikt nestmateriaal. Pups hebben manipuleerbare voorwerpen ter beschikking teneinde hun omgeving te verrijken.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-03-18/32, art. 34, 003; Inwerkingtreding : 01-10-2009>
  
  Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 27 april 2007.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
  R. DEMOTTE
  De Minister van Binnenlandse Zaken,
  P. DEWAEL
  De Minister van Middenstand,
  Mevr. S. LARUELLE
  De Minister van Economie,
  M. VERWILGHEN
  De Minister van Consumentenzaken,
  Mevr. F. VAN DEN BOSSCHE

  Art. N4.BIJLAGE IV bij het koninklijk besluit van 27 april 2007.
  [1 Minimale afmetingen voor het houden van dieren
   TABEL 1. MINIMUMAFMETINGEN VAN DE KOOIEN VOOR KLEINE KNAAGDIEREN EN KONIJNEN :
   a) Kooien voor kleine knaagdieren :
  

  

Soort Vloeroppervlakte (cm 2 per dier) Hoogte (cm) Bijzondere eisen
  individueel gehouden gehouden in groep    
Chinchilla 3000 1500 80 - minstens 2 niveaus
  - zandbad
  - mogelijkheid om zich te verstoppen
  - takken
Cavia jong (max. 500 gram) volwassen jong (max. 500 gram) volwassen jong (max. 500 gram) volwassen --
  
  1500 2000 750 1200 25 30
  
 
Degoe (Octodon degus) 1500 750 met een minimale oppervlakte van 1500 50 - knaagvoorwerp
  - klimmogelijkheden
  - zandbad
  
Tamias sibiricus (Aziat.gestreepte grondeekhoorn) 1500 375 met een minimale oppervlakte van 1500 50 klimmogelijkheden
  
Tamias striatus (Oostelijke wangzakeekhoorn) 1500 750 met een minimale oppervlakte van 1500 50 klimmogelijkheden
  
Echte renmuis en Woestijnmuis 1000 200 met een minimale oppervlakte van 1000 25 - Knaagvoorwerp voorzien
  - zandbad
  
Hamster 1000 200 met een minimale oppervlakte van 1000 20 Knaagvoorwerp voorzien
Rat jong volwassen jong volwassen jong volwassen ---
  
  1000 1500 200 met een minimale oppervlakte van 1000 375 met een minimale oppervlakte van 1500 25 30
  
 
Muis 1000 100 met een minimale vloeroppervlakte van 1000 15 ---

   b) kooien voor konijnen :
  

  

Gewicht van het dier (kg) Vloeroppervlakte (cm 2 per dier) Breedte (cm) Hoogte (cm)
  individueel gehouden gehouden in groep
  
   
minder dan 1 kg 2000 1200 30 30
  
1 kg en meer 3000 2500 40 40

   TABEL 2. MINIMALE NORMEN VOOR KOOIEN VOOR FRETTEN : Minimumoppervlakte : 0,2 m 2 per dier met een minimum van 0,5 m 2 per kooi. Minimumhoogte : 0,5 m
   TABEL 3. MINIMALE NORMEN VOOR KOOIEN VOOR VOGELS :
  

  

Lengte van de vogel (1) KOOIEN VOLIERES
  Volume per vogel indien alleen gehouden (cm 3 ) Volume per vogel indien in groep gehouden (cm 3 ) Volume per vogel (cm 3 )
  
tot 12 cm (kleine exoten) 9.000 5.000 12.500
  
tot 16 cm (kanaries) 9.000 6.400 16.000
  
tot 18 cm (grasparkieten, agaporniden, grote postuurkanaries) 9.000 8.000 20.000
  
tot 20 cm (kleine papegaaien) 19.000 9.600 24.000
  
tot 25 cm (exotische spreeuwen en lijsters; duifachtigen) 50.000 20.000 80.000
  
tot 30 cm (grote exotische vogels en lori`s) 75.000 25.000 100.000
  
tot 40 cm (amazones, grijze roodstaartpapegaaien) 75.000 60.000 150.000
  
meer dan 40 cm (ara`s) 360.000 450.000 1.000.000

  (1) De lengte wordt gemeten van de kop tot de tip van de staart De vogelsoorten zijn slechts vermeld bij wijze van voorbeeld.
   TABEL 4. MINIMALE AFMETINGEN VOOR VIVARIA (in cm : L = lengte, B = Breedte, H =hoogte)
   a) Slangen
   Individueel gehouden slangen (lengte van het dier is de totale lengte)
   Landbewonende soorten :
   H* : ten minste 1/3 van de lengte van het dier met een minimum van 20 cm
   B : ten minste 1/3 van de lengte van het dier met een minimum van 20 cm
   L : ten minste 2/3 van de lengte van het dier met een minimum van 20 cm
   Boombewonende soorten en semi-boombewonende soorten :
   H* : ten minste 2/3 van de lengte van het dier met een minimum van 40 cm
   B : ten minste 1/3 van de lengte van het dier met een minimum van 20 cm
   L : ten minste 1/2 van de lengte van het dier met een minimum van 20 cm
   In groep gehouden slangen (maximum 5 individuen, lengte van het dier is de totale lengte)
   De afmetingen van de vivaria worden berekend op basis van het grootste individu
   Landbewonende soorten :
   H* : ten minste 1/3 van de lengte van het dier met een minimum van 30 cm
   B** : ten minste 2/3 van de lengte van het dier met een minimum van 30 cm
   L : ten minste gelijk aan de lengte van het dier met een minimum van 30 cm
   Boombewonende soorten en semi-boombewonende soorten :
   H* : ten minste gelijk aan de lengte van het dier met een minimum van 60 cm voor specimen die een lengte tot en met 40 cm bereiken en minimum van 80 cm voor specimen met een lengte van meer dan 40 cm.
   B** : ten minste 2/3 van de lengte van het dier met een minimum van 40 cm
   L : ten minste 2/3 van de lengte van het dier met een minimum van 40 cm
   Voor slangen met een lengte van meer dan twee meter kunnen de afmetingen verminderd worden tot de volgende minima :
   H* : ten minste 1/2 van de lengte van het dier
   B : ten minste 1/2 van de lengte van het dier
   L : ten minste 3/4 van de lengte van het dier
   * : Wanneer de berekening een hogere waarde dan 2 m geeft, is een hoogte van 2 m toegelaten.
   ** : Wanneer de berekening een hogere waarde dan 1 m geeft, is een breedte van 1 m voor de slangen van minder dan 2 m toegelaten.
   b) Schildpadden
   Minimumoppervlakte van de vivaria = 3 x N x LC5 met minimale afmetingen per terrarium van 60 cm en 30 cm.
   Minimumhoogte van de vivaria : ten minste de waarde van LC met een minimum van 30 cm.
   N is het aantal schildpadden in het terrarium en LC is de lengte van het borstschild van de grootste schildpad in het vivarium.
   b.1) Landbewonende en semi-aquatische soorten
   Maximaal 20 specimens per vivarium, ongeacht de afmetingen hiervan.
   Voor semi-aquatische soorten is de grootte en de diepte van het watergedeelte afhankelijk van de soort.
   Een landoppervlakte van tenminste 1/4 van de minimumoppervlakte van het vivarium en voorzien van een verwarmingslamp moet aanwezig zijn.
   b.2) Aquatische soorten
   Voor waterschildpadden moeten een landoppervlakte van minstens 10% van de minimale oppervlakte van het vivarium en een wateroppervlakte van minstens 80% van de minimale oppervlakte van het vivarium voorzien zijn.
   De diepte van het waterdeel moet tenminste gelijk zijn aan de breedte van het borstschild van de grootste schildpad teneinde haar toe te laten om zich om te keren.
   c) Hagedissen en krokodilachtigen
   De afmetingen worden steeds berekend op basis van het grootste specimen, staartlengte inbegrepen.
   Niet meer dan 25 specimens per vivarium, ongeacht de afmetingen ervan.
   Krokodilachtigen, grote Varanidae en grote Teiidae (meer dan 100 cm) : nooit meer dan 5 specimens per vivarium.
   Aantal specimens kleiner of gelijk aan 10
   Landbewonende soorten :
   H : ten minste 2/3 van de lengte van het dier met een minimum van 40 cm
   B : ten minste 1/2 van de lengte van het dier met een minimum van 40 cm
   L : ten minste tweemaal de lengte van het dier met een minimum van 50 cm
   Boombewonende soorten en semi-boombewonende soorten :
   H : ten minste tweemaal de lengte van het dier met een minimum van 60 cm
   B : ten minste 1/2 van de lengte van het dier met een minimum van 40 cm
   L : ten minste tweemaal de lengte van het dier met een minimum van 50 cm
   Aantal specimens groter dan 10 en kleiner of gelijk aan 25
   Landbewonende soorten :
   H : ten minste éénmaal de lengte van het dier met een minimum van 50 cm
   B : ten minste éénmaal de lengte van het dier met een minimum van 50 cm
   L : ten minste driemaal de lengte van het dier met een minimum van 60 cm
   Boombewonende soorten en semi-boombewonende soorten :
   H : ten minste tweemaal de lengte van het dier met een minimum van 80 cm
   B : ten minste éénmaal de lengte van het dier met een minimum van 50 cm
   L : ten minste driemaal de lengte van het dier met een minimum van 60 cm
   d) Amfibieën
   De afmetingen worden steeds berekend op basis van het grootste specimen, staartlengte inbegrepen (voor de salamanderachtigen).
   Landbewonende soorten :
   Dieren met een lengte van minder dan 5 cm :
   Indien minder dan 10 specimens :
   H : in alle gevallen minimaal 35 cm
   B : in alle gevallen minimaal 30 cm
   L : in alle gevallen minimaal 35 cm
   Indien meer dan 10 specimens (maximaal 30 specimens per vivarium ongeacht de afmetingen ervan) :
   H : in alle gevallen minimaal 40 cm
   B : in alle gevallen minimaal 40 cm
   L : in alle gevallen minimaal 60 cm
   Dieren met een lengte van meer dan 5 cm (maximaal 20 specimens per vivarium ongeacht de afmetingen ervan) :
   H : in alle gevallen minimaal 40 cm
   B : ten minste vijfmaal de lengte van het dier met een minimum van 40 cm
   L : ten minste tienmaal de lengte van het dier met een minimum van 60 cm
   Boombewonende soorten :
   Dieren met een lengte van minder dan 5 cm :
   Indien minder dan 10 specimens :
   H : in alle gevallen minimaal 60 cm
   B : in alle gevallen minimaal 30 cm
   L : in alle gevallen minimaal 35 cm
   Indien meer dan 10 specimens (maximaal 30 specimens per vivarium ongeacht de afmetingen ervan)
   H : in alle gevallen minimaal 60 cm
   B : in alle gevallen minimaal 40 cm
   L : in alle gevallen minimaal 40 cm
   Dieren met een lengte van meer dan 5 cm (maximaal 20 specimens per vivarium ongeacht de afmetingen ervan) :
   H : in alle gevallen minimaal 80 cm
   B : ten minste vijfmaal de lengte van het dier met een minimum van 40 cm
   L : ten minste tienmaal de lengte van het dier met een minimum van 60 cm
   Aquatische soorten :
  

  

Lengte van het lichaam (van de neus tot aan de staartpunt) Minimaal water
  volume tot 5 specimens
bijkomend water
  volume voor meer dan 5 specimens
  
lengte tot en met 10 cm
  lengte groter dan 10 en kleiner dan 20 cm
  lengte gelijk aan of groter dan 20 cm
5 liter
  10 liter
  20 liter
0,5 liter / dier
  1 liter / dier
  2 liter / dier

   TABEL 5. MINIMUMNORMEN VOOR AQUARIA
   a) Zoetwatervissen
  

  

Lengte van de vissen Minimaal watervolume (in liter, filter niet inbegrepen)
  
kleiner dan of gelijk aan 5 cm
  groter dan 5 cm en kleiner dan 10 cm
  gelijk aan of groter dan 10 cm
40
  60
  100

   Deze normen zijn niet van toepassing op de mannelijke Betta splendens en op de Cyprinodontidae die onder volgende voorwaarden gehouden kunnen worden :
   Betta splendens 0,5 liter water
   Cyprinodontidae 10 liter water met een minimale diepte van 15 cm
   b) Zoutwatervissen
  

  

Lengte van de vissen Minimaal watervolume (in liter, filter niet inbegrepen)
  
kleiner dan of gelijk aan 15 cm
  groter dan 15 cm
180
  250

   (1) : Het aantal vissen per aquarium moet aangepast worden aan het watervolume en aan de filtratie- en beluchtingscapaciteit van het aquarium.]1
  ----------
  (1)<KB 2009-03-18/32, art. 34, 003; Inwerkingtreding : 01-10-2009>
  
  Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 27 april 2007.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
  R. DEMOTTE
  De Minister van Binnenlandse Zaken,
  P. DEWAEL
  De Minister van Middenstand,
  Mevr. S. LARUELLE
  De Minister van Economie,
  M. VERWILGHEN
  De Minister van Consumentenzaken,
  Mevr. F. VAN DEN BOSSCHE
  

  Art. N5. BIJLAGE V bij het koninklijk besluit van 27 april 2007. - Contract tussen de erkende dierenarts en de inrichting.
  (Model niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 06-07-2007, p. 37218).
  Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 27 april 2007.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
  R. DEMOTTE
  De Minister van Binnenlandse Zaken,
  P. DEWAEL
  De Minister van Middenstand,
  Mevr. S. LARUELLE
  De Minister van Economie,
  M. VERWILGHEN
  De Minister van Consumentenzaken,
  Mevr. F. VAN DEN BOSSCHE

  Art. 1N6. BIJLAGE VI.A. bij het koninklijk besluit van 27 april 2007. - Inventaris van de vrouwelijke fokdieren. - Diersoort : Hond/kat.
  (Model niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 06-07-2007, p. 37219).
  Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 27 april 2007.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
  R. DEMOTTE
  De Minister van Binnenlandse Zaken,
  P. DEWAEL
  De Minister van Middenstand,
  Mevr. S. LARUELLE
  De Minister van Economie,
  M. VERWILGHEN
  De Minister van Consumentenzaken,
  Mevr. F. VAN DEN BOSSCHE

  Art. 2N6. BIJLAGE VI.B. bij het koninklijk besluit van 27 april 2007. - Fiche van de worpen (één fiche per worp).
  (Model niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 06-07-2007, p. 37220).
  Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 27 april 2007.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
  R. DEMOTTE
  De Minister van Binnenlandse Zaken,
  P. DEWAEL
  De Minister van Middenstand,
  Mevr. S. LARUELLE
  De Minister van Economie,
  M. VERWILGHEN
  De Minister van Consumentenzaken,
  Mevr. F. VAN DEN BOSSCHE

  Art. N7. BIJLAGE VII bij het koninklijk besluit van 27 april 2007. - Register van in- en uitgaande bewegingen van dieren in een dierenasiel.
  (Model niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 06-07-2007, p. 37221).
  Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 27 april 2007.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
  R. DEMOTTE
  De Minister van Binnenlandse Zaken,
  P. DEWAEL
  De Minister van Middenstand,
  Mevr. S. LARUELLE
  De Minister van Economie,
  M. VERWILGHEN
  De Minister van Consumentenzaken,
  Mevr. F. VAN DEN BOSSCHE

  Art. 1N8. BIJLAGE VIII.A. bij het koninklijk besluit van 27 april 2007. - Verklaring van afstand van een hond in te vullen door de verantwoordelijke van het dier.
  (Model niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 06-07-2007, p. 37222-37223).

  Art. 2N8. BIJLAGE VIII.B. bij het koninklijk besluit van 27 april 2007. - Evaluatiefiche van het gedrag in het asiel.
  (Model niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 06-07-2007, p. 37224).

  Art. 3N8.BIJLAGE VIII.C. bij het koninklijk besluit van 27 april 2007. - Adoptiecontract voor een hond.
  (Model niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 06-07-2007, p. 37225-37226).
  Gewijzigd bij :
  <KB 2009-03-18/32, art. 35, 003; Inwerkingtreding : 11-04-2009>
  Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 27 april 2007.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
  R. DEMOTTE
  De Minister van Binnenlandse Zaken,
  P. DEWAEL
  De Minister van Middenstand,
  Mevr. S. LARUELLE
  De Minister van Economie,
  M. VERWILGHEN
  De Minister van Consumentenzaken,
  Mevr. F. VAN DEN BOSSCHE

  Art. N9. BIJLAGE IX bij het koninklijk besluit van 27 april 2007. - Lijst van vragen te stellen vóór de verwerving van een hond.
  (Model niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 06-07-2007, p. 37227).
  Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 27 april 2007.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
  R. DEMOTTE
  De Minister van Binnenlandse Zaken,
  P. DEWAEL
  De Minister van Middenstand,
  Mevr. S. LARUELLE
  De Minister van Economie,
  M. VERWILGHEN
  De Minister van Consumentenzaken,
  Mevr. F. VAN DEN BOSSCHE

  Art. N10.BIJLAGE X bij het koninklijk besluit van 27 april 2007. - Register voor handelszaken voor dieren waar honden of katten worden verhandeld.
  (Model niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 06-07-2007, p. 37228).
  Gewijzigd bij :
  <KB 2009-03-18/32, art. 36, 003; Inwerkingtreding : 11-04-2009>
  <KB 2010-11-15/03, art. 6, 004; Inwerkingtreding : 01-02-2011; zie B.S. 29-11-2010, p. 73249>

  Art. N11. BIJLAGE XI bij het koninklijk besluit van 27 april. - Garantiecertificaat.
  (Model niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 06-07-2007, p. 37229-37231).
  Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 27 april 2007.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
  R. DEMOTTE
  De Minister van Binnenlandse Zaken,
  P. DEWAEL
  De Minister van Middenstand,
  Mevr. S. LARUELLE
  De Minister van Economie,
  M. VERWILGHEN
  De Minister van Consumentenzaken,
  Mevr. F. VAN DEN BOSSCH

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op artikel 108 van de Grondwet;
   Gelet op de wet van 30 juli 1979 betreffende de preventie van brand en ontploffing en betreffende de verplichte verzekering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid in dergelijke gevallen, inzonderheid op artikel 3, gewijzigd bij de wet van 22 mei 1990 en artikel 4;
   Gelet op de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, inzonderheid op artikel 5, gewijzigd bij de wet van 4 mei 1995, bij het koninklijk besluit van 22 februari 2001, bij de programmawet van 22 december 2003 en bij de wet van 23 juni 2004, artikel 9 gewijzigd bij de wet van 4 mei 1995 en de programmawet van 22 december 2003, artikel 10, vervangen bij de wet van 4 mei 1995, artikel 11bis, ingevoegd bij de wet van 4 mei 1995 en artikel 44 gewijzigd bij de programmawet van 22 december 2003;
   Gelet op het koninklijk besluit van 17 februari 1997 houdende erkenningvoorwaarden voor hondenkwekerijen, kattenkwekerijen, dierenasielen, dierenpensions en handelszaken voor <dieren>, en de voorwaarden inzake de <verhandeling> <van> <dieren> gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 augustus 1998;
   Gelet op het eensluidend advies van de Ministerraad, gegeven op 23 december 2005;
   Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 13 juli 2005;
   Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Begroting van 23 december 2005;
   Gelet op het advies van de dienst voor de administratieve vereenvoudiging gegeven op 18 juli 2005;
   Gelet op het advies 39.708/3 van de Raad van State, gegeven op 31 januari 2006 met toepassing van artikel 84 § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
   Overwegende dat het noodzakelijk is om de wettelijke voorwaarden voor de erkenning van inrichtingen en de voorwaarden voor de <verhandeling> <van> <dieren> aan te passen in functie <van> de problemen die tijdens inspecties ter plaatse zijn vastgesteld en de noodzaak om documenten te uniformiseren met het oog op vereenvoudiging;
   Overwegende dat het noodzakelijk is de procedures van afstand en adoptie van een hond in een asiel vast te leggen teneinde te komen tot adopties die zo goed mogelijk beantwoorden aan de behoeften van het opvanggezin en van het dier;
   Overwegende dat het noodzakelijk is de wetgeving inzake <verhandeling> <van> <dieren> te herzien teneinde de consument beter te beschermen en hem voldoende inlichtingen te verschaffen vóór en op het moment van de aankoop van een dier;
   Op voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, van Onze Minister van Binnenlandse Zaken, van Onze Minister van Middenstand, van Onze Minister van Economie en van Onze Minister van Consumentenzaken,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
 
BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 15-11-2010 GEPUBL. OP 29-11-2010
    (GEWIJZIGDE ART. : 7; 19/4; 19/5; 20; 28/2; N10)
BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 18-03-2009 GEPUBL. OP 01-04-2009
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 1BIS; 2; 4; 5; 6; 7; 8; 9; 14; 15; 18; 19/1-19/6; 20; 25; 26; NL.27; 27/1; 28/1; 30; 33; 34/1; 36; 36/1; N1; N2; N3; N4)
    (GEWIJZIGDE ART. : NL.3N8; N10)
BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 14-09-2007 GEPUBL. OP 04-10-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 1)

Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Inhoudstafel 3 uitvoeringbesluiten 3 gearchiveerde versies
  Franstalige versie

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 22/12/2010 - 19:31
Laatst aangepast op: wo, 04/10/2017 - 17:51

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.