-A +A

Conclusietermijnen in strafzaken

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

De procedure in strafzaken met betrekking tot de conclusietermijnen wordt geregeld door art. 152 van het Wetboek van strafvordering

Art. 152.

§ 1. De partijen die wensen te concluderen en nog geen conclusies hebben neergelegd vragen op de inleidingszitting om conclusietermijnen te bepalen.
De rechter legt in dat geval de termijnen vast waarop de conclusies ter griffie moeten worden neergelegd en aan de andere partijen moeten worden toegezonden en bepaalt de rechtsdag, na de partijen te hebben gehoord. De beslissing wordt vermeld in het proces-verbaal van de zitting. De conclusies worden opgesteld overeenkomstig de artikelen 743 en 744 van het Gerechtelijk Wetboek.

De conclusies die niet voor het verstrijken van de vastgestelde termijnen zijn neergelegd en meegedeeld aan het openbaar ministerie, indien deze betrekking hebben op de strafvordering, en in voorkomend geval, aan alle andere betrokken partijen, worden ambtshalve uit de debatten geweerd.

§ 2. Tenzij de rechter vaststelt dat de laattijdige neerlegging of mededeling louter dilatoire doeleinden nastreeft of de rechten van de andere partijen of het verloop van de rechtspleging schendt, kunnen conclusies worden neergelegd na het verstrijken van de overeenkomstig paragraaf 1 vastgelegde termijnen :
- mits het akkoord van de betrokken partijen, of
- bij ontdekking van een nieuw en ter zake dienend stuk of feit dat nieuwe besluiten rechtvaardigt.

De rechter kan ten gevolge hiervan nieuwe conclusietermijnen vastleggen en een nieuwe rechtsdag bepalen. In dat geval is paragraaf 1 van toepassing.

§ 3. Tegen de beslissingen van de rechter die beoogd zijn in de paragrafen 1 en 2 staat geen rechtsmiddel open.

§ 4. De bepalingen van paragrafen 1 en 2 zijn van toepassing op het openbaar ministerie.

(ingevoegd ingevolge potpourri II wet van 5 februari 2016 en zowel toepasselijk voor de politierechtbank als voor de correctionele rechtbank [artikel 189 Sv] en bij de Hoven van Beroep[artikel 209bis laatste lid Sv]).

Deze bepalingen vinden geen toepassing voor de onderzoeksgerechten, hetgeen overigens het gelijkheidsbeginsel niet schendt (GwH 52/2017, 11 mei 2017)

De rechter kan oordelen dat er omstandigheden zijn eigen aan de zaak die maken dat het recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd niet vereist dat er conclusietermijnen worden bepaald.

Hij kan daarbij onder meer rekening houden met het tijdsverloop tussen de betekening van de dagvaarding en de inleidende rechtszitting welke partijen in de gelegenheid moet hebben gesteld hun verdediging voor te bereiden, het weinig complex karakter van de te beoordelen zaak, de verjaring van de strafvordering, de verplichting een overschrijding of een verdere overschrijding van de redelijke termijn te vermijden of de hechtenistoestand van één of meerdere beklaagden (Cass. 07/11/2017 AR P.17.0127.N)

De rechter dient steeds met verwijzing naar de omstandigheden eigen aan de zaak aan te geven waarom het recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd niet vereist dat conclusietermijnen worden toegekend. (Cass. 07/11/2017 AR P.17.0127.N)

De wettelijke regeling waardoor ook voor de strafrechter conclusietermijnen in strafzaken kunnen opgelegd is uitgewerkt in artikel 152 §1 van het wetboek van strafvordering

De strafrechter kan het verzoek tot bepaling van conclusietermijnen weigeren mits de rechter in concreto motiveert waarom dit niet noodzakelijk het recht op een eerlijk proces schendt.

De laattijdige neerlegging van conclusies die de termijnen vastgelegd in de beslissing genomen met betrekking tot de onclusiekalender in strafzaken, schendt, moet ambtshalve geweerd moeten worden ook als de laattijdige neerlegging niet in strijd is met het normdoel van artikel 152 Sv., met name het goede procesverloop van de procedure.

Rechtsleer:

• K. Verhesschen, Conclusietermijnen in strafzaken, NJW 2018, 599, bespreking van Grondwettelijk Hof nr. 52/2017, 11 mei 2017 (prejudiciële vraag.

• R. VERSTRAETEN, A. BAILLEUX, J. HUYSMANS en S. DE HERT, “Stevige verbouwingen in het strafprocesrecht: de procedure met voorafgaande erkenning van
schuld, de invoering van conclusietermijnen in strafzaken en een vernieuwd stelsel van rechtsmiddelen” in F. VERBRUGGEN (ed.), Themis Straf- en strafprocesrecht 2015-2016, Brugge, Die Keure, 2016, (123) 153-165).
 

Rechtspraak:

• Grondwettelijk Hof nr. 52/2017, 11 mei 2017, juridat

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij beschikking van 5 april 2016 in zake F.J. en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 12 mei 2016, heeft de raadkamer van de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 152 [van het Wetboek van strafvordering] de artikelen 10 en 11 van de grondwet, al dan niet in samenhang met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, om reden dat een inverdenkinggestelde de raadkamer op de inleidingszitting bij de regeling van de rechtspleging (artikel 127 Wetboek van strafvordering) niet om conclusietermijnen kan verzoeken terwijl een beklaagde voor de politierechtbank of de correctionele rechtbank op de inleidingszitting om conclusietermijnen kan verzoeken ? ».
(...)

III. In rechte
(...)

B.1. Het Hof wordt ondervraagd over de bestaanbaarheid van artikel 152 van het Wetboek van strafvordering met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre een inverdenkinggestelde de raadkamer op de inleidingszitting bij de regeling van de rechtspleging niet om conclusietermijnen kan verzoeken, terwijl een beklaagde de politierechtbank of de correctionele rechtbank op de inleidingszitting wel om conclusietermijnen kan verzoeken.

B.2. Artikel 152 van het Wetboek van strafvordering, vervangen bij artikel 76 van de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie (hierna : de wet van 5 februari 2016), bepaalt :

« § 1. De partijen die wensen te concluderen en nog geen conclusies hebben neergelegd vragen op de inleidingszitting om conclusietermijnen te bepalen.

De rechter legt in dat geval de termijnen vast waarop de conclusies ter griffie moeten worden neergelegd en aan de andere partijen moeten worden toegezonden en bepaalt de rechtsdag, na de partijen te hebben gehoord. De beslissing wordt vermeld in het proces-verbaal van de zitting. De conclusies worden opgesteld overeenkomstig de artikelen 743 en 744 van het Gerechtelijk Wetboek.

De conclusies die niet voor het verstrijken van de vastgestelde termijnen zijn neergelegd en meegedeeld aan het openbaar ministerie, indien deze betrekking hebben op de strafvordering, en in voorkomend geval, aan alle andere betrokken partijen, worden ambtshalve uit de debatten geweerd.

§ 2. Tenzij de rechter vaststelt dat de laattijdige neerlegging of mededeling louter dilatoire doeleinden nastreeft of de rechten van de andere partijen of het verloop van de rechtspleging schendt, kunnen conclusies worden neergelegd na het verstrijken van de overeenkomstig paragraaf 1 vastgelegde termijnen :

- mits het akkoord van de betrokken partijen, of
- bij ontdekking van een nieuw en ter zake dienend stuk of feit dat nieuwe besluiten rechtvaardigt.

De rechter kan ten gevolge hiervan nieuwe conclusietermijnen vastleggen en een nieuwe rechtsdag bepalen. In dat geval is paragraaf 1 van toepassing.

§ 3. Tegen de beslissingen van de rechter die beoogd zijn in de paragrafen 1 en 2 staat geen rechtsmiddel open.

§ 4. De bepalingen van paragrafen 1 en 2 zijn van toepassing op het openbaar ministerie ».

B.3.1. Volgens de Ministerraad is de prejudiciële vraag niet ontvankelijk, aangezien ze er verkeerdelijk van zou uitgaan dat de inverdenkinggestelde de raadkamer niet kan verzoeken conclusietermijnen vast te leggen, terwijl artikel 127 van het Wetboek van strafvordering daaraan niet in de weg staat.

B.3.2. Het staat in de regel aan de verwijzende rechter de bepalingen die hij toepast te interpreteren, onder voorbehoud van een kennelijk verkeerde lezing van de in het geding zijnde bepaling. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat het Hof wordt ondervraagd over de ongelijke behandeling die zou voortvloeien uit het feit dat de inverdenkinggestelde de raadkamer, op de inleidingszitting bij de regeling van de rechtspleging, niet om dwingende conclusietermijnen zou kunnen verzoeken en de laattijdigheid van conclusies niet met sancties zou kunnen worden verbonden, terwijl die mogelijkheid wel bestaat voor de beklaagde in de procedure voor de politierechtbank of de correctionele rechtbank op grond van artikel 152 van het Wetboek van strafvordering.

B.3.3. De exceptie wordt verworpen.

B.4. De wet van 5 februari 2016 heeft dwingende conclusietermijnen ingevoerd in strafzaken met inachtneming van « de principes van het vrije woord ter zitting en de gelijkheid van wapens » (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1418/001, pp. 69-70; DOC 54-1418/005, p. 113). De nieuwe regeling is opgenomen in artikel 152 van het Wetboek van strafvordering, dat betrekking heeft op de procedure voor de politierechtbanken. Die bepaling geldt ook voor de correctionele rechtbanken (artikel 189 van het Wetboek van strafvordering) en voor de hoven van beroep (artikel 209bis, laatste lid, van het Wetboek van strafvordering). De nieuwe regeling houdt in dat partijen die wensen te concluderen en nog geen conclusies hebben neergelegd, op de inleidingszitting vragen conclusietermijnen te bepalen. De rechter legt in dat geval conclusietermijnen en een rechtsdag vast, die vervolgens op het zittingsblad worden vermeld. Conclusies die niet tijdig zijn neergelegd en meegedeeld aan alle betrokken partijen worden in principe ambtshalve uit de debatten geweerd.

B.5.1. De rechtspleging voor de raadkamer verschilt grondig van de rechtspleging voor de vonnisgerechten. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden, houdt op zich geen discriminatie in.

Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen.

B.5.2. In de voorliggende zaak rijst de vraag of de in het geding zijnde bepaling afbreuk doet aan het recht op een eerlijk proces, zoals gewaarborgd door de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat een inverdenkinggestelde de raadkamer bij de regeling van de rechtspleging niet om dwingende conclusietermijnen zou kunnen verzoeken en de laattijdigheid van conclusies niet met sancties zou kunnen worden verbonden.

B.6. Bij de regeling van de rechtspleging beslist de raadkamer over de afsluiting van het gerechtelijk onderzoek. Al is artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens in beginsel niet van toepassing in de fase voorafgaand aan de strafrechtspleging voor de rechtscolleges die over de gegrondheid van de strafvordering uitspraak doen, toch dient ermee rekening te worden gehouden dat de vereisten van artikel 6 een rol kunnen spelen vóór de aanhangigmaking van de zaak bij de rechter ten gronde, indien en voor zover de initiële miskenning ervan het eerlijk karakter van het proces ernstig in het gedrang dreigt te brengen (EHRM, 24 november 1993, Imbrioscia t. Zwitserland). Bovendien bestaan er afwijkingen op het algemene principe dat de raadkamer zich niet uitspreekt over de grond van de zaak bij de regeling van de rechtspleging.

B.7.1. Met de invoering van een dwingende regeling van conclusietermijnen voor de vonnisgerechten in strafzaken beoogt de wetgever een ordentelijker verloop van het strafproces en een beter beheer van de zittingskalender (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1418/001, p. 69). Hoewel er reeds een praktijk bestond om conclusietermijnen vast te leggen in strafzaken in onderling overleg of door de vonnisrechter in aanwezigheid van de partijen, betrof dit echter een louter « gentlemen's agreement » (ibid.).

B.7.2. Aan een te laat overgezonden conclusie kon echter in beginsel geen sanctie worden gekoppeld, wat door de in het geding zijnde bepaling wordt verholpen.

Volgens de wetgever kan het weren van conclusies in bepaalde omstandigheden verantwoord zijn, met name wanneer sprake is van proceduremisbruik en wanneer laattijdige conclusies een goede rechtsbedeling verhinderen en daarbij op een foutieve wijze de rechten van andere partijen schaden en het recht op een eerlijk proces aantasten (ibid.).

B.8.1. Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is het recht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn van toepassing op de gehele procedure en kan dat recht op onherstelbare wijze geschonden zijn tijdens de fase van het vooronderzoek (EHRM, 15 juli 2002, Stratégies et communications en Dumoulin t. België, § 39).

B.8.2. Bij de regeling van de rechtspleging voor de raadkamer leggen de partijen hun conclusie neer ter terechtzitting. Hoewel geen enkele wetsbepaling de partijen verbiedt conclusies over te leggen tot de sluiting van de debatten, is het niet uitgesloten dat de partijen in onderling overleg of in overleg met de raadkamer conclusietermijnen afspreken.

B.8.3. Weliswaar bestaat er in de procedure voor de raadkamer geen bepaling die toelaat laattijdige conclusies uit de debatten te weren. De raadkamer kan evenwel de neerlegging van conclusies weigeren, als ze enkel als een vertragingsmanoeuvre bedoeld is (Cass., 16 juni 2004, Arr. Cass., 2004, nr. 331; Cass., 23 december 2015, P.15.0615.F). De raadkamer kan eveneens een laattijdig ingediende conclusie uit de debatten weren door ze als een misbruik van de rechtspleging aan te merken op grond dat zij een goede rechtsbedeling verhindert, de rechten van de tegenpartij op onrechtmatige wijze schendt en het recht op een eerlijke behandeling van de zaak in het gedrang brengt (Cass., 8 juni 2011, Arr. Cass., 2011, nr. 388; Cass., 29 april 2015, Arr. Cass., 2015, nr. 282).

B.8.4. Aldus kan de raadkamer rekening houden met, enerzijds, het openbaar belang en de zorg voor een goede rechtsbedeling binnen een redelijke termijn en, anderzijds, het recht van de procespartijen op een debat op tegenspraak, met eerbiediging van de wapengelijkheid.

B.9. Rekening houdend met hetgeen voorafgaat, wordt aan de rechten van de inverdenkinggestelde niet op onevenredige wijze afbreuk gedaan doordat artikel 152 van het Wetboek van strafvordering, zoals vervangen bij artikel 76 van de wet van 5 februari 2016, niet van overeenkomstige toepassing is bij de regeling van de rechtspleging voor de raadkamer.

B.10. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,
het Hof
zegt voor recht :

Artikel 152 van het Wetboek van strafvordering schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 11 mei 2017.

 

Nog dit: 

Roeland Vasseur, Onderzoeksgerecht moet geen dwingende conclusietermijn kunnen opleggen, De juristenkrant, 352, 28 juni 2017, 3

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 26/07/2017 - 15:44
Laatst aangepast op: vr, 18/05/2018 - 12:35

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.