-A +A

CONCLUSIES IN STRAFZAKEN

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

In strafzaken moet de conclusie in de regel uit een geschrift blijken dat, ongeacht zijn benaming of vorm, tijdens het debat ter terechtzitting door een partij of zijn advocaat aan de rechter wordt voorgelegd en waarvan regelmatig is vastgesteld dat de rechter er kennis van heeft genomen en waarin middelen tot staving van een eis, verweer of exceptie zijn aangevoerd.

Conclusies in strafzaken worden niet aan de griffie toegezonden maar ter zitting neergelegd. Bij gebreke hieraan worden ze niet als conclusies aanzien.

Behalve in de gevallen bedoeld in art. 4 Voorafgaande Titel Sv. en art. 152 Sv., is het geschrift uitgaande van een partij of van haar raadsman dat, ook al bevat het dergelijke middelen, niet ter zitting van de strafrechter tijdens het debat was voorgelegd maar aan de griffie werd toegezonden, zonder dat uit de stukken van de rechtspleging blijkt dat het andermaal ter terechtzitting zou zijn neergelegd of dat de eiser zijn middelen mondeling zou hebben aangevoerd, geen schriftelijke conclusie waarop de rechter moet antwoorden.

De bepalingen van het wetboek van strafvordering lijken er van uit te gaan dat de behandeling van een strafzaak in één onafgebroken terechtzitting plaats vindt.

Het belang van de pleidooien is derhalve bijzonder groot wanneer de strafrechter, nog dezelfde dag na het aanhoren van de pleidooien uitspraak doet.

De wet belet echter niet dat de zaak verschillende malen wordt uitgesteld en dat de rechter op een veel later tijdstip uitspraak doet teneinde deze in de gelegenheid te stellen het strafbundel in te studeren. In dergelijke gevallen verliest het pleidooi aan belang.

De rechter laat zich in dergelijke gevallen meer leiden tot het strafbundel.

Om één en ander op te vangen worden er in strafzaken meer en meer conclusies neergelegd waarin standpunten van partijen worden toegelicht.

Wanneer conclusies in strafzaken worden neergelegd is de rechter verplicht om op de middelen aangehaald in de conclusies te antwoorden.

De regels mbt de conclusies in strafzaken zijn totaal afwijkend van deze in burgerlijke zaken. Zo moeten conclusies in strafzaken in de regel niet medegedeeld worden aan het OM of aan de burgerlijke partij. Nochtans dringt het OM er meer en meer op aan om conclusies in strafzaken vooraf medegedeeld te krijgen. De rechter kan dus geen conclusies weigeren wanneer deze niet (tijdig) en aan het parket om aan de burgerlijke partijen werden medegedeeld, tenware de conclusies als louter dilatoir kunnen worden aanzien.

Sinds kort wordt aangenomen dat elke partij kan verzoeken om de zaak uit te stellen wanneer zij door een andere partij in een strafprocedure geconfronteerd wordt met de zittingsconclusies.

Wanneer er uitspraak gedaan is over de strafvordering, kan de strafrechter termijnen vastleggen voor het wisselen van de conclusies op burgerlijk gebied (zie art. 4 van de voorafgaande titel van het wetboek van strafvordering).

Het OM kan op het laatste ogenblik nog stukken voegen in het strafdossier. Het verdient daartoe aanbeveling om steeds voor de zitting als beklaagde het dossier opnieuw in te zien.

Wanneer een zaak dient te worden hernomen (bv omdat de rechters die uitspraak moeten doen niet alle zittingen hebben kunnen bijwonen) zal de volledige zaak niet alleen opnieuw gepleit dienen te worden maar zullen ook alle conclusies opnieuw dienen neergelegd

Voor de regels mbt de conclusies en stukken in strafzaken, zie R.W. 2006-2007, 749.

Wanneer er voor de strafrechter geen conclusies worden neergelegd is de strafrechter niet gehouden om de argumenten en aangehaalde middelen, die louter vervat zijn in de pleidooien te beantwoorden.

Een conclusie in strafzaken is niet aan vormvereisten onderhevig. Er dient enkel vast te staan dat ze door een bepaalde partij of haar raadsman werd neergelegd en als conclusie geïdentificeerd werd. Strikt genomen is de  handtekening niet noodzakelijk (cassatie 20 december 83. A. C. 1983-84, 215 en cassatie 12 maart 1986, A.C., 1985-86, 446).

Of een conclusie de titel conclusie, dan wel een nota maakt houdt geen verschil in. Van belang is dat het geschrift al dan niet een middel inhoud ter staving van een vordering, verweer of exceptie cassatie 3 januari 1978, A.C. 1978,517 met noot.

Een conclusie in strafzaken kan enkel ter zitting worden neergelegd en dus niet toegezonden worden aan de griffie. Een schriftelijk toegezonden conclusie of een brief gericht aan de rechtbank kan dus nooit als conclusie in strafzaken worden aanzien. Cassatie 6 december 1988, A.C. 1988-89, 200.

Middelen die vervat worden in een verzoekschrift tot hoger beroep maken een conclusie uit, daarentegen maken de middelen die de vermeld worden in een exploot van verzet niet als conclusie aanzien en zullen deze middelen dus dienen hernomen te worden in een conclusie wanneer men wil dat de middelen concrete door de rechter worden beantwoord. (cassatie 12 mei 1992, A.C. 1991-92, 469).

Wanneer een partij ter zitting een stuk neergelegd heeft, zoals bijvoorbeeld een geschreven getuigenverklaring maakt dit stuk geen conclusie uit en is dit stuk als dusdanig niet onderworpen aan de antwoordplicht van de rechter.

Op een voorbehoud tot het nemen van een latere conclusies dient er niet geantwoord te worden. Dit voorbehoud is derhalve zo goed als zinloos.

Zinloze conclusies, onsamenhangende conclusies, conclusies die niets van doen hebben met een verweer op een exceptie, onbegrijpelijke conclusies dienen niet beantwoord te worden. Zo zijn heel wat conclusies geschreven door gewone rechtsonderhorigen, zinloos, gezien zijn meestal een tirade over een emotioneel betoog uitmaken en mijn gebrek vertonen aan een ontwikkeling van argumenten in rechte.  Niettegenstaande in strafzaken iedereen zichzelf mag verdedigen en dus ook zelf conclusies mag opstellen, is en blijft conclusies schrijven vakwerk, zijnde het vakwerk van de advocaat.

Rechtspraak:

• Cassatie 19/09/2017, juridat, met noot B. Meganck, Om te besluiten: over conclusies en bindende en niet-bindende conclusietermijnen, in Tijdschrift voor strafrecht 2018-1, 30

samenvatting: 

De conclusie in strafzaken wordt opgesteld door een partij of diens advocaat en waarvan regelmatig is vastgesteld dat de rechter kennis ervan heeft genomen en waarin middelen tot staving van een eis, verweer of exceptie zijn aangevoerd.

Behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 152 Wetboek van Strafvordering, is het geschrift uitgaande van een partij of van haar raadsman dat, ook al bevat het dergelijke middelen, de rechter niet tijdens het debat was voorgelegd maar aan de griffie werd toegezonden, zonder dat uit de stukken van de rechtspleging blijkt dat het andermaal ter rechtszitting zou zijn neergelegd of dat de eiser zijn middelen mondeling zou hebben aangevoerd, geen schriftelijke conclusie waarop de rechter moet antwoorden.

•• Cass. 18 april 2007:

"In strafzaken moet de conclusie, in de regel, uit een geschrift blijken dat, ongeacht zijn benaming of vorm, tijdens het debat ter terechtzitting door een partij of zijn advocaat aan de rechter wordt voorgelegd en waarvan regelmatig is vastgesteld dat de rechter kennis ervan heeft genomen en waarin middelen tot staving van een eis, verweer of exceptie zijn aangevoerd (1). (1) Zie Cass., 7 dec. 1999, AR P.98.0076.N, nr 665; DECLERCQ R., Procédure pénale, R.P.D.B., dl. IX, aanvulling, Bruylant, 2004, p. 663, nr 1486.

Behoudens het geval dat in artikel 4, V.T.Sv. is bepaald, is het geschrift uitgaande van een partij of van haar raadsman dat, ook al bevat het middelen tot staving van een eis, verweer of exceptie, de rechter niet tijdens het debat was voorgelegd maar aan de griffie werd toegezonden, zonder dat uit de stukken van de rechtspleging blijkt dat het andermaal ter zitting zou zijn neergelegd of dat de eiser zijn middelen mondeling zou hebben aangevoerd, geen schriftelijke conclusie waarop de rechter moet antwoorden (1). (1) Zie Cass., 6 dec. 1988, AR 2215, nr 200; Cass., 29 maart 2000, AR P.99.1857.F, nr 211; DECLERCQ R., Procédure pénale, R.P.D.B., dl. IX, aanvulling, Bruylant, 2004, p. 664, nr 1493.

Er is wettige verdediging wanneer iemand, die niet in de mogelijkheid verkeert om een ernstige en ogenblikkelijke aanranding tegen zijn persoon of tegen een derde te ontwijken, anders dan door het misdrijf te plegen, zich op een evenredige manier tegen die onrechtmatige aanval verweert (1). (1) Cass., 19 april 2006, AR P.06.0018.F, nr ..., met concl. adv.-gen. D. VANDERMEERSCH, Rev.dr.pén., 2006, p. 932.

Wanneer wettige verdediging wordt aangevoerd, toetst de rechter met name of de doodslag, de verwondingen of de slagen een verweer waren, of dit noodzakelijk was en of het in verhouding stond tot de aanranding; hij steunt aldus op de feitelijke omstandigheden, rekening houdende met de reacties die de aangerande persoon redelijk kon en moest hebben (1). (1) Cass., 19 april 2006, AR P.06.0018.F, nr ..., met concl. adv.-gen. D. VANDERMEERSCH, Pas., 2006, nr ..."

•• Hof van Cassatie 2e Kamer – 10 april 2007, RW 2008-2009, 703.

In strafzaken verplicht geen enkele wettelijke bepaling de inverdenkinggestelde zijn conclusie aan het openbaar ministerie mee te delen alvorens ze ter zitting neer te leggen.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 30 maart 2007 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling.

...

II. Beslissing van het Hof

Over het ambtshalve middel dat de miskenning aanvoert van het algemeen beginsel van het recht van verdediging

In strafzaken verplicht geen enkele wettelijke bepaling de inverdenkinggestelde om zijn conclusie aan het openbaar ministerie mede te delen alvorens ze ter zitting neer te leggen.

Door de conclusie van de eiser te weren op grond dat zij niet vooraf aan het openbaar ministerie was medegedeeld, schendt het arrest het recht van verdediging.

Noot Elfri De Neve:  deze zaak betrof de behandeling van een voorlopige hechtenis.

 


 

Cassatie 22/10/2014, AR P.14.1074.F

Samenvatting

In strafzaken, waar artikel 742 van het Gerechtelijk Wetboek niet van toepassing is, kan alleen het geschrift dat de rechter tijdens de debatten is overhandigd als een schriftelijke conclusie worden beschouwd (1). (1) Zie Cass. 12 september 2007, AR P.07.0942.F, AC 2007, nr. 403.

Om het recht op een eerlijke behandeling van de zaak te waarborgen, dient de rechter geen verzet ontvankelijk te verklaren dat na de verjaring van de straf is ingesteld omdat het exploot van betekening van het verstekvonnis noch het recht vermeldde om verzet te doen noch de wettelijk bepaalde termijn om dat rechtsmiddel in te stellen.

Tekst arrest

Nr. P.14.1027.F
I. D. S. G.,

II. L. L.,
Mr. Olivier Stein, advocaat bij de balie te Brussel,
beide cassatieberoepen tegen
B. S.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 21 mei 2014.

Elk van de eisers voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling

(...)
B. Cassatieberoep van L. L.

1. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de strafvor-dering tegen de eiseres
(...)

Derde middel

Het middel voert miskenning aan van de bewijskracht van de filmbeelden van de betoging.

De eiseres verwijt de appelrechters te hebben vastgesteld dat die beelden haar to-nen terwijl ze paarden ter hoogte van de borst aanraakt, een gegeven waarvan zij verklaart dat zij dat bij het bekijken van de beelden niet heeft vastgesteld.

Los van het geschrift dat de inhoud ervan zou weergeven, is een film als dusdanig geen bewijskrachtige akte in de zin van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek.

Het middel faalt naar recht.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.
(...)

Dictum
Het Hof,
Verwerpt de cassatieberoepen.
Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer


Cassatie 19 september 2017, RW 2017-2018, 1454

Samenvatting

Conclusies in strafzaken worden niet aan de griffie toegezonden maar ter zitting neergelegd. Bij gebreke hieraan worden ze niet als conclusies aanzien.
Behalve in de gevallen bedoeld in art. 4 Voorafgaande Titel Sv. en art. 152 Sv., is het geschrift uitgaande van een partij of van haar raadsman dat, ook al bevat het dergelijke middelen, niet ter zitting van de strafrechter tijdens het debat was voorgelegd maar aan de griffie werd toegezonden, zonder dat uit de stukken van de rechtspleging blijkt dat het andermaal ter terechtzitting zou zijn neergelegd of dat de eiser zijn middelen mondeling zou hebben aangevoerd, geen schriftelijke conclusie waarop de rechter moet antwoorden.

Tekst arrest

AR nr. P.16.1065.N

NV G.B. en Y.H.J.D. t/ M.-S P. en NV N.I.S.B.

I. Rechtspleging voor het Hof

De cassatieberoepen zijn gericht tegen een vonnis in hoger beroep van de Correctionele Rechtbank Leuven van 8 september 2016.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

...

Middel van de eiseres I

5. Het middel voert schending aan van art. 149 Gw.: het bestreden vonnis beantwoordt niet eiseres’ verweer over de door de verweerster 2 gevorderde schadevergoeding, geformuleerd in haar op 3 mei 2016 neergelegde appelconclusie.

6. In strafzaken moet de conclusie in de regel uit een geschrift blijken dat, ongeacht zijn benaming of vorm, tijdens het debat ter terechtzitting door een partij of zijn advocaat aan de rechter wordt voorgelegd en waarvan regelmatig is vastgesteld dat de rechter er kennis van heeft genomen en waarin middelen tot staving van een eis, verweer of exceptie zijn aangevoerd.

7. Behalve in de hier niet van toepassing zijnde gevallen bedoeld in art. 4 Voorafgaande Titel Sv. en art. 152 Sv., is het geschrift uitgaande van een partij of van haar raadsman dat, ook al bevat het dergelijke middelen, de rechter niet tijdens het debat was voorgelegd maar aan de griffie werd toegezonden, zonder dat uit de stukken van de rechtspleging blijkt dat het andermaal ter terechtzitting zou zijn neergelegd of dat de eiser zijn middelen mondeling zou hebben aangevoerd, geen schriftelijke conclusie waarop de rechter moet antwoorden.

8. Noch uit het proces-verbaal van de terechtzitting van de correctionele rechtbank van 9 juni 2016 waarop de zaak werd behandeld noch uit het bestreden vonnis blijkt dat de eiseres ter terechtzitting een conclusie heeft genomen.

Het middel kan niet worden aangenomen.

NOOT – Cf. J. Meese, «Potpourri II: een overzicht van de belangrijkste wijzigingen op vlak van strafprocesrecht», RW 2015-16, (1563), p. 1568-1569, nrs. 9-10.

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:15
Laatst aangepast op: wo, 20/06/2018 - 14:35

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.