-A +A

COLLECTIEF MISDRIJF EN EENHEID VAN OPZET

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Wettelijke basis : artikel 65 van het strafwetboek.

Wanneer men als burger in de fout gaat en hierbij een opzet heeft dat strafbaar wordt geheten resulteert dit vaak in verschillende feiten die elk afzonderlijk strafbaar kunnen zijn. Het kan zelfs gebeuren dat deze feiten op verschillende tijdstippen worden gepleegd maar dat alles kadert in één en hetzelfde opzet.

Deze verschillende feiten kunnen afzonderlijk aanleiding geven tot verschillende straffen. Wanneer deze verschillende straffen allen afzonderlijk zouden uitgesproken worden zou men een cascade van bestraffing krijgen die als onbillijk en overdreven zou overkomen.

Derhalve kan de rechter op grond van artikel 65.1 van het strafwetboek de eenheid van het opzet weerhouden en alsdan enkel de zwaarste straf uitspreken voor de verschillende strafbare feiten die hem voorliggen.

Maar het kan ook gebeuren dat de justitie in schuifkes werkt. Één en ander zou evenzeer tot vrij onbillijke situaties kunnen leiden.

Een dader zou reeds veroordeeld kunnen zijn voor een aantal misdrijven die kaderen in dezelfde eenheid van opzet, waarna hij maanden of jaren nadien opnieuw wordt gedagvaard om te verschijnen voor de correctionele rechtbank voor feiten die kaderen in hetzelfde opzet als deze waarvoor hij reeds veroordeeld werd.

In dit geval voorziet artikel 65.2 van het strafwetboek dat de rechter bij de straftoemeting rekening houdt met de reeds uitgesproken straffen. De strafrechter kan alsdan na het pleidooi van de advocaat oordelen dat de reeds uitgesproken straf voldoende is. In dit geval zal hij zich wel uitspreken over de schuldvraag en zal hij verwijzen in zijn beslissing naar de reeds uitgesproken straffen. Hoe dan ook zal alsdan het geheel van de straffen het maximum van de zwaarste straf niet te boven kunnen gaan.

Een arrest van 31 mei 2006 van het Hof van Cassatie bepaalt dat bij eenheid van opzet tussen verschillende misdrijven de rechter na een eerdere veroordeling tot een werkstraf ook veroordeling tot opsluiting kan uitspreken. Het Hof beroept zich op artikel 65, tweede lid van het Strafwetboek. Het Hof is van oordeel dat de uitgesproken straf en de bijkomende uitgesproken straf niet van dezelfde aard hoeven te zijn. Enige voorwaarde is dat de bijkomende straf nooit de maximumstraf mag overschrijden. De reeds uitgesproken straf kan als een verzachtende omstandigheid worden beschouwd.

In dit arrest betrof het een situatie waarin verscheidene feiten door éénzelfde persoon werden gepleegd en die feiten de opeenvolgende en voortdurende uitvoering zijn van éénzelfde misdadig opzet.

Nadat de betrokkene een eerdere veroordeling tot een correctionele werkstraf van 150 uren had opgelopen, veroordeelde het hof van assisen hem tot een opsluiting van 25 jaar, uit hoofde van een misdaad, die de opeenvolgende en voortdurende uitvoering van éénzelfde misdadig opzet uitmaakt.

Artikel 65, tweede lid van het Strafwetboek is van toepassing in die gevallen. Indien de rechter vaststelt dat het feit, dat bij hem aanhangig is, de voortzetting is van een misdrijf waarvoor in het verleden reeds een vonnis is uitgesproken, dan houdt hij bij de straftoemeting rekening met de reeds eerder uitgesproken straffen, met name door die straf naar verhouding te minderen. Dit artikel voorziet verder dat het geheel van de uitgesproken straffen het maximum van de zwaarste straf niet te boven mag gaan.

Het Hof van Cassatie is van oordeel dat in toepassing van artikel 65, tweede lid van het Strafwetboek, in casu een criminele vrijheidsberovende straf kon worden uitgesproken. De straf van 25 jaar opsluiting blijft binnen de grenzen van de voor die misdaad voorziene straf, houdt rekening met de reeds uitgesproken correctionele straf en gaat, gecumuleerd met deze laatste, het maximum van de zwaarste straf niet te boven, zijnde 30 jaar opsluiting.

zie ook: QRVA 51 149, 15 - 1 - 2007, DO 2006200709246 Vraag nr. 1164 van mevrouw Sabien Lahaye-Battheu van 28 november 2006 (N.) aan de viceeersteminister en minister van Justitie :

Rechtsleer:

• C. Van Deuren, «Eén plus één is niet altijd twee. De regels van de samenloop besproken, vergeleken en empirisch onderzocht», NC 2012, 358-376;

• C. Van den Wyngaert en S. Vandromme, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Antwerpen/Apeldoorn, Maklu, 2014, 496-505)

 

 

 

Nog dit: 

• Cass. 28/10/2014, juridat

Samenvatting

Indien de rechter bij toepassing van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek vaststelt dat de misdrijven die reeds het voorwerp waren van een in kracht van gewijsde gegane beslissing en andere bij hem aanhangige feiten en die in de veronderstelling dat ze bewezen zouden zijn, aan die beslissing voorafgaan en samen met de misdrijven de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet, dient hij bij de straftoemeting rekening te houden met de reeds uitgesproken straffen en, indien deze voor hem een juiste en voldoende bestraffing lijken voor al deze misdrijven, zich uit te spreken over de schuldvraag en in zijn beslissing te verwijzen naar de reeds uitgesproken straffen; met het oordeel dat een aanvullende straf niet nodig is en kan worden volstaan met een verwijzing naar reeds uitgesproken straffen, veroordeelt de rechter de beklaagde niet opnieuw tot de straffen opgelegd bij het vorig veroordelend vonnis zodat de beslissing waarbij de rechter op grond van artikel 65, tweede lid, strafwetboek bij de beoordeling van de bij hem aanhangige feiten op grond van die bepaling zich beperkt tot een verwijzing naar een hoofdgevangenisstraf van ten minste één jaar die werd opgelegd voor reeds bestrafte feiten, dan ook niet kan dienen als grondslag voor de vaststelling van de toestand van wettelijke herhaling als bedoeld door artikel 56, tweede lid, Strafwetboek.

Tekst arrest
Nr. P.14.0812.N
1. Z B,
beklaagde,
2. S E B,
beklaagde,
eisers,
tegen
1. D E H, in eigen naam en als wettelijk vertegenwoordiger van zijn minderjarige zoon I E H,
burgerlijke partij,
2. L B, in eigen naam en als wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige zoon I E H,
burgerlijke partij,
3. M E H,
burgerlijke partij,
4. H A,
burgerlijke partij,
5. J E H,
burgerlijke partij,
6. J E H,
burgerlijke partij,
7. N E H,
burgerlijke partij,
8. R E H,
burgerlijke partij,
9. D A,
burgerlijke partij,
10. Y E H,
burgerlijke partij,
11. F E H,
burgerlijke partij,
12. N E H,
burgerlijke partij,
13. E H E H,
burgerlijke partij,
14. S E H,
burgerlijke partij,
15. H E H,
burgerlijke partij,
16. S E H,
burgerlijke partij,
17. M E H,
burgerlijke partij,
verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Ant-werpen, correctionele kamer, van 7 april 2014.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel van de eiser 1

1. Het middel voert schending aan van artikel 56, tweede lid, Strafwetboek en de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: het bestreden arrest leidt de wettelijke herhaling ten onrechte af uit het arrest van het hof van beroep te Brussel van 12 september 2011, dat immers de eiser 1 niet veroordeelde tot een gevangenisstraf van twee jaar met gedeeltelijk uitstel; hem werd immers geen bijkomende straf opgelegd omdat de eerder door de correctionele rechtbank te Kortrijk op 8 april 2008 uitgesproken straf van twee jaar met gedeeltelijk uitstel een juiste be-straffing was voor alle feiten, zowel deze beoordeeld door de rechtbank te Kortrijk als deze beoordeeld door het hof van beroep te Brussel; het arrest miskent de bewijskracht van het arrest van het hof van beroep te Brussel door vast te stellen dat dit de eiser veroordeelt tot een gevangenisstraf van twee jaar, terwijl het die draagwijdte niet heeft.

2. Volgens artikel 56, tweede lid, Strafwetboek kan hij die na een vroegere veroordeling tot gevangenisstraf van ten minste één jaar, een nieuw wanbedrijf pleegt voordat vijf jaren zijn verlopen sinds hij zijn straf heeft ondergaan of sinds zijn straf is verjaard, worden veroordeeld tot het dubbele van het maximum van de straf, bij de wet op het wanbedrijf bepaald.

De vaststelling van de toestand van wettelijke herhaling als bedoeld door arti-kel 56, tweede lid, Strafwetboek vereist een in kracht van gewijsde gegane veroordeling tot een hoofdgevangenisstraf van ten minste één jaar wegens één straf-baar feit of bij toepassing van artikel 65 Strafwetboek wegens eendaadse samenloop of een voortgezet misdrijf.

3. Indien de rechter bij toepassing van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek vaststelt dat misdrijven die reeds het voorwerp waren van een in kracht van ge-wijsde gegane beslissing en andere bij hem aanhangige feiten en die in de veron-derstelling dat ze bewezen zouden zijn, aan die beslissing voorafgaan en samen met de misdrijven de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet, dient hij bij de straftoemeting rekening te houden met de reeds uitgesproken straffen. Indien deze voor hem een juiste en voldoende bestraffing lijken voor al deze misdrijven, spreekt hij zich uit over de schuldvraag en verwijst hij in zijn beslissing naar de reeds uitgesproken straffen.

Met het oordeel dat een aanvullende straf niet nodig is en er kan worden volstaan met een verwijzing naar reeds uitgesproken straffen, veroordeelt de rechter de beklaagde niet opnieuw tot de straffen opgelegd bij het vorig veroordelend vonnis.

De beslissing waarbij de rechter op grond van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek bij de beoordeling van de bij hem aanhangige feiten op grond van die bepaling zich beperkt tot een verwijzing naar een hoofdgevangenisstraf van ten minste één jaar die werd opgelegd voor reeds bestrafte feiten, kan dan ook niet dienen als grondslag voor de vaststelling van de toestand van wettelijke herhaling als be-doeld door artikel 56, tweede lid, Strafwetboek.

4. Het bestreden arrest stelt in hoofde van de eiser 1 met verwijzing naar het arrest van het hof van beroep te Brussel van 12 september 2011 een toestand van wettelijke herhaling vast als bedoeld door artikel 56, tweede lid, Strafwetboek omdat de eiser 1 bij dit arrest zou zijn veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar, met uitstel gedurende een periode van vijf jaar voor 1 jaar.

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt evenwel dat het hof van beroep te Brussel bij arrest van 12 september 2011 zelf de eiser 1 niet heeft veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van ten minste één jaar, maar wel heeft geoordeeld dat voor de feiten waaraan de eiser 1 met dit arrest werd schuldig verklaard, kon worden volstaan met de aan de eiser 1 opgelegde straf van twee jaar met vijf jaar uitstel van tenuitvoerlegging voor een jaar bij vonnis van de correctionele rechtbank te Kortrijk van 8 april 2008, zonder dat het nodig is een bijko-mende straf op te leggen.

Bijgevolg verantwoordt het bestreden arrest de beslissing over de toestand van wettelijke herhaling in hoofde van de eiser 1 niet naar recht.

Omvang van de cassatie

5. De vernietiging van de beslissing over de toestand van wettelijke herhaling in hoofde van de eiser 1 leidt tot de vernietiging van de veroordeling van de eiser 1 tot straf en tot betaling van een bijdrage aan het Slachtofferfonds, maar laat de schuldigverklaring van de eiser 1 onaangetast.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering voor het overige

6. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het in hoofde van de eiser 1 de toestand van wettelijke herhaling vaststelt en hem veroordeelt tot straf en tot betaling van een bijdrage aan het Slachtofferfonds.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.
Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige.
Veroordeelt de eiser 1 tot een vierde van de kosten van de cassatieberoepen.
Veroordeelt de eiser 2 tot de helft van de kosten van de cassatieberoepen.
Laat de overige kosten ten laste van de Staat.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.
Bepaalt de kosten op 183,87 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer

• Cassatie 17/06/2014, AR P.14.0472.N

Samenvatting

Voor de toepassing van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek oordeelt de rechter onaantastbaar of er eenheid van opzet bestaat tussen de feiten waarvoor hij een beklaagde schuldig verklaart en deze waarvoor diezelfde beklaagde bij een eerder in kracht van gewijsde gegane strafrechterlijke beslissing tot straf is veroordeeld; hij kan de afwezigheid van eenheid van opzet afleiden uit alle hem regelmatige overgelegde feitelijke gegevens, zoals het tijdsverloop tussen de reeds beoordeelde feiten en deze die bij hem aanhangig zijn en hij voegt aldus geen voorwaarde toe aan de toepassing van het vermelde wetsartikel (1). (1) Cass. 11 april 1984, AC 1983-84, nr.464; Cass. 29 september 1992, AC 1991-92, nr.636.

Tekst arrest

Nr. P.14.0472.N
P J A J,
beklaagde,
eiser, aangehouden,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 11 februari 2014.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert schending aan van 65, tweede lid, Strafwetboek: het arrest oordeelt dat geen toepassing kan gemaakt worden van deze wetsbepaling daar meer dan twee jaar verlopen zijn tussen de feiten waarvoor het de eiser schuldig verklaart en deze waarvoor de eiser bij in kracht van gewijsde gegane arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 27 februari 2013 werd veroordeeld; aldus voegt het arrest een voorwaarde toe aan artikel 65, tweede lid, Strafwetboek.

2. Voor de toepassing van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek oordeelt de rechter onaantastbaar of er eenheid van opzet bestaat tussen de feiten waarvoor hij een beklaagde schuldig verklaart en deze waarvoor diezelfde beklaagde bij een eerder in kracht van gewijsde gegane strafrechtelijke beslissing tot straf is veroor-deeld.

Hij kan de afwezigheid van eenheid van opzet afleiden uit alle hem regel-matig overgelegde feitelijke gegevens, zoals het tijdsverloop tussen de reeds be-oordeelde feiten en deze die bij hem aanhangig zijn. Aldus voegt hij geen voor-waarde toe aan de toepassing van het vermelde wetsartikel.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

3. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet genomen.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 127,11 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, op de openbare rechtszitting van 17 juni 2014

• Cassatie 15 maart 2016, AR, P.15.1435.N, RW 2017-2018, 277, met noot S. Raats De toepassing van art. 65, tweede lid Sw. en het bewijs van hoger beroep (met talrijke verwijzingen naar de rechtspraak)

Samenvatting

De rechter is verplicht artikel 65, tweede lid, Strafwetboek, toe te passen indien hij vaststelt dat de voorwaarden daartoe zijn vervuld

Indien een beklaagde met verwijzing naar een rechterlijke beslissing op geloofwaardige wijze aanvoert dat er gelet op die beslissing grond is om artikel 65, tweede lid, Strafwetboek toe te passen, kan de rechter die aanvoering niet verwerpen om de enkele reden dat die beklaagde geen bewijs van niet-verhaal overlegt

Tekst arrest

P.15.1435.N
H N O, alias ( ... ),
beklaagde, aangehouden,
eiser,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 14 oktober 2015.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest bevestigt de door de eerste rechter voor de feiten der telastlegging J gedeeltelijk verleende vrijspraak.

In zoverre ook tegen die beslissing gericht, is eisers cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Eerste middel

Eerste onderdeel

2. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 10 en 11 Grondwet en artikel 56, tweede lid, Strafwetboek: het arrest stelt ten onrechte de staat van wettelijke herhaling vast; het Grondwettelijk Hof oordeelde met het arrest nr. 185/2014 van 18 december 2014 dat het vaststellen van de wettelijke herhaling bij gecorrectionaliseerde misdaden ongrondwettig is wegens een miskenning van het gelijkheidsbeginsel en dat die ongrondwettigheid rechtstreeks voortvloeit uit artikel 56, tweede lid, Strafwetboek; het arrest kon dan ook niet oordelen dat de vast-gestelde discriminatie niet enkel de uitwerking is van artikel 56, tweede lid, Strafwetboek of dat die ten gepaste tijde moet worden aangevoerd voor de straf-uitvoeringsrechtbank; de handhaving door het Grondwettelijk Hof van de gevol-gen van artikel 56, tweede lid, Strafwetboek nam een einde op 31 juli 2015 en het bestreden arrest werd na die datum gewezen.

3. De vaststelling van de staat van wettelijke herhaling door het arrest is niet enkel gesteund op gecorrectionaliseerde misdaden waaraan de eiser is schuldig verklaard (telastleggingen A, B, C1, C2, C3, D, E1, E2 en E3), maar ook op wan-bedrijven waaraan hij is schuldig verklaard (telastleggingen F1, F2, G1, G2, G3, G4, H1, H2, H3, I en J (beperkt)). Het onderdeel bekritiseert niet eisers schuldig-verklaring aan die wanbedrijven en de vaststelling van de staat van wettelijke her-haling op basis van die wanbedrijven.

Het onderdeel, al was het gegrond, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

4. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 10 en 11 Grondwet, ar-tikel 56, tweede lid, Strafwetboek en artikel 187, eerste en vijfde lid, Wetboek van Strafvordering: het arrest stelt voor de feiten der telastleggingen A, C1, C2, C3, D, E1, E2, E3, F1, F2, G1, G2, G3, H2, I en J (voor zover betrekking hebbend op de periode van 28 december 2013 tot 12 juni 2014) ten onrechte de staat van wettelijke herhaling vast; het arrest oordeelt ten onrechte dat die staat kan worden vastgesteld voor de feiten gepleegd vanaf 18 december 2013 en verwerpt ten onrechte eisers stelling dat aangezien dit een verstekvonnis betrof, de wettelijke herhaling alleen kan worden vastgesteld voor feiten gepleegd na 12 juni 2014, dit is na het verstrijken van de gewone termijn van verzet die is ingegaan ingevolge de betekening op 27 mei 2014 van het verstekvonnis van 12 december 2013; de vaststelling van de wettelijke herhaling vereist immers een voorafgaande veroordeling waartegen geen rechtsmiddelen meer openstaan.

5. De vaststelling van de staat van wettelijke herhaling door het arrest is niet enkel gesteund op vóór 12 juni 2014 gepleegde feiten waaraan de eiser is schuldig verklaard (telastleggingen B, E1, E2, E4, F2, G2, G4, H1, H3, I en J (voor zover gepleegd vóór 12 juni 2014)), maar ook op feiten gepleegd na die datum waaraan de eiser is schuldig verklaard (telastleggingen A, C1, C2, C3, D, E3, F1, G1, G3, H2 en J (voor zover gepleegd vanaf 12 juni 2014)). Het onderdeel bekritiseert niet de schuldigverklaring van de eiser aan de vanaf 12 juni 2014 gepleegde feiten en de vaststelling van de staat van wettelijke herhaling op basis van die feiten.

Het onderdeel, al was het gegrond, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk.

Tweede middel

6. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 65, tweede lid, Strafwetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende het recht van verdediging: het arrest verwerpt ten onrechte eisers verzoek om met verwijzing naar het vonnis van de correctionele rechtbank Luxemburg, afdeling Neufchâteau, van 7 oktober 2014, waarvan een afschrift werd overgelegd, artikel 65, tweede lid, Strafwetboek toe te passen; dit verzoek kan niet worden afgewezen op de enkele grond dat geen attest van niet-verhaal wordt overgelegd; het arrest had de eiser of het openbaar ministerie in de gelegenheid moeten stellen alsnog aan te tonen dat de beslissing definitief was; het arrest is dan ook niet naar recht verantwoord.

7. De rechter is verplicht artikel 65, tweede lid, Strafwetboek, toe te passen in-dien hij vaststelt dat de voorwaarden daartoe zijn vervuld.

Indien een beklaagde met verwijzing naar een rechterlijke beslissing op geloof-waardige wijze aanvoert dat er gelet op die beslissing grond is om artikel 65, tweede lid, Strafwetboek toe te passen, kan de rechter die aanvoering niet verwer-pen om de enkele reden dat die beklaagde geen bewijs van niet-verhaal overlegt.

8. Het arrest verwerpt eisers verzoek om gelet op het vonnis van de correctio-nele rechtbank Luxemburg, afdeling Neufchâteau, van 7 oktober 2014 artikel 65, tweede lid, Strafwetboek toe te passen op de enkele grond dat: "Er wordt door de beklaagde geen attest van geen verhaal voorgelegd, zodat het op vandaag niet zeker voorkomt dat het vonnis in kracht van gewijsde is getreden. Dit vonnis komt derhalve niet in aanmerking voor de toepassing van artikel 65, tweede lid, Straf-wetboek". Die beslissing is niet naar recht verantwoord.

Het middel is gegrond.

Omvang van de cassatie

9. De vastgestelde onwettigheid leidt tot de cassatie van de aan de eiser opge-legde bestraffing met inbegrip van de veroordeling tot de bijdrage aan het Slachtofferfonds, maar laat eisers schuldigverklaring onaangetast.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering voor het overige

10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiser tot straffen en tot een bijdra-ge aan het Slachtofferfonds veroordeelt.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Veroordeelt de eiser tot vier vijfden van de kosten en houdt de beslissing over de overige kosten aan waarover de verwijzingsrechter zal dienen te beslissen.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.
Bepaalt de kosten in het geheel op 209,28 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer en op de openbare rechtszitting van 15 maart 2016 uitgesproken

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:16
Laatst aangepast op: di, 05/12/2017 - 07:20

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.